Samenvatting van Zelf leren schrijven van Van der Molen - 5e druk

Waarom en voor wie is goed kunnen schrijven belangrijk?

Tot de werkzaamheden van HBO- en WO-afgestudeerden behoort het schrijven van stukken, zoals wetenschappelijke artikelen, beleidsnota’s en cliëntrapportages. Deze teksten vereisen een duidelijke schrijfstijl en een goede structuur. Professioneel schrijven betekent het overbrengen van de bedoeling van je visie door deze duidelijk te verwoorden. Een onbegrijpelijk of slecht geschreven stuk neemt men meestal niet serieus. Hierdoor kunnen belangrijke onderwerpen niet aan de orde komen of cliënten van de juiste zorg worden onthouden.

Ondanks dat zij tijdens hun opleiding meerdere verslagen moeten schrijven, vinden recent afgestudeerden professioneel schrijven vaak lastig. Veelgemaakte fouten worden door docenten geregeld niet gecorrigeerd, waardoor schrijfvaardigheid amper onderdeel is van het onderwijs. Men acht de inhoud van het verslag van groter belang en laat verdere feedback achterwege. Verscheidene schrijfvaardigheden zijn echter te leren door te oefenen: spellen, samenvatten en structureren. Ter oefening is naast dit boek een online cursus opgesteld, bestaande uit negen ViP’s (Vaardigheden in de Psychologie). Hierin is aandacht voor het formuleren van een concrete vraagstelling, een juiste alinea-indeling en een adequate onderling samenhang tussen alinea’s en zinnen. Alle ViP’s beginnen met een uitleg die resulteert in een vuistregel, welke studenten kunnen aanhouden bij het schrijven van een stuk. Denk aan ‘per alinea maar één onderwerp behandelen’ en ‘omslachtige formuleringen vermijden’. Hierna volgen korte oefeningen, welke van feedback worden voorzien in de vorm van een expertversie (een voorbeeldtekst ter vergelijking van hun eigen tekst). Dit boek bevat dezelfde informatie die in de online cursus aan de orde komt, inclusief een beknopte instructie voor studenten en docenten over de ViP’s. De ViP’s zijn online te vinden. Een kort overzicht:

  • Vaardigheid 1: Algemene structuur. Zorg dat de lezer van de tekst de rode draad erin herkent. De structuur ziet primair op de paragrafen, welke zelf bestaan uit alinea’s.

  • Vaardigheid 2: Wetenschappelijk review-artikel. Review: literatuuroverzicht. Wat is het en hoe komt een review-artikel tot stand?

  • Vaardigheid 3: Voorbereiden op het schrijven. Dit onderdeel betreft de oriëntatie op het onderwerp, het opstellen van een zoekprofiel en het toepassen van zoekmethoden voor het vinden van relevante literatuur.

  • Vaardigheid 4: Inhoud schrijven. Dit ziet op de structuur van het wetenschappelijk review-artikel. Welke informatie geef je in de inleiding, het middenstuk, de discussie, de conclusie en in de samenvatting?

  • Vaardigheid 5: Refereren, parafraseren en citeren. Hoe kun je geoorloofd literatuur van derden gebruiken in je artikel?  Hier zijn richtlijnen en regels voor opgesteld. Hoe stel je een referentielijst op en hoe verwijs je in de tekst naar literatuur van derden? Parafraseren ziet op het herformuleren van de tekst van een ander in eigen bewoordingen.

  • Vaardigheid 6: Argumentatie. Er zijn diverse argumentatiestructuren en typen argumenten. Hoe kun je je standpunt onderbouwen aan de hand van wetenschappelijke argumentatie? Redeneerfouten, zoals een drogredenering, moeten vermeden worden.

  • Vaardigheid 7: Cohesie en zinsconstructies. Dit betreft het formuleren van zinnen en het zorgen voor samenhang in je tekst. Het stuk moet één geheel vormen, niet van de hak op de tak springen. Welke zinsconstructies en type zinnen zijn eenvoudig of juist lastig te lezen?

  • Vaardigheid 8: Wetenschappelijke schrijfstijl. Welke schrijfwijze is passend voor een wetenschappelijk artikel? Het is belangrijk om een heldere, formele en zo objectief mogelijke tekst te schrijven.

  • Vaardigheid 9: Revisie en afwerking. Dit betreft grammaticaregels en het gebruik van interpunctie. Nog een keer nagaan of de inhoud volledig en duidelijk geformuleerd is. Afsluitend komen de vormvoorschriften aan de orde. Hoe ziet de tekst eruit wat betreft lay-out en het gebruik van afbeeldingen?

Het schrijfproces kent drie fases: voorbereiden, schrijven en reviseren. Onder voorbereiden valt het oriënteren op een onderwerp, de formulering van een concrete vraagstelling en relevante literatuur zoeken, lezen en evalueren. Je werkt aan een structuuropzet: indeling in kopjes maken en voorzien van een korte uitleg over wat besproken gaat worden en welke bronnen gebruikt zullen worden. In deze fase zijn de eerste drie ViP’s relevant. De bij docenten ingeleverde structuuropzet zal door hen worden voorzien van feedback. Een goede structuuropzet maken wordt door studenten vaak lastig gevonden. Gedurende de schrijffase schrijf je een eerste versie aan de hand van ViP 4 tot en met 6. Docenten voorzien deze van feedback. Wegens tijdgebrek bij studenten wordt de revisiefase meestal overgeslagen: het kritisch nalezen en verbeteren van de eigen tekst. Tijd nemen voor het reviseren is belangrijk, daarom is een tussentijdse deadline gebruiken aan te raden. Na de ontvangst van de feedback op de eerste versie starten studenten met het herschrijven van hun tekst conform de laatste drie ViP’s. Dit betreft het nalopen van elke zin en beoordelen of verbetering mogelijk is. Hierna wordt de tekst definitief ingeleverd. Docenten gebruiken beoordelingscriteria welke afgeleid zijn van de ViP’s.

Hoofdstuk 1: Hoe voorzie je een wetenschappelijke tekst van een goede algemene structuur?

Het kenmerk van een goed geschreven tekst is een goede algemene structuur. De structuur omvat een aantal aspecten, waarvan de indeling het meest opvalt. De aanwezigheid van kopjes of een inhoudsopgave geeft een duidelijk beeld van de structuur. De structuur van de tekst moet tevens logisch zijn. Je begint met een inleiding waaruit snel blijkt waar je tekst over gaat, anders verliezen lezers hun aandacht. Daarnaast geef je aan wat je doel is: wat wil je vertellen over het onderwerp? Schrijf je een literatuurverslag, dan werk je meestal toe naar een centrale vraagstelling. Daarna verschaf je informatie die leidt tot het antwoord op de vraagstelling. Stel, je vraagstelling is: ‘Wat is het effect van een toenemende werkdruk op de efficiëntie van IC-verpleegkundigen?’ Je geeft dan louter informatie die relevant is voor deze vraagstelling: hoe de werkdruk is op de intensive care afdeling, hoe je efficiëntie en werkdruk meet, en wat uit hiernaar gedaan onderzoek blijkt.

Een goede structuur is eveneens belangrijk bij de opbouw van alinea’s en de overgang tussen alinea’s. Het opbouwen van alinea’s is een van de belangrijkste schrijfvaardigheden. Een tekst is geen opeenstapeling van losse zinnen, maar een weldoordracht, samenhangend geheel.

Hoe zorg je voor een goed ingedeelde wetenschappelijke tekst?

Een goede algemene structuur valt allereerst op door de indeling van de tekst: de titel en de kopjes. Op basis hiervan weten lezers wat zij kunnen verwachten over de inhoudelijke tekst. Zorg dus voor een heldere titel en toepasselijke kopjes.

De titel van een tekst is doorgaans het eerste dat wordt gelezen. Deze moet alle inhoudelijke elementen die in de tekst voorkomen bevatten. Wees waakzaam voor een te algemene titel. Als je hierin met slechts één woord het onderwerp van je tekst aankondigt, weet men niet wat er nu exact aan de orde komt. Potentiële lezers haken vaak af als een titel geen verwachtingen over de inhoud oproept. Een titel als ‘Angststoornis’ is te algemeen. Beter is een titel als ‘Mogelijke behandelingen voor een angststoornis’. Lezers weten nu dat de tekst over behandelopties gaat en bijvoorbeeld niet over de oorzaken ervan. Met een pakkende of speelse titel die helemaal niet aangeeft waar de tekst over gaat kun je de aandacht van lezers trekken. Door het toevoegen van een ondertitel schep je verwachtingen over de inhoud bij de lezer.

Vuistregel 1: De titel van een wetenschappelijke tekst moet duidelijk aangeven waar deze over gaat.

Door de onderdelen in je tekst te voorzien van kopjes geef je de structuur hiervan aan. De kopjes moeten goed aangeven wat je in de daaropvolgende tekst bespreekt. Deel je tekst dus niet in met kopjes als ‘inleiding’, ‘midden’ en ‘slot’, maar benoem de deelonderwerpen die aan de orde komen.

Vuistregel 2: De kopjes moeten de inhoud van de daaropvolgende tekst goed weergeven.

Welke drie vragen moeten na het lezen van een wetenschappelijke tekst beantwoord kunnen worden?

Lezers van een wetenschappelijk artikel hebben verwachtingen over de opbouw van de tekst: zij verwachten bepaalde dingen te lezen in de inleiding en in het vervolg van de tekst. De algemene structuur van een tekst moet blijken uit de antwoorden op de volgende vragen: Wat is het onderwerp? Wat is de hoofdvraag? Wat is het antwoord op de hoofdvraag? Houd dus rekening met de verwachtingen van lezers en zorg ervoor dat de drie vragen beantwoord kunnen worden na het lezen van je tekst.

Vuistregel 3: Een wetenschappelijke tekst heeft een goede algemene structuur wanneer duidelijk is wat het onderwerp is, wat de centrale vraag is en wat het antwoord op deze vraag is.

Het is belangrijk de centrale vraagstelling goed te formuleren, omdat het grootste gedeelte van je tekst informatie verschaft die moet leiden tot beantwoording van deze vraag. Lezers weten zo wat zij in het vervolg van de tekst kunnen verwachten. Het onderwerp van de vraagstelling moet tevens in het begin van de tekst al voldoende specifiek zijn. Dit bespaart je zoek- en schrijfwerk. Als gedurende het lezen van literatuur blijkt dat de vraagstelling nog te ruim is, kan deze voorafgaand aan de schrijffase nog concreter worden gemaakt. 

Een slechte vraagstelling is bijvoorbeeld: ‘Welke rol speelt erfelijkheid bij stoornissen?’ Het is onduidelijk om welke stoornissen het gaat, lezers weten nu niet welke informatie zij kunnen verwachten. Een vraagstelling met goed afgebakende elementen is bijvoorbeeld: ‘Welk effect heeft drugsgebruik op het concentratievermogen van jongeren tot 25 jaar?’ De hoofdvraag is te open geformuleerd wanneer deze met een eenvoudig ‘nee’ of ‘ja’ kan worden beantwoord. Vermijd ook het stellen van te veel vragen in je inleiding, het is voor de lezers dan onduidelijk wat de centrale vraagstelling is.

Vuistregel 4: Duidelijk aangeven wat de centrale vraagstelling is en deze voldoende specifiek formuleren.

Hoe zorg je voor een goede structuur van alinea’s?

Een goede structuur van alinea's vereist een goede opbouw: er moet sprake zijn van een logische onderlinge samenhang. 

Normaliter behandelt elke alinea slechts één onderwerp. De eerste twee zinnen en de laatste zin zijn het belangrijkst. De eerste zin vormt meestal de overgangszin van een vorige naar de huidige alinea of de inleiding op een nieuw onderwerp dat besproken zal worden. De tweede zin betreft dan dit onderwerp. De laatste zin van de alinea bevat de conclusie of een aanwijzing voor het onderwerp van de daaropvolgende alinea. In de middelste zinnen geef je informatie over het onderwerp. 

Een eerste alineazin die een overgangszin betreft is meestal te herkennen aan woorden als 'dus', die terugwijzen naar hetgeen besproken is in de vorige alinea. Woorden als 'daarom' in de laatste zin wijzen op een conclusie.

Een alinea mag niet te lang maar ook niet te kort zijn. Eén zin is te weinig, deze hoort meestal bij een vorige of komende alinea. Is dit niet het geval, geef dan meer uitleg over het onderwerp van die zin. Beslaat een alinea minstens een halve pagina, dan is deze vaak te lang. Controleer of je wellicht meerdere onderwerpen in één alinea bespreekt en of alle informatie relevant is. 

Vuistregel 5: Slechts eén onderwerp per alinea behandelen.
Vuistregel 6: Maak de structuur duidelijk door de belangrijkste alineazinnen – eerste twee en de laatste - goed te benutten. 
Vuistregel 7: Zorg voor niet te lange en niet te korte alinea’s.

Hoofdstuk 2: Wat is een wetenschappelijk review-artikel?

Academici moeten wetenschappelijke teksten kunnen schrijven die voldoen aan de gestelde wetenschappelijke eisen. Onderzoekers schrijven meestal twee typen artikelen: een wetenschappelijk review-artikel en een empirisch artikel (presentatie van uitgevoerd onderzoek). Een wetenschappelijk review-artikel bevat een kritische evaluatie van eerder gepubliceerde teksten over een zeker onderwerp. Hierin vat je de actuele stand van het onderzoek over het betreffende onderwerp samen. Naast adequate schrijfvaardigheden heb je hiervoor ook goede denk-, zoek-, en leesvaardigheden nodig. Voorafgaand aan het schrijven van het artikel zoek je eerst naar relevante (wetenschappelijke) literatuur en lees je deze grondig. Bedenk tevens hoe je de gevonden informatie gaat verwerken ter beantwoording van je centrale vraagstelling. Voordat het schrijfwerk begint is er het nodige voorbereidingswerk te doen. Voor het schrijven van review-artikelen volg je een proces waarbij logica de leidraad vormt. 

Uit welke elementen bestaan review-artikelen en welke soorten zijn er?

De schrijver van een review-artikel organiseert, integreert en evalueert eerder gepubliceerde stukken om te bepalen hoe ver het huidige onderzoek is in het verklaren van een specifiek probleem.

Een review-artikel bevat de volgende elementen:

  • Definiëren en verduidelijken van het probleem;

  • Samenvatten van eerder onderzoek, zodat de lezer op de hoogte is van de stand van zaken;

  • Identificeren van inconsistenties, tegenstellingen, hiaten en relaties in de literatuur; en

  • Aanbevelen welke stap(pen) genomen moet(en) worden om tot een oplossing van het probleem te komen.

Een goed review-artikel is dus niet louter een samenvatting van de literatuur, maar bekritiseert deze, bespreekt hiaten in voorgaand onderzoek en wijst op methodologische problemen. Er zijn verschillende vormen van review-artikelen:

  • Het betogende review. Hierin onderzoek je de literatuur om een probleem, argument of veronderstelling te weerleggen of ondersteunen. Je bespreekt een verzameling literatuur waarbij je een concreet standpunt inneemt. Het doel van het betogende review is het overtuigen van lezers, door wetenschappelijke publicaties aan een kritische vergelijking te onderwerpen.

  • Het kritische review. Hierin evalueer je de kwaliteit van onderzoek. Je beschrijft en analyseert eerder uitgevoerd onderzoek zo objectief mogelijk door de beperkingen, verbanden en inconsistenties van de literatuur te vermelden. Regelmatig leidt een kritische review tot een nieuw model of een nieuwe hypothese.

  • Het methodologische review. Hierin richt je je niet op bevindingen van het onderzoek, maar op de gebruikte analyse- en onderzoeksmethoden. Het doel van deze review is een verbetering van data-analyse, onderzoekspraktijken en technieken ter verzameling van gegevens.

  • Het systematische review. Hierin zoek je op systematische wijze naar wetenschappelijke literatuur waarin je specifiek geformuleerde vraagstelling wordt beantwoord. Je gebruikt een specifieke standaardmethode voor de selectie, rapportage en de analyse van relevant onderzoek. Het doel van deze review is het verschaffen van een wetenschappelijke documentatie, kritische evaluatie en samenvatting van al het bestaande onderzoek over een nauwkeurig afgebakend onderzoeksprobleem.

  • Het theoretische review. Deze schrijf je ter verdere ontwikkeling, verfijning, ontkrachting of verfijning van een bepaalde theorie. Dit doe je meestal omdat de huidige theorieën bepaalde problemen onvoldoende verklaren of omdat er nog geen geschikte theorieën zijn.

Bij elk type review is het wenselijk om bij het zoeken van literatuur een systematische benadering te volgen. De criteria die je gebruikt ter selectie van bronnen moeten specifiek en duidelijk zijn. Tevens moet je het zoekproces documenteren. Een systematische benadering voorkomt bias tijdens het zoeken en het gebruik van een expliciete methode maakt je review reproduceerbaar. 

In welke fases verloopt het schrijven van een review-artikel?

Een review-artikel komt tot stand door het doorlopen van drie fases:

  1. Voorbereiden.

  2. Inhoud schrijven.

  3. Reviseren en afwerken.

Een goed review-artikel vereist het nemen van voldoende tijd in alle fases en het hanteren van een logische werkwijze.

Wat doe je in de voorbereidingsfase?

Voordat je daadwerkelijk begint met het schrijven van een review-artikel, heb je al veel voorbereidend werk verricht. Je start met het verkrijgen van een goed begrip van het onderwerp waarover je tekst zal gaan. Verken hiervoor alle relevante literatuur die je tot je beschikking hebt. Daarna baken je het onderwerp af door een concrete wetenschappelijke vraagstelling te bedenken. Dan volgt het zoeken naar relevante literatuur ter beantwoording van je vraagstelling. Je leest, analyseert en evalueert de literatuur ter onderbouwing van je uiteindelijke conclusie. Het hangt af van de schrijfopdracht die je vanuit de onderwijsinstelling krijgt, het onderwerp en de omvang van het artikel hoeveel bronnen je opneemt in het review-artikel. Als richtlijn kun je voor een artikel van 2000 woorden tussen de 10 en 15 bronnen selecteren. Afsluitend denk je na over de verwerking van de informatie in je artikel. Na het doorlopen van deze stappen begin je pas aan het schrijven zelf.

Vuistregel 1: Een goede voorbereiding op het schrijfproces vereist een oriëntatie op het onderwerp, het formuleren van een concrete vraagstelling, de evaluatie van relevante literatuur en het bepalen van de manier waarop je de informatie gaat verwerken in je artikel.

Wat doe je in de schrijffase?

Na het formuleren van een afgebakende wetenschappelijke vraag en het ordenen van alle informatie begint het schrijfproces. Hoe je alles formuleert is nog niet belangrijk. Zorg er eerst voor dat je de literatuur gestructureerd en samenhangend weergeeft in je eigen tekst. Studenten vinden het vaak lastig om na het bestuderen van de relevante publicaties te beginnen met het zelf schrijven. Door te beginnen kun je echter ontdekken dat je gevonden informatie minder nuttig is dan gedacht, je meer informatie nodig hebt of de voorlopige indeling van je artikel niet juist is. Indien nodig pas je de indeling aan. Bedenk hierbij dat de kopjes een logische rode draad moeten vormen en de weg moeten wijzen naar het antwoord op je hoofdvraag.

Het is eveneens van belang om door te schrijven, zorg voor een aardig tempo. Grammatica, spelling en zinsopbouw hoeven nog niet perfect te zijn. Dat zijn zaken die in de laatste fase aan de orde komen. Het documenteren van je argumenten en visies is belangrijker. Geef jezelf een bepaalde tijd voor het schrijven van de eerste pagina’s, drie uur bijvoorbeeld. Houd gedurende het schrijven bij welke bronnen je hebt gebruikt, zodat je hiernaar later kunt verwijzen. Neem passages uit literatuur niet letterlijk over, anders maak je je schuldig aan plagiaat. Gebruik eigen bewoordingen.

Vuistregel 2: Start met schrijven en stel als doel het samenvatten van de hoofdpunten uit de bestudeerde literatuur. Dit hoeft in taalkundig opzicht nog niet perfect te zijn.
Vuistregel 3: Houd gedurende het schrijven bij waar je informatie vandaan komt (bronvermelding) en gebruik eigen bewoordingen.

Wat doe je in de fase van revisie en afwerking?

De laatste fase betreft de revisie en afwerking van je tekst. De inhoud van een tekst is belangrijk, maar aan de schrijfstijl en leesbaarheid wordt vaak te weinig aandacht besteed. Je wilt de interesse van lezers wekken, niet onnodig lastig taalgebruik hanteren en een samenhangend verhaal schrijven passend bij je doelgroep. Besteed voldoende tijd aan het reviseren van de tekst, studenten raffelen de laatste fase vaak af wegens tijdsgebrek. Je kunt niet alles in één keer goed doen. Bekijk of overgangen goed verlopen, kopjes bijgesteld moeten worden en tussentijdse conclusies verband houden met de centrale vraagstelling.

Richt je bij het reviseren hoofdzakelijk op:

  • Een verbetering van de inhoud;

  • Een verbetering van de argumentatie en de logische lijn hierin;

  • Een verbetering van spelling, grammatica en interpunctie; en

  • Het geheel aanpassen conform de vormvoorschriften.

Is het artikel klaar, laat het dan een aantal dagen liggen en kijk er dan nog eens naar. Het is ook aan te raden een ander je tekst te laten lezen en voorzien van commentaar. Een derde kan vaak aangeven hoe duidelijk je artikel is.

Vuistregel 4: Tekst herschrijven in fases: inhoud verbeteren, logische lijn in de argumentatie verbeteren, taalkundige verbeteringen (spelling, grammatica, interpunctie), lay-out aanpassen conform de gestelde vormvoorschriften.
Vuistregel 5: Verzoek een ander je afgeronde tekst te lezen en van feedback te voorzien.

Hoofdstuk 3: Hoe bereid je je goed voor op het schrijven van een wetenschappelijk artikel?

Een goede voorbereiding is erg belangrijk als je een wetenschappelijk review-artikel gaat schrijven. Dit houdt de volgende stappen in: oriënteren, zoekprofiel opstellen en zoekmethoden toepassen. Je begint met het verkrijgen van een algemeen beeld van het onderwerp: de oriëntatiefase. Zo kom je op de hoogte van de bestaande theorieën, de terminologie en de bevindingen van wetenschappelijk onderzoek. Je kunt ook stuiten op deelonderwerpen die bruikbaar zijn voor de afbakening van het onderwerp. Een ingeperkt onderwerp zorgt voor inhoudelijke diepgang en je zult het binnen een bepaald aantal pagina’s moeten houden. Zodra je de belangrijke vragen hebt geformuleerd, ga je op zoek naar relevante wetenschappelijke literatuur. Gelet op de gigantische hoeveelheid beschikbare literatuur is het belangrijk een adequaat zoekprofiel op te stellen en de juiste zoekmethoden te hanteren.

Wat houdt een goede oriëntatie in?

Door een goede oriëntatie krijg je een gedegen begrip van het onderwerp: welke theorieën zijn er, wat zijn relevante begrippen of concepten, wat betekenen deze concepten, en wat zijn de voornaamste resultaten van verricht wetenschappelijk onderzoek? In de wetenschappelijke literatuur kun je de antwoorden vinden.

Er zijn twee soorten bronnen: primaire en secundaire literatuur. Primaire literatuur: hoofdzakelijk monografiën en artikelen in wetenschappelijke tijdschriften. Hierin zijn originele theorieën en onderzoeksresultaten te vinden. Secundaire literatuur omvat boeken, artikelen en overige bronnen waarin primaire literatuur besproken wordt. Het is verstandig je artikel voornamelijk te baseren op primaire bronnen.

Als je je oriënteert op een voor jou onbekend onderwerp, kun je beginnen met het doornemen van secundaire bronnen zodat je snel een globaal overzicht krijgt. Kijk wel goed naar de kwaliteit van de secundaire bron, met name als je kranten of internet gebruikt. Bronnen die gewoonlijk van acceptabele kwaliteit zijn betreffen inleidende tekstboeken, review-artikelen, handboeken en vak-encyclopedieën. Review-artikelen zijn bijvoorbeeld te vinden in nagenoeg alle wetenschappelijke tijdschriften en de databank Annual Reviews.

Vuistregel 1: Zorg dat je op de hoogte bent van de relevante concepten, theorieën en onderzoeksresultaten inzake je onderwerp.

Hoe stel je een goed zoekprofiel op?

Je hebt je georiënteerd op je gekozen onderwerp en gaat vervolgens op zoek naar wetenschappelijke artikelen. Je begint dan met het formuleren van een voorlopige vraagstelling en het opstellen van een passend zoekprofiel. Een zoekprofiel omvat de zoektermen die je gebruikt om te zoeken in databases met wetenschappelijke artikelen, en de verbanden tussen die zoektermen. Deze verbanden geef je aan met OR of AND (booleaanse operatoren). Bijvoorbeeld de volgende synoniemen voor ‘stoppen met alcohol drinken’: “quitting alcohol”, “stopping with drinking alcohol”, “alcohol drinking cessation”. Het is niet belangrijk welke term wordt gebruikt, het zoekresultaat kan relevant zijn. Je zet daarom ‘OR’ tussen deze zoektermen. Zoek je naar een bepaalde stopmethode, dan noem je zowel het stoppen met alcohol drinken als deze methode worden in het artikel. In dat geval gebruik je “AND” tussen de zoektermen. Bekende multidisciplinaire databases zijn Scopus en Web of Science.

Woordvarianten vinden: OR.

Zoektermen die samen voorkomen in publicaties: AND.

Vuistregel 2: Voorafgaand aan het zoeken naar literatuur stel je een zoekprofiel op voor je onderwerp. Maak gebruik van synoniemen en pas booleaanse operatoren toe.

Hierna volgt een handig stappenplan om te volgen. Schrijf je (voorlopige) centrale vraag uit. Noteer de belangrijkste begrippen, concepten en variabelen in deze vraag en vertaal ze in zoektermen: synoniemen, nauwere of bredere termen en varieer met spelling. Maak een combinatie van zoektermen en booleaanse operatoren. Met behulp van haakjes kun je de volgorde van combinaties aangeven. 

Hoe verfijn je je vraagstelling en zoekprofiel?

Na het vinden van publicaties op basis van je zoekprofiel is het tijd voor een evaluatie: moeten je vraagstelling en zoekprofiel nog aangepast worden? Heb je maar een paar zoekresultaten gekregen, dan is je zoekprofiel mogelijk te nauw. Krijg je ruim 5000 resultaten, dan is je zoekprofiel te breed. Je bakent je onderwerp nauwkeuriger af door deze op te splitsen in deelonderwerpen. Bekijk ter inspiratie de titels en samenvattingen van gevonden studies. De deelonderwerpen kunnen resulteren in een verfijnde vraagstelling.

Door toepassing van de sorteeropties van de databank filter je de belangrijkste artikelen eruit. 'Sort by Relevance': artikelen waarin de meeste zoektermen voorkomen. 'Sort by Date': meest recente artikelen. 'Sort by Cited by': meest geciteerde artikelen.

Als je gericht zoekt naar literatuur, is het verstandig om de systematische methode en de sneeuwbalmethode te combineren. Het systematisch in kaart brengen van alle relevante literatuur kost veel tijd, maar is wel het meest volledig. Hierdoor zie je wat de onderlinge verhouding en het relatieve belang van de verschillende publicaties is. Belangrijke aandachtspunten:

  • Zoek de centrale publicaties aangaande je onderwerp: doorgaans de meest geciteerde artikelen, maar ook recente publicaties van invloedrijke auteurs zijn van groot belang (deze zijn nog niet vaak geciteerd, dus houd hier rekening mee).

  • Ga na of de auteurs die veel over het betreffende onderwerp hebben gepubliceerd recentelijk artikelen hebben geschreven. Actuele publicaties zijn waardevol. Invloedrijke auteurs kunnen ‘ingehaald’ zijn door wetenschappers die in de huidige tijd toonaangevend onderzoek publiceren. Andersom kan het werk van een auteur zonder recente publicaties nog altijd actueel zijn als hij of zij nog geregeld geciteerd wordt.

  • Zoek uit welke boeken of tijdschriften toonaangevend zijn wat betreft je onderwerp. De bekendste indicator die het belang van een tijdschrift aangeeft is de JIF: Journal Impact Factor. Hoe hoger deze factor is, hoe vaker de artikelen uit een wetenschappelijk tijdschrift in andere wetenschappelijke tijdschriften worden geciteerd. Scopus hanteert de SJR: SCImago Journal Rank, welke kijkt naar de hoeveelheid citaties binnen een vakgebied en de bron ervan. JIF en SJR geven je een aanwijzing over de kwaliteit en de impact van een tijdschrift.

Conform de sneeuwbalmethode wordt een door jezelf geselecteerd artikel als uitgangspunt van je zoektocht genomen. Aan de hand van de referentielijst van dit artikel kun je achteruit zoeken in de literatuur. Dit heeft nadelen: de literatuur is ouder dan je bron en je moet veel literatuur lezen. Het is ook mogelijk om nieuwere artikelen te zoeken die naar je bronartikel verwijzen. In Scopus gebruik je dan de 'Citation Network'-optie. 

Het hanteren van een goede zoekstrategie voorkomt dat je overspoelt wordt door de enorme hoeveelheid beschikbare literatuur. Maak daarom een zoekplan, een tijdsplanning en bepaal hoeveel publicaties je maximaal grondig wilt lezen.

Vuistregel 3: Maak gebruik van de analysemogelijkheden van databases en bepaal aan de hand van een eerste analyse je definitieve onderzoeksvraag en zoekprofiel.

