Het resultaat van de voorgaande stappen is dat we het probleem hebben onderkend en in kaart hebben gebracht. De stap die nu volgt is de verklaringsanalyse. We proberen tot een verklaring van het probleem te komen, op basis van bestaande kennis over relaties tussen problemen en de condities die deze problemen kunnen uitlokken; het gaat om kennis over causale verbanden. De verklaringsanalyse bestaat uit twee deelstappen. Ten eerste het formuleren van toetsbare hypothesen (verklaringen) en ten tweede het toetsen van deze hypothesen. Op basis hiervan stellen we een integratief beeld op waarin we aangeven welke condities tot dit probleem hebben geleid of het instandhouden. Een verklarende diagnose kan van belang zijn bij het zoeken naar interventiemogelijkheden. Na de onderkenning van het probleem, de onderkennende diagnose, formuleren we de mogelijke verklaringen. Verklaringen zijn uitspraken over condities die het probleem kunnen doen ontstaan of instandhouden. Er wordt vaak gewerkt met alternatieve en aanvullende diagnostische verklaringen. Daarvoor zijn drie redenen:
- Met onze huidige stand van de wetenschap is er geen theoretische of empirische grond dat we het probleemgedrag in verband kunnen brengen met slechts één conditie. Er bestaan voor één probleem vaak meerdere theorieën
- Alternatieve verklaringen bieden handvatten voor de interventie; een keuze tussen alternatieve mogelijkheden voor interventie kan dan ook gemaakt worden.
- Het bewust gericht zijn op alternatieve verklaringen vormt een bescherming tegen fouten. Op deze manier wordt bijvoorbeeld voorkomen dat de compleetheid van verklaringen wordt overschat
Er zijn zeven begrippen die van belang zijn in de verklaringsanalyse. Dit zijn voorlopig diagnostisch denkschema, conditie, wetenschappelijk verklarende hypothese, diagnostische onderzoekshypothese, diagnostische toetsprocedure, zekerheid en waarschijnlijkheid en integratief beeld. Wat houden deze begrippen precies in.
Het voorlopig diagnostisch denkschema is een conceptueel schema dat een diagnosticus opstelt op basis van de informatie uit de voorgaande stappen en door een koppeling te maken met de empirische en klinische kennis. Empirische kennis wordt gezien als het meest waardevol voor het diagnostisch proces. De empirische kennis moet vooral betrekking hebben op (causale) verbanden; dan komt men immers over beweringen in de zin van: ‘deze conditie heeft tot dit probleem van deze cliënt geleid’. Een voorlopig diagnostisch denkschema kan ook vermoedens bevatten. Het dient als uitgangspunt voor het komen tot verklarende hypothesen. Een voorbeeld van een diagnostisch denkschema is; José is thuis overbeschermd opgevoed. Hierdoor heeft ze weinig exploratiebehoefte en raakt zij cognitief achter ten opzichte van haar leeftijdsgenootjes, met de huidige leerproblemen als gevolg.
Wat heeft conditie te maken met het instandhouden van een probleem?
Met conditie bedoelen we een variabele die verantwoordelijk is voor het in gang zetten of instandhouden van een probleem. Vaak wordt er in plaats van conditie ook gesproken van factoren, risicofactoren, oorzaken, theoretische concepten etc. Condities kunnen verschillen in de mate van beïnvloedbaarheid en ze bepalen mede de mate van ernst.
Dit is een bewering over de causale samenhang tussen twee of meer condities (vastgesteld in wetenschappelijke theorieën). We spreken van een diagnostische onderzoekshypothese als we een toetsbare bewering kunnen formuleren over de relatie tussen de verschijnselen in het individuele geval (in het geval van deze cliënt). Als verschijnselen met elkaar samenhangen, is er niet altijd sprake van een oorzaak-gevolg relatie. We spreken pas van een causaal verband als het ene verschijnsel leidt tot een toename van de kans op het andere verschijnsel. We kunnen de samenhang tussen condities en stoornissen weergeven in een 2x2 matrix. We zijn bij een diagnostische verklaring op zoek naar condities die tot het onderkennende probleem hebben geleid of het instandhouden. Als er een causale relatie is vastgesteld, betekent dit niet dat het bij een stoornis om simpele verbanden gaat. Vaak zijn er complexe verbanden waarin de verschillende condities elkaar in meer of mindere mate beïnvloeden. In dit geval spreken we dan van een multicausaal model.
De 2x2 matrix
Hierin wordt de samenhang tussen condities en stoornissen weer gegeven.
Diagnostische onderzoekshypothese
Dit is een toetsbare bewering over een conditie waarvan wordt gedacht dat die een verklaring is voor het onderkende probleem.
In de diagnostische toetsprocedure operationaliseren (gereedmaken voor gebruik) we de condities uit de verklarende onderzoekshypothese. Dit kan door de keuze van middelen en criteria. Deze condities kunnen zeer verschillend zijn, zo kunnen ze betrekking hebben op feitelijke gebeurtenissen, maar ook op psychologische constructen, dit zijn bijvoorbeeld intelligentie en opvoedingsstijl. We maken onderscheid tussen onderzoeksmiddelen en toetsingscriteria. Onderzoeksmiddelen zijn alle middelen die bruikbaar zijn om een conditie uit een hypothese te operationaliseren. Je kunt dan denken aan vragenlijsten, tests, observatiemethoden, interviewtechnieken, dossieranalyse etc. Soms moet de diagnosticus zelf een middel construeren. Toetsingscriteria geven aan welke maatstaven bij de gekozen middelen worden gebruikt om te beslissen of de onderzoekshypothese kan worden aangenomen. Met de toetsingscriteria geven we van te voren aan binnen welk bereik van de resultaten we de hypothese zullen aannemen of verwerpen. Als de resultaten buiten het bereik vallen dan wordt de hypothese verworpen. Toetsingscriteria en de onderzoeksmiddelen zijn met elkaar verbonden. Twee voorbeelden van operationalisaties in middelen en criteria:
- De conditie is de inconsistente opvoedingsstijl. Het middel is de observatie van gezinsinteracties tijdens het uitvoeren van een gezamenlijke opdracht. Het criterium is het voorkomen van ten opzichte van tegenstrijdige reacties van de ouders op het spelgedrag van het kind.
- De conditie is de achterstand in de cognitieve ontwikkeling. Het middel is de WISC-III intelligentietest. Het criterium is een verbaal en performaal IQ < 85.
Zekerheid en waarschijnlijkheid
Wetenschappelijk verklarende hypotheses zijn probabilistisch van aard. Probabilistisch is dat P de kans op Q groter maakt dan op basis van toeval te verwachten valt. Een wetenschappelijk onderzoek waar de diagnosticus de hypothese vormt zal geen perfecte samenhang tussen probleem/gedrag en condities laten zien. Zekerheid en waarschijnlijkheid spelen niet alleen een rol bij het opstellen en formuleren van diagnostische hypothesen, maar ook bij de evaluatie van onderzoeksuitkomsten. De onderzoeksuitkomsten voldoen immers wel of niet aan de onderzoekscriteria.
Een diagnostisch onderzoek resulteert meestal in het aannemen van meerdere diagnostische hypothesen. De diagnosticus kijkt dan welke condities uit de hypothesen het meest in aanmerking komen als verantwoordelijk voor het instandhouden of het ontstaan van het probleem bij de cliënt. Het integratief beeld is het in kaart brengen hoe de verschillende condities zich binnen de persoon tot elkaar verhouden. Het integratief beeld is voor de diagnosticus een antwoord op de onderkennende en de verklarende diagnostische hulpvragen van de cliënt.
Aan het formuleren van toetsbare hypothesen en van de toetsprocedure zelf zitten voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden hebben betrekking op de methodologische, psychometrische en professionele aspecten.
Er worden zeven methodologische voorwaarden genoemd als het gaat om hoe de diagnosticus de diagnostische verklaringen moet formuleren en toetsen. De zeven voorwaarden zijn:
- Bewaken van geldigheid en volledigheid van wetenschappelijke kennis in het voorlopig diagnostisch denkschema.
- Kunnen hanteren van de causale structuur van het voorlopig diagnostisch denkschema.
- Kunnen toepassen van de structuur van een logische redenering in verklarende hypothesen.
- Kunnen formuleren van een toetsbare diagnostische onderzoekshypothese.
- Correct uitvoeren van de daadwerkelijke toetsing.
- Tegengaan van fouten.
- Op een juiste wijze onderzoeksuitkomsten kunnen evalueren.
