Hoe voer je een gesprek met kinderen? - Chapter 3

Het is niet eenvoudig om een gesprek met een kind te voeren rond een specifiek onderwerp. Dat geldt vooral wanneer het een moeilijk of pijnlijk onderwerp betreft of wanneer we iets willen bereiken met het gesprek. Contacten tussen leerkracht en kind blijken vaak regel-dingen te zijn, en geen werkelijke gesprekken. Wanneer verslagen van interviews met kinderen door volwassenen bekeken worden, blijkt dat het grootste aantal verbale uitingen door de volwassene wordt gedaan. Kinderen gebruiken relatief weinig woorden en zeggen niet veel. Ze komen zelfs zelden op dreef bij het vertellen, terwijl ze dat in andere situaties goed afgaat. Hoe jonger het kind, hoe groter dit probleem blijkt te zijn.

 

Hoe voer je een gesprek met kinderen?

Gespreksvoering betekent tweerichtingsverkeer. Tussen kinderen en volwassenen bestaat echter een machtsverschil dat van belang is. Dat maakt het moeilijk om niet in eenrichtingsverkeer te vervallen. Een gesprek kan daardoor gesloten worden. Dat betekent dat het scala aan onderwerpen en uitingen beperkt is. De belangen van volwassenen en kinderen zijn bovendien vaak ongelijk in een gesprek. Daarom vergt het speciale aandacht om de gespreksvoering open te houden. Dit betekent dat het scala aan onderwerpen en uitingen min of meer onbeperkt is. De sociale code eist dat een gesprek normaliter enkel over één onderwerp en niet over een onbeperkt aantal onderwerpen, daardoor is een open gespreksvoering voor volwassenen vaak moeilijker. Pas vanaf ongeveer veertien jaar beginnen kinderen deze code te begrijpen. Voor die leeftijd springen kinderen echter nog van de hak op de tak.

Kinderen stellen vaak meer vragen als leerkrachten het leren als samenwerken zien. Aangezien de belevingswereld van kinderen anders is dan die van volwassenen, wordt in de gespreksvoering met jonge kinderen een groot beroep gedaan op het empathisch vermogen van de volwassene:. Mensen vallen gemakkelijk in de valkuil van het invullen van andermans gevoelens. Dit gebeurt met name bij kinderen en bij mensen die weinig verbaal zijn. Invullen houdt echter iets anders in dan aanvoelen. Als we volwassen worden, vergeten we voor een belangrijk deel wat het betekent om kind te zijn en begrijpen we vaak niet zoveel van wat er in een kind omgaat. Bij gebrek aan beter gaan we vervolgens invullen wat er in het kind omgaat. Omdat we dat niet altijd goed doen, is het resultaat vaak dat een kind zich niet begrepen voelt. De motivatie voor het gesprek met de volwassene neemt dan af. Aangezien het kind minder geneigd is zijn gevoelens hierover te communiceren, krijgen we als volwassene niet vaak te horen dat onze invulling onjuist is. Een kind is namelijk minder geneigd een volwassene te vertellen dat de invulling van de volwassene onjuist is. In een dergelijke situatie gaan we voorbij aan wat het kind ons wilde vertellen.

Invullen kan op diverse manieren, zowel verbaal als non-verbaal. Door via de ik-persoon te spreken, voorkomt men generalisatie. Het praten vanuit de ik-persoon maakt duidelijk dat het om een persoonlijke mening gaat en dat andere meningen ook mogelijk zijn. Gesloten vragen zijn vragen met een beperkt aantal mogelijkheden tot antwoord. Dit zijn vragen die kort beantwoord kunnen worden, vaak met een woord. Invullen kan echter ook bevorderend werken voor het gesprek. Wanneer het kind zich erdoor gesteund en begrepen voelt, kan invullen bevorderend werken. Het kind ervaart dan namelijk dat er aandacht voor hem of haar is en dat er over hem of haar wordt nagedacht. Een voorwaarde is dan wel dat de spreker zeker moet zijn van datgene dat ingevuld wordt.

