Samenvatting van De diagnostische cyclus: Een praktijkleer van De Bruyn e.a. - 2e druk

Samenvatting bij De diagnostische cyclus: Een praktijkleer

    Lees verder voor de samenvattingen per hoofdstuk

    Image

    Check: summaries and supporting content in full
    Wat is het belang van de diagnostische cyclus in de klinische psychodiagnostiek? - Chapter 1

    Wat is het belang van de diagnostische cyclus in de klinische psychodiagnostiek? - Chapter 1

    Een academisch opgeleide diagnosticus neemt de plaats in als praktijkwetenschapper, ook wel scientist-practitioner genoemd. Een praktijkwetenschapper is iemand die op verantwoorde en transparante wijze cliëntbetrokkenheid en het gebruik van wetenschappelijke kennis kan combineren.

    Het domein van de klinische psychodiagnostiek wordt bekeken. In de klinische psychodiagnostiek wordt informatie verzameld over de cliënt en zijn omgeving om zo de meest adequate aanpak te ontwikkelen voor het probleem dat door de cliënt zelf of door zijn omgeving is gesignaleerd. Voor klinische psychodiagnostiek gebruiken we het verkorte woord diagnostiek.

    Diagnostiek heeft een belangrijke plaats binnen de hulpverlening. Het is op de eerste plaats een duidelijk te onderscheiden fase en op de tweede plaats is het als ware ingebouwd in het proces van interventie. Vroeger lag in de diagnostiek de aandacht op het gebruik van testen. Tegenwoordig is de aandacht verschoven naar het diagnostisch proces en dan met name naar de wijze waarop daarbinnen de besluitvorming plaats moet vinden. Deze handleiding focust op de jeugdhulpverlening; op kinderen en jongeren dus.

    Wat is het klinisch oordeel en het ongewapende oordeel?

    Onder klinisch oordeel verstaan we het nemen van beslissingen op basis van eigen ervaringen en intuïtie. Nu spreken we in plaats van klinisch oordeel over ongewapend oordeel. Dit houdt in dat de diagnosticus oordelen uitspreekt zonder expliciet een beroep te doen op methodologische principes of systematische procedures. Het ongewapend oordeel leidt in tal van beslissingssituaties tot tekorten en vertekeningen. Bij complexe beslissingssituaties zoals je die ziet in de diagnostiek gaat het niet om een enkelvoudig oordeel, maar om een afweging van verschillende soorten informatie, afkomstig uit verschillende bronnen (kind, ouders, leerkracht en daarbij levensgebeurtenissen, testresultaten en dingen als de gezinssamenstelling).

    Wat is het prescriptief kader?

    Een prescriptief kader of model laat het ontwerpen van heuristische procedures toe die aan het diagnostisch proces in de praktijk sturing geven. Heuristische procedures zijn procedures die de kans op succes vergroten. Kennis en vaardigheden op het gebied van diagnostische instrumenten en beslissingsprocedures moeten hierin zijn verwerkt. Je kunt het prescriptief kader dus zien als een soort richtlijn. Het kader geeft de bestaande visie op de eisen die aan een verantwoorde diagnostiek gesteld worden.

    Wat zijn de verschillende hulpmiddelen in de diagnostiek?

    Een diagnosticus is afhankelijk van de kwaliteit van de hulpmiddelen die hem bij het beoefenen van zijn vak ten dienste staan. We onderscheiden vier verschillende soorten hulpmiddelen:

    • Inhoudelijke theorieën over het ontstaan en in stand blijven van probleemgedrag.
    • Kennis over normale en afwijkende ontwikkelingspatronen.
    • Instrumenten en technieken om gedragsverschijnselen in kaart te brengen.
    • Statistische en psychometrische technieken om gegevens te verwerken.

    Een gedisciplineerde vakbeoefening wordt nagestreefd in de diagnostiek. Dit betekent dat het handelen van de diagnosticus verloopt volgens regels die door hem zelf uitdrukkelijk geformuleerd kunnen worden. Deze manier kun je een empirisch-analytische aanpak noemen.

    Access: 
    Public
    Wat zijn de uitgangspunten van de diagnostische cyclus? - Chapter 2

    Wat zijn de uitgangspunten van de diagnostische cyclus? - Chapter 2

    In het dagelijks leven analyseren we persoonlijke en andermans problemen en we zoeken naar verklaringen en oplossingen voor die problemen. Als we dit ondersteunen met wetenschappelijke empirische kennis dan spreken we van wetenschappelijke diagnostiek. Bij deze empirische benadering worden veronderstellingen over de werkelijkheid getoetst aan de feiten (resultaten van onderzoek), en dan met name op een wijze die door andere onderzoekers herhaalbaar is. De Groot benadrukte de empirische toetsing van hypothesen. Hij sprak van een psychodiagnostische cyclus waarin een diagnosticus de algemene denkschema’s van inductie, deductie en toetsing toepast. De Groot ziet deze algemene denkschema’s als fasen in de empirische cyclus, maar dan voorafgegaan door observatie en afgesloten met evaluatie. In de praktijk kan diagnostiek lang niet altijd voldoen aan al deze eisen. Bovendien moet rekening worden gehouden met de cliënt, waar het in de hulpverlening om draait: een bepaald instrument kan soms niet gebruikt worden omdat dit het vertrouwen van de cliënt in de diagnosticus zou schaden.

    Wat houdt de verwetenschappelijking van diagnostiek in?

    Van Strien is een diagnosticus die spreekt over de verwetenschappelijking van de diagnostische praktijk. Van Strien heeft een aantal punten die een diagnosticus wetenschappelijker maken:

    • Explicieter werken met theorieën en de verschillende theorieniveaus duidelijker met elkaar in verband brengen.
    • Bewust uitleggen waarom hij wel of niet voor een bepaalde theorie kiest.
    • Duidelijker die denkstappen vastleggen die hebben geleid tot het advies.
    • Onderzoek doen naar de waarde van de theorieën voor de specifieke problemen en naar het effect van de ingrepen.
    • De resultaten van eigen werk uitwisselen met collega’s.

    Wat zijn de verschillende foutbronnen?

    Vanaf het eerste contact met de cliënt begint voor de diagnosticus een complex proces dat bestaat uit verzamelen, interpreteren en afwegen van informatie. De kennis die een diagnosticus heeft (methodologische, instrumentele en ervaringskennis) dient meestal als inspiratiebron voor het denkproces en niet als kant-en-klare oplossing voor het probleem. Zoals in vele beroepen moet ook de diagnosticus oordelen en beslissen in onzekerheid. Het werk van een diagnosticus bestaat dan ook uit het schatten, afwegen en herzien van kansen.

    Een voorbeeld uit de praktijk: De cliënt van de diagnosticus geeft een beschrijving van het probleemgedrag. Het beeld dat bij de diagnosticus hierbij ontstaat is het beeld van een kind met separatieangst. Gezien de leeftijd van het kind kan het ook worden gezien als een protestactie op een onderbreking van de opvoedingsrelatie.

    Uit dit voorbeeld kun je zien dat er geen test is die bepaalt welke van de twee mogelijkheden bij het gedrag van het kind hoort. De diagnosticus gaat op zoek naar literatuur waarvan hij vermoedt dat het vaker in het ene dan in het andere geval wordt aangetroffen. Het complexe beoordelingsproces begint dan ook al bij de keuze van het verzamelen van informatie. Het beste kan de diagnosticus zijn subjectieve verwachtingen proberen te ondersteunen en beargumenteren vanuit een (noodzakelijk) beperkte steekproef uit de literatuur.

    Uit onderzoek is gebleken dat mensen in het algemeen slecht zijn in het schatten, afwegen en herzien van kansen. Vaak is men niet in staat om uit een aantal gegevens die informatie te halen die van belang is voor de kansschatting. Ook is het formuleren van een kansschatting ongebruikelijk en moeilijk. Er is gebleken dat mensen bij het schatten en redeneren van kansen afwijken van wat logisch en statistisch voorgeschreven wordt.

    Er is onderzoek gedaan naar de oorzaken van deze afwijkingen (o.a. Tversky en Kahneman, 1974). Hier kwam in naar voren dat een tal van cognitieve vuistregels en heuristieken in het dagelijks leven adequaat zijn, maar tot vertekening leiden bij kansschattingen. Heuristieken zijn zoekstrategieën die tot oplossingen kúnnen leiden. Twee conclusies uit het onderzoek:

    • De beschikbaarheidsheuristiek: Dit houdt in dat we de kans op het optreden van een verschijnsel hoger inschatten als we minder moeite hebben om voorbeelden van het verschijnsel voor de geest te halen.
    • Mensen hebben de neiging om informatie te zoeken die de eigen opvattingen ondersteunt.

    Fouten en vertekeningen blijken in elke fase van de diagnostische besluitvorming voor te komen. Het is dus van belang dan diagnostici hun eigen stappen en voorwaarden reflecteren, zowel voor, tijdens als na het onderzoek.

    Wat zijn beslissingstheorieën?

    We onderscheiden twee soorten beslissingstheorieën: descriptieve beslissingstheorie en normatieve beslissingstheorie.

    Bij de descriptieve beslissingstheorie is het onderzoek naar fouten en vertekeningen bij oordelen en beslissingen beschrijvend van aard. Hier wordt vooral nagegaan hoe het oordelen en beslissen feitelijk verloopt en niet hoe het zou moeten verlopen. Ook houdt het zich bezig met het verklaren van beslissingsgedrag. De normatieve beslissingstheorie gaat verder dan alleen beschrijven en verklaren. Het geeft ook aan hoe de beslisser formeel te werk moet gaan op basis van een aantal rationele grondregels (axioma’s). Dit vindt plaats in de besliskunde. De besliskunde is een verzameling van modellen en procedures die aangeven hoe de beslisser in de verschillende stappen van het beslissingsproces het beste kan handelen met het oog op het te bereiken doel. Het vermijden van fouten en vertekeningen is hierbij een onderdeel. Ook in het diagnostisch beslissingsproces, een proces waarin opties en consequenties geformuleerd en geëvalueerd worden, kunnen procedures uit de besliskunde worden ingezet.

    In de diagnostiek vinden we bepaalde stel- en spelregels voor onderzoek. Deze zijn vergelijkbaar met de voorschriften in de algemene methodische beschouwingen over het inrichten van empirisch onderzoek.

    Deze voorschriften garanderen niet dat het onderzoek ook feitelijk tot de oplossing van het onderzoeksprobleem bijdraagt. Wel wordt aangenomen dat het volgen van de voorschriften de kans op het leveren van een oplossing verhoogt.

    Hoe verschilt normatieve diagnostiek van prescriptieve diagnostiek?

    De normatieve diagnostiek houdt zich bezig met het formuleren, funderen en onderzoeken van diagnostische regels en procedures. Dit is een begrip van Westmeyer. In dit boek spreken we echter van prescriptieve diagnostiek. Er zijn drie redenen waarom er soms wordt gesproken van prescriptieve diagnostiek in plaats van normatieve diagnostiek:

    • Het begrip normatief van Westmeyer heeft een algoritmische betekenis in plaats van een heuristieke betekenis.
    • Normatief wordt in de besliskunde ook in algoritmische zin gebruikt. De algoritmische modellen zijn daarbij ook alleen bruikbaar in goed gedefinieerde beslissingssituaties die in de klinische diagnostiek zelden voorkomen.
    • In de besliskunde gaan (vanwege bovenstaand argument) juist stemmen op om de term prescriptief te gebruiken voor beslissingondersteuning in complexe, naturalistische situaties.

    Prescriptieve diagnostiek is een internationaal bruikbare term voor de Nederlandse term ‘leer van de diagnostiek’. Prescriptieve studies houden zich bezig met de vraag hoe een diagnosticus het diagnostisch proces vorm kan geven; specifiek voor deze diagnostiek is dat de spelregels ervan gezocht worden in de grondkenmerken van het professionele diagnostisch proces. De ontwikkelingen van de prescriptieve diagnostiek in Nederland zijn begonnen met de empirische cyclus van De Groot. In deze cyclus staat het voortbrengen en toetsen van hypothesen centraal. Daarom worden in Nederland de modellen die op de empirische cyclus zijn georiënteerd hypothesetoetsende diagnostische modellen genoemd. Diagnostiek is een open systeem. De huidige diagnostische modellen geven alleen in algemene zin aan welke stappen in welke volgorde doorlopen moeten worden; een kant-en-klaar beslissingsmodel bestaat niet: diagnostiek is immers een combinatie van methodologische kennis en het inzetten van die kennis op een specifieke cliënt.

    Access: 
    Public
    Hoe verloopt de diagnostische cyclus? - Chapter 3

    Hoe verloopt de diagnostische cyclus? - Chapter 3

    Hoe kom je van hulpvraag tot cyclus?

    Het diagnostisch proces start als de cliënt zich rechtstreeks of via een verwijzer heeft aangemeld. De cliënt heeft één of meerdere hulpvragen. Niet elke hulpvraag hoeft te leiden tot diagnostisch handelen (niet elke hulpvraag is een diagnostische hulpvraag). De diagnosticus gaat daarom samen met zijn cliënt na aan welk soort informatiebehoefte is. Dan formuleert de diagnosticus diagnostische hulpvraag van de cliënt, die wordt geherformuleerd tot een vraagstelling. De vraagstelling wordt hierbij gezien als onderzoeksvraag, waardoor de link wordt gemaakt tussen type vraagstelling en type onderzoek. Kortgezegd, ziet het proces er als volgt uit (met C=cliënt en D=diagnosticus):

    Hulpvraag (C) leidt tot een type diagnostische hulpvraag (D), leidend tot een type vraagstelling (C en D) en vervolgens tot een type onderzoek (D).

    We onderscheiden vier verschillende typen diagnostische hulpvragen, vraagstelling en onderzoek: verhelderend, onderkennend, verklarend en indicerend.

    Hoe ziet het diagnostische scenario eruit?

    De hulpvraag van de cliënt is vaak complex. In de meeste gevallen is er niet één hulpvraag, maar zijn er meerdere hulpvragen. Bij meerdere vragen volgt ook een combinatie van onderzoekstypen. Het doel van elk diagnostisch onderzoek door de diagnosticus is een optimaal antwoord geven op de vraag van de cliënt.

    Als er een combinaties van hulpvragen voorkomen dan is er bijna nooit sprake van willekeurige volgorde van de typen onderzoek, meestal is er sprake van een noodzakelijke volgorde. Zo zal een indicatie voor de noodzakelijke hulp pas gegeven kunnen worden, wanneer het probleem is onderkend. De volgorde in de diagnostiek wordt aangeduid met het begrip diagnostisch scenario. Het diagnostisch scenario begint altijd met een verheldering van de hulpvraag van de cliënt. We kunnen spreken van verschillende soorten scenario’s:

    • Het 0-scenario: Na het verhelderend onderzoek komt de diagnosticus samen met de cliënt tot de conclusie dat verder onderzoek niet nodig is.

    Wanneer wel verder onderzoek nodig is, wordt het scenario benoemd aan de hand van het aantal overgangen dat gemaakt wordt:

    • Het 1-scenario: Na het verhelderend onderzoek vind nog één type onderzoek plaats. Bijvoorbeeld verheldering-onderkenning.
    • Het 2-scenario: Na het verhelderend onderzoek volgen nog 2 typen onderzoek. Bijvoorbeeld verheldering-onderkenning-indicatie.
    • Het 3-scenario: Na het verhelderend onderzoek volgen nog 3 typen onderzoek. Dit is het meest volledige scenario (verheldering-onderkenning-verklaring-indicatie).

    Er is niet altijd een volledig diagnostisch 3-scenario nodig om over te kunnen gaan op de keuze van de best passende interventie.

    In het diagnostisch scenario worden de verschillende onderzoekstypen aangeduid met elk een eigen intrinsiek doel. De activiteiten die een diagnosticus bij deze stappen uitvoert duiden we aan met (op volgorde van de onderzoekstypen) klachtenanalyse (KA), probleemanalyse (PA), verklaringsanalyse (VA) en indicatieanalyse (IA).

    Wat zijn verschillende typen diagnoses en verschillende typen hypothesen?

    In de praktijk spreken we van diagnose in de betekenis van onderkenning van een stoornis (hier is sprake van ADHD) of verklaring voor het probleem of de stoornis. Hier kiezen we er voor om een onderscheid te maken tussen vier verschillende diagnoses die overeenkomen met de verschillende typen onderzoek. Deze zijn ook gekoppeld aan de verschillende stappen in de diagnostische cyclus:

    • Verhelderende diagnose als uitkomst van de klachtenanalyse.
    • Onderkennende diagnose als uitkomst van de probleemanalyse.
    • Verklarende diagnose als uitkomst van de verklaringsanalyse.
    • Indicerende diagnose als uitkomst van de indicatieanalyse.

    We hebben in de diagnostische besluitvorming ook te maken met hypothesen. Dit zijn voorlopige uitspraken die nog aan (nieuw) feitenmateriaal moeten worden getoetst. Ook hier maken we weer onderscheid tussen vier verschillende typen hypothesen die overeenkomen met de verschillende typen onderzoek:

    • Verhelderende hypothese
    • Onderkennende hypothese
    • Verklarende hypothese
    • Indicerende hypothese

    Bij dit onderscheid in de verschillende typen hypotheses wijkt het boek af van het gebruikelijke standpunt. Als in de praktijk naar het ‘hypothesetoetsend’ model wordt verwezen, spreekt men meestal over verklarende hypothesen. Dit is ook logisch, omdat het verklarende deel van de diagnostiek wetenschappelijk onderbouwd kan worden door theorieën. Bij de overige onderzoekstypen kunnen echter ook hypothesen voorkomen, vandaar het overzicht als in dit boek.

    Tot nu toe werd het diagnostisch proces beschreven als een scenario waarbij je vier stappen moest doorlopen. Het doorlopen van dit scenario gebeurt zelden rechtlijnig, maar een optimaal diagnostisch beslissingsproces heeft een cyclisch verloop. Dit houdt in dat het volledige scenario herhaald wordt doorlopen of onderdelen eruit. De diagnostische cyclus is prescriptief. De stappen en substappen die de diagnosticus moet doorlopen, worden voorgeschreven.

    In de diagnostische cyclus hangt de beslissing van de diagnosticus om verder te gaan, stappen te herhalen of een stap terug te gaan af van de zekerheid van de informatie de stap oplevert. Als iedere stap de eerste keer tot voldoende zekerheid leidt dan wordt de cyclus eenmalig doorlopen en is er sprake van een lineaire diagnostische sequentie.

    Hoe ziet de diagnostische cyclus eruit?

    De diagnostische cyclus start met een aanmelding. Hierna volgen in de cyclus de klachtenanalyse, probleemanalyse, indicatieanalyse en probleemanalyse. Uiteindelijk wordt er een advies gegegeven. Elke stap levert een conclusie op. Als er onvoldoende zekerheid is zou de diagnosticus de stap moeten herhalen.

    Wat is de rol van klachtenanalyse?

    De klachten van de cliënt vormen de ingang tot het diagnostisch proces. Het zijn uitspraken die aangeven dat de situatie of het gedrag van de cliënt, of de gevolgen daarvan, door de cliënt als negatief worden beoordeeld. In de klachtenanalyse verzamelt de diagnosticus de klachten van de cliënt en gaat hij na of de verwoording van de cliënt overeenkomt met wat de cliënt werkelijk bedoelt. De klachtenanalyse is een ordening van de klachten. De uitkomst van de klachtenanalyse is een ordening van de klachten. We spreken dan van een verhelderende diagnose.

    Wat is de rol van probleemanalyse?

    Problemen zijn gedragingen of situaties van de cliënt waarover de diagnosticus op empirische of theoretische gronden kan aannemen dat er voor de cliënt sprake is van een ongunstige toestand.

    Die ongunstige toestand houdt in dat de psychosociale aanpassingen en ontwikkeling van de cliënt verstoord of bedreigd worden. De diagnosticus zal in de probleemanalyse:

    • Een verband leggen tussen klachten en problemen
    • Dit verband controleren
    • De problemen benoemen en groeperen
    • De ernst van het probleem taxeren

    De uitkomst van de probleemanalyse is het benoemen van het probleem. We spreken dan van een onderkennende diagnose.

    Wat is de rol van verklaringsanalyse?

    Verklaringen zijn empirisch getoetste uitspraken over condities die afzonderlijk of in samenhang het probleem in stand houden of hebben laten ontstaan. Voordat de verklarende uitspraken getoetst zijn, heten zij nog hypothesen. Een diagnosticus zal in de verklaringsanalyse:

    • Hypothesen ontwerpen
    • Empirische toetsbare voorspellingen afleiden van de hypothese
    • De voorspellingen toetsen en formuleren
    • Een integratief beeld opstellen

    De uitkomst van de verklaringsanalyse is een samenhangend beeld, waar één of meerdere condities een verklaring voor het probleem zijn. We spreken dan van een verklarende diagnose.

    Wat is de rol van indicatieanalyse?

    Indicaties zijn empirische of theoretische onderbouwde aanbevelingen voor één of meerdere interventies. Deze interventies hoeven nog niet gespecificeerd te zijn. Een diagnosticus zal in de indicatieanalyse:

    • Een globaal interventie doel formuleren
    • Een inventarisatie maken voor de aanmerking komende typen interventie
    • Het nut van de mogelijke alternatieven bepalen
    • Onderzoeken of de indicatiecriteria voor de verschillende interventies van toepassing zijn
    • De kans van slagen van mogelijke interventies inschatten
    • De uiteindelijke aanbeveling formuleren

    De uitkomst van de indicatieanalyse is een lijst van indicaties in de zin van aanbevelingen voor mogelijke interventies. We spreken dan van een indicerende diagnose.

    Hoe verloopt de klinische cyclus?

    De hulpverlening heeft twee hoofdactiviteiten. Dit zijn diagnostiek en interventie. De diagnostische cyclus heeft betrekking op de stappen die aan de interventie vooraf gaan, maar toch kun je deze niet los van elkaar zien. De laatste stap uit de diagnostische cyclus, de indicatieanalyse (DC), leidt tot het kiezen van een bepaald type interventie en een te bereiken doel. Hierna wordt er een nieuwe cyclus doorlopen; de therapiecyclus (TC), interventiecyclus of behandelingscyclus genoemd. De stappen die horen bij de therapiecyclus zijn planning (PL), uitvoering (UV) en het beoordelen van het effect (BE). De DC met de TC samen leiden tot een klinische cyclus (KC). De klinische cyclus bestaat dus uit twee deelcycli. Hierna wordt een evaluatie (EV) vereist van de gehele cyclus. Dit zijn de diagnostische cyclus en de therapiecyclus. Met elk hun verschillende stappen. Na het doorlopen van de volledige cyclus volgt een evaluatie. 

    De indicatieanalyse is de sleutel tussen de diagnose en de interventie. Doordat de diagnostische cyclus en de therapeutische cyclus onderdelen zijn van de klinische cyclus betekent dit niet dat ze hun zelfstandigheid of identiteit verliezen. De kwaliteit van de hulpverlening is juist gebaat bij de beschikking over verschillende prescriptieve modellen voor diagnose en behandeling. Waarom is de kwaliteit van de hulpverlening daarbij gebaat? Hiervoor zijn twee argumenten:

    • Er zijn problemen waarvoor geen interventie bekend, beschikbaar of nodig is. In dit geval gebruik je maar 1 deelcyclus.
    • Als er wel een volledige klinische cyclus mogelijk is, is de ene deelcyclus een controle op de andere (zie volgend stuk).

    In de klinische cyclus wordt de interventie bepaald door de informatie die is gevonden in de klachtenanalyse (KA), probleemanalyse (PA), verklaringsanalyse (VA) en de indicatieanalyse (IA). Of de interventie slaagt is dus mede afhankelijk van de juistheid van de diagnostische informatie. Het kan ook voorkomen dat de diagnostische informatie juist is, maar dat de interventie verkeerd is toegepast of de verkeerde is gekozen. Daarom zijn twee dingen belangrijk:

    • De diagnosticus moet de behandelaar een beargumenteerd advies voorleggen.
    • De behandelaar moet aan de diagnosticus kunnen aantonen dat de interventie op de diagnostische informatie is afgestemd en dat het volgens de regels wordt uitgevoerd.

    Je kunt de uitkomst van een diagnostische cyclus, het advies, dus zien als voorwaardelijke voorspelling die door een correct uitgevoerde interventie op zijn waardigheid getoetst kan worden; pas als de interventie op een goede manier uitgevoerd is, kan beoordeeld worden of de voorafgaande diagnosen correct opgesteld waren.

    Wat is de invulling van de therapeutische cyclus volgens Ruijssenaars?

    Voor de invulling van de therapeutische cyclus is er een voorstel gedaan door Ruijssenaars om deze anders in te vullen. In plaats van planning (PL), uitvoering (UV) en het beoordelen van het effect (BE), wil Ruijssenaars de verkennende behandelingsanalyse (VBA), voorspellen van reacties (VR), toetsende behandeling (TB) en evaluatie ten opzichte van het globale doel (EGD).

    Wat is de invulling van de regulatieve cyclus van Van Strien?

    In de klinische cyclus wordt ook het domein bestreken dat voorkomt in de regulatieve cyclus van Van Strien. De regulatieve cyclus verwijst net als de empirische cyclus naar het algemene methodologische grondfiguur van het wetenschappelijke handelen. In de regulatieve cyclus van Van Strien staan de stappen:

    1. Probleemstelling
    2. Diagnose
    3. Plan
    4. Ingreep
    5. Evaluatie

    Van Strien spreekt van regulatief, omdat het vanaf het begin gericht is op het bewerkstelligen van een verandering in de ongewenste situatie. Bij de diagnostisch cyclus hoeft de diagnosticus echter niet vanaf het begin af aan te streven naar veranderingen. De regulatieve cyclus van Van Strien zelf hoeft ook niet automatisch te leiden tot een ingreep. Het is mogelijk om stappen terug te nemen. Dit zie je ook terug bij de diagnostische cyclus.

    Hoe is het diagnostisch model toepasbaar in de praktijk?

    De omzetting van het model in een procedure kan verschillende gradaties van striktheid aannemen. De meest losse vorm is dat de diagnosticus het model in zijn achterhoofd houdt als referentiekader. De toepassing van het model wordt voor buitenstaanders pas zichtbaar in het diagnostisch verslag. De meest strikte/formele vorm is dat de cyclus strikt volgens een vooraf gesteld stappenplan wordt doorlopen aan de hand van vooraf geformuleerde regels. De diagnostische cyclus kun je niet alleen met het kind, jongere of volwassene doorlopen, maar ook met een gezin. Dit is wel wat gecompliceerder, omdat het gezin dient als cliënt en alle stappen van de diagnostische cyclus in dialoog met het gezin moeten worden doorlopen. Dit is niet onmogelijk, het blijft erg moeilijk uitvoerbaar; zo moeten kinderen van een bepaalde leeftijd zijn om als volwaardig lid te worden meegenomen in het diagnostisch proces, en kan het simpelweg vanwege organisatorische problemen niet geregeld worden. Bij individuele problematiek van kinderen is het gezin altijd wel het referentiekader; dus het gezin is altijd in zekere mate al betrokken. Het is niet altijd nodig dat de diagnosticus bij een onderzoek de hele diagnostische cyclus doorloopt. Hiervoor zijn verschillende redenen:

    • De diagnosticus heeft onvoldoende tijd en middelen om het volledige scenario in een concrete procedure om te zetten.
    • De diagnosticus kan van oordeel zijn dat het gedeeltelijk doorlopen van cyclus al voldoende informatie heeft opgeleverd om een bruikbaar advies voor de cliënt te kunnen formuleren.
    • De diagnosticus komt erachter dat zijn kennis ontoereikend is om de volledige cyclus te doorlopen.

    Er zijn ook verschillende redenen te noemen waarom in het bijzonder de stap van de verklaringsanalyse juist wel belangrijk is. Bijvoorbeeld in het geval van een hardnekkig onderkend probleem, waarbij een verklaring van het probleem kan helpen bij het indiceren van een behandeling. Het is dus afhankelijk van de casus of je de volledige cyclus doorloopt of niet.

    Welke verschillende heuristieken zijn er in de diagnostische cyclus?

    Er zijn verschillende heuristieken (vuistregels) om de kwaliteit van de diagnostische besluitvorming in opleiding en praktijk te optimaliseren. De verschillende vuistregels zijn in verschillende fasen van de diagnostische cyclus van invloed.

    • Causale (actor-observator) attributie houdt in dat de persoon die handelt, de actor, zijn gedrag verklaart vanuit externe, situationele omstandigheden. De observator verklaart het handelen van de persoon vanuit interne, stabiele disposities.
    • Gedragsconfirmatie houdt in het door middel van eigen gedrag uitlokken van informatie die de eigen denkbeelden ondersteunt (b/v: de diagnosticus geeft stille signalen als knikken en glimlachen wanneer de cliënt iets vertelt wat een angststoornis zou kunnen ondersteunen).
    • Beschikbaarheid houdt in dat het oordeel over de mate waarin een verschijnsel voorkomt, wordt geleid door het gemak waarmee men voorbeelden kan bedenken (bijvoorbeeld: de diagnosticus heeft zich georiënteerd op gezinssysteemtheorieen en denkt daardoor sneller bij problematiek aan een oorzaak in de gezinsomstandigheden).
    • Representativiteit houdt in dat het oordeel over de kans waarmee het verschijnsel optreedt, wordt geleid door de mate waarin het te beoordelen verschijnsel overeenkomt met wat voor dat verschijnsel als typerend wordt opgevat (de diagnosticus beveelt een behandeling aan, omdat de cliënt beantwoord aan het beeld van cliënten die baat hebben bij die behandeling).
    • Verankering houdt in dat oordelen over de frequentie of omvang sterk verankerd blijven in de aanvangswaarden die de beoordelaar hanteert (als een diagnosticus eerst met verstandelijk gehandicapte kinderen heeft gewerkt, zal hij eerder vinden dat het met kinderen uit een bepaalde praktijk ‘wel meevalt’ met cognitieve problemen).
    • Confirmatorische teststrategie houdt in dat er informatie wordt opgezocht die bij de eigen mening aansluit.
    Access: 
    Public
    Wat is het startpunt van de diagnostische cyclus? - Chapter 4

    Wat is het startpunt van de diagnostische cyclus? - Chapter 4

    Hoe verloopt de aanmelding?

    De aanmelding is het startpunt van de diagnostische besluitvorming. Vragen die hierbij beantwoord moeten worden zijn:

    • Is de aanmelding ontvankelijk? D.w.z.: zijn de formele posities van alle betrokkenen duidelijk, zijn er geen juridische beletselen en zijn er voldoende aanwijzingen voor een goede samenwerking tussen diagnosticus en cliënt.
    • Zo ja, wat is het vervolgtraject? Dan moeten eerst afspraken worden gemaakt over het vervolgtraject en de posities van de betrokkenen: welke speelruimte is er voor diagnosticus en cliënt?

    De aanmelding wordt gedaan door de cliënt zelf of door een verwijzer. Het resultaat van de aanmeldingsfase is de beslissing het diagnostisch proces met de cliënt voort te zetten of niet. De aanmelding hoort strikt genomen niet bij de diagnostische cyclus. Als het diagnostisch onderzoek in opdracht verloopt dan is de beslissing al dan niet doorgaan met de cliënt in overleg met de opdrachtgever al eerder genomen. Een goede start is van groot belang. Een slechte start kan de samenwerking met de cliënt bemoeilijken. Het kan ook een negatief effect hebben op de door de cliënt geleverde informatie. Het is belangrijk dat de diagnosticus het aanmeldingstraject in kaart brengt. Hierin staat de formele positie van alle betrokkenen en de reden van aanmelding.

    Ook al gebeurt de aanmelding door één persoon, er zijn (vooral bij kinderen) meestal meerdere personen in het spel. Het is moeilijk om de positie en de rol van alle betrokkenen te beschrijven. De beroepscode voor pedagogen van de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (B-NVO) maakt onderscheidt tussen de begrippen cliënt, cliëntsysteem, opdrachtgever en overige betrokkenen:

    • Cliënt: De persoon of instelling met wie de pedagoog een professionele relatie aangaat.
    • Cliëntsysteem: Als een pedagoog meerder personen tegelijk als cliënt heeft bij één opdracht. Je kunt dan denken aan een kind met ouders.
    • (Externe) opdrachtgever: De persoon die opdracht geeft voor het aangaan voor een professionele relatie (niet de cliënt, cliëntsysteem of verwijzer).
    • Overige betrokkenen: Niet de cliënt en opdrachtgever, maar personen die wel een betrekking hebben met de cliënt die voor de professionele relatie van belang kan zijn.

    Wat is de rol van de verwijzer?

    De verwijzer is een persoon die de cliënt vanuit een professionele relatie met die cliënt heeft gewezen op het belang van psychopedagogische hulpverlening. Dit kan bijvoorbeeld de leerkracht, huisarts of pastor zijn.

    Wat is de rol van de aanmelder?

    De aanmelder is de persoon die daadwerkelijk contact heeft opgenomen met de hulpverlener, met het verzoek om aandacht te besteden aan de problemen van de cliënt.

    Wat is de rol van de opdrachtgever?

    De opdrachtgever is de persoon die met een wettelijk-professionele bevoegdheid de opdracht heeft gegeven tot het uitvoeren van een diagnostisch onderzoek. Het diagnostisch onderzoek moet antwoord geven op de door de opdrachtgever geformuleerde hulpvraag.

    Wat is de rol van de cliënt?

    De cliënt is de persoon op wie het diagnostisch onderzoek betrekking heeft.

    Wat houdt het cliëntsysteem in?

    Het cliëntsysteem bestaat uit een groep personen waarop het diagnostisch onderzoek betrekking heeft.

    Wie zijn de betrokkenen?

    Dit zijn alle overige instanties en personen die zodanig bij de aanmelding en het vervolgtraject betrokken zijn, dat ze op de hoogte moeten worden gesteld van de uitkomsten van het onderzoek. We maken onderscheidt tussen twee betrokkenen:

    • Direct betrokkenen zoals de ouders/opvoeders
    • Indirect betrokkenen zoals de leerkracht of arts

    Bij de hulpverlening aan kinderen zijn bij de aanmelding meestal ook de opvoeders betrokken. Als de opvoeder het initiatief heeft genomen tot aanmelding kun je de opvoeder zien als opdrachtgever. De opvoeders kunnen dus verschillende posities innemen in het diagnostisch proces. Enkele posities die de ouders kunnen innemen, zijn:

    • Ouders als opdrachtgever
    • Ouders als cliënt die het kind als problematisch ervaren
    • Ouders die toestemming moeten geven voor diagnostisch onderzoek van hun kind
    • Ouders als doelwit van het onderzoek. Hiermee bedoelen we dat de ouders gezien worden als mogelijke factor in het ontstaan of instandhouden van het probleemgedrag van het kind
    • Ouders als lastpost of tegenpartij
    • Ouders als betaler van het diagnostisch onderzoek

    Welke relaties onderhouden betrokkenen?

    De aanmeldingsfase kan pas worden afgesloten als de grenzen van de professionele relatie en de daarbij horende rechten en plichten zijn afgebakend. De rechten en plichten staan beschreven in de beroepscodes. Voor het diagnostisch onderzoek begint, moet duidelijk zijn wie de opdrachtgever is; een externe opdrachtgever of de cliënt zelf. We maken onderscheid tussen een professionele relatie en een samenwerkingsrelatie. Een professionele relatie verwijst naar de formele positie die de betrokkenen ten opzichte van elkaar innemen en een samenwerkingsrelatie verwijst naar de kwaliteit van het contact zoals dat tussen diagnosticus en betrokkenen plaatsvindt. De definitie van het begrip professionele relatie door het B-NIP (beroepscode voor psychologen) is: de behandelings-, onderzoeks-, adviserings-, of begeleidingsrelatie tussen psycholoog en cliënt of cliëntsysteem. De definitie van het begrip professionele relatie door het B-NVO (beroepscode voor pedagogen) is: een relatie die beroepshalve is aangegaan met een cliënt gericht op onderzoek, behandeling, adviseren of begeleiding. In beide beroepscodes wordt aangegeven dat je met een minderjarige vanaf 16 jaar een professionele relatie kunt aangaan. Ook wordt in beide beroepscodes genoemd dat van een kind onder de 12 de rechten en plichten van het kind uitgeoefend worden door de wettelijk vertegenwoordigers.

    Hoe verloopt het proces van aanmeldingstraject tot vervolgtraject?

    Onder aanmeldingstraject verstaan we de gang van zaken die heeft geleid tot de feitelijke aanmelding. Dit heeft niet alleen betrekking op wat zich wanneer heeft afgespeeld, maar ook op diegenen die daarbij betrokken waren. Als er afspraken zijn gemaakt over het vervolgtraject kan de aanmeldingsfase worden afgerond. Onder vervolgtraject verstaan we de gang van zaken bij voortzetting van het contact. We maken onderscheid tussen twee soorten vervolgtrajecten:

    • Hulpverleningstraject: de opdrachtgever valt samen met de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger. De aanmelding is op initiatief of met vrije instemming van de cliënt tot stand gekomen.
    • Dienstverleningstraject: de opdrachtgever is iemand anders dan de cliënt zelf of diens wettelijk vertegenwoordiger.

    Deze twee trajecten laten speelruimte toe. Hieronder verstaan we de vrijheid of beslisruimte waarmee het diagnostisch traject uitgevoerd kan worden. We onderscheiden twee verschillende soorten vrijheden:

    • Procedurele vrijheid: vooraf worden geen stappen van de diagnostische cyclus uitgesloten. Het verschilt per aanmelding hoe het traject eruit zal zien. Als vooraf al vaststaat welke stappen van de diagnostische cyclus doorlopen worden, dan is er procedureel geen beslisruimte meer voor de diagnosticus, en ook niet voor de cliënt.
    • Inhoudelijke vrijheid: de beslisvrijheid qua inhoud van wat wordt onderzocht. Als er gelijkwaardig overleg is tussen de diagnosticus en de cliënt over waarop het onderzoek zich zal richten, dan hebben zowel de cliënt als de diagnosticus beslisvrijheid. Als slechts één van de partijen bepaalt wat onderzocht moet worden dan is voor de andere partij geen beslisvrijheid meer.

    Trajecten waarbij een procedurele vrijheid en een inhoudelijke vrijheid is, en waarbij de diagnosticus en de cliënt keuzen kunnen maken vinden we alleen binnen een vrijwillige hulpverleningscontext. De cliënt moet zich hierbij vrijwillig aanmelden en zich wenden tot een vrijgevestigde hulpverlener. In de meeste gevallen doen cliënten een beroep op institutionele instellingen zoals bureau jeugdzorg en onderwijsbegeleidingsdienst. De speelruimte van de diagnosticus en de cliënt wordt dan begrensd door de randvoorwaarden van deze instellingen. Ook in een dienstverleningstraject is er weinig speelruimte. De beslisruimte aan de kant van de cliënt is meestal beperkt. Er wordt een verslag gemaakt van de aanmeldingsfase. Hierin wordt de relevante informatie die is verzameld samengevat. Dit verslag kan men weergeven in de vorm van een startcontract. Hierdoor krijgt de cliënt zicht op wat de diagnosticus van hem verwacht en wat de cliënt kan verwachten van de diagnosticus.

    Wat zijn professionele voorwaarden?

    In de aanmeldingsfase wordt het eerst contact gelegd met de cliënt. In deze fase gelden dan ook vooral professionele voorwaarden. We maken hierbij onderscheid tussen relationele voorwaarden en zakelijke voorwaarden.

    Wat zijn relationele voorwaarden?

    De diagnosticus moet in staat zijn tot een luisterende, empathische, ondersteunende en integere houding. Als de diagnosticus dit goed doet en de cliënt het gevoel geeft dat er naar hem wordt geluisterd en zich serieus genomen en begrepen voelt, dan zal de cliënt meer bereid zijn om aan het onderzoek mee te werken en zal meer vertrouwen hebben in de diagnosticus en zijn aanbevelingen voor de hulpverlening.

    Wat zijn zakelijke voorwaarden?

    De diagnosticus moet in staat zijn om correcte informatie te verstrekken over wat de cliënt en/of de opdrachtgever wel en niet kunnen verwachten en wat de mogelijke alternatieven zijn als er geen vervolgtraject plaatsvindt. Door heldere en onpartijdige informatieverstrekking voorkom je onterechte verwachtingen.

    Wat zijn de vier stappen in de werkwijze van het aanmeldingstraject?

    Bij de werkwijze van het aanmeldingstraject worden er vier stappen doorlopen:

    1. Bepalen van het verloop van het aanmeldingstraject (wie, wat en wanneer)
    2. Vaststellen van de formele posities van de betrokkenen
    3. Beslissen of het aanmeldingstraject voortgezet kan worden
    4. Het vervolgtraject bepalen

    Deze vier stappen worden verder toegelicht.

    Hoe verloopt het aanmeldingstraject (stap 1)?

    Bij een telefonische aanmelding maakt men alleen een afspraak. Het is van belang om te weten door wie en op welke manier de aanmelding plaatsvindt. Zo maakt het bijvoorbeeld heel wat uit of een adolescent zelf om hulp vraagt en zijn ouders er niks van weten of dat een adolescent om hulp vraagt na lang aandringen van de ouders. Deze kwesties zijn telefonisch niet te bepreken. Bij de eerste afspraak probeert de diagnosticus antwoord te krijgen of de vragen: wie, wat en wanneer? Enkele voorbeelden van wie, wat en wanneer vragen zijn:

    Wie-vragen:

    • Wie heeft de cliënt aangemoedigd om hulp te zoeken?
    • Wie was betrokken bij het besluit om aan te melden?
    • Wie is de verwijzer?
    • Wie is de cliënt?

    Wat-vragen:

    • Wat is de reden van aanmelding?
    • Wat is aard van de problematiek?
    • Wat wil de cliënt weten en waarom wie hij dat weten?

    Wanneer-vragen:

    • Wanneer heeft de cliënt besloten tot aanmelding?
    • Wanneer heeft de cliënt van deze instelling gehoord?

    Het makkelijkst is om de cliënt zelf de laten vertellen waarom hij deze afspraak wil. Hierdoor worden de vragen van de diagnosticus op een natuurlijke manier beantwoord. Door het stellen van gerichte vragen komt de diagnosticus achter de motieven en verwachtingen van de cliënt. Motieven en verwachtingen kunnen de informatieverstrekking van de cliënt beïnvloeden door over- of onderrapporteren. Wil de cliënt bijvoorbeeld sociale vaardigheidstraining voor zijn kind dan zal de cliënt de sociale problemen iets aandikken (overrapporteren). Wil de cliënt geen hulp bijvoorbeeld geen plaatsing in het speciaal onderwijs dat zou de cliënt zo min mogelijk problemen vertellen (onderrapporteren). Ook kan door middel van het stellen van gerichte vragen de irreële verwachting van de cliënt worden afgezwakt.

    Wie zijn de betrokkenen en wat zijn hun formele posities (stap 2)?

    In de hulpverlenerscontext is de leeftijd van het aangemelde kind het criterium om de formele posities van de direct betrokkenen te bepalen. Als het kind jonger is dan 12 dan zijn de ouders/opvoeders de opdrachtgevers. Ook als de ouders gescheiden zijn, zijn beide ouders opdrachtgever. Als het kind onder toezicht is gesteld (OTS) dan is de gezinsvoogd de direct betrokkene. Als het kind tussen de 12 en 16 jaar is dan zijn ook de ouders/opvoeders de opdrachtgevers. De diagnosticus moet nu echter wel toestemming vragen aan het kind om mee te werken aan het aanmeldingstraject. Als het kind tussen de 16 en 18 jaar is spreken we van een jongvolwassene. Een jongvolwassene is zowel cliënt als opdrachtgever. Dit is ook het geval als de ouders/opvoeders de jongvolwassene aanmelden. De diagnosticus is verplicht om de ouders/opvoeders erop te wijzen dat ze zelf ook de positie van cliënt kunnen gaan innemen. Het onderzoek hoeft zich namelijk niet alleen op het kind te richten maar kan zich ook richten op de ouders/opvoeders. Wie zijn er dus bij de aanmelding betrokken:

    • De personen die tot het cliëntsysteem behoren.
    • De personen die direct bij het cliëntsysteem zijn betrokken.
    • De personen die indirect bij het cliëntsysteem zijn betrokken.
    • Degenen die van de aanmelding op de hoogte moeten zijn.
    • Welke betrokkenen er van het resultaat van het onderzoek op de hoogte moeten zijn.
    • Personen bij wie nog informatie ingewonnen moet worden. Dit kan alleen na schriftelijke toestemming van de ouders.

    Kan het aanmeldingstraject worden voortgezet (stap 3)?

    Er moet op grond van het aanmeldingstraject en de formele posities van de direct betrokkenen worden beoordeeld of de aanmelding wordt voortgezet. Als de diagnosticus en de cliënt beslisruimte hebben, kan zowel de cliënt als de diagnosticus het contact beëindigen. Er zijn vier punten om de aanmelding voort te zetten. Wanneer beëindigd een diagnosticus het contact:

    • Als de positie van de direct betrokkene is strijd is met de wettelijke bepalingen en beroepsvoorschriften. Bijvoorbeeld als bij de aanmelding van een adolescent door de ouders geen toestemming wordt gekregen van de adolescent zelf. En ook als de onderwijsbegeleidingsdienst het kind aanmeldt zonder toestemming van de ouders. Als bij gescheiden ouders één van de ouders geen toestemming geeft voor onderzoek van het kind dan kan de diagnosticus het aanmeldingstraject niet voortzetten.
    • Als de betrokkenen niet zelf willen meewerken aan het onderzoek. Dus bijvoorbeeld weigeren om zelf cliënt te zijn in het onderzoek. De ouders willen niet dat hun eigen opvoedstijl wordt onderzocht. Dit kan wel van groot belang zijn in het onderzoek. Het kan een belangrijke factor zijn in het ontstaan of instandhouden van het probleemgedrag van het kind.
    • Het kan zijn dat verder onderzoek helemaal niet nodig is. Dit bepaalt de diagnosticus aan de hand van de antwoorden op de wat vragen.
    • Als de diagnosticus denkt dat hij niet competent genoeg is om het onderzoek uit te voeren. Hij is in dit geval verplicht om een duidelijk en gericht verwijzingsadvies te geven.

    In alle vier de gevallen deelt de diagnosticus het besluit en de reden voor het beëindigen van het contact mee aan de cliënt. Dit gebeurt zowel mondeling als schriftelijk.

    Wat is het vervolgtraject (stap 4)?

    De diagnosticus bespreekt het verdere verloop van de aanmelding met de cliënt. Dit kan het best door de stappen te beschrijven die nog kunnen gebeuren en door aan te geven wat dit van alle betrokkenen kan vragen. Ook zal de diagnosticus vertellen dat de verdere diagnostische activiteiten afhankelijk zijn van de uitkomst van de klachtenanalyse. Ook vertelt de diagnosticus dat van alles wat er gedaan wordt een verslag wordt gemaakt en dat dit zal worden besproken. Het verslag krijgt bij voorkeur de vorm van een startcontract. Hierin staan de verwachtingen van de cliënt en van de diagnosticus. Een startcontract kan de samenwerking tussen cliënt en diagnosticus bevorderen. Het contract heeft echter geen juridisch doel. Het is lang niet altijd zo dat de cliënt en de diagnosticus een vrije beslisruimte hebben. Vaak moeten ze zich houden aan de randvoorwaarden van de professionele context. Binnen instituten zijn bijvoorbeeld vaak een groot aantal zaken al voorgeschreven. Aan de hand van een aantal vragen kun je beslisruimte van de diagnosticus en de cliënt bepalen. Vragen die je kunt stellen zijn:

    • Is het een hulpverlenings- of een dienstverleningstraject? M.a.w.: is de opdrachtgever ook de cliënt?
    • Is er speelruimte wat de procedures betreft?
    • Is er beslisruimte wat de inhoud van het onderzoek betreft?
    • Wie heeft beslisruimte wat de procedures en/of inhoud van het traject betreft? Dit kan alleen de diagnosticus of de cliënt zijn, beiden of geen van beiden (in dat geval dus een instituut b/v).

    Wat zijn enkele belangrijke aandachtspunten?

    Er zijn verschillende punten waar je rekening mee kunt houden als je de formele posities van de betrokkenen wilt vaststellen:

    • Geef bij de wie vragen duidelijk aan waarom je ze stelt en dat je het niet doet uit nieuwsgierigheid of bemoeizucht. En geef aan waarom de informatie relevant is.
    • Besteed aandacht aan het feit dat ook de ouders cliënt kunnen worden en niet alleen het kind.
    • Als de ouders gescheiden zijn, maak dan een afspraak met beide ouders. Het liefst gezamenlijk. Is dit niet mogelijk maak dan twee aparte afspraken. Allebei de ouders zijn direct betrokkenen.
    • Bij gescheiden ouders dienen beide ouders toestemming te geven voor het onderzoek. Als één van de ouders het ouderlijk gezag nog maar heeft is dit niet nodig. De andere ouder zonder ouderlijk gezag wordt wel op de hoogte gehouden.
    • Als een kind onder toezicht staat (OTS) dan is de gezinsvoogd de direct betrokkene. Zij moet toestemming geven voor het onderzoek.
    • Houdt rekening met de leeftijd van het kind. Dit dient als criterium voor zijn formele positie. In het speciale geval dat het kind in het diagnostisch traject jarig is en dan 12 of 16 wordt, heeft dit implicaties voor zijn beslissingsbevoegdheid.
    • Vraag altijd schriftelijk toestemming aan de ouders voor het opvragen van informatie van andere diagnostici of hulpverleners. Vermeldt hierbij om welke verslagen het gaat, zodat de ouders weten waar ze toestemming voor moeten verlenen.

    Ook bij het startcontract zijn er enkele aandachtspunten:

    • Maak het startcontract niet te zakelijk. Hanteer het als hulpverlenersinstrument en niet als quasi juridisch document. Zorg dat het contract de cliënt niet afschrikt en leg uit dat het ook in het belang van de cliënt is.
    • Stem de inhoud van het startcontract af op het referentiekader van de cliënt. Zorg dat de cliënt het begrijpt en licht het contract altijd mondeling toe.
    • In sommige gevallen kun je overwegen een voorlopig contract maken.
    Access: 
    Public
    Wat is het belang van klachtanalyse in de diagnostische cyclus? - Chapter 5

    Wat is het belang van klachtanalyse in de diagnostische cyclus? - Chapter 5

    In de klachtenanalyse staat het verhaal van de cliënt centraal. De diagnosticus ondersteunt de cliënt, zodat de cliënt zich begrepen voelt. Het eindproduct van de klachtenanalyse bestaat uit hulpvragen die samen met de diagnosticus uit de klachten zijn afgeleid. Voor de cliënt leidt dit tot ordening en verheldering. Daarom spreken we ook wel van een verhelderende diagnose.

    Klachten zijn subjectief. Ze weerspiegelen de belevingswereld van de cliënt. Het gaat niet om het concrete probleem, maar om de zorgen, gevoelens van onmacht, de negatieve (positieve) beleving van de cliënt. Waarom is er zoveel aandacht voor de subjectieve beleving en wordt er niet gewoon gekeken naar de objectieve onderkenning van de problematiek of stoornis? De analyse van hoe de cliënt de problematiek ervaart is onmisbaar. Er zijn drie redenen: ethische, professionele en klinisch-methodische redenen.

    Wat is een ethische reden?

    De cliënt is een medemens, een verantwoordelijk persoon en niet alleen een onderzoeksobject. In de beroepscode is dit terug te vinden onder het basisprincipe respect. De diagnosticus moet zich openstellen voor een ander en de cliënt als volwaardig partner zien. Een persoonsgerichte benadering is van belang.

    Wat is een professionele reden?

    De ervaringen van de cliënt stellen de diagnosticus in staat om in de cliënt zijn belevingswereld te treden en daarin onduidelijkheden te verhelderen. Dit bevordert een goede samenwerkingsrelatie. Een goede samenwerkingsrelatie is van belang, omdat het de cliënt motiveert om tijd en energie te steken in het onderzoek en de kwaliteit van de informatie is beter. Een goede relatie bevordert het vertrouwen en dit levert een belangrijke bijdrage aan het slagen van de behandeling.

    Wat is een klinische-methodische reden?

    De diagnostische hulpverlening dient in te gaan op de hulpvragen van de cliënt. En deze hulpvragen kunnen het best worden opgespoord door het verhelderen van de klachten. De cliënten die zich aanmelden hebben hulp nodig, maar vaak is het voor de cliënt niet duidelijk aan welk soort hulp hij behoefte heeft. Er zijn vijf belangrijke begrippen die nadere uitleg krijgen. Dit zijn klacht, klachtenanalyse, hulpvraag, interpretatie en verhelderende diagnose.

    Wat houdt een klacht in?

    Een klacht is als men iets (gebeurtenis, gedrag, gevoel, gedachte etc.) als negatief beleeft. De cliënt geeft zelden in de klacht een precieze omschrijving van gedragingen of verschijnselen. Eén van de uitspraken van een cliënt kan bijvoorbeeld zijn ‘we weten niet meer wat we met hem moeten’ of ‘ik ben bang dat hij het dit jaar op school weer niet redt’. Het is hierbij nog niet van belang hoe de verschillende situaties er precies uitzien, maar wel dat ze beleefd worden als een probleem. We vatten klachten in het algemeen op als de uitspraken van de cliënt.

    Hoe analyseer je klachten?

    De klachtenanalyse is het proces van het verhelderen van klachten. En hierna het formuleren van hulpvragen. De uitkomst van de klachtenanalyse is een verhelderende diagnose. Hier werken diagnosticus en cliënt samen.

    Wat houdt een hulpvraag in?

    De hulpvraag is een vraag naar een soort hulp waar de cliënt of zijn omgeving behoefte aan heeft. We onderscheiden drie soorten hulpvragen:

    • De hulpvraag als funderend beginsel
    • Impliciete hulpvraag als de onuitgesproken, maar aanwezig veronderstelde hulpvraag
    • Expliciete hulpvraag als de duidelijk geformuleerde vraag om bepaalde hulp die op grond van de klachtenanalyse tot stand komt

    Hoe interpreteer je een klacht?

    Dit verwijst naar het toekennen van een inhoudelijke en emotionele betekenis aan de klacht van de cliënt of zijn omgeving en de daarbij aansluitende hulpvraag.

    Wat houdt een verhelderende diagnose in?

    De uitkomst van de klachtenanalyse is de verhelderende diagnose. Dit is voor de cliënt een overzichtelijke ordening van zijn klachten en hulpvragen. Deze wordt door de cliënt als dekkend ervaren voor zijn beleefde zorgen en onmacht.

    Wat zijn professionele en methodologische voorwaarden?

    We maken onderscheidt tussen twee verschillende voorwaarden. Dit zijn de professionele voorwaarden en de methodologische voorwaarden. Dit zijn voorwaarden die gelden voor de diagnosticus.

    Onder professionele voorwaarden verstaan we:

    • Een onbevangen en luisterende houding hebben in een open dialoog
    • Een inlevend vermogen hebben en kunnen meevoelen met de cliënt'.

    Onder methodologische voorwaarden verstaan we:

    • Het kunnen hanteren van een verhelderende en reflectieve gespreksmethodiek
    • Kennis hebben van vertekeningen en van de manier waarom deze voorkomen kunnen worden

    Het is bij de professionele voorwaarden van belang dat de cliënt vertrouwen heeft in de diagnosticus. Hierdoor zou de cliënt meer informatie geven, waardoor de diagnosticus en zo volledig mogelijk beeld van de klachten kan opstellen. Dit vertrouwen ontstaat als de cliënt het gevoel heeft dat er naar hem wordt geluisterd en dat hij serieus wordt genomen. Bij de methodologische voorwaarden is reflectie van belang. De cliënt reflecteert op zichzelf en de diagnosticus op de uitspraken van de cliënt. Dit betekent dat de diagnosticus regelmatig moet nagaan of de klacht, zoals hij die begrijpt, overeenkomt met de beleving van de cliënt. De diagnosticus vertaalt en vertolkt dus.

    Uit welke stappen bestaat een klachtenanalyse?

    In de klachtenanalyse worden verschillende stappen doorlopen. De stappen die worden doorlopen zijn de start, het gesprek en de afronding.

    De start (stap 1)

    De diagnosticus introduceert kort de bedoeling van het gesprek. Daarna neemt de diagnosticus nog even kort de afspraken uit de aanmeldingsfase door en legt hij kort de bedoeling van de klachtenanalyse uit. Het doel van de klachtenanalyse is de hulpvragen waar de cliënt mee zit zo goed mogelijk in kaart te brengen. Het belang van deze hulpvragen voor de rest van het onderzoek wordt ook toegelicht.

    Het gesprek (stap 2)

    Het is niet mogelijk om een gesprek in stappen op te delen. Dit betekent echter niet dat er geen opbouw zit in het gesprek. De diagnosticus werkt toe naar de formulering van de hulpvraag. De diagnosticus heeft vier gesprekstaken

    1. Het formuleren van klachten en hulpvragen
    2. Het controleren van de betekenis van de geformuleerde klachten en hulpvragen
    3. Het controleren van de volledigheid van de geformuleerde klachten en hulpvragen
    4. Het controleren van de interne consistentie van de geformuleerde klachten en hulpvragen

    Deze vier verschillende gesprekstaken hangen nauw met elkaar samen.

    1. Het formuleren van klachten en hulpvragen

    Onder het formuleren van klachten en hulpvragen is het de bedoeling dat de cliënt aan het woord is. De cliënt vertelt wat hij als probleem ervaart en hoe hij dit ervaart. Hierbij zijn explicitering, specificiteit en feitelijkheid belangrijk. Explicitering houdt in dat de klachten en hulpvragen zo expliciet mogelijk op tafel komen te liggen. Specificiteit houdt in dat de diagnosticus zich bij elke geformuleerde hulpvraag of klacht moet afvragen in hoeverre duidelijk is of de inhoud van de klacht of hulpvraag betrekking heeft op algemene zaken of op specifieke zaken. Feitelijkheid houdt in dat de diagnosticus moet nagaan of de klacht zich feitelijk voordoet of dat de cliënt het zich heeft ingebeeld. Het is ook belangrijk dat bij de formulering van klachten en hulpvragen, dit gebeurt in de bewoording van de cliënt. De klachten en hulpvragen dienen zo letterlijk mogelijk te worden overgenomen.

    2. Het controleren van de betekenis van de geformuleerde klachten en hulpvragen

    De diagnosticus controleert de betekenis van de uitspraken van de cliënt door zijn interpretatie duidelijk te formuleren naar de cliënt toe. De diagnosticus kan zijn interpretatie op een directe of indirect manier weergeven. Bij een directe manier legt de diagnosticus zijn interpretatie aan de cliënt voor en vraagt of dit klopt en bij een indirecte manier controleert de diagnosticus de juistheid van zijn interpretatie door de situatie helder te krijgen.

    3. Het controleren van de volledigheid van de geformuleerde klachten en hulpvragen

    De diagnosticus probeert een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de klachten van de cliënt. Het is niet gewenst later vast te stellen dat door onvolledigheid belangrijke informatie is achtergebleven. Wat een diagnosticus bijvoorbeeld kan doen is het samenvatten van wat de cliënt heeft gezegd en vragen naar herkenning. De cliënt moet ook voorbeelden proberen te geven van momenten waarop de klachten zich niet voordoen. Het kan in een later stadium van de diagnostische cyclus blijken dat de volledigheid maar relatief is. Dan kan een terugkoppeling nodig zijn naar deze fase.

    4. Het controleren van de interne consistentie van de geformuleerde klachten en hulpvragen

    De diagnosticus verheldert ervaringen en gevoelens van de cliënt. Het is de bedoeling dat uitspraken van de cliënt elkaar niet tegenspreken en dat ze onderling samenhangen. De diagnosticus moet voortdurend nagaan in hoeverre uitspraken van de cliënt elkaar bevestigen of tegenspreken.

    De afronding (stap 3)

    Bij de afronding van het gesprek gaat het om twee dingen: de ordening van klachten en hulpvragen en het schriftelijk vastleggen ervan.

    Ordening van klachten en hulpvragen naar belangrijkheid. Soms is er sprake van één hulpvraag en klacht, maar meestal is er sprake van meerdere klachten en hulpvragen. In zo’n geval is het belangrijk om de klachten en hulpvragen te ordenen naar belangrijkheid voor de cliënt. Dit kan nagegaan worden door de cliënt te vragen welke hulpvraag hij zou kiezen als maar aan 1 hulpvraag aandacht kan worden besteed.

    Schriftelijk vastleggen van de geordende klachten en de daarbij horende hulpvragen. De diagnosticus maakt aan het einde van de klachtenanalyse een schriftelijk verslag van de geordende klachten en hulpvragen. Hierna zal het vervolgtraject worden afgesproken.

    Wat zijn enkele belangrijke aandachtspunten?

    Er worden verschillende aandachtspunten genoemd bij de klachtenanalyse:

    • Informeer de cliënt zeer duidelijk over de te nemen stappen.
    • Maak in steekwoorden aantekeningen van uitspraken door de cliënt. De cliënt vertelt vooral, want het gaat om zijn verhaal, maar we kunnen niet alles onthouden.
    • Wees bedacht op het onderscheid tussen gedrag en beleving. In de klachtenanalyse staat de beleving van de cliënt centraal. Vraag de cliënt ook uitdrukkelijk hiernaar.
    • Controleer klachten en hulpvragen op volledigheid.
    • Pas op voor voortijdige theoretische interpretaties. In deze fase moet je als diagnosticus vooral luisteren naar de cliënt.
    • Kies geen partij. Als je partij kiest is de kans op het doorbreken van de probleemsituatie kleiner.

    Vijf valkuilen die in de klachtanalyse kunnen optreden kunnen vastgesteld worden, waarvan de eerste drie te maken hebben met de ‘eerste indruk’ die een diagnosticus heeft van cliënt en diens klachten:

    • Vasthouden aan de juistheid van de eigen mening, ondanks tegenstrijdige informatie. Als deze strijdige info wordt gebruikt als een positieve bevestiging, spreekt men van overinterpretatie.
    • Het bevoordelen van info die het eerst wordt verkregen.
    • Het uitsluitend zoeken naar info die de eigen opvattingen bevestigd.
    • Het verzamelen van meer gegevens dan nodig voor een goede klachtanalyse.
    • Het toepassen van kennis uit theoretische modellen, waardoor de klachtanalyse niet meer puur ervaring van de cliënt inhoudt, maar een onderdeel wordt van de theorieën die de diagnosticus al heeft.
    Access: 
    Public
    Hoe ziet het diagnostisch scenario eruit in de cyclus? - Chapter 6

    Hoe ziet het diagnostisch scenario eruit in de cyclus? - Chapter 6

    Uit de klachtenanalyse komt een overzicht van klachten en hulpvragen. Hierdoor wordt duidelijk hoe het onderzoekstraject er globaal uit zal zien. Voordat dit uitgevoerd kan worden moet de diagnosticus een onderzoeksplan opstellen. Dit noemen we een diagnostisch scenario (ook wel stappenplan). Hierin staan ook de (voorlopige) doelen van het onderzoek. Het diagnostisch scenario is dus een tussenstap in de diagnostische cyclus en komt na de klachtenanalyse. Waarom stelt de diagnosticus een scenario of onderzoeksplan op? Dit heeft drie redenen:

    • De cliënt wordt geïnformeerd over het vervolgonderzoek.
    • Aanbrengen van een onderzoekskader, waardoor de diagnosticus zichzelf dwingt zichzelf tot explicitering van het proces.
    • De volledigheid wordt gewaarborgd.

    Het is belangrijk om de cliënt vooraf te informeren over het onderzoek. Die cliënt is namelijk mede verantwoordelijk voor het onderzoek. De cliënt krijgt hier voor het eerst onder ogen wat het onderzoek zal inhouden en wat er van hem verwacht wordt. Enkele begrippen die van belang zijn bij het diagnostische scenario zijn diagnostische hulpvraag en deelhulpvragen, vraagstelling en type vraagstelling, diagnostisch onderzoek en type onderzoek en diagnostisch scenario.

    Wat zijn diagnostische vragen en deelhulpvragen?

    Onder diagnostische hulpvragen verstaan we de vragen waarop het diagnostisch onderzoek een passend antwoord kan geven. Niet alle hulpvragen komen in aanmerking voor een diagnostisch onderzoek, dus niet elke hulpvraag is een diagnostische hulpvraag; de diagnostische hulpvragen worden uit de hulpvragen gefilterd. Een diagnostische hulpvraag kan bestaan uit deelhulpvragen.

    Vraagstelling en type vraagstelling

    De vraagstelling is een door de diagnosticus verkort geformuleerde diagnostische hulpvraag. We hebben vier verschillende typen vraagstellingen. Dit zijn verhelderende, onderkennende, verklarende en indicerende vraagstellingen.

