MC Vraag 1
Welke van de onderstaande stellingen over de prejudiciële procedure is juist?
I: Waar de uitlegging van Europees recht noodzakelijk is voor de oplossing van een geschil moeten alle nationale rechters een prejudiciële vraag stellen aan het Hof van Justitie.
II: Een nationale rechter hoeft geen prejudiciële vraag over de uitlegging van Europees recht te stellen, indien over het antwoord op deze vraag redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan.
Stelling I is juist, stelling II is onjuist.
Stelling I is onjuist, stelling II is juist.
Beide stellingen zijn juist.
Beide stellingen zijn onjuist.
MC Vraag 2
Welke van de onderstaande stellingen over de toepassing van artikel 101 VWEU is onjuist?
Nationale rechterlijke instanties zijn bevoegd om de artikelen 101(1) en 101(2) VWEU toe te passen, maar niet artikel 101(3) VWEU.
Indien de Commissie een procedure start die moet leiden tot de vaststelling van een inbreuk op artikel 101 VWEU zijn nationale mededingingsautoriteiten niet langer bevoegd om zelf artikel 101 VWEU toe te passen.
Een onderneming die partij is bij een kartel kan in aanmerking komen voor immuniteit tegen een boete, indien zij als eerste informatie en bewijsmateriaal verschaft die de Commissie in staat stelt een inbreuk op artikel 101 VWEU vast te stellen.
Een verticale overeenkomst valt onder de groepsvrijstelling in Verordening 330/2010 indien zowel de leverancier als de afnemer marktaandelen bezitten die niet meer bedragen dan 30%.
MC Vraag 3
Welke van deze voorwaarden is volgens het arrest Brasserie du Pêcheur niet vereist voor een recht op schadevergoeding ingevolge het Unierecht?
De geschonden rechtsregel strekt ertoe rechten toe te kennen aan particulieren.
De schending van het Unierecht is voldoende gekwalificeerd.
Er is een direct causaal verband tussen de schending en de door benadeelde personen geleden schade.
De persoon moet rechtstreeks en individueel geraakt zijn.
MC Vraag 4
Welke van de volgende stellingen over het vrij verkeer van goederen is juist?
I: In het arrest Cassis de Dijon introduceerde het Hof de ‘rule of reason’, op basis waarvan maatregelen van gelijke werking met onderscheid kunnen worden gerechtvaardigd door dwingende vereisten van algemeen belang.
II: In het arrest Keck heeft het Hof duidelijk gemaakt dat verkoopmodaliteiten buiten de reikwijdte van het verbod in artikel 34 VWEU kunnen vallen.
Stelling I is juist, stelling II is onjuist.
Stelling I is onjuist, stelling II is juist.
Beide stellingen zijn juist.
Beide stellingen zijn onjuist.
MC Vraag 5
Welke van de onderstaande stellingen betreffende het vrij verkeer van personen is juist:
De kinderen van een Duitser die werk komt zoeken in Nederland hebben direct recht op studiefinanciering.
De familieleden van de Spaanse Carlos, die zelf niet de nationaliteit van een lidstaat hebben, mogen niet meereizen wanneer Carlos een baan in België accepteert.
Een Belg die werk komt zoeken in Nederland moet direct aanspraak kunnen maken op sociale bijstand.
De minderjarige kinderen van een Italiaan die als werknemer naar Nederland komt, hebben direct recht op sociale bijstand.
MC Vraag 6
Welke van de onderstaande voorwaarden behoort niet tot de Altmark-criteria?
De vergoeding moet kostendekkend zijn, met enkel een redelijke winst.
De dienst mag alleen worden toegewezen aan ondernemingen die fundamenteel gezond zijn.
De onderneming moet daadwerkelijk belast zijn met een dienst van algemeen economisch belang.
De financiële compensatie mag alleen geschieden op basis van vooraf kenbare, objectieve en transparante parameters.
MC Vraag 7
In Ker-Optika was het verbieden van de verkoop van lenzen via internet:
Een verkoopmodaliteit die niet aan de Keck-eisen voldeed, en ook niet gerechtvaardigd kon worden op basis van de volksgezondheid.
Een verkoopmodaliteit die niet aan de Keck-eisen voldeed, maar wel kon worden gerechtvaardigd onder de Rule of Reason.
Een verkoopmodaliteit in de zin van Keck die daarmee niet onder het verbod van art. 34 VWEU viel.
Een producteis die daardoor niet onder de Keck-exceptie viel, en ook niet gerechtvaardigd kon worden.
De Grieks-Turkse Platos Aristotolos werkt nu al een aantal jaar als filosoof in Manchester. Hoewel Platos het prima naar zijn zin heeft in het koude Verenigd Koninkrijk, draagt hij zowel zijn beide thuislanden als de EU een zeer warm hart toe. Wanneer hij derhalve in de krant leest dat de Europese Unie de Nobelprijs voor de Vrede heeft ontvangen, twijfelt hij niet en springt hij meteen in zijn auto: op naar Oslo! Na het Kanaal over te zijn gestoken, realiseert Platos zich tot zijn grote schrik dat hij zijn ouzo, een onmisbare Griekse drank voor onderweg, in Manchester is vergeten. Geen probleem, denkt Platos, en hij gaat op zoek naar een supermarkt in Antwerpen. Tot zijn grote ontsteltenis zijn alle supermarkten echter gesloten. De Belgische Winkeltijdenwet bepaalt namelijk dat alle supermarkten op donderdag na 15.00 moeten sluiten. Platos is furieus! ‘Dit kan toch niet?’ In Manchester zijn alle winkels 24/7 open.
Open Vraag 1
Is deze provisie van de Belgische Winkeltijdenwet in strijd met Europees recht? Motiveer uw antwoord.
Platos laat zich door deze tegenslag niet kisten; hij moet en zal naar Oslo. Terwijl hij, op doorreis naar Noorwegen, Zweden binnenrijdt, merkt hij echter dat zowel zijn benzine als zijn geld op zijn. Platos besluit het eerste het beste snackbar in te lopen om zich aan te bieden als bediende. Het Zweedse wegrestaurant in kwestie weigert Platos echter aan te nemen, aangezien hij niet in het bezit is van het Zweedse ‘bediendediploma’ dat volgens de directeur garantie biedt voor kwaliteit. Platos is woest: hij kan toch zeker wel tafels afruimen? Als filosoof heeft hij nota bene al heel wat in de bediening gewerkt in verschillende lidstaten voor hij zijn baan in Manchester had gevonden.
Open Vraag 2
Zijn de door de directeur van het Zweedse wegrestaurant gestelde eisen in lijn met Europees recht?
Platos is moedeloos, ‘dit is verschrikkelijk!’ Terwijl hij bij de pakken neer gaat zitten aan een picknicktafel op de snelwegparking, komt daar uit de bossen een vrouw, zo schoon dat zelfs de mooiste dichten van Homerus aan haar betoverende pracht geen recht zouden kunnen doen. De magie is wederzijds: de Azerbeidjaanse Alexandra en Platos besluiten direct te trouwen. Platos wil zijn nieuwe echtgenote zo snel mogelijk mee terug naar Manchester nemen om daar samen een nieuw leven te beginnen. De Britse grensautoriteiten denken daar echter anders over: Alexandra is geen Unieburger en heeft zodoende geen verblijfsrecht in het Verenigd Koninkrijk. Platos huurt meteen een advocaat in die gespecialiseerd is op het gebied van het Europees recht.
Open Vraag 3
Wat zal deze advocaat volgens u aan Platos moeten adviseren?
Vraag 1 B
Vraag 2 A
Vraag 3 D
Vraag 4 B
Vraag 5 D
Vraag 6 B
Vraag 7 A
Casus I
Open vraag 1
Bij het oplossen van deze casus dienen studenten achtereenvolgens de volgende stappen te zetten:
Studenten dienen allereerst tot de conclusie te komen dat de casus een grensoverschrijdend element bevat en niet volledig intern van aard is. Belgische supermarkten kunnen namelijk hun goederen niet verkopen aan consumenten uit andere EU-lidstaten. Ook kunnen goederen uit andere EU-lidstaten die in Belgische supermarkten worden aangeboden, niet worden verkocht.
Vervolgens dienen studenten op te merken dat er in casu geen sprake is van harmonisatie, of dat harmonisatie in ieder geval niet gegeven is. Bijgevolg moeten de verdragsregels worden toegepast.
Studenten dienen vervolgens aan te geven dat het in casu gaat om het vrij verkeer van goederen. Er is sprake van een niet-financiële belemmering, meer in het bijzonder hebben we hier te maken met een verkoopmodaliteit (0,25pt). De maatregel heeft immers betrekking op de vraag ‘waar’ en vooral ‘wanneer’ supermarktgoederen, in het bijzonder ouzo, mogen worden verkocht. (0,25 pt) In het Keck-arrest (0,25 pt) heeft het Hof van Justitie bepaald dat verkoopmodaliteiten niet onder de reikwijdte van artikel 34 VWEU vallen indien deze regels van toepassing zijn op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien (0,25 pt) en indien zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed hebben op de verhandeling van nationale producten en op die van producten uit andere lidstaten.
Studenten dienen deze twee condities vervolgens toe te passen op de casus:
De Belgische Winkeltijdenwet is van toepassing op alle (zowel Belgische als niet-Belgische) marktdeelnemers (handelaren en consumenten) die op het Belgisch grondgebied supermarktactiviteiten ontplooien.
Het Belgische verbod voor supermarkten om op donderdag na 15.00 geopend te zijn heeft zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed op de verhandeling van nationale producten en op die van producten uit andere lidstaten.
Het heeft rechtens dezelfde invloed, aangezien de Belgische Winkeltijdenwet niet discrimineert tussen Belgische en niet Belgische winkels, noch tussen Belgische en niet-Belgische supermarktproducten.
Het heeft feitelijk dezelfde invloed, aangezien de verkoop van zowel Belgische als niet-Belgische supermarktproducten (in het bijzonder ouzo) even hard getroffen wordt door de Belgische Winkeltijdenwet. Het is namelijk niet zo dat de verkoop van ouzo in supermarkten “marktdeelnemers uit andere lidstaten een bijzonder doeltreffende modaliteit voor de verkoop van [ouzo] ontzegt en de toegang van laatstgenoemden tot de [Belgische] markt aanzienlijk hindert”, zoals wellicht voor bepaalde categorieën goederen het geval is bij internetverkoop (Ker Optika).
Conclusie
Aangezien aan de twee cumulatieve condities uit het Keck-arrest is voldaan, kan worden geconcludeerd dat er in casu sprake is van een verkoopmodaliteit die buiten de toepassing van artikel 34 VWEU valt en die verenigbaar is met het vrije verkeer van goederen.
Open vraag 2
Bij het oplossen van deze casus dienen studenten achtereenvolgens de volgende stappen te zetten:
Studenten dienen allereerst tot de conclusie te komen dat de casus een grensoverschrijdend element bevat en niet volledig intern van aard is. De Griekse Platos wil namelijk in een Zweedse snackbar aan de slag.
Vervolgens dienen studenten op te merken dat er in casu wel sprake is van harmonisatie. Het vrije verkeer van werknemers is namelijk geharmoniseerd door Verordening 492/2011. Studenten kunnen echter ook de verdragsregels inzake het vrij verkeer van personen toepassen, artikel 45 VWEU.
Vervolgens dienen studenten het schema mbt het vrij verkeer van werknemers toe te passen.
Allereerst dienen studenten te verwijzen naar de definitie van ‘werknemer’ zoals deze is gegeven in het Trojani-arrest (of het –niet voorgeschreven- Lawrie Blum–arrest):
„Werknemer" is eenieder die reële en daadwerkelijke arbeid verricht, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig zijn. Volgens deze rechtspraak is het kenmerk van de arbeidsverhouding, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties verricht tegen beloning.
Studenten dienen bovenstaande criteria op Platos toe te passen en te concluderen dat Platos een werknemer is in de zin van het Unierecht.
Het ‘Zweedse bediendediploma’, dat het wegrestaurant vereist voor Platos om als bediende aan de slag te gaan, is een vorm van indirecte discriminatie en kan worden gekwalificeerd als een maatregel zonder onderscheid. Dit omdat de maatregel in beginsel geen onderscheid lijkt te maken tussen Zweedse en niet-Zweedse Unieburgers: iedereen, ongeacht de nationaliteit, met een Zweeds bediendediploma kan in het wegrestaurant aan de slag. De maatregel is echter indirect discriminerend, aangezien het voor Zweedse staatsburgers in de praktijk veel makkelijker zal zijn om dit Zweedse bediendediploma te halen dan voor niet-Zweedse staatsburgers. Ook verzet het vrije verkeer van werknemers zich ertegen dat vaardigheden worden bewezen door middel van één enkel diploma dat in één enkele lidstaat kan worden behaald (Angonese).
Bovendien heeft het Hof van Justitie in het arrest Vlassopoulou bepaald dat lidstaten:
“rekening moeten houden met de diploma's, certificaten en andere titels die [Unieburgers] met het oog op de uitoefening van hetzelfde beroep in een andere lidstaat hebben verworven, door de uit die diploma's blijkende bekwaamheden te vergelijken met de in de nationale regeling verlangde kennis en ervaring.
Wanneer dit vergelijkend onderzoek van de diploma's tot de conclusie leidt, dat de uit het buitenlandse diploma blijkende kennis en bekwaamheden overeenkomen met de in de nationale wettelijke regeling gestelde eisen, moet de lidstaat erkennen, dat dit diploma aan de in de nationale regeling gestelde voorwaarden voldoet.
Enkel wanneer blijkt, dat deze kennis en bekwaamheden slechts gedeeltelijk overeenkomen, mag het gastland van de betrokkene het bewijs verlangen, dat hij de ontbrekende kennis en bekwaamheden heeft verworven.”
Toepassing van het Vlassopoulou-arrest op de casus:
De Zweedse snackbar dient rekening te houden met de door Platos in andere lidstaten reeds verworven bedieningskennis. Uit de casus blijkt dat Platos “al heel wat in de bediening heeft gewerkt in verschillende lidstaten”. Dit wijst erop dat Platos waarschijnlijk over voldoende bedieningskennis beschikt om voor de Zweedse snackbar te werken. De snackbar dient hier rekening mee te houden. Enkel indien er bedieningsvaardigheden zijn waarover Platos nog niet beschikt, kan de snackbar van Platos eisen dat hij de ontbrekende vaardigheden verwerft. Hier is in de casus geen indicatie voor.
De Zweedse maatregel kan tevens niet gerechtvaardigd worden door één van de verdragsgronden van Artikel 45(3) of door de Rule of Reason en is niet proportioneel (niet geschikt en niet noodzakelijk).
Het door de Zweedse snackbar vereiste bedieningsdiploma is derhalve in strijd met het Unierecht, dat elke vorm van discriminatie op grond van nationaliteit tussen werknemers van de lidstaten verbiedt (zie artikel 7(1) van Vo. 492/2011 alsook artikel 45(2) VWEU).
Open vraag 3
Platos is, als Grieks staatsburger, een Unieburger (zie artikel 20(1) VWEU en artikel 2(1) van Richtlijn 2004/38). Hij heeft, door te werken in het Verenigd Koninkrijk, gebruik gemaakt van zijn rechten van vrij verkeer. Dit maakt dat Richtlijn 2004/38 op Platos van toepassing is (artikel 1(a) Richtlijn).
Als Unieburger en tevens werknemer heeft Platos zelf een verblijfsrecht voor langer dan drie maanden in het Verenigd Koninkrijk (artikel 7(1)(a) Richtlijn). (Hij woont er volgens de casus al een aantal jaar, hetgeen zelfs kan wijzen op een permanent verblijfsrecht, artikel 16(1) Richtlijn).
De Azerbeidjaanse Alexandra (niet-Unieburger) is ‘familielid’ (‘echtgenote’) van Platos in de zin van Richtlijn 2004/38 (zie artikel 2(2)(a)).
Zij heeft, krachtens artikel 7(1)(a) jo. 7(2) van Richtlijn 2004/38 een afgeleid verblijfsrecht voor langer dan 3 maanden in het Verenigd Koninkrijk.
Het advies van studenten aan Platos dient dan ook te luiden dat hij zijn vrouw Alexandra mee terug naar het Verenigd Koninkrijk kan nemen. Zij heeft daar een afgeleid verblijfsrecht voor langer dan 3 maanden. De stelling van de Britse grensautoriteiten is derhalve onjuist.