Ouders hebben een grote invloed op de ontwikkeling van hun kind. Zo voorzien ze het kind bijvoorbeeld van alles wat het nodig heeft om te groeien, maar bepalen ouders daarnaast voor een groot deel de sociale en emotionele contexten waar een kind in de eerste levensjaren aan blootgesteld wordt. Dit is één van de redenen waarom onderzoek binnen de zelfdeterminatie theorie (‘self-determination theory’, SDT) zich focust op de invloed die ouders hebben op de psychologische ontwikkeling en het welzijn van hun kind.
Hoe kunnen ouders een faciliterende omgeving bieden voor het kind?
Een van de belangrijkste dingen die ouders bijdragen aan de ontwikkeling van het kind is het bieden van steun voor autonomie. Dit houdt in dat ouders actief het zelfregulerend vermogen van het kind aanmoedigen. Hieronder vallen bijvoorbeeld het kind steunen bij zelfexpressie of als het kind een zelfgekozen activiteit wil uitoefenen. Op deze manier leert het kind al in de vroege kindertijd emoties van zichzelf en anderen begrijpen. Ook tijdens de adolescentie en vroege volwassenheid is deze vaardigheid belangrijk zodat het kind een gezonde band met de ouders behoudt.
Naast steun voor autonomie gaat SDT uit van nog twee voedende opvoedingsdimensies naast het bieden van steun voor autonomie. De eerste is het bieden van structuur, wat inhoudt dat een kind bijgestuurd wordt om competenties te ontwikkelen. Het zorgt ervoor dat een kind op een veilige en vertrouwde manier vaardigheden kan leren beheersen. De tweede opvoedingsdimensie is betrokkenheid, wat betekent dat ouders tijd, aandacht en zorg in een kind investeren. Op deze manier voelen kinderen zich verbonden en gesteund door de ouders. Allebei deze dimensies zijn nodig zodat een kind zichzelf kan ontwikkelen.
Deze drie opvoedingsdimensies helpen met het ontwikkelen van verschillende dingen.
Steun voor autonomie helpt het kind autonomie ontwikkelen.
Het bieden van structuur zorgt voor competentie.
Betrokkenheid zorgt voor het voelen van verbondenheid.
Hoe zit het met hechting, vertrouwen en steun voor autonomie bij het opvoeden?
Het bijzondere van SDT is dat deze zich focust op de ontwikkeling van een kind door het aanmoedigen van de intrinsieke groeiprocessen die ze doormaken. Andere theorieën leggen vaak de nadruk op het leveren van prestaties door het kind.
Hoe relateren de theorieën van Bowlby en Winnicott zich aan SDT?
Bowlby ontwikkelde de hechtingstheorie. Het centrale concept hierin was de gevoelde veiligheid. Bowlby was ervan overtuigd dat hechting ontstond via je veilig en beschermd voelen. Ondanks dat veiligheid nodig is voor een goede zelfontwikkeling, lijkt het op zichzelf niet genoeg. Winnicott kwam hierom met het idee van positieve steun. Hieronder vallen volgens hem vastgehouden worden, empathische reacties krijgen van anderen en het ontvangen van steun als je erom vraagt. Dit is volgens Winnicott de basis van zelfontwikkeling.
SDT stelt dat het hebben van goede relaties in de jeugd meer is dan alleen het bieden van veiligheid en bescherming. Een ouder moet niet alleen responsief zijn richting het kind in tijden van gevaar, maar ook op andere momenten. Zo moeten ouders ook responsief zijn als het kind spontane activiteit vertoond. Voorbeelden hiervan zijn kijken waar een kind naar toe wijst, of teruglachen als het kind ook lacht. Hierbij is nieuwsgierigheid van de ouder heel erg belangrijk. SDT stelt dat deze actief steunende houding de primaire veroorzaker van zelfontwikkeling bij het kind is. Hierbij is het belangrijk dat de ouder niet controlerend is of het kind onder druk zet, maar juist het kind de vrijheid geeft om dingen te onderzoeken. Sensitiviteit, empathie en responsiviteit voor de signalen van het kind en de dingen waar het interesse in toont vormen dus de kern van een faciliterende omgeving.
Wat zegt SDT onderzoek over steun voor de autonomie en de effecten hiervan op de ontwikkeling van het kind?
Ouders die steunend zijn richting de autonomie van het kind zorgen ervoor dat hun kinderen onderzoekender en zelfstandiger zijn. Deze kinderen kunnen daarnaast makkelijker hun negatieve emoties zelf reguleren. Als ouders de autonomie van het kind aanmoedigen ontwikkelt het daarnaast een beter werkgeheugen en heeft het betere impulscontrole.
