MC Vraag 1
Wat voegde Simmenthal toe inzake de voorrang van EU recht ten opzichte van Costa v. E.N.E.L.?
- Dat in lijn met artikel 4(2) VEU de voorrang van Europees recht rekening dient te houden met de constitutionele tradities van een lidstaat.
- Dat de voorrang van Europees recht absoluut is en derhalve ook niet rechtstreeks werkende verdragsbepalingen voorrang hebben boven nationaal recht.
- Dat EU recht ook altijd voorrang heeft boven nationaal constitutioneel recht en latere nationale wetten in formele zin.
- Dat lidstaten een deel van hun soevereiniteit aan de EU hebben overgedragen, waardoor EU-recht zelf bepaalt wanneer en waarom het voorrang heeft op nationaal recht.
MC Vraag 2
Wanneer kan het HvJEU overgaan tot het opleggen van boetes of dwangsommen aan lidstaten die het EU-recht schenden?
Zodra het Hof van Justitie concludeert dat er sprake is van een schending van EU-recht.
Wanneer Lidstaten geen gehoor geven aan een eerdere uitspraak van het HvJEU waarin een schending van EU-recht was geconstateerd.
MC Vraag 3
De gemeente Weesp heeft de aanvraag van Antonio en Anneke voor vergoeding van kinderopvang afgewezen. Antonio stelt beroep in tegen dit besluit bij de rechtbank Leeuwarden. Hij voert aan dat hij op basis van artikel 14 VWEU recht heeft op toegang tot een “dienst van algemeen economisch belang.” De rechtbank weet niet zeker of kinderopvang een dienst van algemeen economisch belang is en wijst de vordering van Antonio af. In hoger beroep bij de Raad van State voert Antonio aan dat het Spaanse Hooggerechtshof heeft bepaald dat kinderopvang een dienst van algemeen economisch belang is. De gemeente Weesp voert echter aan dat zowel de Franse Court de Cassation als de Belgische Raad van State bepaald hebben dat kinderopvang geen dienst van algemeen economisch belang is en dat Artikel 14 überhaupt geen rechtstreekste werking heeft. Is de Nederlandse Raad van State verplicht een prejudiciële vraag te stellen over de uitleg van Artikel 14 VWEU?
Ja, op basis van het arrest Ferreira da Silva is de Raad van State verplicht om een uitleggingsvraag te stellen nu er een conflict is tussen hogere rechtscolleges.
Ja, omdat het hier gaat om de rechtsgeldigheid van de weigering tot vergoeding is de Raad van State onder Artikel 267 VWEU verplicht een geldigheidsvraag te stellen.
Nee, aangezien er hier sprake is van een acte clair in de zin van het arrest CILFIT is de Raad van State niet verplicht een prejudiciële vraag te stellen.
Nee, aangezien het hier gaat om een hypothetisch geschil is de Raad van State niet verplicht om een prejudiciële vraag te stellen.
MC Vraag 4
Welke van de onderstaande stellingen over Brexit is juist?
Uiteindelijk kan het Verenigd Koninkrijk onder Artikel 50 VEU ook eenzijdig uitde EU stappen, zonder dat hiervoor de instemming van de EU vereist is.
In lijn met artikel 50 VEU kan een lidstaat alleen uittreden na een referendumgehouden te hebben.
Hoewel het Verenigd Koninkrijk formeel lid blijft tot aan uittreding, geldenreeds vanaf de notificatie van de intentie tot terugtrekking beperkingen op hetvrij verkeer tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk.
Het terugtrekkingsakkoord tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk moet metunanimiteit door de Europese Raad worden aangenomen en geratificeerdworden door het Europees Parlement.
MC Vraag 5
Welke twee politieke leiders waren instrumenteel voor de politisering van de EU na de val van de muur?
Jean Monnet en Robert Schuman.
Winston Churchill en Konrad Adenauer.
Helmut Kohl en François Mitterrand.
François Hollande en Angela Merkel.
MC Vraag 6
Welke van de volgende EU bevoegdheden is exclusief?
Artikel 33 VWEU.
