Samenvatting - Het praktisch nut van de rechtspraktijk - Van Koppen en Malsch - 1e druk

Hoofdstuk 1: Inleiding

De psychologie van de getuigenis was het eerste serieuze toepassingsgebied van de nog maar net opgekomen academische psychologie.

In het Eyewitness Testimony onderzoek van Elizabeth Loftus heeft zij laten zien hoe verklaringen van getuigen door informatie achteraf beïnvloed kunnen worden. Deze post hoc informatie kan bij getuigen elementen in het geheugen binnensmokkelen die daarvan onwrikbaar onderdeel gaan uitmaken. Ook liet zij in het Lost in the Mall-experiment zien dat men getuigen zich gebeurtenissen kan laten herinneren die in het geheel niet hebben plaatsgevonden.

Dit boek is gericht op het praktisch nut van de rechtspsychologie in de huidige Nederlandse situatie; de mate waarin door een bijdrage van de rechtspsychologie betere beslissingen worden genomen.

In de rechtspsychologie kunnen twee gebieden worden onderscheiden:

1. De studie van het recht als een gedragstechnologie: de wijze waarop het recht en het juridische systeem het gedrag van individuen trachten te beïnvloeden.

2. De studie van het gedrag van de participanten in het recht.

Hoofdstuk 2: De rechtspsycholoog als hulpje

Rechtspsychologen helpen rechercheurs in de opsporing, officieren van Justitie bij hun beslissing over de vervolging, advocaten bij van alles en nog wat, rechters bij oordelen over de zaak. Zowel de politie als de rechter verwachten een antwoord over hoe de werkelijkheid precies in elkaar steekt. Hier doen zich een aantal problemen bij voor:

1. De rechtspsycholoog streeft als wetenschapper naar een ander soort kennis dan waarop de rechter zit te wachten. De typische werkwijze van de rechtspsycholoog sluit dan ook in veel gevallen niet goed aan bij de gestelde vragen. De rechtspsycholoog richt zich vooral op het beantwoorden van algemene vragen, terwijl de gestelde vragen op een concreet geval zien.

2. Wetenschap wordt door veel juristen verward met objectiviteit. De rechter legt de wetenschapper een probleem voor en verwacht daarop een objectief oordeel als antwoord, waarmee kan worden gekomen tot een waar feit of een vaststaande wetmatigheid.
Deductief redeneren komen we wel tegen in het opsporingsonderzoek. Uit een veelbelovende hypothese wordt via deductie afgeleid welk bewijs zou moeten worden gevonden. Met dit bewijs kan de hypothese vervolgens worden getoetst. Het doel van deze redenatiewijze verschilt echter tussen de wetenschapper en de rechtsbedeler: de wetenschapper is gericht op voortgaande discussie, terwijl de politie en rechter zijn gericht op een formele beslissing die de discussie juist beëindigt.

Dit verschil brengt praktische consequenties met zich mee: de rechter is niet geïnteresseerd in de verschillen in gemiddelden tussen bepaalde groepen, maar wil juist over een specifiek geval zekerheid hebben. Dit is gebleken tijdens zowel de poppenmethode als de Criteria Based Content Analysis. Beide methoden zijn onvoldoende sterk gebleken om aan de rechter een conclusie te leveren over het waarheidsgehalte van de verklaring van een kind.

Hoofdstuk 3: Eisen aan de rechtspsycholoog

De verschillende opvattingen tussen deskundigen kunnen voor de rechter problemen opleveren; hij is eigenlijk niet in staat om een afweging te maken tussen de verschillende opvattingen, al moet hij de keuze wel maken.

De ‘general acceptance in the particular field to which it belongs’ van het Frye-criterium biedt geen oplossing. Hiervoor is de Daubert-beslissing in de plaats gekomen. Deze noemt vier criteria (maar is niet limitatief!):

1. De rechter overweegt of de wetenschappelijke kennis getoetst kan worden of getoetst is.

2. De validiteit van de methode kan beoordeeld worden doordat de theorie of techniek ‘has been subjected to peer review or publication’.

3. De rechter neemt de bekende of potentiële foutenmarge van de methode in overweging.

4. De rechter zou kunnen letten op de general acceptance van het Frye-criterium.

Met de Daubert-beslissing wordt de Amerikaanse rechter in staat geacht om zelf deskundigenrapporten te beoordelen. Deze richtlijn lijkt daarmee op de richtlijnen van het CBCA-arrest en het Schoenmakerarrest.

Indien de verdediging expliciet en gemotiveerd bezwaren tegen de verklaring van de deskundige naar voren heeft gebracht, moet de rechter uitleggen:

  1. Dat de deskundige deskundig is op het desbetreffende gebied.

  2. Welke methode de deskundige heeft gebruikt.

  3. Waarom de deskundige deze methode betrouwbaar genoeg acht.

  4. In welke mate de deskundige in staat is deze methode competent toe te passen.

Deze eisen en nog veel meer eisen zijn nodig omdat getuigendeskundigen vaak hun eigen rol in het strafproces niet goed begrijpen, methoden toepassen die ongeschikt zijn voor de forensische context, hun bevindingen te stellig presteren of gewoon door rechters, advocaten en officieren van Justitie verkeerd worden begrepen. Deze eisen lossen echter de paradox voor de rechter niet op, maar ze maken het voor de rechter wel iets eenvoudiger om een beslissing te nemen over het deskundigenbewijs.