Hoe beschrijf je de methode die je hebt gebruikt?

Na de afbakening van je onderwerp door het bestuderen van de literatuur ga je over tot het formuleren van een definitieve vraagstelling en het opstellen van een zoekprofiel. Dit geeft het vervolg van je literatuuronderzoek een heldere structuur en richting. Hierna maak je een lijst met inclusiecriteria (criteria waaraan zoekresultaten moeten voldoen) en exclusiecriteria (criteria waaraan zoekresultaten juist niet moeten voldoen).

Het is belangrijk dat je het zoekproces bijhoudt en documenteert. Dit verklaart hoe je zocht naar literatuur en welke selectiecriteria je hebt gebruikt. Hierdoor is je review bovendien reproduceerbaar: anderen kunnen de zoekmethode reproduceren.

In het methode-onderdeel van je artikel documenteer je het zoekproces. Benoem hierin het volgende:

  • De gebruikte procedures en zoektermen voor het zoeken van literatuur,

  • De geraadpleegde databases,

  • De gebruikte exclusie- en inclusiecriteria,

  • De wijze waarop je de relevantie van de literatuur hebt beoordeeld (volledige artikel gelezen of bijvoorbeeld eerst samenvattingen?),

  • De criteria op basis waarvan je de kwaliteit van de literatuur beoordeelt,

  • De overwegingen of criteria op basis waarvan de definitieve selectie van de literatuur is gemaakt.

Tijdens de zoektocht naar literatuur is het handig om in een zoeklogboek bij te houden hoeveel artikelen bij elke stap gevonden en uiteindelijk geselecteerd zijn. Zo’n ‘search log’ kun je gemakkelijk bijhouden in een Excel sheet. Noteer hierin de zoekdatum, de database(s) waarin je zocht, het zoekprofiel, de gebruikte zoekstrategie (meest geciteerd bijvoorbeeld), limieten (bijvoorbeeld gezocht tussen de jaren 2005-2024) en het aantal gevonden artikelen. De PRISMA-methode is handig voor het opstellen van een diagram waarin overzichtelijk is gemaakt hoeveel artikelen je selecteerde in welke fase van het zoekproces. Een tabel geeft een goed inzicht in de gebruikte exclusie- en inclusiecriteria.

Vuistregel 4: Houd na het formuleren van de onderzoeksvraag een bijschrijving bij van de zoek- en selectieprocedure middels een zoeklogboek.

Hoe maak je een selectie uit de literatuur?

Houd bij het zoeken van literatuur altijd de hoofdvraag in je achterhoofd. Draagt de gevonden informatie niet bij aan het beantwoorden van deze vraag, laat deze dan achterwege. Je kunt snel beoordelen of informatie relevant is door het lezen van de samenvatting van artikelen. Hierin vind je de onderzoeksvraag, het onderzoeksdoel en de belangrijkste bevindingen. Betreft het interessante informatie, lees dan tevens de inleiding en conclusie. Een interessante tekst kan nieuwe zoektermen opleveren welke bijdragen aan de beantwoording van je hoofdvraag. Je kunt er ook achter komen dat bepaalde informatie ontbreekt en je zoektocht nog niet klaar is.

Een pluspunt van het gebruik van databases is dat zij de beschikbare literatuur overzichtelijk maken. Je kunt aan de hand daarvan een representatieve en evenwichtige selectie van bronnen maken. Representatief: de bronnen moeten goed weergeven wat de actuele stand van zaken is over elk deelonderwerp en van goede kwaliteit zijn. Evenwichtig: de deelonderwerpen behandelen op basis van een evenredige hoeveelheid literatuur. Behelst je onderzoek een vergelijking tussen een tweetal theorieën, selecteer dan voor beiden een vergelijkbare hoeveelheid literatuur.

Tot slot loont het om een ordening aan te brengen in de gevonden literatuur, bijvoorbeeld op basis van deelonderwerpen en onderzoeksresultaten die elkaar weerspreken of juist overeenstemmen.

Vuistregel 5: Zorg voor een representatieve en evenwichtige selectie van bronnen. Deel gevonden literatuur op logische wijze in, bijvoorbeeld op basis van alle overeenstemmende bevindingen of per deelonderwerp.

Hoofdstuk 4: Hoe bouw je een wetenschappelijk review-artikel op?

Wetenschappelijke review-artikelen zijn er in verschillende vormen, maar zij hebben allen dezelfde standaardstructuur. Een review-artikel omvat de volgende vaste onderdelen:

  1. De samenvatting,

  2. De inleiding,

  3. Het middenstuk,

  4. De discussie en conclusie,

  5. De referentielijst.

Een goede structuur vereist het zetten van de juiste informatie op de juiste plaats. Beperk je bovendien tot louter relevante informatie: vermijd het vermelden van interessante feitjes die niet bijdragen aan de beantwoording van je hoofdvraag. Bedenk wat een logisch begin van je tekst is en hoe je de informatie gaat ordenen. Structuuraanduiders zijn van groot belang, deze helpen lezers om de lijn van het artikel te volgen. Kondig bijvoorbeeld aan waar je tekst over zal gaan en in welke volgorde.

Hoe ziet de algemene opbouw van een wetenschappelijk review-artikel eruit?

Een wetenschappelijk artikel begint met een ruime context, gaat dan naar een concreet onderwerp en eindigt wederom met een vrij algemene beschouwing. Als je dit in de vorm van een zandloper zou weergeven, staat bovenaan de inleiding, daaronder het middenstuk en volledig onderaan de discussie en conclusie. De inleiding kondigt het onderwerp in ruime zin aan en eindigt in een centrale vraag. Het middenstuk bevat informatie ter beantwoording van deze vraag. In de discussie en conclusie refereer je weer aan de centrale vraag, worden de voornaamste bevindingen bondig samengevat en uiteindelijk geef je de implicaties van deze bevindingen in ruime zin aan.

Vuistregel 1: Bouw je artikel op in de vorm van een zandloper.

Hoe schrijf je een goede inleiding voor een wetenschappelijk review-artikel?

In de inleiding van je review-artikel introduceer je het onderwerp en werk je toe naar de centrale vraag. De introductie moet de aandacht van lezers trekken en hen prikkelen te blijven lezen. Je start breed, bakent het onderwerp steeds verder af en eindigt zo bij je concrete vraagstelling. Je geeft een theoretisch kader, definities van de belangrijkste begrippen en beschrijft reeds verricht onderzoek. Zorg dat je de vraag verantwoord: schets het probleem waarop de vraag ziet en geef argumenten voor de - maatschappelijke en/of wetenschappelijke - relevantie van de beantwoording van deze vraag. Afsluitend beschrijf je kort de opbouw van je artikel. 

Lezers moeten na het lezen van de inleiding weten wat je centrale vraagstelling is, waarom je deze vraagstelling wilt beantwoorden (probleem en relevantie) en op welke manier je dit gaat doen (opbouw artikel).

Het theoretisch kader plaatst je eigen onderzoek in het licht van bestaand onderzoek. Je geeft aan wat reeds bekend is, wat eventueel nog onbekend is of waarover onzekerheid bestaat. Werk de kernconcepten en hun onderlinge verbanden uit. Beschrijf wat de huidige literatuur erover zegt en welke hiaten je bent tegengekomen (tegenstrijdigheden tussen bevindingen van onderzoeken, gebrek aan kennis of aan zekerheid).

Formuleer een vraagstelling die in wetenschappelijk opzicht relevant is, een wetenschappelijk review-artikel moet immers bijdragen aan de wetenschap. Wetenschappelijk schrijven start aldus met een probleem. De aanleiding voor het literatuuronderzoek betreft een vraag waarop het antwoord nog onduidelijk is. Deze vraag breng je gestructureerd in beeld door duidelijk te maken op welk probleem de vraag zich richt, hoe dit probleem is ontstaan en wat de relevantie van het probleem is.

Vuistregel 2: In de inleiding introduceer je het onderwerp, beschrijf je beknopt het probleemgebied, onderbouw je de vraag vanuit een theoretisch kader en presenteer je een duidelijke centrale vraagstelling. In geval van een wetenschappelijk betoog neem je een stelling in en beschrijf je de opbouw van je artikel.

Hoe wek je interesse op bij potentiële lezers? Hiertoe zijn diverse mogelijkheden. Je kunt een prikkelende uitspraak doen of een boeiend fenomeen beschrijven. Er zijn meerdere typen prikkelende uitspraken, bijvoorbeeld een citaat, stelling, opvallend nieuwsbericht of ontstellende cijfers. Een goede uitspraak verrast en roept de vraag op waarom iets zo is.

Vuistregel 3: De inleiding moet de interesse van lezers opwekken.

Wat bespreek je in het middenstuk van een wetenschappelijk review-artikel?

In het middenstuk bespreek je deelonderwerpen ter beantwoording van je centrale vraag. Dit kunnen interventies, begrippen of theorieën zijn. Het moet voor de lezer helder zijn hoe de deelonderwerpen bijdragen aan de beantwoording van de vraag.

Je begint het middenstuk met een inhoudelijk overzicht van de literatuur die je vond. Deze informatie moet direct relevant zijn voor de hoofdvraag en lezers moeten begrijpen waarom de informatie waardevol is. Beargumenteer waarom je een studie bespreekt en wat de bevindingen betekenen voor de beantwoording van je vraag. 

Let erop dat je niet slechts de bevindingen van de relevante studies opsomt, deze moeten in onderling verband worden besproken en geëvalueerd. Er moet dus sprake zijn van een logische samenhang. Hiervoor zorg je door de verbanden tussen de studies te beschrijven en de verschillen en overeenkomsten tussen de bevindingen te bespreken. Geef aan welke eventuele tekortkomingen het reeds uitgevoerde onderzoek kent. Door signaalwoorden te gebruiken, tussentijdse samenvattingen te geven en nieuwe paragrafen in te leiden creëer je duidelijkheid voor lezers. 

Geef het middenstuk niet de titel ‘middenstuk’, maar maak een indeling met passende kopjes.

Vuistregel 4: In het middenstuk geef je relevante informatie ter beantwoording van je centrale vraag.

De vraagstelling is het belangrijkste onderdeel van je artikel. Hetgeen in het middenstuk wordt beschreven is daarvan afhankelijk. De relevante informatie plaats je dan ook in een logische volgorde. Zorg dat je al een globaal beeld van de structuur hebt voordat de schrijffase begint. Naast de indeling in samenvatting, inleiding, enzovoorts maak je voor het middenstuk tevens een indeling in kopjes. Ga je uit van een stelling, kies dan voor een betogende indeling om je onderbouwde mening over het antwoord op de vraagstelling te geven. Conform deze indeling moet je de bevindingen van wetenschappelijk onderzoek die je stelling onderbouwen beschrijven. 

Op een lager niveau gebruik je voor paragrafen of alinea’s andere indelingen. Beschrijf je de theoretische achtergrond, dan is een thematische indeling passend. De tekst wordt dan opgebouwd volgens de deelonderwerpen of thema’s van het kernonderwerp. Bij onderwerpen met een tijdsverloop gebruik je bij voorkeur een chronologische indeling. Voor het beschrijven van procedures of methoden is de methodische indeling beter geschikt.

Het is verstandig om voorafgaand aan het schrijven een overzicht van de beoogde indeling te maken. Het schrijven gaat hierdoor vlotter. Zorg dat elk onderdeel op dezelfde manier wordt ingedeeld. Voor een goede of slechte ordening van informatie is niet één manier. Bedenk wat lezers de meest logische opbouw zouden vinden. Een goede schrijver plaatst zich in de lezers. Kunnen zij de lijn van je tekst goed volgen?

Vuistregel 5: Overweeg hoe je de informatie wilt presenteren en voorzie je tekst van een duidelijke en logische opbouw.

In het middenstuk richt je je op het beschrijven en verwerken van de gevonden literatuur. Deze literatuur moet je koppelen aan je centrale vraagstelling. Leg uit welke conclusies men kan trekken uit de bevindingen van verschillende onderzoeken in het licht van de onderzoeksvraag, en welke praktische en theoretische consequenties dat heeft.

Bij het bespreken van een wetenschappelijk artikel geef je aan waarom je een onderzoek bespreekt, welke hypothese of theorie werd onderzocht, wat de bevindingen waren, hoe het onderzoek werd uitgevoerd, hoe je de bevindingen interpreteert in het kader van je centrale vraag en wat de beperkingen van het onderzoek zijn.

Een kritische verwerking van de literatuur verlangt ook dat je de onderzoeksmethode bespreekt. Daarnaast moet de kwaliteit van de studie bepalen hoeveel gewicht je eraan toekent. Zo zijn bevindingen uit een meta-analyse of een grootschalige studie normaliter overtuigender dan bevindingen uit case studies.

Sommige bronnen mogen meer aandacht krijgen dan anderen. Hoe belangrijker de bron is voor je centrale vraagstelling, hoe meer artikelruimte deze mag krijgen. Maak duidelijk wat de verbanden zijn tussen de bronnen. Geef aan of bevindingen elkaar aanvullen of juist tegenspreken, of het ene onderzoek methodologisch sterker is dan het andere, of de ene studie gericht is op volwassenen en de andere op minderjarigen, et cetera.

Vuistregel 6: Als je de literatuur beschrijft en verwerkt, moet je duidelijk maken waarom de informatie relevant is ter beantwoording van je centrale vraagstelling. Zorg voor een kritische verwerking van de literatuur en breng de diverse bronnen met elkaar in verband.
Vuistregel 7: Gebruik structuuraanduiders om structuur aan te brengen in het middenstuk:
  • Geef een overzicht. Begin met zinnen die aangeven welke informatie aan de orde zal komen.
  • Creëer overgangen. Je kunt van het ene punt overgaan naar het andere door gebruik te maken van overgangszinnen.
  • Geef een tussentijdse samenvatting na afronding van een deelonderwerp. Dit kan in een paar zinnen, zorgt voor een goed begrip bij de lezer en maakt de belangrijkste informatie duidelijker.

Wat bespreek je in de discussie en conclusie van een wetenschappelijk review-artikel?

Na afronding van het middenstuk volgt afsluitend de discussie en conclusie. Deze kunnen apart worden behandeld, maar vaak vormen ze één onderdeel. 

Een goede discussie en conclusie zien eruit als trechter die op zijn kop staat. Je start smal met een herhaling van de centrale vraagstelling en een korte samenvatting van de belangrijkste bevindingen. Hierna wordt het breder: je interpreteert en bediscussieert je bevindingen. Bespreek de betekenis van je bevindingen voor de bestaande theorie en de praktijk. Geef aan welke onduidelijkheden er nog zijn, en welke beperkingen de bestudeerde onderzoeken en het literatuuronderzoek van jouzelf hebben. Sluit af met onderbouwde en concrete aanbevelingen voor verder onderzoek of verbeterpunten in de praktijk.

Let op dat je de discussie en conclusie niet beperkt tot het geven van slechts een samenvatting. Doe alsof je een kritische discussie voert met vakgenoten. Verklaringen of theorieën zijn geregeld niet helemaal waterdicht of enkel in bepaalde situaties aangetoond. Stel dit aan de kaak in je tekst. De gevonden beperkingen zullen leiden tot het geven van suggesties. Zorg ervoor dat je niet alleen aangeeft dat vervolgonderzoek nodig is, maar ook wat verder onderzocht moet worden of wat nog onduidelijk is. Je kunt ook aangeven welke implicaties je bevindingen hebben.

Er zijn implicaties voor de theorie en voor de praktijk mogelijk. Theoretische implicaties zien bijvoorbeeld op een model dat aanpassing vereist, omdat het bepaalde bevindingen niet verklaart. Praktische implicaties zijn bijvoorbeeld dat bepaalde eisen moeten worden gesteld aan de gehandicaptenzorg, omdat dit uit je bevindingen blijkt.

Gebruik ook bij de discussie en conclusie structuuraanduiders. Zo kun je de conclusie aangeven door het gebruik van signaalwoorden als 'concluderend'. Geef je een kritische kanttekening, dan kun je een overgangszin gebruiken ('Ondanks dat de literatuur laat zien dat…, zijn de volgende kritische kanttekeningen te plaatsen.'). 

Vuistregel 8: In de discussie en conclusie moet je de centrale vraagstelling herhalen, een korte samenvatting geven van je belangrijkste bevindingen, een uiteindelijke conclusie geven (antwoord op vraag), je bevindingen kritisch bespreken, suggesties doen voor vervolgonderzoek en de implicaties voor theorie of praktijk bespreken.

Wat bespreek je in de samenvatting van een wetenschappelijk review-artikel?

Als allerlaatste onderdeel volgt meestal de samenvatting. Hierin geef je een kort overzicht van je inhoudelijke tekst. Lezers die de volledige tekst niet hebben gelezen moeten de samenvatting kunnen begrijpen. Geregeld wordt een samenvatting als eerste gelezen en op basis daarvan besloten of men de rest van het artikel wil lezen.

In een goede samenvatting wordt correct en beknopt weergeven wat het doel en de inhoud van de tekst is. Volg hiervoor de richtlijnen van de American Psychological Assocation. Je begint met het onderwerp en de vraagstelling of doelstelling. Je vermeldt vervolgens de reikwijdte van het artikel: op welk gebied heeft het betrekking en wat zijn de beperkingen ervan? Je richt je bijvoorbeeld op angstklachten bij adolescenten, of bij kinderen, of bij volwassen. Ook kun je vermelden dat je slechts drie theorieën vergelijkt.

Geef eveneens aan hoe je aan de gebruikte informatie bent gekomen. Bij het schrijven van review-artikel wil dit zeggen dat je verklaart dat je middels een literatuurstudie gegevens hebt verzameld. In de samenvatting hoef je niet te refereren. Afsluitend beschrijf je de belangrijkste conclusie(s). Is er sprake van veel bevindingen, beperk je dan tot de drie-vijf belangrijkste conclusies. 

Vuistregel 9: Een samenvatting vermeldt het onderwerp, het doel of de vraagstelling, de reikwijdte, waar de gebruikte informatie vandaan hebt gehaald en de conclusies.

Elke zin moet zoveel mogelijk informatie bevatten. Wissel lange en korte zinnen met elkaar af, afwisseling leest fijner. Begin met de belangrijkste informatie en herhaal de titel niet.Een samenvatting van een in een wetenschappelijk tijdschrift gepubliceerd artikel bestaat doorgaans uit maximaal 150 woorden. Laat een pakkende introductie achterwege, kom meteen ter zake.

Vuistregel 10: Schrijf een beknopte samenvatting van maximaal 250 woorden. 

In de samenvatting mag geen informatie voorkomen die in de hoofdtekst niet wordt genoemd. Een goede samenvatting staat op zichzelf, gebruik daarom geen afkortingen. Het is niet de bedoeling dat lezers in de hoofdtekst moeten zoeken voor de betekenis ervan. Leg technische termen waarmee lezers onbekend zijn uit. Gebruik geen citaten en vermijd overbodig commentaar op de conclusies. Houd het bij een rapportage van je belangrijkste bevindingen.

Vuistregel 11: Een samenvatting bevat geen nieuwe informatie, geen afkortingen, geen lastige technische termen zonder uitleg, geen citaten en geen overbodig commentaar.

Een veelvoorkomende fout die je moet vermijden is het bespreken van wat je gaat vertellen. Het is geen inhoudsopgave of inleiding. Vermeld louter je bevindingen en conclusies.

Vuistregel 12: bespreek alleen je conclusies, niet wat je gaat vertellen. 

Hoofdstuk 5: Hoe moet je parafraseren, citeren en refereren?

Schrijvers van review-artikelen gebruiken altijd werk van anderen. Je moet dus weten hoe je geoorloofd teksten van andere auteurs gebruikt.

Je zult merken dat in wetenschappelijke literatuur vaak namen gevolgd door een jaartal staan, zoals Kahneman (2012) of (Kahneman, 2012). Dergelijke referenties/verwijzingen mogen niet ontbreken in een wetenschappelijke tekst. Je toont hiermee dat de passage het idee van iemand anders betreft. Als je de suggestie wekt dat het om je eigen idee gaat, pleeg je plagiaat: letterdiefstal. Het is tevens verboden tekst letterlijk over te nemen uit een bron, tenzij je aangeeft dat het een citaat betreft door middel van aanhalingstekens. Refereren zorgt er bovendien voor dat lezers weten waar ze verdere informatie of de oorspronkelijke studie kunnen vinden. Schrijvers refereren daarom ook geregeld aan zichzelf.

Maak je een referentielijst, dan moet je op de hoogte zijn van de diverse verwijssystemen en hun specifieke verwijsregels. In de pedagogie en psychologie gebruikt men meestal het verwijssysteem van de American Psychological Association. In hun Publication Manual (druk 7) staan alle referentieregels en richtlijnen over interpunctie, lay-out, vormgeving van afbeeldingen en taalgebruik. Referentieregels zijn geen richtlijnen, je moet ze exact naleven: er mag geen teken verkeerd staan.

Parafraseren houdt het beschrijven van de tekst van iemand anders in eigen bewoordingen in. Omdat het verboden is andermans tekst letterlijk over te nemen, moet je alle essentiële informatie uit die tekst herformuleren zonder er een eigen interpretatie aan te geven. Aangezien je bij een parafrase een referentie plaatst, zou het verdraaien van de woorden suggereren dat de auteur dit zo bedoeld heeft. In geval van citeren neem je een bijzonder verwoorde tekst wel letterlijk over, omdat een andere verwoording hieraan tekort zou doen. Ook voor citeren gelden precieze regels.

Hoe refereer je in een wetenschappelijk review-artikel?

Een wetenschappelijke tekst sluit je af met een referentielijst. Hierin vermeld je alle gebruikte publicaties (bronnen). In de tekst zelf geef je deze expliciet aan door de combinatie van de auteursnaam en het publicatiejaartal te vermelden. Deze verwijzingen/referenties plaats je aan het einde van je werk in de referentielijst. Hoe je moet refereren is afhankelijk van de bron: een boek, artikel in een (online) wetenschappelijk tijdschrift, internetdocument of een verzamelbundel.

Hoe vermeld je boeken in je referentielijst?

Boeken vermeld je in de referentielijst in de volgende basisvorm:

Boek

Auteur, X.X., Auteur Y.Y., & Auteur Z.Z. (Publicatiejaar), Boektitel. Uitgever.

Bovenaan zet je dikgedrukt ‘Boek’. Daaronder komt: achternaam (voorvoegsels ervoor), voorletters met spaties ertussen en gevolgd door een komma, voor de laatste achternaam een &-teken. Publicatiejaar tussen haakjes. Boektitel in cursieve letters (een ondertitel na een dubbele punt). Naam uitgever, afsluiten met een punt.

Een voorbeeld betreffende een boek met drie auteurs:

  • Noordam, A.D.H.D., Van Berkelen, G.G.Z., & Smit, P.T.S.S. (2002). Handboek over Psychologie: Een inleiding voor studenten. Walters-Inkt Uitgevers.

Hoe vermeld je verzamelbundels in je referentielijst?

Een verzamelbundel (edited book) is opgesteld door een of meerdere redacteurs (editors). Een redacteur verzoekt experts om een hoofdstuk te schrijven over hun vakgebied. Verzamelbundels hebben normaliter dus meerdere auteurs. Je vermeldt een hoofdstuk uit een verzamelbundel in je referentielijst in de volgende basisvorm:

Hoofdstuk in een verzamelbundel

Auteur, X.X., & Auteur Z.Z. (Publicatiejaar). Hoofdstuktitel. In A.A. Redacteur(en) (Ed. of Eds.), Boektitel (pp. nummer-nummer). Uitgever.

Bijvoorbeeld:

Smit, P.T.S.S., & Noordam, A.D.H.D. (2010). Factoren die van invloed zijn op agressief gedrag bij kleuters. In Z.Z. Berends & D.D. Verbeet (Red.). Gedragsproblemen bij jonge kinderen onder de loep (pp. 25-53). McKenzie Publications.

Let op het verschil met de referentieregels voor boeken. Schrijf de titel van het hoofdstuk niet in cursieve letters. Daarna gebruik je ‘In’ om duidelijk te maken dat het hoofdstuk in een nog te noemen boek staat. Dan eerst de voorletters en daarna de achternamen van de redacteuren, gevolgd door (Red.) als Nederlands de oorspronkelijke taal is en in geval van Engels (Ed.) bij één redacteur of (Eds.) bij meerdere redacteuren. Vervolgens noteer je de titel van het boek in cursieve letters gevolgd door tussen haakjes ‘pp.’ met de paginanummers van het hoofdstuk in cijfers.

Hoe vermeld je tijdschriftartikelen in je referentielijst?

Tijdschriften bestaan uit losse nummers (issues), welke door bibliotheken jaarlijks worden gebundeld in jaargangen (volumes). Aan de hand van het nummer van de jaargang kun je een tijdschriftartikel terugvinden. Tijdschriften nummeren de issues meestal door, dan is het toereikend om de paginanummers te vermelden en niet ook het nummer van het issue. Nummert een tijdschrift de pagina’s niet door, dan moet het issue wel vermeld worden door deze tussen haakjes achter het jaargangnummer te vermelden.

Je vermeldt een tijdschriftartikel volgens de basisvorm als volgt:

Artikel in een tijdschrift

Auteur, X.X., Auteur, D.D., & Auteur Z.Z. (Publicatiejaar). Titel van het artikel. Tijdschrift, jaargangnummer (indien nodig issuenummer), paginanummer-paginanummer.

Bijvoorbeeld:

Driessen, A.B., Speksnijder E.F., & De Jong, M.M. (2004). Hoe bereiden studenten in het hoger onderwijs zich voor op tentamens? Een vergelijking tussen HBO en WO studenten. Tijdschrift voor Docenten in het Hoger Onderwijs, 13, 378-399.

Merk op dat je de titel van het artikel niet in cursieve letters vermeldt, maar de naam van het tijdschrift en het jaargangnummer vervolgens wel. Afsluitend vermeld je de paginanummers niet cursief.

Hoe vermeld je online tijdschriften en internetdocumenten in je referentielijst?

Als je aan een online tijdschrift refereert, eindig je de referentie met de doi-code. Doi: Digital Object Identifier. Wetenschappelijke tijdschriften die door bepaalde uitgevers worden gepubliceerd krijgen deze unieke code, bestaande uit cijfers. Door de doi-code is de locatie van het internetdocument altijd terug te vinden, zelfs als het internetadres is veranderd. 

Voorbeeld van een doi-code: https://doi.org/10.1016/123456/78910111213

Een document met een doi-code vermeld je helemaal achteraan de referentie. De vermelding begin je met de URL: 'https://doi.org/'. De doi-code van zowel de gedrukte als de online versie moet worden vermeld. Deze is doorgaans te vinden op de eerste pagina. Eindig de code niet met een punt. 

Basisvorm:

Artikel uit een elektrisch tijdschrift met DOI

Auteur, X.X., Auteur Y.Y., & Auteur Z.Z. (Publicatiejaar). Artikeltitel. Tijdschrift, jaargangnummer (evt. issuenummer), paginanummer-paginanummer. https://doi.org/numeriekecode

Naar een artikel uit een online wetenschappelijk tijdschrift zonder DOI verwijs je op dezelfde manier als bij een gedrukt artikel. Heeft het online artikel wel een URL maar geen DOI, dan vermeld je de URL achteraan de referentie. Een URL begint doorgaans met http://. Basisvorm:

Artikel uit een online tijdschrift zonder DOI

Auteur, X.X., Auteur Y.Y., & Auteur Z.Z. (Publicatiejaar). Artikeltitel. Tijdschrift, jaargangnummer (evt. issuenummer), paginanummer-paginanummer. URL

Wil je verwijzen naar een internetdocument, controleer dan eerst de betrouwbaarheid van de bron. Zoek je online de criteria voor PTSS op, dan zal een persoonlijk blog over iemands ervaring met PTSS minder volledig en objectief zijn dan kennisbank DSM-5.

Basisvorm vermelding internetdocument:

Document van internet

Auteur, X.X., Auteur Y.Y., & Z.Z. of Organisatie A. (Publicatiejaar). Titel van het document [type document], URL

Voorbeeld:

Rijksinstituut voor de Volksgezondheid en Milieu. (2023). Cijferrapportage Monitor mentale gezondheid 2023. Eerste landelijke overzicht [Dataset]. https://www.rivm.nl/publicaties/cijferrapportage-monitor-mentale-gezondheid-2023-eerste-landelijke-overzicht

Wat is de volgorde van de referenties en hoe ziet de lay-out van de referentielijst eruit?

De referenties zet je op alfabetische volgorde van de auteursnaam (van de eerste auteur). Is er sprake van meerdere bronnen met dezelfde eerste auteur, dan ga je uit van de achternaam van de tweede auteur. Tevens geldt de ‘niets gaat voor iets’-regel: zijn er meerdere bronnen met dezelfde auteur en heeft één bron maar één auteur, dan krijgt deze bron voorrang. Alleen geschreven gaat dus voor samen geschreven. Zijn alle auteursnamen hetzelfde, dan vermeld je de bronnen op volgorde van publicatiejaar.

Bovenaan de lijst zet je ‘Referenties’. Maak geen opsomming met bullets of nummers. Referenties beginnen links uitgelijnd, de volgende regel in laten springen (drie posities).

Hoe refereer je in de tekst?

In een tekst kun je op drie manieren refereren:

  1. Het expliciet noemen van de auteur: ‘Auteur (jaartal) beschrijft…’ of ‘… van Auteur (jaartal)’

  2. Het plaatsen van de referentie tussen haakjes: ‘…. (Auteur, jaartal)’.

  3. Het expliciet noemen van de auteur en het jaartal. ‘In jaartal beschreef Auteur…’. Dit is niet gebruikelijk en heeft niet de voorkeur, maar is wel correct. Deze vorm geregeld gebruiken leest niet prettig.

