Vraag 1.a.
Welke twee relaties tussen recht en samenleving worden in de rechtssociologie onderzocht? Waarom gaat het bij deze twee relaties om een ‘wisselwerking’?
Vraag 1.b.
Het semi-autonome sociale veld (SASV) als concept is voor het eerst beschreven in het artikel ‘Law and Social Change: The semi-autonomous social field as an appropriate subject of study’ van Sally Falk Moore. Geef een verklaring waarom het SASV in rechtssociologisch onderzoek naar de gevolgen van wetgeving zo’n belangrijke rol speelt.
Vraag 1.c.
In het artikel van Bacharias, Lindenbergh en Mascini, ‘Preventie van arbeidsuitval; Ontwikkelingen in arbeidsomstandighedenbeleid en civiele aansprakelijkheid’ is onderzocht wat bedoelde en onbedoelde gevolgen waren van nieuwe wetgeving op het gebied van de arbeid. De wetgever wilde onder andere de arbeidsuitval vanwege ziekte en ongevallen verminderen. Om dit te bereiken wilde zij door de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor de veiligheid op de werkvloer te stimuleren. Bespreek waarom de wet niet de beoogde gevolgen had en hoe dit mede veroorzaakt kon worden door het SASV van de werknemers in het onderzochte bedrijf.
Vraag 2.a.
Voor de onderzoekers van de zogenaamde Frankfurter Schule (Adorno, Horkheimer, Marcuse, Habermas) is de Verlichting een belangrijk ijkpunt in de ontwikkeling van het
moderne denken. De Verlichting zou een ‘belofte’ inhouden, die naar hun mening niet is waargemaakt. Leg uit wat deze ‘belofte’ van de Verlichting was en geef aan waarom deze volgens de onderzoekers van de Frankfurter Schule niet is waargemaakt.
Vraag 2.b.
In de Groene Amsterdammer schreef Casper Thomas: “Dat ongelijkheid een spook is dat anno 2015 door Europa (en rest van de wereld) waart, daar hoef je nog maar weinig mensen van te overtuigen. Christine Lagarde, hoofd van het IMF, sprak bij de bijeenkomst van het World Economic Forum in Davos afgelopen herfst over een ‘duizelingwekkende’ toename in ongelijkheid. Volgens Lagarde dreigden de schrikverschijningen van de negentiende eeuw terug te keren in de 21ste. Eerder bestempelde Barack Obama ongelijkheid als ‘the defining challenge of our time’. Wie flauw wil doen, zegt dat deze wereldleiders wel wat laat wakker worden. Wie ze iets meer krediet geeft, zegt dat ze de tijdgeest juist verwoorden.” Geef aan wat Lagarde bedoelt waarschijnlijk met de ‘schrikverschijningen van de negentiende eeuw’ en wat heeft dat te maken met de analyse van de onderzoekers van de Frankfurter Schule uit vraag a.?
Vraag 2.c.
Mattei en Nader, auteurs van het boek ‘Plunder; When the Rule of Law is Illegal’ onderzochten in hoeverre de ‘export’ van de idee van de rechtsstaat naar ontwikkelingslanden,
feitelijk ten voordele komt van het Westen. Verklaar waarom volgens de auteurs ‘de rechtsstaat’ speelt bij het uitbuiten van ontwikkelingslanden en geef daarbij aan waarom dit een typisch marxistische visie op recht is.
De befaamde uitspraak van Koningin Máxima dat ‘dè Nederlander niet bestaat’ was een reactie op het advies van de Wetenschappelijke Raad van de Regering (WRR) ‘Identificatie met Nederland’ (2007) aan het kabinet. Uit het WRR-advies: “In deze tijd van open grenzen, globalisering, individualisering en multiculturalisering zullen nieuwe conflicten over normen ontstaan. ‘De’ Nederlandse normen zijn minder vanzelfsprekend en komen onder druk te staan. Er worden nieuwe opvattingen en normen ingebracht die om voorrang strijden. Bovendien zijn kwesties veelal niet meer uitsluitend lokaal of nationaal.” En vervolgens: “De raad komt aldus tot een pleidooi om meerdere routes van identificatie te bevorderen en te onderhouden, en onderscheidt daarbij functionele, normatieve en emotionele identificatie. Deze benadering biedt meer mogelijkheden om in een wereld van open grenzen, culturele diversiteit en transnationale verhoudingen de spanningen tussen mensen in Nederland het hoofd te bieden.”
Vraag 3.a.
Het artikel van Knegt ‘Burgerschap en niet-statelijk recht: een reconstructie’ zou aan bovenstaande conclusie van de WRR steun kunnen bieden. Hoe zou het onderzoek van Knegt naar burgerschap steun kunnen bieden aan de conclusies van de WRR?
Vraag 3.b.
De WRR stelt ook: “Het verhaal over ‘de’ Nederlandse identiteit bevestigt en versterkt een ongewenst en te simplistisch onderscheid tussen gevestigden en buitenstaanders, tussen autochtonen en allochtonen. Allochtonen worden als een groep gezien en gedefinieerd in termen van wat ze niet zijn: niet van hier. Tegelijkertijd wordt van ze geëist dat ze volledig Nederlander worden. Echter, als we blijven vasthouden aan een historische omschrijving van het Nederlanderschap, zullen zij daar nooit in slagen.” Wat zou Durkheim te zeggen hebben op de zinsnede “ongewenst en te simplistisch onderscheid tussen gevestigden en buitenstaanders”?
Vraag 3.c.
“Echter, als we blijven vasthouden aan een historische omschrijving van het Nederlanderschap, zullen zij daar nooit in slagen,” zegt de WRR in het citaat hierboven.
Waarom kunnen allochtonen er nooit in slagen volledig Nederlander te worden als we vasthouden aan een historische omschrijving van het Nederlanderschap? Verklaar dit en geeft hierbij een paar voorbeelden van de twee hoofdstukken uit het boek van Pleij ‘Moet kunnen’.
Vraag 3.d.
Geef een betere omschrijving van onze identiteit die meer op de toekomst van globalisering is gericht en tegelijkertijd iets gemeenschappelijks weergeeft? Noem minstens 2 kenmerken en motiveer jouw keuze.
Vraag 4.a.
Max Weber heeft onderzoek gedaan naar het verband tussen legitieme (overheids) macht en recht. In het artikel van Hoekema ‘Max Weber: onttovering van maatschappij en recht’ wordt beschreven dat Weber allereerst een onderscheid maakte tussen macht en gezag. Beschrijf kort het onderscheid dat Weber maakte tussen macht en gezag.
Vraag 4.b.
Gezag kan volgens Weber op basis van verschillende legitimerende principes door onderdanen worden aanvaard. Welke drie legitimerende principes en dus Idealtypen van gezag formuleerde Weber? Noem alleen de namen.
Vraag 4.c.
Weber stelde dat in zijn tijd (rond 1900) het recht bepaalde kenmerken had en dat het juist vanwege die kenmerken de overheidsmacht acceptabel maakte. Noem minstens twee kenmerken van het type recht dat Weber voor ogen had en leg uit waarom Weber meende dat dat type recht in zijn tijd dominant was.
Vraag 4.d.
Sinds de tijd van Weber is het recht inhoudelijk nogal veranderd. De vraag is dus in hoeverre het recht zelf nog belangrijk is als legitimerend principe van overheidsgezag. Benoem inhoudelijk en conceptueel enkele veranderingen van het recht in de loop van de twintigste eeuw en analyseer aan de hand daarvan in hoeverre het recht nog belangrijk is als legitimerend principe van overheidsgezag. Noem in je antwoord wat Tyler zei over ‘Why people obey the law’ en wat Griffiths zei over zelfregulering.
Vraag 5.a.
In zijn bijdrage maakt Marnix Croes duidelijk dat de vraag of de burger vertrouwen heeft in de Nederlandse rechtspraak niet eenvoudig is te beantwoorden, onder andere door het gebruik van ‘containerbegrippen’. Geef aan waarom het gebruik van containerbegrippen in enquêtevragen problematisch kan zijn voor de interpretatie van de onderzoeksresultaten.
Vraag 5.b.
Ter verklaring van fluctuaties in de mate van vertrouwen over enkele decennia, onderzoekt Croes de houdbaarheid van wat hij noemt de prestatieverklaring en de preferentieverklaring. Waarom leidt een hogere mate van criminaliteit niet tot minder vertrouwen in de rechtspraak? Leg bij het beantwoorden van deze vraag de preferentieverklaring uit.
Vraag 5.c.
In het artikel van Achterberg en Mascini over wantrouwende burgers en in het hoorcollege over het lezen van statistiek is gewezen op de (sterke) samenhang tussen algemeen
institutioneel wantrouwen (of: algemeen institutioneel vertrouwen) en wantrouwen in de rechtspraak (of: vertrouwen in de rechtspraak). Wat wordt er in deze context bedoeld als gesproken wordt over een ‘statistisch significant
effect’.
Vraag 5.d.
In zijn artikel ‘Een verliezer is geen winnaar’ gaat Roland Eshuis na of de uitkomst van een procedure (vonnis of schikking) van invloed is op de mate van naleving. Hierbij is de mate van naleving de afhankelijke variabele. Formuleer een onderzoeksvraag waarbij de mate van naleving geldt als de onafhankelijke variabele.
Vraag 5.e.
In de (rechts)sociologie wordt zowel van kwantitatieve als van kwalitatieve onderzoeksmethoden gebruik gemaakt. Toon met behulp van enkele concrete onderzoeksresultaten aan dat Schwartz voor zijn onderzoek
Vraag 1.a.
Sociale productie (ook wel: genese) over invloed van samenleving op recht en sociale werking invloed van recht op samenleving; wisselwerking omdat als recht eenmaal tot stand is gekomen, dan de werking ervan onderzocht wordt, en de resultaten van dat onderzoek weer leiden tot (aanpassing of nieuw) recht. Ook wel algemener: recht dat de samenleving beïnvloedt, verandert die samenleving en samen met andere veranderingen vraagt dat om aanpassing van het recht, dat dan weer ... etc.
Vraag 1.b.
Een semi-autonoom sociaal veld impliceert dat actoren die op een bepaald vlak met elkaar te maken hebben en weet hebben van elkaar, eigen normen hebben en die ook kunnen handhaven. Recht werkt niet in het luchtledige, maar werkt in op een veld waar al normen zijn. Als je wil onderzoeken welke gevolgen het recht heeft, moet je dus rekening houden met de normen die al in het veld aanwezig zijn en de werking van dat recht beïnvloeden.
Vraag 1.c.
Als onbedoelde gevolgen worden fatalisme genoemd, wat zou leiden tot acceptatie van risico’s en dus vermindering effectiviteit; dat fatalisme wordt versterkt door de perceptie van een afrekencultuur (als je fouten meldt, dan word je gepakt’) en bureaucratie die leiden tot niet melden van gevaarlijke situaties en tot afschuiven van verantwoordelijkheid, wat dus ook leidt tot een verminderde effectiviteit. Beide gevolgen worden versterkt door het SASV van de werknemers, doordat zij ongetwijfeld onderling over de regels spreken en in hun handelen afwegingen maken met normen die zij ook willen nakomen, zoals ‘klantgerichtheid’ en ‘je laat een collega niet vallen’. De veiligheidsnormen gaan dus deel uitmaken van het veld waar al normen zijn en werken zodoende niet (geheel) zoals ze zijn bedoeld.