Van Koppen heeft een aantal eisen opgesteld voor psychologen en andere deskundigen:

  • Voer in een strafzaak slechts één enkele taak uit.

  • Bespreek in de eerste plaats de vragen die moeten worden beantwoord.

  • Houd er rekening mee dat bij vragen van de rechter een oordeel wordt gevraagd dat als definitief wordt beschouwd.

  • Houd er rekening mee dat de ontvanger van de antwoorden de kwaliteit van die antwoorden niet zelfstandig kan controleren.

  • Vermijd jargon en versluierend taalgebruik.

  • De rode draad van onderzoeksmateriaal naar conclusies moet glashelder zijn en mag geen misverstanden oproepen.

Ondanks al deze bezwaren kunnen rechtspsychologen wel degelijk een zinvolle bijdrage leveren aan het rechtsbedrijf als de werkzaamheden transparant gebeuren.

Hoofdstuk 4: Opsporende politiemensen

Recherchewerk kan worden onderverdeeld in:

  1. Knip-en-klaar-zaken: zaken die kant en klaar aan de politie worden aangeleverd. Duidelijk is wie de dader is en wat er precies is gebeurd. Het draait vooral om het op juridisch juiste wijze samenstellen van het dossier op basis van de verklaringen van getuigen. Deze zaken worden vrijwel altijd in onderzoek genomen en afgehandeld.

  2. Zoekzaken: zaken die een aanmerkelijke hoeveelheid recherchewerk vergen. Hierdoor worden alleen de zeer ernstige misdrijven onderzocht. Bij zoekzaken draait het om het verzamelen van zoveel mogelijk informatie, waarbij structurering van groot belang is om relevante van irrelevante informatie te kunnen scheiden. Zoeklijnen moeten worden uitgerechercheert en op grond van scenario’s moeten feiten worden geïnterpreteerd. De theorie van Verhaal en Verankering laat zien dat de tenlastelegging de vorm heeft van een verhaal. Dit verhaal moet worden ondersteund door de bewijsmiddelen die eveneens de vorm van een verhaal hebben. Concurrerende scenario’s zijn nodig om feiten te interpreteren.

Geen enkel bewijsmiddel biedt absolute zekerheid. De rechter moet met elke veroordeling een zeker risico nemen dat iemand ten onrechte wordt veroordeeld; hij hoeft niet absoluut zeker te zijn van de schuld van de verdachte, hij hoeft er slechts van overtuigd te zijn.

Scenario’s kunnen slechts tegen elkaar worden afgewogen als deze voldoende zijn onderzocht en dat onderzoek aan de rechter is gepresenteerd. Het dossier moet dus ook de alternatieve scenario’s omvatten.

Indien bij rechercheonderzoek onvoldoende oog is geweest voor alternatieve scenario’s wordt gesproken van tunnelvisie. Het rechercheteam vormt zich een bepaald beeld van de zaak zonder nog oog te hebben voor andere mogelijkheden en voor feiten die het gevormde beeld tegenspreken. Het grootste gevaar van tunnelvisie is dat de mechanismes later in het strafproces die dit zouden kunnen corrigeren beperkt zijn. Bij conformation bias gaat het om de neiging om informatie die het standpunt ondersteunen actief te zoeken en overmatig te waarderen. Bij belief perseverance gaat het om de neiging om aan een eenmaal gevormd standpunt vast te houden, ook al is er voldoende tegenbewijs. Bij het vermijden van cognitieve dissonantie proberen mensen gebeurtenissen en gedachten die niet met elkaar te rijmen vallen zoveel mogelijk te vermijden of weg te verklaren.

Tunnelvisie treedt volgens Crombag vooral op als er sprake is van sociale druk, in het rechercheteam of in de raadkamer. Tevens voert hij aan dat het van belang is om niet alleen naar bevestigend bewijs voor de hypothese op zoek te gaan, maar ook naar bewijs dat de hypothese tegenspreekt (falsifiëren). Falsifiëren dwingt een rechercheteam zichzelf nogmaals de kracht van het bewijs tegen de verdachte langs te lopen, waardoor de bewijsvoering tegen de verdachte nog sterker kan worden gemaakt. Tevens loopt het team vooruit op de argumenten waarmee de advocaat van de verdachte tijdens de rechtszaak zal kunnen komen. Dit proces vindt niet alleen plaats aan het einde van het opsporingsonderzoek, maar ook tijdens het onderzoek.

Hoofdstuk 5: Daderprofilering

Daderprofilering heeft een grote vlucht genomen door een onderzoek van de FBI. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen organized en disorganized daders. De eerste soort richt zowel hun leven in het algemeen als het misdrijf op een georganiseerde manier in, bij de tweede soort daders ontbreekt deze georganiseerdheid. Voor dit onderscheid kan echter geen empirische steun worden gevonden. Geografisch profileren lijkt succesvoller te worden, alleen al omdat het in een aanzienlijk groter aantal zaken bruikbaar lijkt te zijn. Inschakelen van profilers is echter geen zinloze onderneming, omdat zij een nuttige bijdrage kunnen leveren voor de opsporing door hun ervaring met het opsporen van bijzondere en gecompliceerde misdrijven.