1. Bewaken van geldigheid en volledigheid van wetenschappelijke kennis in het voorlopig diagnostisch denkschema
Na de onderkenning van het probleem moet een verband worden gelegd met de condities die het probleem in gang hebben gezet of/en instandhouden. Twee soorten zoekrichtingen kunnen hierbij worden gebruikt:
- Van probleem naar conditie
- Van conditie naar probleem
Bij de zoekrichting van probleem naar conditie wordt de probleemclassificatie uit de vorige stap als beginpunt genomen. Om zo te zoeken naar verklarende theorieën. De voorkeur gaat dan ook uit naar het gebruik van algemeen geaccepteerde classificatiesystemen. Bij de zoekrichting van conditie naar probleem is het een voorwaarde dat een beroep gedaan kan worden op een zo volledig mogelijk overzicht van typen verklarende condities en theorieën. Vanuit de theorieën wordt gekeken in hoeverre ze kunnen bijdragen tot een geldige verklaring. We kennen verschillende soorten wetenschappelijk kennis:
- Experimentele kennis
- Longitudinale kennis
- Kennis over samenhangen tussen variabelen
- Systematische praktijkkennis
Er bestaat een voorkeursvolgorde voor het gebruiken van elk type wetenschappelijke kennis (de volgorde is zoals genoemd van experimentele kennis met als laatste hulpmiddel de praktijkkennis).
2. Kunnen hanteren van de causale structuur van het voorlopig diagnostisch denkschema
Een voorlopig diagnostisch denkschema is het eerste conceptuele schema. In de structuur van het diagnostisch denkschema moet naar voren komen op welke manier, volgens de diagnosticus, condities en problemen met elkaar in verband staan. Vaak is er sprake van meerdere condities die onafhankelijk van elkaar voorkomen, maar elkaar soms ook beïnvloeden. De structuur van een diagnostisch denkschema kan er op verschillende manier uitzien:
- Conditie A - leidt tot - Probleem A: hier is probleem A het gevolg van conditie A (enkelvoudige causale relatie).
- Conditie A - leidt tot - Probleem A & Probleem B: hier kan één conditie leiden tot verschillende problemen. Bijvoorbeeld conditie A is een trauma, probleem A kan dan zijn agressief gedrag en probleem B kan zijn leerproblemen.
- Conditie A & Conditie B - leidt tot - Probleem A: hier kan een probleem veroorzaakt worden door verschillende condities. Bijvoorbeeld conditie A is beperkte intelligentie, conditie B is didactische verwaarlozing en probleem A hier is leerproblemen. Beide condities veroorzaken dus probleem A.
In werkelijkheid zullen condities tegelijk, maar ook na elkaar voorkomen. De condities kunnen onafhankelijk zijn, maar kunnen elkaar ook beïnvloeden. Dit noem je een multicausaal model.
De verschillende condities en problemen houden het volgende in:
- Conditie A: Negatief emotioneel klassenklimaat
- Conditie B: Slecht cognitief inhoudelijke kwaliteit van het onderwijs
- Conditie C: Faalangst
- Conditie D: Emotionele labiliteit
- Conditie E: Inconsistente opvoedingsstijl
- Probleem A: Een ernstige schoolse achterstand
- Probleem B: Agressief gedrag thuis
3. Kunnen toepassen van de structuur van een logische redenering in verklarende hypothesen
Een verklarende hypothese is een bewering die bestaat uit ondubbelzinnig geformuleerde onderdelen. Drie onderdelen worden onderscheiden:
- Er is sprake van één of meer problemen
- Er is sprake van één of meer condities die daarmee in verband kunnen worden gebracht
- De aard van het verband wordt aangegeven
Deze drie onderdelen moeten in een hypothese voorkomen. Een voorbeeld van een hypothese; het agressieve gedrag (probleem) van Bas is een uiting van een voortdurend faalgevoel (instandhoudende conditie) dat telkens weer gevoed wordt doordat Bas zich bewust is van de discrepantie tussen de door hem geleverde en door zijn ouders gewenste prestaties (instandhoudende conditie), terug te voeren op de onrealistische eisen die zijn ouders al sinds zijn start op deze school aan hem stellen (uitlokkende conditie).
De basisstructuur van een diagnostische verklarende hypothese is die van een syllogisme. Een syllogisme is een logisch sluitende redenering. Er wordt een probleem geobserveerd (het explanandum: dat wat verklaard moet worden) en dit probleem moeten we verklaren. Een verklaring gaat pas op als de condities die beschreven staan in de wet ook op het individuele geval van toepassing zijn. In een syllogisme worden explanans (wet en condities samen) en explanandum in een formeel logische structuur weergegeven. De basisstructuur van het syllogisme is als volgt:
- [ Wet ] als P, dan Q of als P, dan Q
- [ Conditie ] P is het geval niet Q is het geval
- dus: Q dus: niet P
Toegepast op een inhoudelijk voorbeeld ziet het er zo uit:
- [ Als P, dan Q ] Als het IQ<70 dan leerproblemen in het basisonderwijs
- [ P is het geval ] Jan heeft een IQ van 60
- [ dus: Q ] Dus: Jan krijgt leerproblemen in het basisonderwijs
Of in het andere geval:
- [ Als P, dan Q ] Als het IQ<70 dan problemen in het basisonderwijs
- [ Niet Q is het geval ] Jan heeft geen problemen in het basisonderwijs
- [ Dus: niet P ] Dus: Jan heeft geen IQ<70
Kunnen formuleren van een toetsbare diagnostische onderzoekshypothese
Een correct geformuleerde verklarende hypothese laat toe om daaruit een voorspelling af te leiden.
Correct uitvoeren van daadwerkelijke toetsing
In de laatste fase van de toetsprocedure gaat het om het daadwerkelijk toepassen van de gekozen middelen en het evalueren van de onderzoeksresultaten (m.b.v. de toetsingscriteria). Hiermee kunnen we de vraag beantwoorden of we de hypothese moeten aannemen of verwerpen. Bij het toetsen van hypothesen onderscheiden we twee principes:
- Het principe van falsificatie, als er geen resultaten worden gevonden die tegen de voorspelling pleiten dan houden we de hypothese aan.
- Het principe van verificatie, men gaat hier uit van bewijsmateriaal ten gunste van de onderzoekshypothese. Men acht een hypothese waarschijnlijker naarmate er meer voorspellingen uitkomen.
Hoe voorkom je fouten?
Het ontwikkelen van richtlijnen voor het doorlopen van de diagnostische cyclus is nodig om zoveel mogelijk fouten te voorkomen in de oordeelsvorming en besluitvorming. Veel voorkomende fouten zijn:
- Belief perseverance: Het vasthouden aan de juistheid van de eigen mening. Ondanks informatie die dit ontkracht of weerlegt. Zo kan er overinterpretatie plaatsvinden, wanneer strijdige info toch wordt gebruikt als positieve bevestiging.
- Primacy effect: In de oordeelsvorming de informatie bevoordelen die het eerst wordt verkregen.
- Confimation bias: Het uitsluitend zoeken naar informatie die overeenkomt met de opgestelde hypothese.
- Overconfidence in positive test results: Het overschatten van de waarde van positieve testuitslagen, en dus niet kijken welke waarde in de gewone populatie wordt aangetroffen.
- Premature closure: Het te vroegtijdig beperken van het aantal mogelijke hypothesen.
- Illusory correlation: Het veronderstellen van verbanden die in de werkelijkheid niet worden aangetroffen.
- Excessive datacollection: Het verzamelen van veel meer gegevens dan nodig is.
- Overconfidence in own capability: Het overschatten van de kwaliteit van het eigen oordeelsvermogen.
- Search for the exotic: Het zoeken naar het buitengewone, dit is ten nadele van het meer voor de hand liggende.
- Framing effect: Het te weinig rekening houden met de invloed van de manier waarop je keuzesituaties structureert. Een positieve formulering kan tot een andere beslissing leiden dan een negatieve formulering.
Op een juiste wijze onderzoeksuitkomsten kunnen evalueren
Een diagnosticus moet kennis hebben van de kans dat verschijnselen zich sowieso voordoen in de populatie, maar ook de kans dat twee verschijnselen samen kunnen optreden.