Sommige ouders hebben een hoog organismisch vertrouwen. Dit houdt in dat ze geloven dat de ontwikkeling van een kind een natuurlijk (organismisch) proces is wat alleen goed kan lopen op het moment dat ze een kind op een niet-dwingende manier aanmoedigen en steunen in de autonomie. Hoe meer een ouder zich gehoord voelt door de omgeving in zijn of haar behoefte, hoe hoger het organismisch vertrouwen. Ouders die deze houding hebben vergelijken hun kinderen minder snel met anderen en hebben ook minder hoge verwachtingen die het kind onder druk zetten. Hoe hoger het organismisch vertrouwen hoe meer steunend richting de autonomie van het kind een ouder is. Het organismisch vertrouwen is niet alleen belangrijk in de vroege jaren van het kind, maar ook naarmate het kind ouder wordt.
Hoe meer steunend een ouder is richting de autonomie van het kind, hoe vaker een kind intrinsiek gemotiveerd is op latere leeftijd. Daarnaast blijken controlerende ouders vaker agressiviteit op te wekken bij hun kinderen. Steunend zijn richting de autonomie van een kind als ouder zorgt dus voor betere ontwikkeling van intrinsieke motivatie en zelf-regulatie bij een kind. Daarnaast ontwikkelen kinderen betere executieve functies. Zo kunnen kinderen die gesteund zijn in hun autonomie hun aandacht langer vasthouden en beloningen beter uitstellen. Als ouders deze steunende houding aannemen lijken kinderen dus in alle domeinen beter te ontwikkelen dan als er sprake is van een controlerende houding. Het zorgt voor een hoger welzijn bij het kind en ouders vervullen de psychologische behoeften van het kind beter.
Wat zijn de twee overige voedende opvoedingsdimensies volgens SDT naast het bieden van steun voor de autonomie van het kind?
Wat houdt het bieden van structuur in?
Het bieden van structuur houdt in dat ouders de omgeving van het kind inrichten en bijsturen om te zorgen dat ze bepaalde competenties kunnen ontwikkelen. Hieronder valt onder andere het hebben van duidelijke regels, het bieden van feedback en zorgen dat wat er van het kind gevraagd wordt past bij hun ontwikkelingsniveau. Dit zorgt ervoor dat kinderen een vorm van controle voelen binnen bepaalde situaties. Ze krijgen dan het idee dat ze invloed kunnen uitoefenen op de uitkomst.
Wat houdt betrokkenheid in?
Betrokkenheid gaat over de mate van interesse die ouders hebben in het leven van hun kind, de hoeveelheid informatie die ze over hun kind hebben en in hoeverre ze actief geïnteresseerd zijn in wat het kind doet. Als ouders betrokken zijn worden kinderen beter in emotie-regulatie en kunnen ze zich emotioneel makkelijker aanpassen. Daarnaast voelen kinderen van betrokken ouders meer intrinsieke motivatie voor school.
Waarom zijn de drie dimensies zo belangrijk?
De drie dimensies zijn volgens SDT zo belangrijk omdat elk van de dimensies een rol speelt bij het vervullen van de psychologische basisbehoeften van een kind. De steun voor de autonomie van het kind zorgt ervoor dat het kind autonoom wordt en het bieden van structuur helpt bij de ontwikkeling van competentie. Hoe meer betrokken de ouders zijn bij hun kinderen, hoe beter ouders hen kunnen begrijpen en kunnen bieden wat ze nodig hebben voor het ontwikkelen van vaardigheden en hoe meer verbonden het kind zich met hen voelt.
Hoe relateren de drie voedende opvoedingsdimensies van SDT zich aan andere perspectieven op opvoeding?
Hoe relateren de drie dimensies aan Baumrinds opvoedingsstijlen?
Baumrind dacht dat er drie verschillende opvoedingsstijlen waren:
Een permissieve opvoedingsstijl. Permissieve ouders zijn relatief makkelijk over te halen en niet heel nauw verbonden met hun kinderen. Ze communiceren geen belangrijke regels of limieten richting hun kinderen. Er is dus sprake van te weinig structuur volgens SDT. Daarnaast lijkt er sprake te zijn van weinig betrokkenheid: ze laten kinderen doen wat ze willen. Als laatste doen deze ouders ook geen verzoeken richting hun kinderen die passen bij de ontwikkelingsfase waar het kind zich in bevindt. Hierdoor steunen ze dus ook de autonome ontwikkeling niet.