Hetzelfde probleem doet zich voor bij suggestieve vragen. Suggestieve vragen geven een invulling zonder dat de toetsing van de uitspraak ter discussie staat. Kinderen blijken gevoelig te zijn voor suggestie van volwassenen. Het is duidelijk dat sociale aanpassing en het niet ter discussie stellen van de volwassene hierbij een rol speelt. Daaruit blijkt dat men voorzichtig moet omgaan met suggestieve vragen bij kinderen. Suggestie kan echter helpen in de gespreksvoering op voorwaarde dat de suggestie nauw aansluit bij wat er in het kind omgaat. Bij open gespreksvoering gaat het om aan te sluiten bij het kind en niet het eigen denken aan het kind op te leggen. De meeste mensen zijn niet bewust bezig om hun eigen denken op te leggen aan het kind, maar het gebeurt onbewust toch vaak. Invullen wordt door volwassenen vaak gebruikt om het tempo van het gesprek op te voeren. Door de tempoversnelling krijgt het kind indirect de boodschap dat het aan een eis van snelheid moet voldoen. Volwassenen geven het kind dan vaak de indruk dat hun tijd kostbaarder is dan die van het kind. Als de volwassene het eigen denken oplegt aan een kind, kan het kind zijn of haar verhaal niet kwijt. Het kind kan daardoor gedemotiveerd raken voor het gesprek en de volwassene krijgt dan niet de noodzakelijke informatie. Om deze reden is het belangrijk om stil te staan bij de manier waarop je aansluit bij een kind, hoe je een kind motiveert tot communicatie en tot het geven van informatie, en hoe je omstandigheden creëert waarbinnen gespreksvoering met een kind optimaal kan zijn.

Kwaliteit van een gesprek: Wat houdt een goed gesprek in?

Wat een goed, open gesprek is, wordt mede bepaald door een aantal basale kenmerken:

  • Een goed gesprek betekent dat de gesprekspartners zich prettig voelen en dat de wederzijdse doelen enigszins zijn bereikt of dat er overeenstemming is over het niet bereiken van het doel.

  • Een open gesprek betekent dat het kind zijn of haar eigen mening en gevoelens kan vertellen, zonder dat het kind geleid of misleid wordt door de volwassene.

  • Een goed interview betekent dat het kind zelf informatie geeft en niet dat informatie aan hem of haar onttrokken wordt.

  • Een goed hulpverleningsgesprek betekent dat het kind zich gehoord voelt en hulp heeft gekregen die bij hem of haar aansluit.

  • Een goed gesprek omvat warmte, respect en belangstelling. Non-verbale aspecten, zoals bemoedigend knikken, blijken hierbij een belangrijke rol te spelen.

  • Een gesprek kan als goed ervaren worden als er respect en warmte is, terwijl er toch uiterst onprettige dingen besproken kunnen worden. Het onprettige zit namelijk niet in het onderwerp, maar in de manier waarop de gesprekspartners elkaar behandelen.

Belangrijke begrippen in de communicatie zijn warmte, respect, acceptatie, actief luisteren en echtheid. De belangrijkste gedragsregels voor aanmoedigend luisteren zijn de volgende: Het verhaal niet onderbreken, aanmoedigende woorden en gebaren gebruiken om het verhaal gaande te houden, de ander aankijken onder het praten en zelf pas iets zeggen als de ander uitgesproken is. Echtheid is een centraal gegeven, aangezien begrip een onderdeel van warmte is dat er alleen kan zijn wanneer het gebaseerd is op echtheid. Respect hangt vaak samen met een positief gebruik van macht. De afstand in macht tussen mensen is voor verschillende culturen onderzocht. In Nederland blijkt deze afstand beduidend kleiner te zijn dan voor de mensen met allochtone culturen die hier wonen.

Spelen met jonge kinderen is een goede mogelijkheid om een prettige sfeer te garanderen voor het kind. Ook humor is een krachtig middel om spanning te doorbreken. Het maken van grapjes kan namelijk een ongemakkelijke situatie oplossen.

Van belang voor alle communicatie is de non-verbale communicatie. Emoties kunnen namelijk door non-verbale activiteiten beter uitgedrukt worden dan door verbale. Zonder dat men zich daarvan bewust is, stuurt de non-verbale communicatie voor een belangrijk deel het gesprek. Voor jonge kinderen, die minder verbaal zijn ingesteld en het uitdrukken van gedachten en gevoelens nog niet zo sterk beheersen, is het belangrijk dat ze zich non-verbaal kunnen uitdrukken, niet enkel in lichaamstaal, maar bijvoorbeeld ook door middel van voorwerpen of tekeningen. Voor kinderen is het communiceren via voorwerpen of tekeningen normaal. Kinderen drukken zich vaak beter uit in tekeningen dan via woorden. Voor volwassenen ligt dat echter anders. Volwassenen voelen zich daar juist ongemakkelijk bij. Bij doven is non-verbale informatie het fundament van hun communicatie. Gezichtsuitdrukkingen vormen een onderdeel van de grammatica van de gebarentaal. Dit is echter niet hetzelfde als non-verbale communicatie. Het non-verbale is namelijk geen rechtstreekse weergave van de gevoelswereld, maar het bestaat uit vastgestelde gezichtsuitdrukkingen.

Aan welke communicatievoorwaarden voldoet een goed gesprek met kinderen zich?

Communicatievoorwaarden voor een goed interview of gesprek, zowel met jonge kinderen als met oude kinderen en volwassenen zijn:

  • Ga op dezelfde hoogte zitten als het kind. Iemand die groter is of hoger zit, zal namelijk eerder een leidende rol nemen in het gesprek. Diegene zal eerder de spreker zijn en eerder de verantwoordelijkheid voor het gesprek nemen. Iemand die kleiner is, zal echter vaker de luisteraar zijn en zich eerder afhankelijk opstellen in een gesprek. In een gesprek tussen een volwassene en een kind kan dit lengteverschil dus al invloed hebben op de wijze waarop een gesprek gevoerd zal worden. Willen we als volwassenen dat een kind naar ons luistert, dan kunnen we beter blijven staan. Wanneer we echter willen uitwisselen, dan zullen we ons op gelijke hoogte moeten begeven door bijvoorbeeld te hurken of te zitten. Op gelijke (oog)hoogte zitten, stimuleert een gelijkwaardige uitwisseling.

  • Kijk naar een kind terwijl je spreekt. Met name voor jonge kinderen is non-verbale communicatie belangrijk. Kijk daarom altijd naar een kind om te zien wat er in het kind omgaat. Non-verbale signalen zijn belangrijk om de motivatie voor een gesprek te signaleren. Kenmerken van een goede motivatie zijn: Een luisterende houding, lichaamshouding meer rechtop, vrolijk alerte blik en houding, het lichaam naar de spreker gericht, geïnteresseerde blik en gretigheid om te spreken.

  • Wissel het wel en niet maken van oogcontact met een kind af terwijl je spreekt. Door middel van oogcontact wordt onderling contact gemaakt tussen kind en volwassene. Het aflezen van non-verbale communicatie gebeurt voor een groot deel in het lezen van de ogen. Het maken van oogcontact is wel belangrijk, maar niet altijd wenselijk. Bovendien kun je een kind niet dwingen om oogcontact te maken. Het kunnen lezen van ogen kan gebruikt worden om vertrouwen te stimuleren. Echtheid wordt ervaren doordat sprake is van overeenstemming tussen de verbale en non-verbale communicatie.

  • Stel het kind op zijn of haar gemak. Met gespreksvoering worden hier serieuze gesprekken bedoeld. Dit betekent echter niet dat de gesprekken niet op een vrolijke of luchtige manier gevoerd kunnen worden, maar wel dat ten minste één belangrijk onderwerp besproken wordt. Een serieus gesprek op initiatief van een volwassene betekent voor een kind vaak slecht nieuws: Op het matje worden geroepen of een pijnlijk bericht te horen krijgen. Kinderen voelen zich om deze reden vaak niet op hun gemak in dergelijke situaties. Wanneer sprake is van interviews, dan zal de volwassene vaak een onbekende of minder bekende zijn voor het kind. Het is van belang om het kind op zijn of haar gemak te stellen. Een vereiste daarvoor is om het doel van het gesprek duidelijk te maken, zodat het kind weet waar het aan toe is. Vervolgens zijn diverse mogelijkheden beschikbaar om het kind op zijn of haar gemak te stellen, afhankelijk van onder andere de leeftijd en de belangstelling van het kind. Het kind op zijn of haar gemak stellen kan door: Samen te gaan spelen, te tekenen, te praten over school, te praten over hobby’s en te praten over recente aangename ervaringen zoals een verjaardag. Daarnaast is meta-communicatie, communicatie over de communicatie, een goed middel om angst voor een gesprek weg te nemen en om contact te maken. Het is belangrijk dat een kind zich veilig voelt en gewaardeerd voelt.

  • Luister naar wat het kind zegt. Een volwassene heeft zijn of haar eigen onderwerp op de agenda staan als hij of zij een gesprek wil voeren met een kind. Wanneer er daadwerkelijk sprake wil zijn van een gesprek, zal de volwassene ook aandacht moeten hebben voor het verhaal van het kind. De motivatie van gesprekspartners voor het gesprek is niet altijd goed op elkaar afgestemd. Daarom moet er eerst aandacht besteed worden aan die afstemming. Wanneer dit niet gebeurt, dan zal het kind vaak via passief verzet afhaken. Dit passieve verzet kan zich uiten doordat:

  • Het kind doet alsof het de volwassene niet hoort (Oost-Indisch doof).

  • Het kind concentreert zich niet op het gesprek maar alleen op een andere activiteit.

  • Het kind neemt in het gesprek een afwachtende houding aan.

  • Het kind neemt niet actief deel aan het gesprek met de volwassene.

  • Het kind geeft kort en mat antwoord.

  • Het kind kijkt weg van de volwassene.

  • Het kind loopt weg van het gesprek met de volwassene.

Dergelijke gedragingen zijn niet uitsluitend een aanwijzing voor een gebrek aan motivatie voor het gesprek. Ze komen ook in andere situaties voor, bijvoorbeeld wanneer de aandacht te lang gespannen is geweest of wanneer het onderwerp te pijnlijk is voor het kind. Jonge kinderen zullen dan echter eerder actief pogingen gaan ondernemen om het gesprek te beëindigen door bijvoorbeeld weg te lopen, op een geheel ander onderwerp over te gaan of zich op een activiteit te richten.

  • Laat door middel van voorbeelden zien dat wat het kind zegt, effect heeft. Het proces van gespreksvoering is bij jonge kinderen nog niet zo duidelijk. Ze hebben om deze reden informatie nodig over het verloop van het gesprek en wat hun bijdrage daarin is. Hoe jonger het kind, des te minder het kind in de gaten heeft wat het effect op anderen is van wat ze zeggen en doen. Ze gaan er bovendien vaak als vanzelf vanuit dat het effect datgene is wat ze zelf bedenken. Ze bedenken vaak geen effect, want ze staan eenvoudigweg niet stil bij de gevolgen van hun gedrag. Daarom is het belangrijk kinderen te laten weten wat het effect is van wat ze zeggen.

  • Vertel het kind dat het je moet zeggen wat het vindt of wil, omdat je het niet weet als het kind je dat niet vertelt. Kinderen hebben namelijk vaak de indruk dat volwassenen almachtig en alwetend zijn. Ze denken dat volwassenen alles weten wat het kind denkt, wil en voelt. Vanuit het vooroordeel over de almachtige volwassene voelen kinderen nauwelijks de noodzaak om te communiceren wat ze willen. Voor een goede informatie-uitwisseling is het nodig dat het kind hoort dat de volwassene niet alles weet en de dingen juist graag wil horen van het kind.

  • Probeer spelen en praten te combineren. Jonge kinderen beschikken over veel meer energie dan volwassenen. Ook zijn ze beter in staat om verschillende activiteiten te combineren. Kinderen zijn zo energiek dat het soms onaangenaam kan zijn voor hen om te lang achter elkaar stil te moeten zitten voor een gesprek. Dit is zeker zo wanneer hun motivatie voor het gesprek te laag is of het gesprek met spanning gepaard gaat. Wanneer de motivatie van kinderen voor het gesprek hoog is, kunnen kinderen echter een hoge concentratie hebben. Volwassenen kunnen het lastig vinden om spelen en praten te combineren. Wanneer dit niet lukt, is het verstandig om dat te signaleren en hulp te vragen aan het kind. Deze interventie van hulp vragen aan het kind in metacommunicatie bevordert het gevoel van gemeenschappelijk bezig zijn in een gesprek. Het kan voor kinderen, zeker voor jonge kinderen, gunstig zijn om spelen en spreken te combineren, maar het kan ook een nadelige invloed hebben. Wanneer de activiteit de hoogste prioriteit heeft voor het kind, kan de mate waarin het kind zich op het gesprek concentreert, afnemen. Een kind kan zich afsluiten en zich volledig op de activiteit concentreren. Alles komt echter wel binnen en wordt geselecteerd op belang. Niet alles dringt echter op bewust niveau door in dergelijke situaties. Als het spreken niet de hoofdactiviteit is, maar het spelen, dan wordt de kans groter dat de selectie weinig doorlaat en het kind op bewust niveau doof lijkt. Het is dan dus zaak om de activiteit niet zo belangrijk te maken of zo interessant dat andere dingen daarvan verliezen. Wanneer dit echter wel het geval is, moet het praten gedoseerd worden en verschoven naar momenten dat het belang van de activiteit afneemt.

  • Geef aan dat je het gesprek afbreekt en later zal voortzetten wanneer je merkt dat het kind afhaakt. Een kind kan een gesprek om diverse redenen afbreken. De volwassene interpreteert dit vaak als een gebrek aan belangstelling, maar voor het kind is dit vaak een noodzaak omdat het emotioneel genoeg heeft. Daarnaast kan voor jonge kinderen de spanningsboog op zijn en kan het zijn dat het kind het gesprek moet onderbreken of afbreken, zonder dat dit betekent dat het kind gebrek aan belangstelling voor het gesprek heeft. Het is belangrijk om dit te benoemen.

  • Wanneer je een moeilijk gesprek hebt gehad, zorg dan dat het kind daarna tot zichzelf kan komen. Wanneer een gesprek voor een volwassene moeilijk is, dan is dat in principe ook voor het kind zo. Net zo als de volwassene heeft het kind tijd nodig om tot zichzelf te komen. Dit betekent dat het kind de gelegenheid moet krijgen om stoom af te blazen. Voor kinderen betekent dit bijvoorbeeld spelen, met name fysieke inspanning. Zo raken kinderen ook de adrenaline kwijt die tijdens het moeilijke gesprek aangemaakt is.

Metacommunicatieve elementen zijn:

  • Maak het doel van het gesprek duidelijk. Dit is belangrijk, ook tussendoor, als de vragensteller vindt dat een onderwerp voldoende uitgediept is en hij of zij een nieuw onderwerp aansnijdt.

  • Laat het kind weten wat je intenties zijn. Naast algemene doelen zijn er namelijk ook subdoelen, persoonlijke intenties en emotionele intenties. Een voorbeeld van een algemeen doel is het verkrijgen van informatie. Een voorbeeld van een persoonlijk doel is de behoefte om als interviewer gewaardeerd te worden door het kind waarmee het gesprek gevoerd wordt. Je bewustzijn van deze verschillende doelen met hun belangen kan het proces gespreksvoering bevorderen.

  • Laat het kind weten dat je feedback nodig hebt. Kinderen zijn namelijk minder geneigd om feedback te geven aan volwassenen. Dit wordt met name door twee factoren veroorzaakt. Ten eerste kennen ze de regels die aan gespreksvoering ten grondslag liggen nog onvoldoende om de noodzaak van de feedback te begrijpen. Ten tweede zien ze de volwassene als almachtig en staan ze er niet bij stil dat hij of zij feedback nodig zou hebben. Het is met name belangrijk om de almacht van de volwassene te relativeren wanneer je wilt uitwisselen, informatie wilt of hulp wilt bieden. Een volwassene kan een gesprek niet goed voeren zonder feedback te krijgen, en feedback kan zowel verbaal als non-verbaal zijn.

  • Laat het kind weten dat het mag zwijgen. Mensen vinden het namelijk vaak lastig als er een stilte valt in een gesprek, dus als de gesprekspartner stil valt. Mensen hebben dan de neiging om deze stiltes in te vullen. Zwijgen heeft echter vele betekenissen, en stiltes zijn zelfs noodzakelijk om het besprokene te kunnen verwerken.

  • Probeer te benoemen wat je voelt en volg wat je voelt. Wanneer je met een (moeilijk) gespreksonderwerp of met een spanningsvolle situatie te maken hebt, gaan je gedachten, ook als volwassene, makkelijk met je op de loop wanneer je onzeker bent. Onder deze onzekerheid zit echter vaak een intuïtie waardoor je wel aanvoelt wat er aan de hand is, maar daar nauwelijks op durft te vertrouwen. Je kunt fouten maken door op je intuïtie af te gaan, maar je loopt vaker het risico fouten te maken wanneer je niet je gevoel volgt dan wanneer je wel je gevoel volgt.

  • Nodig het kind uit zijn of haar mening te geven over het gesprek. Kinderen hebben een mening over het gesprek, net zo goed als volwassenen. De mening van een kind is waardevol en kan de volwassene inzicht geven in hoe het kind het gesprek beleeft. Het is dan wel nodig dat de vrager elk antwoord aankan, zowel een positieve als een negatieve mening.

  • Maak meta-communicatie een vast onderdeel van de communicatie. Metacommunicatie is namelijk een fundamenteel onderdeel van een goede en vruchtbare communicatie. Mensen blijken vaak moed nodig te hebben om te zeggen wat ze van een gesprek vinden. Het blijkt echter vaak enorm op te luchten en ruimte te scheppen om hun mening te uiten. Metacommunicatie is belangrijk omdat het mogelijk maakt om de gespreksgrond gezamenlijk te houden en misverstanden te voorkomen.

Welke deskundigheid wordt van de gesrpekspartners verwacht in de gespreksvoering met kinderen?

In veel situaties is sprake van een voortdurende wisseling van onderlinge deskundigheid. Het centrale doel van een interview vormt het verkrijgen van informatie. Dit betekent dus niet het uitwisselen, het geven van adviezen, aanwijzingen of het verlenen van hulp. Het hulpverleningsgesprek en het interview lijken fundamenteel te verschillen, maar er zijn ook belangrijke overeenkomsten tussen de gesprekken. Een goed hulpverleningsgesprek heeft de kenmerken van een interview in zich. Het verschil tussen de gesprekken lijkt dat de volwassene bij het interview met name op het verkrijgen van informatie van het kind uit is en bij hulpverlening met name op het geven van informatie aan het kind. In het interview wordt degene die bevraagd wordt als de deskundige gezien en bij de hulpverlening de hulpverlener. Dat laatste is een valkuil, aan gezien de hulpverlener die ervan uitgaat dat hij of zij zelf de deskundige is, en niet de cliënt, zelden effectieve hulp kan bieden. De hulpverlener is namelijk compleet afhankelijk van de informatie van de cliënt. Wanneer de hulpverlener de cliënt ziet als een ongelijkwaardige partner, dan zal de informatie nauwelijks naar waarde geschat kunnen worden. Hoe meer respect de hulpverlener voor de deskundigheid van de cliënt heeft, des te beter de hulpverlener informatie zal krijgen. De hulpverlener zal dan ook des te beter een instrument kunnen zijn in een verbetering van de situatie van de cliënt. De hulpverlener is dus deskundig op een algemeen niveau, en de cliënt op een specifiek niveau.

Gelegenheid bieden aan iemand om zijn of haar verhaal te vertellen, vormt een eerste hulp die verleend wordt. Het meelevend en belangstellend luisteren, geeft een tweede hulpinterventie die van belang is, namelijk: ‘Je bent de moeite waard om naar te luisteren’ en ‘Je verhaal is de moeite waard om naar te luisteren’. Het is zinnig om naar de deskundigheid van het kind te vragen, omdat het de leersituatie zal optimaliseren. In het adaptief onderwijs is daar wel meer ruimte voor dan in het klassieke klassikale onderwijs.

Wat is het gevaar van sociaal wenselijke antwoorden in de gespreksvoering met kinderen?

Een interviewer wil veel en de juiste informatie krijgen van een kind, maar wil ook als interviewer en als persoon gewaardeerd worden. Een kind dat geïnterviewd wordt, zal in principe willen voldoen aan de verwachting van de interviewer en wil een goede bevraagde zijn, maar het wil ook als kind gewaardeerd worden. Dit laatste element zorgt er daarmee voor dat een kind, maar ook een volwassene, de neiging heeft sociaal wenselijke antwoorden te geven in een dergelijke situatie. Dat betekent dat een kind die antwoorden geeft waarvan het denkt dat de interviewer ze wil horen. De bevraagde past zich dan aan de vrager aan. Dit geldt ook voor een hulpverleningssituatie: De cliënt past zich aan de hulpverlener aan. Het soort vragen beïnvloedt sociaal wenselijke antwoorden van het kind. Met name jonge kinderen zijn gemakkelijk te beïnvloeden door gesloten en suggestieve vragen door volwassenen. Vragen moeten dus zo open en neutraal mogelijk gesteld worden, zodat kinderen daar niet de mening of de verwachting van de ander uit kunnen afleiden. Bovendien is het goed om het kind te ondersteunen in uitlatingen die minder gemakkelijk zijn.

De kans op sociaal wenselijke antwoorden neemt af als:

  • Ieder antwoord welkom is.

  • Het antwoord geen rechtstreekse veroordeling hoeft in te houden van de direct betrokkenen.

  • Het niet meer direct over het kind zelf gaat.

  • Een ontkenning niet voor de hand ligt.

  • De vragen niet gesloten zijn.

Vertrouwen tussen de gesprekspartners is van belang, aangezien de kwaliteit van elk gesprek afhankelijk is van de mate van vertrouwen tussen de gesprekspartners.

Wat is het probleem van loyaliteit van kinderen?

Loyaliteit van kinderen ten opzichte van hun ouders, vormt een extra probleem in gespreksvoering met kinderen. Dit is met name zo wanneer het gevoelige onderwerpen betreft. Kinderen zijn in loyaliteit aan hun ouders gebonden. Dit is vanuit een diepgewortelde afhankelijkheid. Een kind zal altijd loyaal zijn aan zijn of haar ouders, zelfs wanneer het kind misbruikt of mishandeld wordt. Het zal vaak slechts tijdelijk zijn dat het kind de loyaliteit aan zijn of haar ouders verbreekt om aan de situatie te kunnen ontsnappen. Deze loyaliteit ten opzichte van ouders moet gerespecteerd worden, maar dat betekent niet dat niets negatiefs gezegd wordt over de ouders. Het betekent dat ondanks negatieve uitlatingen over de ouders, de ouders alsnog in hun waarde gelaten worden en er geen partijdigheid ontstaat. Een kind dat van een hulpverlener merkt dat deze het kind, maar ook de ouders, niet zal afvallen, zal veel meer blootgeven over de problemen met zijn of haar ouders dan een kind dat voelt dat zijn of haar ouders veroordeeld worden of goedgepraat. Een kind dat een volwassene tegenover zich heeft die niet één partij trekt, maar meervoudig partijdig is, zal zich vrijer voelen zich te uiten tegenover de volwassene.

Hoe moet je omgaan met de taalvaardigheid en geslotenheid van kinderen?

Het is vaak niet standaard om je gevoelens te kunnen herkennen en onder woorden te kunnen brengen. Een kind dat ‘gesloten’ is, kan willen zwijgen, maar kan ook moeite hebben om zich in woorden uit te drukken. Ruzies tussen jongens onderling verschillen van ruzies tussen meisjes onderling. Wanneer de gehele gebeurtenis verteld is, is de ruzie vanzelfsprekend opgelost. Bij meisjes wordt ook subtiel aan de veiligheid gewerkt en worden andere meisjes erbij betrokken om zichzelf hoger te stellen door de ander te laten steunen of lager te stellen. De rangorde wordt dan subtiel bewerkt en dat maakt het zo ondoorzichtig. Het meisje moet echter wel, aangezien een ruzie in de ogen van de volwassene niet goed is, en daarmee brengt het meisje haar veiligheid bij de volwassene in gevaar.

Hoe ontwikkelt de relatie met kinderen zich gedurende de gespreksvoering?

Ook wanneer de bevraagde en de vrager onbekenden voor elkaar zijn, vormt zich al snel een relatie. Binnen die relatie spelen de ervaringen van elke partner met vorige relaties mee. Basaal zijn daarbij de relaties met de eigen ouders. In een relatie draag je deze ervaring over op de ander. In gesprekken van volwassenen met kinderen zal een overdracht daarom al snel de kleur hebben van een ouder-kind relatie. Je kunt door je houding deze overdracht al oproepen. Een autoritaire houding zal al snel de ouder-kind relatie bij kinderen oproepen. Dit geldt ook voor een strenge of neerbuigende toon. Wanneer je gelijkwaardigheid wil, moet een overdracht zoveel mogelijk voorkomen worden. Een oprechte en tevens belangstellende houding en het aanvaarden van de deskundigheid van het kind is een goed tegengif tegen deze overdracht. Bovendien kan de vrager zelf in een tegenoverdracht terechtkomen ten opzichten van de bevraagde. Dit is het psychologische antwoord op de overdracht. Een voorbeeld is dat een kind kritiek uit op de groepsleider en de vrager meteen probeert in zijn of haar gedrag die kritiek van het kind te voorkomen.

Volwassenen schatten de capaciteit van kinderen tot spreken over emotionele onderwerpen vaak te laag in. Dit blijkt samen te hangen met hun eigen moeite om over pijnlijke onderwerpen te praten. Volwassenen projecteren dan hun eigen moeite op het kind.

Communiceren betekent dat sprake is van contact. Communiceren heeft altijd te maken met contact en goed communiceren hangt samen met een goed contact. Met behulp van metacommunicatie kan de motivatie voor het gesprek onderzocht worden of de onderlinge verwachtingen worden besproken.

Kinderen hebben over het algemeen een stressmanagement dat beter is dan het stressmanagement van volwassenen. Kinderen kunnen namelijk via verhalen over een moeilijk onderwerp praten.

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Image

Share: this page!
Follow: Social Science Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
2835
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector