Inleiding sociaal recht - Oefententamen 2013/2014 (2)


Vragen

Vraag 1

Wat is juist? Art. 7:653 BW is een voorbeeld van:

  1. Driekwartdwingend recht;

  2. Semi-dwingend recht

  3. Volledig dwingend recht;

  4. Vijfachtste dwingend recht.

Vraag 2

Wat geldt ten aanzien van een zogenoemde oproepovereenkomst?

  1. Een oproepkracht geniet geen bescherming op grond van de Arbeidstijdenwet en de Arbeidsomstandighedenwet;

  2. Een oproepkracht die werkzaam is op basis van een zogenoemde voorovereenkomst heeft na drie oproepen binnen een periode van drie maanden een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd;

  3. Een oproepkracht met een nul-urencontract met vaste werktijden heeft bij een oproep van anderhalf uur recht op loon over drie uren tenzij in de cao anders is bepaald;

  4. In een cao kan ten aanzien van een oproepkracht worden bepaald dat de oproepkracht geen loon ontvangt als hij niet wordt opgeroepen.

Vraag 3

Henk van Dis heeft met Kip en Koe B.V. een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar in de functie van productiemedewerker. Nadat het contract twee keer (aansluitend) is verlengd, wordt het contract niet meer verlengd. Henk is vervolgens vier maanden werkloos. Tot zijn vreugd kan hij daarna opnieuw in dienst treden bij Kip en Koe B.V. op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar.

Wat is – ervan uitgaande dat er geen CAO van toepassing is – juist?

Deze arbeidsovereenkomst eindigt

  1. van rechtswege;

  2. niet van rechtswege, omdat in deze situatie misbruik wordt gemaakt van de wettelijke uitzondering (HR Greenpeace);

  3. niet van rechtswege; voor opzegging is echter geen toestemming ex artikel 6 BBA vereist of

  4. niet van rechtswege, tenzij partijen dit in de arbeidsovereenkomst hebben afgesproken.

Vraag 4

Welke stelling ten aanzien van het concurrentiebeding is juist?

Een concurrentiebeding

  1. dat is opgenomen in een personeelshandboek of in een CAO geldt volgens de Hoge Raad niet als ‘schriftelijk’ overeengekomen;

  2. is nietig als het voor een langere duur dan twee jaar is overeengekomen;

  3. kan bij een veranderende functie ‘zwaarder gaan drukken’, maar daarbij is wel relevant in hoeverre de werknemer ander – vergelijkbaar werk – op de arbeidsmarkt zal kunnen vinden of

  4. kan door de werkgever niet worden ingeroepen als hij de werknemer heeft ontslagen tijdens de wettelijke proeftijd.

Vraag 5

Wat is juist?

  1. Een proeftijdbeding moet schriftelijke met de individuele werknemer worden overeengekomen, hetgeen betekent dat het beding niet rechtsgeldig in een – in de arbeidsovereenkomst geïncorporeerd – personeelshandboek of CAO kan worden opgenomen.

  2. Bij ziekte van de werknemer tijdens de proeftijd wordt de maximale duur van de wettelijke proeftijd opgeschort voor de duur van de ziekte.

  3. De loondoorbetalingsverplichting kan slechts ten aanzien van de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst bij individuele overeenkomst met de werknemer worden uitgesloten.

  4. De opzegtermijn voor de werknemer mag bij een contractueel bepaalde verlenging van de wettelijke termijn voor de werknemer langer zijn dan zes maanden, maar voor de werkgever niet korter dan het dubbele van die voor de werknemer.

Vraag 6

Obe S.I. Tas is al jaren werkzaam als relatiebeheerder bij een middelgroot accountants-kantoor in Drenthe. Hij onderhoudt de relaties met bestaande klanten en heeft verder tot taak voor aanwas van nieuwe klanten te zorgen. Hij doet zijn werk prima. Het zwakke punt is zijn voorliefde voor fastfood en omdat hij veel onderweg is, kent hij alle benzinestations in de regio; de McDrives kan hij in zijn werkregio vinden zonder gebruik te maken van de TomTom. Het steeds toenemende overgewicht geeft behoorlijke lichamelijke klachten en beperkingen. Zo heeft zijn werkgever al kosten gemaakt om een aangepaste autostoel te laten plaatsen. Obe past niet meer in de standaard stoelen. Daarnaast is hij snel kortademig en heeft last van zijn knieën en heupen bij langer staan en lopen. Het komt steeds vaker voor dat Obe zich ziek meldt en daardoor moeten afspraken met klanten op het laatste moment worden afgezegd. Zijn baas heeft hem al vaker geadviseerd om gezonder te gaan leven en heeft zich bereid getoond de kosten van een sportschool en van een voedingsdeskundige te vergoeden. Obe stelt zich op het standpunt dat de werkgever zich niet moet bemoeien met zijn privéleven. Bovendien voelt hij zich gesteund door de algemeen erkende opvatting dat obesitas een chronische ziekte is en ook bij andere chronische aandoeningen (bijvoorbeeld suikerziekte of rheuma) bemoeien werkgevers zich niet met de privégedragingen. Na de zoveelste ziekmelding in korte tijd is de werkgever het zat en besluit het nu maar eens via een sanctie te proberen om Obe’s gedrag te veranderen.

Welke sancties is juridisch gezien de juiste?

  1. De loonbetaling kan worden opgeschort op basis van artikel 7:629 lid 6 BW.

  2. De loonbetaling kan worden stopgezet op basis van artikel 7:629 lid 3 onder a BW.

  3. De loonbetaling kan worden stopgezet op basis van artikel 7:629 lid 3 onder b BW.

  4. Geen van de genoemde sancties is juist.

Vraag 7

(Vervolg.) Obe krijgt toenemende last van zijn rechter knie en kan voorlopig niet autorijden. Het betekent dat een essentieel deel van zijn werk, het bezoeken van klanten, niet kan worden gedaan. Hij heeft zich een week geleden ziek gemeld en zijn werkgever biedt aan om hen te halen en te brengen. Hij vraagt aan Obe om zijn normale werkuren voorlopig in te vullen met taken op kantoor, onder meer het bellen van klanten en uitwerken van bezoeken aan ‘prospects’ (bedrijven die nog geen klant zijn, maar overwegen het te worden). Obe prostesteer heeft. Hij is niet aangenomen voor alleen bureauwerk, ook niet als dat vanwege medische beperkingen slechts tijdelijk is. Hij vindt dat de werkgever in strijd handelt met wat er in de arbeidsovereenkomst over zijn functie is neergelegd.

Welke van de volgende beweringen is juist?

  1. Obe kan zich met succes beroepen op artikel 7:611 BW, omdat de werkgever zich met het verplichten van de passende functie niet als goed werkgever gedraagt.

  2. Obe zal het passende werk conform artikel 7:660a BW moeten verrichten als dat past binnen de medische mogelijkheden die hij heeft en binnen zijn kennis en ervaring.

  3. Obe hoeft wettelijk gezien het passende werk pas te accepteren als de bedrijfsarts daartoe een schriftelijke opdracht heeft gegeven.

  4. Passend werk, ook tijdelijk, hoeft conform de rechtspraak pas geaccepteerd te worden als er sprake is van een ziekmeldingsperiode van tenminste zes maanden.

Vraag 8

Het accountantskantoor waar Obe werkt is recent overgenomen door een grote landelijk werkende firma met hoofdkantoor in Amsterdam. De directeur HRM heeft zijn medewerkers de opdracht gegeven om werknemers met veel ziekteverzuim in kaart te brengen om te beoordelen of er met succes afscheid genomen kan worden. Zo komt ook het personeelsdossier van Obe op de stapel ‘mogelijk afscheid nemen’. Wanneer de directeur HRM een overzicht krijgt van hoe vaak en hoe lang Obe ziek is geweest, welke adviezen aan Obe zijn gegeven om zijn gewicht te beperken en welke kosten zijn gemaakt (onder meer autostoel, aangepaste bureaustoel zowel op kantoor als bij hem thuis) staat zijn besluit vast. Er is voor Obe geen plek meer in het bedrijf en er zal ontslag volgen.

Welke van de volgende beweringen ten aanzien van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in relatie tot ziekte is juist?

  1. Het opzegverbod bij ziekte vervalt als de ziekte (mede) wordt veroorzaakt door de werknemer zelf.

  2. Een ontslagvergunning door het UWV WERKbedrijf wordt altijd verleend bij meer dan vijf ziekmeldingen in de afgelopen twaalf maanden.

  3. Een ontbinding via de kantonrechter vanwege ziekteverzuim van een werknemer stuit meestal af op de reflexwerking van het opzegverbod.

  4. Ontslag vanwege een dringende reden is bij ziekte van de werknemer alleen aan de orde bij een alcoholverslaving.

Vraag 9

De verplichtingen voor een werkgever om schade voor werknemers te voorkomen tijdens het werk gaan ver. Indien de werkgever niet alles heeft gedaan dien schade te voorkomen, dan is hij jegens de werknemer aansprakelijk.

Welke van de volgende beweringen ten aanzien van die aansprakelijkheid van de werkgever is juist?

  1. Juridisch gezien betreft in artikel 7:658 lid 2 een risicoaansprakelijkheid.

  2. Schade geleden door een werknemer als gevolg van een verkeersongeval tijdens het werk valt ook onder artikel 7:658 BW.

  3. In de rechtspraak van de Hoge Raad is bepaald dat de plicht voor een werkgever een verzekering te sluiten voor zijn werknemers ook geldt voor ongevallen op de werkvloer.

  4. De verzekeringsplicht van een werkgever tegen schade door ongevallen van werknemers is gebaseerd op goed werkgeverschap.

Vraag 10

Welke van de volgende beweringen ten aanzien van schade voor werknemers in de uitoefening van het werk is juist?

  1. Werknemer en werkgever kunnen contractueel overeenkomen dat bij niet nakomen van een veiligheidsmaatregel, de werkgever gevrijwaard wordt van een schadeclaim.

  2. Een uitgebreide schriftelijke instructie welke veiligheidsmaatregelen van belangen zijn en waarom, wordt beschouwd als voldoen aan de zorgplicht.

  3. Bij herhaling niet houden aan de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen kan leiden tot ontslag.

  4. Indien een werknemer schade oploopt tijdens de uitoefening van het werk, leidt dat automatisch tot een hogere loondoorbetaling bij ziekte.

Vraag 11

Sijmen Debraafsteniet is leraar aan het ‘Rottumercollege’. Enkele ouders hebben geklaagd over het gedrag van Sijmen. Hij zou onzedelijke voorstellen hebben gedaan aan enkele meisjes uit zijn mentorklas. In verband met een onderzoek naar de klachten wordt Sijmen voor twee weken geschorst. De uitkomst van het onderzoek luidt dat Sijmen zich inderdaad schuldig heeft gemaakt aan ongewenste intimiteiten. Er volgt ontslag.

Wat geldt ten aanzien van de schorsing?

  1. Tijdens schorsing bestaat op grond van art. 7:628 lid 1 BW geen recht op doorbetaling van loon;

  2. Tijdens schorsing bestaat op grond van art. 7:628 lid 1 BW recht op doorbetaling van een gedeelte van loon (namelijk zeventig procent);

  3. In een van toepassing zijnde cao-bepaling (cao voor het middelbaar onderwijs) kan het recht op doorbetaling van loon tijdens schorsing rechtsgeldig zijn uitgesloten;

  4. In de individuele arbeidsovereenkomst kan het recht op doorbetaling van loon tijdens schorsing niet rechtsgeldig worden uitgesloten.

Vraag 12

Mark Rotter is sinds 2008 (op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd) werkzaam bij Paarden Voor Vrijheid, een paardenpension in het midden van Friesland. Zijn bazin, Marianneke Thimmo, is niet tevreden over de prestaties van Mark. Mark loopt veel te hard achter de paarden aan te jagen, terwijl de dieren juist moeten genieten van de rust. Uiteindelijk gaat Marianneke over tot ontslag van Mark. Op 16 maart 2012 wordt door het UWV toestemming voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst verleend.

Tegen welke dag moet de arbeidsovereenkomst – uitgaande van een dienstverband van afgerond vier jaar – worden opgezegd?

  1. Tegen 30 maart 2012.

  2. Tegen 16 april 2012.

  3. Tegen 30 april 2012.

  4. Tegen 31 mei 2012.

Vraag 13

Mark vindt het onbegrijpelijk dat het UWV een ontslagvergunning heeft verleend. Hij is van mening van dat Marianneke erg overdrijft en bovendien net doet alsof oudere paarden moeten worden behandeld als oudere mensen. Hij wil daarom een juridische actie beginnen.