    Wat is diagnostische onderzoek en welke typen onderzoek zijn er?

    Onder diagnostisch onderzoek verstaan we alle handelingen die een diagnosticus verricht om de vraagstelling te beantwoorden. De verschillende typen onderzoek komen overeen met de verschillende typen vraagstellingen.

    Het is bij een diagnostisch scenario van belang dat de diagnostische hulpvragen alle informatie bevatten die voor het opstellen van het scenario van belang zijn. Als hieraan is voldaan, moet de diagnosticus de diagnostische hulpvragen omzetten in vraagstellingen en het daarbij aansluitende type onderzoek en de diagnosticus moet de onderzoeken ordenen in een diagnostisch scenario.

    Het diagnostisch scenario bestaat uit twee hoofdstappen:

    1. Van de hulpvragen wordt gekeken welke een diagnostische hulpvraag is. Er wordt een vraagstelling gevormd en een daarbij horend onderzoekstype.
    2. Het ordenen van de onderzoekstypen in een scenario.

    Het spreekt voor zich dat de diagnosticus de cliënt informeert over het voorgenomen diagnostisch scenario.

    Hoe analyseer je hulpvragen (stap 1)?

    Als een hulpvraag van de cliënt leidt tot een diagnostisch onderzoek dan zal de diagnosticus dit zien als een diagnostische hulpvraag en deze omzetten in één of meerdere vraagstellingen. Het is van belang dat de diagnostische hulpvraag zo goed mogelijk aansluit bij de beleving van de cliënt. Daarom begint de uiteindelijke diagnostische hulpvraag ook altijd met: ‘Ik zou graag hebben dat..’ (de ik is de cliënt/opdrachtgever). Bij het analyseren van de hulpvragen worden er drie stappen doorlopen:

    1. Diagnostische hulpvragen controleren op deelhulpvragen
    2. Diagnostische hulpvragen verkort herschrijven
    3. Identificeren van het type vraagstelling en het type diagnostisch onderzoek

    De relatie tussen de diagnostische hulpvraag, type vraagstelling en type onderzoek is als volgt: 

    • Wat is er met mij/dit kind aan de hand: onderkennende vraag, dus type onderzoek onderkennend (ODK).
    • Waarom is dit met mij/dit kind aan de hand: verklarende vraag, dus type onderzoek is verklaring (VKR).
    • Hoe kan ik/dit kind het best geholpen worden: indicerende vraag, dus type onderzoek is indicatie (IDC).

    Stap 1. Hoe controleer je diagnostische hulpvragen op deelhulpvragen?

    Een diagnostische hulpvraag kan eigenlijk bestaan uit twee vragen. Dus de diagnostische hulpvraag is op te splitsen in twee deelhulpvragen. Deze moeten door de diagnosticus allemaal worden beantwoord.

    Stap 2. Hoe herschrijf je diagnostische hulpvragen verkort?

    De bedoeling van het verkort schrijven van de hulpvragen is dat ze overeenkomen met de tabel die hierboven staat beschreven. Je kunt dingen uit de hulpvragen weglaten die niet van cruciaal belang zijn en je kunt eventuele herhaling vermijden. (Dus het voorvoegsel ‘ik zou graag hebben dat..’ kan weggelaten worden)

    Stap 3. Hoe identificeer je het type vraagstelling en het type diagnostisch onderzoek?

    De verkorte diagnostische hulpvragen worden nu vergeleken met de typen vraagstellingen. Om dit te vergemakkelijken moet je telkens na gaan wat nodig is om de diagnostische hulpvraag te beantwoorden.

    Hoe orden je de onderzoekstypen in een scenario (stap 2)?

    Op basis van de vorige stap heeft de diagnosticus een overzicht van de verschillende typen onderzoek die uitgevoerd moeten worden. Er kunnen zich verschillende scenario’s voordoen. Deze worden weergeven op een scenariokaart. We maken onderscheid tussen vier verschillende typen scenario’s:

    • Het 0-scenario: Na het verhelderend onderzoek komt de diagnosticus samen met de cliënt tot de conclusie dat verder onderzoek niet nodig is.
    • Het 1-scenario: Na het verhelderend onderzoek vindt nog één type onderzoek plaats. Bijvoorbeeld verheldering-onderkenning.
    • Het 2-scenario: Na het verhelderend onderzoek volgen nog 2 typen onderzoek. Bijvoorbeeld verheldering-onderkenning-indicatie.
    • Het 3-scenario: Na het verhelderend onderzoek volgen nog 3 typen onderzoek. Dit is het meest volledige scenario.

    Na deze twee stappen moeten we de cliënt informeren over het diagnostisch scenario. Dit gebeurt nadat het diagnostisch scenario is opgesteld. De diagnosticus moet de cliënt duidelijk maken waarom het nodig is dat deze stappen worden gedaan om te komen tot een antwoord op de vraagstelling. Een voorbeeld van hoe het proces verloopt van hulpvraag tot diagnostisch scenario:

    1. Hulpvraag: De medewerkers vragen zich af wat er met Ada aan de hand is.
    2. Diagnostische hulpvraag: Wat is er met Ada aan de hand?
    3. Type vraagstelling: Onderkennend (DHv1: ODK)
    4. Type diagnostisch onderzoek: Onderkenning
    5. Diagnostisch scenario: VHD → ODK

    Wat zijn enkele belangrijke aandachtspunten?

    Een belangrijk aandachtspunt in het diagnostisch scenario is de inzichtelijkheid van de hulpvragen. De hulpvragen moet de intenties van de cliënt weergeven en ook in de bewoording van de cliënt zijn.

    Access: 
    Public
    Wat zegt de diagnostische cyclus over probleemanalyse? - Chapter 7

    Wat zegt de diagnostische cyclus over probleemanalyse? - Chapter 7

    In de klachtenanalyse heeft de diagnosticus zicht gekregen op de problemen die de cliënt ervaart. Als er een onderkennende vraagstelling is, dan volgt een probleemanalyse. In deze fase brengt de diagnosticus het probleemgedrag en het verloop ervan in kaart en koppelt dit aan meer algemene kennis over soortgelijke problemen. De uitkomst van de probleemanalyse is een onderkennende diagnose. Deze diagnose geeft antwoord op de standaard diagnostische hulpvraag: ‘wat is er met mij/dit kind aan de hand?’ De problemen worden onderdeel van een classificatie of theorie.

    Welke onderdelen behoren tot een probleemanalyse?

    De probleemanalyse omvat vier dingen:

    • Beschrijving van het probleemgedrag, waarbij er zicht wordt gegeven op de problematiek.
    • Ordening van het probleemgedrag, waarbij het probleemgedrag geordend wordt in categorieën en samengevat.
    • Benoeming van het probleemgedrag, waarbij er gekeken wordt of de lijst van probleemgedragingen benoemd kan worden en geordend aan de hand van clusters zoals vastgesteld in wetenschappelijke literatuur (zoals: hyperactiviteit). Het benoemen heeft een communicatieve functie op twee manieren: het vat de problematiek samen (je spreekt van een paar clusters van probleemgedragingen ipv een onoverzichtelijke lijst) en het geeft toegang tot kennis in de literatuur die de diagnosticus moet raadplegen.
    • Taxatie van de ernst van het probleemgedrag

    Beschrijving, ordening en benoeming geven zicht op het type probleemgedragingen en de samenhang daarvan. De taxatie van de ernst is een laatste aspect in de probleemanalyse, en is meer vanuit praktisch oogpunt. Als meerdere onderzoeken gedaan moeten worden, zal de diagnosticus aan de hand van de ernst van de problematiek kunnen beslissen welke hulpvraag voorrang krijgt. Ook is het van belang voor bijvoorbeeld de indicatieanalyse: aan de hand van de ernst van het probleem wordt het type interventie vastgesteld.

    Enkele begrippen die belangrijk zijn bij de probleemanalyse zijn: probleemgedrag, beschrijving en inventarisatie, ordening en benoeming en taxatie van ernst.

    Wat is probleemgedrag?

    Dit verwijst naar de interne en externe disfunctionele gedragingen die het ontwikkelingsverloop in gevaar brengen. Interne gedragingen zijn gevoelens en gedachten en externe gedragingen zijn observeerbare gedragingen.

    Beschrijving en inventarisatie

    Door de beschrijving van het probleemgedrag probeert de diagnosticus een objectief beeld te vormen over de aard en de omvang van het probleemgedrag. Hij wil kijken wat de disfunctionele gedragingen zijn. De diagnosticus wil een beschrijving geven van het probleem zoals ze observeerbaar zijn en ook voor anderen waarneembaar zijn. Alleen niet alle gedragingen en ook niet alle probleemgedragingen zijn even goed observeerbaar. Zo zijn interne gedragingen zoals angstigheid en depressieve gevoelens moeilijk observeerbaar. Je kunt dit dan indirect afleiden uit de wijze waarop de persoon zich gedraagt. Zowel van direct als indirect te observeren gedragingen moet de diagnosticus verslag doen.

    Ordening en benoeming

    Onder ordening in de probleemanalyse verstaan we het onderbrengen van de probleemgedragingen van het individuele kind in syndromen of stoornissen. Deze ordening komt tot stand door de lijst met individuele probleemgedragingen te vergelijken met de beschikbare classificatiesystemen voor probleemgedrag.

    Taxatie van de ernst

    Na de ordening en benoeming van probleemgedragingen maakt de diagnosticus een taxatie van de ernst van het probleemgedrag. De mate van ernst is afhankelijk van de mate waarin het probleemgedrag of de stoornis de persoonsontwikkeling van de cliënt aantast of bedreigt.

    De probleemanalyse verloopt globaal in drie stappen

    1. Beschrijven en inventarisatie probleemgedrag
    2. Ordening en benoeming (classificatie)
    3. Taxatie van de ernst

    Voor elke stap gelden een aantal methodologische, psychometrische en professionele voorwaarden.

    Wat zijn methodologische voorwaarden van probleemanalyse en uit welke stappen bestaan die?

    Beschrijving en inventarisatie van probleemgedrag (stap 1)

    De probleemgedragingen spelen zich af in de leefwereld van de cliënt. De eis die hierbij hoort is die van relevantie. De probleemgedragingen die de diagnosticus in kaart moet brengen moeten afkomstig zijn uit situaties in het dagelijks leven en moeten aansluiten bij de gegevens uit de klachtenanalyse. Ook moet de diagnosticus streven naar een zo’n groot mogelijke volledigheid. Bij onvolledigheid loopt de diagnosticus kans om informatie te missen die in de volgende stappen van de diagnostische cyclus van essentieel belang is. Volledigheid heeft zowel betrekking op de huidige leefsituatie als op het verleden. Aan de eis van volledigheid kan nooit helemaal worden voldaan. Daarom spreekt met van steekproefvaliditeit. Dit houdt in dat het geobserveerde gedrag een goede afspiegeling is van de inhoud van datgene wat men wil observeren. Het is meestal niet mogelijk dat de observator de handelingswereld van de cliënt binnentreedt. De observator kan dus ook nooit een volledige verzameling van disfunctionele gedragingen observeren. Hierdoor worden er instrumenten en technieken gebruikt die de observatie in de natuurlijke situatie vervangen. Je kunt dan bijvoorbeeld denken aan zelfobservatie of zelfbeoordeling.

    Ordening en benoeming: classificatie (stap 2)

    Bij classificatie worden de individuele probleemgedragingen met behulp van een classificatiesysteem toegewezen aan disfunctionele gedragsclusters of stoornissen. Ook hier gelden de eisen van relevantie en volledigheid. Ook dienen classificatiesystemen te voldoen aan de eis van het optimale bereik. Dit bereik maakt het mogelijk om gehele individuele gedragsprofielen in het systeem onder te brengen. Een systeem met een klein bereik is minder bruikbaar dan een systeem met een groot bereik. De keuze die de diagnosticus maakt voor een bepaald classificatiesysteem is afhankelijk van de informatie uit de klachtenanalyse. Ook kan de diagnosticus nog middelen gebruiken zoals observatielijsten of schoolvorderingstoetsen om zo het probleem nader in kaart te brengen. De verwachting van een diagnosticus kan geformuleerd worden als een toetsbare onderkennende hypothese zoals ‘Vermoedelijk is er sprake van dyslexie’.

    Taxatie van de ernst (stap 3)

    Gedragsproblemen zijn ernstig als zij de persoonsontwikkeling van de cliënt bedreigen of aantasten. De eis die hierbij hoort is die van de ontwikkelingsdimensie. De ernst van de probleemgedragingen en stoornissen dient afgemeten te worden aan duidelijk omschreven criteria van de verwachte en verstoorde ontwikkeling. (Het moet kortom duidelijk zijn of er wel degelijk sprake is van een ontwikkelingsachterstand). Vier eisen zijn dus belangrijk, dit zijn:

    • De eis van relevantie
    • De eis van volledigheid
    • De eis van het optimale bereik
    • De eis van de ontwikkelingsdimensie

    Wat zijn psychometrische voorwaarden van probleemanalyse en uit welke stappen bestaan die?

    Beschrijving en inventarisatie (stap 1)

    De belangrijkste eis hierbij is objectiviteit. De diagnosticus probeert het disfunctionele gedrag zo te beschrijven dat zijn eigen subjectieve interpretatie zo min mogelijk een rol speelt. Deze eis wordt meestal aangeduid met interbeoordelaarbetrouwbaarheid. Dit houdt in dat de beschrijving van het disfunctionele gedrag niet afhankelijk is van de persoon die het uitvoert. Hoe directer de te observeerbare gedragingen hoe hoger de objectiviteit is.

    Ordening en benoeming: classificatie (stap 2)

    De categorieën in de classificatiesystemen voor probleemgedrag moeten intern consistent zijn. De gedragingen in één categorie moeten vaker met elkaar samengaan dan op toevalsbasis te verwachten is. Ook moeten de categorieën goed te onderscheiden zijn. Gedragingen in een categorie moeten sterker met elkaar samenhangen dan met andere gedragingen in andere categorieën. Alleen zo is het mogelijk om op betrouwbare wijze de ene stoornis van de andere te onderscheiden. Ook hier geldt de eis van objectiviteit: verschillende diagnostici moeten de probleemgedragingen in dezelfde categorie kunnen indelen.

    Taxatie van de ernst (stap 3)

    Ook hier is van objectiviteit nodig bij het bepalen van de ernst van het probleemgedrag. Drie eisen zijn dus belangrijk, dit zijn:

    • De eis van objectiviteit
    • De eis van interne consistentie
    • De eis van goed te onderscheiden categorieën

    Wat zijn professionele voorwaarden van probleemanalyse en uit welke stappen bestaan die?

    Beschrijving en inventarisatie (stap 1)

    De diagnosticus dient een goede observator te zijn. De rol van observator komt overeen met de algemene objectieve instelling die in deze fase geboden is. De diagnosticus moet zich tegenover de cliënt en tegenover zijn collega’s kunnen verantwoorden. Dit is alleen mogelijk als de beschrijving en de classificatie objectief en volgens herhaalbare procedures zijn uitgevoerd. De diagnosticus dient de cliënt als medeobservator te benaderen. Dit verstrekt de werkrelatie met de cliënt en bevorderd de terugkoppeling van informatie. Een voorwaarde hierbij is dat de diagnosticus helder moet kunnen uitleggen hoe de observaties dienen te gebeuren.

    Ordening en benoeming: classificatie (stap 2)

    Het is een voorwaarde voor de diagnosticus dat hij op de hoogte is van de gangbare classificatiesystemen voor probleemgedrag. De diagnosticus moet het systeem met het meest optimale bereik voor de cliënt kiezen. Ook moeten de uitkomsten van het gekozen systeem te vergelijken zijn met de mogelijke uitkomsten op andere systemen en met de klinische kennis.

    Taxatie van ernst (stap 3)

    Het is voor diagnosticus ook belangrijk om op de hoogte te zijn van zowel het afwijkende als van het normale verloop van de motorische, cognitieve, emotionele en sociale ontwikkeling, en ook van de daarbij horende opvoedingstaken en ontwikkelingstaken. Daarnaast heeft de diagnosticus kennis nodig over de risicofactoren en beschermende factoren die de zorgwekkende ontwikkeling in gang kunnen zetten of versnellen dan wel afremmen of voorkomen. Het is bijna niet mogelijk om de probleemgedragingen van de cliënt in de concrete leefsituatie zelf te observeren. Er wordt dan ook meestal gebruik gemaakt van de informatie die door de cliënt zelf of door anderen, bijvoorbeeld leerkracht of groepsleider, door middel van een gesprek of vragenlijst naar voren komt. De drie eerder genoemde stappen kunnen als volgt gespecificeerd worden:

    1. Opstellen van een voorlopige casusinventarisatie
    2. Controleren van de casusinventarisatie
    3. Algemene probleeminventarisatie
    4. Toewijzing van stoornissen
    5. Taxatie van de ernst van het probleem
    6. Weging van positieve en negatieve gedragingen

    Opstellen van voorlopige casusinventarisatie (stap1)

    De probleemanalyse begint met het maken van een inventarisatie van probleemgedragingen en van de situatie waarin deze probleemgedragingen zich voordoen. Hierin komen ook het ontstaan en de verloopgeschiedenis van de problemen weer aan bod. Onder probleemgedrag verstaan we gevoelens, gedachten en handelingen.

    Controleren van de casusinventarisatie (stap 2)

    In de klachtenanalyse stond de leefwereld van de cliënt voorop. Het doel van de diagnosticus was het verhelderen en begrijpen van de beleving van de cliënt. In de probleemanalyse controleert de diagnosticus dit voorlopige overzicht. Twee vragen die hierbij worden gesteld, zijn:

    • Zijn de probleemgedragingen, de situaties waarin deze voorkomen en de ontstaansgeschiedenis inhoudelijk zo concreet beschreven dat het ook voor anderen duidelijk is waar het over gaat?
    • Is er voldoende informatie over de intensiteit en frequentie van het probleemgedrag?

    Algemene probleeminventarisatie (stap 3)

    Benoemen van een probleem of stoornis vereist dat het gedrag van de individuele cliënt vergeleken wordt met disfunctionele gedragsclusters die in wetenschappelijk onderzoek bekend zijn. Meestal zijn in de klachtenanalyse niet alle gedragingen die volgens de classificatiesystemen deel uit maken van een bepaalde stoornis aan het licht gekomen. De algemene probleeminventarisatie dient er dan ook voor om de gegevens uit de klachtenanalyse volledig te maken, zodat de stoornis betrouwbaar kan worden toegewezen.

    Voordat een stoornis aan een individueel geval kan worden toegekend moet binnen een classificatiesysteem voldoen worden aan verschillende criteria. Het is dus belangrijk om onderscheid te maken tussen inventarisatie en classificatie. Inventarisatie is het maken van het overzicht en classificatie is het uiteindelijk toekennen van de stoornis. Het onderbrengen van probleemgedrag in een bepaald patroon hoeft immers niet automatisch te leiden tot de toekenning van een bepaalde stoornis. De eerste twee stappen zijn gericht op het probleemgedrag van de individuele casus terwijl de algemene probleeminventarisatie individu overstijgend is. Hoe maken we deze overstap? Een voor de hand liggende werkwijze is de lijst van de voorlopige inventarisatie te vergelijken met de gedragingen en criteria die bij de stoornissen beschreven staan en de dan eventuele ontbrekende informatie na te gaan bij de cliënt. Deze manier blijkt erg subjectief te zijn. Daarom moet naar de ontbrekende informatie worden gezocht met instrumenten die bij de bestaande classificatiesystemen zijn ontwikkeld. We maken vaak onderscheid tussen twee soorten probleemgedragingen. Dit zijn gedragsproblemen, dit zijn sociaal-emotionele problemen en leerproblemen, dit zijn lees-, spellings- en rekenproblemen. Er zijn twee systemen voor de inventarisatie voor de sociaal-emotionele problemen. Dit zijn CBCL en de DSM-IV-TR.

    Waar staat de afkorting CBCL voor?

    De CBCL is een classificatiesysteem dat is ontwikkeld door Achenbach en Edelbrock. Dit is een vrij globaal systeem en afhankelijk van de leeftijd worden er vijf tot zeven stoornissen onderscheiden. De toetslijsten zijn eenvoudig af te nemen en betrouwbaar te scoren.

    Waar staat de afkorting DSM-IV-TR voor?

    De Diagnostic and Statistical Manual for Mental Disorders (DSM -IV-TR) is een classificatiesysteem ontwikkeld door de American Psychiatric Association. Dit classificatiesysteem maakt onderscheid tussen 52 stoornissen. Deze kunnen alleen al tijdens de kindertijd worden benoemd. Zo is er ook nog een groot aantal stoornissen die kunnen optreden bij zowel kinderen als volwassenen. Er zijn stoornissen die voorkomen in het DSM die met de toetslijsten van de CBCL niet opgespoord kunnen worden. Een nadeel van het DSM-classificatiesysteem is dat er een tijdrovend gestructureerd interview nodig is door een ervaren interviewer. Vaak wordt er een keuze gemaakt tussen één van beide systemen. De voorkeur wordt gegeven voor de werkwijze van het altijd afnemen van de toetslijsten van Achenbach. Aan de hand daarvan kan worden bepaald of er een overstap nodig is naar het DSM-systeem. Krol maakte een computergestuurd systeem waarbij beide systemen gebruikt kunnen worden.

    Waar staat de afkorting MAD voor?

    MAD staat voor Machine Aided Diagnosis. Dit is het computerprogramma ontwikkeld door Krol. Dit programma is ter ondersteuning van de classificatie van gedragsproblemen bij kinderen en jeugdigen van 4 tot 18 jaar. MAD maakt gebruik van het CBCL en het DSM-classificatiesysteem. Gegevens die naar voren komen in het ene systeem worden opgezet naar het andere systeem. Het is van belang dat de resultaten van MAD kritisch geëvalueerd worden, maar de resultaten moeten niet blindelings worden overgenomen. Het doel van het programma is om de diagnosticus te stimuleren om na te denken over het zorgvuldig toekennen van een juiste classificatie. In het DSM-classificatiesysteem is de beschrijving van leerstoornissen zeer beperkt en globaal. Het richt zich namelijk van oorsprong op sociaal-emotionele en persoonlijkheidsstoornissen. Een voordeel hiervan is dat de leerstoornissen objectief en eenvoudig in kaart kunnen worden gebracht.

    Toewijzing van stoornissen (stap 4)

    Het Achenbach systeem heeft een empirisch-psychometrische basis. De stoornissen bestaan uit gedragingen die vaker met elkaar dan met andere gedragingen voorkomen. De frequenties van de gedragingen binnen een syndroom worden tot een somscore opgeteld. Door de vergelijking van de scores met de normgroep is het mogelijk deze te interpreteren. Pas als er een extreme score wordt gehaald wordt de stoornis toegewezen. Kinderen moeten een T-score van 70 of meer behalen (dit is ongeveer 2 procent van de normgroep). De grensgevallen hebben een T-score tussen 60 en 70. Het DSM-classificatiesysteem heeft als basis de consensus tussen zeer grote groepen klinische experts die hun praktijkervaringen hebben gebundeld. Om een stoornis toe te wijzen moet worden voldaan aan twee positieve criteria en één negatief criterium. Het 1e positieve criterium geeft meestal aan hoeveel of welke probleemgedragingen moeten voorkomen, het 2e voor welke leeftijd de probleemgedragingen begonnen moeten zijn. Het negatieve criterium is dat de bestaande probleemgedragingen geen onderdeel luit mogen maken van een andere stoornis die meer omvattend is (zoals: je onderkent geen rekenstoornis als er sprake is van een ernstige intellectuele beperking). In de probleemanalyse gaat de diagnosticus dus na of de probleemgedragingen van een kind deel uitmaken van één of meerdere disfunctionele gedragsclusters of stoornissen. Als een kind wel probleemgedragingen vertoont die bij een stoornis aangegeven staan, maar niet het vereiste aantal dan mag de stoornis niet worden toegekend. Daarnaast zal de diagnosticus onderscheid maken tussen twee rubrieken:

    • Stoorniscompatibele probleemgedragingen, hiervoor gelden dezelfde verklaringen.
    • Niet-stoorniscompatibele probleemgedragingen, hier moet de diagnosticus gedragsspecifieke verklaringen voor opstellen.

    Dit onderscheid is voornamelijk van belang voor het verdere verloop van het onderzoek.

    Taxatie van de ernst (stap 5)

    Er bestaan allerlei gradaties als het gaat om de ernst van probleemgedrag. De ernst van probleemgedragingen kan worden bekeken op twee niveaus:

    • De gedragingen afzonderlijk
    • De stoornis in haar geheel

    Voor het aangeven van de ernst van het probleemgedrag kan gebruik worden gemaakt van genormeerde tests en vragenlijsten. In de CBCL en het DSM-classificatiesysteem wordt niet gesproken over de ernst van specifiek probleemgedrag. Wel wordt er impliciet of expliciet een uitspraak gedaan over het niveau van de stoornis dan wel het probleem in het algemeen.

    CBCL en taxatie van ernst

    In de CBCL is de uitspraak over de ernst van het probleemgedrag impliciet. De mate van ernst correspondeert met de hoogte van de score. Hoe meer probleemgedragingen uit een bepaalde categorie van toepassing zijn hoe ernstiger het betreffende gedragsprobleem. Hoe meer categorieën van toepassing zijn, hoe ernstiger de problematiek in zijn geheel is.

    DSM en taxatie van ernst

    Als het gaat om de beoordeling van ernst heeft de DSM geen vaste koers. Ook hier bestaat de beoordeling van de ernst uit het optellen van het aantal probleemgedragingen of symptomen. Als iemand net aan het minimale aantal symptomen van de stoornis voldoet, wordt de stoornis beoordeeld als mild. Zijn er veel symptomen van de stoornis en leiden de symptomen tot verregaande beperkingen in het functioneren, dan wordt de stoornis beoordeeld als ernstig. In de DSM zit ook een beoordeling van het globale psychische functioneren van een persoon. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de GAF scale. Dit staat voor Global Assessment of Functioning Scale. Als de code 0 is dan is er onvoldoende informatie. De codes lopen van 1 tot en met 90. Als de code op de GAF schaal laag is, wordt er gesproken over ernstig disfunctioneren. Een code tussen de 71-80 wijst op problematiek van voorbijgaande aard. De DSM voegt in vergelijking met de CBCL iets toe aan het criterium voor de ernst: ‘aantal probleemgedragingen’. Er wordt namelijk ook gekeken of het probleemgedrag bij een bepaalde ontwikkeling hoort en een voorbijgaande aard heeft. Ook worden de consequenties van de stoornis voor het algemeen functioneren bekeken. Rutter heeft voor het vaststellen van de mate van ernst van het probleemgedrag een algemene lijst van criteria opgesteld. Enkele diagnostische criteria van Rutter zijn

    • Is het symptoom of probleemgedrag bij de leeftijd passend?
    • Treedt het frequent op?
    • Is het situatiegebonden?
    • Is het op zichzelf staand of niet?
    • Hoe is de socioculturele achtergrond?

    Een combinatie tussen de DSM en de CBCL lijkt het beste als het gaat om de taxatie van ernst. Je kunt ook een op je eigen praktijk toegesneden taxatieschaal ontwerpen waarbij de deskundigheid van de betrokken diagnostici in rekening wordt gebracht. Een voorbeeld hiervan is het HETS. Dit staat voor Heerlense Ernst Taxatie Schaal. Deze schaal is voor kinderen en jongeren die aangemeld zijn bij het RIAGG.

    Weging van positieve en negatieve gedragingen (stap 6)

    In de diagnostiek staan de problemen die door de cliënt of de omgeving worden ervaren op de voorgrond. Alle aandacht gaat dus naar de negatieve gedragingen. Ook het positieve gedrag kan informatie bevatten. Dit kan op twee manieren:

    • Positief beoordeeld gedrag binnen het probleemgebied. Een voorbeeld is dat de cliënt soms geen enkele moeite heeft met zich te concentreren.
    • Positief beoordeeld gedrag uit andere gebieden. Een voorbeeld is dat de cliënt heel creatief is.

    Positieve voorbeelden van gedrag kunnen het probleem relativeren, aanknopingspunten bieden voor verdere aanpak en een idee geven over de ernst van de problematiek. In wetenschappelijk onderzoek was vooral aandacht voor de risicofactoren, tegenwoordig is er ook aandacht voor de beschermende factoren. Het onderzoek naar de beschermde factoren heeft nog niet geleid tot een standaardlijst die toepasbaar is in de diagnostische praktijk. Daar zijn twee redenen voor:

    • Het is nog niet duidelijk hoe de ernst gewogen moet worden in verhouding tot de aanwezige risico en beschermende factoren.
    • Vaak blijkt niet 1 factor, maar een samenstelsel van factoren een effectieve bescherming te vormen, waarbij het effect daarvan dan nog per kind verschilt.

    Er worden drie categorieën beschermende factoren genoemd:

    • Aangeboren positieve eigenschappen van het kind. Je kunt dan denken aan bijvoorbeeld intellectuele capaciteiten en veerkracht.
    • Een warm en ondersteunend gezinsklimaat.
    • Een ondersteunend sociaal netwerk.

    In de klachtenanalyse en de probleemanalyse zullen de beschermende (dus positieve) factoren van een kind in een gesprek tussen diagnosticus en cliënt aan bod komen.

    Wat zijn enkele belangrijke aandachtspunten?

    Voor de drie globale stappen in de probleemanalyse zijn enkele aandachtspunten. In de beschrijving en inventarisatie van probleemgedrag zijn dit:

    • Introduceer de inventarisatie middels een classificatiesysteem. Leg de cliënt uit wat je als diagnosticus gaat doen. Vertel dat je het probleem gaat vergelijken met wat in het classificatiesysteem wordt beschreven.
    • Gebruik technieken die bij het classificatiesysteem horen om zo het probleemgedrag in kaart te brengen. Bij het CBCL-classificatiesysteem horen bijvoorbeeld verschillende toetslijsten voor ouders, leerkracht en kind/jongere.

    In de ordening en benoeming van probleemgedrag zijn ook enkele aandachtspunten van belang. Dit zijn:

    • Benoem het probleemgedrag in termen van het gebruikte classificatiesysteem. Een stoornis kan pas worden toegekend als aan de criteria van de stoornis worden voldaan.
    • Ben er als diagnosticus van bewust dat er verschillen tussen informanten zijn. Kind en jongere, ouders en leerkrachten kunnen verschillen in de waarneming van het probleemgedrag.
    • Gebruik de meest recente versie van bestaande classificatiesystemen.
    • Wees ervan bewust dat het ordenen nog geen verklaren is; het gaat om het compact beschrijven van een lijst probleemgedragingen door ze te groeperen rond bepaalde categorieën. Benoem zo’n groepering ook nog niet verklarend (dus niet: intelligentietekort, maar: cognitief probleem).
    • Kijk of de indeling van probleemgedrag volledig is.

    In de taxatie van de ernst van het probleemgedrag zijn de volgende aandachtspunten van belang:

    • Gebruik bij de Achenbach probleemlijsten altijd de totaalscore.
    • Overleg regelmatig met collega’s.
    • Schenk aandacht aan positieve kenmerken.
    • Combineer informatie uit verschillende bronnen bij een oordeel over de ernst van het probleemgedrag (gebruik meerdere toetsen e.d.).
    Access: 
    Public
    Hoe werkt een verklaringsanalyse volgens de diagnostische cyclus? - Chapter 8

    Hoe werkt een verklaringsanalyse volgens de diagnostische cyclus? - Chapter 8

    Het resultaat van de voorgaande stappen is dat we het probleem hebben onderkend en in kaart hebben gebracht. De stap die nu volgt is de verklaringsanalyse. We proberen tot een verklaring van het probleem te komen, op basis van bestaande kennis over relaties tussen problemen en de condities die deze problemen kunnen uitlokken; het gaat om kennis over causale verbanden. De verklaringsanalyse bestaat uit twee deelstappen. Ten eerste het formuleren van toetsbare hypothesen (verklaringen) en ten tweede het toetsen van deze hypothesen. Op basis hiervan stellen we een integratief beeld op waarin we aangeven welke condities tot dit probleem hebben geleid of het instandhouden. Een verklarende diagnose kan van belang zijn bij het zoeken naar interventiemogelijkheden. Na de onderkenning van het probleem, de onderkennende diagnose, formuleren we de mogelijke verklaringen. Verklaringen zijn uitspraken over condities die het probleem kunnen doen ontstaan of instandhouden. Er wordt vaak gewerkt met alternatieve en aanvullende diagnostische verklaringen. Daarvoor zijn drie redenen:

    • Met onze huidige stand van de wetenschap is er geen theoretische of empirische grond dat we het probleemgedrag in verband kunnen brengen met slechts één conditie. Er bestaan voor één probleem vaak meerdere theorieën
    • Alternatieve verklaringen bieden handvatten voor de interventie; een keuze tussen alternatieve mogelijkheden voor interventie kan dan ook gemaakt worden.
    • Het bewust gericht zijn op alternatieve verklaringen vormt een bescherming tegen fouten. Op deze manier wordt bijvoorbeeld voorkomen dat de compleetheid van verklaringen wordt overschat

    Er zijn zeven begrippen die van belang zijn in de verklaringsanalyse. Dit zijn voorlopig diagnostisch denkschema, conditie, wetenschappelijk verklarende hypothese, diagnostische onderzoekshypothese, diagnostische toetsprocedure, zekerheid en waarschijnlijkheid en integratief beeld. Wat houden deze begrippen precies in.

    Wat valt onder een voorlopig diagnostisch denkschema?

    Het voorlopig diagnostisch denkschema is een conceptueel schema dat een diagnosticus opstelt op basis van de informatie uit de voorgaande stappen en door een koppeling te maken met de empirische en klinische kennis. Empirische kennis wordt gezien als het meest waardevol voor het diagnostisch proces. De empirische kennis moet vooral betrekking hebben op (causale) verbanden; dan komt men immers over beweringen in de zin van: ‘deze conditie heeft tot dit probleem van deze cliënt geleid’. Een voorlopig diagnostisch denkschema kan ook vermoedens bevatten. Het dient als uitgangspunt voor het komen tot verklarende hypothesen. Een voorbeeld van een diagnostisch denkschema is; José is thuis overbeschermd opgevoed. Hierdoor heeft ze weinig exploratiebehoefte en raakt zij cognitief achter ten opzichte van haar leeftijdsgenootjes, met de huidige leerproblemen als gevolg.

    Wat heeft conditie te maken met het instandhouden van een probleem?

    Met conditie bedoelen we een variabele die verantwoordelijk is voor het in gang zetten of instandhouden van een probleem. Vaak wordt er in plaats van conditie ook gesproken van factoren, risicofactoren, oorzaken, theoretische concepten etc. Condities kunnen verschillen in de mate van beïnvloedbaarheid en ze bepalen mede de mate van ernst.

    Wat is het verschil tussen een wetenschappelijk verklarende hypothese en diagnostische onderzoekshypothese?

    Dit is een bewering over de causale samenhang tussen twee of meer condities (vastgesteld in wetenschappelijke theorieën). We spreken van een diagnostische onderzoekshypothese als we een toetsbare bewering kunnen formuleren over de relatie tussen de verschijnselen in het individuele geval (in het geval van deze cliënt). Als verschijnselen met elkaar samenhangen, is er niet altijd sprake van een oorzaak-gevolg relatie. We spreken pas van een causaal verband als het ene verschijnsel leidt tot een toename van de kans op het andere verschijnsel. We kunnen de samenhang tussen condities en stoornissen weergeven in een 2x2 matrix. We zijn bij een diagnostische verklaring op zoek naar condities die tot het onderkennende probleem hebben geleid of het instandhouden. Als er een causale relatie is vastgesteld, betekent dit niet dat het bij een stoornis om simpele verbanden gaat. Vaak zijn er complexe verbanden waarin de verschillende condities elkaar in meer of mindere mate beïnvloeden. In dit geval spreken we dan van een multicausaal model.

    De 2x2 matrix

    Hierin wordt de samenhang tussen condities en stoornissen weer gegeven. 

    Diagnostische onderzoekshypothese

    Dit is een toetsbare bewering over een conditie waarvan wordt gedacht dat die een verklaring is voor het onderkende probleem.

    Wat houdt een diagnostische toetsprocedure in?

    In de diagnostische toetsprocedure operationaliseren (gereedmaken voor gebruik) we de condities uit de verklarende onderzoekshypothese. Dit kan door de keuze van middelen en criteria. Deze condities kunnen zeer verschillend zijn, zo kunnen ze betrekking hebben op feitelijke gebeurtenissen, maar ook op psychologische constructen, dit zijn bijvoorbeeld intelligentie en opvoedingsstijl. We maken onderscheid tussen onderzoeksmiddelen en toetsingscriteria. Onderzoeksmiddelen zijn alle middelen die bruikbaar zijn om een conditie uit een hypothese te operationaliseren. Je kunt dan denken aan vragenlijsten, tests, observatiemethoden, interviewtechnieken, dossieranalyse etc. Soms moet de diagnosticus zelf een middel construeren. Toetsingscriteria geven aan welke maatstaven bij de gekozen middelen worden gebruikt om te beslissen of de onderzoekshypothese kan worden aangenomen. Met de toetsingscriteria geven we van te voren aan binnen welk bereik van de resultaten we de hypothese zullen aannemen of verwerpen. Als de resultaten buiten het bereik vallen dan wordt de hypothese verworpen. Toetsingscriteria en de onderzoeksmiddelen zijn met elkaar verbonden. Twee voorbeelden van operationalisaties in middelen en criteria:

    • De conditie is de inconsistente opvoedingsstijl. Het middel is de observatie van gezinsinteracties tijdens het uitvoeren van een gezamenlijke opdracht. Het criterium is het voorkomen van ten opzichte van tegenstrijdige reacties van de ouders op het spelgedrag van het kind.
    • De conditie is de achterstand in de cognitieve ontwikkeling. Het middel is de WISC-III intelligentietest. Het criterium is een verbaal en performaal IQ < 85.

    Zekerheid en waarschijnlijkheid

    Wetenschappelijk verklarende hypotheses zijn probabilistisch van aard. Probabilistisch is dat P de kans op Q groter maakt dan op basis van toeval te verwachten valt. Een wetenschappelijk onderzoek waar de diagnosticus de hypothese vormt zal geen perfecte samenhang tussen probleem/gedrag en condities laten zien. Zekerheid en waarschijnlijkheid spelen niet alleen een rol bij het opstellen en formuleren van diagnostische hypothesen, maar ook bij de evaluatie van onderzoeksuitkomsten. De onderzoeksuitkomsten voldoen immers wel of niet aan de onderzoekscriteria.

    Hoe schets je een integratief beeld van diagnostisch onderzoek?

    Een diagnostisch onderzoek resulteert meestal in het aannemen van meerdere diagnostische hypothesen. De diagnosticus kijkt dan welke condities uit de hypothesen het meest in aanmerking komen als verantwoordelijk voor het instandhouden of het ontstaan van het probleem bij de cliënt. Het integratief beeld is het in kaart brengen hoe de verschillende condities zich binnen de persoon tot elkaar verhouden. Het integratief beeld is voor de diagnosticus een antwoord op de onderkennende en de verklarende diagnostische hulpvragen van de cliënt.

    Aan het formuleren van toetsbare hypothesen en van de toetsprocedure zelf zitten voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden hebben betrekking op de methodologische, psychometrische en professionele aspecten.

    Wat zijn de bijbehorende methodologische voorwaarden?

    Er worden zeven methodologische voorwaarden genoemd als het gaat om hoe de diagnosticus de diagnostische verklaringen moet formuleren en toetsen. De zeven voorwaarden zijn:

    • Bewaken van geldigheid en volledigheid van wetenschappelijke kennis in het voorlopig diagnostisch denkschema.
    • Kunnen hanteren van de causale structuur van het voorlopig diagnostisch denkschema.
    • Kunnen toepassen van de structuur van een logische redenering in verklarende hypothesen.
    • Kunnen formuleren van een toetsbare diagnostische onderzoekshypothese.
    • Correct uitvoeren van de daadwerkelijke toetsing.
    • Tegengaan van fouten.
    • Op een juiste wijze onderzoeksuitkomsten kunnen evalueren.

    1. Bewaken van geldigheid en volledigheid van wetenschappelijke kennis in het voorlopig diagnostisch denkschema

    Na de onderkenning van het probleem moet een verband worden gelegd met de condities die het probleem in gang hebben gezet of/en instandhouden. Twee soorten zoekrichtingen kunnen hierbij worden gebruikt:

    • Van probleem naar conditie
    • Van conditie naar probleem

    Bij de zoekrichting van probleem naar conditie wordt de probleemclassificatie uit de vorige stap als beginpunt genomen. Om zo te zoeken naar verklarende theorieën. De voorkeur gaat dan ook uit naar het gebruik van algemeen geaccepteerde classificatiesystemen. Bij de zoekrichting van conditie naar probleem is het een voorwaarde dat een beroep gedaan kan worden op een zo volledig mogelijk overzicht van typen verklarende condities en theorieën. Vanuit de theorieën wordt gekeken in hoeverre ze kunnen bijdragen tot een geldige verklaring. We kennen verschillende soorten wetenschappelijk kennis:

    • Experimentele kennis
    • Longitudinale kennis
    • Kennis over samenhangen tussen variabelen
    • Systematische praktijkkennis

    Er bestaat een voorkeursvolgorde voor het gebruiken van elk type wetenschappelijke kennis (de volgorde is zoals genoemd van experimentele kennis met als laatste hulpmiddel de praktijkkennis).

    2. Kunnen hanteren van de causale structuur van het voorlopig diagnostisch denkschema

    Een voorlopig diagnostisch denkschema is het eerste conceptuele schema. In de structuur van het diagnostisch denkschema moet naar voren komen op welke manier, volgens de diagnosticus, condities en problemen met elkaar in verband staan. Vaak is er sprake van meerdere condities die onafhankelijk van elkaar voorkomen, maar elkaar soms ook beïnvloeden. De structuur van een diagnostisch denkschema kan er op verschillende manier uitzien:

    • Conditie A - leidt tot - Probleem A: hier is probleem A het gevolg van conditie A (enkelvoudige causale relatie).
    • Conditie A - leidt tot - Probleem A & Probleem B: hier kan één conditie leiden tot verschillende problemen. Bijvoorbeeld conditie A is een trauma, probleem A kan dan zijn agressief gedrag en probleem B kan zijn leerproblemen.
    • Conditie A & Conditie B - leidt tot - Probleem A: hier kan een probleem veroorzaakt worden door verschillende condities. Bijvoorbeeld conditie A is beperkte intelligentie, conditie B is didactische verwaarlozing en probleem A hier is leerproblemen. Beide condities veroorzaken dus probleem A.

    In werkelijkheid zullen condities tegelijk, maar ook na elkaar voorkomen. De condities kunnen onafhankelijk zijn, maar kunnen elkaar ook beïnvloeden. Dit noem je een multicausaal model.

