Aantekeningen van het hoorcollege van het kernvak Privaatrecht II.
Inhoud van het vak
Programma
Grondbeginselen verbintenissenrecht
Pacta sunt servanda: verbintenissen moeten worden nagekomen;
Consensualisme: vormvrijheid;
Contractsvrijheid: met iedereen mag een contract gesloten worden.
Totstandkoming rechtsovereenkomst
Allereerst moet onderzocht worden of er sprake is van een verklaring: deze verklaringen zijn vormvrij (art. 3:37 BW, consensualisme).
Er moet sprake zijn van een verklaring die overeenstemt met de wil.
Bij discrepantie hiertussen, bijvoorbeeld in geval van
Art. 3:33 BW, misverstand: zie bijvoorbeeld HR: Bunde/Erckens. Ontbreken van de duidingswil.
Art. 3:34 BW, ontbreken van de handelingswil: storing in de geestestoestand.
Geestestoestand moet redelijke waardering van belangen belemmeren.
Verklaring is onder invloed van een stoornis gedaan. Dit mag vermoed worden zo te hebben plaatsgevonden als de verbintenis nadelig werkte ten aanzien van de persoon die de verbintenis sloot.
Komt er geen (voor een overeenkomst vereiste) rechtshandeling tot stand.
Indien er sprake is van een met de wil overeenstemmende verklaring, komt een rechtshandeling tot stand.
Gerechtvaardigd vertrouwen kan echter een discrepantie repareren (art. 3:35 (in sommige gevallen jo. art. 3:11 BW)). Zie hiervoor ook het arrest HR: Westhoff/Spronsen.
Indien er sprake is van een rechtshandeling, moet onderzocht worden of er van redelijkheid en billijkheid een beperking uitgaat. In het arrest HR: Westhoff/Spronsen wordt dit omschreven als ‘goede trouw’. Indien er sprake is van derogerende werking van redelijkheid en billijkheid komt geen rechtshandeling tot stand.
Overeenkomst: komt tot stand door aanbod (is een rechtshandeling) en aanvaarding (is ook een rechtshandeling).
Vertegenwoordiging
Er zijn verschillende cases denkbaar: bijvoorbeeld een werknemer die het bedrijf waarvoor hij werkt vertegenwoordigt, of de curator die de onder curatele gestelde vertegenwoordigt.
Onmiddellijke vertegenwoordiging:
Leidt ertoe dat dat een rechtshandeling van de tussenpersoon toegerekend wordt aan de achterman.
Eisen zijn
Indien de volmacht overschreden wordt (en er dus geen sprake meer is van een vertegenwoordigingsbevoegdheid), is de achterman niet gebonden (art. 3:66 lid 1 BW). Als de achterman echter de rechtshandeling bekrachtigt (art. 3:69 BW) of er sprake is van schijn van volmacht (art. 3:61 lid 2 BW), kan de achterman alsnog gebonden zijn.
Art. 3:61 lid 2 BW heeft verschillende eisen:
Tussenpersoon handelt in naam van achterman;
Er is geen (toereikende) volmacht;
Derde (‘wederpartij’) heeft aangenomen en mocht dit ook redelijkerwijs doen dat er wel een (toereikende) volmacht was;
Schijn van volmacht is gewekt door verklaring/gedraging van de achterman, of door factoren die in zijn risicosfeer liggen.
Omdat aan dit laatste vereiste van toedoen moeilijk voldaan wordt, is heeft zich in de jurisprudentie een uitbreiding van dit criterium ontwikkeld.
In het arrest ING/Bera wordt door de HR bepaald dat toerekening ook plaats kan vinden ‘als de derde gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening aan de tussenpersoon op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de achterman komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid.’
Volmacht
De tussenpersoon handelt in naam van de achterman (dit is dus anders dan bij de goederenrechtelijke constructie van middellijke vertegenwoordiging, waarbij de tussenpersoon onder eigen naam handelt).
De overeenkomst komt nu tot stand tussen de achternan en de wederpartij.
Aan de hand van het arrest Stolte/Schiphof (kribbebijter) kan worden bepaald of onder eigen naam of onder naam van een achterman wordt gehandeld (dus of er sprake is van een volmacht).
Vereisten bij beëindiging
Art. 3:76 BW geeft verschillende vereisten voor beeindiging van de volmacht. Een oorzaak die de volmacht heeft doen eindigen, kan slechts aan de wederpartij worden tegengeworden als de wederpartij het einde van de volmacht of de oorzaak van beëindiging kende of als zich een in art. 3:76 lid 1 BW genoemde situatie voordoet (bijvoorbeeld door overlijden van achterman).
Aansprakelijkheid van tussenpersoon jegens de achterman
Er zijn twee mogelijke situaties:
Volmacht in het kader van arbeidsovereenkomst: werknemer schiet tekort in zijn verplichting jegens werkgever (schadevergoeding ex art. 6:74 BW).
Losse volmacht: de tussenpersoon schiet tekort in hetgeen van hem, als goed gevolgmachtigde, mag worden verwacht (schadevergoeding ex art. 6:74 BW).
Aansprakelijkheid tussenpersoon jegens wederpartij
Art. 3:70 BW biedt mogelijkhjeid tot aansprakelijkheidsstelling van de gevolmachtigde. Dit artikel bepaalt dat de gevolmachtigde jegens de derde instaat voor de gestelde volmacht. Hieruit vloeit een (garantie)verbintenis voort, waarbij bij niet nakoming op grond van art. 6:74 BW een verplichting tot schadevergoeding voortvloeit.
De schade die vergoed kan worden is slechts het positief contractsbelang.
Hierbij is het arrest Globe/Groningen van belang. In deze casus wordt voor de gemeente Groningen door een tussenpersoon een reis bij Globe geboekt, Deze tussenpersoon treedt hierbij buiten zijn bevoegdheid. Deze tussenpersoon wordt hierbij obv art. 6:162 BW aansprakelijk gesteld (dit in verband met de mogelijkheid van risicoaansprakelijkheid ex art. 6:170 BW van de werkgever). De HR stelt echter dat het enkel buiten de bevoegdheid van de volmacht treden geen OD oplevert.
Art. 3:76 lid 2 BW biedt onder voorwaarden mogelijkheid tot vorderen schadevergoeding door wederpartij als de volmacht geëindigd. is.
Programma
Aantastbare rechtshandeling
Persoon
Wijze van totstandkoming
Vorm (volgende week)
Inhoud (volgende week)
Bevrijdende verjaring
Persoon: handelingsonbekwaamheid
Handelingsbekwaamheid wordt verondersteld aanwezig te zijn (art. 3:32). Een rechtshandeling die verricht wordt door een persoon die van deze regel afwijkt (handelingsonbekwame) is vernietigbaar (bij meerzijdige rechtshandelingen) of nietig (in geval van een eenzijdige gerichte rechtshandeling).
Handelingsbekwaamheid;
Uit art. 1:381 lid 2 jo. 1:378 BW blijkt dat onder curatele gestelden handelingsonbekwaam zijn.
Minderjarigen zijn slechts bekwaam indien er sprake is van een toestemming of indien deze toestemming verondersteld mag worden gegeven te zijn (1:234 jo.. 233)
Persoon: handelingsonbevoegdheid
In bijzondere gevallen zijn bepaalde personen niet bevoegd bepaalde rechtshandelingen te verrichten. Voor een opsomming hiervan, zia art. 3:43, 1:88 (toestemming van echtgeno(o)t(e)), 1:346, 1:453 BW.
Verschil tussen handelingsbekwaamheid en handelingsbevoegdheid is dat handelingsbekwaamheid geldt ten aanzien van alle rechtshandelingen (abstracter), terwijl handelingsbevoegdheid het handelen mbt bepaalde rechtshandelingen uitsluit (veel concreter, omdat bepaalde handelingen uitgesloten worden door de wet).
Begripsbepaling
Feitelijke onbekwaamheid: 3:34 BW (verklaring en wil stemmen niet met elkaar overeen). Art. 3:35 BW kan in dit geval de wederpartij beschermen. Feitelijke onbekwaamheid kan ervoor zorgen dat een rechtshandeling niet tot stand wordt gebracht.
Handelingsonbekwaamheid: rechtshandelingen zijn vernietigbaar (of nietig, zoals hierboven beschreven). Hiertegen wordt geen bescherming geboden.
Handelingsonbevoegd: ten aanzien van bepaalde goederen mag door een bepaald persoon geen handeling verricht worden.
Beschikkingsbevoegdheid: goederenrecht: bevoegd om ten aanzien van bepaalde goederen te beschikken (bijvoorbeeld bevoegd tot overdracht of tot vestiging van beperkte rechten).
Gebrekkige wilsvorming
In deze gevallen is er wel een overeenstemmende wil, dus er kan gewoon een overeenkomst tot stand komen, maar deze wil is niet zuiver gevormd:
Zie HR: Booy/Wisman: er wordt een koopovereenkomst gesloten mbt een kraanwagen (Wisman koopt van Booy). Booy is ervan op de hoogte dat voor Wisman vereist is dat hij met deze kraan op de openbare weg mag rijden. Booy stelt dat dit geen probleem zal zijn, omdat Wisman gewoon een kentekenbewijs aan kan vragen bij de gemeente. Uiteindelijk blijkt echter dat hij geen kentekenbewijs kan krijgen, omdat de kraan te zwaar is.
In dit geval kan een beroep gedaan worden op dwaling ex 3:228 (met name lid 1 onder a BW).
Uit het artikel blijkt dat reclame opzichzelf geen bedrog vormt.
Zie arrest HR: H.-R. en H. K woont in een groot huis en bezit een grote loods, maar wordt steeds hulpbehoevender. Voordat hij in een verpleeghuis wordt opgenomen verkoopt hij zijn loods. De kopers van deze loods hebben ook een taxatie gearrangeerd die in het nadeel van de verkoper uitvalt. Door de uiteindelijke verkoop van de loods wordt ook de grond minder waard (door splitsing van de grond) en is daarmee ook zeer nadelig voor K. De curator probeert op grond van misbruik van omstandigheden de koop terug te draaien. De HR oordeelt dat de situatie alle schijn heeft van misbruik van omstandigheden en dat daarmee een plicht rust bij de verweerder om te onderbouwen waarom hiervan geen sprake zou zijn.
Bevrijdende verjaring
Geregeld in art. 3:306-3:225 BW. Door verjaring gaat een rechtsvordering teniet, maar blijft het vorderingsrecht wel bestaan (de natuurlijke verbintenis blijft namelijk bestaan. Deze is echter onafdwingbaar).
Bevrijdende verjaring mag door de rechter slechts worden toegepast als hierop door de partijen een beroep gedaan wordt. Het mag dus niet ambtshalve worden toegepast.
Verjaringstermijnen:
Art. 3:306: Algemeen is twintig jaar
Art. 3:307 ev: Bijzondere kortere termijnen: