International Court of Justice, Obligations ConcerningNegotiations Relating to Cessation of the Nuclear Arms Race and to Nuclear Disarmament (Marshall Islands v. United Kingdom), Judgment on Preliminary Objections of 05-10-2016
Casus
De Marshall Islands waren na de tweede wereldoorlog terrein voor het nucleaire programma van de Verenigde Staten. De VS gebruikte de eilanden voor het testen van kernwapens. Dit heeft tot ernstige gevolgen geleid zoals een zeer hoog aantal gevallen van kanker en andere ziektes.
Het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens verplicht alle verdragsstaten ertoe ‘te goeder trouw onderhandelingen te voeren omtrent doeltreffende maatregelen met betrekking tot spoedige beëindiging van de nucleaire bewapeningswedloop en tot nucleaire ontwapening en omtrent een verdrag inzake algemene en volledige ontwapening onder strenge en doeltreffende internationale controle'. Op grond van dit verdrag zou er een gehele nucleaire ontwapening moeten plaatsvinden.
Medio 2015 begon de Republiek van de Marshall eilanden een rechtszaak tegen verschillende landen die kernwapens bezitten (o.a. VS, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en China). De Marshall eilanden menen dat deze landen zich niet voldoende inzetten om te ontwapenen. Er bestaat namelijk een resultaatverplichting voor de nucleaire ontwapening, maar deze werd volgens de eilanden niet voldoende opgevolgd.
Internationaal Gerechtshof
Omdat het Verenigd Koninkrijk de rechtsgeldigheid van de uitspraken van het IGH erkend, is de zaak o.a. tegen het Verenigd Koninkrijk voorgebracht. Het IGH moet oordelen over de vraag of het deze zaak kan behandelen en of het dus ontvankelijk is.
Het Hof kijkt eerst naar de vraag of er wel sprake is van een geschil over de interpretatie of toepassing van een verdrag of andere bron van het internationaal publiekrecht. Als er geen geschil is, dan kan het hof niet beslissen. Het Hof stelt dat er sprake is van een geschil, ‘wanneer is aangetoond, op basis van bewijsmateriaal, dat de respondent ervan op de hoogte was, of er niet van onkundig kon zijn geweest, dat zijn opvatting “positief tegenovergesteld” was aan die van de verzoeker’. De respondent moet dus bewust zijn geweest van het bestaan van het geschil en de verzoeker moet het bewijsmateriaal hierover aanleveren.
Na onderzoek van o.a. verschillende verklaringen, concludeert het Hof dat niet kan worden gezegd dat het Verenigd Koninkrijk ervan op de hoogte was (of had moeten zijn) dat de Republiek van de Marshalleilanden het Verenigd Koninkrijk ervan beschuldigde te handelen in strijd met haar verplichtingen onder het verdrag. Het Hof concludeert dat op het moment dat de Marshalleilanden de zaak voor het Hof aanhangig maakte, het Verenigd Koninkrijk er niet van op de hoogte was dat er een geschil bestond tussen de beide staten. Het was aan de Republiek van de Marshalleilanden om bewijsmateriaal aan te leveren van het bestaan van zo'n bewustzijn bij de Britten.
Kern: het Hof neemt de zaak inhoudelijk niet in behandeling omdat er geen sprake is van een geschil. Daarnaast is het 'bewust zijn’-criterium voor het eerst geïntroduceerd.