Hoorcollege 5 Veelplegers
Patronen bij de werker, de jongeren en gezinnen met persoonlijkheidsproblematiek
Bestaande protocollen werken niet bij deze doelgroep. Ze hebben een dynamiek waardoor ze zowel zichzelf als anderen niet vertrouwen. Je moet dus eerst zorgen dat ze voldoende in zichzelf en in jou hebben, en weer hoop dat ze er in de wereld toe doen. Je moet een weg vinden in het veilig maken van de werkrelatie. Moeilijkheden:
Brug naar de ander toe zodat hij wat wil doen.
Zelf niet altijd weten wat je moet doen en hoe je verder moet.
Freud
Rogers: zelfverwezenlijking
In ieder mens zit een drive om zich te verwezenlijken, om iets van je leven te maken.
Dit idee maakt het zinvol om met veelplegers aan de slag te gaan.
Niet praten over criminaliteit, maar juist over de dingen die hij wil bereiken.
Gedragstherapie
Rol van de omgeving en wetenschappelijke invalshoek
Wat is de rol van ouders om gedrag van kinderen mogelijk te maken?
Klopt de hypothese wel en toets ik die goed? Niet alleen van je gevoel uitgaan.
Systemische benadering
Kinderen blijven vaak loyaal aan ouders. Je kan juist verandering bereiken door in te grijpen in het gezin.
Van binnenuit de groep (ook vanuit gangs) vragen om hulp om de jongere niet weer de fout in te laten gaan. Dit gebeurt zelden, maar zelfs foute vrienden kunnen een jongere helpen om eruit te komen.
Wat weten we?
Kazdin (1997): voldoende intensief, langdurig en uitval voorkomen. Van de ene naar de andere hulpverlener > moedeloosheid bij jongeren (‘ik ben zo’n mislukt geval dat zelfs jij niet weet wat je met me aan moet’.)
RNR: zou met deze groep het RRN-model moeten zijn. Het starten bij responsivity is zeker ambulant de enige kans op verandering. Natuurlijk moet je wel ook inschatten wat het risico is, maar responsivity is essentieel om te kunnen werken.
Hele groep heeft hoog risico, moeilijk te voorspellen op 16- en 17-jarige leeftijd wie zal stoppen en wie niet. De factoren die spelen hebben niet alleen met jongere zelf te maken, maar ook met toeval.
Waarom is behandeling zo lastig bij deze doelgroep?
Empathie: jongere kan dus ook niet inschatten waar jij als behandelaar vandaan komt.
Gevoel differentiëren: jongere heeft geen idee wat hij wil, weet niet wat hij voelt. Dit is meestal geen afweer, maar weten ze het echt niet.
Reguleren van gevoel: agressie is hoofdreden voor verwijzing
Beperkte sociale vaardigheden: ook al zouden ze wel wat willen, dan nog zijn ze vaak heel onhandig.
Het grootste deel doet ‘ontwijken’. Zorgen dat niet alles weer opgerakeld wordt, zodat je zo goed als mogelijk in het hier en nu kan leven.
Sommigen gaan het overschreeuwen: minderwaardigheidsgevoel omzetten in een muur en zorgen dat ze de wereld gaan bepalen en regie hebben over situaties.
Onmacht of onwil
Voor instanties is de combinatie van onmacht en onwil uiterst lastig. Zekers als zij in het begin doen alsof zij meewerken...
Voor de werker speelt intern vaak het parallelle proces: van meevoelen, tot onmacht en irritatie.
Vaak veel schade in de eerste jaren van de opvoeding > grote kwetsbaarheid. In te delen in vijf domeinen, hier dien je rekening mee te houden in de interactie:
Schemadomeinen
Voor ouders lastig om kind goed te begeleiden naar juiste mate van autonomie (zindelijkheid, vriendjes maken). Deze kinderen gaan heel vaak onderuit in dit proces. Kinderen hebben bedacht dat ze niemand meer om hulp te vragen > versterkte autonomie: niet om hulp vragen. Want: hulp is te hardhandig, heeft geen zin o.i.d.
Als therapeut moet je altijd compenseren voor de behoefte van de mate van autonomie van de jongere. Behoefte aan autonomie is groot > therapeut mag het nooit overnemen.
Deze ouders, door het temperamentvolle van de kinderen, niet goed grenzen hebben aangegeven > jongeren hebben moeite met emotie-regulatie.
Jongeren aanleren hoe ze met emoties kunnen omgaan.
Veilige gehechtheid > goede begeleiding, zelf dingen doen > ontdekken wie je zelf bent, identiteit ontwikkelen.
Jongeren krijgen niet de tijd om met zichzelf bezig te zijn > jongeren weten niet wie ze zijn en wat ze willen.
Heeft te maken met wat jouw gezin/cultuur aan je meegeeft. Bijv. Meegegeven dat er veel onveiligheid is > zorg dat je je emoties niet laat zien, wees altijd alert > gezin ziet dit als noodzakelijk om te overleven in de wereld. Mensen zouden misbruik maken van je kwetsbaarheid, dus wees krachtig.
Dit kan een logische tip zijn: bijvoorbeeld mensen die uit oorlogsgebied komen. Maar: in praktijk werkt het niet (bijv. Geen hulp durven vragen in de klas o.i.d.). Kinderen durven niet te zeggen wat er aan de hand is thuis en vragen niet om hulp > zorgt voor rem op groei.
Het is geen onwil, maar een boodschap die de jongere van thuis meekrijgt.
Onverbondenheid en afwijzing (Young)
Ouders moeten zien waar het kind behoefte aan heeft. Gebeurt dit niet? > ‘ik mag niet zijn wie ik ben’.
Of: je mag alles, er zijn geen grenzen > ook in de buitenwereld denk je alles te mogen.
Motiverende gespreksvoering (Miller):
Schema's therapeut
Naar binnen toe gaan, terwijl cliënten juist nodig hebben dat je naar buiten toe gaat. Niet te veel aan jezelf twijfelen, maar regie oppakken. Maar: ook niet te narcistisch > dan wordt het een strijd.
Modi: toestandsbeeld
Emotie, cognitie en gedrag
Bestraffende kant: soms stem ouders
Onhechte vermijder: niets willen voelen
Boze vermijder: de ander op afstand houden
Zelfsusser: drugs/verslaving/drukte/gamen
Overcompenseren: zelfverheerlijker, pesten/aanvallen, manipuleren/liegen, roofdier
Belangrijk om bestraffende kant tot rust te brengen, maar ook kind modi: aandacht aan geven.
Responsivity
Aansluiten bij copingstijl/hechtingsrepresentatie van de jongere
Zoeken naar motivatie bij de jongere, het ‘raken’ van de jonger: bijvoorbeeld het vergroten van betrokkenheid bij zijn gezin/vriendin, het vergroten van zijn passie voor: school/werk/sport/muziek/autonomie, etc.
Al met al aspecten die dicht bij de jongere staan, maar weg van zijn criminele identiteit.
Langdurige behandeling
Start therapie bij grensoverschrijdend gedrag
Op inhoudsniveau aansluiten, begripvol
Op betrekkingsniveau (meta-niveau) aansluiten: coping benoemen, er ‘onder gaan zitten’, jezelf kwetsbaar opstellen
Patronen werker
Bij cluster B te laat op grensoverschrijdingen reageren vanuit zelfopoffering, werkrelatie blijft kwetsbaar door spanning werker.
Hoge eisen werker: te lang bouwen aan werkrelatie terwijl gedragsverandering kan worden ingezet.
Empathie van werker (systeem kenmerkt zich door onmacht) kan empathische confrontatie blokkeren, soms vervloeit de werker met cliënt/systeem.
Irritatie van werker (systeem kenmerkt zich door onwil) zorgt voor vermijding van werker, confrontatie bij narcisme.
Schema's hoge eisen en mislukken: versterken proces vast te willen houden aan richtlijnen/protocol en belemmeren daarbij het gevoel/intuïtie te integreren in handelen, bij cluster B extra moeilijk.
Bij integratie is er meer ‘echtheid en transparantie’ van de werker, waardoor de cliënt/systeem de werker kan ‘lezen’ en de interventies meer impact hebben.
Interventies op meta-niveau (dus persoonlijk) versnellen de werkrelatie, dus ook de veiligheid (ook t.a.v. grenzen).