Bij de psychometrische voorwaarden gaat het primair om de eisen aan de onderzoeksmiddelen. Dit kunnen zijn objectiviteit, validiteit, betrouwbaarheid en normering. De diagnosticus moet deze onderzoeksmiddelen kunnen beoordelen en hanteren. Je moet je hierbij wel realiseren dat geen enkel onderzoeksmiddel volledig objectief, valide en betrouwbaar is. Onder objectiviteit verstaan we dat als het instrument gebruikt wordt door verschillende diagnostici bij dezelfde persoon dan moet dat leiden tot hetzelfde resultaat. Betrouwbaarheid van een instrument betreft de nauwkeurigheid waarmee een met het instrument gevonden score de werkelijke score benadert. En validiteit gaat erom dat je meet wat je beoogt te meten (voldoet het instrument aan zijn doel).
Er worden vier professionele voorwaarden genoemd. Dit zijn:
- Beschikken over contactuele vaardigheden, door het directe contact met de cliënt moet de diagnosticus beschikken over goede gespreks- en omgangsvaardigheden.
- Kunnen lezen van wetenschappelijk onderzoek en beoordelen van wetenschappelijke kennis.
- Beschikken over metakennis over de keuze van onderzoeksmiddelen en hun toepassing
- Kunnen omgaan met de eigen lacunes, dit is het kennen van de eigen mogelijkheden en beperkingen zowel in kennis als in vaardigheden.
Bij het formuleren en toetsen van diagnostische verklaringen onderscheiden we tien stappen. Stappen in het formuleren van diagnostische verklaringen zijn:
- Activeren van algemeen theoretische kennis.
- Opsporen van wetenschappelijk geldige relaties tussen probleem en condities: in de zoekrichting van probleem naar conditie, is de probleemclassificatie uit de probleemanalyse het startpunt voor het zoeken naar verklarende theorieën. Wanneer het van conditie naar probleem is, moet er gekeken worden naar beschikbare kennis over verklarende condities. Het nadeel is dat de diagnosticus telkens maar 1 type verklarende conditie zal vinden, ook is het aantal potentieel verklarende condities vrijwel oneindig. Het voordeel van deze zoekrichting is de gevonden verklarende theorie ook zicht kan geven op andere problematiek van de cliënt.
- Ordenen van de relaties tussen probleem en condities in een voorlopig diagnostisch denkschema.
- Opdelen van het voorlopig denkschema in deelbeweringen: onderzoekshypothesen.
- Nagaan of er kennis is die toetsing rechtvaardigt: sommige onderzoekshypothesen kunnen niet worden getoetst met de beschikbare wetenschappelijke kennis.
Hierna volgen de stappen in het toetsen van diagnostische verklaringen:
Stap 1: Operationaliseren van onderzoekshypothesen in onderzoeksmiddelen. Substappen zijn:
Bepalen wat precies geoperationaliseerd moet worden
Inventariseren van de onderzoeksmiddelen: er wordt een lijstje van onderzoeksmiddelen gemaakt, die voor het vaststellen van de conditie in principe in aanmerking komen. De keuze van het onderzoeksmiddel hangt mede af van de soort conditie (gebeurtenis, waarneembaar gedrag, een vaardigheid, cognitie of kenmerk van een gezin b/v).
Conditie | Onderzoeksmiddel |
Gebeurtenis | Interview of gesprek |
Waarneembaar gedrag | Observeren |
Niet of wel beheersen van een vaardigheid | Test, toets, interview, vragenlijst of observatie |
Cognitie, emotie of beleving | Interview, test of vragenlijst |
Kenmerken van het gezin of school | Gesprek of observatie |
Betrekking op het verleden | Dossier of gesprekEen waardevol hulpmiddel bij de keuze van de onderzoeksmiddelen is het COTAN boek. Via een beslisboom van soorten condities wijst hij de gebruiker de weg naar specifieke instrumenten. Het kan ook voorkomen, dat er geen bestaand instrument te vinden is. Dan kan de diagnosticus bijvoorbeeld zelf een proefje doen of een kort trainingsexperiment. |
Stap 2: Het meest geschikte onderzoeksmiddel kiezen: We kiezen het instrument dat het meest betrouwbaar en begripsvalide is. Zijn er meerdere instrumenten dan nog bruikbaar, dan wordt een kosten-batenanalyse uitgevoerd: hoeveel kosten afname en score van de test in termen van tijd, geld en belasting voor cliënt en onderzoeker. Die onderzoeksmiddelen worden gekozen, waarmee tegelijkertijd meerdere hypothesen getoetst kunnen worden. Voldoet geen enkele test aan de eisen, dan moet worden nagegaan of een combinatie van toetsen beter is.