Wat is juist, ervan uitgaande dat geen sprake is van een ‘bijzonder opzegverbod’ als bedoeld in titel 7.10 BW?

De opzegging

  1. kan met succes binnen een termijn van zes maanden worden vernietigd wegens strijdigheid met artikel 6 BBA;

  2. kan kennelijk onredelijk zijn;

  3. is onregelmatig of

  4. kan met succes binnen een termijn van twee maanden na de opzegging worden vernietigd.

Vraag 14

Stel dat Marianneke geen ontslagvergunning bij het UWV heeft aangevraagd (noch heeft verkegen), maar Mark Rotter op staande voet heeft ontslagen.

Welke actie dient de advocaat van Mark – indien hij bij Paarden Voor Vrijheid wil blijven werken – bij voorkeur in te stellen?

  1. Een vordering tot betaling van volledige schadevergoeding wegens het onregelmatige karakter van de opzegging.

  2. Een vordering tot schadevergoeding en herstel van de dienstbetrekking wegens het (vermeende) kennelijk onredelijke karakter van de opzegging.

  3. Een vordering tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding wegens het onregelmatige karakter van de opzegging.

  4. Vernietiging van de opzegging, in combinatie met een loonvordering.

Vraag 15

Wat geldt ten aanzien van de dringende reden en het ontslag op staande voet?

  1. In geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt op grond van een dringende reden, kan hij de werknemer niettemin een ‘billijke vergoeding’ toekennen;

  2. Ontslag op staande voet vanwege diefstal door de werknemer moet binnen 24 uur worden gegeven nadat de werkgever bekend is geworden met de diefstal dit volgt uit de zogenoemde onverwijldheidseis;

  3. Ingeval sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet kan dit ontslag volgens de Hoge Raad tevens kennelijk onredelijk zijn;

  4. Ingeval sprake is van een rechtsgeldig door de werkgever gegeven ontslag op staande voet is de werknemer jegens de werkgever schadeplichtig en dat betekent dat de werknemer de werkgever een gefixeerde schadevergoeding (gelijk aan het loon over de opzegtermijn) verschuldigd is.

Vraag 16

Een werkgever die een werknemer op staande voet ontslaat, loopt het risico dat in een loonvorderingsprocedure door de rechter wordt vastgesteld dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven. De hoogte van het uiteindelijk te betalen bedrag aan loon kan in sommige gevallen door de rechter worden gematigd.

Wat geldt ten aanzien van deze matigingsbevoegdheid?

  1. De rechter behoeft geen ‘ondergrens’ aan te houden (matiging tot 0 is dus mogelijk);

  2. Matiging is alleen mogelijk als toewijzing in de gegeven omstandigheden leidt tot onaanvaardbare gevolgen;

  3. Matiging is niet mogelijk als de werkgever op geheel onjuiste gronden ontslag op staande voet heeft gegeven;

  4. De matigingsbevoegdheid moet worden uitgeoefend binnen de kaders van art. 7:680 lid 5 BW.

Vraag 17

Geert Wolders heeft een arbeidsovereenkomst voor de duur van 1 jaar. Het schriftelijk overeengekomen contract bevat een proeftijd van twee maanden. Geert wordt in de tweede maand van het contract ziek (‘griep’). De werkgever wil geen ‘risico’ lopen en gaat over tot opzegging (Geert is dan nog steeds ziek) zonder inachtneming van een opzegtermijn en zonder verkregen toestemming door UWV. Geert beroept zich op art. 6 jo. art. 9 BBA en vordert doorbetaling van loon.

Zal zijn actie in beginsel slagen?

  1. Nee, want het ontslag is nog in de proeftijd gegeven;

  2. Nee, maar hij kan wel een actie op grond van onregelmatig ontslag instellen;

  3. Nee, maar hij kan wel een actie op grond van kennelijk onredelijk ontslag;

  4. Ja, in casu is het ontslagverbod van art. 6 BBA van toepassing.

Vraag 18

Behoudens enkele in de rechtspraak bepaalde uitzonderingen is geen appel of cassatie mogelijk tegen een door de kantonrechter gegeven beslissing in een procedure inzake

  1. kennelijk onredelijk ontslag;

  2. ontbinding wegens gewijzigde omstandigheden;

  3. ontslag op staande voet;

  4. toekenning van een gefixeerde schadevergoeding.

