Deze samenvatting is geschreven in collegejaar 2012-2013.
Begrippenlijst recht en bedrijf
A
Abstracte markt Hier treffen vraag en aanbod elkaar zonder dat er een concrete plaats is. Bijvoorbeeld de huizenmarkt of de valutamarkt.
B
Beroepsbevolking Het deel van de bevolking die kunnen, willen en mogen werken.
Begrotingstekort Het verschil tussen de door de overheid uitgaven en de overheid inkomsten.
Bruto binnenlands product Bruto binnenland product is de totale productie aan goederen en
(bbp) diensten die in een land worden geproduceerd in een bepaald jaar.
Bbp per hoofd Het bbp per hoofd is het gemiddelde inkomen dat in een land wordt. Het bbp per hoofd kun je berekenen door het bbp te delen door het aantal inwoners van dat land.
C
Conjunctuurcyclus Cyclus die de, op korte termijn afwisselende, economische verbeteringen en verslechteringen weergeeft.
D
Depressie Een periode van zeer langdurige en diepe economische verslechtering.
Deflatie Een daling van het algemene prijsniveau.
Duurzame economische groei Economische groei die over een lange tijd gelijkmatig is.
E
Efsf De Europese financiële stabiliteitsfaciliteit, een tijdelijke instelling die leningen kan verstrekken aan eurolanden die in financiële nood verkeren.
Export Het leveren van goederen en diensten aan het andere landen.
F
Fiscaal beleid Controle van de overheidsuitgaven en de belastingen.
I
Inflatie Stijging van het algemene prijsniveau.
Inflatiecijfer Jaarlijkse procentuele verandering in het totale prijspeil.
Import De invoer van goederen en diensten uit andere landen.
K
Kredietcrisis Economische crisis die in 2008 begonnen is met het instorten van de huizenmarkt gevolgd door een afnemend vertrouwen tussen banken waardoor de kredietverlening nagenoeg stil kwam te staan.
Krediet status Een waardering die aan landen word gegeven op basis van hun capaciteit om aan hun betalingsverplichtingen te kunnen voldoen
des te hoger de status des te minder rente banken vragen voor leningen aan het desbetreffende land de hoogste waardering is de AAA-status.
Kwantitatieve verruiming Beleid waarbij massaal obligaties worden opgekocht waardoor de koers van deze obligaties stijgt.
Koers De waarde van een zaak die op een abstracte financiële markt gevormd wordt door vraag en aanbod.
Koopkracht De koopkracht geeft aan hoeveel producten er met een bepaald inkomen kunnen worden gekocht. Wanneer de prijzen stijgen daalt de koopkracht omdat je minder producten met hetzelfde inkomen kunt kopen. Dalen de prijzen echter dan kun je met hetzelfde inkomen meer producten kopen en stijgt de koopkracht.
M
Macro-economie Concentreert zich op het gedrag van de economie in zijn geheel.
Macro-economisten Vinden dat de overheid een actieve rol moet spelen in het (op korte termijn) beïnvloeden van de fluctuaties in de economie.
Marktprijzen De prijs die de afnemer voor een bepaalde dienst of goed betaalt.
Micro-economie Concentreert zich op de productie en consumptie van consumenten en producenten.
Micro-economisten Zijn van mening dat de overheid zich zo min mogelijk met de economie moet bemoeien.
Miljoenen nota De miljoenen nota is een jaarlijkse toelichting op de verwachte inkomen en uitgaven van de overheid.
Monetair beleid De controle en de matregelen die de centrale bank op de rente en de hoeveelheid geld dat in omloop is uitoefent.
N
Nivellering Het verschil tussen twee zaken kleiner maken. Wanneer men het over nivellering heeft bedoeld men echter meestal het verschil tussen hoge en lage inkomens verkleinen.
Nominaal Een waarde die niet is aangepast aan de door de tijd heen veranderde prijzen.
O
Ontmoedigde werknemers Mensen die in staat zijn te werken maar die de zoektocht naar een baan hebben opgegeven omdat ze niet verwachten dat ze deze zullen krijgen.
Obligaties Een schuldbewijs van een door de overheid, instantie of bedrijf aangegane lening. De uitgever van de obligatie ontvangt rente voor de verstrekte lening.
P
Prijspijl Het algemene prijsniveau van eindproducten in een bepaalde economie.
Prijsstabiliteit Het bijna of geheel niet veranderen van het totale prijspijl.
Productiviteit Het aantal producten dat een bepaalde machine kan produceren per tijdseenheid.
U
Underemployment Mensen die gedurende een recessie voor minder geld en/of minder uren werken dan ze in een periode van herstel zouden kunnen.
R
Recessie Aaneen volgende periode van economische achteruitgang.
Reëel Een waarde die is aangepast aan de door de tijd heen veranderde prijzen.
Refirente De officiële rente die op de financiële markten wordt gehanteerd.
Rentemarge Het verschil tussen de rente die de banken betalen voor hun leningen en de rent die de banken voor hun klanten hanteren.
S
Stabilisatiebeleid Beleid dat gericht is om economische groei en neergang te nivelleren.
Seculaire groei op lang termijn Aanhoudende opwaartse trend in de totale productie.
Staatsschuld De gehele schuld van de overheid die door de jaren heen ontstaan is.
T
Theorie van keynes Theorie van een Britse econoom die van mening was dat in een recensie de overheid het beste de overheidsuitgaven kan verhogen of de belastingen te verlagen waardoor de consumenten meer gaan uitgeven om hiermee de economie te stimuleren.
Totale prijspeil Het algemene prijsniveau van alle goederen en dienste (de totale productie).
V
Vergrijzing De toenamen van het percentage ouderen in onze bevolkingssamenstelling.
W
Werkgelegenheid Het aantal beschikbare arbeidsplaatsen.
Werkeloosheid Het deel van de beroepsbevolking die geen baan heeft.
Werkeloosheidscijfer Het percentage van de beroepsbevolking die werkeloos is.
Welvaartsniveau De mate waarin er in de behoeften van de bevolking kan worden voorzien. Een hoog welvaartsniveau wil zeggen dat de bevolking relatief goed in haar behoeften is voorzien.
A
Afzet Het aantal verkochten producten.
Algemene ledenvergadering Een vergadering tussen alle leden van een bepaalde verenging en tevens de belangrijkste vorm van besluit in een vereniging.
Algemene vergadering Een vergadering van alle eigenaren van een vennootschap. Tijdens
aandeelhouders deze vergadering wordt de toekomst van de vennootschap, de verdeling van de winst en kunnen bestuursleden worden ontslagen of worden aangenomen besproken.
B
Besloten vennootschap (bv) Bedrijfsvorm waarin de waarde van het bedrijf heeft opgesplitst in aandelen die op naam staan en die niet vrij overdraag baar zijn. Geen enkele vorm van de vennootschap beschikt over rechtspersoonlijkheid.
Belastbare winst De winst die overblijft na het in mindering brengen van aftrekposten.
C
Concurrentie Soortgelijke instellingen die dezelfde doelgroep proberen te bereiken met een soortgelijk product waarbij een hogere afzet van de ene instelling een lagere afzet van de andere instelling als gevolg zal hebben.
Commanditaire vennootschap die gelijk is aan de bv en de nv met als enige verschil
vennootschap (cv) dat er naast gewonen vennoten ook een gecommanditeerde vennoot onderdeel is van de vennootschap. Een gecommanditeerde vennoot geeft enkel financiële steun aan de organisatie.
Coöperatieve vereniging Vorm van vereniging die net als andere verenigingen gewoon rechtspersoonlijkheid heeft en leden maar die op een punt essentieel verschilt. Een coöperatieve vereniging mag namelijk wel winst aan haar leden uitkeren.
D
Doorschuiven Bij geruisloos doorschuiven wordt de onderneming niet gestaakt. Maar voor de fiscale boekwaarde overgedragen aan de opvolgende ondernemer.
E
Eenpersoonszaak Bedrijfsvorm waarin een persoon het bedrijf heeft opgezet en voor dit bedrijf alle verantwoordelijkheid heeft. Een eenmanszaak heeft geen rechtspersoonlijkheid en er wordt geen onderscheid gemaakt tussen het privé vermogen van de eigenaar en de onderneming.
Eigen vermogen Het eigenvermogen bestaat uit alle door de ondernemer in het bedrijf geïnvesteerde gelden en bezittingen.
F
Fictieve overdrachtswinst Vorm van stakingswinst, die ontstaat bij het overlijden van de ondernemer.
G
Goodwill gedeelte van de marktwaarde dat niet in tastbare bezittingen bestaat. De merkbekendheid van een bedrijf is hier een voorbeeld van.
Garantiesubsidie De overhead garandeert een bepaald inkomen aan de gesubsidieerde en vult het inkomen van de gesubsidieerde aan wanneer dit inkomen niet behaald wordt.
H
Hoofdelijke aansprakelijkheid Hoofdelijke aansprakelijkheid betekend dat een schuld in plaats van op de onderneming op de lenerpersoonlijk kan worden verhaald.
I
Interne aansprakelijkheid Het bestuur moet verantwoording afleggen aan de AVA eb de OR.
K
Kamer van koophandel (KvK) De kamer van koophandel houd zich bezig met de belangen van bedrijven en ondernemers.
L
Liquidatiewinst Vorm van stakingswinst waarbij de ondernemingsactiviteiten worden beëindigd.
M
Maatschap De maatschap is een bedrijfsvorm waarin twee of meer persoenen samen werken om de uit het bedrijf voortvloeiende voordelen gezamenlijk te delen. De maatschap heeft geen rechtspersoonlijkheid.
N
Notariële akte Door een notaris op papier vastgelegde verklaringen en overeenkomsten.
O
Omzet De omzet van een onderneming bestaat uit het bedrag dat een onderneming ontvangt voor zijn verkochten producten te vermenigvuldigen met de verkoopprijs.
Ondernemersaftrek Een bedrag dat in mindering wordt gebracht met de winst die door een onderneming wordt behaald.
Ondernemingsplan Een ondernemingsplan is van vier factoren afhankelijk de mensen (zowel personeel als externe), de kans (wat ik heb product en wie is de afnemer, wie en wat staat succes in de weg), de context (factoren die veranderen waar de ondernemer geen invloed op heeft bijvoorbeeld het milieu) en risico en beloning (een schatting van wat er fout kan gaan en hoe men hier mee om moet gaan).
Overdrachtswinst Vorm van stakingswinst, als her bedrijf wordt verkocht aan een nieuwe eigenaar.
Omzettingskosten De kosten die bij een wisseling van bedrijfsvorm worden gemaakt.
P
Prijssubsidie Subsidie op de prijs van een product waardoor het product voor een grotere groep beschikbaar wordt.
Projectsubsidie Subsidie voor een bepaald project (eenmalige van karakter).
R
Rechtsvorm De juridische vorm waarin een bedrijf, onderneming of organisatie wordt gestructureerd.
Rechtspersoonlijkheid Rechtspersoonlijkheid is een juridische term die aanduid dat een onderneming in staat is een aantal handelingen te verrichten en verplichtingen aan te gaan. Een van de meest kenmerken voorbeelden van rechtspersoonlijkheid is de mogelijkheid om als bedrijf een lening aan te gaan.
Rentesubsidie Het door de overheid vergoeden of betalen van de rente die de gesubsidieerde moet betalen aan de bank.
S
Stakewinst Winst die ontstaat wanneer een het bedrijf of een gedeelte hiervan en bestaat uit fiscale reserves, stille reserves en goodwill.
Stichting Een organisatie vorm die door een of meerdere personen kan worden opgericht. Een stichting heeft in tegenstelling tot de vereniging geen leden. Een stichting mag wel winst behalen maar mag deze winst alleen uitkeren als dit een ideëel of sociaal doel betreft . Een stichting heeft wel rechtspersoonlijkheid.
Subsidie in natura Subsidie in de vorm van goederen of diensten.
V
Verklaring van geen bezwaar Verklaring ondertekend door de Minister van Justitie om aan te geven dat er geen bezwaar is tegen de oprichting ven een bedrijf.
Vennootschap onder firma Bedrijfsvorm waarin twee op meer personen een bedrijf oprichten
(vof) waarin ze onder een gezamenlijke naam of firma optreden. De firmanten zijn allemaal in staat om namens de firma op te treden en zijn ook verantwoordelijk voor elkaars handelen. De vennootschap onder firma heeft geen rechtspersoonlijkheid.
Vereniging Een vereniging moet door minstens twee personen worden opgericht Een stichting vereniging mag wel winst behalen maar mag deze winst niet aan zijn leden uitkeren. Een vereniging heeft rechtspersoonlijkheid mits hij is opgericht bij notariële akte.
Vennootschapsbelasting (vpb) Belasting die over de winst van een bv, nv of coöperatie wordt geheven. Ook een stichting of vereniging met een onderneming betaalt vennootschapsbelasting. Daarnaast moet deze onderneming het maken van winst al doel hebben.
Volksverzekering Volksverzekeringen zijn verzekeringen die voor ieder natuurlijk persoon verplicht zijn gesteld.
Vreemd vermogen Vreemd vermogen is door anderen in de onderneming geïnvesteerde gelden. Er zijn twee vormen van vreemd vermogen, dit zijn kort vreemd vermogen en lang vreemd vermogen. Kort vreemd vermogen omvat alle gelden die binnen een jaar worden terug betaald en lang vreemd vermogen omvat alle gelden die na langer dan een jaar worden terug betaald.
W
Werknemersverzekering Werknemersverzekeringen zijn verplicht voor alle werknemers en verzekeren werknemers van een inkomen indien ze arbeidsongeschikt of onvrijwillig werkeloos worden.
Winst De winst van een onderneming is het bedrag dat een onderneming overhoud van de omzet na het in mindering brengen van de kosten. Er zijn twee vormen van winst, brutowinst en nettowinst. Bruto winst is het gedeelte van de omzet dat je overhoud na aftrek van de inkoopprijs en netto winst is het gedeelte van de omzet dat je overhoud na aftrek van zowel de inkoopprijs als de bedrijfskosten.
Winstbestemming Het doel waarvoor je behaalde winst wordt gebruikt.
Winstreservering De behaalde winst apart zetten om later in het bedrijf te investeren.
Winstuitkering Het incasseren van de behaalde winst van het bedrijf naar de aandeelhouders.
A
Acces based positionering Vorm van positionering waarbij een onderneming probeert het makkelijkst bereikbaar te zijn voor haar doelgroep.
Agency conflict De principaal (aandeelhouder) huurt de agent (bestuurder) in om het bedrijf te leiden. De principaal moet ervoor zorgen dat zijn agent niet zijn eigen belang nastreeft, maar de belangen van de principaal behartigt. Het conflict gelegen in het feit dat de bestuurder beslissingen neemt voor de aandeelhouders. Hierdoor kan de aandeelhouder worden geconfronteerd met belangen tegenstellingen en informatieachterstand.
G
Globalisering Globalisering is het proces waarin de invloedssfeer van de economie zich over de wereld uitspreid door schaalvergroting en bedrijfsuitbreiding.
M
Mkb De afkorting mkb staat voor midden- en kleinbedrijf en heeft betrekking op bedrijven tot 250 werknemers.
N
Needs-based positionering Vorm van positionering waarin een ondernemer probeert in de behoeften van een bepaalde groep mensen het beste te voorzien.
O
One-tier structuur Bedrijfsstructuur die uit gaat van een enkel bestuur.
P
Positionering Positionering is het proces waarin een onderneming probeert een bepaald imago of identiteit te vestigen.
R
Raad van bestuur (rvb) De raad van bestuur is het hoogste leidinggevende orgaan van zowel een profit als van een non-profit organisatie. De raad van bestuur is belast met de strategische leiding van een onderneming.
Raad van commissarissen (rvc) De raad van commissarissen is een toezichthoudend orgaan in de bv en nv en controleert het beleid van de raad van bestuur.
T
Trade-offs De mogelijkheid om een voor een onderneming gunstige aspect in te ruilen voor een andere voor de onderneming gunstig aspect.
Two-tier structuur De two-tier structuur is een bedrijfsstructuur waarin het bestuur gelaagd is met aan de ene kant de raad van bestuur en aan de andere kant de raad van commissarissen.
V
Variety-based positionering Vorm van positionering waarbij een onderneming probeert een aantal verschillende producten en of diensten aan te bieden.
C
Curator Persoon die wordt aangesteld wanneer een bedrijf failliet gaat. De curator moet ervoor zorgen dat er nog zo veel mogelijk geld uit de onderneming kan worden gehaald waarmee de schuldeisers kunnen. worden terugbetaald.
Crediteur Een persoon of bedrijf aan wie nog geld moet worden betaald.
F
Faillissement Een onderneming kan failliet verklaard worden wanneer zij niet meer instaat is om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. Wanneer een onderneming failliet gaat wordt er een curator aangesteld om een zo hoog mogelijke opbrengst voor de schuldeisers te verkrijgen.
M
Mediation Een mediator (bemiddelaar) kan worden aangesteld om het proces van onderhandelingen te ondersteunen en te begeleiden. Een mediator heeft enkel een adviserende rol.
R
Reorganisatie Reorganisatie is het hervormen van een bedrijf en gaat vaak gepaard met om plaatsing of ontslag van werknemers.
S
Schuldsanering Wanneer een natuurlijk persoon niet meer in staat is aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen kan een schuldsaneringtraject worden gestart om te voorkomen dat iemand niet meer in staat is uit zijn schulden te komen.
Schuldsaneringtraject Het schuldsaneringtraject is een traject waarin drie tot vijf jaar wordt gespaard om vervolgens alle schulden in een keer af te betalen. Wanneer er na dit traject nog een restschuld overblijft wordt dit door de schuldeisers kwijtgescholden.
Surseance van betaling Surseance van betaling is gericht op de continuering van de onderneming. Alleen bedrijven waarvan het management verwacht dat zij na een tijdelijk uitstel van betaling weer voort kan worden gegaan met de betaling van de schulden kan in aanmerking komen voor surseance.
C
Conservatoire fase Eerste fase van een faillissement. In deze fase wordt het vermogen van de schuldenaar door middel van beslag geconserveerd en zowel de aard als de omvang van het vermogen vastgesteld.
D
Debiteur Een persoon of bedrijf die nog geld moet betalen.
Definitieve surseance Na het horen van de schuldenaar, bewindvoerders en de schuldeisers kan de rechter definitieve surseance verlenen. Redenen om af te zien van definitieve surseance zijn: wanneer een vierde van de schuldeisers of wanneer een derde van de schuldenaars het er niet mee eens is, wanneer er vrees bestaat dat de schuldenaar zal proberen de schuldeisers te benadelen en wanneer er geen vertrouwen is dat de schuldenaar na verloop van tijd aan de schuldeisers zal kunnen voldoen.
E
Executoriale fase Tweede fase van een faillissement. In deze fase wordt het vermogen ten gelden gemaakt en de opbrengst onder de schuldeisers verdeeld.
Externe aansprakelijkheid Vorm van bestuursaansprakelijkheid waarbij de schuldeisers van de vennootschap op grond van onrechtmatige daad (art 8:162 BW) bestuurders aansprakelijk stellen. Deze vorm van aansprakelijkheid wordt vaak alleen gebruikt wanneer de onderneming onvoldoende verhaal biedt (bijvoorbeeld: betalingsonwil en selectieve betaling).
F
Faillissements- Vorm van bestuursaansprakelijkheid en tevens ook van de
aansprakelijkheid antimisbruik wetgeving die de misbruik van BV’s en nv ’s wil tegen gaan. Bestuurders kunnen verantwoordelijk worden gehouden voor de rest schuld die niet uit het faillissement konden worden betaald mits zij a) zijn taken kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en b) het aannemelijk is dat dat een belangrijk onderdeel is van het faillissement.
I
Interne aansprakelijkheid Vorm van bestuursaansprakelijkheid die ontstaat wanneer er spraken is van onbehoorlijke taakvervulling. Bestuurders kunnen op grond van dit artikel aansprakelijk worden gesteld wanneer hem of haar ernstige verwijten kan worden gemaakt over de uit het gevoerde beleid ontstane schulden.
Intrekken van surseance Zowel voorlopige als definitieve surseance kan worden ingetrokken op verzoek van de rechter-commissaris; op verzoek van de bewindvoerder of een of meer schuldeisers; door de rechtbank ambtshalve; op verzoek van de schuldenaar.
O
Onbehoorlijk bestuur Er is spraken van onbehoorlijk bestuur als ‘geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden- aldus gehandeld zou hebben’.
V
Voorlopige surseance De voorlopige surseance wordt door de rechter verleend en volgt direct na het indienen van het surseance verzoek. Bij de voorlopige surseance worden ook een of meer bewindvoerders aangesteld die met de schuldenaar het beheer over zijn zaken voeren. Voordat definitieve surseance volgt overlegt de rechter met de schuldenaar, de bewindvoerders en de schuldeisers.