Staatsrecht | Het staatsrecht, grondwettelijk of constitutioneel recht is het recht inzake de staat als organisatorisch verband. Het heeft betrekking op de organen van de staat, op de instelling ervan, hun bevoegdheden, hun verhouding tot elkaar en die tot de burgers. |
Grondrechten | Fundamentele rechten/mensenrechten |
Klassieke grondrechten | Klassieke grondrechten kenmerken zich door het feit dat ze een ‘onthouden’ van de overheid oftewel een vrijheid van staatsinmenging waarborgen |
Sociale grondrechten | Sociale grondrechten kenmerken zich door het feit dat de overheid actief moet optreden om deze grondrechten te waarborgen |
Horizontale werking van grondrechten | De grondrechten die gelden tussen burgers onderling |
Verticale werking van grondrechten | De grondrechten die gelden tussen overheid en burger |
Non-discriminatiebeginsel | Iedereen in Nederland is gelijk voor de wet en moet derhalve gelijk worden behandeld |
Positieve discriminatie | Bepaalde achtergestelde groepen worden tijdelijk voorgetrokken om hun achterstand in te halen |
Democratie | Kenmerkend voor een democratie is dat een volk invloed kan uitoefenen op het bestuur van een land |
Directe democratie | Zonder bemiddeling van tussenpersonen kunnen de betrokkenen direct het regeringsbeleid beïnvloeden |
Indirecte democratie | Het volk kan zijn wil alleen maar geldend maken door middel van vertegenwoordigers |
Districtenstelsel | In een districtenstelsel is een kandidaat gekozen als hij in een bepaald district de meerderheid van stemmen heeft verworven |
Stelsel van evenredige vertegenwoordiging | Bij een stelsel van evenredige vertegenwoordiging is iedere politieke partij nar evenredigheid in de Tweede Kamer vertegenwoordigd |
Rechtsstaat | Een rechtsstaat is een staat die de beperkingen erkent die het recht aan de staat oplegt |
Legaliteitsbeginsel | Ieder overheidshandelen moet gestoeld zijn op een wettelijke grondslag |
Grondrechten | Fundamentele rechten/mensenrechten |
Constitutionalisme | Het streven naar het vastleggen van ‘hoger recht’ in grondrechten en verdragen |
Administratief bezwaar of beroep | De procedure binnen het overheidsapparaat |
Administratieve rechtspraak | De rechtsgang bij een onafhankelijk rechtscollege |
Doelmatigheidstoetsing | De rechter toetst een beslissing in volle omvang |
Rechtmatigheidstoetsing | Er wordt gekeken of er geen strijdigheid bestaat tussen een beschikking en de wet en/of een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur |
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur | Beginselen die een norm voor het overheidshandelen vormen, naast het geschreven en ongeschreven recht |
Het verbod van detournement de pouvoir | Dit beginsel houdt in dat een door de wet gegeven bevoegdheid alleen maar mag worden gebruikt voor het doel waartoe de wetgever deze aan het bestuur heeft gegeven |
Het willekeurverbod | Het willekeurverbod houdt in dat het overheidsorgaan dat de beslissing heeft genomen na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft moeten kunnen komen |
Het zorgvuldigheidsbeginsel | Het bestuur moet zijn beslissingen zorgvuldig voorbereiden |
Het motiveringsbeginsel | Het motiveringsbeginsel houdt in dat de motivering die overheid heeft gegeven een deugdelijke feitelijke grondslag dient te hebben en de motivering moet de conclusie kunnen dragen |
Het rechtszekerheidsbeginsel | Dit beginsel houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid |
Het gelijkheidsbeginsel | Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk moeten worden beoordeeld |
Het beginsel van fair play | Dit beginsel houdt in dat de overheid eerlijk spel moet spelen en bijvoorbeeld geen procedures mag ophouden |