Hoofdstuk 6: Geografisch profileren

Bij geografisch profileren wordt gekeken naar de samenhang tussen de woonplaats en de pleegplaats. Op grond van het reisgedrag van soortgelijke daders kunnen uitspraken worden gedaan over de mogelijke woonplaats van die dader. De mate waarin geografisch profileren succesvol is, hangt in grote lijnen af van de mate waarin de relaties tussen woon- en pleegplaatsen voldoen aan wetmatigheden en de mate waarin afwijkingen van wetmatigheden kunnen worden afgeleid uit het kenbare gedrag van de dader. Daarnaast is ook een groot aantal specifieke factoren van invloed, zoals de kwaliteit van gegevens en de beperkte mate waarin profileerders werkelijk gebruik maken van de verzamelde kennis. Om een succesvol geografisch profiel op te stellen heeft men meerdere misdrijven nodig.

De meeste systemen van geografisch profileren zijn gebaseerd op de distance decay-functie. Deze toont de relatie tussen afstand tussen woon- en pleegplaats en het aantal misdrijven. Ondanks dat het niet probleemloos is, legt het wel de basis voor computerprogramma’s als DRAGNET, RIGEL en CrimeStat.

In de theorievorming over de relatie tussen woon- en pleegplaatsen wordt aangenomen dat mensen hun leven organiseren rond plekken waar men vaak komt, een activiteitenruimte. Misdrijven vinden plaats omdat in de tijd en ruimte drie elementen samenkomen: een dader die wil, een beschikbaar doelwit voor het misdrijf, en de afwezigheid van adequate preventie tegen het plegen van het misdrijf.

Problematisch is het feit dat de huidige modellen van geografisch profileren de onderliggende beslissingsprocessen van de daders er niet bij betrekken. In concrete zaken vindt men afwijkingen van de functie onder invloed van kenmerken van daders, daad en geografische omstandigheden. Zolang men voorzichtig omgaat met materiaal en bevindingen kan geografisch profileren behulpzaam zijn bij het werk van de politie, maar er lijkt nog een lange weg te gaan voor het in grote aantallen zaken succesvol is.

Hoofdstuk 7: De mythe van de slechte getuige

Rechters moeten voorzichtig omgaan met het geloven van getuigenverklaringen. Uit onderzoek is gebleken dat bij het grootste deel van de onterechte veroordelingen, problemen met getuigen een rol hebben gespeeld. Het gaat hier om getuigen die liegen, dwalende getuigen en getuigen die een onschuldige als de dader identificeren.

In het overgrote deel van de strafzaken wordt de verdachte uitsluitend of vrijwel uitsluitend veroordeeld op grond van getuigenverklaringen. Dit vormt dan ook het argument dat het niet vreemd is dat relatief veel rechterlijke dwalingen worden veroorzaakt door fouten van getuigen. De base rate fallacy betreft het feit dat dit niets zegt over de kwaliteit van getuigen, maar het slechts een reflectie is van het grote belang van getuigen voor de bewijsvoering in het strafrecht.

Het geheugen van een mens is juist bijzonder goed. Dit moet ook om te kunnen overleven, wat moeilijk wordt als wij niets zouden herkennen. Het geheugen is een uitgekiende combinatie van onthouden en vergeten. De meeste informatie die wordt opgedaan wordt bijna direct weer vergeten, omdat het in dat geval gaat om nutteloze informatie.

Informatie die wordt opgeslagen kan in twee groepen worden onderverdeeld. Een deel wordt opgeslagen in het semantische geheugen. Dit betreft kennis van feiten zonder dat je nog weet hoe je die kennis hebt opgedaan. Het gaat om informatie die is opgeslagen omdat het mogelijk van belang kan zijn voor het overleven en functioneren. Het autobiografische of episodische geheugen bevat informatie over concrete gebeurtenissen die je zelf hebt meegemaakt. Het gaat om gebeurtenissen die de toppen en dalen van je leven vormen.

Het geheugen is een dynamisch geheel. Een herinnering wordt vooraf gegaan door een cue of trigger. Uit onderzoek van Wagenaar is gebleken dat men getuigen zich (vrijwel) alles kan laten herinneren, maar gaande de tijd moeten hiervoor steeds meer cues worden aangeboden. Daarnaast past het geheugen zich continu aan aan nieuwe omstandigheden. Dit updaten kan het reproduceren van een toestand in het verleden erg lastig maken.

Tot slot kan het ook nog problematisch zijn dat wij gebeurtenissen slechts in fragmenten waarnemen, waarna we van deze waarneming een compleet verhaal maken door de gaten in te vullen. Door deze invulling verandert de waarneming. De invulling kan worden gedaan met behulp van logische inferenties, maar ook door informatie uit een andere bron. Een getuige die piekert over het misdrijf kan er voor zorgen dat het verhaal steeds minder is gebaseerd op de waarneming. Door middel van cue’s en triggers kunnen bepaalde details later toch weer worden herinnerd.

Hoofdstuk 8: Het geheugen van de verdachte

Het geheugen van een verdachte werkt niet anders dan het geheugen van een getuige, men heeft alleen andere belangen. Verdachten zullen vaker liegen en claimen dat zij zich niets meer van het misdrijf kunnen herinneren. Door dit laatste hoeft de verdachte niets uit te leggen over hoe hij het misdrijf heeft gepleegd of wat zijn beweegredenen waren. Daarnaast is het voor de recherche ook lastig om zonder verklaring van de verdachte het opsporingsonderzoek te doen. In een enkel geval kan het zelfs leiden tot vrijspraak.

