Seksueel functioneren | Lustvol genitaal gedrag (coïtus en masturbatie), seksuele en erotische partnerkeuze, seksueel fantaseren, seksuele identiteit en genderidentiteit/-rol. |
Genderidentiteit | Je een man of een vrouw voelen en je zodanig gedragen. |
Alternatieve seksuele responscyclus | Al eerder werd de seksuele responscyclus van Masters en Johnson besproken (zie H2). Sommige seksuologen vinden deze cyclus te beperkt. Basson geeft een alternatieve responscyclus waarbij seksuele motivatie is gestoeld op intimiteit. |
Biopsychosociale seksuele differentiatie van de man | De man heeft XY-geslachtschromosomen. Het Y-chromosoom laat de gonaden (geslachtsklieren) ontwikkelen tot testikels (dit wordt de ‘vertaling’ van het genetische geslacht in het gonadale geslacht genoemd). Deze foetale testes maken het anti-Müllerhormoon (AMH) dat de ontwikkeling van de buizen van Müller blokkeert, en testosteron dat zorgt voor de differentiatie van de in- en uitwendige genitalia en de masculinisatie van de hersenen. Daarnaast zijn sociale invloeden van belang voor de ontwikkeling van genderidentiteit. |
Biopsychosociale seksuele differentiatie van de vrouw | De vrouw heeft XX-geslachtschromosomen. Hierdoor ontwikkelen de gonaden zich tot eierstokken. Deze foetale ovaria produceren geen hormonen. De hersenen en de in- en uitwendige genitalia van de foetus ontwikkelen zich automatisch in een vrouwelijke richting. Ook hier spelen sociale invloeden een grote rol bij de ontwikkeling van genderidentiteit. |
Pubertijd | De pubertijd is een levensfase waarin secundaire geslachtskenmerken zich ontwikkelen, een groeispurt optreedt en geslachtsrijpheid wordt bereikt. |
Secundaire geslachtskenmerken | Borsten, oksel- en pubishaar, vrouwelijke onderhuidse vetverdeling, menstruatie en groeispurt. |
Hormoon GnRH (gonadotrophin releasing hormone) | Dit hormoon wordt aangemaakt bij de start van de pubertijd. Het hormoon komt via de hypofysesteelbloedvaten terecht in de hypofysevoorkwab, die vervolgens LH en FSH gaat produceren en afgeven. |
Hormonen LH (luteïnisatiehormoon) en FSH (follikelstimulerend hormoon) | Dit zijn gonadotrofinen: zij zetten de gonaden aan tot de productie van geslachtshormonen (oestrogenen en progesteron uit de ovaria en testosteron uit de testikels). |
Gonaden | Geslachtsklieren (testes en ovaria) |
Geslachtshormonen (oestrogenen, progesteron en testosteron) | Deze zorgen voor het ontstaan van de secundaire geslachtskenmerken. |
Pubertas praecox | Te vroege pubertijd. Hiervan is sprake bij meisjes als het begin van de borstgroei valt voor het 8e jaar (normaal=10 jaar en 8 maanden). Bij jongens geldt dit als de testes gaan groeien voor het 9e jaar (normaal= 11 jaar en 6 maanden). |
GnRH-agonisten | Een agonist is een remming van een bepaald hormoon.De GnRH- agonist kan toegediend worden aan een kind dat te vroeg in de pubertijd raakt. Wanneer dit gebeurt is het kind te snel uitgegroeid waardoor het (te) klein blijft. Ook kunnen er psychosociale problemen ontstaan. De agonisten zorgen ervoor dat het proces gestopt wordt waardoor de ovaria of testes tijdelijk ophouden met de aanmaak van geslachtshormonen. |
Pubertas retardata | Vertraagde pubertijd. Hiervan is sprake bij meisjes als het begin van de borstgroei valt na 13,4 jaar en bij jongens wanneer er geen testisgroei is op de leeftijd van 14 jaar. |
Premenstrueel syndroom (PMS) | Het cyclisch terugkeren van ‘onprettige’ symptomen, die beginnen na de ovulatie en vrij plotseling verdwijnen met het doorzetten van de menstruatie. |
Female androgen insufficiency | Een tekort aan androgenen bij de vrouw, waardoor zij een verminderd libido, stemmingswisselingen, verminderde energie en welbevinden ervaart. |
Climacterium (de overgang) | Vrouw: dit is een periode tussen de 45 en 55 jaar waarbij het menstrueren onregelmatig wordt of zelfs wegblijft, ook kan het heviger en langduriger zijn. De ovaria stoppen met de productie van oestrogenen en progesteron, waardoor de hypofyse meer FSH en LH gaat afgeven. Man: vanaf 50 jaar treedt er een vermindering op van de testosteronproductie door de testes en een verminderde LH-respons op dit hypoandrogenisme. |
Postmenopauze | In deze periode heeft de vrouw haar laatste menstruatie gehad. De concentraties van oestrogenen en progesteron zijn zeer laag en van androgenen iets lager dan voor de menopauze. De huid, uterus, labia, vagina en borsten zijn doelwitorganen van de geslachtshormonen, waardoor ze in de postmenopauze atrofisch worden. |
Uterus | Baarmoeder |
Labia | Schaamlippen, labia majora: buitenste schaamlippen, labia minora: binnenste schaamlippen |
Preputium | Voorhuid (zowel bij mannen als vrouwen) |
Seks-blos | Verschijnen van bobbelige rode vlekjes (vanaf het epigastrium (bovenbuik) tot in de hals). Deze kunnen ontstaan bij seksuele opwinding. |
Scrotum | Balzak |
Testes | Teelballen |
Vrouwelijk orgasme | Het orgasme is een psychofysiologische ervaring die plaats vindt binnen en betekenisvol wordt door een context van psychosociale invloed. Fysiologisch gezien is het een korte periode van fysieke ontspanning van de vasocongestie en myotonische toegenomen waardes als reactie op seksuele stimuli. Psychologisch gezien is het een subjectieve ervaring van een hoogtepunt in de fysieke reactie op seksuele stimuli. |
Solofase (van de seksuele responscyclus) | De verlangens-, plateau- en orgasmefasen zijn solofasen waarbij de mens meer naar binnen gericht is, namelijk meer gericht op zichzelf en de eigen gevoelens. |
Interactiefase (van de seksuele responscyclus) | De opwindings- en herstelfase zijn interactiefasen waarbij de mens meer naar buiten gericht is, namelijk op de partner. |
Psychosomatische cirkel van seks (Bancroft) | Deze cirkel geeft de samenhang tussen psychologie en fysiologie tijdens de seksuele respons. Het begint bij cognitieve factoren die centra in het limbisch systeem. Deze centra zorgen voor veranderingen in de genitalia. Als de mens zich bewust wordt van deze veranderingen, kan dit zorgen voor stimulatie of remming (dit is overigens bij alle verbindingen in de cirkel zo), er kan dus overal een positief of negatief effect optreden. |
Geslachtssteroïden | Dit zijn geslachtshormonen. De voornaamste typen zijn androgenen, oestrogenen en progestagenen. |
Androgenen | De voornaamste androgenen zijn testosteron, dihydrotestosteron (DHT) en androsteendion. |
Oestrogenen | Het voornaamste oestrogeen is oestradiol-17β, bij de vrouw vooral geproduceerd door het ovarium. Bij de man en de postmenopauzale vrouw wordt het vooral geproduceerd door omzetting van androsteendion of testosteren. |
Progestagenen | De voornaamste progestageen is progesteron, wat voornamelijk komt uit het corpus luteum. |
Corpus luteum | Dit ontstaat in het ovarium uit de follikel, nadat ovulatie heeft plaatsgevonden. Dit wordt ook wel het gele lichaam genoemd dat achterblijft. |
Dysgenesie (gestoorde ontwikkeling) van de gonaden - Ovariële dysgenesie - Testiculaire dysgenesie (syndroom van Klinefelter) - Asymmetrische dysgenesie - Vrouwelijk pseudo-hermafroditisme - Mannelijk pseudo-hermafroditisme | Dit wordt veroorzaakt door een abnormale embryonale/foetale ontwikkeling van de gonade, meestal als gevolg van afwijkingen in het chromosomenpatroon. Het chromosomenpatroon kan XO/XY zijn, of 45-XO (syndroom van Turner). De inwendige genitalia zijn vrouwelijk (hoewel de ovaria soms ook Leydig-cellen kunnen bevatten), maar de uitwendige genitalia kunnen vermannelijkt zijn. Het chromosomenpatroon is 47-XXY. Deze mannen hebben kleine testes en zijn onvruchtbaar door het ontbreken van zaadcellen. De gonade ontbreekt aan één kant of er juist ovarieel en testiculair weefsel aanwezig (echte hermafrodieten). Deze vrouwen hebben een 46-XX chromosomenpatroon, ovaria en vrouwelijke inwendige genitalia. De uitwendige genitalia zijn vermannelijkt door een overmaat aan androgenen tijdens de embryonale/foetale ontwikkeling. Deze mannen hebben het XY-chromosomenpatroon en aan beide kanten een testis in de buikholte. De uitwendige genitalia zien er vrouwelijk uit. |
Specifieke aangeboren genitale afwijkingen bij mannen - Micropenis - Cryptorchisme - Hypospadie - Fimosis | De penislengte ligt meer dan 2,5 SD onder het gemiddelde voor de leeftijd. Eén of beide testes zijn niet in het scrotum gelegen (indalingsstoornis). Hierbij is de uitgang van de urethra (de urinebuis) aan de onderkant van de penis gepositioneerd. Vernauwing van de voorhuid zodat hij niet normaal over de glans penis kan worden teruggeschoven. Ernstige fimosis kan leiden tot erectie- en coïtusproblemen. |
Specifieke aangeboren genitale afwijkingen bij vrouwen - Hymen imperforatus - Vaginale agenesie - Vaginaseptum | Bij een niet geperforeerd hymen (maagdenvlies) kan het menstruatiebloed niet afvloeien. Afwezigheid van de vagina, berust op een ontwikkelingsstoornis van de buizen van Müller. Twee vaginale schedes, gescheiden door een septum (tussenschot). |
Mannelijke genitalia uitwendig (deze ook kunnen benoemen in een afbeelding) - Penis - Corpora cavernosa - Corpus spongiosum - Glans penis - Preputium - Frenulum - Glandulae preputiales - Fascie van Buck - Tunica albuginea - Ligg. Suspensoria en Fundiforme - M. bulbospongiosi en mm. ischiocavernosi - Urethra - Scrotum | Bestaat uit zwelweefsel, gegroepeerd in drie compartimenten (linker en rechter corpus cavernosum en een centraal corpus spongiosum). Zwelweefsel dat is aangehecht op de caudale rand van het benige bekken. Zwelweefsel dat is aangehecht met zijn verwijde basis (bulbus penis) op het diafragma urogenitale. Eikel, dit is de distale voortzetting van het corpus spongiosum. Voorhuid. Toompje, riempje die de voorhuid verbindt met de rest van de penis. Kleine kliertjes aan de basis van de glans. Stevige bindweefsellaag onder een dun laagje bindweefsel. Buitenste laag van de zwellichamen. Twee ligamenten die betrokken zijn bij de ophanging van de penis aan de buik. Dwarsgestreepte spieren die reflexmatig en bewust aangespannen kunnen worden, zijn betrokken bij erectie en ejaculatie. Urinebuis, onderverdeel in pars prostatica (sluit aan op de blaas), pars intermedia (kort deel dat de bekkenbodem passeert) en pars spongiosa (hierin monden afvoerbuisjes uit). Balzak waarin de testis en epididymis (bijbal) liggen opgeslagen. |
Mannelijke genitalia inwendig - Testis - Epididymis - Ductus deferens - Vesiculae seminales - Prostata - Glandulae bulbo-urethrales | Zaadbal, waarvan het grootste deel (80-90%) wordt ingenomen door de tubuli seminiferi (buisjes waarin de spermatozoön tot ontwikkeling komen). Bijbal, een gekronkelde buis die rond de testis ligt. Zaadleider, 35-50 cm lang, die de epididymis met de urethra verbindt. Zakjes waarin de productie plaatsvindt van een vloeistof die het grootste deel van het ejaculaat vormt. Klier zo groot als een kastanje. Klieren van Cowper, scheidt helder en slijmerig secreet af in de beginfase van seksuele opwinding (voorvocht). |
Vrouwelijke genitalia uitwendig - Vulva - Labia pudendi - Vestibulum vaginae - Clitoris - Bulbi vestibuli - Glandulae vestibulares majores (klieren van Bartholin) - Glandulae vestibulares minores (kleine voorhofklieren) - Urethra femina - Mammae | Het geheel van mons pubis (venusheuvel), labia pudendi, clitoris, vestibulum vaginae, bulbus vestibuli en glandulae vestibulares. Schaamlippen (majora = groot, minora = klein). Voorhof van de schede, de ruimte tussen de labia minora. Hier liggen de uitmondingen van de vagina, urethra, glandulae vestibulares majores en minores. Bestaat uit zwelweefsel omgeven door een stevige laag bindweefsel met spiervezels en elastische vezels. De glans is voorzien van zenuwuiteindjes, waardoor deze erotisch gevoelig is. Zwellichamen van het voorhof, liggen in de basis van de labia majora en staan in verbinding met de glans. Deze klieren scheiden laat in de opwindingsfase een geringe hoeveelheid secreet af. Deze liggen in het gehele vestibulum vaginae en kunnen vestibulum en labia bevochtigen. Urinebuis, welke eindigt ongeveer 2,5 cm dorsaal van de glans clitoridis. Borsten, met tepel (papilla mammae) en tepelhof (areola mammae). |
Vrouwelijke genitalia inwendig - Vagina - G-spot - Uterus - Tubae uterinae - Ovaria | Elastische buis, uitstrekkend van hymen tot voorbij de cervix uteri. Döderleinse bacillen zorgen ervoor dat het milieu zuur is waardoor schadelijke organismen niet kunnen gedijen. 2-4 cm groot erotisch gevoelig gebied, diep in de voorwand van de vagina. Er bestaan twijfels of dit gebied daadwerkelijk bestaat. Baarmoeder, waarvan de positie mede door de vulling van urineblaas en rectum wordt bepaald. Eileiders. Eierstokken. |
Bekkenbodem - Diafragma pelvis - Diafragma urogenitale - Perineale spieren | Deze bestaat uit spieren, bindweefselplaten en ligamenten. Verloopt trechtervormig van de binnenkant van benig bekken en heilbeen naar het perineum. De m. pubococcygeus is binnen de seksuologie het belangrijkste deel van de mm. Levatoris ani, aangezien een deel van deze spier een lus vormt rond de vagina. Driehoekige plaat van bindweefsel en kleine spieren. Deze sluit de bekkenbodem af aan de ventrale zijde. Zoals mm. ischiocavernosi, mm. bulbospongiosi en mm. bulbocavernosi. |
Hypothalamus | Een hersengebied dat bestaat uit een groot aantal structureel, functioneel en chemisch gespecialiseerde groepen hersencellen die ‘nuclei’ genoemd worden. |
Neurosecretie | Afgeven van hormonen aan de bloedbaan. |
Neurotransmissie | Het overbrengen van chemische boodschappen, gebeurt door middel van aminozuren (GABA=remmend, glutamaat=stimulerend), aminen, acetylcholine en neuropeptide. |
SDN-POA | Seksueel dimorfe kern voor het preoptische gebied. |
BST | Bed nucleus van de stria terminalis. |
SON | Nucleus supra-opticus, een neurosecretoire kern. |
PVN | Nucleus paraventricularis. |
Afferente informatie | Sensibele informatie (naar het zenuwstelsel toe). |
Efferente informatie | Autonome en somatomotorische informatie (uitgaande van het zenuwstelsel), met een somatisch gedeelte (het willekeurige deel van het zenuwstelsel) en het autonome gedeelte (onwillekeurig). |