    De verschillende condities en problemen houden het volgende in:

    • Conditie A: Negatief emotioneel klassenklimaat
    • Conditie B: Slecht cognitief inhoudelijke kwaliteit van het onderwijs
    • Conditie C: Faalangst
    • Conditie D: Emotionele labiliteit
    • Conditie E: Inconsistente opvoedingsstijl
    • Probleem A: Een ernstige schoolse achterstand
    • Probleem B: Agressief gedrag thuis

    3. Kunnen toepassen van de structuur van een logische redenering in verklarende hypothesen

    Een verklarende hypothese is een bewering die bestaat uit ondubbelzinnig geformuleerde onderdelen. Drie onderdelen worden onderscheiden:

    • Er is sprake van één of meer problemen
    • Er is sprake van één of meer condities die daarmee in verband kunnen worden gebracht
    • De aard van het verband wordt aangegeven

    Deze drie onderdelen moeten in een hypothese voorkomen. Een voorbeeld van een hypothese; het agressieve gedrag (probleem) van Bas is een uiting van een voortdurend faalgevoel (instandhoudende conditie) dat telkens weer gevoed wordt doordat Bas zich bewust is van de discrepantie tussen de door hem geleverde en door zijn ouders gewenste prestaties (instandhoudende conditie), terug te voeren op de onrealistische eisen die zijn ouders al sinds zijn start op deze school aan hem stellen (uitlokkende conditie).

    De basisstructuur van een diagnostische verklarende hypothese is die van een syllogisme. Een syllogisme is een logisch sluitende redenering. Er wordt een probleem geobserveerd (het explanandum: dat wat verklaard moet worden) en dit probleem moeten we verklaren. Een verklaring gaat pas op als de condities die beschreven staan in de wet ook op het individuele geval van toepassing zijn. In een syllogisme worden explanans (wet en condities samen) en explanandum in een formeel logische structuur weergegeven. De basisstructuur van het syllogisme is als volgt:

    • [ Wet ] als P, dan Q of als P, dan Q
    • [ Conditie ] P is het geval niet Q is het geval
    • dus: Q dus: niet P

    Toegepast op een inhoudelijk voorbeeld ziet het er zo uit:

    • [ Als P, dan Q ] Als het IQ<70 dan leerproblemen in het basisonderwijs
    • [ P is het geval ] Jan heeft een IQ van 60
    • [ dus: Q ] Dus: Jan krijgt leerproblemen in het basisonderwijs

    Of in het andere geval:

    • [ Als P, dan Q ] Als het IQ<70 dan problemen in het basisonderwijs
    • [ Niet Q is het geval ] Jan heeft geen problemen in het basisonderwijs
    • [ Dus: niet P ] Dus: Jan heeft geen IQ<70

    Kunnen formuleren van een toetsbare diagnostische onderzoekshypothese

    Een correct geformuleerde verklarende hypothese laat toe om daaruit een voorspelling af te leiden.

    Correct uitvoeren van daadwerkelijke toetsing

    In de laatste fase van de toetsprocedure gaat het om het daadwerkelijk toepassen van de gekozen middelen en het evalueren van de onderzoeksresultaten (m.b.v. de toetsingscriteria). Hiermee kunnen we de vraag beantwoorden of we de hypothese moeten aannemen of verwerpen. Bij het toetsen van hypothesen onderscheiden we twee principes:

    • Het principe van falsificatie, als er geen resultaten worden gevonden die tegen de voorspelling pleiten dan houden we de hypothese aan.
    • Het principe van verificatie, men gaat hier uit van bewijsmateriaal ten gunste van de onderzoekshypothese. Men acht een hypothese waarschijnlijker naarmate er meer voorspellingen uitkomen.

    Hoe voorkom je fouten?

    Het ontwikkelen van richtlijnen voor het doorlopen van de diagnostische cyclus is nodig om zoveel mogelijk fouten te voorkomen in de oordeelsvorming en besluitvorming. Veel voorkomende fouten zijn:

    • Belief perseverance: Het vasthouden aan de juistheid van de eigen mening. Ondanks informatie die dit ontkracht of weerlegt. Zo kan er overinterpretatie plaatsvinden, wanneer strijdige info toch wordt gebruikt als positieve bevestiging.
    • Primacy effect: In de oordeelsvorming de informatie bevoordelen die het eerst wordt verkregen.
    • Confimation bias: Het uitsluitend zoeken naar informatie die overeenkomt met de opgestelde hypothese.
    • Overconfidence in positive test results: Het overschatten van de waarde van positieve testuitslagen, en dus niet kijken welke waarde in de gewone populatie wordt aangetroffen.
    • Premature closure: Het te vroegtijdig beperken van het aantal mogelijke hypothesen.
    • Illusory correlation: Het veronderstellen van verbanden die in de werkelijkheid niet worden aangetroffen.
    • Excessive datacollection: Het verzamelen van veel meer gegevens dan nodig is.
    • Overconfidence in own capability: Het overschatten van de kwaliteit van het eigen oordeelsvermogen.
    • Search for the exotic: Het zoeken naar het buitengewone, dit is ten nadele van het meer voor de hand liggende.
    • Framing effect: Het te weinig rekening houden met de invloed van de manier waarop je keuzesituaties structureert. Een positieve formulering kan tot een andere beslissing leiden dan een negatieve formulering.

    Op een juiste wijze onderzoeksuitkomsten kunnen evalueren

    Een diagnosticus moet kennis hebben van de kans dat verschijnselen zich sowieso voordoen in de populatie, maar ook de kans dat twee verschijnselen samen kunnen optreden.

    Wat zijn bijbehorende psychometrische voorwaarden?

    Bij de psychometrische voorwaarden gaat het primair om de eisen aan de onderzoeksmiddelen. Dit kunnen zijn objectiviteit, validiteit, betrouwbaarheid en normering. De diagnosticus moet deze onderzoeksmiddelen kunnen beoordelen en hanteren. Je moet je hierbij wel realiseren dat geen enkel onderzoeksmiddel volledig objectief, valide en betrouwbaar is. Onder objectiviteit verstaan we dat als het instrument gebruikt wordt door verschillende diagnostici bij dezelfde persoon dan moet dat leiden tot hetzelfde resultaat. Betrouwbaarheid van een instrument betreft de nauwkeurigheid waarmee een met het instrument gevonden score de werkelijke score benadert. En validiteit gaat erom dat je meet wat je beoogt te meten (voldoet het instrument aan zijn doel).

    Wat zijn bijbehorende professionele voorwaarden?

    Er worden vier professionele voorwaarden genoemd. Dit zijn:

    • Beschikken over contactuele vaardigheden, door het directe contact met de cliënt moet de diagnosticus beschikken over goede gespreks- en omgangsvaardigheden.
    • Kunnen lezen van wetenschappelijk onderzoek en beoordelen van wetenschappelijke kennis.
    • Beschikken over metakennis over de keuze van onderzoeksmiddelen en hun toepassing
    • Kunnen omgaan met de eigen lacunes, dit is het kennen van de eigen mogelijkheden en beperkingen zowel in kennis als in vaardigheden.

    Bij het formuleren en toetsen van diagnostische verklaringen onderscheiden we tien stappen. Stappen in het formuleren van diagnostische verklaringen zijn:

    1. Activeren van algemeen theoretische kennis.
    2. Opsporen van wetenschappelijk geldige relaties tussen probleem en condities: in de zoekrichting van probleem naar conditie, is de probleemclassificatie uit de probleemanalyse het startpunt voor het zoeken naar verklarende theorieën. Wanneer het van conditie naar probleem is, moet er gekeken worden naar beschikbare kennis over verklarende condities. Het nadeel is dat de diagnosticus telkens maar 1 type verklarende conditie zal vinden, ook is het aantal potentieel verklarende condities vrijwel oneindig. Het voordeel van deze zoekrichting is de gevonden verklarende theorie ook zicht kan geven op andere problematiek van de cliënt.
    3. Ordenen van de relaties tussen probleem en condities in een voorlopig diagnostisch denkschema.
    4. Opdelen van het voorlopig denkschema in deelbeweringen: onderzoekshypothesen.
    5. Nagaan of er kennis is die toetsing rechtvaardigt: sommige onderzoekshypothesen kunnen niet worden getoetst met de beschikbare wetenschappelijke kennis.

    Hierna volgen de stappen in het toetsen van diagnostische verklaringen:

    Stap 1: Operationaliseren van onderzoekshypothesen in onderzoeksmiddelen. Substappen zijn:

    1. Bepalen wat precies geoperationaliseerd moet worden

    2. Inventariseren van de onderzoeksmiddelen: er wordt een lijstje van onderzoeksmiddelen gemaakt, die voor het vaststellen van de conditie in principe in aanmerking komen. De keuze van het onderzoeksmiddel hangt mede af van de soort conditie (gebeurtenis, waarneembaar gedrag, een vaardigheid, cognitie of kenmerk van een gezin b/v).

      Conditie

      Onderzoeksmiddel

      Gebeurtenis

      Interview of gesprek

      Waarneembaar gedrag

      Observeren

      Niet of wel beheersen van een vaardigheid

      Test, toets, interview, vragenlijst of

      observatie

      Cognitie, emotie of beleving

      Interview, test of vragenlijst

      Kenmerken van het gezin of school

      Gesprek of observatie

      Betrekking op het verleden

      Dossier of gesprekEen waardevol hulpmiddel bij de keuze van de onderzoeksmiddelen is het COTAN boek. Via een beslisboom van soorten condities wijst hij de gebruiker de weg naar specifieke instrumenten. Het kan ook voorkomen, dat er geen bestaand instrument te vinden is. Dan kan de diagnosticus bijvoorbeeld zelf een proefje doen of een kort trainingsexperiment.

    Stap 2: Het meest geschikte onderzoeksmiddel kiezen: We kiezen het instrument dat het meest betrouwbaar en begripsvalide is. Zijn er meerdere instrumenten dan nog bruikbaar, dan wordt een kosten-batenanalyse uitgevoerd: hoeveel kosten afname en score van de test in termen van tijd, geld en belasting voor cliënt en onderzoeker. Die onderzoeksmiddelen worden gekozen, waarmee tegelijkertijd meerdere hypothesen getoetst kunnen worden. Voldoet geen enkele test aan de eisen, dan moet worden nagegaan of een combinatie van toetsen beter is.

    Stap 3: Vaststellen van de toetsingscriteria bij de middelen: dit vermindert de rol van subjectiviteit bij de toetsing, en het proces wordt inzichtelijk en controleerbaar door anderen. Wanneer er meerdere instrumenten worden gebruikt voor 1 onderzoekshypothese, moet er worden aangegeven hoe de resultaten zich tot elkaar moeten verhouden om de hypothese te bevestigen, b/v: de resultaten moeten voldoen aan de toetsingscriteria op minstens 2 van de 3 testen.

    Stap 4: Daadwerkelijk toetsen.

    Stap 5: Evalueren van de uitkomsten en bepalen van de mate van zekerheid (was er sprake van sociaal wenselijk antwoorden b/v). Aannemen, aanhouden of verwerpen van de hypothese.

    Stap 6: Verwerken van de toetsingsresultaten tot een integratief beeld.

    We onderscheiden slechts twee verklarende condities met elk hun eigen subgroepen. De twee verklarende condities zijn omgevingscondities en individu gebonden condities.

    Omgevingscondities bestaan uit:

    • Fysieke omgeving, bijvoorbeeld etnische gemeenschap en woon en leefomstandigheden.
    • Sociale omgeving, bijvoorbeeld gezinssituatie, school en klas, sociaal netwerk.
    • Pedagogische omgeving, bijvoorbeeld pedagogisch klimaat.

    Individu gebonden condities bestaan uit:

    • Functioneel, bijvoorbeeld relationele vaardigheden, cognitie (intelligentie en leren), persoonlijkheid.
    • Structureel, bijvoorbeeld zintuiglijke conditie, biologische factoren, motorische en lichamelijke conditie.
    • Genetisch, bijvoorbeeld erfelijkheid.

    Als de diagnosticus moet zoeken naar de verklarende conditie dan gebruikt hij bij voorkeur recente handboeken. Tegenwoordig kun je via elektronische zoekmachines handboeken zoeken aan de hand van trefwoorden en ook kunnen deze zoekmachine gebruikt worden voor het vinden van wetenschappelijke artikelen.

    Hoe verwerk je de toetsingsresultaten tot een integratief beeld?

    De aangenomen verklaringen worden door de diagnosticus geïntegreerd tot een integratief beeld van de cliënt. In een integratief beeld worden de onderzoeksresultaten samengevat. Wat moet een diagnosticus hier allemaal doen:

    • Beschrijven van het onderkennende probleem (de stoornis). De uitkomst van de probleemanalyse.
    • Een overzicht geven van de aangenomen verklarende hypothesen. Geef per aangenomen hypothese aan hoe zeker je bent van de verklaring.
    • Formuleer op basis van de aangenomen verklarende hypothesen een integratief beeld voor het onderkennende probleem van de cliënt. Geef aan welke condities verantwoordelijk zijn voor het ontstaan of instandhouden van het probleem.
    • Geef aan welke relaties of causale verbanden er worden vermoed tussen de condities in de aangenomen verklarende hypothesen.
    • Vermeld welke hypothesen zijn aangehouden voor verder onderzoek.
    • Vermeld welke hypothesen zijn verworpen.
    • Leg een relatie tussen integratief beeld en de hulpvraag en klachten van de cliënt.
    • Het opnemen van positieve ontwikkelingscondities. Ook wel protectieve factoren genoemd. Deze factoren kunnen bijvoorbeeld zijn kindfactoren (intelligentie, gemakkelijk temperament), opvoedingsfactoren (goede partnerrelatie, ondersteunende opvoedingsstijl, afwezigheid psychische stoornissen) en sociale omgevingsfactoren (vriendschapsrelaties, ondersteunend sociaal netwerk, ondersteunende leerkrachten).

    Wat zijn enkele belangrijke aandachtspunten bij de verklaringsanalyse?

    Er zijn heel wat aandachtspunten van belang in de verklaringsanalyse. Hieronder zullen enkele van deze aandachtspunten worden genoemd:

    • Vermijd formulering van niet wetenschappelijk hypothesen.
    • Laat je bij het formuleren van de hypothese niet weerhouden door het feit dat oorzaak-gevolg relaties vaak moeilijk te toetsen zijn.
    • Ga na of er hypothesen zijn voor elke stoornis.
    • Ga na of elke hypothese minstens één stoornis dekt.
    • Ga na of de hypothesen zo onafhankelijk mogelijk zijn geformuleerd.
    • Ga na of je kunt verantwoorden waarom hypothesen niet zijn opgenomen.
    Access: 
    Public
    Hoe werkt een indicatieanalyse volgens de diagnostische cyclus? - Chapter 9

    Hoe werkt een indicatieanalyse volgens de diagnostische cyclus? - Chapter 9

    In de voorgaande stappen is inzicht gekregen in de problematiek van de cliënt. Het integratief beeld heeft betrekking op de klachten en problemen van cliënt, maar ook op hoe het is ontstaan en in stand blijft. Het integratief beeld is het startpunt van de indicatieanalyse. Het doel van indicatieanalyse is het komen met een aanbeveling voor de best passende aanpak van het probleem. In deze stap richten de diagnosticus en de cliënt zich op de toekomst. De uitkomst van de indicatieanalyse is een indicerende diagnose. Dit is een lijst van één of meer aanbevelingen. De indicatieanalyse geeft antwoord op de vraag wat het best passende type aanpak is voor het probleem van de cliënt. De uitkomsten van de probleemanalyse en de verklaringsanalyse geven wel de richting aan van de interventie, maar nog niet de precieze weg die gevolgd moet worden. Het kan zijn dat de indicatieanalyse direct volgt op de probleemanalyse, dit kan alleen als men er zeker van is dat er voor de indicatieanalyse geen bruikbare verklaringen worden gevonden in de verklaringsanalyse. Meestal volgt een indicatieanalyse na een verklaringsanalyse. De indicatieanalyse bevat dus informatie uit de klachtenanalyse, de probleemanalyse en de verklaringsanalyse. Bij de raad van de kinderbescherming is indicatie niet een ruim begrip en maakt men alleen gebruik van de klachtenanalyse en probleemanalyse. We onderscheiden twee indicerende hulpvragen:

    • Gesloten indicerende hulpvragen: hier wordt al een interventie genoemd (bijvoorbeeld: is een sociale vaardigheidstraining geïndiceerd om de problemen te reduceren?)
    • Open indicerende hulpvragen: hier wordt gevraagd welke interventie het best bij het probleem past (bijvoorbeeld: ‘Welke interventie is het best geschikt om..’)

    Er zijn een aantal begrippen belangrijk in de indicatieanalyse. Dit zijn indicatieanalyse en indicatiestelling, interventie en het globale doel van de interventie, theoretisch of empirisch onderbouwde aanbevelingen, indicatiecriteria, verwacht nut en overleg met de cliënt.

    Wat houden een indicatieanalyse en indicatiestelling in?

    Indicatieanalyse is het komen tot een beslissing over het best passende type interventie voor een probleem. Dit is gebaseerd op de empirische en theoretische kennis over het verwachte nut van de aanpak. De uitkomt van een indicatieanalyse is een indicerende diagnose. Dit is een lijst met aanbevelingen voor een type interventie. Een indicatiestelling is het eindresultaat van de indicatieanalyse.

    Wat is het nut van interventie en het globale doel hiervan?

    Interventie wordt hier gebruikt als begrip voor alle vormen van professioneel gedragswetenschappelijke hulpverlening. Het begrip interventie kan afhankelijk van de situatie een meer of minder specifieke betekenis krijgen zoals therapie of behandeling. De begrippen interventie en behandeling worden vaak door elkaar gebruikt. Het globale doel van de interventie is het opheffen of verminderen van een probleem en het tot stand brengen van een positieve verandering. Doelen kunnen algemeen en specifiek zijn. In de indicatieanalyse zou een diagnosticus voornamelijk algemene doelen formuleren. Bijvoorbeeld het opheffen van de schoolfobie. Een voorbeeld van een specifiek doel is; het hardop lezen in de klas zonder ademnood. Bij het globale doel van de interventie wordt verwezen naar het onderkennende probleem in de probleemanalyse. Wat ook een rol speelt bij het formuleren van het globale doel is dat als middel om het doel te bereiken meerdere typen interventies inzetbaar zijn.

    Wat is de aard van theoretische of empirische onderbouwde argumenten?

    De aanbevelingen steunen op theoretische of empirische argumenten. De theoretische argumenten verwijzen vooral naar de ontstaans- en veranderingsprocessen van klachten en problemen. Vaak zijn deze al naar voren gekomen in de verklaringsanalyse. Empirische argumenten betreffen feitelijke kennis over onder andere de uitkomsten van een interventie bij cliënten met gelijkwaardige klachten, problemen en verklaringen. Ook de kennis over de werkwijze, tijd en omvang van de interventie vallen onder de empirische argumenten.

    Wat zijn indicatiecriteria?

    Een indicatie is een kenmerk dat positief gerelateerd is aan het succes van een interventie. Aanwezigheid van dit kenmerk verhoogt de kans van slagen. Het tegenovergestelde van indicatie is contra-indicatie. Dit is een belemmerende factor en bij aanwezigheid ervan neemt de kans op falen toe. Ook maken we onderscheid tussen twee soorten criteria:

    • Empirische criteria: dit zijn criteria waarbij is vastgesteld dat zij de kans van slagen van de behandeling beïnvloeden.
    • Hypothetische criteria: dit zijn criteria waarbij het alleen verondersteld is dat ze de kans van slagen beïnvloeden.

    Wat is het verwachte nut van een indicatieanalyse?

    Het begrip nut is afkomstig uit de economische besliskunde. In de spreektaal heeft nut een positieve betekenis, maar in de besliskunde kan die variëren van positief naar negatief. Het nut wordt berekend door de baten te verminderen met de kosten. Ook in de indicatieanalyse kun je de baten en kosten met elkaar vergelijken. Deze manier van het bepalen van nut is erg subjectief. Het kan zo zijn bij een probleem dat de gekozen aanpak toch nut heeft ondanks dat er geen effect is op het probleem zelf. Een behandeling kan echter een positief, negatief of geen nut opleveren. Je moet hierbij denken aan de (contra-)indicaties.

    Hoe bepaalt overleg met de cliënt mede het verwachte nut en welke voorwaarden spelen hierbij een rol?

    Bij het formuleren van het globale doel en het bepalen van het te verwachten nut van de behandeling is kennis over de voorkeuren en waardeoordelen van de cliënt van belang. De diagnosticus probeert in de indicatieanalyse de cliënt in een gesprek uit te lokken om zijn voorkeuren aan te geven en het door de cliënt ervaren nut.

    In de indicatieanalyse is het belang van een dialoog met de cliënt hoog. Ook in de indicatieanalyse moet de diagnosticus zich houden aan bepaalde methodologische, psychometrische en professionele voorwaarden. Methodologische voorwaarden zijn bijvoorbeeld:

    • Het kunnen formuleren van indicatie en contra-indicatiecriteria die conceptueel helder zijn en te operationaliseren zijn.
    • Correct uitvoeren van de daadwerkelijke toetsing ten aanzien van de indicatie en contra-indicatiecriteria.
    • Tegengaan van fouten.

    Psychometrische voorwaarden zijn bijvoorbeeld:

    • Objectiviteit en betrouwbaarheid die van toepassing zijn op de middelen om de aanwezigheid van indicatie en contra-indicatiecriteria te controleren.

    Professionele voorwaarden zijn bijvoorbeeld:

    • Kunnen lezen en beoordelen van wetenschappelijke publicaties over effectiviteitonderzoek.
    • Beschikken over de vaardigheid tot ontlokken en expliciteren van de meningen van de cliënt.
    • Op de hoogte zijn van het algemene lokale aanbod van typen interventies.
    • Kunnen omgaan met eigen lacunes.

    Uit welke stappen bestaat de indicatieanalyse?

    De indicatieanalyse verloopt volgens vijf stappen en de daarbij horende substappen, namelijk:

    Stap 1: Nagaan of een interventie ingezet kan worden:

    • Is behandeling nodig?
    • Is behandeling mogelijk?
    • Is behandeling wenselijk?

    Stap 2: Formuleren en prioriteren van doelen:

    • Wat is het uiteindelijke globale interventiedoel?
    • Wat zijn eventueel de specifieke doelen?

    Stap 3: Selecteren van de in aanmerking komende typen interventies:

    • Welk theoretisch referentiekader wordt gekozen?
    • In welk type setting vindt de uitvoering plaats?
    • Directe (kindgericht) of indirecte (opvoedergericht) vorm van interventie?
    • Zijn er eisen ten aanzien van de interventieduur?

    Stap 4: Bepalen van het nut en de kans van slagen per geselecteerde aanpak:

    • Wat is het positieve en negatieve nut?
    • Wat is de kans van slagen en falen?
    • Wat is de uitkomst van de weging van nut met de kans van slagen?

    Stap 5: Controle op de uitvoerbaarheid van een type interventie.

    Achterhalen of een interventie ingezet kan worden (stap 1)

    Is behandeling nodig?

    De diagnosticus moet zich afvragen of behandeling van de cliënt wel nodig is. Behandeling is niet nodig als het probleem door de cliënt zonder hulp kan worden opgelost. Het beginpunt is het integratief beeld dat aan het eind van de verklaringsanalyse is geformuleerd. Hierin staan zowel de problematische aspecten als de positieve ontwikkelingsmogelijkheden van de cliënt. De kans op slagen van een interventie voor de cliënt is groter naarmate de klacht minder intens is, de ernst van het probleem geringer en dat de oproepende of instandhoudende condities beter te beïnvloeden zijn. Een instrument dat de diagnosticus hierbij kan ondersteunen is de Nijmeegse Vragenlijst voor de Opvoedingssituatie (NVOS). De diagnosticus moet de kans dat de problematiek vanzelf overgaat inschatten op grond van de kennis die de diagnosticus heeft over de normale ontwikkelings- en opvoedingsmoeilijkheden en over de ontwikkelingspsychopathologie. Bij deze inschatting maakt de diagnosticus vaak gebruik van de classificatiesystemen.

    Is behandeling mogelijk?

    Als de diagnosticus tot de conclusie is gekomen dat interventie nodig is, moet er nog gekeken worden of dit op vakinhoudelijke gronden in principe ook mogelijk is. De diagnosticus maakt hierbij gebruik van klinische handboeken. We onderscheiden twee typen klinische handboeken:

    • Het eerste type kiest de problematiek als ingang.
    • Het tweede type kiest de soort behandeling als ingang.

    Is behandeling wenselijk?

    Dat een type interventie of behandeling in aanmerking komt, betekent nog niet dat het ook zo moet worden uitgevoerd. De diagnosticus moet in ieder individueel geval nagaan of er nadelen kleven aan de aanpak. Door middel van de in het vorige punt gevonden literatuur is het mogelijk om te controleren of er geen bijzondere omstandigheden zijn die tegen de uitvoering pleiten. Tot zover doorloopt de diagnosticus de indicatieanalyse aan de hand van globale termen en criteria zoals deze in de vakliteratuur staan beschreven. Het is goed om deze stap af te sluiten met een gesprek waarin de diagnosticus aangeeft dat behandeling nodig, mogelijk en wenselijk is.

    Formuleren en prioriteren van doelen (stap 2)

    Het uitgangspunt bij het formuleren van doelen is het integratief beeld. De diagnosticus formuleert de globale interventiedoelen en stelt een voorlopige prioritering op. Deze doelen kunnen dus algemeen zijn, maar kunnen ook specifiek zijn in de vorm van doelgedragingen. In deze stap is veel overleg met de cliënt.

    Wat is het uiteindelijke globale interventiedoel?

    De formulering van het globale doel wordt voornamelijk gestuurd door de globale inhoud van klacht, probleem en verklaring. Globale doelen kunnen bijvoorbeeld zijn; het verminderen van onaangename gevoelens, het verminderen van de gevoeligheid voor negatieve reacties.

    Wat zijn eventueel specifieke doelen?

    De globale interventiedoelen kunnen nader worden gespecificeerd voor de daadwerkelijke behandeling. Meestal gebeurt dit pas in de behandelingscyclus. Bij specifieke doelen gaat het om concrete gedragingen. In de dialoog met de cliënt geldt de voorkeur van de cliënt als uitgangspunt. Het prioriteren van de doelen gebeurt dan ook in overleg de cliënt. De diagnosticus kan door middel van vragen van de cliënt te weten komen wat hij belangrijk vindt. Deze stap wordt afgerond met een gemeenschappelijke afspraak over het gewenste en realistische interventiedoel.

    Selecteren van de in aanmerking komende typen interventie (stap 3)

    Welk theoretisch referentiekader wordt gekozen?

    De diagnosticus gaat na of er factoren zijn die een bepaald type interventie noodzakelijk maken. Er moet worden vastgesteld volgens welk referentiekader de interventie het beste kan worden opgezet. Interventieprincipes zijn op theoretische inzichten gebaseerd. Deze theoretische inzichten hebben betrekking op het ontstaan, instandhouden of veranderen van het probleem. Dit geeft inzichten in de theoretische relatie tussen enerzijds kenmerken van de cliënt en de context en anderzijds de te bereiken doelen.

    In welk type setting vindt uitvoering plaats?

    Bij de afweging van een heeft de diagnosticus een voorkeur voor het instandhouden van de natuurlijke opvoedingssituatie. Er wordt dan meestal verwezen naar het gezin en in het onderwijs is er het streven naar inclusie en integratie. Hiermee wordt bedoeld dat leerlingen zoveel mogelijk blijven in het reguliere onderwijs. Als de diagnosticus vindt dat de behandeling moet plaatsvinden op een speciale school of in een residentiële instelling dan moet hij daar sterke en goede argumenten voor hebben. De argumenten voor een behandeling buiten het gezin of onderwijscontext zijn gebaseerd op de ernst van het probleem. Met behulp van de Vragenlijst Sociale en Pedagogische Situatie (VSPS) kunnen deze argumenten worden onderbouwd. Deze stap moet in overleg met de cliënt worden afgesloten.

    Directe of indirecte vorm van interventie?

    We kunnen onderscheid maken tussen drie hoofdvarianten als het gaat om de aanpak. Dit zijn:

    • Individuele aanpak: Deze is direct gericht op het kind of de jeugdige.
    • Groepsaanpak: Deze is direct gericht op de leefgroep of de klasgroep.
    • Opvoedersaanpak: Deze is indirect ten opzichte van het kind of de jeugdige en direct gericht op een ouder, groepsleider of leerkracht. Dit wordt ook wel mediatietherapie genoemd.

    De beste interventievorm is vaak te vinden door te kijken naar de inhoud van het globale doel. Het globale doel kan op deze drie verschillende niveaus zijn geformuleerd.

    Zijn er eisen ten aanzien van de interventieduur?

    De interventie mag niet langer duren dan dat strikt noodzakelijk is. In acute situaties of ter voorkoming daarvan kan men gebaat zijn bij kortdurende eerste hulp. Dit zal later worden gevolgd door een interventievorm die meer tijd in beslag neemt.

    Bepalen van het nut en de kans van slagen per geselecteerde aanpak (stap 4)

    Wat is het positieve en negatieve nut?

    Formeel gezien is het nut een optelsom van de positieve en negatieve gevolgen van een gebeurtenis (hier: de positieve of negatieve opbrengsten van de behandeling). Eenvoudig gezegd kun je stellen dat het nut van slagen positief is en dat van falen is negatief. We kunnen het nut ook uitdrukken in een getal. Dat is bijvoorbeeld +10 (positief nut) en -10 (negatief nut). De diagnosticus moet ervoor zorgen dat de keuze van de behandeling en het nut ervan op een schaal van 0 tot +10 blijft. Het positieve nut van een behandeling bestaat uit twee componenten:

    • Effectiviteit: De mate waarin het vooraf geformuleerde doel bereikt wordt
    • Positieve bijwerkingen

    Er is sprake van weinig positief nut als er slechts enkele aspecten van het probleem binnen het bereik van de behandeling vallen. We spreken van maximaal nut als alle aspecten van probleem en beoogde doelen binnen het bereik van de behandeling vallen. Het is ook van belang dat de diagnosticus nagaat of de cliënt een positief nut ziet van de behandeling. Als dit niet het geval is zal de diagnosticus de cliënt wijzen op de voordelen van de behandeling. Als dit voor de cliënt niet overtuigend is, dan valt de behandeling af als keuzemogelijkheid.

    Wat is de kans van slagen en falen?

    Het slagen van een behandeling is afhankelijk van een groot aantal factoren en de mogelijkheid blijft bestaan dat de behandeling niet lukt. De diagnosticus moet het nut dus nog wegen met de kans van slagen. De uitkomst is dan het verwachte nut. Bijvoorbeeld het nut is 10 en de kans van slagen is 0.9, dan is het verwachte nut 0.9 x 10 = 9. In de praktijk blijkt dit moeilijk te realiseren. Dit komt doordat er geen tabellen zijn waar de kans van slagen van een behandeling bij specifieke klacht, probleem en verklaringscombinaties kan worden afgelezen. Om dit op te lossen kan de diagnosticus de inschatting van de kans van slagen baseren op de mate waarin de problematiek van de cliënt past bij de indicatie en contra-indicatiecriteria voor de desbetreffende behandeling. De beantwoording van de vraag in welke mate de cliënt aan de criteria voldoet, vindt plaats door middel van twee stappen:

    1. Het inventariseren van de criteria.
    2. Het beoordelen van de criteria: Heeft de cliënt alle indicaties waar de behandeling over spreekt, en is er geen sprake van contra-indicaties (indien ja: dan is de behandeling niet geschikt).

    Wat is de uitkomst van de weging van nut met de kans van slagen?

    In de vorige stappen heeft de diagnosticus één of meerdere behandelingen uitgesloten. En voor iedere optie van de behandelingen die over zijn, is het nut bepaald op een schaal van 0 tot 10. Ook kan de diagnosticus de mate van vertrouwen van het slagen van de behandeling omzetten in een getal. Dit is de kans van slagen per behandeling. De kans ligt tussen 0.0 en 1.0. Als de kans te laag is (onder de 0.3) dan is er geen vertrouwen op succes. Niet alle diagnostici drukken de kans van slagen uit in een getal. Dit kan ook op basis van een verbale formulering. Je kunt dan denken aan termen zoals, weinig, matig, redelijk, goed etc. Voor elke behandeling beschikt de diagnosticus dus over twee getallen:

    • Een positief nut
    • De kans van slagen

    Door deze twee getallen met elkaar te vermenigvuldigen komt er het verwacht nut uit. Eerder zijn alle behandelingen met een negatief nut en een lage kans van slagen al afgevallen. Ook hier kan de diagnosticus weer gebruik maken van een verbaal formuleren zoals hoog, laag etc. Door het verwachte nut te bepalen van behandeling kun je een rangorde aanbrengen. Als de ene behandeling een verwacht nut heeft van bijvoorbeeld 4,7 en de andere behandeling een verwacht nut van 2,3 dan gaat de voorkeur uit naar de behandeling met het verwachte nu van 4,7. Het eindresultaat van de gemaakte keuzes zal met inhoudelijke argumenten worden onderbouwd. Het eindproduct van de indicatieanalyse is een lijst van aanbevelingen. Deze zijn geordend van het type interventie met het hoogste verwachte nut tot die met het laagst verwachte nut.

    Wat zijn enkele belangrijke aandachtspunten?

    Enkele aandachtspunten zijn in de indicatieanalyse van belang, namelijk:

    • Raadpleeg regelmatig de literatuur.
    • Raadpleeg een goede sociale behandelingskaart (overzicht behandelaars, behandelingen, behandelingsinstellingen, wachtlijsten etc.).
    • Let erop onderscheid te maken tussen indicatie en contra-indicatiecriteria.
    • Maak gebruik van opeenvolgende werkbladen voor iedere stap van de indicatieanalyse.
    • Houd de waarderingen door de cliënten bij voor de aard en opbrengst van de gedane behandelingsvoorstellen.
    Access: 
    Public
    Hoe werkt een adviesgesprek volgens de diagnostische cyclus? - Chapter 10

    Hoe werkt een adviesgesprek volgens de diagnostische cyclus? - Chapter 10

    Het diagnostisch proces start bij de aanmelding van de cliënt en eindigt met de advisering. De diagnosticus geeft hier een beargumenteerd antwoord op de hulpvraag van de cliënt. Als de hulpvraag van de cliënt indicerend van aard was dan is het antwoord een lijst met aanbevelingen. Deze aanbevelingen vormen het uitgangspunt voor de adviesfase. Met het verslag van de adviesfase sluit de diagnosticus deze fase af. Het diagnostisch proces wordt afgerond met twee soorten verslagen. Dit zijn een professioneel verslag en een cliëntverslag. De diagnosticus legt in het professioneel verslag verantwoording af aan collega’s. Het cliëntverslag is voor de cliënt en de andere direct betrokkenen.

    Een veel voorkomende klacht is dat de diagnostische uitspraken niet aansluiten op de hulpvragen van de cliënten. Vaak is de diagnose voor de cliënt moeilijk te begrijpen, omdat het niet is vertaald naar het referentiekader van de cliënt en er wordt vaak moeilijke vaktaal gebruikt. Cliënten ervaren dat ze niet worden betrokken bij de advisering en dat het advies hun gewoon wordt opgelegd. Een cliënt zal zich meer inzetten voor een advies dat hij zelf gekozen heeft dan dat hem is opgelegd. De uitkomst van de indicatieanalyse is een lijst met aanbevelingen. Deze is samengesteld in goed overleg met de cliënt. In de adviesfase kiest de cliënt zelf het uiteindelijke advies. Informatie die is verzameld uit de vorige fase is niet toereikend. Ook de informatie over de uitvoerbaarheid vanuit het oogpunt van de cliënt is belangrijk en komt aan de orde in de adviesfase. Samenwerken met de ouders en school is een belangrijk punt in de advisering. Begrippen die belangrijk zijn in de adviesfase zijn advies, adviesgesprek en gespreksmodus.

    Wat is de rol van advies in de diagnostiek?

    Het advies is de uitkomst van de diagnostische cyclus. Advies betekent letterlijk raadgeving of bericht. In de diagnostiek is het advies op verzoek. Het diagnostisch proces is pas afgerond met het geven van een definitief advies.

    Welke structuur heeft een adviesgesprek?

    Adviesgesprekken variëren op drie dingen:

    • De opzet
    • De inhoud
    • Het doel

    De opzet betreft de samenstelling van de deelnemende personen. Je kunt dan denken aan de ouders, ouders samen met het kind of het kind apart. Daarnaast heeft de opzet te maken met de locatie waar het gesprek plaatsvindt, de duur ervan, de indeling etc. De inhoud geeft aan waarop het gesprek betrekking heeft. Adviesgesprekken hebben vier doelen:

    • Verschaffen van informatie over de onderkennende en verklarende diagnose, over de argumenten uit de indicatieanalyse en de uiteindelijke aanbeveling
    • Controleren van het werk van de diagnosticus aan de hand van de reacties van de cliënt
    • Via overleg probeert de diagnosticus tot overeenstemming te komen voor wat betreft zijn aanbevelingen en de voorkeur van de cliënt
    • Het verzamelen van informatie met het oog op de concrete invulling van het gekozen advies

    Hoe bepaal je de gespreksmodus?

    De diagnosticus voert in de loop van de diagnostische cyclus een aantal gesprekken met de cliënt. Deze gesprekken zijn erop gericht om de verschillende doelen te bereiken (uitwisselen van informatie, bereiken van consensus of het op gang brengen van verandering). Elk doel geeft een ander karakter aan het gesprek. Dit karakter is de gespreksmodus. De lijst met aanbevelingen uit de indicatieanalyse wordt in de adviesfase aan de cliënt voorgelegd en gecontroleerd op uitvoerbaarheid. Methodologische en professionele voorwaarden zijn in de adviesfase van belang. De psychometrische voorwaarden die we zagen in de andere stappen van de diagnostische cyclus zijn in deze fase minder van toepassing. De methodologische voorwaarden zijn:

    • Een controleerbaar en inzichtelijk antwoord kunnen geven op hulpvragen
    • Aantoonbaar kunnen verantwoorden van aanbevelingen

    De professionele voorwaarden zijn:

    • Het kunnen hanteren van verschillende gespreksvaardigheden. Dit kunnen zijn informeren, informatie inwinnen, overleggen en heldere afspraken maken. Het is afhankelijk van het doel van het adviesgesprek welke vaardigheden de diagnosticus zal gebruiken.
    • Beschikken over goed relationele vaardigheden. De diagnosticus moet in staat zijn tot een luisterende, empathische, ondersteunende en integere houding.
    • Kunnen omgaan met emoties van anderen. Het adequaat kunnen reageren op de emoties van de cliënt.
    • Zich kunnen inleven in het perspectief van de cliënt. De diagnosticus moet zich ervan bewust zijn dat het adviesgesprek een andere betekenis heeft voor hem dan voor de cliënt.
    • Informatie helder en objectief kunnen overdragen. De informatie die de diagnosticus geeft moet afgestemd zijn op het referentiekader van de cliënt.
    • Kunnen aansluiten bij het taalgebruik en referentiekader van de cliënt.
    • Op de hoogte zijn van wettelijke en beroepsethische richtlijnen.

    Welke gespreksmodi zijn er en hoe komen deze terug in de verschillende stappen in advisering?

    Schoorl en Kousemaker onderscheiden drie gespreksmodi. Dit zijn de informatiemodus, consensusmodus en beïnvloedingsmodus. In de informatiemodus heeft praten het doel van uitwisselen van informatie. Dit houdt onder andere in: het overdragen en verzamelen van zowel objectieve als subjectieve informatie. De consensusmodus heeft als doel consensus te bereiken. Zowel de cliënt als de diagnosticus moeten bereid zijn zich te laten beïnvloeden door argumenten van de ander. In de beïnvloedingsmodus heeft praten als doel het handelen van een ander te beïnvloeden en te veranderen. Deze verschillende gespreksmodi zie je ook terug in de verschillende stappen in advisering. In de fase van advisering is er sprake van het overdragen van gegevens en de betekenis ervan aan de cliënt. Ook de rol van de cliënt is in de fase van advisering veranderd. Eerst was deze een informatiebron en medeonderzoeker. In deze fase is de cliënt een overlegpartner. We onderscheiden zes stappen in de adviesfase, waarvan de middelste 4 de eigenlijke fasen in het adviesgesprek zijn:

    1. De voorbereiding van het adviesgesprek door een diagnosticus
    2. De voorlichting aan de cliënt
    3. De controle door de diagnosticus
    4. Het overleg tussen diagnosticus en cliënt
    5. Het concretiseren van het advies door de diagnosticus
    6. De afronding van het adviesgesprek

    De voorbereiding van het adviesgesprek van de diagnosticus (stap 1)

    Het is van belang dat bij aanvang van het adviesgesprek de diagnosticus een voorlopig cliëntverslag heeft en deze wordt besproken met de cliënt. Dit voorlopige verslag staat ter discussie en moet mogelijk bijgesteld en aangepast worden. Bij de voorbereiding doorloopt de diagnosticus de volgende stappen:

    • Wie zal bij het adviesgesprek aanwezig zijn en waar vindt het plaats? Het advies wordt in eerste instantie besproken met de hulpvrager en cliënt. Kinderen van 12 tot 16 jaar mogen aanwezig zijn bij het gesprek en met kinderen ouder dan 16 jaar zal de diagnosticus het adviesgesprek zelf voeren. Als locatie kan men denken aan een instelling, thuis bij de ouders, op school etc.
    • Hoe kan ik de cliënt het beste voorlichten?
    • Welke van mijn conclusies wil ik controleren aan de cliënt? De diagnosticus zal zich vooral richten op het overdragen en controleren van zijn aanbevelingen. Als het integratief beeld nog niet is besproken dan moet de diagnosticus ook de uitspraken uit dit beeld controleren.
    • Op welke wijze presenteer ik mijn aanbeveling zodat de cliënt een goede keuze maakt? Het is van belang dat de diagnosticus de goede gesprekvaardigheid technieken toepast.
    • Welke informatie heb ik nodig voor de concretisering van het gekozen advies?
    • Hoe rond ik het adviesgesprek af?

    De voorlichting aan de cliënt (stap 2)

    Het adviesgesprek begint indien nodig met een kennismaking en introductie. De diagnosticus vertelt aan de cliënt hoe het adviesgesprek is ingedeeld. De diagnosticus zal meteen beginnen met waar de cliënt voor is gekomen; de beantwoording van de hulpvraag. Uitstel hiervan leidt alleen maar tot meer spanning. De overheersende gespreksmodus in deze stap is de informatiemodus. De diagnosticus geeft informatie. De diagnosticus maakt hierbij onderscheidt tussen twee dingen:

    • Objectieve informatie, dit zijn kale feiten
    • Expertoordeel, dit is de gefundeerde mening van de diagnosticus

    De controle van de diagnosticus (stap 3)

    Een adviesgesprek kan gezien worden als evaluatie van het diagnostisch proces. De stappen zullen door elkaar lopen en niet elkaar netjes opvolgen. Een diagnosticus controleert constant zijn uitspraken aan de hand van de reactie van de cliënt. De meeste conclusies uit de verklaringsanalyse zijn al gecontroleerd in de indicatieanalyse, dus het accent ligt op de controle van de conclusies uit de indicatieanalyse. Zo controleert de diagnosticus de uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Ook nu is de informatiemodus de overheersende gespreksmodus. Het gaat hier vooral om de informatie die de cliënt geeft.

    Het overleg over de aanbevelingen (stap 4)

    Het doel van deze stap is het bereiken van overeenstemming tussen diagnosticus en cliënt ten aanzien van de aanbevelingen van de diagnosticus. Hier zijn de consensusmodus en beïnvloedingsmodus belangrijke gespreksmodi. Door het diagnostisch onderzoek af te stemmen op de hulpvraag van de cliënt wordt ook de kans op overeenstemming verhoogd. Het is niet altijd mogelijk om te komen tot volledige overeenstemming, maar het is uiteindelijk de cliënt die beslist.

    De diagnosticus leidt het gesprek, maar er is ook ruimte voor overleg. De cliënt kan de aanbevelingen overnemen of de cliënt kan een deel of alle aanbevelingen niet accepteren. Als dit het geval is gaan diagnosticus en cliënt nog een keer met elkaar in gesprek. Na dit gesprek kunnen de cliënt en diagnosticus toch tot overeenstemming komen of er ontstaat geen overeenstemming. De cliënt kan een tegenvoorstel doen. De diagnosticus kan akkoord gaan met de wens of niet akkoord gaan met de wens. Als de diagnosticus niet akkoord gaat met de wens is verder overleg nodig. Een oplossing kan dan een second-opinion zijn bij een onafhankelijke instelling.

    Het concretiseren van het gekozen advies (stap 5)

    Als er samen met de cliënt is gekozen voor een bepaald advies dan moet deze nog globaal ingevuld worden. De informatiemodus is hierbij de gespreksmodus. Een specifiek interventieplan wordt pas opgesteld in de volgende cyclus door de begeleider van de behandeling, in de behandelingscyclus. Bij de concrete invulling van het gekozen advies komen vooral praktische zaken aan de orde (afstand, financiën). Als de diagnosticus de cliënt verwijst naar een externe behandelaar of begeleider dat zal deze het interventieplan opstellen. Als de diagnosticus zelf de interventie uitvoert dan moet hij een gedetailleerd interventieplan uitwerken. In een interventieplan staan tien stappen. Als de diagnosticus de cliënt verwijst naar een extern behandelaar dan hoeft hij alleen maar de punten 1 tot en met 4 uit te werken. De tien punten in het interventieplan zijn:

    1. Het interventiedoel, dit kan globaal zijn (op langer termijn) en specifiek (op korte termijn).
    2. Het type interventie: ambulant, opname in een instelling etc.
    3. De vorm van de interventie: gedragstherapie, speltherapie etc.
    4. De locatie of setting waar de interventie zal worden uitgevoerd.
    5. De te hanteren methoden, technieken en procedures.
    6. De persoon die de interventie toepast en contact met de cliënt onderhoudt.
    7. De personen uit het cliëntensysteem die bij de interventie worden betrokken en de wijze waarop dit zal gebeuren.
    8. Een inschatting van de frequentie en duur van de behandeling of begeleiding.
    9. De urgentie van de interventiedoelen en een eventuele prioritering daarbinnen.
    10. De evaluatie van het plan: er moet duidelijk aangegeven worden in het plan, wat de criteria zijn om van een positief resultaat te spreken, en wat de verwachtingen zijn van de behandeling.

    Soms zal het gekozen advies van de diagnosticus zijn het doen van aanvullend onderzoek. De diagnosticus geeft hierbij aan welke stappen dit omvat, wie het uitvoert, op welk termijn het moet plaatsvinden en wat de gevolgen zijn voor de getrokken conclusies. Ook geeft de diagnosticus hierbij aan waarom verder onderzoek belangrijk is.

    De afsluiting (stap 6)

    Als er in een adviesgesprek nieuwe gegevens naar voren komen dan zal de diagnosticus terug keren naar een eerdere fase in de diagnostische cyclus. Als de verschillende stappen van het adviesgesprek zijn doorlopen sluit de diagnosticus het gesprek af.

    De diagnosticus vat de genomen besluiten samen en gaat na of de cliënt ze heeft begrepen en ermee instemt. In deze stap zijn informatiemodus en consensusmodus van toepassing. Het is van groot belang dat de cliënt begrijpt wat het advies precies inhoudt en welke volgende stappen moeten worden gezet. Om te toetsen of de cliënt het begrijpt kan de diagnosticus vragen aan de cliënt om te vertellen waardoor de problemen komen en hoe ze moeten worden aangepakt. De cliënt is in het gesprek mondeling geïnformeerd, maar wordt ook nog schriftelijk geïnformeerd door een cliëntverslag. Ook wordt er met de cliënt besproken wie nog verder ingelicht moet worden. Dit kan bijvoorbeeld zijn de verwijzer, de aanmelder, de opdrachtgever en de betrokkenen. De diagnosticus mag nooit informatie verstrekken aan derden zonder schriftelijke toestemming van de cliënt.

    Hoe verloopt een slechtnieuwsgesprek

    Een slechtnieuwsgesprek verloopt via verschillende stappen.

    Fase 1: Voorbereiding, alle benodigde informatie moet er zijn, zodat men goed kan uitleggen en adequaat kan reageren op vragen of tegenwerpingen.

    Fase 2: Het meedelen van het slechte nieuws, vermeld na een korte inleiding het slechte nieuws. Leg het goed uit, hiermee toon je openheid en is de cliënt in de gelegenheid zelf informatie op te zoeken. Straal respect en medeleven uit. Twee valkuilen in deze fase:

    • Het slechte nieuws wordt verhuld door allerlei irrelevante gegevens of door ermee te wachten tot veel later in het gesprek.
    • Er wordt alleen gezegd dat er iets aan de hand is, en de cliënt moet zelf maar uitvinden via vragen wat dat is.

    Fase 3: Ruimte voor emoties, geef de cliënt de ruimte om de eerste schok te verwerken. Neem hiervoor de tijd en neem een actieve luisterhouding aan. Geef aan dat het toegestaan om de emoties te uiten en toon zelf ook emoties. Dit is ondersteunend voor de cliënt.

    Fase 4: Uitwerken van de boodschap, geef een toelichting en argumentatie: geef de ontstaansgeschiedenis aan, de prognose (toekomstbeeld).

    Fase 5: Uitzicht op de toekomst, het zoeken naar oplossingen. Het gezamenlijk zoeken naar oplossingen of suggesties hoe moet worden omgegaan met de informatie.

    Wat zijn enkele belangrijke aandachtspunten?

    Er zijn verschillende aandachtspunten van belang in de adviesfase.

    • Ga constructief om met weerstand
    • Controleer of de cliënt het integratief beeld (verklarende diagnose) goed heeft begrepen
    • Controleer of de cliënt de indicatieanalyse (indicerende diagnose) goed heeft begrepen

    Bij weerstand gaat het om gevoelens met een negatieve lading waarbij de voortgang van het gesprek wordt belemmerd. Hoe kun je omgaan als diagnosticus met de weerstand van de cliënt?

    • Accepteer dit en bied geen weerstand tegen weerstand
    • Signaleer en benoem het en toon er begrip voor
    • Zwijg bewust, maar met een geïnteresseerde en uitnodigende houding
    • Luister en vraag door, probeer de reden van weerstand te achterhalen
    • Vraag om suggesties en oplossingen
    Access: 
    Public
    Hoe maak je een diagnostisch verslag in het kader van de diagnostische cyclus? - Chapter 11

    Hoe maak je een diagnostisch verslag in het kader van de diagnostische cyclus? - Chapter 11

    Het doorlopen van het diagnostisch proces vraagt van de diagnosticus voortdurend om het nemen van beslissingen. De verantwoording die de diagnosticus in de verschillende stappen aflegt, wordt vermeld in een schriftelijke rapportage. Hierin staat het gehele diagnostische proces van aanmelding tot advisering. Met het verslag krijgt de cliënt een verantwoord antwoord op de gestelde vragen; de uitgevoerde processen worden overdraagbaar gemaakt. Het diagnostisch verslag is een middel om het diagnostisch proces inzichtelijk te maken en om verantwoording af te leggen. Het moet de lezer duidelijk zijn welke beslissingen zijn genomen, waarom en op grond waarvan. De cliënt zal gemotiveerder zijn om het advies op te volgen, als hij op de hoogte is van hoe het diagnostisch proces is verlopen. Als de diagnosticus zijn cliënt doorverwijst naar een externe begeleider of behandelaar is een diagnostisch verslag nodig om die mensen te informeren. Ten slotte wordt door het maken van een rapport de kwaliteit van de diagnostiek bewaakt. Twee begrippen zijn in het diagnostisch proces belangrijk. Dit zijn technisch-professioneel verslag en cliëntverslag.

    Wat is het doel van een technisch-professioneel verslag?

    Het technisch-professioneel verslag is bedoeld voor collega’s en andere vakgenoten. Alle stappen worden genoemd met daarbij de juiste en volledige vermelding van instrumenten, uitslagen, psychometrische gegevens en bronnen. De cliënt heeft ook recht om dit verslag in te zien.

    Wat is het doel van een cliëntverslag?

    Het cliëntverslag is een vertaling van het technisch-professioneel verslag. Het verslag is bestemd voor de cliënt zelf. De taal in het cliëntverslag is afgestemd op het begripsniveau, taalgebruik en beleving van de cliënt. Meestal betekent dit dat specifiek methodologische termen en technisch psychometrische termen worden vermeden. Het verschil met een professioneel verslag is dus niet zozeer de inhoud, dan wel de wijze waarop dit wordt gepresenteerd naar de lezer. In het diagnostisch verslag zijn alleen de professionele voorwaarden van belang. Deze voorwaarden zijn:

    • Het verslag moet voldoen aan de wettelijke voorschriften en de beroepscodes van NIP en NVO;
    • De diagnosticus moet in staat zijn in beide verslagen de gedachtegang van de diagnostische besluitvorming intern consistent, helder en beknopt weer te geven. De cliënt moet zichzelf verder in het cliëntverslag herkennen.

    Wat is het doel van een technisch-professioneel verslag?

    Alle informatie die nodig is voor een technisch-professioneel verslag is verzameld en vastgelegd in het diagnostisch proces. In het technisch-professioneel verslag staan acht punten, namelijk:

    • De identificatiegegeven en relevante achtergrondgegevens van de cliënt en diagnosticus, de aard en datum van het onderzoek, type instelling waar het onderzoek is verricht, verwijzer en aanmelder
    • Aanmelding
    • Klachtenanalyse
    • Diagnostisch scenario
    • Probleemanalyse
    • Verklaringsanalyse
    • Indicatieanalyse
    • Advies

    Wat zijn belangrijke punten van het technisch-professioneel verslag?

    Binnen de acht punten van het technisch-professioneel verslag zijn een aantal zaken van belang. Hieronder zullen de punten van het technisch-professioneel verslag worden uitgewerkt:

    De aanmelding

    De aanmelding bestaat uit de volgende punten: 

    • De betrokkenen en hun wettelijke positionering.
    • De informatie uit het aanmeldingstraject.
    • De reden van aanmelding.
    • De klachten en wie van de betrokkenen ze ervaart.
    • De verwachtingen van de cliënt en diagnosticus.
    • De bereidheid van de ouders/opvoeders om de rol van cliënt te accepteren.
    • Afspraken over het vervolg van het diagnostisch proces.
    • De termijn waarbinnen het traject zal plaatsvinden.
    • Wie wordt geïnformeerd door de diagnosticus en hoe dit gebeurt.
    • Wie bij het overleg van de diagnosticus wordt betrokken en wat hun positie is.
    • Bij wie met toestemming van de cliënt/ouders externe informatie wordt opgevraagd.
    • Eventuele financiële aspecten.

    De klachtenanalyse

    De klachtenanalyse bestaat uit de volgende punten:

    • De klachten in de bewoording van de cliënt.
    • De inhoudelijke en emotionele betekenis van de klachten.
    • De positieve beleving van de cliënt.
    • De bij de klachten horende hulpvragen en een ordening daarvan naar belangrijkheid.

    Het diagnostisch scenario

    Het diagnostisch scenario bestaat uit de volgende punten:

    • De diagnostische hulpvragen en deelhulpvragen van de cliënt.
    • Het diagnostisch scenario.
    • De voorlopige doelen en middelen van het onderzoek.
    • De geïdentificeerde typen vraagstelling en typen onderzoek.

    De probleemanalyse

    De probleemanalyse bestaat uit de volgende punten:

    • De specifieke casusinventarisatie (beschrijving van probleemgedragingen, situaties waarin die voorkomen, intensiteit en frequentie, ontstaansgeschiedenis).
    • De probleeminventarisatie binnen het algemene en brede kader van mogelijke probleemgedragingen.
    • De classificatie.
    • De taxatie van ernst van de problemen of de stoornis.
    • De weging van de negatieve en positieve gedragingen van kind, gezinsklimaat en/of sociaal netwerk.

    De verklaringsanalyse

    De verklaringsanalyse bestaat uit de volgende punten:

    • Een voorlopig diagnostisch denkschema.
    • De deelbeweringen uit het denkschema.
    • De onderzoekshypothesen, met steeds een beknopte theoretische verantwoording.
    • Per onderzoekshypothese: wat precies wordt geoperationaliseerd; een inventarisatie van de onderzoeksmiddelen; de keuze van de meest geschikte onderzoeksmiddelen.
    • Per onderzoeksmiddel de gekozen toetscriteria.
    • Korte beschrijving van de daadwerkelijke omstandigheden tijdens het onderzoek.
    • De evaluatie van de uitkomsten van het onderzoek tegen de toetsingscriteria.
    • Een integratief beeld waarin de aangenomen diagnostische hypothesen in verwerkt zijn.

    De indicatieanalyse

    De indicatieanalyse bestaat uit de volgende punten:

    • De argumenten waarom een interventie wel/niet kan worden ingezet.
    • De interventiedoelen.
    • De in aanmerking komende typen interventie.
    • Per geselecteerde interventie: het positieve en negatieve nut; de kans van slagen en falen; het verwachte nut.
    • Een lijst met één of meer aanbevelingen. Deze zijn gerangschikt van het type interventie met het hoogst verwachte nut tot en met de interventie met het laagste verwachte nut.

    Het advies

    Het advies bestaat uit de volgende punten:

    • Wie bij het adviesgesprek aanwezig was en wat is hun rol.
    • Wat is er is besproken.
    • De reacties van de cliënt op de gegevens uit het integratief beeld.
    • De controle van deze gegevens.
    • De reactie van de cliënt op de gegevens uit de indicatieanalyse.
    • Controleer deze gegevens.
    • De uitvoerbaarheid van de aanbevelingen.
    • De gekozen aanbeveling: het advies.
    • De concretisering van het advies.
    • De afspraken die zijn gemaakt over het informeren van betrokkenen.
    • De afspraken die gemaakt zijn over de evaluatie van de diagnose en advies.

    Wat zijn belangrijke punten van het cliëntverslag?

    Net als voor de vakgenoten en collega’s moet het voor de cliënt inzichtelijk zijn op welke wijze de diagnosticus tot zijn conclusies is gekomen. Termen die in het technisch-professioneel verslag worden gebruikt worden in het cliëntverslag weggelaten. In het diagnostisch proces is het streven naar een zo groot mogelijke openheid. Hierbij moet de diagnosticus zich twee dingen realiseren:

    • De diagnosticus moet bepalen aan welke informatie de cliënt behoefte heeft.
    • Sommige informatie kan te confronterend zijn en daarmee een negatief effect op de hulpverlening hebben.

    Omdat het ook nog kan gebeuren, dat de ouders informatie hebben verstrekt welke het kind (die het verslag ook zal lezen) niet mag zien, wordt het volgende standpunt aangehouden: rapporteer die gegevens in het verslag die een rol hebben gespeeld in de diagnostische besluitvorming, en die vanuit agogisch-ethisch oogpunt verantwoord meegedeeld kunnen worden aan alle betrokkenen. Hellendoorn geeft aanbevelingen voor een goed bruikbaar cliëntverslag, namelijk dat het:

    • Is afgestemd op de lezer
    • Doelgericht is
    • Zich toespitst op het individuele cliëntsysteem en de situatie daarvan
    • Praktijkgericht (niet te theoretisch) is
    • Leidt tot duidelijke conclusies en aanbevelingen
    • Laat de lezer meedenken in de besluitvorming

    Ook in het cliëntverslag staan acht punten. Dit zijn:

    • Identificatiegegevens/personalia/achtergrondgegevens
    • Aanmelding
    • Klachtenanalyse
    • Diagnostisch scenario
    • Probleemanalyse
    • Verklaringsanalyse
    • Indicatieanalyse
    • Advies

    Het is van belang om de meerderheid van bovenstaande termen te herformuleren in het verslag.

    Identificatiegegevens/personalia/achtergrondgegevens

    De identificatiegegevens en relevante achtergrondgegevens van de cliënt en diagnosticus, de aard en datum van het onderzoek, type instelling waar het onderzoek is verricht, verwijzer en aanmelder.

    De aanmelding

    Hierin staan dezelfde punten als bij het technisch-professioneel verslag.

    De klachtenanalyse

    De klachtenanalyse bestaat uit:

    • De klachten in de bewoordingen van de cliënt
    • De positieve belevingen van de cliënt
    • De bij de klachten horende hulpvragen

    Het diagnostisch scenario

    Het diagnostisch scenario bestaat uit:

    • De diagnostische hulpvragen van de cliënt
    • De typen vraagstellingen
    • Het diagnostisch scenario

    De probleemanalyse

    De probleemanalyse bestaat uit:

    • Een concrete beschrijving van: specifieke probleemgedragingen, de situatie waarin ze zich voordoen, de intensiteit en frequentie van het probleemgedrag en de ontstaansgeschiedenis van de probleemgedragingen
    • Een meer algemene probleeminventarisatie, beschrijving van de classificatie in termen die de cliënt begrijpt
    • De ernsttaxatie
    • De negatieve en positieve gedragingen

    De verklaringsanalyse

    De verklaringsanalyse bestaat uit:

    • De onderzoeksvragen
    • Een korte uitleg van de achtergrond van de onderzoeksvragen
    • Per onderzoeksvraag de gekozen onderzoeksmiddelen
    • Een korte beschrijving van de omstandigheden tijdens afname van de middelen
    • Per onderzoeksvraag een onderbouwd antwoord
    • In een bijlage de scores op de diagnostische argumenten
    • Het integratief beeld, met klachten en hulpvragen, onderkende problemen, aangenomen onderzoekshypothesen, verworpen en aangehouden onderzoekshypothesen, en protectieve factoren

    De indicatieanalyse

    De indicatieanalyse bestaat uit:

    • De argumenten waarom een interventie wel/niet ingezet kan worden
    • De interventiedoelen
    • De in aanmerking komende typen interventies
    • Per geselecteerde interventie: Het positieve en negatieve nut; de kans van slagen en falen; het verwachte nut
    • Een lijst met één of meer aanbevelingen

    Het advies

    Het advies bestaat uit:

    • Wie was bij het adviesgesprek aanwezig
    • Wat is er besproken
    • De reacties van de cliënt op deze gegevens
    • Eventueel naar aanleiding van deze reacties bijgestelde gegevens
    • De keuze van een aanbeveling en de concretisering van dit advies
    • De afspraken die gemaakt zijn over de evaluatie
    • De afspraken die gemaakt zijn over het informeren van de betrokkenen

    De NVO en de NIP geven duidelijke richtlijnen voor de verslaggeving. De diagnosticus moet zich houden aan deze richtlijnen.

    Access: 
    Public
    Hoe ziet een nuttige handleiding voor diagnostici eruit in het kader van de diagnostische cyclus? - Chapter 12

    Hoe ziet een nuttige handleiding voor diagnostici eruit in het kader van de diagnostische cyclus? - Chapter 12

    Wat zijn de laatste kwesties?

    Ten slotte komen nog drie laatste kwesties aan bod, namelijk:

    • De empirische basis van de diagnostische cyclus als praktijkleer
    • De uitwerking van casuïstiek
    • Het onderwijskundig doel

    De empirische basis van de diagnostische cyclus duidt erop, dat wanneer de voorschriften worden gevolgd zoals aangegeven in dit boek, de diagnostische cyclus een transparant proces wordt. Door de transparantie van procedures en argumentatie wordt het mogelijk om de objectiviteit van de cyclus te toetsen. De uitwerking van casuïstiek is in redelijke mate aan bod gekomen; door het opnemen van de rapportage in de handleiding. Met casuïstiek kan aangetoond worden hoe de gevolgde werkwijze in en resultaten uit iedere fase ook in de feitelijke verslaglegging eruit zullen zien.

    Het onderwijskundig doel van de handleiding is om een onderwijsmiddel te bieden voor opleidingen, en een handboek voor psychodiagnostici. De diagnostische cyclus kan als hulpmiddel dienen voor de diagnosticus bij bijvoorbeeld het beoordelen van zijn eigen handelen. Daarnaast wordt de kans op fouten verminderd, omdat die expliciet zijn vermeld. De vereiste transparantie van de diagnostiek kan worden nagestreefd, omdat het per stap aangeeft welke redeneringen door de diagnosticus geëxpliciteerd moeten worden.

    Access: 
    Public
    Access: 
    Public

    Image

    Check more: click and go to more related summaries or chapters

    Psychodiagnostiek en psychologische communicatie: De beste studieboeken samengevat

    Join: WorldSupporter!

    Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

    Check: concept of JoHo WorldSupporter

    Concept of JoHo WorldSupporter

    JoHo WorldSupporter mission and vision:

    • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

    JoHo concept:

    • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
    • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

    Join JoHo WorldSupporter!

    for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

    Check: how to help

    Image

     

     

    Contributions: posts

    Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

    Image

    Check: more content in related bundles

    Image

    Share: this page!
    Follow: Social Science Supporter (author)
    Add: this page to your favorites and profile
    Statistics
    5515 2
    Submenu & Search

    Search only via club, country, goal, study, topic or sector