Prestatiedoelen zijn de doelen van competentierelevant gedrag. De wetenschap heeft zich altijd vooral gericht op twee typen doelen, te weten leerdoelen (mastery goals) en streefdoelen (performance goals). Mensen met een leerdoel zijn vooral geïnteresseerd in het ontwikkelen van hun vaardigheden en kennis. Mensen met een streefdoel zijn vooral geïnteresseerd in het laten zien van hun vaardigheden en kennis en willen graag beter zijn dan anderen. De verschillende doelen zorgen voor verschillende perceptuele-cognitieve frameworks binnen de prestatiesettings en leiden tot verschillende processen en uitkomsten.
Het belangrijkste construct binnen het thema van de prestatiedoelen is de competentie. Competentie kan worden onderscheiden op twee dimensies, namelijk op welke manier men de eigen bekwaamheden beoordeelt, en op welke manier het doel gewaardeerd wordt.
Leren- en strevendimensie (definitie)
De leren- en strevendimensie betreft de definitie van de competentie. Competentie kan daarbij op drie manieren worden gedefinieerd:
Een absolute standaard. Dit betreft de eisen van de taak zelf; of iemand de taak kan uitvoeren.
Een intrapersoonlijke standaard. Dit betreft iemands eigen taakkundigheid; of iemand zijn prestatie heeft verbeterd of zijn maximale kundigheid heeft behaald.
Een normatieve standaard. Dit betreft de relatieve prestaties; in hoeverre iemand beter presteert dan een ander.
Omdat de absolute standaard en de intrapersoonlijke standaard zo moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn (het uitvoeren van een taak gaat immers vrijwel samen met de taakkundigheid van het kunnen uitvoeren er van), worden deze samengevoegd in één categorie. Deze categorie gaat dus over het definiëren van competentie in termen van persoonlijke vooruitgang en bevat de leerdoelen. De tweede categorie definieert de competentie in termen van superioriteit ten opzichte van anderen, de normatieve standaard, en bevat de streefdoelen.
Toenadering- en vermijdingsdimensie (waarde)
Competentie wordt beoordeeld ofwel op een toenaderingsmanier (een gewenste, positieve uitkomst) of een vermijdingsmanier (een ongewenste, negatieve uitkomst). Onderzoek toont aan dat deze beoordeling onbewust en onmiddellijk plaatsvindt. Dit beoordelingsproces, dat al bij kinderen te zien is en geaard is in de neuroanatomische structuur, leidt meteen tot een toenadering- of vermijdingsstrategie.
Vier doelen
De toenadering- en vermijdingsdimensie werd in eerste instantie alleen toegepast op de leerdoelen. Maar deze onderscheiding kan ook worden toegepast op de streefdoelen. Hierdoor ontstaan er dan geen drie, maar vier typen doelen:
Bij een leergericht toenaderingsdoel willen mensen zichzelf verbeteren.
Bij een leergericht vermijdingsdoel willen mensen voorkomen dat ze slechter gaan presteren.
Bij een streefgericht toenaderingsdoel willen mensen laten zien dat ze beter presteren dan anderen.
Bij een streefgericht vermijdingsdoel willen mensen voorkomen dat ze als incompetent worden gezien.
In dit onderzoek wordt de meeste aandacht gericht op het leervermijdingsdoel. Leergerichte vermijdingsdoelen leggen de nadruk op het vermijden van incompetentie. Voorbeelden zijn het voorkomen van het niet kunnen leren van het studiemateriaal, of het niet willen missen van een basketbalschot, of het niet incompleet kunnen laten van een kruiswoordpuzzel.
In dit onderzoek worden drie toetsen uitgevoerd. Ten eerste wordt er gekeken of leergerichte vermijdingsdoelen op een betrouwbare manier kunnen worden geoperationaliseerd. Ten tweede wordt gekeken of de vier doelen empirisch onderscheidbaar zijn en of de vier doelen beter bij de data passen dan de eerdere drie doelen. Ten derde wordt er gekeken op welke manier leergerichte vermijdingsdoelen gerelateerd zijn aan de andere doelen. Ten vierde worden de voorspellers van de doelen onderzocht. De twee categorieën van variabelen waar daarbij naar gekeken wordt, zijn motivationele disposities en klasse percepties. Motivationele disposities betreffen de behoeftes aan succes, de angst voor falen en zelfbeschikking. Klasse percepties gaan over de waargenomen klassenbetrokkenheid. Ten vijfde worden de vier doelen onderzocht als zijnde voorspellers van bepaalde proces- en uitkomstvariabelen. Deze toetsen worden nu afzonderlijk besproken.
Belangrijke resultaten
De belangrijkste resultaten kunnen als volgt worden opgesomd:
De vier doelconstructen zijn empirisch onderscheidbaar en intern consistent.
Leergerichte vermijdingsdoelen waren gegrond in faalangst, lage zelfbeschikking en waargenomen betrokkenheid in de klas, entiteitstheorie, negatieve feedback van de ouders en geuite zorgen van de ouders en competentiebeoordeling. Ook waren deze doelen positieve voorspellers van ongeorganiseerd studeren, testangst en emotionaliteit.
Entiteitstheorie was een positieve voorspeller van leergerichte vermijdingsdoelen en de incrementele theorie was een negatieve voorspeller. Entiteitstheorie gaat over het geloof dat mensen hebben dat psychologische attributen vaststaan en aangeboren zijn in plaats van zich gradueel ontwikkelen, terwijl de incrementele theorie stelt dat intelligentie een kenmerk is dat zich door training kan ontwikkelen.
Ouderlijke, op de persoon gerichte negatieve feedback, zowel van de moeder als de vader, was een voorspeller van het ontstaan van leergerichte vermijdingsdoelen.
De resultaten uit dit onderzoek bevestigen het bestaan van het nieuwe construct (leergerichte vermijdingsdoelen) en dat het nieuwe viervoudige model beter past bij de data dan het eerdere drievoudige model. Gezien de antecedenten van leergerichte vermijdingsdoelen kan gesteld worden dat de theorie van de auteurs bevestigd wordt en dat leergerichte vermijdingsdoelen een negatievere set van antecedenten heeft dan leergerichte toenaderingsdoelen, maar wel een positievere set van antecedenten dan streefgerichte vermijdingsdoelen. Ook is bevestigd dat leergerichte vermijdingsdoelen negatievere gevolgen hebben dan leergerichte toenaderingsdoelen, maar positievere gevolgen dan streefgerichte vermijdingsdoelen.