Vraag 19

Van Slochteren Papier BV – een bedrijf dat zich bezig houdt met de productie en plaatsing van papier – is in zwaar weer gekomen. Om te kunnen overleven stelt de directie van het bedrijf voor dat alle werknemers 15 procent van het salaris inleveren. De vakbonden krijgen hiervan lucht en brengen een bezoek aan het bedrijf. Zij wijzen de directie erop dat een verlaging van het salaris in strijd is met de cao voor Papierbedrijven (met een looptijd 2010-2012). Aangezien deze cao een minimumkarakter heeft, mag hiervan niet worden afgeweken ten nadele van werknemers.

Wat is (het meest) juist?

De cao voor Papierbedrijven moet door de werkgever (gedurende de looptijd van de cao) worden nageleefd wanneer:

  1. de werkgever lid is van een cao-partij of zelf partij is bij de cao;

  2. de werkgever lid is van een cao-partij of zelf partij is bij de cao en de werknemers lid zijn van een cao-partij;

  3. de werkgever lid is van een cao-partij of zelf partij is bij de cao danwel de cao contractueel op de arbeidsovereenkomst van toepassing is verklaard;

  4. de werkgever lid is van een cao-partij of zelf partij is bij de cao en de cao contractueel op de arbeidsovereenkomst van toepassing is verklaard.

Vraag 20

Van Slochteren Papier BV trekt zich niets aan van de vakbonden en de ondernemingsraad en probeert met elke afzonderlijke werknemer tot overeenstemming te komen over het verlagen van de cao-salarissen. Sommige werknemers stemmen hiermee in, omdat hen is beloofd dat ze als het bedrijf weer winst maakt een royale bonus zullen krijgen.

Wat is juist indien de cao algemeen verbindend is verklaard?

De afspraak met de individuele werknemers is

  1. rechtsgeldig ingeval de werknemers ondubbelzinnig met de wijziging akkoord zijn gegaan en geen sprake is van een wilsgebrek;

  2. nietig, tenzij de eis van nakoming van de cao naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;

  3. vernietigbaar, tenzij de eis van nakoming van de cao naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;

  4. op verzoek van de vakbonden door de rechter vernietigbaar in een procedure ex art. 36 Wet op de Ondernemingsraden.

Vraag 21

Wat geldt ten aanzien van het instemmingsrecht van de ondernemingsraad?

  1. Het instemmingsrecht ziet niet op de hoogte van de salarissen;

  2. Het instemmingsrecht heeft ook betrekking op de benoeming van een statutair bestuurder;

  3. Als een ondernemingsraad van een ziekenhuis weigert in te stemmen met een instemmingsplichtig besluit, kan de werkgever soms vervangende toestemming door de Centrale Cliëntenraad worden verleend;

  4. Als een ondernemingsraad weigert in te stemmen met een instemmingsplichtig besluit, kan de werkgever in sommige gevallen vervangende toestemming door de bedrijfscommissie worden verleend.

Vraag 22

In de schoonmaaksector wordt er onderhandeld over een nieuwe cao. Om de druk op te voeren roepen de vakbonden de werknemers op mee te doen aan een algehele werkstaking. De meeste werknemers geven aan de oproep gehoor. Een kleine groep werknemers (de zogenoemde werkwilligen) wil blijven doorwerken, maar dit wordt hen door de ‘stakers’ onmogelijk gemaakt.

Wat geldt ten aanzien van de aanspraak op loon?

  1. De stakende werknemers noch de werkwilligen hebben recht op loon;

  2. De stakende werknemers en de werkwilligen hebben recht op een gedeelte van het loon;

  3. De stakende werknemers hebben geen recht op loon; de werkwilligen hebben recht op een gedeelte van het loon;

  4. Zowel de stakende werknemers als de werkwilligen hebben recht op loon.

Vraag 23

Wat is juist? Volgens de Hoge Raad in het NS-arrest

  1. kunnen werknemers geen rechtstreeks beroep doen op het Europees Sociaal Handvest;

  2. kan een ‘langzaamaanactie’ geen aanleiding geven tot het ten aanzien van alle werknemers – stakers en werkwilligen – opleggen van loonkorting;

  3. kan schade voor de werkgever alleen tot een verbod of beperking van de collectieve actie leiden als de actie zich richt tegen een ander dan de werkgever, zoals de overheid;

  4. maakt het voor de beoordeling van de rechtmatigheid van een collectieve actie verschil of de actie zich richt tegen de werkgever of tegen een ander.