Door verdachten geclaimde amnesie moet niet in alle gevallen worden gewantrouwd:
1. Amnesie kan een organische oorzaak hebben, zoals een (tijdelijke) hersenbeschadiging. Deze vorm kan worden vastgesteld met neuropsychologische tests.
2. Amnesie kan zich voordoen onder slaapwandelaars. Deze vorm kan worden vastgesteld door het meten van de hersenactiviteit van de verdachte tijdens zijn slaap.
3. Amnesie kan zich voordoen bij een black-out door overmatig alcoholgebruik. Deze vorm kan worden vastgesteld door het alcoholpromillage te meten. Daarnaast moet er ook rekening mee worden gehouden dat bij iemand die zo dronken is dat zijn hersenen niet meer functioneren, hij vaak ook niet meer in staat is om bepaalde misdrijven te plegen.
4. Dissociatieve amnesie, waarbij de amnesie het gevolg is van heftige emoties.

Werkelijke amnesie kan worden onderscheiden van onterecht geclaimde amnesie door het geheugen van deze verdachte te testen. Bij echte amnesie is de persoon vaak nog wel in staat om met enige hulp zich sommige dingen te herinneren. Bij geveinsde amnesie wordt geclaimd dat de amnesie algeheel en onomkeerbaar is. Geveinsde amnesisten kunnen ook door de mand vallen met behulp van tests zoals de Symptom Validity Testing (SVT) en de Structured Inventory of Malingered Symptomatology (SIMS).

Hoofdstuk 9: Getuigen en verdachten verhoren

Het verhoren van getuigen en verdachten vergt enige speciale kennis en vaardigheden. In Nederland wordt gebruik gemaakt van de standaard verhoorstrategie die wordt onderwezen op de rechercheschool.

De Hoge Raad heeft bepaald dat onder hypnose afgelegde verklaringen niet voor het bewijs gebruikt mogen worden. Getuigen onder hypnose geven namelijk niet meer juiste informatie, maar wel meer onjuiste informatie. Daarnaast is een gehypnotiseerde getuige ook suggestibeler en daarmee veel gevoeliger voor misleidende informatie.

Het cognitieve interview zorgt voor betere resultaten dan het standaard politieverhoor. Het bestaat uit de volgende vier technieken:

1. Context reinstatement: de getuige wordt teruggebracht in de context van het voorval.

2. De getuige wordt gestimuleerd om alles te vertellen.

3. Als de getuige alles heeft verteld wordt hem gevraagd het gehele verhaal nog eens in omgekeerde volgorde te vertellen.

4. Tot slot wordt de getuige gevraagd om alles nog eens uit een ander perspectief te vertellen.

De laatste twee technieken kunnen echter niet/zeer moeizaam worden gebruikt bij kinderen en minder begaafden. Hiervoor is de herziene versie van het cognitieve interview in het leven geroepen, waarbij allemaal elementen zijn toegevoegd op basis van sociaal psychologische kennis over communicatie, zoals het opbouwen van een goede verstandhouding met de getuige of het vermijden van het stellen van vragen en het beperken van aanmoedigingen.

In Nederland wordt gebruik gemaakt van een variant van het cognitieve interview; de geleide herinnering. Bij de geleide herinnering wordt wel gebruik gemaakt van context restatement, maar niet van het vertellen in omgekeerde volgorde en vanuit een ander perspectief. Geleide herinnering is vooral nuttig als een getuige kort na het misdrijf wordt verhoord. Het voegt weinig toe nadat al uitgebreid andere verhoren hebben plaatsgevonden.

Hoofdstuk 10: Dwalende verdachten

De bekentenis is omgeven door misverstanden. Het is onjuist dat mensen geen ernstige misdrijven zullen bekennen als zij die niet hebben gepleegd. Het is ook een misverstand dat valse bekentenissen gemakkelijk ontdekt kunnen worden. Ook is de veronderstelling bij onschuldige verdachten onjuist dat zij spoedig worden vrijgelaten als ze de waarheid vertellen. Ze zijn namelijk niet voor niets aangehouden; de verbalisanten verkeren in de veronderstelling dat de verdachte schuldig is. Daarnaast is ook de veronderstelling van rechters dat voor een valse bekentenis tenminste druk nodig is, onjuist.

De handboeken over verhoren geven de indruk dat verdachten uitsluitend worden verhoord om een betekenis uit hen los te krijgen. De methode van Inbau en Reid is de meest beruchte. Deze methode is gericht op het minimaliseren van de negatieve aspecten van bekennen en de positieve aspecten te benadrukken. Hoewel deze methode over het algemeen inderdaad meer bekentenissen oplevert, is het probleem dat niet alleen schuldige verdachten vaker bekennen, maar ook onschuldige verdachten.

De Zaanse verhoormethode werkt de bovengenoemde methode nog verder uit tot een systeem dat bekentenissen bijna garandeert, vals of niet. Deze verhoormethode is dan ook verboden, maar bepaalde onderdelen komt men in de praktijk nog voor.

Het doel van een verdachtenverhoor is waarheidsvinding, dus niet het loskrijgen van een bekentenis. Omdat het afwijken van een degelijke verhoormethode de kans op valse bekentenissen verhoogt, zijn trucs, onderdeel van de methode van Inbau en Reed, niet aanvaardbaar. Er is echter geen regeling die het gebruik van deze trucs verbiedt. Het gaat hierbij om isolatie, langdurige opsluiting en nachtelijke verhoren.

Langdurig verhoren is gevaarlijk, omdat de verdachte gedurende het verhoor veel informatie opdoet over de zaak en over hetgeen de politie meent te weten. Als na een langdurig verhoor een bekentenis wordt afgelegd, kan nauwelijks meer gecontroleerd of deze is gebaseerd op intieme kennis dan wel op informatie die de politie heeft overgedragen.

De vraag is dan ook hoe een valse bekentenis achteraf kan worden ontdekt. De bekentenis moet worden getoetst op daderkennis. De bekentenis vormt het begin van een nieuw onderzoek; een onderzoek naar de waarde die aan het verhaal van de bekentenis kan worden gehecht. Het verhaal moet overeen komen met gegevens die de recherche heeft achterhaald en dat moeten gegevens zijn die alleen de dader kan kennen. Uit moet worden gezocht of de verdachte niet op een andere manier aan zijn daderkennis kan zijn gekomen, wat op zijn beurt weer een onderzoek naar de interactie tijdens het verhoor vereist. Hiervoor zijn ten minste audio-opnamen nodig.

Niet alleen het gedrag van de politie kan bijdragen aan een valse bekentenis, ook de psychische toestand van de verdachte is van groot belang. Indien getwijfeld kan worden aan de psychische toestand moet de bekentenis achteraf extra kritisch worden bekeken. Bij twijfel is het ook van belang dat een deskundige voorafgaand aan het verhoor wordt geraadpleegd.

Hoofdstuk 11: Zekere en onzekere getuigen

De meest traditionele manier om te weten wanneer we wel en wanneer we niet af moeten gaan op het verhaal van de getuige, is het de getuige zelf vragen hoe zeker hij van zijn verhaal is. Uit onderzoek van juryleden is gebleken dat de zekerheid van de getuige een grote invloed heeft op hun beslissingen.

Uit een lange serie studies is met behulp van herkenningsprocedures (de Oslo-confrontatie) gebleken dat de samenhang tussen accuratesse en zekerheid uiterst gering is. De zekerheid van de getuige kan niet worden gezien als stevige basis van een oordeel over deins accuratesse. Deze studies kennen echter methodologische zwaktes.

Brewer e.a. pleiten dan ook dat het gebruik van calibratie tot betere resultaten leidt dan correlatie. Bij calibratie wordt onderzocht hoe goed mensen zijn die bijzonder zeker van hun zaken zijn in vergelijking met mensen die dat minder zijn.

Tot nu toe is het onderzoek geheel gegaan aan de hand van herkenningen. Er zijn argumenten die er op wijzen dat het herkennen van iets of iemand een geheel andere opgave is voor een getuige dan het herinneren van iets dat gebeurde. Een getuige die zich iets moet herinneren lijkt beter in staat te zijn om zinvolle uitspraken te doen over de juistheid van de herinnering.

Een getuige die zich informatie herinnert tijdens het verhoor kan deze informatie later beter herinneren. Dit heeft als gevolg dat getuigen die bij het eerste verhoor moeten raden, geneigd zijn deze geraadde informatie later als juist te herinneren.

Hoofdstuk 12: Snelle en langzame getuigen

Volgens het onderzoek van Siegfried Sporer geldt dat de snelheid waarmee getuigen tijdens een herkenningsconfrontatie reageren (response latency) indicatief is voor de juistheid van de verklaring. De beste maat varieert van 5 tot 29 seconden, het moet in ieder geval gaan om minder dan een halve minuut.

Hoofdstuk 13: Herkennende getuigen

Onderzoek laat zien dat de bevindingen uit het psychologisch laboratorium direct kunnen worden toegepast op de praktijk. Bij de psychologie van identificatie door getuigen moet een onderscheid worden gemaakt tussen systeemvariabelen en schattingsvariabelen.

Systeemvariabelen zijn elementen die verband houden met de accuraatheid van getuigen die door het systeem (politie/rechter) kunnen worden beïnvloed. De Oslo-confrontatie/ meervoudige confrontatie kan worden gebruikt als het de enige keer in het leven van een getuige was dat hij de dader zag tijdens het misdrijf. Bij een Oslo-confrontatie wordt de verdachte tussen een rij figuranten geplaatst. Hierbij moeten de figuranten en de verdachte voldoen aan het signalement dat de getuige gaf en er mag niet één persoon op enige manier bijzonder uitspringen. De Oslo-confrontatie kan in persoon worden uitgevoerd, maar ook met foto’s of videobeelden. Het is van cruciaal belang dat alternatieve verklaringen voor de herkenning worden uitgesloten. Zo mag de politieman die de getuige begeleidt niet weten wie de verdachte is (de dubbelblindregel), omdat hij anders mogelijk (onbewust) kan verraden welke persoon moet worden aangewezen. Als aan al deze strenge eisen niet is voldaan, wordt de bewijswaarde van de herkenning uiterst gering.

Een veelkomende grove fout bij confrontaties is dat de getuige in een éénpersoonsconfrontatie met de verdachte wordt geconfronteerd. Achteraf is niet meer vast te stellen of de getuige de verdachte als dader aanwees omdat hij deze herkende, door de sociale druk door de politie, dat de verdachte slechts leek op de dader, of omdat de getuige de politie graag verder wilde helpen met het onderzoek. Ook de waarde van zo’n éénpersoonsconfrontatie is uiterst gering.

Ook het meerdere malen confronteren van de getuige met de verdachte is een veel voorkomende fout. De getuige weet dan niet meer of hij de verdachte herkent van de plaats delict of van de eerdere confrontatie.

Indien de getuige niemand aanwijst bij een Oslo-confrontatie kan de conclusie worden getrokken dat de verdachte niet de dader is, maar ook kan het zo zijn dat de getuige niet een goede herinnering heeft of het uiterlijk van de dader te veel is veranderd in de tussentijd. Als de getuige bij de Oslo-confrontatie een figurant aanwijst, kan de conclusie worden getrokken dat het een onbetrouwbare getuige is die niet meer voor een herkenningsprocedure gebruikt mag worden.

De schattingsvariabelen heeft men niet in de hand. Het gaat hierbij om de waarnemingsomstandigheden, de afstand tussen getuige en dader bij de waarneming en de hoeveelheid licht, en het ras van getuige en dader. Het weapon-focus-effect betreft het feit dat hoge stress ertoe zou leiden dat getuigen slechter zou waarnemen. De getuige richt zijn aandacht op het voorwerp dat stress opwekt waardoor hij andere delen van de situatie niet of slecht waarneemt. Er zijn echter praktijkstudies die het tegendeel laten zien; getuigen in een stressvolle situatie lijken accurater in hun verklaring te zijn. Gebleken is dat interraciale herkenning lastiger is dan herkennen van mensen van het eigen ras.

Bij een compositietekening moeten gezichten die zijn opgeslagen op een holistische manier worden omgezet in een verbale beschrijving. Dit is een erg lastig proces. De verbale beschrijving kan het holistische beeld bovendien ook beïnvloeden. Het gaat hier om het verbal overshadowing-effect. Indien de compositietekening samen met de politie wordt gemaakt formuleert de getuige het signalement, waarna de politieman het signalement weer om moet vormen tot een geheel. Hiermee kan de oorspronkelijke herinnering worden beïnvloed of vervangen door de compositietekening, als deze afwijkt van de herinnering.

De Mechelse zaak leert dat als de verdachte op grond van zijn uiterlijk is aangehouden, een herkenning door een getuige weinig tot geen extra bewijswaarde toegevoegd.

Hoofdstuk 14: Herkennende honden

De geursorteerproef met een hond moet zodanig ingericht worden dat als de hond het buisje van de verdachte heeft geapporteerd, de conclusie terecht is dat hij dit heeft gedaan omdat hij overeenkomst in geur rook tussen het buisje en het uitgangspunt (het voorwerp van de plaats delict). Deze conclusie mag alleen worden getrokken als alle andere mogelijke bronnen kunnen worden uitgesloten. Twee van deze storende bronnen worden kort besproken:

1. Een hond is gevoelig voor wat zijn geleider doet. Het is daarmee belangrijk dat de geleider niet weet welk buisje van de verdachte is.

2. De figuranten in de geursorteerproef moeten aan hetzelfde geursignalement voldoen als de verdachte. Een probleem hierbij is dat wij het ruiken van een hond niet direct kunnen controleren. Uit onderzoek is gebleken dat o.a. het eetpatroon van een persoon van invloed is op diens geur.

Hoofdstuk 15: Liegende getuigen en verdachten

Liegen lijkt aan de basis van veel verklaringen te liggen en het ontdekken van leugens is daarmee een basistaak voor politie en rechters. Aan een verhaal van een verdachte kunnen we niet zien of hij liegt, we moeten daarvoor letten op de manier waarop een verhaal wordt verteld. Professionals brengen het er niet beter af dan leken.

Onderzoeken waarbij het detecteren van leugenaars wordt vergeleken met het detecteren van waarheidssprekers brengen niet een bruikbaar resultaat voor het strafproces voort. Er zit zo’n verschil tussen beide dat het niet meer kan worden verklaard door toeval; het gaat om een significant verschil.

In typisch psychologische onderzoeken worden gemiddelden van groepen vergeleken. Ook dit is problematisch omdat de politie en rechters duidelijkheid willen voor een specifiek geval.

Wel bruikbaar voor het strafrecht is de leugendetectie met behulp van de polygraaf. Deze methode bestaat uit een voorgeschreven manier om vragen te stellen terwijl ondertussen de fysieke reacties van de proefpersoon worden gemeten.

Er bestaan verschillende technieken:

1. De controlevragen techniek (CTV): er worden drie soorten vragen aan de ondervraagde gesteld: relevante vragen, controlevragen en neutrale (irrelevante) vragen. Belangrijk is het langdurig interview voorafgaand aan de eigenlijke leugendetectie, waarmee kan worden bepaald welke controlevragen in dit specifieke geval gepast zijn. Als de polygrafist de techniek juist gebruikt, zal een schuldige verdachte zich vooral zorgen maken over de relevante vragen, terwijl de onschuldige verdachte zich vooral zorgen zal maken om de controlevragen (de interventieregel). Ook is het belangrijk dat de polygrafist er in slaagt tegenmaatregelen van de verdachte te voorkomen of te doorzien, zodat deze de uitslag van de test niet beïnvloedt.