Vraag 2.a.
Belofte was vrijheid gelijkheid broederschap, ontwikkeling naar vrije en gelijke mensen door nieuwe rationaliteit die los was van Kerk en Vorst; niet waargemaakt omdat de nieuwe rationaliteit volgens hun analyse vooral in materiële, niet in geestelijke vooruitgang en de waarden rond solidariteit werd geïnvesteerd (dat werd overgelaten aan de (liefdadigheids)markt). Daardoor ontstond een terrein waarop extreme ideeën konden gaan floreren in tijden van economische terugval.
Vraag 2.b.
Ze verwijst naar grote maatschappelijke ongelijkheid, destijds door industrialisatie, slechte arbeidsomstandigheden, rijke bovenlaag die zich door de vrije markt steeds meer kon verrijken; industrie kon floreren door nieuwe technieken, mogelijk gemaakt door de wetenschappen die een nieuwe rationaliteit en onderzoek hadden voortgebracht.
Vraag 2.c.
Ontwikkelingslanden werden/worden neergezet als primitieve landen die moderne rechtssystemen (die rechtszekerheid en transparantie en machtenscheiding bieden) nodig hebben. Het Westen brengt hen de moderne rechtsstaat en in het kielzog liften grote ondernemingen mee die investeringen in het land doen maar waarbij de winsten worden teruggesluisd naar het Westen. De rechtsstaat functioneert op die manier als dekmantel voor voortzetting van de koloniale uitbuiting. De analyse dat recht een ideologische dekmantel is en maatschappelijke ongelijkheid bevestigt en in stand houdt, is een conclusie die Marx ook al in de 19e eeuw trok.
Vraag 3.a.
Knegt toont aan dat in de geschiedenis verschillende noties en identiteiten van burgerschap hebben bestaan, die niet per se aan de natiestaat waren gekoppeld. Dat kan steun geven aan reflectie op de huidige ontwikkelingen van transnationaliteit en globalisering waarbij het belang van de nationale staat en identiteit blijkbaar afneemt.
Vraag 3.b.
Dat het maken van onderscheid van belang is om een gemeenschappelijke identiteit te bewaken. Een gemeenschappelijke identiteit bevordert en is uitdrukking van sociale cohesie, en daarmee functioneel voor het voortbestaan van de samenleving. Aan de andere kant kan het onderscheid te scherp worden aangezet en teveel onrust in de samenleving veroorzaken – dat is niet goed voor het ordelijk voortbestaan van de gemeenschap (is disfunctioneel). Er moet in dat geval een nieuwe gemeenschappelijke identiteit worden gezocht die meer inclusief is.
Vraag 3.c.
Als identiteit aan geschiedenis wordt gekoppeld, kunnen allochtonen nooit aan diezelfde identiteit voldoen simpelweg omdat ze die geschiedenis niet delen. Historie van verzuiling, gevecht met water, consensus zoeken vanwege politieke verdeeldheid door de verzuiling, carnaval in het zuiden enzovoort.
Vraag 3.d.
----
Vraag 4.a.
Macht: de mogelijkheid de eigen wil aan anderen op te dringen; de kans dat anderen jouw bevelen opvolgen Gezag: overtuiging dat het op basis van een bepaald principe gerechtvaardigd is om bevelen van specifieke personen of instituties op te volgen
Vraag 4.b.
Traditie, charisma, recht (legaal-rationeel)
Vraag 4.c.
Logisch, consistent, abstract-algemeen, gesloten systeem, neutraal, geen waarden van buiten; Dominant in zijn tijd vanwege onttovering (geen geheimzinnige onbekende krachten werkzaam), rationalisering, wens tot berekenbaarheid, belangrijk voor economie want rechtszekerheid, overheid op afstand (nachtwaker).
Vraag 4.d.
Incorporatie van maatschappelijke waarden in het recht (instrumenteel recht) bijv arbeidsrechtelijk, pachtwetten = van formeel-rationeel naar materieel-rationeel; van schuld naar risico cultuur door ontwikkeling sociale zekerheidswetgeving na de 2e WO; van inhoudelijke waarden naar procedureel (sinds jaren 1970) door inspraak en medezeggenschap centraal te stellen. Overheid lijkt zich tegenwoordig als ‘dienstbaar aan de samenleving’ op te stellen en om te weten wat de waarden zijn is de politiek kennelijk niet meer genoeg, dus vandaar de procedures van inspraak maar ook het zoeken naar ‘draagvlak’ in situaties van onderhandelend bestuur en wetgeven etc. Gedachte is dat mensen niet meer het recht volgen ‘omdat het recht is en door het bevoegde gezag is uitgevaardigd’ maar omdat het aansluit bij de dominante wensen en normen in de samenleving. Tyler concludeerde op basis van zijn onderzoek al dat ‘overeenstemming van eigen overtuigingen met de vastgestelde rechtsnormen’ de belangrijkste factor was voor normconform gedrag, en ook Griffiths meent op basis van het bestaande onderzoek dat de overheid voor normstelling het beste uit kan gaan van aansluiting bij de normen die het veld toch al heeft, dus bij de zelfregulering bottom-up in het sasv. (Dat is een veel onstabielere situatie is voor het uitoefenen van overheidsmacht dan Weber voor wenselijk hield, is een andere kwestie.)
Vraag 5.a.
Containerbegrippen kunnen in wisselende contexten verschillende associaties oproepen. Het is niet bekend wat de respondenten precies voor ogen hebben wanneer zij een uitspraak doen over een containerbegrip (zoals ‘de rechtspraak’). Containerbegrippen zijn multi-interpretabel. Hierdoor is het als onderzoeker lastig om vast te stellen wat er precies wordt gemeten.
Vraag 5.b.
Preferentieverklaring: de mate van vertrouwen in de rechtspraak hangt samen met de persoonlijke preferenties (voorkeuren/veronderstellingen/assumpties) van burgers. Burgers kiezen ervoor de rechtspraak (op voorhand) wel of geen vertrouwen te geven o.b.v. persoonlijke achtergrond, maatschappelijke processen etc. Zie ook artikel van Achterberg & Mascini. In tegenstelling tot de prestatieverklaring (waarbij burgers een afweging maken o.b.v. prestaties van rechtspraak/strafrechter; vb. te lage straffen) wordt er op basis van de preferentieverklaring dus geen relatie verwacht tussen de mate van criminaliteit en de mate van vertrouwen in de rechtspraak. Volgens Elchardus zouden ontevredenheid/onveiligheidsgevoelens als gevolg van algemene onvrede (welke niet zijn gerelateerd aan de mate van criminaliteit) tot minder vertrouwen in maatschappelijke instituties moeten leiden. Het kan dus best zijn dat de criminaliteit stijgt, maar de onveiligheidsgevoelens en dus het vertrouwensniveau hetzelfde blijven.
Vraag 5.c.
Dat de gevonden correlatie waarschijnlijk niet op toeval berust.
Vraag 5.d.
Voorbeeld: Is de mate van naleving van een vonnis van invloed op de tevredenheid met de procedure? Kern is dat een aannemelijk verband wordt geponeerd dat ook kwantitatief meetbaar is.
Vraag 5.e.
‘Social factors in the development of legal control, a case study of two Israeli settlements’ (twee kibboetzen in Israël) gebruik moet hebben gemaakt van kwalitatieve onderzoeksmethoden. Op een andere manier dan met behulp van participerende observatie en open interviews (kwalitatieve onderzoeksmethoden) had hij niet achter de werking van roddels, informele uitsluiting en sanctionering van regels, het belang van hoe woningen geplaatst zijn, het belang van gezamenlijke douches etc kunnen komen.