Vraag 24

Welke stellingen zijn juist?

Stelling 1: De Algemene Ouderdomsweg (AOW) en de Werkloosheidswet (WW) zijn voorbeelden van inkomensdervingsregelingen.

Stelling 2: De activeringsfunctie van het sociale zekerheidsrecht is accessoir aan de waarborgfunctie.

  1. Stelling 1 is juist en stelling 2 is onjuist;

  2. Stelling 1 is onjuist en stelling 2 is juist;

  3. Beide stellingen zijn juist;

  4. Beide stellingen zijn onjuist.

Vraag 25

De publieke en private sociale zekerheid hangen samen. Welke van de hieronder genoemde voorbeelden is geen bestaand voorbeeld van de samenhang tussen publieke en private sociale zekerheid?

  1. Het ziekengeld op grond van de ZW wordt niet uitbetaald indien recht bestaat op doorbetaling van loon tegenover de werkgever;

  2. Heeft men recht op een ontslaguitkering van de werkgever, dan is er (tijdelijk) geen sprake van werkloosheid in de zin van de WW;

  3. Bij de schadebeperkingsplicht in het kader van aansprakelijkheid voor letselschade ex art. 6:101 BW moet rekening worden gehouden met de re-integratieplichten van de werknemer in het kader van de Wet WIA;

  4. De opt-outmogelijkheid in de Wet WIA waarbij werkgevers kunnen besluiten om het eigen risico van de werknemer te gaan dragen gedurende de eerste tien jaar van arbeidsongeschiktheid.

Vraag 26

Welke van de volgende uitspraken is onjuist?

  1. Het begrip maximum dagloon in de werknemersverzekeringen verwijst naar de maximale hoogte van het loon waarmee bij de berekening van de uitkering rekening wordt gehouden;

  2. Op grond van de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid moeten de uitkeringen jaarlijks worden aangepast aan de ontwikkeling van het prijspeil;

  3. De WW is een loondervingsregeling en de AOW een minimumbehoefteregeling;

  4. Minimumbehoefteregelingen gaan uit van een hoger uitkeringsbedrag voor alleenstaanden dan voor personen die zijn gehuwd omdat alleenstaanden geen schaalvoordelen hebben.

Vraag 27

Welke van de volgende uitspraken is juist?

Stelling 1: de Koppelingswet 1998 bepaalt dat vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf hebben, niet in aanmerking komen voor sociale voorzieningen als uitkeringen of ontheffingen. In geval van onderwijs in de leerplichtige leeftijd of medisch noodzakelijke hulp wordt hiervan afgeweken.

Stelling 2: ingevolge de systematiek van de Wet Beperking Export Uitkeringen (BEU) wordt de hoogte van uitkering voor mensen die niet in Nederland wonen aangepast aan het niveau van levensonderhoud van het woonland (woonlandbeginsel).

  1. Alleen stelling 1 is juist;

  2. Alleen stelling 2 is juist;

  3. Beide stellingen zijn juist;

  4. Geen van beide stelling is juist.

Vraag 28

Sam, geboren in 1985, is door het UWV in 2011 gekeurd in verband met de door hem aangevraagde Wet WIA-uitkering. Hij wordt ingedeeld in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse (80-100% arbeidsongeschikt). Onlangs heeft hij van het UWV een beslissing ontvangen, waarbij hem een WGA-uitkering wordt toegekend. Sam denkt dat het UWV een fout heeft gemaakt. Hij is immers, zegt hij, volledig afgekeurd en heeft daarom recht op een IVA-uitkering. Sam vraagt het UWV om een verklaring. Dit orgaan blijft bij zijn standpunt.

Hoe luidt de verklaring van het UWV om Sam geen IVA-uitkering maar een WGA-uitkering toe te kennen?