Bij referenties in tekst worden voorvoegsels bij achternamen eerst vermeld. In de tekst zet je bijvoorbeeld ‘…. (Van Voorden, 2001) of ‘Van Voorden (2001) beschrijft...’, maar in de referentielijst schrijf je: ‘Van Voorden, B. (2001)…’

Voorletters of voornamen gebruik je niet in de referentie in je tekst, tenzij sprake is van meerdere auteurs met dezelfde achternaam.

Wat als er sprake is van meerdere auteurs?

Betreft het twee auteurs in één referentie, dan noem je hen allebei en scheid je hun namen tussen haakjes door het &-teken. Bijvoorbeeld: ‘… (Janssen & Struik, 1999)’. Zonder haakjes gebruik je ‘en’, bijvoorbeeld: ‘Janssen en Struik, 1999’. Gaat het om minstens drie auteurs in één referentie, dan kort je de verwijzing in: vermeld enkel de naam van de eerste auteur en vervolgens ‘et al.’. Dit betekent ‘en anderen’. Bijvoorbeeld: ‘Janssen et al. (2004)’ of (Janssen et al., 2004).

Je moet in de referentielijst altijd de eerste 20 auteurs vermelden. Zijn het er meer dan 20, dan worden de eerste 19 auteurs vermeld, daarna een weglatingsteken (drie punten met een spatie ertussen) en direct na deze punten de naam van de laatste auteur. Dus: ‘Naam 1, Naam 2, (enzovoorts), Naam 18, Naam 19, . . .  Laatste naam (jaartal)’

Wat als je dezelfde informatie in meerdere werken tegenkomt?

Soms komt de tekst die je in je artikel gebruikt voor in meerdere werken. Refereer dan aan alle publicaties waarin je deze tekst tegenkwam. Als meerdere auteurs tot dezelfde bevindingen kwamen, vergroot dit de geloofwaardigheid van je artikel. In de referentie plaats je tussen de namen van de auteurs van de diverse bronnen een puntkomma. Houd een alfabetische volgorde aan. De basisvorm van deze referentie is als volgt: (Auteur(s) bron 1, jaartal bron 1; Auteur(s) bron 2, jaartal bron 2).

Komt de informatie uit verschillende publicaties van dezelfde auteur, dan vermeld je de auteur en daarna de jaartallen van de bronnen. De jaartallen scheid je door een komma. Bijvoorbeeld: (Janssen, 1998, 2007). Gaat het om informatie uit verschillende bronnen uit hetzelfde jaar, dan voeg je een letter toe aan de jaartellen: (Janssen, 2001x, 2001y, 2001z).

Wanneer en hoe vaak moet je refereren?

Naast het precies en volledig toepassen van de referentieregels is ook het moment van refereren belangrijk. Dit moet zo vroeg mogelijk worden gedaan, zodat lezers tijdig weten dat iets niet je eigen idee is. Op de vraag hoe vaak gerefereerd moet worden aan dezelfde bron is geen duidelijk antwoord. Niet te vaak en niet te weinig. Het is niet de bedoeling elke zin te eindigen met een referentie. Uit een goed samenhangend verhaal blijkt al dat het geheel bij dezelfde referentie hoort. Noem je tussendoor andere referenties, dan moet je wel refereren.

Vuistregel 1: Zo vroeg mogelijk aangeven wanneer je andermans publicatie aanhaalt.
Vuistregel 2: Niet te weinig en niet te vaak refereren.

Hoe parafraseer en citeer je in een wetenschappelijk review-artikel?

Hoe parafraseer je volgens de regels?

Correct refereren betekent niet dat je de publicatie van een ander letterlijk mag overnemen. Je moet essentiële informatie en de ideeën van anderen omzetten in eigen bewoordingen: parafraseren. Studenten vinden dit vaak lastig en nemen hierdoor te veel letterlijk over. Zij plegen dan plagiaat.

Het anders verwoorden van enkele woorden en de volgorde van een zin omkeren is niet voldoende, probeer passages volledig om te zetten naar eigen woorden. Begin met het herhaaldelijk lezen van de passage, zodat je hier een goed begrip van krijgt. Dek de informatie daarna af en leg deze uit in eigen woorden. Bedenk hoe de tekst in je eigen stuk past. Kijk vervolgens of er essentiële informatie mist. Blijkt dat je toch dezelfde woorden of terminologie hebt gebruikt, probeer deze dan alsnog te herformuleren. Slaag je hier niet in, plaats dan aanhalingstekens om duidelijk te maken dat je tekst letterlijk overneemt. Een parafrase sluit je af met een referentie.

Vuistregel 3: Andermans tekst niet letterlijk overnemen, maar de essentiële informatie correct parafraseren.

Let op: een vertaling is geen goede parafrase. Ook tekst uit bronnen in een andere taal moet je omzetten naar eigen woorden. Zo wordt een onjuist geparafraseerde Engelse passage snel herkend, dit blijkt uit de ‘Engelse’ zinsopbouw en het woordgebruik. Gebruik dus geen letterlijk vertaalde intellectuele woorden als een meer gebruikelijke terminologie mogelijk is. Vermijd tevens het gebruik van zogenaamde leenwoorden, deze worden in de Nederlandse taal gebruikt maar vinden hun oorsprong in een andere taal. Woorden als ‘fulltime’, ‘checken’ of ‘level’ bijvoorbeeld.

Vuistregel 4: Engelse literatuur niet letterlijk vertalen, ook Engelstalige teksten moeten geparafraseerd worden.
Vuistregel 5: Laat leenwoorden en intellectuele woorden zoveel mogelijk achterwege.

Hoe citeer je volgens de regels?

Een uitzonderlijk mooi geformuleerde tekst die je niet wilt aanpassen kun je letterlijk overnemen door de auteur te citeren. Gebruik dan de betreffende referentieregels van APA (zie 'Quotations in hun 'Publication Manual'). Er zijn twee citermogelijkheden:

  1. Vermeld het citaat tussen dubbele aanhalingstekens en plaats daarachter de referentie tussen haakjes. "...citaat... (Janssen, 2001, p. 18). 

  2. Vermeld het citaat met de auteur in het stuk. Janssen (2001) ontdekte dat "...citaat..." (p. 18). 

Zorg dat je de tekst volledig onaangepast overneemt uit de oorspronkelijke publicatie. Er mag geen woord of leesteken afwijken, anders moet je dit vermelden.

Probeer zo min mogelijk citaten te gebruiken. Dit is echt voorbehouden aan unieke passages die minder tot hun recht komen als ze geherformuleerd zouden worden. Te vaak citeren suggereert bovendien dat je de tekst niet volledig begrijpt en daarom niet kunt parafraseren. Citeer geen algemeen bekend feit of cliché. Uit de omringende tekst moet blijken waarom het citaat relevant is.

Vuistregel 6: Enkel citaten met een toegevoegde waarde gebruiken.

Hoe refereer je aan overige bronnen?

Naast de behandelde type bronnen zijn er nog vele meer. Je kunt bijvoorbeeld ook refereren aan een krantenartikel, scriptie of een documentaire. Kijk hiervoor in de ‘Publication Manual’ van de APA, onder ‘Reference list’.

Hoofdstuk 6: Wat houdt een wetenschappelijke argumentatie in?

Zorg dat je je verhaal in je hoofd al goed op orde hebt voordat je een wetenschappelijk artikel begint te schrijven. Je kunt pas goed schrijven als je een duidelijk idee hebt en dat onderbouwd op papier uitwerkt.Kijk met een kritische blik naar de gevonden informatie om een antwoord op je centrale vraagstelling te krijgen.

Lezers overtuig je door uit te leggen wat de relevantie van iets is, waarom het ene feit leidt tot het andere en bepaalde theoriën elkaar tegenspreken. Dit vereist dat je goed kunt argumenteren. Argumenten moeten inhoudelijk sterk, logisch geordend en goed gepresenteerd zijn.

In dit hoofdstuk ziet deel 1 op voorbereidend denken, deel 2 op de argumentatievormen en veelgemaakte fouten, deel 3 op de kenmerken van wetenschappelijke argumenten en deel 4 op referenties.

Waar moet je over nadenken voordat je een wetenschappelijk review-artikel schrijft?

Het uitgangspunt van je tekst is de centrale vraag. Voor een adequaat afgebakend onderwerp formuleer je deze centrale vraag open en voldoende specifiek.

Om tot een deugdelijk antwoord te komen moet je telkens een afweging maken tussen de visies van diverse wetenschappers. Bedenk vooraf een aantal goede argumenten. Als je weet naar welke conclusie je toewerkt en hoe je deze wilt onderbouwen, maakt dit het latere schrijfwerk een stuk gemakkelijker.

Aan de hand van argumenten probeer je lezers te overtuigen. Als je bijvoorbeeld PTSS als onderwerp hebt gekozen, moet je eerst nagaan wat je hier boeiend aan vindt en wat je er zelf over wilt weten. Dit kan de behandeling met SSRI’s zijn. Je begint dus met de ‘wat-vraag’. Je formuleert als centrale vraag: ‘Wat is de invloed van SSRI’s op de symptomen van PTSS?’ Nu stel je jezelf de hoe-vraag: hoe onderbouw je het onderzoek? Dit betekent zoeken naar publicaties met diverse uitkomsten. Zo kan uit onderzoeken blijken dat SSRI’s een gunstig resultaat hebben, alleen bij vrouwen of juist geen significante werking hebben. Wanneer je voldoende informatie hebt vergaard, kun je een beeld vormen van de invloed van SSRI’s op de symptomen van PTSS en hierover een artikel opstellen. Je neemt bijvoorbeeld als stelling dat bij de meerderheid van de patiënten geen resultaat wordt geboekt, welke je gaat onderbouwen in je artikel.

Vuistregel 1: Bedenk na het vaststellen van je centrale vraag welke conclusie je als uitgangspunt neemt en hoe je deze gaat onderbouwen met argumenten.

Welke argumentatievormen zijn er?

Het is niet de bedoeling om alle gevonden feiten simpelweg op te sommen. Wees kritisch op een wetenschappelijke wijze. Het kritisch beoordelen van de literatuur heeft als doel het overtuigen van lezers van de stelling die je hebt ingenomen. De duidelijkheid van je argumenten bepaalt in hoeverre je lezers overtuigt Je kunt gebruik maken van allerlei argumentatievormen, maar ook redeneerfouten maken.

Er zijn vier argumentatievormen, aan de hand waarvan je je argumenten ordent:

  • Meervoudige argumentatie: je voert meerdere hoofdargumenten aan ter verdediging van je standpunt (sterkste argumentatie);

  • Enkelvoudige argumentatie: je voert één hoofdargument aan ter verdediging van je standpunt;

  • Onderschikkende argumentatie: je voert subargumenten aan ter ondersteuning van je hoofdargument, omdat deze op zichzelf niet sterk genoeg is of meer uitleg behoeft;

  • Nevenschikkende argumentatie: je voert alle argumenten tezamen aan ter verdediging van je standpunt. Je redenering zou niet kloppen als er een argument mist.

Vuistregel 2: Met behulp van meervoudige, enkelvoudige, onderschikkende en nevenschikkende argumentatie kun je je argumenten ordenen.

Welke argumentatieschema’s zijn er?

Argumenten kunnen op meerdere wijzen in verhouding staan tot een stelling:

  • Argumentatie op basis van vergelijking: het argument en het standpunt worden op basis van een vergelijking aan elkaar gelinkt. Als X werkt voor probleem A, dan werkt het ook voor probleem B;

  • Argumentatie op basis van eigenschap: het beargumenteren van je standpunt door het vermelden van een bepaalde eigenschap ervan. Bijvoorbeeld: ‘Een dictator is het niet gewend om kritisch benaderd te worden en kan daar niet mee omgaan (argument), daarom kan X niet tegen kritiek vanuit de media (standpunt;

  • Pragmatische argumentatie: het vermelden van een (on)gunstig gevolg van het standpunt in je argument. Je stelt bijvoorbeeld dat nader onderzoek benodigd is naar de invloed van alcoholgebruik op het probleemoplossend vermogen, omdat het voor mensen die veel drinken gunstig is om meer informatie te hebben over de consequenties van hun drinkgedrag; 

  • Verklaringsargumentatie: het noemen van een argument als oorzaak van een standpunt. Bijvoorbeeld: “Hij zal een beperkt probleemoplossend vermogen hebben (standpunt), hij heeft immers langdurig veel alcohol gedronken" (argument). 

Vuistregel 3: Aan de hand van argumentatieschema’s orden je de verhouding tussen standpunt en argument(en).

Wat zijn signaalwoorden?

Ter inleiding van argumenten kun je gebruikmaken van signaalwoorden. Zo weten lezers wanneer je een argument aanvoert en wat het verband tussen argumenten is. Signaalwoorden zijn bijvoorbeeld: omdat, gezien, hierom, want, immers, vanwege, klaarblijkelijk, namelijk, derhalve en blijkbaar.

In plaats van signaalwoorden is het ook prima om expliciet te vermelden dat je een argument gaat aanvoeren, zoals “Hier zijn de volgende argumenten/redenen voor..”.

Vuistregel 4: Leid je argumenten in door middel van signaalwoorden.

Welke redeneerfouten kun je maken?

Veelgemaakte fouten bij het argumenteren betreffen de drogredenen. Voorbeelden zijn:

  • Cirkelredenering. Hierin zijn argument en standpunt hetzelfde: je herhaalt het standpunt als onderbouwing van het standpunt. Bijvoorbeeld: ‘Mensen met een depressie zijn neerslachtig. Zij hebben vaak sombere gedachten, dus zijn ze neerslachtig’;

  • Bewijslastontduiking. Je verwoordt een argument zo dat lezers hier niets tegenin kunnen brengen, wat niet de bedoeling is. Denk aan: ‘Het is algemeen bekend dat…’ of ‘Verstandige mensen zullen niet ontkennen dat…’. Dergelijke suggestieve onderbouwingen zijn niet wetenschappelijk.

  • Argument uit traditie of gewoonte. Het aanvoeren van een traditie of gewoonte als onderbouwing van je standpunt is ongeldig. Bijvoorbeeld: ‘Depressies bestaan niet, niemand was vroeger depressief.’

  • Autoriteitsargument (‘argumentum ad verecundiam’). Je neemt aan dat iets juist is, omdat een bekende deskundige of autoriteit het stelt. Dit is een valkuil bij het zelf lezen van literatuur. Zoek uit of de autoriteit deskundig genoeg is inzake het concrete onderwerp, enkel iemands bekendheid kan niet de basis van een argument vormen. Vermijd een anonieme of een autoriteit die niet achterhaald kan worden (‘Neem van mij aan dat…’). Voor lezers is het onduidelijk hoe betrouwbaar de bron is.

  • Inhoudelijk onjuiste argumenten. Een gevolgtrekking moet logisch zijn en het argument moet helder geformuleerd zijn. Fout is bijvoorbeeld: ‘Hij past in zijn broek. De broek past in zijn koffer. Hij past dus in zijn koffer’.

Vuistregel 5: Vermijd drogredenen in je argumentatie.
Vuistregel 6: Argumenten duidelijk formuleren en nagaan of de argumenten het standpunt daadwerkelijk ondersteunen.

Wat is typerend voor een wetenschappelijke argumentatie?

Er is een belangrijk verschil tussen argumentatie in het kader van debatvoering en wetenschappelijke argumentatie. In het eerste geval gaat het om overtuigingskracht, terwijl wetenschappelijk argumenteren gericht is op het polijsten van wetenschappelijke inzichten om een beter begrip van de realiteit te verkrijgen.

Wetenschappers proberen hun collega's te overtuigen van hun beweringen door de relevantie van hun empirische bevindingen aan te tonen. Er moet aangetoond worden waarom en hoe het gevonden empirisch bewijs hun uitspraken bevestigt. Daarnaast ziet wetenschappelijke argumentatie op het weerleggen van andermans en hun eigen bevindingen en toegepaste methoden. Slecht of met zwak bewijs onderbouwde conclusies worden afgewezen. Wijzen op zwakke plekken in argumentatie draagt bij aan het optimaliseren van wetenschappelijke kennis.

Waar moet je op letten bij de opbouw van argumentatie?

Je wetenschappelijke review-artikel draait om het beantwoorden van de hoofdvraag. Zorg dat je de relevante literatuur zorgvuldig weergeeft en duidelijk maakt hoe deze verband houdt met de vraagstelling. Voorafgaand aan het schrijfwerk moet je het antwoord op de vraag al in je hoofd hebben. Aan de hand van een goed opgebouwde argumentatie toon je lezers hoe je tot dit antwoord bent gekomen. Een opsomming van wetenschappelijke data is ontoereikend. Door duidelijk te redeneren verklaar je hoe je bevindingen resulteren in de getrokken conclusie. Blijf hierbij kritisch kijken naar je bevindingen, zodat je conclusie zo doordacht mogelijk is. In de wetenschap is een conclusie vaak voorlopig, omdat het uitgevoerde onderzoek zelden vrij van beperkingen is. Zorg voor een analyse en evaluatie van deze beperkingen. Bij het geven van de conclusie moet je wijzen op de kwetsbaarheden in het empirische bewijs. De consistentie in het bewijsmateriaal, de hoeveelheid bewijsmateriaal en de methodologische nauwkeurigheid van de geanalyseerde studies bepalen hoe krachtig het bewijs voor je conclusie is.

Voor een goede opbouw van je argumentatie kun je:

  • Gebruikmaken van belangrijke onderzoeksresultaten en theorieën.

  • Tegengestelde bevindingen bespreken, dit zorgt voor meer nuance.

  • Logisch redeneren en daarbij het bewijsmateriaal koppelen aan je conclusie.

  • Kritisch zijn. Ga op zoek naar kwetsbaarheden in het bewijsmateriaal of andermans redenering, zodat duidelijk wordt waar verder onderzoek zich op moet richten.

Vuistregel 7: Door helder te redeneren toon je hoe je bevindingen resulteren in de conclusie die je trekt.
Vuistregel 8: Zorg voor een doordachte conclusie door je bevindingen kritisch te bespreken.

Hoe voorzie je wetenschappelijke argumenten correct van referenties?

Ook bij het geven van argumenten moet je aangeven hoe je aan je informatie bent gekomen. Dit maakt je argumenten sterker en het voorkomt plagiaat. Lezers nemen argumenten sneller aan als blijkt dat ze ontleend zijn aan gedegen wetenschappelijk onderzoek. Bovendien vermijd je hiermee de drogreden ‘argumentum ad verecundiam' (autoriteitsargument). Het is duidelijk dat 'Ik heb gehoord dat…’ een stuk minder betrouwbaar overkomt dan ‘Uit een rapportage van het NIFP volgt dat.. (NIFD, 2019).’ Stellen dat iets uit onderzoek blijkt zonder de referentie te vermelden komt evenmin betrouwbaar over.

Vuistregel 9: Vermeld referenties, zodat lezers weten waar je informatie vandaan komt.

Je argument is overtuigender wanneer meerdere bronnen deze ondersteunen. In dit geval vermeld je na het argument de betreffende referenties, welke je scheidt door een puntkomma: (Auteur A, jaartal x; Auteur B, jaartal x; Auteur C, jaartal x).

Je kunt een bron ook vermelden door gebruik te maken van de afkorting ‘e.g.’ (Latijns voor ‘bijvoorbeeld’). Dit doe je als volgt: ‘Uit diverse onderzoeken is gebleken dat.. […] (e.g., Janssen, 2002).

Vermeld je meerdere referenties in één keer, dan plaats je deze op alfabetische volgorde, tenzij de belangrijkste publicatie overduidelijk is. Na deze belangrijkste publicatie vermeld je voor de rest 'zie ook'. Even belangrijk: […] (Bastiaans, 2001; Luytinck, 1998). De belangrijkste tekst is van Luytinck: […] (Luytinck, 1998; zie ook Bastiaans 2001).

Hoe parafraseer je in wetenschappelijke argumentatie op de juiste wijze?

Onthoud dat je enkel citeert wanneer het omzetten van andermans tekst naar eigen bewoordingen hieraan afbreuk zou doen. Doorgaans kun je een originele tekst prima herformuleren. Let goed op dat je cruciale informatie niet achterwege laat, dit kan zorgen voor een onjuist beeld van de realiteit.

Je leest bijvoorbeeld een tekst over de effectiviteit van agressiecursussen voor minderjarigen. Hierin wordt opgemerkt dat deze weinig resultaat geven. Als je dan in je eigen artikel schrijft: ‘Agressiecursussen blijken niet effectief te zijn’, ga je de mist in. De originele tekst heeft het expliciet over ‘minderjarigen’, bij meerderjarigen is de effectiviteit groter. Laat je dit stukje tekst weg, dan geef je een onjuist beeld van de werkelijkheid. Anderen zullen dit bekritiseren. Benoem daarom de beperkingen van de onderzoeksbevindingen.

Vuistregel 10: Sla belangrijke informatie niet over in een parafrase en vermeld wie je bron is in een referentie.

Hoofdstuk 7: Hoe zorg je voor een goede cohesie en heldere zinsconstructies in een wetenschappelijk review-artikel?

Cohesie in een tekst betreft de samenhang tussen de zinnen. De mate van cohesie is afhankelijk van de eenduidigheid en juistheid van verbanden tussen verwijswoorden en zinnen. Samenhang tussen tekstelementen is aanwezig wanneer lezers de koppeling kunnen maken tussen nieuwe en reeds genoemde informatie. Een artikel met een grote mate van cohesie leest makkelijk.

Naast cohesie zorgen ook goed lopende en duidelijk geformuleerde zinnen voor een vlot leesbare tekst. Het is daarom van belang kennis te hebben van zinsconstructies die vermeden moeten worden.

Hoe zorg je voor cohesie in je tekst?

Er is sprake van cohesie wanneer elke nieuwe zin duidelijk aansluit op de voorgaande zin of een eerder genoemd element. De informatie in eerdere zinnen bepaalt hoe informatie in een zin wordt geïnterpreteerd. Een voorbeeld is de volgende zin: ‘Bart was op zoek naar een bank’. Hoe je deze zin interpreteert hangt af van de voorgaande zinnen. Zo kan Bart even willen rusten op een bank na het hardlopen of 100 euro willen pinnen. Als je een tekst schrijft, moet je erop letten dat lezers eenvoudig verbanden kunnen leggen tussen zinnen. Herhaal daarom woorden die verwijzen naar een persoon, toestand of zaak die je eerder hebt genoemd. Dit kun je doen door synoniemen of verwijswoorden te gebruiken. Verwijswoorden zijn bijvoorbeeld deze, daarmee, die en hiermee.

Hoe gebruik je verwijswoorden op een correcte wijze?

Bij het gebruik van verwijswoorden moet er allereerst sprake zijn van eenduidigheid. Het moet duidelijk zijn naar welk antecedent - de eerder genoemde woorden(groep) waarnaar wordt verwezen - je verwijst. Het is verwarrend wanneer verwijswoorden op meerdere antecenten betrekking kunnen hebben. Bijvoorbeeld: ‘De voetballer van WitBlauw ging hard door op de spits. Hij stond net enkele minuten op het veld.’ Het is niet duidelijk naar welke ‘Hij’ wordt verwezen. 

Vuistregel 1: Gebruik verwijswoorden eenduidig om verwarring te voorkomen.

Let daarnaast op de afstand tussen het verwijswoord en het antecedent. Hoe verder zij uit elkaar staan, hoe lastiger het voor lezers is om het verband ertussen te onthouden. Je wilt voorkomen dat lezers voor een goed begrip van de tekst terug moeten zoeken of pauzeren om na te denken. Het gebruik van veel verwijswoorden kan zorgen voor een lastig leesbare tekst, omdat lezers veel verbanden te verwerken krijgen. Zeker bij een ruime afstand is het voor lezers lastig na te gaan op welk verband je doelt. Let in dit kader ook op een juist gebruik van verwijswoorden. Soms wordt ‘het’ gebruikt als verwijswoord waar het ‘deze’ moet zijn. Tot slot verwijs je nooit naar een woord in een kopje of titel. In plaats van bijvoorbeeld ‘Deze...’ herhaal je het woord.

Vuistregel 2: Voorkom een grote afstand tussen verwijswoord en antecent. In geval van twijfel kun je het antecedent herhalen.
Vuistregel 3: Niet verwijzen naar een woord in een kopje of titel, maar het woord herhalen in de zin.

Hoe maak je impliciete verbanden expliciet?

De cohesie in een tekst is te vergroten door impliciete verbanden om te zetten naar expliciete verbanden. Er is sprake van een impliciet verband wanneer het verband blijkt uit de context, maar niet letterlijk wordt genoemd. Een expliciet verband is wel verwoord in de tekst. Als je enkel in de eerste zin het woord benoemt en hiernaar blijft verwijzen met ‘daardoor’ of ‘er’ zonder het woord opnieuw expliciet te noemen, blijkt louter uit de context waar het over gaat. Probeer veel impliciete verbanden te vermijden, dit vermindert de samenhang in je artikel en leidt ertoe dat lezers niet overtuigd worden. Het is echter ook niet de bedoeling alles expliciet te vermelden, dit kan de tekst eveneens lastig leesbaar maken.

Vuistregel 4: Beperk het aantal impliciete verbanden in teksten.

Hoe gebruik je synoniemen op een juiste wijze?

Een synoniem is een ander woord met dezelfde betekenis. Schrijvers maken hier gebruik van wanneer een bepaalde term telkens terugkeert in een tekst. Dit zorgt vaak voor een vlottere tekst, maar soms moet het vermeden worden. Een vakterm kun je beter laten staan, zodat het voor lezers helder is dat je telkens naar dezelfde term verwijst. Kies je toch voor een synoniem, let er dan op dat deze inhoudelijk volledig overeenkomt met de vervangen term en dat helder is dat je met andere woorden naar dezelfde term verwijst.

Vuistregel 5: Maak enkel gebruik van synoniemen wanneer deze dezelfde betekenis hebben en zorg dat helder is dat je naar dezelfde term verwijst.

Welke zinsconstructies moet je vermijden in je review-artikel?

Niet alle zinnen lezen even makkelijk, sommige zinsconstructies kun je beter vermijden. Let op de volgende aspecten:

  1. Zinslengte;

  2. Naamwoordconstructies;

  3. Passieve werkwoordsvormen;

  4. Omslachtig formuleringen;

  5. Tangconstructies.

Wat geldt ten aanzien van de zinslengte?

Zinnen waar geen einde aan lijkt te komen zijn niet prettig leesbaar. Dit zijn bijvoorbeeld zinnen die veel bijzinnen hebben, meerdere onderwerpen behandelen of er allerlei bijzaken bijhalen. Overwegend korte zinnen gebruiken past echter ook niet in een wetenschappelijke tekst, zorg daarom voor een afwisseling tussen langere en kortere zinnen.

Vuistregel 6: Zorg voor variatie in zinslengte: vermijd te veel korte zinnen en bijzinnen binnen één zin.

Wat zijn naamwoordconstructies?

Er is sprake van een naamwoordconstructie wanneer je een werkwoord omzet naar een zelfstandig naamwoord. Meestal gebeurt dit door er ‘het’ voor te plaatsen. Een voorbeeld: ‘Het toepassen van de verkeerde methode heeft als gevolg dat we je resultaten niet mee kunnen nemen voor ons onderzoek’. Deze zin leest niet prettig, omdat hij te lang en abstract is. Beter is: ‘De verkeerde methode is toegepast. Daarom kunnen we je resultaten niet meenemen in ons onderzoek.’ Naamwoordconstructies kun je voorkomen door het werkwoord simpelweg in de werkwoordsvorm te gebruiken. In sommige gevallen kun je ze wel gebruiken, bijvoorbeeld wanneer je niet concreet benoemt wie de handeling verricht. Een voorbeeld van twee goede zinnen: ‘Bij het aantreffen van een persoon in nood vind ik dat eenieder hulp moet aanbieden.’ ‘Wanneer je een persoon in nood aantreft, meen ik dat je altijd te hulp moet schieten.’

Vuistregel 7: Gebruik zo weinig mogelijk naamwoordconstructies.

Wat is een passieve werkwoordsvorm?

In tegenstelling tot een actieve of bedrijvende werkwoordsvorm maakt een passieve of lijdende werkwoordsvorm een tekst lastig leesbaar. Een voorbeeld van een passieve vorm: ‘Er is door Struycken et al. (2001) gesteld dat…’ De actieve vorm leest prettiger: ‘Struycken et al. (2001) stelden dat…’ Je kunt een passieve vorm wel gebruiken als je bijvoorbeeld niet weet wie de handelende instantie is: ‘Er is vastgesteld dat medicatie in 20% van de gevallen niet effectief is.’ De passieve vorm mag gewoon gebruikt worden, maar probeer dit te beperken.

Vuistregel 8: Vermijd het veelvuldig gebruik van de passieve vorm.

Wanneer is een formulering omslachtig?

Een omslachtige formulering betreft te complex omschreven informatie. Dit kan komen door het gebruik van een passieve vorm en een naamwoordconstructie binnen één zin. Ook een dubbele ontkenning maakt een zin onnodig lastig, bijvoorbeeld door zowel ‘geen’ als ‘niet’ in een zin te gebruiken. Ook een kopconstructie, een lange zinsaanloop, moet je vermijden. Denk aan: ‘Nu is het echter zo dat…’ of ‘Het lijkt niet waarschijnlijk te zullen zijn dat…’ Tot slot horen in wetenschappelijke teksten geen stoplappen thuis. Dit zijn irrelevante passages uit informeel spraakgebruik, zoals 'zeg maar', 'gewoon', 'natuurlijk', 'in wezen', 'best wel', 'uiteraard', 'in principe', 'eigenlijk' en 'echt wel'.  

Vuistregel 9: Vermijd omslachtige formuleringen, waaronder stoplappen en kopconstructies.

Wat zijn tangconstructies?

In geval van tangconstructies zijn tussen twee bij elkaar horende woorden andere woorden geplaatst. Een te grote afstand tussen deze woorden maakt een zin lastig te lezen.

Bijvoorbeeld: ‘De richtlijn, die voor veel zorgverleners lastig te begrijpen is en daardoor veel verwarring veroorzaakt over de behandelingsopties voor minderjarigheden met angststoornissen, is toch vastgesteld.’ Tussen ‘richtlijn’ en ‘is vastgesteld’ zit te veel afstand. Beter is: ‘De richtlijn is vastgesteld, ondanks dat deze voor veel zorgverleners lastig te begrijpen is. Hierdoor bestaat er veel verwarring over…’. Naast het vermijden van de tangconstructie zorgt ook het opsplitsen van de lange zin in twee zinnen voor een prettiger leesbare tekst.

Vuistregel 10: Gebruik geen tangconstructies.

Hoofdstuk 8: Wat houdt een wetenschappelijke schrijfstijl in?

Schrijfstijl betreft de manier van informatie opschrijven en hoe je de aandacht van lezers vasthoudt. Dit wordt grotendeels bepaald door de gebruikte zinsopbouw, de woordkeus en de aanspreekvorm. Wat een passende schrijfstijl is hangt af van de doelgroep en het type tekst. Schrijf je een brief aan een vriend of gaat het om een formele tekst voor hoogopgeleiden? In het geval van een wetenschappelijk artikel moet je lezers op een professionele, duidelijke en vlot leesbare wijze kunnen informeren.

Welke schrijfstijl hanteer je bij het schrijven van een wetenschappelijke tekst?

Bij het schrijven van een wetenschappelijke tekst houd je rekening met:

  • Het verschil tussen spreektaal en schrijftaal;

  • Gevarieerd woordgebruik;

  • ‘Wij’ en ‘ik’ gebruiken;

  • Genderneutraal taalgebruik;

  • Werkwoordstijden;

  • Helder wetenschappelijk taalgebruik;

  • Het gebruik van moeilijke woorden.

Welk taalgebruik moet je vermijden?

In een wetenschappelijk artikel vermijd je spreektaal, ook wel informeel taalgebruik. Vaak denk je dat je dit doet, maar soms glippen er toch wat informele teksten doorheen. Zo worden in spreektaal vaak vergrotende woorden gebruikt om anderen te overtuigen, welke niet passen in een wetenschappelijk stuk. Denk aan 'erg', 'zeer', 'enorm', 'totaal', 'enzovoorts' of 'buitengewoon'. Daarnaast moet je het gebruik van stoplappen en onduidelijke woorden vermijden.

Vuistregel 1: Gebruik geen spreektaal.

Hoe zorg je voor variatie in je woordgebruik?

Gebruik niet telkens dezelfde woorden als je een tekst schrijft. Lezers vinden het vervelend en saai als zij een woord vaker opmerken in dezelfde passage. Probeer hetzelfde woord niet binnen een drietal zinnen te herhalen. Je kunt je woordgebruik afwisselen door middel van hyperoniemen, hyponiemen en synoniemen. Hyperoniem: overkoepelende woord. Hyponiem: ondergeschikt woord (het tegenovergestelde van hyperoniem). Voorbeelden zijn: boeddhisme (hyponiem) – religie (hyperoniem) en auto (hyponiem) – voertuig (hyperoniem). Synoniem: woord met dezelfde betekenis, zoals humeur – stemming.

Vuistregel 2: zorg voor variatie in je woordgebruik.

Kun je ‘wij’ en ‘ik’ gebruiken in een wetenschappelijk artikel?

Voorheen werden de woorden ‘wij’ en ‘ik’ vermeden in een wetenschappelijk artikel, maar dit zorgde soms voor verwarring en een slecht leesbare tekst. De APA raadt momenteel een actieve schrijfstijl aan. In plaats van ‘De auteurs hebben onderzocht of…’ kun je ‘Wij hebben onderzocht of …’  gebruiken. Je zult ‘ik’ niet vaak tegenkomen in teksten, omdat lezers dit vervelend vinden. Probeer daarom weinig ‘ik vind’, ‘ik denk’ of ‘naar mijn mening’ te gebruiken. Uit je inhoudelijke tekst blijkt al hoe je ergens tegenover staat. Een actieve schrijfstijl zonder ‘wij’ of ‘ik’ is meestal ook goed mogelijk. Zo kun je in plaats van ‘In het volgende hoofdstuk ga ik in op…’ kiezen voor ‘In het volgende hoofdstuk volgt…’.

Zorg dat je antropomorfismen vermijd: het vermenselijken van dingen. Dus niet: ‘Het volgende hoofdstuk bespreekt...'. Hoofdstukken bespreken niet.

Vuistregel 3: Gebruik een actieve schrijfstijl, maar laat ‘ik’ zoveel mogelijk achterwege.

Je mag het woord ‘wij’ enkel gebruiken als je naar jezelf en je coauteur(s) verwijst. Gebruik het niet als verwijzing naar (groepen) mensen in het algemeen. ‘We onderscheiden de volgende symptomen van…’ is prima als de auteurs het over zichzelf hebben, maar niet als zij verwijzen naar andere wetenschappers.

Vuistregel 4: ‘Wij’ enkel gebruiken als je naar jezelf en je coauteurs verwijst.

Wat houdt genderneutraal taalgebruik in?

In een wetenschappelijk artikel gebruik je genderneutrale woorden. Dus niet: ‘Wanneer een patiënt aan slapeloosheid lijdt, kan dit zorgen voor problemen op haar werk’. Beter is: 'Wanneer patiënten aan slapeloosheid lijden, kan dit zorgen voor problemen op hun werk.’ Ook bij andere woorden kies je voor een genderneutrale optie. In plaats van ‘verpleegster’ (vrouwelijk) gebruik je ‘verpleegkundige’. Seksistisch taalgebruik, bijvoorbeeld minachtend taalgebruik over vrouwen, is nooit geoorloofd.

Vuistregel 5: Gebruik genderneutrale woorden.

Welke werkwoordstijd gebruik je in een wetenschappelijke tekst?

Een bewering die in het verleden is gedaan schrijf je in de tegenwoordige tijd. Een voorbeeld: ‘Kleist gebruikte de term bipolair voor het eerst, die de tweepoligheid van de stoornis benadrukt.’ Kleist heeft de term in het verleden gebruikt, maar de inhoudelijke beschrijving van de term in tegenwoordige tijd is toegestaan. Zou je hiervoor ook de verleden tijd gebruiken, dan lijkt de term achterhaald. De betekenis van het woord is onveranderd.

In een review-artikel bespreek je niet je eigen bevindingen, maar die anderen al eerder hebben gedaan. Reeds uitgevoerde experimenten en de resultaten ervan bespreek je in de verleden tijd. De discussie en de conclusie schrijf je in de tegenwoordige tijd. Voorbeeld beschrijving en resultaten: ‘Janssen toonde aan dat…’  of ‘Janssen heeft aangetoond dat…’. ‘De medicatie bleek niet te werken’. Discussie: ‘Deze bevindingen werpen een nieuw licht op…’. Conclusie: ‘Hieruit kan worden geconcludeerd dat…’.

Vuistregel 6: Gebruik de juiste werkwoordstijden.

Hoe maak je wetenschappelijke taal goed leesbaar?

Bij het schrijven van wetenschappelijke teksten is een neutrale en objectieve weergave van de informatie belangrijk. Dit maakt het soms lastig om je taalgebruik boeiend en helder te houden. Belangrijke aspecten van wetenschappelijk taalgebruik die een tekst moeilijk leesbaar maken zijn:

  • Voorzichtigheid

  • Jargon

  • Objectiviteit

Hoe combineer je voorzichtigheid met leesbaarheid?

In wetenschappelijke teksten is voorzichtigheid geboden, omdat een theorie zelden zonder beperkingen is. Je kunt informatie niet zomaar als een onweerlegbaar feit presenteren. Onderzoeksbevindingen zijn afhankelijk van de concrete omstandigheden. Gebruik daarom voorzichtige formuleringen.

Het gebruik van woorden als ‘suggereren’ zorgt echter voor ingewikkelde zinnen. Er kan sprake zijn van bijzinnen, een lange aanloop, tangconstructies en omslachtige formuleringen. Je houdt een tekst prettig leesbaar door een complexe zin op te splitsen in meerdere korte zinnen. Zo vermijd je tangconstructies. Een lange aanloop is soms niet te voorkomen, maar houd deze dan zo kort mogelijk.

Vuistregel 7: Voorzichtig formuleren op een manier die de tekst prettig leesbaar houdt.

Hoe combineer je moeilijk woordgebruik met leesbaarheid?

In het kader van jargon komt moeilijk woordgebruik veel voor. Het gebruik van sommige termen kun je in een vakgebied niet vermijden. Het is zelfs belangrijk om deze termen te gebruiken, zodat een vergelijking tussen uiteenlopende theorieën over een bepaald onderwerp kan worden gemaakt. Jargon maakt een tekst al lastig leesbaar, maar geregeld worden ook ingewikkelde niet-vaktermen gebruikt.

Zorg allereerst voor een juist gebruik van vaktermen. Bedoelen meerdere auteurs hetzelfde met een bepaald begrip? Bekijk een specialistisch woordenboek voor de definitie van de vakterm. Geef een definitie of uitleg van de vakterm, zodat lezers weten wat hiermee wordt bedoeld. Lezers kunnen termen verkeerd interpreteren, bijvoorbeeld omdat media deze foutief gebruiken. Ingewikkelde niet-vaktermen kun je wel zelf eenvoudiger formuleren. 

Let tenslotte op het gebruik van voorzetseluitdrukkingen, deze maken een tekst minder prettig leesbaar dan enkelvoudige voorzetsels. Het is niet verboden deze te gebruiken, maar korter heeft de voorkeur. Voorbeelden van voorzetseluitdrukking en alternatieve voorzetsels zijn: met behulp van – met, onder invloed van – door, ten aanzien van - op/over/voor/van, als gevolg van - door, door middel van - met/door, ten behoeve van - voor.

Vuistregel 8: Met uitzondering van vakjargon moet je ingewikkelde woorden vermijden.

Hoe combineer je objectiviteit met leesbaarheid?

In wetenschappelijke teksten is een objectieve presentatie van informatie en data belangrijk, omdat wetenschap niet draait om persoonlijke opinies maar om een juiste weergave van informatie. Objectief schrijven maakt tekst echter minder levendig. Vaak worden naamwoordconstructies, de lijdende vorm en het woord ‘men’ gebruikt. Daarnaast bespreek je niet je persoonlijke maar je wetenschappelijke overtuiging.

Je kunt een tekst zowel objectief als prettig leesbaar maken door geen gebruik te maken van naamwoordconstructies en de lijdende vorm. Je houdt je tekst objectief door middel van neutrale woorden. Deze hebben geen dubbelzinnige of cryptische betekenis. Vermijd subjectief taalgebruik, uit je tekst mag bijvoorbeeld niet blijken dat je iets afkeurt. Bijvoorbeeld: ‘Sommige participanten wilden helemaal niet meewerken.’ versus ‘Een aantal participanten besloot hun deelname te beëindigen’. Tot slot kun je deelwoorden gebruiken.

Vuistregel 9: Een objectieve schrijfstijl is prettig leesbaar wanneer je neutraal schrijft, enkel je wetenschappelijke overtuiging geeft en stijf taalgebruik (naamwoordconstructies en lijdende vorm) vermijdt. 

Hoofdstuk 9: Waar let je op bij de revisie en afwerking van je wetenschappelijk review-artikel?

Je hebt het schrijfwerk van je artikel voltooid. Nu kom je aan bij de laatste fase: de revisie en afwerking. Leg je tekst enkele dagen weg en loop deze dan nog een keer na voordat je hem definitief inlevert. Hierbij let je op de volgende punten:

  • Interpunctie en grammatica

  • Globale opbouw

  • Vormvoorschriften

Het ontbreken van een punt aan het einde van een zin en d/t-fouten geven een onverzorgde en gehaaste uitstraling. Lezers zullen je artikel minder serieus nemen. Ga niet uit van de Word-spellingscontrole, lees je tekst zelf helemaal na. Nadat je deze hebt nagelopen en eventueel gecorrigeerd, laat je het stuk door iemand anders lezen en beoordelen. Naast interpunctie en grammatica is ook een inhoudelijke revisie van je tekst belangrijk. Ontbreekt er informatie of staat er juist te veel in, staat de informatie in een logische volgorde en is de samenhang helder? Tot slot overweeg je of je artikel overzichtelijk is vormgegeven, zodat het begrijpelijk en prettig leesbaar is. Onder vormvoorschriften vallen ook typografie, opsommingen, afkortingen, de schijfwijze van getallen en de presentatie van tabellen en figuren. 

Wat houdt revisie op het gebied van interpunctie en grammatica in?

Welke grammaticale fouten worden vaak gemaakt?

Grammaticale fouten die frequent voorkomen betreffen verwijswoorden. Naar vrouwelijke of mannelijke de-woorden verwijs je met ‘die’ en ‘deze’. Naar onzijdige het-woorden verwijs je met ‘dat’ en ‘dit’. Verwijzen naar een zin doe je met ‘wat’. Bijvoorbeeld: ‘Er zijn veel recensies geschreven over het boek, dat ik saai vind.’ Met ‘dat’ verwijs je naar het boek. ‘Er zijn veel recensies geschreven over het boek, wat ik saai vind.’ In dit geval vind je het saai dat er veel recensies over het boek zijn geschreven

Ook het gebruik van 'hen' of 'hun' levert geregeld problemen op. ‘Hun’ gebruik je als een meewerkend voorwerp en nooit als onderwerp van zinnen. ‘Hen’ gebruik je na een voorzetsel (zoals ‘aan’) of als lijdend voorwerp.

Vuistregel 1: Gebruik verwijswoorden op een juiste manier (dat, wat, dit, die, deze, hun, hen).

Welke stijlfouten worden vaak gemaakt?

Veelvoorkomende stijlfouten betreffen een contaminatie, incongruentie, tautologie en pleonasme. Contaminatie: een verkeerde samentrekking van uitdrukkingen of woorden met een vergelijkbare betekenis. Zo is ‘onderdeel uitmaken van’ niet juist, dit moet zijn ‘onderdeel zijn van’ of ‘deel uitmaken’. Incongruentie: het onderwerp en de persoonsvorm moeten allebei meervoud dan wel enkelvoud zijn. Bijvoorbeeld: ‘Een aantal participanten besloten hun deelname te beëindigen.’ ‘Aantal’ is enkelvoud, dus het moet ‘besloot’ zijn. Bij een tautologie en een pleonasme wordt twee keer hetzelfde gezegd met andere woorden. Bij een tautologie behoren ze tot dezelfde woordsoort, zo is ‘tevens’ en ‘ook’ dubbelop. Bij een pleonasme behoren ze tot een andere woordsoort, bijvoorbeeld ‘weer’ en ‘herhalen'. 

Vuistregel 2: Pas op voor stijlfouten als incongruentie, contaminatie, tautologie en pleonasme.

Welke overige taalfouten moet je vermijden?

Studenten worstelen regelmatig met het al dan niet aan elkaar schrijven van woorden en het gebruik van streepjes. Samenstellingen schrijf je aan elkaar, al zijn hier uitzonderingen op. Voor de specifieke regels kun je het ‘Groene Boekje van de Nederlandse taal’ of de ‘Schrijfwijzer’ van Renkema raadplegen. Ga dus goed na of je woorden terecht los van elkaar schrijft, hier gaat het vaak fout. Er is sprake van samengestelde werkwoorden wanneer werkwoorden samen met een voorzetsel en/of bijwoord voorkomen. Voorbeelden zijn ‘erin opgaan’ en ‘ervan uitgaan’. Is het bijwoord en/of voorzetsel onderdeel van het werkwoord, dan mag je hier geen andere woorden aan vastmaken. Zo mag ‘ervandoor’ aan elkaar wanneer ‘gaan’ het werkwoord is. Is ‘opkijken’ het werkwoord, dan schrijf je ‘ervan’ en ‘op’ los van elkaar.

Vuistregel 3: Onderzoek welke woorden je los of aan elkaar schrijft.

Let ook op dat je geen Engelse termen overneemt uit Engelse literatuur. Een Nederlandstalige tekst schrijf je in het Nederlands. Vertaal begrippen en theorieën. Ben je bang dat het onduidelijk is waarnaar je verwijst, dan vermeld je de Engelse benaming tussen haakjes. Sommige Engelstalige vaktermen als ‘bias’ mag je wel overnemen, mits je deze cursief schrijft.

Vuistregel 4: In de Nederlandse taal schrijven, tenzij een vertaling voor onduidelijkheid zorgt. Schrijf het anderstalige woord cursief.

Onthoud dat het woord ‘en’ een voegwoord is. Hiermee begin je dus geen zinnen.

Vuistregel 5: Zinnen niet beginnen met ‘en’.

Let op het correct vervoegen van de werkwoorden ‘willen’, ‘kunnen’ en ‘zullen’ bij de tweede persoon enkelvoud (jij, je). Zo zijn ‘wil’, ‘kan’ en ‘zal’ taalkundig juist, maar te informeel. Gebruik liever ‘wilt’, ‘kunt’ en ‘zult'.

Vuistregel 6: De werkwoorden ‘willen’, ‘kunnen’ en ‘zullen’ op formele wijze vervoegen bij de tweede persoon enkelvoud.

Controleer altijd de spelling alvorens je een tekst definitief inlevert. Het is prima om de Word-spellingscontrole te gebruiken, maar kijk ook zelf kritisch naar je spelling. Word is niet foutloos en volledig. Ben je onzeker over de correcte spelling van een woord, raadpleeg dan de meest recente druk van het Van Dale woordenboek of het Groene Boekje. Woorden die je regelmatig verkeerd schrijft kun je op los papier noteren, zodat je niet telkens hoeft terug te zoeken. Dit helpt ook bij het leren van de juiste spelling.

Vuistregel 7: Vertrouw niet louter op de Word-spellingscontrole, lees je tekst zelf ook kritisch na.

Hoe gebruik je interpunctie op de juiste manier?

Zorg dat je leestekens consistent en juist gebruikt. Een foutief gebruik werkt verwarrend. Belangrijke leestekens zijn:

  • Dubbele punt. Deze gebruik je voorafgaand aan een voorbeeld, opsomming, samenvatting, conclusie, definitie, omschrijving, uitwerking, citaat of verklaring. Je gebruikt enkel hoofdletters na de dubbele punt bij een opsomming bestaande uit volledige zinnen of een citaat

  • Puntkomma. Deze verbindt sterk met elkaar verbonden zinnen. Een punt zou deze te zeer van elkaar scheiden en een komma geeft te weinig ruimte. Na de puntkomma volgt een uitbreiding van het voorgaande stuk. Overweeg dit leesteken bij een opsomming waarin je al andere komma’s gebruikt. Je gebruikt het ook in een opsomming waarvan elk punt een nieuwe regel krijgt. Na een puntkomma volgt geen hoofdletter.

  • Uitroepteken. Dit leesteken gebruik je liever niet in een wetenschappelijke tekst.

  • Vraagteken. Dit leesteken kun je gebruiken, mits je het bij één teken laat (dus niet: ‘?!!’).

  • Puntenreeks (…). Deze gebruik je enkel als weglatingsteken tussen rechte haakjes, waarmee je duidelijk maakt dat een deel van het citaat ontbreekt. 

  • Ronde haakjes. Deze gebruik je voor een toevoeging, verklaring of verduidelijking in een tekst. Beperk het aantal haakjes, het is soms beter om de betreffende tekst een eigen zin toe te kennen.

  • Aanhalingstekens. Deze gebruik je bij het letterlijk citeren (dubbele aanhalingstekens) of om te wijzen op een woord met een speciale betekenis (enkele aanhalingstekens). 

  • Klemtoomteken. Deze gebruik je ter benadrukking van letters of woorden. Dit zorgt voor een beter begrip van het woord. Merk het verschil op tussen: ‘niet meer’ en ‘niet méér’. In wetenschappelijke artikelen komt dit leesteken weinig voor.

Vuistregel 8: Let op een juiste interpunctie en vermijd overbodige leestekens.

Wat houdt een revisie op de inhoudelijke tekst van een wetenschappelijk review-artikel in?

Bij het reviseren van de inhoud van het artikel let je op de volgende punten:

  • Volledigheid van de inhoud per onderdeel.

Allereerst moet je nagaan of alle belangrijke informatie in je artikel staat. Bekijk per onderdeel of er niets ontbreekt. Heb je de hoofdvraag duidelijk genoemd in de inleiding en samenvatting? Bespreek je in de discussie je bevindingen op kritische wijze? Zijn alle belangrijke bevindingen terug te vinden in de samenvatting?

Vuistregel 9: Bij de laatste revisie controleer je of elk onderdeel in je artikel alle belangrijke informatie bevat.
  • Tekst schrappen.

Beoordeel vervolgens of alle geschreven tekst moet blijven staan. Kijk met een kritische blik naar de relevantie van zinnen. Het lijkt zonde om tekst waar je veel tijd in hebt gestoken te schrappen en sommige zinnen vind je wellicht zo mooi vermooid, maar haal overbodige tekst eruit. Let ook op de overvloedigheid van gegevens (redundantie): is er sprake van te veel herhaling, uitleg of toelichting? Dit hangt af van je doelgroep. Laagopgeleiden zijn gebaat bij meer uitleg en herhalingen, maar vakgenoten zal het vervelen. In een wetenschappelijk artikel moet je hier dus rekening mee houden. Zorg voor een duidelijke, maar bondige uitleg.

Vuistregel 10: Beschrijf informatie duidelijk maar bondig. Overbodige tekst moet je schrappen.
  • Concretiseer abstracte tekst.

Een bondige tekst heeft de voorkeur, maar soms is het beter om abstracte tekst concreter te maken met een voorbeeld. Een lastig onderdeel van de theorie maak je zo makkelijker te doorgronden. Bovendien toon je hiermee dat je de materie goed begrijpt.

Vuistregel 11: Beoordeel of je tekst passend is voor je doelgroep en concretiseer abstracte passages met een voorbeeld.

Aan welke vormvoorschriften moet je wetenschappelijk review-artikel voldoen?

Een artikel wordt pas gepubliceerd in een tijdschrift wanneer het aan de gestelde vormvoorschriften voldoet. Deze zien op de vormgeving van tabellen en figuren, op notaties van getallen en afkortingen, en op de lay-out. Alle algemene vormvoorschriften kun je vinden in de Publication Manual van de APA.

Welke lay-out heeft een wetenschappelijk artikel?

Een prettig leesbare tekst heeft een overzichtelijke alinea-indeling. Zorg dat alinea’s ongeveer dezelfde lengte hebben. Daarnaast is de typografie (vormgeving van tekst) belangrijk. Gebruik geen aparte lettertypen of verschillende Word-functies. Kies conform de APA-voorschriften voor: 

  • Een leesbaar lettertype als Calibri 11, Arial 11 of Times New Roman 12.

  • Een paginamarge van 2,54 cm voor alle zijden.

  • Een dubbele regelafstand voor de gehele tekst, waaronder koppen.

  • Een juiste opmaak voor (sub)koppen. Zie de APA-richtlijnen voor de vijf niveaus. Niveau 1 is bijvoorbeeld gecentreerd, vetgedrukt, title case.

  • Inspringen, vetgedrukt, cursief gedrukt, punt. Tekst beginnen op dezelfde regel.

  • Inspringen eerste alinearegel met 1 tab. De eerste regel van de samenvatting links uitlijnen.

  • Elke pagina rechtsboven voorzien van een paginanummer.

Vuistregel 12: Een artikel ziet er verzorgd uit wanneer je een consistente alinea-indeling aanhoudt en het aantal typografische kenmerken beperkt.

Wat is een correct gebruik van opsommingen?

Het kan nuttig zijn om informatie puntsgewijs op te sommen. Zo geeft een numerieke opsomming de volgorde of verhouding tussen elementen aan. Dit laatste is voornamelijk aan de orde bij ingewikkelde of omvangrijke elementen. Maakt een opsomming je tekst lastiger om te lezen, kies dan voor een verhalende presentatie van de informatie (‘ten eerste’, ‘ten tweede’). Lezers vinden een doorlopende tekst fijner om te lezen dan een tekst met veel puntsgewijze opsommingen. Vraag je dus af of een opsomming toegevoegde waarde heeft. Gebruik je opsommingen, dan moet je conform de APA-richtlijnen:

  • Een kleine letter tussen haakjes gebruiken voor opsommingen binnen een zin of paragraaf.

  • Bij een opsomming van minstens drie elementen een komma tussen de elementen gebruiken, of een puntkomma wanneer je al komma’s gebruikt binnen die elementen.

  • Een cijfer gevolgd door een punt gebruiken voor opsommingen waarbij de tekst één element is van de opsomming.

Zorg er bovendien voor dat alle items in de opsomming conceptueel en syntactisch overeenkomen. Fout: ‘Deelnemers werd verzocht te springen, te huppelen en dat ze moesten rennen’. Goed: ‘Deelnemers werd verzocht te springen, te huppelen en te rennen’.

Vuistregel 13: Alleen opsommingen gebruiken als deze je tekst beter leesbaar maken. Zorg dat opsommingen conform de APA-richtlijnen zijn.

Mag je afkortingen gebruiken?

In wetenschappelijke artikelen worden geen ‘algemene afkortingen’ als ‘o.a.’ en ‘o.b.v.’ gebruikt. Wel toegestaan zijn specifieke afkortingen: in vakjargon gebruikelijke afkortingen, zoals PTSS. Je mag gebruikmaken van afkortingen als de betreffende term uit veel woorden bestaat en als je de afkorting in de rest van je tekst meer dan drie keer gebruikt.

De afkorting van een vakterm schrijf je zonder punten en in hoofdletters. Let op dat je bij het eerste gebruik de volledige term erbij noemt. Dus: ‘Een posttraumatische stressstoornis (PTSS)…’ Gebruik een afkorting niet voor het eerst in een kopje, titel, tabel of figuur. Afkortingen in tabellen en figuren leg je altijd uit, zelfs als ze eerder genoemd zijn.

Vuistregel 14: enkel specifieke afkortingen gebruiken en deze bij het eerste gebruik uitleggen.

Hoe noteer je getallen?

Getallen worden genoteerd in cijfers of woorden. Conform de APA-richtlijnen gebruik je cijfers als:

  • Het getal 10 of hoger is (13, 14, 15);

  • Het getal lager dan 10 hoort bij een getal hoger dan 10 (2 van de 18);

  • Het getal een maat aangeeft (3 cm);

  • Het getal een wiskundige functie heeft (4% keer 8);

  • Het getal een leeftijd, score, data, tijd, bedragen, samples of aantal proefpersonen betreft (2 weken geleden, 01.14 uur, 13-jarigen);

  • Het getal een plaats in een reeks aangeeft (hoofdstuk 3, bladzijde 4);

  • Het getal in een samenvatting staat.

Je noteert een getal in woorden als:

  • Het getal lager dan 10 is (één, twee);

  • ‘Nul’ en ‘één’ beter te lezen zijn (nulpunt);

  • Het getal het begin is van een kopje, titel of zin;

  • Het gaat om een vaste combinaties (‘onder vier ogen’).

Vuistregel 15: Noteer getallen conform de APA-richtlijnen.

Wat is de juiste weergave van tabellen en figuren?

Voor het gebruik van figuren in je artikel volg je de APA-richtlijnen. Het is belangrijk dat een figuur te interpreteren is zonder bijgaande uitleg. Figuren moeten de tekst duidelijker maken, niet ingewikkelder. Zorg daarom dat de titel uitlegt waar de figuur over gaat. Voorzie figuren van dikgedrukte nummers boven de figuur, zodat je ernaar kunt verwijzen in je tekst. Daaronder zet je de titel: in cursieve letters en het eerste woord met een hoofdletter. Kernwoorden beginnen eveneens met een hoofdletter. Verwijs altijd naar de figuur in de tekst, zelfs als deze direct na de tekst volgt. Afsluitend plaats je onder de figuur een kort, verklarend onderschrift (een noot). Betreft het de figuur van een ander, vermeld dan de bron.

Bij het gebruik van een tabel volg je dezelfde richtlijnen. Plaats boven de tabel een dikgedrukt nummer en de titel daaronder in cursieve letters en startend met een hoofdletter. Noten komen onder de tabel. Voor de presentatie van getallen (data) gelden bijzondere vormvoorschriften, zie hiervoor de APA-richtlijnen.

Vuistregel 16: Gebruik tabellen en figuren conform de APA-richtlijnen en alleen als zij de tekst duidelijker maken.

Bron en meer studiehulp

    Image

    Access: 
    Public

    Image

    Join: WorldSupporter!

    Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

    Check: concept of JoHo WorldSupporter

    Concept of JoHo WorldSupporter

    JoHo WorldSupporter mission and vision:

    • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

    JoHo concept:

    • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
    • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

    Join JoHo WorldSupporter!

    for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

    Check: how to help

    Image

     

     

    Contributions: posts

    Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

    Image

    Check: more related and most recent topics and summaries
    Check: more content in related bundles

    Image

    Share: this page!
    Follow: WendyVE (author)
    Add: this page to your favorites and profile
    Statistics
    2087 1 1
    Submenu & Search

    Search only via club, country, goal, study, topic or sector