Stap 3: Vaststellen van de toetsingscriteria bij de middelen: dit vermindert de rol van subjectiviteit bij de toetsing, en het proces wordt inzichtelijk en controleerbaar door anderen. Wanneer er meerdere instrumenten worden gebruikt voor 1 onderzoekshypothese, moet er worden aangegeven hoe de resultaten zich tot elkaar moeten verhouden om de hypothese te bevestigen, b/v: de resultaten moeten voldoen aan de toetsingscriteria op minstens 2 van de 3 testen.
Stap 4: Daadwerkelijk toetsen.
Stap 5: Evalueren van de uitkomsten en bepalen van de mate van zekerheid (was er sprake van sociaal wenselijk antwoorden b/v). Aannemen, aanhouden of verwerpen van de hypothese.
Stap 6: Verwerken van de toetsingsresultaten tot een integratief beeld.
We onderscheiden slechts twee verklarende condities met elk hun eigen subgroepen. De twee verklarende condities zijn omgevingscondities en individu gebonden condities.
Omgevingscondities bestaan uit:
- Fysieke omgeving, bijvoorbeeld etnische gemeenschap en woon en leefomstandigheden.
- Sociale omgeving, bijvoorbeeld gezinssituatie, school en klas, sociaal netwerk.
- Pedagogische omgeving, bijvoorbeeld pedagogisch klimaat.
Individu gebonden condities bestaan uit:
- Functioneel, bijvoorbeeld relationele vaardigheden, cognitie (intelligentie en leren), persoonlijkheid.
- Structureel, bijvoorbeeld zintuiglijke conditie, biologische factoren, motorische en lichamelijke conditie.
- Genetisch, bijvoorbeeld erfelijkheid.
Als de diagnosticus moet zoeken naar de verklarende conditie dan gebruikt hij bij voorkeur recente handboeken. Tegenwoordig kun je via elektronische zoekmachines handboeken zoeken aan de hand van trefwoorden en ook kunnen deze zoekmachine gebruikt worden voor het vinden van wetenschappelijke artikelen.
De aangenomen verklaringen worden door de diagnosticus geïntegreerd tot een integratief beeld van de cliënt. In een integratief beeld worden de onderzoeksresultaten samengevat. Wat moet een diagnosticus hier allemaal doen:
- Beschrijven van het onderkennende probleem (de stoornis). De uitkomst van de probleemanalyse.
- Een overzicht geven van de aangenomen verklarende hypothesen. Geef per aangenomen hypothese aan hoe zeker je bent van de verklaring.
- Formuleer op basis van de aangenomen verklarende hypothesen een integratief beeld voor het onderkennende probleem van de cliënt. Geef aan welke condities verantwoordelijk zijn voor het ontstaan of instandhouden van het probleem.
- Geef aan welke relaties of causale verbanden er worden vermoed tussen de condities in de aangenomen verklarende hypothesen.
- Vermeld welke hypothesen zijn aangehouden voor verder onderzoek.
- Vermeld welke hypothesen zijn verworpen.
- Leg een relatie tussen integratief beeld en de hulpvraag en klachten van de cliënt.
- Het opnemen van positieve ontwikkelingscondities. Ook wel protectieve factoren genoemd. Deze factoren kunnen bijvoorbeeld zijn kindfactoren (intelligentie, gemakkelijk temperament), opvoedingsfactoren (goede partnerrelatie, ondersteunende opvoedingsstijl, afwezigheid psychische stoornissen) en sociale omgevingsfactoren (vriendschapsrelaties, ondersteunend sociaal netwerk, ondersteunende leerkrachten).
Er zijn heel wat aandachtspunten van belang in de verklaringsanalyse. Hieronder zullen enkele van deze aandachtspunten worden genoemd:
- Vermijd formulering van niet wetenschappelijk hypothesen.
- Laat je bij het formuleren van de hypothese niet weerhouden door het feit dat oorzaak-gevolg relaties vaak moeilijk te toetsen zijn.
- Ga na of er hypothesen zijn voor elke stoornis.
- Ga na of elke hypothese minstens één stoornis dekt.
- Ga na of de hypothesen zo onafhankelijk mogelijk zijn geformuleerd.
- Ga na of je kunt verantwoorden waarom hypothesen niet zijn opgenomen.