Lindeboom vs. Gemeente Amsterdam, HR 19-12-1969, NJ 1970, 154
Casus
Op 24 juni 1964 biedt Prof. Lindeboom schriftelijk de erfpacht van de Pieter van Foreestkliniek aan, aan de gemeente Amsterdam voor de prijs van 1,75 miljoen op voorwaarde dat koop en overdracht zou plaatsvinden tussen 15 november en 15 december 1964.
18 augustus 1964 herroept de professor zijn aanbod. De gemeente gaat echter niet op dit verzoek in, met als gevolg dat op 21 augustus B en W aan de Raad voorstellen het aanbod te aanvaarden. Op 25 augustus wordt hiervan de professor op de hoogte gesteld die op 13 en 27 oktober aan de gemeente schrijft "zijn vrijheid te nemen". Nadat op 28 oktober de Raad besloten heeft tot aankoop voor de vraagprijs op de gebruikelijke voorwaarden wordt verstuurd de notaris op 20 november een brief met de concept-transportakte aan beide partijen.; bij deurwaardersexploot van 1 december wordt de professor opgeroepen om 11 december, 4 dagen voor het verstrijken van het door de professor gestelde termijn, bij de notaris te verschijnen om mee te werken aan de transportakte. De professor verschijnt maar weigert tot transport over te gaan. Van zijn weigering wordt een proces verbaal opgemaakt.
Het gaat om de vraag of de herroeping door de professor vóór de definitieve acceptatie door de gemeente tot gevolg heeft, dat er geen koopovereenkomst is tot stand gekomen.
Rechtbank en Hof
Uit het aanbod van de professor vloeit zelf voort dat het niet kon worden herroepen dan op of na de dag, op welke de aanvaarding niet meer zou kunnen leiden tot een overdracht op 15 december althans 15 november 1964. Lindeboom werd dus veroordeeld tot medewerking aan de transportakte op verbeurte van een dwangsom.
Het cassatiemiddel richt zich op het ontbreken van de vereiste wilsovereenstemming nu niet gelijktijdig bij beide partijen de wil tot het aangaan van de overeenkomst bestond.
Hoge Raad
Uit het feit dat het aanbod zelf medebracht dat het niet kon worden herroepen dan op of na de dag, waarop aanvaarding niet meer tot een overdracht op 15 december kon leiden vloeit voort, dat door tijdige aanvaarding van het aanbod de koopovereenkomst tot stand is gekomen. Degeen, die zijn aanbod onherroepelijk maakt, ontneemt zichzelf daarmee de bevoegdheid om alsnog te voorkomen, dat door acceptatie binnen de gestelde termijn de overeenkomst tot stand komt. Aldus kan zich inderdaad de situatie voordoen, dat niet gelijktijdig bij beide partijen de wil tot het aangaan van de overeenkomst bestaat, maar er is geen rechtsregels die deze eis van gelijkheid stelt. Cassatiemiddel verworpen.