Een autoritaire opvoedingsstijl. Deze ouders willen dat kinderen doen wat ze zeggen. Daarnaast verwachten ze vaak dat het kind hun standaard bereikt. Ze zijn controlerend en zetten het kind onder druk om gestelde doelen te halen. Er is dus sprake van erg veel structuur en geen steun voor de autonomie van het kind. Er kan sprake zijn van erg veel betrokkenheid vanuit de ouders, of juist helemaal geen.
Een autoritatieve opvoedingsstijl. Ouders met deze stijl moedigen het kind aan om zich 'autonoom' te ontwikkelen, terwijl ze tegelijkertijd hele strakke regels aan het kind opleggen. Er lijkt dus sprake te zijn van betrokkenheid en structuur, maar weinig steun voor de autonomie.
Het verschil tussen de aanpak van Baumrind en die van SDT is dat SDT de drie dimensies gescheiden onderzoekt, namelijk steun voor de autonomie versus controle, structuur versus geen structuur en hoog versus lage betrokkenheid. In de theorie van Baumrind zijn ze meer gemengd, waardoor het lastig is om te bepalen wat belangrijk is tijdens de opvoeding. Een ander verschil is dat Baumrind de nadruk legt op controle, terwijl SDT pleit voor een hoge mate van structuur, maar een lage mate van controlerend gedrag bij de ouders.
Hoe wordt controlerendheid bij ouders gezien in de ontwikkelingspsychologie?
Als een ouder controlerend is betekent dit dat hij of zij het kind onder druk zet in plaats van aanmoedigt. Vroeger werd dit als iets negatiefs gezien omdat het betekende dat een ouder dominant was en het kind via macht probeerde te dwingen tot bepaalde keuzes. Toch vonden vroegere wetenschappers ook dat er een positieve kant aan zat. Zo werd het controleren van kinderen ook gezien als een vorm van begeleiding voor hoe het kind zich moest gedragen in bepaalde situaties.
Hoe ziet Schaefer controle?
Schaefer denkt dat er twee vormen van controle bestaan. Een heeft een voornamelijk negatieve uitwerking, terwijl de ander juist mogelijk een positieve uitwerking heeft. Psychologische controle houdt agressie, dominantie en grillig gebruik van discipline in. De andere vorm is er één waarbij deze elementen afwezig zijn en waarbij volgens Schaefer de autonomie wordt aangemoedigd. Dit wordt gedragscontrole genoemd. Dit is opgesplitst in lakse versus strenge controle.
Deze gedragscontrole is volgens Schaefer positief voor de ontwikkeling, maar volgens SDT niet. Lakse controle neigt naar het niet hebben van structuur of regels, terwijl strenge controle juist de autonomie niet aanmoedigd. Beiden zijn volgens SDT dus niet optimaal.
Hoe heeft Barber Schaefer's theorie veranderd?
Barber dacht zelf dat psychologische controle een vorm van ouderschap was waarbij een ouder de emoties, gedachtes en hechting van het kind manipuleert. Dit heeft een negatief effect op de psychologische ontwikkeling. Voorbeelden van psychologische controle zijn bijvoorbeeld het niet meer geven van liefde en het kind een schuldgevoel aanpraten. Gedragscontrole was volgens Barber het duidelijk communiceren van regels en dan controleren of het kind zich hieraan houdt. Dit zou zorgen voor een goede ontwikkeling. Ook allebei deze vormen zijn volgens SDT niet optimaal voor de ontwikkeling van het kind.
Wat is het verschil tussen controle en structuur?
Controle betekent het bieden van regels en richtlijnen door het kind onder druk te zetten en te controleren. Structuur gaat over het organiseren van de omgeving van het kind om goed functioneren aan te moedigen. Structuur houdt in dat een ouder gedragsregels richting het kind communiceert, de consequenties van gedragingen uitlegt, alternatieve gedragingen aanreikt en feedback geeft richting het kind over hun gedrag. De term structuur is qua betekenis duidelijker dan de term gedragscontrole en SDT geeft dus ook de voorkeur aan spreken over 'structuur'.
Wat zijn de slechte uitkomsten van psychologische controle?
Hoe meer psychologische controle, hoe agressiever kinderen zich gedragen en hoe slechter hun relaties met andere kinderen. Daarnaast worden kinderen afhankelijker van ouders die meer psychologische controle uitoefenen, wat zorgt voor een negatiever zelfbeeld en depressieve klachten bij het kind.
Wat voor effect heeft voorwaardelijke waardering van een ouder en een intern controlerende opvoeding op een kind?
Het controleren van de socialisatie van een kind kan volgens Soenens en Vansteenkiste ingedeeld worden in twee categorieën. De eerste is extern controlerende methoden, wat het expliciet of impliciet straffen en belonen van een kind inhoudt. De tweede is intern controlerende methoden. Een van deze methoden is voorwaardelijke waardering van de ouder. Dit betekent dat een ouder een kind meer aandacht en liefde geeft zodra een kind zich gedraagt zoals een ouder wil. De ouder gebruikt als het ware affectie en betrokkenheid om het gedrag van het kind te controleren. SDT denkt dat het geven van voorwaardelijke waardering slecht is voor een kind omdat ze de eisen die de ouder stelt gaan internaliseren en hun zelfbeeld dus afhankelijk wordt van het bereiken van gestelde doelen. Hierdoor ontwikkelen kinderen faalangst. Deze voorwaardelijke waardering wordt vaak ook van generatie op generatie doorgegeven. Kinderen die zelf voorwaardelijk gewaardeerd en geliefd werden door hun ouders zullen dit dus ook sneller bij hun eigen kinderen doen.
Wat houden negatieve en positieve voorwaardelijke waardering in?
Voorwaardelijke waardering kan invloed hebben op een kind via beloning en straf. Een kind krijgt liefde als het zich gedraagt zoals de ouder wil, maar ontvangt dit niet op het moment dat het niet aan verwachtingen voldoet. Zo ontstaat er dus positieve voorwaardelijke waardering, wat betekent dat een ouder een kind meer aandacht en liefde geeft dan normaal; maar ook negatieve voorwaardelijke waardering. Hierbij geeft een ouder een kind minder aandacht en liefde dan normaal. Negatieve voorwaardelijke waardering zorgt er vaak voor dat kinderen geen goede emotie-regulatie hebben en dat ze niet willen doen wat ouders zeggen, terwijl positieve voorwaardelijke waardering wel zorgt voor volgzaamheid, maar ook slechte emotie-regulatie en het onderdrukken van negatieve emoties. Positieve voorwaardelijke waardering lijkt dus een redelijke opvoedstrategie, maar er hangen een groot aantal nadelen aan.
Contrasterend kunnen ouders die hun kind hoe dan ook steunen in hun autonomie bij het kind zorgen voor geïntegreerde regulatie van negatieve emoties. Dit betekent dat het kind interesse kan tonen in emoties en kan kiezen hoe hij of zij deze gaat uiten. Ze gaan dus beter en op een meer autonome manier met hun emoties om. Het steunen van de autonomie door de ouders is dus beter dan negatieve of positieve voorwaardelijke waardering omdat het ervoor zorgt dat het kind het gedrag vertoont wat de ouder wil zien en daarnaast meer positieve psychologische effecten ervaart.
Hoe zijn voorwaardelijke waardering van ouders en het vervullen van behoeften met elkaar verbonden?
Door gebruik te maken van voorwaardelijke waardering structureren de ouders de omgeving zo dat behoefte aan autonomie en verbondenheid (welke het kind krijgt uit de betrokkenheid van de ouder) van het kind niet allebei tegelijk vervuld kunnen worden. De ouder vraagt het kind eigenlijk de autonomie op te geven zodat het verbondenheid kan ervaren. Wat opvallend is, is dat als het kind wel doet wat de ouder van hem of haar vraagt, ze vaak nog steeds geen verbondenheid ervaren. Dit komt omdat ondanks dat ze liefde van hun ouders krijgen, ze voelen dat deze conditioneel is. Het kind wordt niet geaccepteerd zoals hij of zij is.
Het is dus belangrijk om een kind structuur te bieden op een manier die de autonomie ondersteund. Hierdoor kunnen hun psychologische behoeften van verbondenheid en autonomie tegelijkertijd vervuld worden.
Hoe kan het dat ouders controlerend worden?
Er zijn verschillende dingen die ervoor kunnen zorgen dat ouders minder steunend worden richting hun kind. Voorbeelden hiervan zijn hun eigen ervaringen uit het verleden, maar ook sociale en economische druk of interpersoonlijke situaties. Het kind zelf kan ook invloed hebben op hoe een ouder reageert. Als een kind een lastig temperament heeft voelen ouders zich minder verbonden en zijn ze sneller geneigd gebruik te maken van controlerende opvoedingsstijlen. Een andere factor die invloed kan hebben is steun vanuit de omgeving. Hoe minder een ouder zich gesteund voelt door een partner of mensen om hen heen, hoe moeilijker ze het vinden om niet controlerend te zijn richting hun kind. Daarnaast worden opvoedingsstijlen soms overgedragen van generatie op generatie. Als een ouder dus zelf controlerend is opgevoed zullen ze sneller hun eigen kind ook proberen te controleren.
Welke druk ervaren ouders?
Ouders gaan meer controleren naarmate ze meer druk ervaren. Deze druk kan van binnen of van buitenaf komen. Voorbeelden van externe druk zijn economische moeilijkheden of stressvolle situaties in het dagelijks leven. Interne druk kan bijvoorbeeld voortkomen uit angsten of zorgen.
De persoonlijkheid van de ouder is hierbij relevant. Zo ervaren ouders die een grote mate van scheidingsangst hebben en erg perfectionistisch zijn meer druk, waardoor ze sneller op een controlerende manier opvoeden. Dit komt omdat ouders met een hoge scheidingsangst de autonomie van het kind als een dreiging ervaren en hun perfectionisme ervoor zorgt dat ze het kind richting specifieke uitkomsten gaan sturen.
Wat is autonomie en wat is onafhankelijkheid?
Kinderen zijn in het begin van hun leven erg afhankelijk van hun ouders, zowel fysiek als mentaal. Naarmate een kind ouder wordt zijn ze nog steeds van hun ouders afhankelijk, maar voor andere dingen dan in het begin.
Wat is het verschil tussen autonomie, onafhankelijkheid en onthechting?
SDT stelt dat autonomie betekent dat iemand het eens is met zijn of haar eigen acties, een eigen wil heeft en zelf keuzes kan maken. Het tegengestelde concept hiervan is heteronomie, wat betekent dat mensen gecontroleerd en onder druk gezet worden door interne of externe dingen om bepaalde keuzes te maken. Onafhankelijkheid is volgens SDT zelfredzaam zijn en dus anderen niet nodig hebben voor steun. Onthechting betekent dat iemand niet alleen onafhankelijk is, maar volledig gescheiden is van contact met anderen. Ze vervullen dus hun behoefte aan verbondenheid niet meer. Voor de ontwikkeling van autonomie is geen onthechting of onafhankelijkheid nodig. Jongvolwassenen kunnen zowel autonoom als afhankelijk zijn tegelijkertijd volgens SDT.
Hoe verschilt het aanmoedigen van onafhankelijkheid van het aanmoedigen van autonomie?
Het concept van aanmoedigen van onafhankelijkheid verschilt van het concept van aanmoedigen van autonomie. Onafhankelijkheid aanmoedigen gebeurt bijvoorbeeld als ouders een kind zelf laten nadenken over bepaalde problemen, terwijl autonomie aanmoedigen betekent dat ouders een kind laten kiezen wat het wil doen. Het aanmoedigen van autonomie is een belangrijkere voorspeller van psychologisch welzijn.
Hoe zijn autonomie, onafhankelijkheid en ongehoorzaamheid aan elkaar gerelateerd?
Ongehoorzaamheid betekent dat iemand zich niet houdt aan de regels of grenzen die hem of haar opgelegd zijn door een autoriteit, juist omdat het hen opgelegd is. Dit is niet hetzelfde als autonomie. Sterker nog, hoe minder gehoorzaamheid een kind vertoond, hoe meer onafhankelijk ze zijn en hoe minder autonoom.
Hoe zien autonomie en verbondenheid eruit in een collectivistische cultuur?
Als Chinese kinderen die zich niet erg verbonden voelen met hun ouders zelf keuzes mogen maken zijn ze meer intrinsiek gemotiveerd dan als de keuze door de ouders gemaakt wordt. Door de hoge intrinsieke motivatie presteren de kinderen ook beter. Dit verschil is nauwelijks aanwezig voor kinderen die zich wel verbonden voelen met hun ouders. In collectivistische landen wordt het niet gewaardeerd als kinderen onafhankelijk zijn, maar SDT stelt dat onafhankelijkheid niet hetzelfde is als autonomie. Als de kinderen een goede band met de ouders hebben zullen ze zich meer verbonden voelen. Als de ouders dan de autonomie van het kind steunen zal het kind waarschijnlijk de normen en waarden van de ouder internaliseren en dus uit zichzelf (autonoom) de beslissingen van de ouder volgen. Dit betekent dus dat ondanks dat onafhankelijkheid niet gewenst is in collectivistische culturen, autonomie mogelijk wel binnen de cultuur past.