Artikel 46 VWEU.
Artikel 114 lid 1 VWEU.
Artikel 168 lid 4 VWEU.
MC Vraag 7
Eind 2017 oordeelde de Commissie dat Google in strijd heeft gehandeld met artikel 102 VWEU en legde per besluit een boete van 2,3 miljard euro op aan Google. Welke rechtsmiddelen kan Google aanwenden tegen dit besluit?
Google wordt rechtstreeks en individueel geraakt door het besluit en kan daarom tegen het besluit in beroep gaan bij het HvJEU op basis van artikel 263 VWEU.
Google is de geadresseerde van het besluit en kan daarom tegen het besluit in beroep bij het Gerecht op basis van Artikel 263 VWEU.
Google kan op basis van Artikel 267 VWEU een prejudiciële vraag afdwingen via de nationale rechter inzake de geldigheid van het besluit.
Google kan zowel een direct beroep tegen het besluit starten bij het Hof van Justitie onder Artikel 263 VWEU als een prejudiciële vraag afdwingen via de nationale rechter inzake de geldigheid van het besluit onder Artikel 267 VWEU.
MC Vraag 8
In de zaak Bayev e.a./Rusland oordeelde het EHRM dat de zaak niet- ontvankelijk was omdat de omstreden wetgeving geen enkel legitiem doel diende.
Deze stelling is juist.
Deze stelling is onjuist.
MC Vraag 9
In Opinie 2/13 gaf het HvJEU aan dat het ontwerpakkoord voor toetreding van de EU tot het EVRM niet te verenigen was met het Unierecht. Wat is volgens Barkhuysen en Bos de meest voor de hand liggende oplossing voor dit conflict?
Het wijzigen van de Verdragen om de rechtsmacht van het Hof van Justitie in te perken.
Het aanpassen van het toetredingsakkoord, met inachtneming van de argumenten van het Hof van Justitie, zodanig dat het EHRM zich niet kan uitspreken over arresten van het Hof van Justitie.
Alle EU-lidstaten tezamen één lid laten worden onder de noemer van de EU om zo het probleem van dubbel lidmaatschap te verhelpen.
De beoogde prejudiciële procedure van het nog niet geratificeerde Protocol 16 bij het EVRM schrappen, zodat er geen conflict meer is met de prejudiciële procedure van het Hof van Justitie.
MC Vraag 10
Particulieren kunnen op basis van Artikel 263 VWEU een beroep tot nietigverklaring instellen tegen regelgevingshandelingen die hen rechtstreeks raken mits ze aan de Plaumann criteria voldoen.
Deze stelling is juist.
Deze stelling is onjuist.
MC Vraag 11
In het arrest Tabaksreclame:
Heeft het HvJEU Duitsland gelijk gegeven en geoordeeld dat de Tabaksreclamerichtlijn gebaseerd diende te worden op de rechtsbasis voor volksgezondheid.
Oordeelde het HvJEU dat volksgezondheid een exclusieve bevoegdheid is van de Unie, waardoor de Richtlijn in strijd kwam met het evenredigheidsbeginsel.
Heeft het Hof het toepassingsbereik van artikel 114 VWEU nauw geïnterpreteerd omdat deze rechtsbasis geen Kompetenz-Kompetenz verleent aan de EU.
Oordeelde het HvJEU dat een Richtlijn op basis van Artikel 114 VWEU ook grotendeels gericht mag zijn op doelen die niets met de interne markt te maken hebben.
MC Vraag 12
Richtlijn 118/13 (fictief) stelt: “Teneinde misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen, voeren de lidstaten, na raadpleging van de sociale partners, op een wijze die rekening houdt met de behoeften van bepaalde sectoren en/of categorieën werknemers, passende maatregelen in.” De omzettingstermijn van de richtlijn is in 2016 verstreken. Sansa Stark werkt bij Lannister Inc., het belangrijkste bedrijf in de Zeven Koninkrijken, een lidstaat van de EU. Sansa werkt al jaren onder opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd. CEO Tywin Lannister houdt haar aan het lijntje met de belofte haar ooit voltijds aan te nemen en met het adagium “Een Lannister komt altijd zijn beloftes na”. Na vier jaar meent Sansa recht te hebben op een voltijdse aanstelling. De Zeven Koninkrijken hebben de richtlijn echter niet omgezet en de nationale Grondwet luidt als volgt: “Het contractrecht is vrij. De wetgever bepaalt de uitzonderingen doch deze uitzonderingen kunnen geen verband houden met eerder door de contractpartijen gesloten overeenkomsten.” De Arbeidswet stelt dan weer: “De rechter vernietigt iedere arbeidsvoorwaarde die een kennelijk rechtsmisbruik door de werkgever uitmaakt.” Wat kan Sansa doen?
Zij kan zich voor de nationale rechter rechtstreeks beroepen op de richtlijn nu deze duidelijk, onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is, nu deze niet is omgezet en nu de omzettingstermijn verstreken is.
De richtlijn heeft geen rechtstreekse werking, maar de nationale rechter is wel verplicht het nationale recht conform die richtlijn te interpreteren.
Deze richtlijn heeft geen rechtstreekse werking en de nationale wetgeving kan ook niet conform de richtlijn geïnterpreteerd worden, maar Sansa kan de nationale rechter wel vragen de Zeven Koninkrijken aansprakelijk te stellen voor de niet-omzetting van de richtlijn.
Sansa kan het HvJEU vragen de Zeven Koninkrijken een boete op te leggen op basis van Artikel 260 VWEU.
MC Vraag 13
Onder artikel 2 EVRM moet het EHRM onder andere toetsen of de inbreuk ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’ is.
Deze stelling is juist.
Deze stelling is onjuist.
MC Vraag 14
Sinds 1 januari 2017 is EU Verordening 666/2017 voor beleggingsproducten van toepassing. Deze verordening heeft tot doel de transparantie van beleggingsproducten te vergroten. De Verordening verbiedt onder andere aan banken om zogeheten “rommelhypotheken” te verkopen, en geeft nationale toezichthouders de bevoegdheid om banken die dit wel doen een boete op te leggen. Oostenrijk heeft geen wetgeving aangenomen om deze Verordening in nationaal recht om te zetten. Op 3 februari 2018 blijkt dat de Österreichische Sparkassenbank (ÖSB) duizenden rommelhypotheken heeft verkocht in 2017. Hierop besluit de nationale toezichthouder de ÖSB een boete op te leggen van 55 miljoen euro. Mocht de nationale toezichthouder deze boete opleggen?
De toezichthouder mocht de ÖSB wel een boete opleggen, omdat de Verordening rechten toekent aan particulieren.
De toezichthouder mocht de ÖSB wel een boete opleggen, omdat de Verordening rechtstreeks toepasselijk is.
De toezichthouder mocht de ÖSB niet een boete opleggen, omdat de Verordening niet is omgezet in nationaal recht.
De toezichthouder mocht de ÖSB niet een boete opleggen, omdat de bepalingen uit de Verordening niet horizontaal op een particulier mogen worden toegepast.
MC Vraag 15
Welke van de volgende uitspraken over de zaak Achbita is onjuist?
In tegenstelling tot directe discriminatie, kan indirecte discriminatie wel worden gerechtvaardigd.
Bij de vraag of het verbod op o.a. religieuze symbolen proportioneel was, moest de nationale rechter ook kijken naar het daadwerkelijke beleid van G4S alsmede de handhaving.
Het verbod op het dragen van een religieus symbool kon alleen noodzakelijk worden geacht als het zou gelden voor alle werknemers van G4S, inclusief medewerkers op het hoofdkantoor.
Het begrip godsdienst heeft zowel betrekking op het forum internum, als op het forum externum, en dekt daarmee ook de vrijheid om religieuze voorkeuren te uiten.
N.B. Gevraagd wordt welke uitspraak onjuist is.
1. C
2. B
3. A
4. A
5. C
6. A
7. B
8. B
9. A
10. B
11. D
12. C
13. B
14. B
15. C