2. De schuldige kennis-techniek (SKT): ook bij deze techniek worden de fysieke maten geregistreerd, maar er wordt gebruik gemaakt van meerkeuzevragen, waarbij wordt onderzocht op welk alternatief de verdachte het sterkst reageert. Belangrijk bij de vraagselectie is dat de vragen moeten gaan over kennis die een dader heeft, maar tegelijkertijd moeten de alternatieven even plausibel zijn voor een onschuldige verdachte. De SKT kan alleen in het uiterste begin van een opsporingsonderzoek worden toegepast, omdat hij niet meer bruikbaar is als de verdachte uitgebreid is verhoord of zijn eigen dossier heeft ingezien. Ook de onschuldige verdachte kan door media kennis hebben opgedaan over het misdrijf. Het zou verstandig zijn om in de praktijk ook deze verhoormethode dubbelblind uit te voeren.

Leugendetectie in de vorm van CVT wordt in Nederland toegepast bij de behandeling en monitoring van seksuele delinquenten. Problematisch hierbij is echter dat veel seksuele delinquenten goed geoefend zijn in liegen en zij vaak een persoonlijkheidsstoornis hebben die ervoor zorgt dat zij gaan angst voelen als zij liegen, waardoor de metingen betekenisloos worden. Ook zijn de vragen bij CTV-sessies vaak te generiek van inhoud, waardoor zij te veel op controlevragen lijken en ook daarmee de metingen betekenisloos worden.

3. Bij neurolinguïstisch programmeren wordt gekeken naar oogbewegingen van de verdachte. Er is echter geen enkele basis om deze methode serieus te nemen. Toch wordt hij nog steeds gebruikt in Nederlandse verhoren en wordt door de Nederlandse politieacademie ook onderwezen.

4. Met de Scientific Content Analysis (SCAN) zou men aan de hand van 13 criteria van een geschreven tekst kunnen vaststellen of die gelogen is of op waarheid berust. De waarde van SCAN is echter dubieus. Bij zowel de SCAN als bijvoorbeeld de Zaanse verhoormethode is de kans groot dat de politie zich hiermee op een dwaalspoor laat brengen.

In Nederland wil men niet aan professionele leugendetectie. Hierdoor is de enige methode die overblijft het vergelijken van het verhaal van de verdachte met hetgeen op een of andere manier in het opsporingsonderzoek is vastgesteld. Er wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde standaardverhoorstrategie, waarbij strategisch gebruik wordt gemaakt van informatie uit het dossier.

De methode van Aldert Vrij en zijn collega’s is gebaseerd op de propositie dat tijdens het verhoor een verdachte een hoge cognitieve belasting heeft als hij liegt. Dit is een methode die wellicht in de toekomst veelbelovend kan zijn.

Hoofdstuk 16: Emotionele getuigen

Als een getuige tijdens de waarneming emotioneel was, is hij in de regel een betere getuige dan de niet-emotionele getuige. Emotionele getuigen zijn echter wel slechter in het waarnemen van perifere elementen in de situatie door een selectieve waarneming. Deze selectieve waarneming kan zich in twee vormen voordoen:

1. Weapon focus-effect: van een enkel aspect van de emotionele situatie kan een accuraat verslag worden gedaan, maar dat geldt niet voor de andere onderdelen van de situatie.

2. Tunnel-vision-effect: van sterk emotionele ervaringen worden vooral de centrale, emotionele reacties oproepende details herinnerd. In veel mindere mate de perifere, niet direct belangrijke details.

Problematisch bij deze selectieve waarnemingsvormen is het feit dat in psychologische laboratoria om ethische redenen bij proefpersonen niet al te sterke emoties worden opgeroepen. Hierdoor is het niet duidelijk of de gevonden effecten nu werkelijk van emoties afkomstig zijn. Ook is het problematisch hoe bepaald moet worden welke elementen centraal staan en welke elementen perifeer zijn.

Bij hervonden herinneringen gaat het om een getuige die beweert dan hij langdurig een zeer emotionele gebeurtenis helemaal is vergeten. Sommige mensen menen dat deze later weer op kunnen worden gehaald. Empirisch onderzoek laat echter zien dat emotionele gebeurtenissen juist beter worden onthouden. Hervonden herinneringen worden actief uit het geheugen geweerd, maar blijven wel van invloed op het dagelijkse leven. Deze herinneringen hebben geleid tot een grote controverse in de psychologie; de Memory Wars. Als het bovenstaande voor mogelijk wordt gehouden, worden daarmee de volgende drie aannames impliciet geaccepteerd:

  1. Massieve amnesie bestaat voor traumatische gebeurtenissen.

  2. Die amnesie wordt zou worden veroorzaakt door een bijzonder mechanisme dat de herinnering verdrijft; dissociatie.

  3. Herinneringen die weer worden teruggevonden zouden steeds in essentie accuraat zijn.

Deze drie aannames worden in de literatuur niet ondersteund. Uit onderzoek blijkt dat massieve amnesie alleen voorkomt bij gevallen van hersenletsel. Ook is gebleken dat traumatische gebeurtenissen juist moeilijk kunnen worden vergeten. Vaak lijdt men aan intrusies; herinneringen overspoelen hen plotseling. Hervonden herinneringen lijken dan ook een niet echt bestaand fenomeen te zijn. Het gaat in de meeste gevallen om pseudoherinneringen, ontstaan onder invloed van bepaalde door psychotherapeuten gehanteerde methodes. Met behulp van suggestieve technieken als hypnose, body memories en journalling is het mogelijk om in de therapiekamer patiënten een niet bestaand traumatisch verleden van seksueel misbruik aan te praten.

In drie soorten gevallen zijn de politie en het openbaar ministerie verplicht om advies te vragen aan een Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken. Het gaat om meldingen bij de politie waarin aangifte wordt gedaan van:

  1. Seksueel misbruik die plaats vond voor het derde levensjaar;

  2. Ritueel misbruik; en

  3. Seksueel misbruik waarbij sprake is van hervonden herinneringen.
    Het advies hoeft niet te worden gevolgd, maar dit wordt vaak wel gedaan.

Recent onderzoek wijst er op dat er bij hervonden herinneringen tenminste sprake is van twee verschillende fenomenen. Enerzijds gaat het om vrouwen die veelal tijdens therapie een geheel nieuwe herinnering aangepraat krijgen; een pseudoherinnering. Het tweede fenomeen betreft mensen die wel zijn misbruik, maar daaraan lange tijd niet of nauwelijks dachten. Door een trigger kan de herinnering weer boven komen. Het forgot it all along-effect betreft de situatie waarbij herinneringen worden beschreven als hervonden herinneringen, terwijl in werkelijkheid de vergeetperiode wordt overschat door de betrokkene.

Hoofdstuk 17: Alibi’s

Alibi’s zijn belangrijk in het strafrecht. In de taxonomie van Olson en Wells spelen twee dimensies een rol: fysiek bewijs en getuigenbewijs van het alibi. Naar mate dat er beter fysiek en beter getuigenbewijs is, wordt het alibi meer geloofd. Zij kwamen er echter ook achter dat fysiek bewijs zo sterk wordt bevonden dat zelfs eenvoudig te fabriceren fysiek bewijs de bijdrage van getuigenbewijs voor de waardering van een alibi irrelevant maakt.

Het onderzoek naar alibi’s staat nog in de kinderschoenen. Wel is uit onderzoek gebleken dat het niet ongebruikelijk is dat verdachten elkaar een alibi trachten te verschaffen. Het door de mand laten vallen van een vals alibi is niet eenvoudig.

Hoofdstuk 18: Dwalende forensische deskundigen

Gegevens moeten worden geïnterpreteerd met een bepaald scenario in het achterhoofd. Deskundigenbewijs staat niet los van het overige bewijs in een zaak. Het krijgt alleen betekenis binnen een verhaal of één of meerdere scenario’s.

Scenario’s kunnen een overheersende invloed hebben op het werk van technisch forensisch deskundigen en hun resultaten overwegend beïnvloeden. Het is dan ook van belang dat de technisch deskundigen van begin af aan duidelijk maken met welke scenario’s zij in hun werk rekening houden. Dit houdt verband met een andere belangrijke invloed in hun werk; het verwachtingseffect. Dit is een fenomeen dat er voor zorgt dat de resultaten van het handelen gestuurd worden door de verwachtingen die men koester. Dit verwachtingseffect komt ook voor bij forensisch onderzoek.

Merckenbach is van mening dat forensisch technisch onderzoek blind moet worden uitgevoerd. Dit kan echter niet in alle gevallen worden gerealiseerd, omdat dergelijk onderzoek vaak slechts gerealiseerd kan worden als de onderzoeker meer informatie heeft.

De tweede richtlijn die Merckenbach aanvoert is dat de observator zijn oordeel tot stand moet laten komen op basis van een meetinstrument, om zo de speelruimte voor subjectieve oordelen in te perken. Ook zou er een derde, onafhankelijke observator moeten zijn als er ook maar enigszins kan worden getwijfeld aan de accuratesse van het meetinstrument. Tevens kan men alleen tot een valide oordeel komen als observaties kunnen worden afgezet tegen uitkomsten die gelden voor een referentie- of controlegroep.

Een voorbeeld van een forensisch technisch geld waar veelal deze normen worden geschonden is bij de handschriftvergelijking. Hier zou, indien mogelijk, een evidence line-up, vergelijkbaar met de Oslo-confrontatie moeten worden gebruikt.

Ook dactyloscopie (vingerafdrukken) is problematisch. Zowel een op de plaats delict gevonden als een van de verdachte afgenomen vingerafdruk zijn niet altijd van goede kwaliteit. Het verschil tussen de vingerafdrukken moet dan door een deskundige geïnterpreteerd worden, maar deze keuze is onvermijdelijk subjectief omdat er geen harde criteria voor zijn.

Hoofdstuk 19: Overdracht van rechtspsychologische kennis

De praktische kennis uit de rechtspsychologie is alleen van nut als deze ook doordringt tot de praktijk. Hiervoor zou deels kunnen worden gezorgd door ervoor te zorgen dat afstuderende rechtenstudenten wetenschapstheorie- en –methodologie hebben gehad. De tweede stap is dat in de respectieve opleidingen aandacht wordt besteed aan de rechtspsychologie en andere wetenschappen die het recht ten dienste staan.

Deze kennis moet worden aangevuld met kennis die op een casuïstische manier plaatsvindt als rechtspsychologen adviseren bij de opsporing of als getuigendeskundige.

Het gebrek aan kennis van de rechtspsychologie is niet te wijten aan een gebrek aan een goede infrastructuur van kennnisoverdracht, maar vooral aan de beperkte mate van kennisoverdracht.

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Check: more related and most recent topics and summaries
Check more: study fields and working areas
Check more: countries and regions
Check more: WorldSupporter and development goals

Image

Share: this page!
Follow: Law Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
1330
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector