Hoe verloopt de genderontwikkeling van kinderen? - Chapter 15

Wat is het verschil tussen sekse en gender?

Sekse is het verschil tussen genetische vrouwen (XX) en genetische mannen (XY). Gender is de sociale toewijzing of zelfcategorisatie als vrouw of man (of geen van beide). Gendergetypeerd verwijst naar gedrag dat verwacht wordt bij een iemands gender. Cross-gendergetypeerd verwijst naar gedrag dat verwacht wordt bij een ander geslacht dan de persoon heeft. Gendertypering verwijst naar het proces van gendersocialisatie. 

Wat is de gender binary?

De gender binary is het heersende idee dat er maar twee categorieën van geslachten zijn. Onderzoek heeft echter aangetoond dat er niet zoiets bestaat als het vrouwelijke brein of het mannelijke brein. Ook het idee van een verschil tussen vrouwelijke hormonen en mannelijke hormonen is onterecht, aangezien alle hormonen aanwezig zijn in zowel mannen als vrouwen. Daarnaast bestaat er volgens onderzoek niet zoiets als mannelijk gedrag en vrouwelijk gedrag. Een ander kritiekpunt op de gender binary is dat er onafhankelijk van cultuur overal ter wereld trans-genders en non-binaire identiteiten bestaan. Als laatste kritiekpunt is de sociale wereld is georganiseerd en gestructureerd volgens de gender binary.

Hoe kunnen jongens en meisjes in onderzoek vergelijken?

Als gendergroepen vergeleken worden qua gedragingen, is het vaak zo dat het ene geslacht slechts licht verschilt van het andere, er is veel overlap. Daarnaast is er veel variatie binnen de groepen, niet alle leden van hetzelfde geslacht zijn hetzelfde. Het is belangrijk om zowel de magnitude van de verschillen tussen de gemiddeldes van de groepen te bekijken als de hoeveelheid overlap in hun verdelingen. Deze statistische index wordt effectgrootte genoemd. In verschillende onderzoeken worden soms tegenstrijdige resultaten gevonden. Om een algeheel patroon op te maken, gebruiken wetenschappers een statistische techniek, genaamd meta-analyse, om de gemiddelde effectgrootte en de statistische significantie samen te vatten.

Welke theoretische benaderingen zijn er aangaande genderontwikkeling?

Wat zeggen biologische theorieën over genderontwikkeling?

Er zijn verschillende theorieën die gericht zijn op de biologische invloeden ten aanzien van geslacht.

Volgens de evolutiepsychologische theorie zijn genderverschillen ontstaan door de reproductieve voordelen. Jongens spelen vaak fysieke spelletjes. Dit zou reproductieve voordelen hebben voor later, namelijk bij het vinden van vrienden, jagen en competities tussen mannen. Meisjes willen graag sociale relaties onderhouden en voor andere mensen zorgen. Dit zou ook reproductieve voordelen hebben voor later, namelijk bij het verzorgen van een baby.

De biosociale theorie richt zich meer op de fysieke verschillen tussen man en vrouw, die zowel sociale als gedragsgevolgen hebben. Mannen zijn bijvoorbeeld lichamelijk sterker en groter gebouwd, terwijl vrouwen meer verzorgende capaciteiten hebben, zoals borstmelk voor een baby.

De neurowetenschap richt zich op de manier waarop hormonen, hersenstructuur en hersenfuncties gerelateerd zijn aan de genderverschillen in de ontwikkeling. Het hormoon androgeen komt vaak in hogere mate voor bij mannen en in mindere mate bij vrouwen. Dit hormoon beïnvloedt ook de fysieke ontwikkeling en het functioneren vanaf de prenatale periode. Hormonen kunnen organisatorische of activerende invloeden op het zenuwsysteem hebben. De organisatorische invloeden ontstaan wanneer bepaalde seksehormonen van invloed zijn op de hersendifferentiatie en de organisatie tijdens de prenatale ontwikkeling en in de puberteit. De activerende invloeden ontstaan wanneer schommelingen in het niveau van het seksehormoon van invloed zijn op de gelijktijdige activatie van bepaalde hersendelen en gedragsreacties. Mannen en vrouwen laten kleine verschillen zien in de hersenstructuur. Dit heeft echter geen effect op de resultaten van de cognitieve prestaties.

    Genderdysforie is een diagnose die te vinden is in de DSM-5 die verwijst naar kinderen die leed ervaren, omdat ze zich niet kunnen identificeren met het gender dat ze toegewezen hebben gekregen bij de geboorte. Transgenders zijn individuen die zich niet identificeren met hun gender die ze hebben gekregen bij de geboorte, ze kunnen voorkeur hebben om zich met het tegenovergestelde geslacht, met beide geslachten of met geen een geslacht te identificeren. Cisgender verwijst naar individuen die zich wel identificeren met hun gender die ze bij de geboorte toegewezen hebben gekregen. Wanneer vrouwen tijdens de prenatale periode teveel androgeen ontvangen, kan dit leiden tot congenital adrenal hyperplasia (CAH). Dit is een conditie waarbij de klieren van de vrouw een hoog niveau van hormonen produceren, welke lijkt op het androgeen-effect. Androgen insensitivity syndrome (AIS) is een conditie tijdens de prenatale ontwikkeling waarbij androgeenreceptoren niet goed functioneren in mannen, wat het vormen van de mannelijke externe genitaliën belemmert. Het kind wordt hierdoor geboren met vrouwelijke externe genitaliën.

    Wat zeggen cognitieve theorieën over genderontwikkeling bij kinderen?

    Zelfsocialisatie is het proces tijdens de ontwikkeling waarbij de cognities van kinderen leiden tot de waarneming van de wereld en waarbij ze in overeenstemming met hun verwachtingen en opvattingen handelen. Zelfsocialisatie omtrent gender gebeurt als kinderen zoeken naar gedrag dat past bij hun genderidentiteit. 

    De belangrijke cognitieve theorieën over de genderontwikkeling zijn:

    1. Cognitieve ontwikkelingstheorie (Kohlberg).
    2. Genderschematheorie.
    3. Sociale identiteitstheorie (Tajfel en Turner).
    4. Sociaal-cognitieve theorie (Bandura).
    5. Integratieve theoretische benadering.

    De cognitieve ontwikkelingstheorie (Kohlberg) stelt dat het begrijpen van het geslacht drie fases omvat: geslachtsidentiteit, geslachtsstabiliteit en genderconstantheid. In de eerste fase, genderidentiteit, labelen kinderen van dertig maanden oud zichzelf als een jongen of als een meisje. Maar kinderen op deze leeftijd zien dit nog niet als iets permanents. In de tweede fase, die van genderstabiliteit, merken kinderen van drie tot vier jaar oud dat hun geslacht stabiel is. Maar kinderen van deze leeftijd zien nog niet dat het geslacht onafhankelijk is van de verschijning van iemand. In de derde fase, die van genderconstantheid, beseffen kinderen vanaf ongeveer zes jaar dat hun geslacht constant blijft over tijd en in alle situaties. Ze leren op deze leeftijd om zich ook naar hun geslacht te gaan gedragen.

    Volgens de genderschematheorie vertonen kinderen al op jonge leeftijd gendergetypeerd gedrag, zodra ze in staat zijn om zichzelf en anderen te labelen naar geslacht. Het begrijpen van de genderontwikkeling gaat aan de hand van constructie van de genderschema’s. Een genderschema is een georganiseerde mentale representatie (concepten, overtuigingen, herinneringen) over het geslacht, dit bevat onder andere geslachtsstereotypes. Ze herinneren zich dan ook vaker gebeurtenissen waar het geslacht consistent is met de situatie, dan waar het geslacht inconsistent is. Liben en Bigler stelden dat kinderen twee soorten filters gebruiken als ze informatie verwerken. De eerste is het genderschemafilter, een eerste evaluatie van informatie aan de hand van of het belangrijk is voor het eigen geslacht. De tweede is het interessefilter, een eerste evaluatie van informatie aan de hand van persoonlijke interesse.

    Volgens de sociaal-cognitieve theorie (Bandura) leert men door middel van onderwijs, passieve ervaringen en observationeel leren. Onderwijs refereert naar het direct leren. Passieve ervaringen refereren naar het leren door ontlokte reacties door het eigen gedrag terug te halen. Observationeel leren komt het meest voor. Dit is het simpelweg leren door het observeren van andere mensen. Dit gaat volgens vier processen: aandacht (opvallen van bepaald gedrag), geheugen (opslaan van dit gedrag), productie (oefenen van dit gedrag) en motivatie om dit gedrag te herhalen.

    Volgens de sociale identiteitstheorie (Tajfel & Turner) is het geslacht de meest centrale sociale identiteit is in het leven. De sociale identiteitstheorie richt zich op de invloed van leden van een groep op zelfconcepten en omgang met anderen. Een ingroup-bias is geassocieerd met het lid zijn van een groep en is de neiging om individuen te evalueren aan de hand van karakteristieken van de eigen groep en deze karakteristieken als superieur te zien vergeleken met een andere groep. De ingroup-bias is gerelateerd aan de ingroup-assimilatie, dit is een proces waarbij individuen zich hebben aangepast door te voldoen aan de normen van de groep en de karakteristieken van de groep naar buiten te demonstreren. Geslacht is niet de enige sociale identiteit die levens van mensen vormgeeft. Er wordt steeds meer getracht om te begrijpen hoe multipele identiteiten een persoon beïnvloeden. Dit wordt intersectionaliteit genoemd: de interconnectie van sociale identiteiten zoals geslacht, ras, etniciteit, seksuele oriëntatie en klasse, voornamelijk in relatie tot overlappende ervaringen van discriminatie.

    Volgens integratieve theoretische benaderingen is genderontwikkeling afhankelijk van fysiologische, cognitieve, motivatie-afhankelijke, situatie-afhankelijke, en culturele processen; en niet slechts van één van deze factoren. De ontwikkeling inter-groep theorie (DIT) stelt dat diverse processen bijdragen aan de ontwikkelen van stereotypes en vooroordelen over het gender van een persoon. Het gender self-socialisatie model (GSSM) benadrukt dat kinderen zelf hun identiteit vormen en hun begrip van de wereld bijdraagt aan hun genderontwikkeling.

      Wat zeggen culturele theorieën over genderontwikkeling bij kinderen?

      Culturele en sociale factoren zijn van invloed op de genderontwikkelingen. Het macrosysteem uit het bio-ecologische model heeft een belangrijk kenmerk, namelijk de opportunity structure, de economische en sociale bronnen die het aanbiedt en menselijk begrip omtrent deze bronnen. Mogelijkheden voor leden van een culturele groep kunnen variëren afhankelijk van bijvoorbeeld geslacht of inkomen. Volgens de bio-ecologische perspectieven richt de socialisatie zich op bepaalde microsystemen die kinderen voorbereiden op de volwassenheid.

      De televisie behandelt mannen en vrouwen verschillend, er is sprake van sterke stereotypering in termen van verschijning, persoonlijke karakteristieken, werk en de aard van de rollen van de karakters. Kinderen die veel televisie kijken hebben sterkere stereotypische opvattingen over mannen en vrouwen en grotere voorkeur voor gendergetypeerde activiteiten. Ook boeken en computerspellen blijken sterke stereotypering te hebben. 

      Hoe verloopt de genderontwikkeling van kinderen?

      Welke mijlpalen in genderontwikkeling zijn er in de baby- en peutertijd?

      Baby’s en peuters maken onderscheid tussen mannen en vrouwen, al kunnen ze niet begrijpen wat het betekent om een man of vrouw te zijn. Later beginnen ze verwachtingen te ontwikkelen over de objecten en activiteiten die typisch behoren tot mannen en vrouwen. Op de leeftijd van drie jaar kunnen de meeste peuters geslacht labelen bij zichzelf en anderen.

      Welke mijlpalen in genderontwikkeling zijn er in de leeftijd van drie tot vijf jaar?

      Kleuters leren stereotypisch gedrag, karakteristieken en rollen die geassocieerd zijn met elk geslacht. Ze stereotyperen: affiliatieve karakteristieken worden in verband gebracht met vrouwen en assertieve karakteristieken met mannen. Ze hebben echter geen besef van genderconstantheid. Ook ontstaat er gendersegregatie. Dit is de neiging van kinderen om leeftijdsgenoten van hetzelfde geslacht te benaderen en leeftijdsgenoten van het andere geslacht te vermijden. Gendersegregatie bevordert ook het ontwikkelen van gedrag dat hoort bij het eigen geslacht.

      Welke mijlpalen in genderontwikkeling zijn er in de bassischool leeftijd?

      Op de basisschool, rond de leeftijd van zes jaar, ontstaat het besef van genderconstantheid. Kinderen worden meer flexibel in gender stereotypering. Als ze 9 of 10 jaar zijn, leren ze begrijpen dat genderrollen sociale conventies zijn in plaats van biologische uitkomsten. Ze erkennen dat niet alle kinderen zich gedragen zoals bij hun geslacht zou passen. Een andere ontwikkeling in het denken van kinderen is de bewustwording wanneer genderdiscriminatie ontstaat en dat dat oneerlijk is.

      De genderrollen in sociale interacties lijken verschillen te reflecteren in de balans tussen assertie en affiliatie. Assertie is de neiging om zelf actie te ondernemen door middel van competitief, onafhankelijk of agressief gedrag. Affiliatie is de neiging om connecties met andere mensen te bevestigen door middel van emotionele openheid, empathie en samenwerking. Jongens onderscheiden zich vaker door middel van assertie, terwijl meisjes zich onderscheiden door middel van affiliatie. Hoewel, dit is niet exclusief bepaald. Deze twee begrippen worden ook vaak gecombineerd in één stijl: collaboratie. Collaboratie is het mengen van assertie en affiliatie, zoals het nemen van initiatief voor een gezamenlijke activiteit. Dit komt vaker voor bij meisjes.

      Meisjes zijn meer geneigd om zich anders te gedragen dan aan de hand van hun geslacht verwacht wordt. Jongens zijn daarentegen in veel mindere mate geneigd om zich anders te gedragen dan bij hun geslacht hoort. 

      Welke mijlpalen in genderontwikkeling zijn er in de adolescentie?

      In de adolescentie is er een periode van een stijgende genderrolintensificatie of een stijgende genderrolflexibiliteit. Genderrolintensificatie toegenomen zorg om vast te houden aan traditionele genderrollen. Genderrolflexibiliteit is de erkenning van genderrollen als sociale conventies en adoptie van meer flexibele houdingen en interesses. Dit komt meer voor bij meisjes dan bij jongens. 

      Cross-gender interacties worden tijdens de adolescentie normaler en dit opent de weg naar romantische relaties. De adolescentie is ook een periode waarin relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht hechter worden.

      Welke fysieke patronen van genderontwikkeling kunnen plaatsvinden?

      Tijdens de prenatale ontwikkeling kan er een intersekse conditie ontstaan, waardoor het ene deel van de seksuele ontwikkeling van een kind verloopt volgens de ene sekse, en een ander deel volgens de andere sekse. Congenitale adrenale hyperplasie (CAH) is een aandoening die ontstaat tijdens de prenatale ontwikkeling waarbij de bijnieren veel androgenen aanmaken, wat masculinisatie van de externe vrouwelijke genitalia veroorzaakt en soms gemasculiniseerd gedrag bij biologische vrouwen. Androgeen insensitiviteit syndroom (AIS) is een aandoening waarbij receptoren van androgen biologische mannen niet functioneren, wat de aanleg van mannelijke externe genitalia belemmert. Dit kan leiden tot dat het kind geboren wordt met vrouwelijke externe genitalia.

      Welke veranderingen kenmerken de puberteit?

      Een belangrijke factor in de seksuele ontwikkeling is de aan- of afwezigheid van androgenen. Bij mannen zal het Y-chromosoom de afgifte hiervan regelen. In de puberteit zijn er dramatische lichamelijke veranderingen, deze periode wordt gekenmerkt door de mogelijkheid om te reproduceren. In deze periode begint de menstruatie bij vrouwen (menarche) en de mogelijkheid tot ejaculeren (spermache) bij mannen. Al deze veranderingen gaan samen met psychologische veranderingen en gedragsveranderingen. Hierbij verandert vaak het lichaamsbeeld, de perceptie van en gevoelens over het eigen lichaam. Meer meisjes dan jongens hebben een negatief lichaamsbeeld. Daarnaast komt met fysieke rijping ook adrenarche, dit is een periode waarin de seksuele aantrekkingskracht begint en waarin de bijnieren rijpen waardoor er een belangrijke bron van steroïde geslachtshormonen ontstaat.

      Welke verschillen zijn er qua cognitieve capaciteiten en academische prestaties tussen jongens en meisjes?

      IQ-scores zijn over het algemeen gelijk tussen mannen en vrouwen. Ondanks dat halen vrouwen hogere cijfers, maken hun school eerder af en behalen hun diploma’s ook eerder dan mannen. Daarnaast leren vrouwen sneller praten en ontwikkelen zich beter in de taal dan mannen. Verder spelen de ruimtelijke kwaliteiten een rol. Mannen presteren beter in sommige visueel-ruimtelijke taken. Ook zijn jongens ietwat beter in rekenen dan meisjes.

      Beleidsmakers, onderwijzers, en onderzoekers maken zich zorgen over de genderongelijkheid in veel takken van de wetenschap, technologie, engineering, en wiskunde (STEM fields). Vrouwen zijn ondergerepresenteerd in deze takken. Er zijn verschillende verklaringen voor deze verschillen:

      • Biologische invloeden: onderzoek wijst uit dat er sekseverschillen in hersenstructuren zijn die deels te wijten zijn aan de invloed van seksegerelateerde hormonen op het ontwikkelende brein. Androgeen beïnvloedt bijvoorbeeld hersengebieden die geassocieerd zijn met ruimtelijke vaardigheden.
      • Cognitieve en motivationele invloeden: kinderen zijn het meest gemotiveerd op gebieden waarin ze zichzelf als competent zien en die ze interessant en belangrijk vinden. Genderstereotypen kunnen de onderwerpen die jongens en meisjes belangrijk vinden beïnvloeden.
      • Invloeden van de opvoeding: moeders hebben meer interactie met dochters dan met zonen. Dit kan verklaren waarom meisjes taal iets makkelijker leren dan jongens. De verwachtingen die ouders hebben kunnen een sterkere voorspeller zijn van de prestaties van kinderen op latere leeftijd dan de prestaties op vroege leeftijd.
      • Invloeden van leraren: sommige docenten houden er genderstereotypes op na, wat de interacties kan beïnvloeden met de studenten. Zo kunnen ze van meisjes betere schoolprestaties verwachten en van jongens dat ze beter zijn in rekenen, wat kan leiden tot het verschillend beoordelen en aandacht geven.
      • Invloeden van leeftijdsgenoten: de interesses van kinderen kunnen gevormd worden door de activiteiten en waarden die ze associëren met hun klasgenoten en leeftijdsgenoten. Zo blijkt uit een onderzoek dat studenten van wie de vrienden positief waren over wetenschap en wiskunde, meer waarschijnlijk interesse toonden in een wetenschap-gerelateerde carrière.
      • Culturele invloeden: genderverschillen in wiskunde waren minder in landen met hogere percentages hoger opgeleide vrouwen. Genderverschillen in algeheel academisch succes en verbale prestaties waren minder onder kinderen uit buurten met een hoger inkomen, onder kinderen van hoogopgeleide ouders en onder kinderen van egalitaire heteroseksuele ouders.

      Welke verschillen zijn er qua interpersoonlijke doelen en communicatie?

      Jongens benadrukken dominantie en macht als doelen in hun sociale relaties, terwijl meisjes intimiteit en ondersteuning meer benadrukken. Meisjes praten meer over persoonlijke gedachten en gevoelens. Meisjes gebruiken meer gezamenlijke uitspraken, terwijl jongens meer directieve uitspraken doen. Dit is aan elkaar gerelateerd, jongens die dominantie willen laten zien, gebruiken meer directieve spraak. In de opvoeding is het ook terug te zien, moeders gebruiken vaker affiliatieve spraak en vaders vaker directieve spraak. Daarnaast spelen meisjes vaker 'huisje', wat gestructureerd is rond gezamenlijke en affectieve uitwisselingen, terwijl jongens meer competitieve spellen doen, wat gestructureerd is rondom dominantie en macht. Dit patroon is redelijk hetzelfde in verschillende culturen. Wel wordt in Aziatische culturen affiliatie zowel voor jongens als meisjes als belangrijk gezien in de communicatie.

      Een statement kan hoog of laag zijn qua affiliatie en assertie. Dit zorgt voor vier categorieën taalhandelingen:

      • Gezamenlijke statements: hoog in zowel affiliatie als assertie, zoals een voorstel voor een gezamenlijke activiteit.
      • Controlerende statements: hoog in assertie, maar laag in affiliatie, zoals bevelen of negatieve opmerkingen.
      • Inschikkelijke statements: hoog in affiliatie, maar laag in assertie, zoals een uiting van instemming.
      • Terugtrekken: laag in zowel affiliatie als assertie, zoals het niet reageren op een ander. 

        In een studie naar kinderen van 5 en 7 jaar oud, bleken gezamenlijke statements het meeste voor te komen. Bij de 7-jarige kinderen was het percentage gezamenlijke statements aanzienlijk groter bij meisjesparen dan bij jongensparen.

        Welke verschillen zijn er in agressief gedrag tussen jongens en meisjes?

        De verschillen in agressief gedrag tussen jongens en meisjes blijken lang niet zo groot als verwacht zou worden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen directe en indirecte agressie. Directe agressie refereert naar de openlijke of verbale acties die de intentie hebben om schade toe te brengen. Indirecte agressie refereert naar pogingen om iemand pijn te doen op het gebied van sociale status of groepsacceptatie, door middel van verborgen agressie, zoals over iemand roddelen of sociale buitensluiting. Mannen tonen meer directe agressie dan vrouwen, maar vrouwen tonen meer indirecte agressie dan mannen.

        Er zijn verschillende verklaringen voor deze verschillen in agressief gedrag. De eerste is de biologische invloed. Mannen hebben meer van het hormoon testosteron. Wanneer er sprake is van gevaar of dreiging, stijgt het niveau van testosteron en daardoor ook het agressieve gedrag, dit is dus een indirect effect. Gemiddeld hebben meisjes meer empathie en sympathie dan jongens, wat ook gerelateerd kan zijn aan de verschillen in agressie. Ouders lijken meer tolerant te zijn wat betreft agressie bij jongens dan bij meisjes. Daarnaast is er een associatie tussen ruwe opvoeding en fysieke agressie op latere leeftijd, deze associatie is sterker voor jongens. Jongens doen vaker aan agressievere sporten dan meisjes. Blootstelling aan gewelddadige media kan agressie stimuleren bij kinderen die al kwetsbaar zijn agressie. Tot slot verschilt tussen culturen welke mate van agressie als normaal gezien wordt. Blootstelling aan geweld heeft voor jongens een grotere impact dan voor meisjes.

        Seksuele intimidatie kan zowel fysiek (bijvoorbeeld ongewenste aanraking) als verbaal (bijvoorbeeld ongewenste opmerkingen) zijn. Veel mensen komen ermee in aanraking. In een onderzoek in de VS bleken twee van de meest voorkomende vormen van seksuele intimidatie ongewilde seksuele opmerkingen of gebaren te zijn en homo of lesbisch worden genoemd. Meisjes ondervinden meer negatieve effecten van seksuele intimidatie dan jongens.

        Image

        Access: 
        Public

        Image

        Join: WorldSupporter!

        Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

        Check: concept of JoHo WorldSupporter

        Concept of JoHo WorldSupporter

        JoHo WorldSupporter mission and vision:

        • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

        JoHo concept:

        • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
        • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

        Join JoHo WorldSupporter!

        for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

        Check: how to help

        Image

         

         

        Contributions: posts

        Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

        Image

        Image

        Share: this page!
        Follow: Social Science Supporter (author)
        Add: this page to your favorites and profile
        Statistics
        2739
        Submenu & Search

        Search only via club, country, goal, study, topic or sector