Eerste-lijnshulp | de eerste lijn van hulpverlening. Dit is de zorg voor jeugd die per gemeente of per stadsdeel wordt geregeld. Hieronder vallen Centra voor Jeugd en Gezin (CJG), de lichte hulp van Bureau Jeugdzorg en de Jeugdgezondheidszorg. |
Tweede-lijnshulp | de tweede lijn van hulpverlening. Dit is de geïndiceerde jeugdzorg die provinciaal of landelijk is geregeld. Hieronder vallen de Jeugdhulpverlening, de Jegud-GGZ, het LVG-zorgaanbod (licht verstandelijk gehandicapt), de Jeugdbescherming en jeugdstrafrechtelijke voorzieningen en instellingen. |
Paternalistische en internaatgeoriënteerde hulpverlening | de zorg vond plaats in een internaat. De jeugdigen hadden geen inspraak in de zorg. Dit was tot en met de jaren vijftig en zestig gebruikelijk. |
Risicodempende collegialiteit | er zijn zoveel verschillende partijen die met één cliënt bezig zijn, dat niet meer duidelijk is bij wie de verantwoordelijkheid ligt. Deze term werd door Van der Lans (2008) bedacht. |
Evidence based praktijkdenken (EBP) | interventies worden gevormd vanuit onderzoek naar wat het beste werkt, waarbij rekening wordt gehouden met de expertise van de professional en met de waarden van de cliënt. |
Praktijkfit | de aansluiting van wetenschap op praktijk. Oorzaken hiervan kunnen zijn dat een cliënt net niet binnen de doelgroep van een bepaalde interventie valt of dat interventies op enkelvoudige problematiek zijn gericht, terwijl er sprake is van meervoudige problematiek. |
Intergratief Werkzame Factoren model (IWF-model) | een model waarin factoren die elkaar en de resultaten van de jeugdhulpverlening beïnvloeden zijn opgenomen. De factoren zijn opgedeeld in micro-, meso- en macroniveau. |
Microniveau | de samenwerking tussen de cliënt en de hulpverlener |
Mesoniveau | de instituties waarmee de cliënt in het alledaagse leven mee te maken heeft. |
Macroniveau | de (ontwikkelingen van) beleidskaders en de maatschappelijke normen en ontwikkelingen. de (ontwikkelingen van) beleidskaders en de maatschappelijke normen en ontwikkelingen. |
Allegiance | de professional heeft een positieve houding ten opzichte van de te gebruiken methodieken. |
Alliantie | de professionele werkrelatie tussen de professional en de cliënt waarin er sprake is van een emotionele band (persoonlijke alliantie) en van overeenstemming over het doel en het plan van aanpak (taakalliantie). |
Eigen veranderingstheorie | de cliënt moet een goed beeld ontwikkelen van de problematiek, van de achtergrond en een plan ontwikkelen waar hij of zij achter staat. |
Routine outcome monitoring (ROM) | er wordt voortdurend gekeken naar de vooruitgang en de resultaten van het hulpverleningsproces. |
Routine process and outcome monitoring (RPOM) | er wordt gekeken naar de vooruitgang en de resultaten van het hulpverleningsprocess en naar de ontwikkeling van alliantie, verwachtingen met betrekking tot de samenwerking en andere aspecten van de interactie. |
Context van beleid en praktijk | kijkt naar sociaal-maatschappelijke en professionele factoren, waarbij wordt gekeken naar de sociale context van studenten en naar hulpverleners en instanties waarmee de cliënt te maken heeft. |
Context van kennis en kwaliteit | staat de ontwikkeling en het gebruik van wetenschappelijke en professionele kennis en ervaring en de ontwikkeling van zorgkwaliteit centraal. |
Community-based interventies | interventies die niet gericht zijn op een individu, maar op een groep of gemeenschap. |
Verwijsindex Risicojongeren | een index voor hulpverleners waarin informatie over risicojongeren wordt opgenomen. Andere hulpverleners kunnen via deze index gemakkelijk zien of hun cliënt al eerder in aanraking is gekomen met jeugdzorg. |
Actieplan Professionalisering in de Jeugdzorg | een plan om de zorg en dienstverlening aan kinderen, jongeren en hun ouders te verbeteren. |
Uitstroom- en competentieprofielen | profielen in het onderwijs die de aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt moet verbeteren. |
Gewoon Professioneel | beschrijvingen van ervaringen van jeugdzorgprofessionals- en cliënten met gezinsvoogden, pedagogische hulpverleners, maatschappelijk werkers en hoe hierin professioneel goed werd gehandeld. |
Dit nooit meer | artsen vertellen hierin over hun persoonlijke medische fouten die in sommige gevallen tot de dood hebben geleid. Dit maakt het maken van fouten bespreekbaar en werd positief ontvangen door een breed publiek. |
Buiten-therapeutische steunbronnen | de eigen leefomgeving waar de cliënt steun aan kan ontlenen, bestaande uit onder andere uit de familie, vrienden, de school en de buurt. |
Serendipiteit | het vermogen van professionals om in te spelen op critical life events. |
Critical life events | onverwachte gebeurtenissen of ontwikkelingen en de leefomgeving van de cliënt. |
Setting | de fysieke omgeving van de hulpverleningsinstanties. Dit is belangrijk voor de eerste indruk van de cliënt en daarmee belangrijk voor de verwachtingen van de hulpverlening. |
Project Restylen van huishoudens | opvoeders en kinderen leven beter samen als ze een prettigere woonomgeving hebben. Hier krijgt elk gezin 1800 euro voor. Het project brengt mensen in een omgeving samen en geeft het gezin nieuwe hoop omdat er zichtbaar verandering is. |
Ketenpartners | partijen op mesoniveau waartussen samenwerking plaatsvindt: alle organisaties onder de jeugdzorg, de scholen, politie, wijk- en buurtwerk, MEE, algemeen maatschappelijk werk, woningcorporaties en centra voor werk en inkomen, enzovoort. |
Early responder | een cliënt ervaart al vroeg in het hulpverleningstraject verandering. Dit geldt niet voor alle cliënten. |
Alliantie | de kracht van de relatie tussen de cliënt en de professional. Bordin (1979) maakt onderscheid tussen persoonlijke alliantie (de emotionele band) en taakalliantie (het eens zijn over het doel en de methode van aanpak). Een goede alliantie is een sterke voorspeller voor positieve resultaten en is belangrijker dan de gekozen hulpvariant. |
Persoonlijke alliantie | de emotionele band tussen de cliënt en de professional. |
Taakalliantie | de cliënt en professional zijn het eens over het doel van de hulpverlening en de aanpak. |
Veranderingstheorie cliënt | de cliënt accepteert de gekozen hulpvariant. |
Allegiance | het vertrouwen dat de professional heeft in de gekozen hulpvariant en het vertrouwen dat juist dit middel, juist nu, geschikt is voor het doel van de cliënt. |
Allegiance bias | uit onderzoek komt een nieuwe hulpvariant voort. De onderzoekers presenteren dit als een methode die beter is dan oude methoden. Professionals zijn hier gevoelig voor en dragen hun enthousiasme voor deze nieuwe methode over aan de cliënt. Doordat de cliënt positieve verwachtingen opbouwt, wordt het resultaat positief beïnvloed. Hierdoor zijn effecten van de interventie deels te wijten aan allegiance. Dit heet allegiance bias. |
Evidence based treatments-aanhangers | de orthodoxe pleintbezorgers die een jeugdzorg willen die volledig evidence based is. |
Common factor hardliners | wijzen op het taartdiagrom van Assay en Lambert (1999) waarin interventiemodel en –techniek slechts voor 15% van de effectiviteit van belang is en zeggen dat interventies qua werkzaamheid niet veel van elkaar verschillen. De buiten-therapeutische factor en daarna factoren die de cliënt-professionalrelatie beïnvloeden zijn het belangrijkst. |
Methodiekoverstijgend | een onderdeel van een methode is niet alleen werkzaam voor deze methode, maar ook voor andere methodes. Ook wel een algemeen werkzame factor genoemd. Een onderdeel dat specifiek voor deze methode werkt is een specifiek werkzame factor. |
Evidentie | iets heeft geen bewijs nodig. Dit woord wordt soms gebruikt in plaats van effectiviteit. Juist in de jeugdzorg is bewijs nodig om de ontwikkeling van de jeugdzorg te garanderen. |
Reflectief | professionals moeten hun praktijkervaring en persoonlijke kenmerken koppelen aan up-to-date kennis. |
Beroepskrachten-onderzoekers of scientist-practitioners | de brug tussen aan de ene kant de praktijk en aan de andere kant de wetenschap. |
Cliënten over werkzame factoren | een project van het lectoraat bij het thema Cliënten centraal, waarbij cliënten gedurende een half jaar tot twee jaar na hun behandeling worden gevraagd wat zij concreet werkzame factoren vonden. |
Ouderbegeleiding in het kader van integrale pleegzorg | ouders worden ondersteund en voorbereid op een goede terugplaatsing of bij het accepteren dat een kind een tijd lang niet thuis zal zijn. Hierbij wordt gekeken welke factoren aan het doel bijdragen, hoe deze samenhangen en of ze terugkomen in het IWF-model. |
Meervoudige alliantie | in de jeugdzorg moet alliantie opgebouwd worden met de jeugdige, maar ook met ouders/opvoeders. |
Session-vragenlijsten | vragenlijsten waarin cliënt en professional moeten aangeven hoe ze de sessie hebben ervaren. |
Outcome-vragenlijsten | vragenlijsten om te bepalen of de cliënt de sessie als nuttig heeft ervaren. |
Alliantie in de jeugdzorg | een project van het lectoraat bij het thema Alliantie en samenwerking van cliënten en professionals, waarbij de literatuur en de meetinstrumenten met betrekking tot alliantie moeten worden verkend, er een link moet worden gelegd met ervaringen van cliënten en professionals en er onderscheid moet worden gemaakt tussen volwassenen en jeugdigen. |
Alliantie van ouders en jeugdverpleegkundigen | een project van het lectoraat bij het thema Alliantie en samenwerking van cliënten en professionals, gericht op werkzame factoren in hulpverleningsgesprekken met ouders van kinderen tot 4 jaar die naar de GGD gaan. Er zijn richtlijnen ontwikkeld door de GGD voor deze gesprekken en aan de hand van de resultaten van het onderzoek moet worden gekeken hoe deze richtlijnen moeten worden bijgesteld. Dit onderzoek focust op actuele inzichten, factoren die de cliënt werkzaam vindt en voorspellingen van de jeugdverpleegkundige. |
Kwaliteit van leven en sociale samenhang in de stedelijke omgeving | een project van het lectoraat bij het thema Projecten gericht op eigen kracht, context en samenwerking, stimuleert en evalueert nieuwe projecten om de sociale samenhang en uitwisseling tussen opvoeders in binnenstadswijken langs de Rijn-Maas te versterken. Er wordt vooral gekeken naar projecten op het gebied van jeugd- en gezinszorg, -welzijn wn buurtontwikkeling. Door hierop evaluatieonderzoek los te laten, kan gekeken worden naar werkzame factoren. |
Preventie overgewicht | een project van het lectoraat bij het thema Projecten gericht op eigen kracht, context en samenwerking, gericht op jongeren van 0 tot 23 jaar. Het lectoraat wil bijdragen aan het onderzoek naar welke werkzame factoren de implementatie, acceptatie en bestendiging van preventieve interventies en de samenwerking kunnen bevorderen. |
Initiatief Combiplan | is erop gericht om de ontwikkeling van onderzoeks- en innovatieactiviteiten voor de drie thema’s te bewaken. Hieraan doen vier instellingen in de jeugdzorg mee: Entréa, Lindenhout, Pactum en Oosterpoort, en daarnaast het Instituut Sociale Studies. Gezamenlijk stellen zij een thematische meerjarige onderzoeksagenda op. |
Lectoraat | bestaat uit vijf docenten/onderzoekers van de HAN, drie collega’s uit de jeugdzorgpraktijk, het secretariaat en de lector. In totaal zijn het 10 personen. |
Saul Rosenzweig | een van de grondleggers van de common factors en benadrukte het belang van algemeen werkzame factoren. In zijn bekendste artikel gebruikte hij een citaat uit Alice in Wonderland: “At last the Dodo said: Everybody has won and all must have prizes.”. Hiermee bedoelde hij dat alle stromingen in de psychotherapie baad hadden bij algemeen werkzame factoren. |