  1. Het UWV zal als verklaring aanvoeren dat Sam weliswaar volledig arbeidsongeschikt is, maar dat er geen sprake is van duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid;

  2. Het UWV zal als verklaring aanvoeren dat Sam niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering aangezien hij op het moment van beoordeling jonger is dan 27 jaar (jonggehandicapt);

  3. Het UWV zal als verklaring aanvoeren dat bij Sam geen herstel mogelijk is;

  4. Geen van de bovenstaande antwoorden is juist.

Vraag 29

Wat is juist?

Stelling 1: om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering moet zijn voldaan aan de referte-eis. Het vereiste houdt in dat de werknemer 36 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht.

Stelling 2: er is sprake van werkloosheid in de zin van de Werkloosheidwet, (i) indien de werknemer ten minste vijf van zijn arbeidsuren of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per week heeft verloren, (ii) hij geen niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden verricht en (iii) de werknemer beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

  1. Alleen stelling 1 is juist;

  2. Alleen stelling 2 is juist;

  3. Beide stellingen zijn juist;

  4. Geen van beide stellingen is juist.

Vraag 30

Wat is juist?

  1. Een werkloze werknemer pleegt een benadelingshandeling in de zin van art. 24 lid 5 WW als hij zelf ontslag neemt;

  2. Een werkloze werknemer pleegt een benadelingshandeling in de zin van 24 lid 5 WW als hij zich niet verzet tegen een initiatief van de werknemer om zijn dienstbetrekking te beëindigen;

  3. Een werkloze werknemer pleegt een benadelingshandeling in de zin van art. 24 lid 5 WW als hij zonder een schadevergoeding te bedingen instemt met een vroegtijdig ontslag;

  4. Een werkloze werknemer pleegt een benadelingshandeling in de zin van art. 24 lid 5 WW als hij instemt met een outplacementvergoeding in plaats van een schadevergoeding te vorderen bij de werkgever.

Vraag 31

Jan en Janneke zijn in 2000 met elkaar getrouwd. Jan was 59 jaar oud en Janneke 56 jaar oud. Het huwelijk kende zijn gebruikelijke ups en downs. In 2005 besluiten Jan en Janneke weer te scheiden, al houden beiden nog contact. Intussen denken beiden steeds vaker terug aan de oude tijd toen ze nog samen waren. Met zijn tweeën was toch beter dan alleen. In maart 2012 trekt Jan in bij Janneke. Zijn huurhuis geeft hij op. Jan krijgt een eigen kamer bij Janneke en hij draagt €400,- per maand bij aan de huur en boodschappen. Overigens leven zij financieel onafhankelijk van elkaar.

Welke stelling is juist?

  1. Zowel Jan als Janneke komen in aanmerking voor een AOW-pensioen voor ongehuwden, omdat zij niet met elkaar zijn gehuwd;

  2. Zowel Jan als Janneke komen in aanmerking voor een AOW-pensioen voor gehuwden, omdat het onweerlegbare rechtsvermoeden bestaat dat zij een gezamenlijke huishouding voeren (in verband met hun vorige huwelijk);

  3. Zowel Jan als Janneke komen in aanmerking voor aan AOW-pensioen voor ongehuwden aangezien zij geen zorg dragen voor elkaar. Er is immers sprake van een commerciële relatie;

  4. Jan komt in aanmerking voor een AOW-pensioen voor ongehuwden, omdat hij bij Janneke inwoont en iedere maand een bepaald bedrag bijdraagt. Janneke dient echter een AOW-uitkering voor gehuwden te ontvangen, omdat zij inkomen geniet (de maandelijkse bijdrage van Jan).

Vraag 32

Jan Zwart is 63 jaar en hij is al 21 jaar getrouwd met Annelize. Annelize is 48 jaar. Jan en Annelize hebben drie kinderen. Mark is 20 jaar, Corine is 19 jaar en Denise is 15 jaar. Jan werkt fulltime en Annelize draagt zorg voor de huishouding en de opvoeding van de kinderen. Jan is eerder getrouwd geweest met Gertrude en hij betaalt haar elke maand €500,- aan alimentatie. Gertrude wordt op 30 april 2010 65 jaar en is na haar huwelijk met Jan alleen gebleven. Door een noodlottig ongeval komt Jan op 5 april 2010 om het leven.

Wat is juist?

  1. Gertrude heeft zowel recht op een nabestaandenuitkering waarvan de hoogte correspondeert met de alimentatie die Jan aan haar betaald als op een halfwezenuitkering;

  2. Annelize heeft recht op een nabestaandenuitkering en Denise heeft recht op een halfwezenuitkering;

  3. Annelize heeft recht op een nabestaandenuitkering en op een halfwezenuitkering;

  4. Annelize heeft recht op een nabestaandenuitkering en Mark, Corine en Denise hebben recht op een halfwezenuitkering.

Vraag 33

Mevrouw Van Lieshout, 78 jaar oud, woont nog zelfstandig in Haarlem en is verzekerd bij Achmea. Zij heeft een verzoek om aanpassing van haar keuken ingediend. Dat verzoek is, na een positieve indicatie, ingewilligd. Zij wacht inmiddels vijf maanden op de aanpassing. Wanneer ze aan de beurt is, valt niet te zeggen. Mevrouw Van Lieshout’s dochter, Suzanne, heeft er genoeg van en adviseert haar moeder een procedure te beginnen.

Wie moet mevrouw Van Lieshout aanspreken om de keukenaanpassing af te dwingen?

  1. Het College voor zorgverzekeringen in verband met de AWBZ;

  2. De zorgverzekeraar Achmea in verband met de Wmo;

  3. Het College Indicatiestelling Zorg in verband met de AWBZ;

  4. Het college van B&W van Haarlem in verband met de Wmo.

Antwoordindicatie

  1. C. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.3.4.1.

  2. D. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.1.3.

  3. A. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.5.8.

  4. C. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.3.4.1.

  5. C. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.4.1.2 en 3.4.2.1.

  6. D. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.4.1.2.

  7. B. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.4.4.

  8. D. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.5.2.9 en 3.4.2.

  9. D. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.3.2.

  10. C. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.5.3.2.

  11. C. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.4.1.4 en hoofdstuk 5, par. 5.2.1.

  12. C. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.5.2.7.

  13. B. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.5.2.6.

  14. D. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.5.4.2 en 3.5.5.3.

  15. D. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.5.5.

  16. B. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.4.1.2 en 3.5.2.2.

  17. D. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.5.2.8.

  18. B. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.5.3.

  19. C. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 5, par. 5.2.4.

  20. B. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 5, par. 5.3.

  21. A. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 6, par. 6.2.4.4.

  22. A. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 5, par. 5.6.3.2.

  23. D. Antwoord: Schets van het Nederlandse arbeidsrecht (23e druk); Hoofdstuk 5, par. 5.6.2.

  24. B. Antwoord: Hoofdzaken Socialezekerheidsrecht (1e druk); Hoofdstuk 2, par. 2.6.

  25. C. Antwoord: Hoofdzaken Socialezekerheidsrecht (1e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.2.1.

  26. B. Antwoord: Hoofdzaken Socialezekerheidsrecht (1e druk); Hoofdstuk 2, par. 2.6.

  27. A. Antwoord: Hoofdzaken Socialezekerheidsrecht (1e druk); Hoofdstuk 3, par. 3.6.

  28. A. Antwoord: Hoofdzaken Socialezekerheidsrecht (1e druk); Hoofdstuk 5, par. 5.3.1.

  29. A. Antwoord: Hoofdzaken Socialezekerheidsrecht (1e druk); Hoofdstuk 6, par. 6.3.1.

  30. C. Antwoord: Hoofdzaken Socialezekerheidsrecht (1e druk); Hoofdstuk 6, par. 6.3.7.

  31. B. Antwoord: Hoofdzaken Socialezekerheidsrecht (1e druk); Hoofdstuk 7, par. 7.5.1 en 7.5.2.

  32. C. Antwoord: Hoofdzaken Socialezekerheidsrecht (1e druk); Hoofdstuk 8, par. 8.4 en 8.5.

  33. D. Antwoord: Hoofdzaken Socialezekerheidsrecht (1e druk); Hoofdstuk 12, par. 12.3.

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Promotions
Image

Op zoek naar een uitdagende job die past bij je studie? Word studentmanager bij JoHo !

Werkzaamheden: o.a.

  • Het werven, aansturen en contact onderhouden met auteurs, studie-assistenten en het lokale studentennetwerk.
  • Het helpen bij samenstellen van de studiematerialen
  • PR & communicatie werkzaamheden

Interesse? Reageer of informeer