Boeksamenvatting bij de 14e druk van Compendium van het Nederlands vermogensrecht van Hijma en Olthof


Wat houdt het Nederlandse vermogensrecht in? - Chapter 1

Hoe is het Burgerlijk Wetboek ingedeeld?

Het Nederlands Burgerlijk Wetboek (BW) bestaat uit tien boeken. Voor boek 9 is er nog geen wetsvoorstel verschenen. Dit heeft echter geen haast, omdat het intellectuele eigendom vooral door internationale regelingen wordt beheerst.

Wat houdt het begrip vermogensrecht in?

Het vermogensrecht regelt de subjectieve rechten en verplichtingen die onderdeel van een vermogen vormen. Boek 1 en 2 bevatten vooral personenrecht; de Boeken 3 tot en met 9 omvatten het vermogensrecht. In tegenstelling tot een objectief recht, ziet een subjectief recht op een aan een bepaald persoon toekomend recht (art. 3:1, 3:6).

Hoe is het vermogensrecht geregeld in het BW?

In het vermogensrecht wordt een onderscheid gemaakt binnen de goederen: tussen zaken en vermogensrechten, zie art. 3:1 BW. Zo ziet Boek 3 op alle goederen en Boek 4 op de overgang van goederen na overlijden. Boek 5 bevat rechten die kunnen bestaan op zaken, de Boeken 6 tot en met 8 zien op de vorderingsrechten en Boek 9 heeft betrekking op de rechten op voortbrengselen van de geest.

In welke drie delen kan het vermogensrecht worden ingedeeld?

Het vermogensrecht omvat het goederenrecht en het verbintenissenrecht. Bij het goederenrecht gaat het om de verhouding van een persoon tot een bepaald goed en zijn de regels vooral dwingendrechtelijk en statisch van aard (Boeken 3 en 5). Terwijl het bij het verbintenissenrecht gaat om een verhouding tussen personen onderling, het voornamelijk regelend recht bevat en dynamisch van aard is (Boeken 6-8).

Daarnaast zijn er in Boek 3 algemene bepalingen te vinden die zowel zien op het goederenrecht als op het verbintenissenrecht.

Deze samenvatting bestaat uit drie hoofdonderdelen:

  • A. Het algemene deel: Boek 3 BW (In samenvatting: Chapter 1 t/m 5)

  • B. Het goederenrecht: Boeken 3 en 5 BW (In samenvatting: Chapter 6 t/m 17)

  • C. Het verbintenissenrecht, Boeken 6, 7 en 7A BW. (In samenvatting: Chapter 18 t/m 37)

Op welke wijze heeft internationaal recht invloed op ons vermogensrecht?

Het vermogensrecht is voorwerp van een toenemende internationalisering. Deze ontwikkeling komt tot uitdrukking in verdragen en Europese richtlijnen en verordeningen. Zo zijn er veel richtlijnen gemaakt met betrekking tot de consumentenbescherming. Richtlijnen hebben geen directe horizontale werking (particulieren kunnen zich niet jegens elkaar rechtstreeks op richtlijnen beroepen). Men kan zich wel beroepen op de nationale wetgeving waarin de richtlijn is geïmplementeerd. Nationale rechters zijn gehouden tot een richtlijnconforme interpretatie, zij moeten hun nationale recht uitleggen in overeenstemming met de richtlijn.

Hoe is het BW genummerd?

Het BW is genummerd per Boek. In de praktijk wordt eerst het boeknummer genoemd, gevolgd door het artikelnummer: b.v. art. 6:228 BW.

Hoe moet worden gezocht in het BW?

Het BW heeft een gelaagde structuur: eerst worden de algemene bepalingen besproken, gevolgd door de meer specifieke bepalingen. Tenzij er gebruik wordt gemaakt van een schakelbepaling, waarin bepaalde artikelen van overeenkomstige toepassing worden verklaard op bepaalde gevallen.

Van welke literatuur over het vermogensrecht kan gebruik gemaakt worden?

Enkele voorbeelden zijn:

Welke tijdschriften kennen we?

  • Nederlandse Jurisprudentie (NJ), dit tijdschrift bevat arresten van de HR, maar ook van het HvJ van de EU en het EHRM.

  • Rechtspraak van de Week (RvdW). Hier worden alle civielrechtelijke uitspraken van de HR gepubliceerd of kort gepresenteerd.

  • Ars Aequi (AA). Dit is een blad voor en door juridische studenten, met artikelen, een wetgevingsgrubriek en door hoogleraren verzorgde annotaties.

  • Nederlandse Juristenblad (NJB). Dit blad bevat artikelen, mededelingen en een uittreksel van de in de Rechtspraak van de Week verschijnende arresten.

  • Nederlands Tijdschrift voor Burgerlijk Recht (NTBR). Dit bevat kronieken, artikelen en annotaties.

  • Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie (WPNR). Dit is van oudsher een belangrijk privaatrechtelijk tijdschrift met artikelen en mededelingen.

Welke internetbronnen kennen we?

Veel juridische tijdschriften zijn ook online te vinden. De belangrijstek vindplaatsen hiervoor zijn:

Wat zijn de belangrijke begrippen in het vermogensrecht? - Chapter 2

Wat is de inhoud van Boek 3?

Boek 3 BW bestaat uit elf titels.

De algemene vermogensrechtelijke regels uit Boek 3 kunnen worden verdeeld in twee groepen:

  1. Bepalingen van algemene aard, die voor het complete vermogensrecht (verbintenissenrecht en goederenrecht) relevant zijn:

    1. Begrippen, afdeling 3.1.1.

    2. Rechtsvorderingen, titel 3.11

    3. Volmacht en rechtshandelingen, titels 3.2 en 3.3

  2. Goederenrechtelijke bepalingen:

    1. Verkrijgen en verliezen van goederen, titels 3.4 en 3.1.2

    2. Goederenrechtelijke rechtsverhoudingen, titels 3.5-3.10

Wat is de inhoud van de afdelingen 3.1.1, 3.1.1A en 3.1.1B?

Afdeling 3.1.1 bevat begripsbepalingen van goederen, vermogensrechten, zaken, bijzondere goederen, de redelijkheid en billijkheid, de goede trouw, de strijd met publiekrechtelijke regels en het misbruiken van bevoegdheid. Afdeling 3.1.1A ziet op elektronisch vermogensrechtelijk rechtsverkeer en afdeling 3.1.1B op het voeren van een administratie.

Wat zijn goederen?

Wat zijn goederen, zaken en vermogensrechten?

Een goed (art. 3:1 BW) is een zaak (art. 3:2 BW): een voor de menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object, of een vermogensrecht (art. 3:6 BW): een overdraagbaar recht dat betrekking heeft op het verschaffen van stoffelijk voordeel. Dieren vallen volgens de wet ook onder het begrip zaken. Maar gedachten, merken en de lucht vallen niet onder het begrip zaken, omdat dit geen voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten zijn. Schulden zijn geen goederen, het vorderingsrecht van de schuldeiser is echter wel een goed.

Hoe worden zaken onderscheiden?

Wat zijn roerende en onroerende zaken?

Bij zaken kan een onderscheid worden gemaakt tussen roerend en onroerend. Roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn. Vervolgens bepaalt artikel 3:3 BW wat er onder het begrip onroerend valt (o.a. de grond en daarmee verenigde beplantingen en gebouwen). In dit kader is HR Portacabin van belang. Deze opsomming is limitatief. Bestanddelen van onroerende zaken, zoals beplantingen, zijn overigens ook onroerend.

Wat zijn bestanddelen?

Daarnaast bestaan er bestanddelen (art. 3:4 BW). Bestanddelen zelf zijn geen (zelfstandige) zaken, zij gaan op in de zaak waarvan zij onderdeel zijn.

Artikel 3:4 BW geeft de volgende criteria:

  • Alles wat naar verkeersopvattingen deel uitmaakt van een zaak, is bestanddeel van die zaak. Bijvoorbeeld objecten zonder welke de zaak niet compleet zou zijn of wanneer de hoofdzaak en het object in constructief opzicht op elkaar zijn afgestemd. Zie ook HR Dépex/Curatoren Bergel.

  • Een zaak die zodanig met de hoofdzaak verbonden is, dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat een van beide zaken hierdoor beschadigt (bijvoorbeeld een ingemetselde gevelsteen).

Welke gevolgen heeft het zijn van bestanddeel?

Als een bestanddeel deel uit gaat maken van een andere zaak, dan zitten daar enkele gevolgen aan. Zo wordt de eigenaar van de hoofdzaak ook de eigenaar van alle bestanddelen van de zaak en bestanddelen van een onroerende zaak worden zelf ook onroerend.

Wordt geld gezien als een zaak?

Geld (contant) wordt over het algemeen behandeld als een naar de soort bepaalde zaak. Echter worden tegenwoordig veel transacties via de bank afgehandeld. Geld is dan niet meer -als een zaak- in het vermogen van een rechthebbende aanwezig, men krijgt een vordering op de bank (verbintenissenrecht).

Hoe worden vermogensrechten onderscheiden?

Wat zijn volledige rechten?

Hieronder vallen eigendom (art. 5:1 lid 1 BW), vorderingsrechten (geven recht op een door de schuldenaar te verrichten prestatie) en rechten op voortbrengselen van de geest (auteurs- en merkenrecht). Vorderingsrechten hebben een persoonlijk (relatief) karakter, zij werken slecht jegens een bepaalde schuldenaar. Rechten op voortbrengselen van de geest en het eigendomsrecht zijn absolute rechten, welke jegens iedereen werken.

Wat zijn beperkte rechten?

Een beperkt recht, art. 3:8, is afgeleid uit een meer omvattend recht (moederrecht), welke met het beperkte recht is bezwaard. Zowel een volledig recht als een (ander) beperkt recht kan dienen als moederrecht. Er kan een onderscheid worden gemaakt in gebruiksrechten (vruchtgebruik, erfpacht, opstal, erfdienstbaarheid) en zekerheidsrechten (pand en hypotheek). De beperkte rechten staan limitatief vermeld in de wet. Indien zij op alle goederen kunnen rusten, staan zij vermeld in Boek 3 BW: pand, hypotheek, vruchtgebruik. Beperkte rechten die enkel op (de eigendom van) zaken kunnen rusten staan in Boek 5 vermeld: opstal, erfpacht, erfdienstbaarheid. Beperkte rechten zijn vermogensrechten in de zin van art. 3:1 en 3:6.

Wat zijn zakelijke rechten?

Dit zijn alle rechten op zaken, zoals het eigendomsrecht en beperkte rechten op zaken (pand, hypotheek, erfpacht, opstal e.d.). De in Boek 3 opgenomen rechten zijn slechts zakelijk indien deze op een zaak worden gevestigd, terwijl de rechten uit Boek 5 altijd zakelijk zijn.

Wat zijn afhankelijke rechten?

Een afhankelijk recht is verbonden aan een ander recht en kan zonder dit andere recht niet bestaan (art. 3:7 BW). Een afhankelijk recht volgt dan ook het recht waaraan het verbonden is (art. 3:82 BW). Hieronder vallen onder meer pand, hypotheek, borgtocht, mandeligheid en erfdienstbaarheid.

Daarnaast bestaan er nog nevenrechten, maar deze kunnen alleen verbonden zijn aan een vorderingsrecht. Pand, hypotheek en borgtocht zijn dus zowel afhankelijke rechten als nevenrechten, omdat deze zijn verbonden aan een vorderingsrecht. Erfdienstbaarheid en mandeligheid zijn enkel afhankelijke rechten.

Welke bijzondere goederen zijn er?

Wat zijn vruchten?

Hierbij kan een onderscheid wordt gemaakt tussen natuurlijke vruchten (art. 3:9 lid 1, de zaak wordt naar verkeersopvatting aangemerkt als een vrucht van een andere zaak, zoals een appel of een ei) en burgerlijke vruchten (art. 3:9 lid 2, deze worden naar verkeersopvatting gezien als vruchten van goederen, zoals huur). Natuurlijke vruchten worden zelfstandige zaken door afscheiding, daarvoor vormen zij een bestanddeel en kunnen zij slechts als toekomstige goederen worden geleverd (art. 3:97). Burgerlijke vruchten worden zelfstandige zaken door het opeisbaar worden. Zie art. 3:9 lid 4. Het nieuw ontstane zelfstandige goed komt toe aan de rechthebbende op het vruchtdragende goed.

Wat zijn registergoederen?

Voor overdracht of vestiging van deze goederen is inschrijving in daartoe bestemde openbare registers vereist, art. 3:10. Onder registergoederen vallen onder meer een onroerende zaak, teboekgestelde luchtvaartuigen en schepen of een beperkt recht op een registergoed (bv. hypotheek).

Is goodwill een goed?

Goodwill is geen goed en kan dus niet als zodanig worden overgedragen.

Welke overige begripsbepalingen kent het vermogensrecht?

Wat houdt goede trouw (art. 3:11) in?

In art. 3:11 BW wordt aangegeven wanneer iemand niet te goeder trouw is:

a) Hij kende de feiten of het recht waarop zijn goede trouw betrekking heeft.

b) Hij kende de feiten of het recht niet, maar behoorde ze wel te kennen in de gegeven omstandigheden. Er is sprake van een bepaalde onderzoeksplicht, waarbij het volgende een rol speelt:

  • de mate waarin aanleiding voor twijfel bestaat;

  • het gewicht van de verrichte handeling;

  • de mogelijke druk uitgeoefend ten tijde van de handeling (onder welke de handeling is verricht).

Wat betreft de 'kennis van het recht' bedoelt de wetgever kennis van het objectieve recht. Bij onbekendheid met een rechtsregel zal er vrij snel vanuit worden gegaan dat de betrokkene de regel toch behoorde te kennen.

Wanneer is men te goeder trouw, niet te goeder trouw en te kwader trouw?

In de wet wordt het volgende onderscheid gemaakt:

  1. Te goeder trouw; een geobjectiveerd subjectief criterium, waarbij het gaat om kennis van de betrokken persoon (subjectief) en dan in het bijzonder om hetgeen hij behoorde te kennen (geobjectiveerd).

  2. Te kwader trouw; de bewuste persoon wist daadwerkelijk of vermoedde hoe de feiten waren of hoe het recht was (puur subjectief).

  3. Niet te goeder trouw; waar de wet een tegenstelling met goede trouw beoogt, spreekt zij van ‘niet te goeder trouw’. Hieronder valt zowel hij die weet als hij die behoort te weten.

Wat houdt de redelijkheid en billijkheid (art. 3:12) in?

De redelijkheid en billijkheid verwijzen naar maatstaven van ongeschreven recht die partijen jegens elkaar in acht moeten nemen. De redelijkheid en billijkheid wordt ingevuld door art. 3:12. In artikel 3:12 BW worden drie uitgangspunten genoemd waarmee, bij het zoeken naar het ongeschreven recht, rekening moet worden gehouden:

  1. Algemeen erkende rechtsbeginselen;

  2. De in Nederland levende rechtsovertuigingen;

  3. De maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het geval zijn betrokken.

De rechter moet in zijn uitspraak aangeven op welke ongeschreven rechtsregel hij zijn beslissing baseert. Dit is van belang voor een eventuele toetsing in cassatie.

Wanneer is er sprake van misbruik van bevoegdheid (art. 3:13)?

Een bevoegdheid is niet inroepbaar indien men deze misbruikt, art. 3:13 lid 1. Het gaat hier meestal om misbruik van een recht (b.v. het eigendomsrecht), maar het kan ook gaan om misbruik van een andere bevoegdheid of van een eigendomsrecht. In lid 2 van artikel 3:13 BW worden drie gevallen genoemd waarin sprake is van misbruik:

  1. Uitoefening van een bevoegdheid met een ander schade toe te brengen.

  2. Uitoefening met een ander oogmerk dan waarvoor de bevoegdheid is verleend.

  3. Wanneer de bevoegde persoon naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

Er bestaan echter bevoegdheden die vanwege hun aard niet vatbaar zijn voor misbruik (3:13 lid 3 BW). Daarnaast houdt bevoegdheid op waar het misbruik begint. Zo kan een te ver gaande uitoefening niet worden afgedwongen en het gedrag van de handelende wordt niet door zijn bevoegdheid gerechtvaardigd wanneer de bevoegdheid reeds te ver is ‘uitgeoefend’.

Wat geldt indien uitoefening van een privaatrechtelijke bevoegdheid strijd met het publiekrecht oplevert?

Een privaatrechtelijke bevoegdheid mag niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht. Artikel 3:14 BW borduurt voort op de zogenoemde doorkruisingsleer, welke in de jurisprudentie is ontwikkeld. Deze leer houdt in dat de overheid zich niet van een privaatrechtelijke bevoegdheid mag bedienen wanneer dat een publiekrechtelijke regeling op onaanvaardbare wijze zou doorkruizen. Dit is onder meer uitgewerkt in het arrest Staat/Windmill (HR 26-01-1990, NJ 1991, 393).

Hoe is het elektronisch vermogensrechtelijk rechtsverkeer geregeld?

Wat geldt ten aanzien van het elektronisch vermogensrechtelijk rechtsverkeer?

In de afdeling 3.1.1A zijn de richtlijnen ter zake van de elektronische handel en handtekening geïmplementeerd. Krachtens art. 3:15a heeft een elektronische handtekening dezelfde rechtsgevolgen als een geschreven rechtshandeling, indien aan enkele voorwaarden is voldaan. In de art. 3:15d-15e is bepaald welke gegevens de verleners van online diensten bekend moeten maken aan afnemers. Zie tevens de artikelen 6:196c, 6:227a-227c, 6:234 lid 2, 156a Rv en de Kadaster- en Telecommunicatiewet.

Stampvragen

Vraag 1

Waarin kunnen goederen worden onderverdeeld? Geef van beide begrippen een omschrijving en een voorbeeld.

Vraag 2

Wat is het verschil tussen roerende en onroerende zaken?

Vraag 3

Wat is een bestanddeel?

Vraag 4

Wat is een beperkt recht, een zakelijk recht en een afhankelijk recht?

Vraag 5

Zijn dieren goederen? En schulden? En goodwill?

Vraag 6

Wat houdt het begrip ‘goede trouw’ in?

Vraag 7

Wat houden de redelijkheid en billijkheid in?

Welke plaats heeft de rechtshandeling in het vermogensrecht? - Chapter 3

Wat is een rechtshandeling?

Een rechtshandeling is een handeling die ziet op een beoogd rechtsgevolg. Er zijn eenzijdige rechtshandelingen (tot stand gebracht door één persoon) en meerzijdige rechtshandelingen (tot stand gebracht door twee of meer personen, zoals de overeenkomst). Een eenzijdige rechtshandeling kan gericht zijn tot één of meerdere personen (bv. opzeggen van de huurovereenkomst, ontslag) of niet-gericht zijn (bv. het maken van een testament).

Wie is 'partij bij de rechtshandeling'?

De partij bij een rechtshandeling is degene die deze tot stand brengt. Bij eenzijdige niet-gerichte rechtshandelingen is maar één partij betrokken. Bij eenzijdige gerichte rechtshandelingen is één partij en ook een geadresseerde betrokken. Bij meerzijdige rechtshandelingen zijn minstens twee partijen betrokken, de partij en de wederpartij(en).

Wat staat er in titel 3.2?

De voor alle rechtshandelingen geldende regels staan in titel 3.2 (Rechtshandelingen). Ook titel 6.5.2 is van belang, deze geldt echter alleen voor overeenkomsten.

Wat bepaalt de schakelbepaling 3:59?

Titel 3.2 is geschreven met het oog op vermogensrechtelijke rechtshandelingen. De schakelbepaling art. 3:59 verklaart de regels van titel 3.2 echter ook van toepassing buiten het vermogensrecht, voor zover de aard van de rechtshandeling- of betrekking zich hier niet tegen verzet.

Hoe komt de rechtshandeling tot stand?

Op welke grondslag is de totstandkoming van rechtshandelingen gebaseerd?

De totstandkoming van rechtshandelingen is gebaseerd op een dubbele grondslag:

  1. De geopenbaarde wil (door middel van een verklaring, art. 3:33 BW). Dit is de primaire grondslag voor totstandkoming, de tweede grondslag is van subsidiair belang.

  2. Het opgewekte vertrouwen (art. 3:35 BW). Deze grondslag kan de rechtshandeling slechts laten ontstaan als de wil ontbreekt.

Grondslag I: wat zegt de wet over de geopenbaarde wil?

De wil moet door een verklaring zijn geopenbaard. Deze verklaring is in beginsel vormvrij en kan daardoor ook worden afgeleid uit gedragingen (art. 3:37 BW). Een vormvereiste kan echter voortvloeien uit wet of rechtshandeling, lid 1.

Op welk moment komt de rechtshandeling tot stand?

Om het moment te bepalen waarop de rechtshandeling tot stand komt, gebruikt de wetgever de genuanceerde ontvangsttheorie (art. 3:37 lid 3 BW): hoofdregel is dat de verklaring werking heeft vanaf het moment waarop zij degene aan wie zij is gericht heeft bereikt (verklaring moet dus zijn ontvangen; het speelt geen rol of de ander kennis heeft genomen van de verklaring). Deze verklaring heeft ook haar werking wanneer die de ander niet op tijd heeft bereikt en de oorzaak daarvan voor risico van de geadresseerde komt. De bewijslast rust echter op de afzender wanneer deze stelt dat de verklaring de ander heeft bereikt. Een verklaring die al is verzonden kan door een tweede verklaring worden ingetrokken, maar deze tweede verklaring moet de andere verklaring wel eerder of gelijktijdig bereiken (art. 3:37 lid 5 BW). In het geval van een mondelinge verklaring is intrekking feitelijk onmogelijk.

Wat als er sprake is van een discrepantie tussen verklaring en wil?

Het is ook mogelijk dat de wil afwijkt van de verklaring, bijvoorbeeld door een geestelijke stoornis, verspreking of een misverstand. In principe zal degene die een beroep doet op de afwijking (discrepantie) deze moeten bewijzen. De rechtshandeling komt dan niet tot stand op grond van art. 3:33, omdat de verklaring de wil niet heeft geopenbaard. De rechtshandeling kan alleen tot stand komen als dit wordt gerechtvaardigd op grond van het opgewekt vertrouwen, art. 3:35. De wetgever heeft in artikel 3:34 BW enkel de geestelijke stoornis nader geregeld.

Wat moet worden bewezen ingeval van een discrepantie wegens een geestelijke stoornis?

Men moet dan ingevolge art. 3:34 bewijzen dat er op het moment van het afleggen van de verklaring een (tijdelijke of blijvende) geestelijke stoornis bestond en het verband aantonen tussen de stoornis en de verklaring (stoornis belette redelijke waardering van de belangen of de verklaring werd onder invloed van de stoornis gedaan). Er is nog een weerlegbaar wettelijk vermoeden: de verklaring wordt vermoed te zijn gedaan onder invloed van de stoornis, als de rechtshandeling voor de gestoorde nadelig was. Als stoornis en verband zijn bewezen, dan wordt er vanuit gegaan dat de wil heeft ontbroken en daardoor is de rechtshandeling vernietigbaar (een eenzijdig niet-gerichte rechtshandeling is echter nietig), zie art. 3:34 lid 2.

Grondslag II: wanneer is er sprake van opgewekt vertrouwen in de zin van art. 3:35?

Dit artikel beschermt de geadresseerde of de wederpartij (B) in het geval van een discrepantie. Er moet zijn voldaan aan de volgende vereisten:

  • Een verklaring of gedraging van A.

  • B interpreteerde deze verklaring of gedraging als een tot hem gerichte verklaring met een bepaalde betekenis (subjectief element).

  • De opvatting van B kwam overeen met de zin die hij in de gegeven context redelijkerwijs aan A’s verklaring mocht toekennen (objectief element).

B moet dus gerechtvaardigd hebben vertrouwd op een door A gewekte schijn. Art. 3:35 vormt een uitwerking van art. 3:11. Soms heeft de ontvanger van de verklaring een bepaalde onderzoeksplicht. Een beroep op art. 3:35 is niet mogelijk als de situatie uit art. 3:37 lid 4 aan de orde is.

Welke bescherming biedt art. 3:35?

Als aan voorgaande vereisten is voldaan, kan A zich jegens B niet beroepen op het ontbreken van een met de verklaring overeenstemmende wil. De rechtshandeling is dan op grond van artikel 3:35 jo. 3:33 BW geldig tot stand gekomen. De beschermde hoeft zich echter niet op art. 3:35 te beroepen. Als art. 3:35 achterwege blijft, kan de andere partij het ontbreken van zijn wil wel inroepen. De rechtshandeling is dan niet tot stand gekomen.

Welke rol speelt 'nadeel' uit art. 3:35?

Bij artikel 3:35 BW kan er nog rekening worden gehouden met het geleden nadeel van het wel of niet tot stand komen van de rechtshandeling. Zo kan B soms een onderzoeksplicht hebben om zich ervan te verzekeren dat A beseft wat hij verklaart. Als B dit nalaat, kan er niet zijn voldaan aan de eis van gerechtvaardigd vertrouwen. Daarnaast kan er voldaan zijn aan alle eisen van 3:35 BW, maar toch sprake zijn van strijd met de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW). Bijvoorbeeld wanneer A veel nadeel zou ondervinden van de rechtshandeling, maar B geen nadeel ondervindt als de rechtshandeling niet tot stand komt.

Samenvattend: wat geldt ten aanzien van de totstandkoming van een rechtshandeling?

De volgende gevallen kunnen zich dus voordoen:

  1. Overeenstemming wil en verklaring, waardoor een rechtshandeling tot stand komt (art. 3:33 BW).

  2. Geen overeenstemming van wil en verklaring, maar een geslaagd beroep op gerechtvaardigd vertrouwen waardoor de rechtshandeling tot stand komt (art. 3:35 jo. 3:33 BW).

  3. Wil en verklaring stemmen niet overeen en er wordt geen (geslaagd) beroep gedaan op artikel 3:35 BW. Er komt dan geen rechtshandeling tot stand. Uitzondering wordt gevormd door artikel 3:34 BW: bij een rechtshandeling van een geestelijk gestoorde komt er wel een rechtshandeling tot stand, maar deze is vernietigbaar of nietig (art. 3:34 lid 2 BW).

Wat is een rechtshandeling onder tijdsbepaling of voorwaarde?

Rechtshandelingen kunnen onder een voorwaarde of tijdsbepaling worden verricht, tenzij uit de aard van de rechtshandeling of uit de wet anders voortvloeit, art. 3:38 lid 1.

Voorwaarde: de werking van de rechtshandeling is afhankelijk van een toekomstige gebeurtenis waarvan onzeker is of deze zal intreden.

Tijdsbepaling: de werking van de rechtshandeling is afhankelijk van een toekomstige gebeurtenis die met zekerheid zal intreden, ook al is het moment van intreden onzeker.

Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen een opschortende voorwaarde of tijdsbepaling: de rechtshandeling werkt vanaf het moment waarop de gebeurtenis plaatsvindt, en een ontbindende voorwaarde/tijdsbepaling: de rechtshandeling werkt direct, maar vervalt op het moment waarop de gebeurtenis plaatsvindt. Op het moment dat de gebeurtenis plaatsvindt treden de rechtsgevolgen in zonder terugwerkende kracht.

Wat zijn gronden van nietigheid (van rechtswege) en vernietigbaarheid?

Hoe kunnen de nietigheden worden onderverdeeld?

De nietigheden kunnen worden onderverdeeld naar de wijze van intreden:

  • Nietigheid van rechtswege. Er hoeft geen beroep op te worden gedaan.

  • Vernietigbaarheid. De rechtshandeling is geldig totdat de bevoegde zich op de vernietigbaarheid beroept. Na de vernietiging wordt de rechtshandeling geacht vanaf het begin af aan nietig te zijn geweest.

De nietigheden kunnen verder worden onderverdeeld naar de gevolgen:

  • Hoofdregel: absolute nietigheid. Iedereen kan zich jegens eenieder beroepen op de nietigheid.

  • Uitzondering: relatieve nietigheid. De nietigheid werkt enkel ten nadele of ten gunste van bepaalde personen.

Welke algemene gronden van nietigheid en vernietigbaarheid zijn er?

  1. Handelingsonbekwaamheid (art. 3:32 BW) en handelingsonbevoegdheid (art. 3:43 BW).

  2. Strijd met de goede zeden, openbare orde of de wet, art. 3:39 en 3:40 BW.

  3. De wilsgebreken: bedrog, misbruik van omstandigheden en bedreiging, art. 3:44 BW en dwaling, art. 6:228 BW.

  4. De benadeling van schuldeisers (Pauliana), art. 3:45-48 BW.

Wat houdt handelings(on)bekwaamheid (art. 3:32) in?

Bij handelingsonbekwaamheid gaat het om ongeschiktheid om eigen rechtshandelingen te verrichten. Een handelingsonbekwame wordt vertegenwoordigd door een wettelijke vertegenwoordiger. Indien de vertegenwoordiger namens de handelingsonbekwame een rechtshandeling verricht, dan wordt de onbekwame partij bij deze rechtshandeling, art. 3:66 lid 1 jo. 3:78 BW. In beginsel is iedere natuurlijke persoon bekwaam om rechtshandelingen te verrichten, art. 3:32 lid 1, behalve minderjarigen (art. 1:233) en personen die onder curatele zijn gesteld (art. 1:381 lid 2 BW). Een minderjarige is voor bepaalde handelingen wel bekwaam wanneer hij handelt met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger (art. 1:234 lid 1 BW).

Er is een verschil tussen handelingsonbekwaamheid en het feitelijk ongeschikt zijn om een rechtshandeling te verrichten (art. 3:33/34, geestelijke stoornis). Bij handelingsonbekwaamheid is er sprake van een wettelijke ongeschiktheid. De gevolgen hiervan treden in, art. 3:35 is hier niet van toepassing. Daarnaast is er ook een verschil tussen handelingsonbekwaamheid en handelingsonbevoegdheid. Van dit laatste is sprake als een handelingsbekwame persoon bepaalde rechtshandelingen niet geldig kan verrichten, bijv. art. 3:43. Tot slot kan er ook sprake zijn van beschikkingsonbevoegdheid, men is dan niet bevoegd om een goed te vervreemden (verkopen) of te bezwaren met een beperkt recht, b.v. een dief of een failliet verklaarde persoon.

Wat is de reikwijdte van de handelingsonbekwaamheid?

Omdat de handelingsonbekwaamheid alleen ziet op het verrichten van eigen rechtshandelingen, heeft zij geen gevolgen ingeval van vertegenwoordiging (in andermans naam rechtshandelingen verrichten) en is het mogelijk om zich te beroepen op de rechtsgevolgen van feitelijke gedragingen (onrechtmatige daad).

Wat zijn de gevolgen van handelingsonbekwaamheid?

Indien een handelingsonbekwame in eigen naam een rechtshandeling verricht, dan is deze vernietigbaar (art. 3:32 lid 2 BW). Een eenzijdige niet-gerichte rechtshandeling is echter nietig.

Wat houdt handelingsonbevoegdheid (art. 3:43) in?

Handelingsonbevoegdheid is een bijzondere ongeschiktheid om bepaalde rechtshandelingen te verrichten, op grond van de wet. Hieronder vallen bijvoorbeeld advocaten, ambtenaren en met openbaar gezag beklede personen als het gaat om de verkrijging van bepaalde goederen, zie art. 3:43. De rechtshandelingen tot verkrijging zijn nietig en de verkrijger is verplicht om schadevergoeding te betalen.

Wat als een rechtshandeling niet aan een vormvereiste voldoet?

In beginsel is het verrichten van rechtshandelingen vormvrij, art. 3:37 lid 1 BW. Aan sommige rechtshandelingen verbindt de wet echter vormvereisten. Een rechtshandeling die niet in de voorgeschreven vorm is verricht, is in beginsel nietig, art. 3:39. Uit de wet kan echter anders voortvloeien, ook vernietigbaarheid is mogelijk.

Wanneer is er sprake van strijd met wet, goede zeden of openbare orde in de zin van art. 3:40?

Artikel 3:40 BW kan het beste schematisch worden samengevat:

 

In strijd met de formele wet

In strijd met de goede zeden of openbare orde

Verrichten van de rechtshandeling (totstandkoming/sluiten van de overeenkomst).

3:40 lid 2 en 3 BW: nietig of vernietigbaar.

 

Inhoud van de rechtshandeling: prestaties waartoe partijen zich verplichten.

 

3:40 lid 1: nietig

Strekking van een rechtshandeling, gevormd door: voorzienbare gevolgen of de motieven wat hij met resultaat van de rechtshandeling wil doen.

 

3:40 lid 1 BW: rechtshandeling is nietig, mits de gevolgen of motieven kenbaar waren voor de wederpartij.
Is niet aan deze kenbaarheid voldaan, dan is de overeenkomst geldig.

Wat geldt indien een rechtshandeling is verricht in strijd met de wet?

Voorbeeld: als de wet geen uitdrukkelijke sanctie aangeeft, dan dient er te worden getoetst aan artikel 3:40 lid 2 en 3 BW. Lid 2 is van toepassing als aan de volgende voorwaarden is voldaan: het voorschrift verbiedt het verrichten van een rechtshandeling (totstandkomingsfase) en als het gaat om een wet in formele zin. Daarnaast moet aan lid 3 worden voldaan: de bepaling is van dwingend recht en heeft de strekking de geldigheid van ermee strijdige rechtshandelingen aan te tasten. Als aan deze eisen is voldaan, dan is de rechtshandeling nietig. De rechtshandeling is vernietigbaar als de wetsbepaling alleen ziet op bescherming van één partij bij een meerzijdige rechtshandeling (overeenkomst).

3:40 lid 2 BW is echter niet van toepassing als het gaat om het schenden van vormvoorschriften.

Wat geldt ingeval van strijd met een wettelijk voorschrift?

Strijd met een wettelijk voorschrift heeft verder geen invloed op de geldigheid van de rechtshandeling, maar overtreding van het voorschrift kan dan wel een rol spelen bij de vraag of de inhoud of strekking van de rechtshandeling in strijd is met openbare orde. Als hier sprake van is, dan is de rechtshandeling nietig.

Of strijd met een wettelijke regel ook strijd met de openbare orde oplevert, is volgens de Hoge Raad afhankelijk van vier factoren:

  • welke belangen beschermd worden door de overtreden regel;

  • of fundamentele beginselen door de inbreuk worden geschonden;

  • of partijen zich bewust waren van de inbreuk op de regel;

  • of de overtreden regel zelf een sanctie vermeldt.

EU-recht neemt een bijzondere positie in: dit bevat bepalingen - denk aan het kartelverbod van art. 101 VWEU - die sommige overeenkomsten uit eigen kracht nietig maken. Art. 3:40 hoeft dan niet worden ingeroepen.

Wat geldt ten aanzien van strijd met goede zeden en/of openbare orde in de zin van art. 3:40 lid 1?

De termen openbare orde en goede zeden verwijzen naar de in onze samenleving geldende fundamentele normen van ongeschreven recht.

In art. 3:40 lid 1 wordt een onderscheid gemaakt tussen rechtshandelingen die door haar inhoud in strijd zijn met de openbare orde of goede zeden en tussen rechtshandelingen die door haar strekking in strijd zijn met de openbare orde of goede zeden. In het eerste geval gaat het bijvoorbeeld om een verboden prestatie. Rechtshandelingen die door haar inhoud in strijd zijn met de openbare orde of goede zeden zijn nietig. Rechtshandelingen die door haar strekking in strijd zijn met de openbare orde of de goede zeden zijn eveneens nietig.

Wat is een wilsgebrek?

Bij een wilsgebrek is er sprake van een wil en verklaring die overeenstemmen (aan art. 3:33 BW is voldaan), maar de wil is op een onzuivere manier tot stand gekomen. De rechtshandeling is dan vernietigbaar. Wilsgebreken: bedrog, bedreiging, misbruik van omstandigheden (art. 3:44 BW) en dwaling (art. 6:228 BW). De eerste drie gelden voor alle rechtshandelingen, dwaling geldt in beginsel alleen voor obligatoire overeenkomsten. Benadeling door de verrichte rechtshandeling is geen vereiste.

Wat zijn de vereisten voor vernietigbaarheid wegens bedreiging?

Vereisten voor vernietigbaarheid wegens bedreiging, art. 3:44 lid 2:

  • Bedreiging door een of meerdere personen, met enig nadeel in goed of persoon.

  • De bedreiging moet een redelijk oordelend mens kunnen beïnvloeden.

  • Er moet sprake zijn van een onrechtmatig karakter (wat betreft het toebrengen van het nadeel of het bedreigen).

  • Er moet een causaal verband bestaan tussen de rechtshandeling en de bedreiging.

Wat zijn de vereisten voor vernietigbaarheid wegens bedrog?

Vereisten voor vernietigbaarheid wegens bedrog, art. 3:44 lid 3:

  • Hanteren van een kunstgreep (het opzettelijk doen van een valse mededeling of het verzwijgen van een feit dat men moest mededelen).

  • Opzet om de ander te bewegen tot het verrichten van de rechtshandeling.

  • Causaal verband tussen de rechtshandeling en de kunstgreep.

Wat zijn de vereisten voor vernietigbaarheid wegens misbruik van omstandigheden?

Vereisten voor vernietigbaarheid wegens misbruik van omstandigheden, art. 3:44 lid 4:

  • Bijzondere omstandigheden (bijv. onervarenheid, afhankelijkheid, noodtoestand).

  • Misbruik (het bevorderen van de totstandkoming van een rechtshandeling terwijl men weet of moet begrijpen dat de ander door de bijzondere omstandigheden wordt bewogen en dat men weet of moet begrijpen dat men de ander zou moeten tegenhouden).

  • Causaal verband tussen de rechtshandeling en de omstandigheden.

Dat men door de rechtshandeling moet zijn benadeeld is geen vereiste!

Wanneer kan geen beroep worden gedaan op een wilsgebrek?

Artikel 3:44 lid 5 BW gaat uit van bescherming van de wederpartij of de geadresseerde. Men kan geen beroep doen op een wilsgebrek als de wederpartij geen reden had om het bestaan van het wilsgebrek te veronderstellen.

Kan een wilsgebrek leiden tot een schadevergoeding?

Men kan de rechtshandeling vernietigen, maar daarnaast ook een schadevergoeding vorderen op grond van artikel 6:162 BW. Soms is een beroep op onrechtmatige daad de enige mogelijkheid, bijvoorbeeld wanneer artikel 3:44 lid 5 BW van toepassing is (dan kan er geen beroep worden gedaan op het wilsgebrek) of de vernietigingsvordering reeds verjaard is (art. 3:52).

Wat houdt de actio Pauliana in?

Deze actie geeft de schuldeiser de mogelijkheid om de rechtshandelingen van de schuldenaar, die de schuldeiser in zijn verhaalsmogelijkheden beperken, te vernietigen.

Vereisten voor vernietigbaarheid zijn (art. 3:45 lid 1 BW):

  1. Een door de schuldenaar verrichte rechtshandeling.

  2. Er bestond voor de schuldenaar geen verplichting om de rechtshandeling te verrichten.

  3. De rechtshandeling benadeelt één of meer schuldeisers in hun mogelijkheden tot geldelijk verhaal.

  4. De schuldenaar wist of behoorde te weten dat de rechtshandeling voor benadeling zou zorgen.

  5. Er geldt een vijfde vereist indien de rechtshandeling eenzijdig of meerzijdig is en anders dan om niet: de geadresseerde of de wederpartij moet dan ook hebben geweten of behoren te weten dat de rechtshandeling zou zorgen voor benadeling (art. 3:45 lid 2 BW).

Het vierde en vijfde vereiste zijn lastig te bewijzen, daarom zijn in de artikelen 3:46-47 weerlegbare vermoedens opgenomen die de schuldeiser tegemoet komen.

Wat houdt de faillissementspauliana in?

Is de schuldenaar na het paulianeuze handelen failliet gegaan, dan geldt de Faillissementswet. In de Faillissementswet wordt in de art. 42-51 Fw. aangesloten bij de art. 3:45-48 BW. De vernietiging kan alleen geschieden door de curator ten behoeve van de boedel.

Wat zijn de gevolgen van nietigheid van rechtswege?

Wat zijn de geolgen van nietigheid van rechtswege?

Er kan ook sprake zijn van nietigheid van rechtswege, dus dat de rechtshandeling vanaf het begin al nietig is. Wanneer een prestatie reeds is verricht, kan het gepresteerde worden teruggevorderd op grond van onverschuldigde betaling. Een nietige rechtshandeling levert immers geen rechtsgrond voor de prestatie op. Nietigheid hoeft niet volledig of onherstelbaar te zijn: denk aan partiële nietigheid (art. 3:41), conversie (3:42) en bekrachtiging (3:58).

Wat houdt partiële nietigheid in?

Een gedeeltelijke nietigheid van de rechtshandeling (bijvoorbeeld een nietig beding in een overeenkomst); de rest blijft, voor zover mogelijk, voor het overige in stand (art. 3:41 BW).

Wat houdt conversie in?

Dit is de omzetting van de nietige rechtshandeling in een andere rechtshandeling die wel geldig is. Vereist is dat er sprake is van een nietige rechtshandeling en dat de strekking daarvan beantwoordt aan de strekking van de andere, wel geldige, rechtshandeling. Het is hierbij niet van belang of partijen de nietigheid kenden. Wordt aan beide vereisten voldaan, dan krijgt de rechtshandeling automatisch de werking van de wel geldige rechtshandeling. Conversie vindt niet plaats wanneer die onredelijk zou zijn jegens een belanghebbende (een derde).

Wat houdt convalescentie in?

Een ongeldige rechtshandeling wordt door een later intredende gebeurtenis toch geldig. Dit gebeurt van rechtswege, dus partijen hoeven er geen beroep op te doen. Bekrachtiging heeft terugwerkende kracht, waardoor de rechtshandeling al vanaf het begin geldig wordt geacht. Voor bekrachtiging gelden de volgende vereisten:
1) een rechtshandeling wordt verricht, maar is van rechtswege ongeldig omdat een wettelijk vereiste niet is vervuld; 2) dit wettelijke vereiste wordt later alsnog vervuld; 3) alle onmiddellijk betrokkenen hebben de handeling als geldig aangemerkt.

Wat zijn de gevolgen van vernietiging?

Op welke wijzen kan vernietiging plaatsvinden?

Enkel degene in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat kan vernietiging van een rechtshandeling bewerkstelligen. Er zijn twee manieren waarop een rechtshandeling kan worden vernietigd (art. 3:49 BW):

  1. Door een vormvrije buitengerechtelijke vernietigingsverklaring (art. 3:37 lid 3).

  2. Door middel van een vordering of als verweer een beroep te doen op vernietiging. De rechtshandeling wordt dan vernietigd bij rechterlijke uitspraak (art. 3:51 BW).

In de artikelen 3:50 lid 1, 3:51 lid 2 en 3:56 is te vinden jegens wie een verklaring gericht moet worden c.q. de vordering moet worden ingesteld.

Welke beperking geldt ingeval van de buitengerechtelijke weg bij registergoederen?

Ingeval van rechtshandelingen met betrekking tot registergoederen, die al zijn ingeschreven in de openbare registers, kan slechts buitengerechtelijk worden vernietigd als alle partijen in die vernietiging berusten (art. 3:50 lid 2 BW). Als partijen niet berusten, dan kunnen zij alleen nog naar de rechter stappen.

Op welke wijzen komt de vernietigbaarheid ten einde?

Het is ook mogelijk dat een partij geen beroep meer kan doen op vernietiging. Dit kan verschillende oorzaken hebben:

  1. Verjaring van de vordering tot vernietiging (art. 3:52 BW). Er geldt een verjaringstermijn van drie jaren. Na verloop van deze termijn is tevens een buitengerechtelijke vernietiging niet meer mogelijk.

  2. Bevestiging van de vernietigbare rechtshandeling (art. 3:55 lid 1 BW). Dit betreft een eenzijdige rechtshandeling, welke zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend kan plaatsvinden.

  3. Het laten verstrijken van de gestelde redelijke termijn (art. 3:55 lid 2 BW). Iedere onmiddellijk belanghebbende kan een redelijke termijn stellen waarin de bevoegde tot vernietiging kan kiezen tussen bevestiging en vernietiging. Als de ander niet kiest, dan vervalt het recht op beroep op vernietiging na het verstrijken van de redelijke termijn.

  4. Bij vernietiging van een meerzijdige rechtshandeling, op grond van misbruik van omstandigheden, is het mogelijk dat de rechtshandeling niet wordt vernietigd, maar in stand blijft met gewijzigde gevolgen (art. 3:54 BW).

Wat zijn de gevolgen van de vernietigng?

Vernietiging heeft terugwerkende kracht (art. 3:53 lid 1 BW). De rechtshandeling wordt geacht vanaf het begin nietig te zijn geweest. Wat al is gepresteerd, kan worden teruggevorderd op grond van onverschuldigde betaling (art. 6:203 e.v. BW). Indien een goed is overgedragen, is de vervreemder rechthebbende gebleven, art. 3:84 lid 1.

In sommige gevallen heeft vernietiging enkel beperkte gevolgen, denk aan partiële nietigheid (art. 3:41), conversie (art. 3:42), de rechter die de werking geheel of deels aan een vernietiging ontzegt of de Pauliana (art. 3:45).

Wanneer kan de rechter aan een vernietiging haar werking ontzeggen?

Daarnaast kan de rechter de werking - geheel of deels - ontzeggen aan vernietiging. Dit is mogelijk wanneer de rechtshandeling heeft geleid tot gevolgen die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden en een van de partijen dit verzoekt, zie art. 3:53 lid 2. De rechter kan bijvoorbeeld bepalen dat vernietiging geldt vanaf een bepaald toekomstig moment.

Wat zijn de gevolgen van vernietiging met de Pauliana?

Een vernietiging met de actio Pauliana, art. 3:45, heeft minder vergaande gevolgen dan de gevolgen die normaal gesproken met een vernietiging samenhangen. De vernietiging heeft alleen werking ten gunste van de schuldeiser die daar een beroep op doet en alleen voor zover dit noodzakelijk is voor het opheffen van zijn nadeel. Degene die een voordeel behaalt door een rechtshandeling om niet (zoals een schenking) wordt beschermd, wanneer hij wist noch behoorde te weten dat benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn en hij aantoont dat hij niet door de rechtshandeling is gebaat. Dan werkt de vernietiging niet tegen hem. Art. 3:45 lid 5 ziet op de bescherming van derden.

Hoe worden derden beschermd?

Wanneer is de derdenbescherming van art. 3:36 van toepassing?

Daarnaast is er nog een algemene bepaling voor derdenbescherming opgenomen in artikel 3:36 BW. Dit artikel is van toepassing als de derde (C) gerechtvaardigd heeft vertrouwd op een door de ander (A) gewekte schijn en de derde op grond van zijn vertrouwen heeft gehandeld. Het gevolg is dat A geen beroep kan doen op de onjuistheid van zijn veronderstelling.

Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen art. 3:36 en 3:35?

De derdenbescherming van art. 3:36 is anders dan de bescherming van artikel 3:35 BW, want die deze bepaling beschermt degene met of jegens wie de rechtshandeling wordt verricht (de wederpartij) en ziet alleen op wilsverklaringen. Artikel 3:36 BW ziet ook op andere gedragingen, zoals mededelingen en inlichtingen. Ingeval van art. 3:36 is bovendien vereist dat de derde heeft gehandeld in redelijk vertrouwen op de juistheid van zijn veronderstelling.

Wat is het toepassingsgebied van art. 3:36?

Dit artikel wordt gezien als restbepaling en zal alleen worden ingeroepen als de derde niet kan voldoen aan de vereisten van een andere speciale bepaling of wanneer er geen speciale regel is voor dat bepaalde geval.

Stampvragen

Vraag 1

Wat is een rechtshandeling? Noem een voorbeeld van een eenzijdige en van een meerzijdige rechtshandeling.

Vraag 2

Hoe komt een rechtshandeling tot stand? Geldt hierbij de ontvangst- of de verzendtheorie?

Vraag 3

Is de rechtshandeling geldig, nietig of vernietigbaar als deze is verricht onder invloed van een geestelijke stoornis?

Vraag 4

Wat is het verschil tussen een rechtshandeling onder voorwaarde en onder tijdsbepaling? En tussen een opschortende en een ontbindende voorwaarde/tijdsbepaling?

Vraag 5

Wat is het verschil tussen nietigheid en vernietigbaarheid? En tussen absolute en relatieve nietigheid?

Vraag 6

Noem vijf algemene gronden van vernietigbaarheid en nietigheid.

Vraag 7

Wat is handelingsonbekwaamheid? Wie zijn handelingsonbekwaam en welke gevolgen heeft dit voor een verrichte rechtshandeling?

Vraag 8

Wat is het verschil tussen handelingsonbekwaamheid en handelingsonbevoegdheid?

Vraag 9

Is een rechtshandeling die naar inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of openbare orde geldig, nietig of vernietigbaar?

Vraag 10

Wat is een wilsgebrek en welk gevolg heeft dit voor een verrichte rechtshandeling? Noem alle vier de wilsgebreken.

Vraag 11

Welke actie kan worden ingesteld als er sprake is van benadeling van schudeisers?

Vraag 12

Wat is partiële nietigheid, conversie en bekrachtiging?

Vraag 13

Welke twee manieren van vernietiging zijn er? Heeft vernietiging wel of geen terugwerkende kracht?

Vraag 14

Op welke wijzen kan vernietigbaarheid tot een einde komen?

Hoe geschiedt de vertegenwoordiging in het vermogensrecht? - Chapter 4

Wat is vertegenwoordiging?

Wanneer is er sprake van vertegenwoordiging?

Met vertegenwoordiging wordt meestal directe, onmiddellijke vertegenwoordiging bedoeld. Dit betekent dat een tussenpersoon een rechtshandeling verricht in naam van een ander: de rechtsgevolgen treden in voor de vertegenwoordigde (de tussenpersoon valt er als het ware tussenuit). De vertegenwoordigde wordt derhalve partij bij de rechtshandeling.

Hoe is het leerstuk vertegenwoordiging wettelijk geregeld?

De vertegenwoordiging wordt niet echt wettelijk geregeld, wel zijn er bepalingen opgenomen over vertegenwoordiging krachtens volmacht (titel 3.3). Een aantal van die bepalingen is ook van toepassing op andere situaties van vertegenwoordiging (art. 3:78 BW).

Wat zijn de belangrijkste gevallen van directe vertegenwoordiging?

De belangrijkste gevallen van directe vertegenwoordiging zijn:

  • Wettelijke vertegenwoordiging. Bijvoorbeeld een ouder (art. 1:245 lid 4 BW) of voogd en een curator.

  • Vertegenwoordiging van een rechtspersoon door haar bestuurders. Wie bevoegd is tot vertegenwoordiging en de omvang daarvan, wordt bepaald door de wet en statuten.

  • Vertegenwoordiging op grond van volmacht (art. 3:60 BW). De omvang wordt bepaald door de inhoud van de volmacht.

  • Vertegenwoordiging bij zaakwaarneming, mits de handeling in naam van de belanghebbende wordt verricht (art. 6:201 BW).

Wat houdt middellijke vertegenwoordiging in?

Daarnaast bestaat er ook nog middellijke, indirecte vertegenwoordiging. Dan verricht de tussenpersoon in eigen naam een rechtshandeling voor rekening van de ander (achterman). De rechtsgevolgen treden dan in voor de tussenpersoon zelf.

Is er sprake van een bevoegdheid of verplichting tot vertegenwoordiging?

Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen de bevoegdheid om namens een ander een rechtshandeling te verrichten en de verplichting om dit te doen. Meestal gaat dit hand in hand. Ingeval van een zuivere volmacht bestaat er echter alleen vertegenwoordingsbevoegdheid, maar geen verplichting tot vertegenwoordiging. Een verplichting kan bijvoorbeeld voortvloeien uit lastgeving (art. 7:414).

Wat is vertegenwoordiging krachtens volmacht?

Wat is volmacht?

Vertegenwoordiging krachtens volmacht

Volmachtgever

Gevolmachtigde

Derde

De volmachtgever geeft een volmacht aan de gevolmachtigde om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten (art. 3:60 lid 1 BW). Deze volmachtverlening is in principe vormvrij, tenzij de wet anders bepaalt. Men kan dus uitdrukkelijk een volmacht verlenen, maar ook stilzwijgend (bv. door het aanstellen van winkelpersoneel). De volmachtgever behoudt echter de mogelijkheid om de rechtshandeling zelf te verrichten.

Wat is een bode?

Een bode is geen gevolmachtigde; hij legt zelf geen verklaring af, maar brengt slechts andermans verklaring over. Titel 3.3 is dan ook niet van toepassing op de bode.

Hoe wordt de volmacht uitgeoefend?

Artikel 3:66 lid 1 BW bepaalt dat een rechtshandeling qua gevolgen de volmachtgever treft, indien de gevolmachtigde handelde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid en in naam van de volmachtgever. De gevolmachtigde wordt zelf niet gebonden, maar valt er als het ware tussenuit. De volmachtgever wordt partij bij de rechtshandeling. De volmachtgever wordt echter niet gebonden wanneer de gevolmachtigde zijn bevoegdheid overschrijdt. De vraag of de handelende persoon 'in naam van' de volmachtgever heeft gehandeld is feitelijk van aard. In dit verband is HR Kribbebijter van belang. Tot slot kan een volmacht tevens worden verleend om een verklaring van een derde in ontvangst te nemen. De gevolmachtigde is dan de geadresseerde, art. 3:60 lid 2. Voor de gevolgen of de geldigheid van de rechtshandeling is de wil of wetenschap van de handelende persoon c.q. de volmachtgever van belang. Hierbij speelt de 'leer van het grootste aandeel' een rol. Hoe ruimer de inhoud van de volmacht, des te eerder is de wetenschap of wil van de gevolmachtigde van belang.

Hoe zit het met volmacht en handelingsonbekwaamheid?

Als de gevolmachtigde handelingsonbekwaam is, dan heeft dit verder geen invloed op de volmachtverlening. Hij valt er immers tussenuit (art. 3:63 BW). Onbekwaamheid speelt alleen een rol bij het verrichten van rechtshandelingen voor zichzelf.

Handelingsonbekwaamheid speelt wel een rol als het de volmachtgever betreft. De rechtshandeling is dan geldig, nietig of vernietigbaar op dezelfde wijze als wanneer zij door een onbekwame zelf tot stand zou zijn gekomen (art. 3:63 lid 2 BW). Zie daarvoor artikel 3:32 BW.

Op welke wijzen eindigt de volmacht?

Artikel 3:72 BW geeft aan wanneer een volmacht eindigt. Dit gebeurt onder meer bij de dood van de volmachtgever of gevolmachtigde of bij herroeping door de volmachtgever. De opsomming in art. 3:72 is niet limitatief. Zie tevens art. 3:74 voor de vraag of van de gronden kan worden afgeweken. Een onherroepelijke volmacht is niet herroepbaar, en in sommige gevallen blijft een gevolmachtigde na het intreden van een beëindigingsgrond in zekere mate nog vertegenwoordigingsbevoegd (art. 3:73).

Wat zijn de regels als een toereikende volmacht ontbreekt?

Wat als een toereikende volmacht ontbreekt?

Het is mogelijk dat een toereikende volmacht ontbreekt. Als de gevolmachtigde een rechtshandeling verricht zonder daartoe bevoegd te zijn, dan komt er geen rechtshandeling tot stand. Dit is de hoofdregel. Er is immers niet voldaan aan de vereisten van artikel 3:66 lid 1 BW. De wet geeft enkele uitzonderingen waardoor er toch een rechtshandeling kan ontstaan in zo’n geval: door bekrachtiging van de rechtshandeling (art. 3:69) en door een beroep op de bescherming van gerechtvaardigd vertrouwen. In dit laatste geval moet onderscheid worden gemaakt tussen twee situaties: 1) er heeft nooit een toereikende volmacht bestaan (art. 3:61 lid 2) of 2) er bestond een toereikende volmacht, maar deze was op het moment waarop de rechtshandeling wordt verricht al beëindigd (art. 3:76).

Wat geldt ten aanzien van bekrachtiging (art. 3:69)?

Door bekrachtiging door de pseudo-volmachtgever wordt het gebrek in de bevoegdheid geheeld (art. 3:69 BW). De bekrachtiging heeft terugwerkende kracht, waardoor er vanaf het begin van de rechtshandeling sprake was van een toereikende volmacht. Bekrachtiging betreft een eenzijdige rechtshandeling, welke vormvrij is. Geldt voor de volmachtverlening echter een vormvereiste, dan geldt deze ook voor de bekrachtiging, art. 3:69 lid 2.

Wanneer vervalt de bekrachtigingsbevoegdheid?

De wederpartij heeft echter geen zekerheid dat de volmachtgever zal bekrachtigen. De wet biedt twee mogelijkheden om aan deze onzekerheid een einde te maken: 1) hij kan aangeven dat hij de rechtshandeling ongeldig vindt vanwege het ontbreken van volmacht (3:69 lid 3 BW); een latere bekrachtiging heeft dan geen effect. 2) hij kan een redelijke termijn stellen voor bekrachtiging (art. 3:69 lid 4). Als deze termijn verstrijkt zonder bekrachtiging, dan is de rechtshandeling ongeldig.

Welke bescherming biedt art. 3:61 lid 2?

De wederpartij/derde kan eventueel een beroep doen op bescherming van gerechtvaardigd vertrouwen (art. 3:61 lid 2 BW). Vereist is dat de wederpartij, in geval van een ontoereikende volmacht, gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de gewekte schijn van bevoegdheid van de ander. Als aan deze vereisten is voldaan, dan kan er geen beroep worden gedaan op het ontbreken van de volmacht. Er is dan een geldige rechtshandeling tot stand gekomen.

Wat als een geldige volmacht reeds is geëindigd op het moment waarop de rechsthandeling wordt verricht?

Artikel 3:76 BW geeft bescherming wanneer een verleende volmacht is geëindigd op het moment waarop de rechtshandeling wordt verricht. Dit feit kan slechts aan de ander worden tegengeworpen als de wederpartij het einde van de volmacht of de oorzaak van de beëindiging kende. Daarop zijn een aantal uitzonderingen geformuleerd, waardoor het einde van de volmacht toch tegen een ieder kan worden ingeroepen, ongeacht de kennis van het einde:

  • Het einde of de oorzaak daarvan is aan de wederpartij medegedeeld of bekend gemaakt.

  • De volmacht eindigt door de algemeen bekende dood van de volmachtgever.

  • De volmacht eindigt door voor derden kenbare beëindiging van een aan- of tewerkstelling.

  • Het gaat om een volmacht waarvan de wederpartij slechts kennis had genomen door een verklaring van de gevolmachtigde.

Als één van deze uitzonderingen zich voordoet, dan is de rechtshandeling tot stand gekomen alsof de volmacht nog bestond.

Kunnen erfgenamen van de volmachtgever worden gebonden?

Soms brengt de gevolmachtigde, ondanks het overlijden van de volmachtgever, alsnog een geldige rechtshandeling tot stand. De erfgenamen zijn dan gebonden alsof de rechtshandeling bij het leven van de volmachtgever was verricht, mits inderdaad nog een geldige rechtshandeling is verricht (zie vorige paragrafen), art. 3:77.

Hoe zit het met de aansprakelijkheid van de pseudo-gevolmachtigde?

De gevolmachtigde wordt niet zelf gebonden door zijn rechtshandeling, omdat hij die niet in eigen naam verricht. Hij kan echter wel schadeplichtig zijn (art. 3:70 BW): hij staat in voor het bestaan en de omvang van zijn volmacht. Zo kan hij worden aangesproken voor schade als achteraf blijkt dat de bevoegdheid ontbrak. De wederpartij heeft dan recht op vergoeding van het positieve belang: men moet financieel in de toestand gebracht worden alsof er wel een volmacht had bestaan en de rechtshandeling dus tot stand zou zijn gekomen.
Deze regel gaat niet op wanneer de wederpartij weet of behoort te begrijpen dat een toereikende volmacht ontbreekt of indien de gevolmachtigde de inhoud van zijn volmacht volledig aan de wederpartij heeft medegedeeld. Artikel 3:76 lid 2 BW ziet op het geval van een oud-gevolmachtigde. Beide artikelen zien op de aansprakelijkheid van de tussenpersoon jegens de derde.

De aansprakelijkheid van de tussenpersoon jegens een derde is geregeld in art. 3:70 en 3:76 lid 2. Of een tussenpersoon aansprakelijk is jegens de achterman, is afhankelijk van de tussen hen bestaande rechtsverhouding.

Stampvragen

Vraag 1

Wat is directe, onmiddellijke vertegenwoordiging? En indirecte, middellijke vertegenwoordiging?

Vraag 2

Wanneer wordt de volmachtgever gebonden aan een rechtshandeling die is verricht door de gevolmachtigde?

Vraag 3

In welke gevallen kan een rechtshandeling toch tot stand komen indien een toereikende volmacht ontbreekt?

Vraag 4

Kan de gevolmachtigde schadeplichtig zijn als hij zijn bevoegdheid op grond van de volmacht overschrijdt? Zo ja, wat is de omvang van de schadevergoeding?

Wat houdt de rechtsvordering in? - Chapter 5

Wat is een rechtsvordering?

Een rechtsvordering wordt bij de rechter ingesteld en strekt tot de handhaving of uitvoering van de rechtspositie van de eiser. Titel 3.11:

  • Algemene bepalingen, art. 3:302-305d BW

  • De vordering tot nakoming en reële executie, art. 3:296-301 BW

  • De verjaring van rechtsvordering, art. 3:306-325 BW

Wat zijn de algemene bepalingen omtrent rechtsvorderingen?

Wat volgt uit de algemene bepalingen 3:302-305?

De algemene bepalingen hierover zijn neergelegd in de artikelen 3:302-305 BW. Van belang is dat het gaat om een declaratoir vonnis, waarbij de rechter een verklaring van recht omtrent de rechtsverhouding tussen eiser en gedaagde uitspreekt. Daarnaast is voldoende belang bij het instellen van de vordering vereist, art. 3:303. Het belang dient de gerechtelijke procedure te rechtvaardigen, wat meestal het geval zal zijn. Een rechtsvordering kan niet worden afgesplitst van het recht tot bescherming waarvan zij dient, art. 3:304. Een enkele rechtsvordering kan dus niet worden overgedragen, het beschermde recht wel. De bevoegdheden die ingevolge art. 3:296 e.v. aan de rechter zijn toegekend, komen ook toe aan arbiters, art. 3:305.

Wanneer is een collectieve actie (3:305a-d) mogelijk?

Er bestaat, voor gevallen waarin meerdere personen een gelijk belang hebben, het collectief actierecht (art. 3:305a BW).

Wat houdt de vordering tot nakoming en de reële executie in?

Wat houdt de vordering tot nakoming in?

Ten tweede bestaat er de vordering tot nakoming (art. 3:296 BW). De wederpartij kan tot nakoming worden veroordeeld. De uitspraak van de rechter vormt dan ook gelijk de basis voor het instellen van dwangmiddelen of reële executie. Een gedaagde wordt niet tot nakoming veroordeeld, indien dit volgt uit de wet, de aard van de verplichting of een rechtshandeling, of wanneer nakoming niet mogelijk is.

Wat is reële executie?

Bij reële executie, de tenuitvoerlegging van een veroordelend vonnis, is er een onderscheid te maken tussen:

  • Directe reële executie. Dit kan bestaan uit een verplichting tot, een feitelijk doen (art. 3:299 BW) of nalaten of tot het verrichten van een rechtshandeling (art. 3:300 BW). Dit kan men uitvoeren met behulp van een deurwaarder of men kan zelf het vonnis uitvoeren op kosten van de gedaagde (art. 3:299 BW). Voor dit laatste is echter wel een machtiging van de rechter vereist.

  • Indirecte reële executie. Hieronder vallen de dwangsom (art. 611a e.v. Rv) en de lijfsdwang (gijzeling, art. 585-600 Rv.)

Hoe geschiedt reële executie bij verplichtingen tot afgifte?

Ingeval van een vonnis dat veroordeelt tot afgifte kan de eiser een deurwaarder inschakelen die de zaak onder zich neemt en afgeeft aan de gerechtigde. Zie voor roerende zaken art. 491-500 Rv. en voor ontruiming van onroerende zaken art. 555-558 Rv. Een dergelijke afgedwongen prestatie heeft dezelfde rechtsgevolgen als een vrijwillige nakomng, art. 3:297.

Hoe geschiedt reële executie bij verplichtingen tot een feitelijk doen of nalaten?

Naast een veroordelend vonnis is voor de reële executie een speciale machtiging vereist. Zie art. 3:299 voor de wijzen van reële executie bij verplichtingen tot een feitelijk doen (lid 1) of nalaten (lid 2).

Hoe geschiedt reële executie bij verplichtingen tot het verrichten van een rechtshandeling?

De reële executie van een vonnis dat veroordeelt tot het verrichten van een rechtshandeling is geregeld in art. 3:300.

Wat als rechten op levering met elkaar botsen?

Er kan zich de situatie voordoen dat twee of meer schuldeisers botsende rechten op levering ten aanzien van hetzelfde goed hebben. In beginsel gaat dan het oudste recht voor (art. 3:298 BW). De schuldenaar blijft echter jegens beide schuldeisers gebonden. Hij moet dan ook het goed aan de ene schuldeiser leveren en is jegens de andere schuldeiser aansprakelijk voor de tekortkoming in de nakoming (art. 6:74 e.v. BW). Indien de schuldenaar al heeft geleverd, dan is artikel 3:298 BW niet van toepassing. Uit de wet, de aard van de betrokken rechten en uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen uitzonderingen voortvloeien op het beginsel dat het oudste recht voorgaat.

Wat wordt bedoeld met dwangsom en lijfsdwang?

Deze indirecte executiemiddelen zijn bedoeld om de veroordeelde te prikkelen tot nakoming van zijn verplichting. De dwangsom (geldsom die verschuldigd is wanneer niet aan de hoofdveroordeling wordt voldaan) is geregeld in de art. 611a-611i Rv. en de lijfsdwang (opsluiten in de cel) in de art. 585-600 Rv.

Hoe verjaren rechtsvorderingen?

Verjaring van rechtsvorderingen: wat is extinctieve verjaring?

Extinctieve verjaring van rechtsvorderingen is geregeld in art. 3:306-325 BW. Extinctieve (vernietigende) verjaring van een rechtsvordering heeft zwakke werking. De rechtsvordering zelf gaat teniet, maar het erdoor beschermde recht blijft bestaan. Wanneer de aan een vorderingsrecht verbonden rechtsvordering verjaart, blijft enkel een natuurlijke verbintenis over (art. 6:3 lid 2 sub a). Het recht kan in rechte dus niet meer worden afgedwongen. De verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak is geregeld in de artikelen 3:324 en 325. Extinctieve verjaring wordt geplaatst tegenover de acquisitieve (verwervende) verjaring in het goederenrecht, artikel 3:99 e.v. BW.

Welke verjaringstermijn geldt ten aanzien van een rechtsvordering?

Een rechtsvordering verjaart in beginsel na twintig jaar (3:306), maar de wet voorziet in een aantal uitzonderingen:

  1. In titel 3.11 geldt voor een aantal rechtsvorderingen een verjaringstermijn van vijf jaar. Deze rechtsvorderingen worden genoemd in de artikelen 3:307-3:311 BW. Rechtsvorderingen als gevolg van een tekortkoming verjaren in principe niet later dan de rechtsvordering tot nakoming van de hoofdverplichting (art. 3:312 BW).

  2. Ook op andere plaatsen in de wet komen afwijkende verjaringstermijnen voor. Voor de vordering tot vernietiging van een rechtshandeling is een termijn van drie jaar gesteld, art. 3:52 BW.

  3. Er kunnen ook langere verjaringstermijnen gelden (zoals bijvoorbeeld in art. 3:310 leden 2-4 BW).

Men moet een beroep doen op een verjaringstermijn (3:322 lid 1 BW). De rechter kan deze verjaringstermijn niet ambtshalve toepassen. Nadat de verjaring is voltooid, kan degene die de verjaring kan inroepen hiervan afstand doen door middel van een vormvrije verklaring (art. 3:322 lid 2 en 3 BW).

Welke bijzonderheden gelden ten aanzien van schadevergoeding?

Een rechtsvordering tot schadevergoeding kent, volgens artikel 3:310 lid 1 BW, een verjaringstermijn van vijf jaar en deze begint te lopen zodra de benadeelde weet hoe groot de schade is en wie daarvoor aansprakelijk is. Omdat er wel enige tijd kan verstrijken voordat men achter de schade of de dader komt, heeft de wetgever een begrenzing in de wet opgenomen. Een vordering verjaart in ieder geval twintig jaar na de schadeveroorzakende gebeurtenis en bij milieuschade geldt een verjaringstermijn van dertig jaar.

Wanneer het gaat om schade door letsel of overlijden, is de termijn van twintig of dertig jaar niet van toepassing. Zo kan bijvoorbeeld pas na tientallen jaren aan het licht komen dat iemand een dodelijke ziekte heeft opgelopen (bijv. door asbest). Dan zou in veel gevallen een gestelde termijn al zijn verlopen en de vordering dus verjaard zijn. Met het oog op de belangen van de slachtoffers heeft de Hoge Raad in een aantal arresten de regelingen van art. 3:310 BW enigszins bijgesteld. Met het oog op de billijkheid oordeelt de Hoge Raad in de eerste plaats dat de 5-jarige termijn pas begint te lopen als de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van zijn schade in te stellen. In de tweede plaats mag alleen een ongeschreven uitzondering op de lange termijn van 20/30 jaar worden toegelaten in hele uitzonderlijke gevallen.

Wat zegt de wet over stuiting en verlenging van de verjaring?

Stuiting houdt in dat een lopende verjaring definitief wordt afgebroken. Dit kan gebeuren door:

  • Een daad van rechtsvervolging (b.v. instellen van een eis in rechte, art. 3:316 BW);

  • Een schriftelijke aanmaning/mededeling (art. 3:317 BW);

  • Erkenning van het recht (art. 3:318 BW).

De dag nadat zich een stuiting heeft voorgedaan begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen (art. 3:319 BW). Dit is niet het geval wanneer het gaat om een eis in rechte die door toewijzing door de rechter wordt gevolgd.

Daarnaast kan er een moment zijn dat een verjaring zal gaan aflopen, maar dat er op dat moment een verlengingsgrond aanwezig is. Dan loopt de verjaringstermijn nog zes maanden door tot na het verdwijnen van deze verlengingsgrond (opgesomd in artikel 3:321 BW).

Wat is een vervaltermijn?

De vervaltermijnen zijn niet algemeen in de wet geregeld en hebben de volgende kenmerken:

  1. Ze worden door de rechter ambtshalve toegepast (in tegenstelling tot verjaringstermijnen, waarop een beroep moet worden gedaan).

  2. Er kan geen afstand van worden gedaan (van een verjaringstermijn wel).

  3. Ze kennen geen stuiting en verlenging.

  4. Het verstrijken van een vervaltermijn heeft sterke werking: de bevoegdheid of het recht gaat zelf teniet.

  5. Vervaltermijnen zijn in het algemeen kort. Zie b.v. art. 6:89, 3:55 lid 2 en 7:23.

Stampvragen

Vraag 1

Noem de drie vormen van directe reële executie en de 2 vormen van indirect reële executie.

Vraag 2

Wat houdt de ‘zwakke werking’ van de extinctieve verjaring in?

Vraag 3

Wat is de algemene verjaringstermijn van een rechtsvordering tot schadevergoeding? En bij milieuschade? En bij overlijden of letsel?

Vraag 4

Wat houden de stuiting en verlenging van verjaring in?

Vraag 5

Noem drie kenmerken van vervaltermijnen.

Wat houdt het goederenrecht in? - Chapter 6

Welke hoofdonderdelen kent het goederenrecht?

Het goederenrecht bestaat uit twee hoofdleerstukken:

  • De wijzen waarop een goed wordt verkregen en verloren

  • De invulling van een aantal goederenrechtelijke verhoudingen, namelijk van goederenrechtelijke rechten en van andersoortige goederenrechtelijke verhoudingen.

Hoe worden goederen verkregen en verloren?

Op welke wijze kan een goed verkregen worden?

De wet heeft een gesloten stelsel van verkrijging en verlies van goederen, waardoor partijen gebonden zijn aan de in de wet genoemde mogelijkheden. Artikel 3:80 BW geeft de manieren aan hoe goederen kunnen worden verkregen.

Dit is ten eerste mogelijk onder algemene titel, art. 3:80 lid 2 BW: opvolging in een geheel of deel van een vermogen. Dit kan slechts door erfopvolging, boedelmenging (huwelijk) en in het rechtspersonenrecht bij fusie en splitsing van rechtspersonen.

Ten tweede kan men een goed verkrijgen onder bijzondere titel, art. 3:80 lid 3 BW, waarbij men slechts één of meer bepaalde goederen kan verkrijgen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen derivatieve (afgeleide verkrijging) en originaire (oorspronkelijke) verkrijging. Derivatieve verkrijging is een verkrijging waarbij een goed met al zijn hoedanigheden van de rechtsvoorganger wordt verkregen (dus men kan ook een goed verkrijgen waarop al een beperkt recht is gevestigd). Bij originaire verkrijging wordt het goed niet van een voorganger verkregen, maar ontstaat het nieuw bij de verkrijger. Dit kan in het geval een goed nog niet eerder bestond (bv. Zaaksvorming of een vorderingsrecht uit onrechtmatige daad of overeenkomst) of wanneer het goed al bestond in het vermogen van een ander, maar het ontstaat nieuw bij de verkrijger door bijvoorbeeld natrekking of verkrijgende verjaring.
De verkrijging onder algemene titel is altijd derivatief.

Nog een paar belangrijke verschillen tussen verkrijging onder algemene en bijzondere titel:

Algemene titel

Bijzondere titel

Verkrijger zet de rechtspositie van zijn voorganger volledig voort; hij verlengt de ‘eerste hand’.

Verkrijger is de ‘tweede hand’ met een nieuwe eigen rechtspositie.

De passieve vermogensbestanddelen (verplichtingen) gaan op de verkrijger over.

In beginsel geen overgang van verplichtingen.

Waar vindt men de wijzen van verkrijging en verlies in de wet?

De wijzen van verkrijging en verlies van een goed zijn geregeld in titel 3.4.

Overdracht is geregeld in afdeling 3.4.2. Let op, er is een verschil tussen overgang en overdracht. Overgang is aan de orde wanneer een goed van een rechtsvoorganger wordt verkregen. Zij ziet dus op alle derivatieve verkrijgingswijzen (alle verkrijgingen onder algemene titel en derivatieve verkrijgingen onder bijzondere titel). Overdracht is een wijze van derivatieve verkrijging onder bijzondere titel.

De verkrijgende (acquisitieve) verjaring, een wijze van originaire verkrijging, is geregeld in afdeling 3.4.3.

Daarnaast komen op verschillende andere plaatsen in de wet bijzondere bepalingen van verkrijging en verlies van goederen voor. Zij zijn steeds geplaats bij de rechtsverhouding waarop zij van toepassing zijn.

Wat zijn de goederenrechtelijke verhoudingen?

Wat zijn goederenrechtelijke verhoudingen?

Een goederenrechtelijke betrekking is de rechtsverhouding van een persoon tot een goed. Hieronder zijn te onderscheiden:

  • Goederenrechtelijke rechten: het eigendomsrecht en alle beperkte rechten.

  • Overige goederenrechtelijke betrekkingen: bezit, bewind, verhaalsrecht op goederen en gemeenschap.

Hoe verhouden persoonlijke rechten zich tot goederenrechtelijke rechten?

Daarnaast is er nog een onderscheid tussen goederenrechtelijke rechten en persoonlijke rechten. Goederenrechtelijke rechten zien op de verhouding van de mens tot een goed en daaronder vallen eigendom en de beperkte rechten. Persoonlijke rechten zien echter op de verhouding van mens tot mens en daaronder vallen de vorderingsrechten.

Wat bepaalt of een recht als goederenrechtelijk recht kwalificeert?

De volgende kenmerken zijn van belang om te bepalen of een recht als goederenrechtelijk kan worden aangemerkt:

  • Het recht rust op een vermogensrecht of op een zaak.

  • Het recht is exclusief en absoluut. Het recht werkt niet alleen tegenover de wederpartij, maar tegenover eenieder (absoluut). Daarnaast heeft men het recht met uitsluiting van anderen (exclusiviteit). Hierdoor zijn derden verplicht om de rechthebbende niet te storen in het gebruik of de beschikking van de zaak. En de rechthebbende kan zijn recht uitoefenen, ongeacht bij wie het goed zich bevindt (zaaksgevolg of droit de suite genoemd).
    Doordat het recht absoluut is, moet de overdracht of vestiging kenbaar gemaakt worden; bijvoorbeeld door inschrijving in de openbare registers.

  • Het feit dat het bestaan van een beperkt recht de rechthebbende beperkt in zijn beschikkingsbevoegdheid.

Wanneer een goed (waarop een beperkt recht rust) wordt overgedragen, dan blijft het beperkte recht op het goed rusten (droit de suite). Indien een goed al is belast met een beperkt recht en er wordt op datzelfde goed een tweede beperkt recht gevestigd, dan gaat het eerdere beperkte recht voor het latere. Een (beperkt) recht op een goed ondervindt geen nadeel van een later beslag of faillissement, maar wel van een eerder beslag of faillissement.

Kan eenieder een goederenrechtelijk recht in het leven roepen?

Partijen mogen niet naar eigen goeddunken nieuwe vormen van goederenrechtelijke rechten bedenken. Er geldt een gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten. De inhoud van deze rechten mag eveneens niet vrijelijk worden bepaald. Dit geldt alleen voor het goederenrecht; het verbintenissenrecht kent wel een open stelsel.

Zijn de kenmerken van goederenrechtelijke rechten altijd scherp te trekken?

Bij vorderingsrechten ontbreken de in nr. 104 genoemde kenmerken in beginsel, maar daarop zijn uitzonderingen mogelijk. Zo hebben partijen een ruime bescherming van hun rechten en blijven sommige persoonlijke rechten bestaan bij overgang.

Hoe wordt het goederenrecht hierna behandeld?

Eerst zullen we stilstaan bij de algemene wijzen van verkrijging en verlies van goederen, namelijk de overdracht en de verkrijgende verjaring. Vervolgens zullen we stilstaan bij de inhoud, het ontstaan en tenietgaan van bepaalde goederenrechtelijke verhoudingen. We zullen hierbij kijken naar de volgende goederenrechtelijke verhoudingen: bezit, bewind en gemeenschap. Ook komt het eigendomsrecht aan bod en de beperkte rechten op goederen.

Stampvragen

Vraag 1

Op welke wijzen kunnen goederen worden verkregen?

Vraag 2

Wat is het verschil tussen derivatieve en originaire verkrijging? Noem twee vormen van originaire verkrijging.

Vraag 3

Wat zijn de drie kenmerken van een goederenrechtelijk recht?

Hoe geschiedt de overdracht van een goed? - Chapter 7

Waar is de overdraagbaarheid van goederen in de wet geregeld?

De overdraagbaarheid van een goed is geregeld in artikel 3:83 BW. Daarin is neergelegd dat eigendom en alle beperkte rechten in principe overdraagbaar zijn, tenzij de wet zich daartegen verzet. De overdraagbaarheid hiervan kan dus niet via een overeenkomst geblokkeerd worden. Vorderingsrechten zijn overdraagbaar, tenzij de overdraagbaarheid tussen partijen is uitgesloten in een beding of wanneer de wet zich daartegen verzet. De overige vermogensrechten zijn slechts overdraagbaar als de wet dit bepaalt.

Wat zijn de vereisten voor overdracht?

Welke vereisten kent overdracht?

In artikel 3:84 lid 1 BW zijn de vereisten voor overdracht van een goed neergelegd, namelijk:

  1. Geldige titel.

  2. Vervreemder is beschikkingsbevoegd.

  3. Levering (goederenrechtelijke overeenkomst + leveringshandeling/formaliteiten).

Deze vereisten gelden voor de overdrachten van alle soorten goederen, echter kunnen de formaliteiten wel verschillen per soort.

Wat verstaan we onder de titel?

De titel is de rechtsverhouding die aan de overdracht ten grondslag ligt en haar rechtvaardigt. Deze rechtsverhouding moet het over te dragen goed met voldoende bepaaldheid omschrijven (art. 3:84 lid 2 BW). Een verbintenis uit overeenkomst (bv. koop) kan een geldige titel opleveren, maar ook een verbintenis uit onrechtmatige daad kan een geldige titel opleveren.

Wat betekent het causale stelsel van overdracht?

Nederland gaat uit van een causaal stelsel: zonder geldige titel kan het goed niet worden overgedragen. Een overdracht is ongeldig als een geldige titel al vanaf het begin heeft ontbroken of wanneer de geldige titel later met terugwerkende kracht vervalt (bv. door vernietiging van de titel). Een overdracht is wel geldig als na de levering de titel vervalt zonder terugwerkende kracht, bijvoorbeeld bij ontbinding.

Wanneer spreekt men van zakelijke werking?

Wanneer een bepaald feit rechtsgevolgen heeft voor de goederenrechtelijke rechtstoestand van een zeker goed wordt gesproken van ‘zakelijke werking’ of goederenrechtelijk effect. Er kan sprake zijn van goederenrechtelijk effect krachtens het causale stelsel (art. 3:84 lid 1 BW). Dit is het geval indien de titel van meet af aan ongeldig is of later met terugwerkende kracht komt te vervallen, dan is de overdracht ongeldig omdat de vereiste geldige titel van levering ontbrak. Een goederenrechtelijk effect kan ook onafhankelijk van het causale stelsel. Dit is mogelijk in twee gevallen, namelijk bij de vervulling van een ontbindende voorwaarde (art. 3:84 lid 4 BW) en bij inroeping van het recht van reclame door de verkoper van een roerende zaak (art. 7:39 lid 1 BW).

Waarom is een fiduciaire titel geen geldige titel?

Een fiduciaire titel (overdracht van een goed tot zekerheid) levert geen geldige titel meer op (art. 3:84 lid 3 BW). Geen geldige titel van overdracht is een rechtshandeling die ten doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid of de strekking mist het goed na de overdracht in het vermogen van de verkrijger te doen vallen. Dit verbod is mogelijk omdat het BW alternatieven biedt die het nut van een fiduciaire titel ontnemen, denk bijvoorbeeld aan stil pandrecht.

Wanneer is men beschikkingsbevoegd?

Onder beschikkingsbevoegdheid wordt verstaan de bevoegdheid om een goed te vervreemden (over te dragen) of te bezwaren (met een beperkt recht). De beschikkingsbevoegdheid berust bij de rechthebbende op het goed (vervreemder):

  • Bij een zaak: de eigenaar.

  • Bij een vorderingsrecht: de crediteur (schuldeiser).

  • Bij een beperkt recht: de beperkt gerechtigde.

Indien de rechthebbende beschikkingsonbevoegd is, vindt er geen geldige overdracht plaats. De verkrijger wordt dan geen rechthebbende, tenzij de verkrijger een beroep kan doen op derdenbescherming.

Er kan ook sprake zijn van beperkte beschikkingsbevoegdheid wanneer het goed is bezwaard met een beperkt recht. Het goed kan dan alleen worden overgedragen samen met het beperkte recht.

Uit welke componenten bestaat de levering?

Ten eerste is een goederenrechtelijke overeenkomst van overdracht vereist, waarin partijen verklaren het goed te willen overdragen (wilsovereenstemming). Ten tweede is een leveringshandeling vereist. Deze leveringshandeling geldt ter uitwerking van de gesloten goederenrechtelijke overeenkomst van overdracht. Dit is het vervullen van de formaliteiten die de wet voor de levering van het betreffende goed voorschrijft.

Welke leveringshandelingen kennen we?

De leveringsformaliteiten verschillen naar gelang de aard van het te leveren goed.

Zaak:

  • Onroerende zaak: notariële leveringsakte en inschrijving hiervan in de betreffende openbare registers, art. 3:89 BW.

  • Roerende zaak: bezitsverschaffing of een akte, art. 3:90 en 95 BW.

Vorderingsrecht:

  • Aan toonder: bezitsverschaffing van het document, art. 3:93 BW, of een akte en een mededeling aan de debiteur, art. 3:94 lid 1 en lid 3 BW.

  • Aan order: bezitsverschaffing van het document en endossement, art. 3:93 BW, of een akte en een mededeling aan de debiteur, art. 3: 94 lid 1 en lid 3 BW.

  • Op naam: een akte en een mededeling aan de debiteur, art. 3:94 lid 1 BW of een authentieke dan wel geregistreerde akte zonder mededeling, art. 3:94 lid 3 BW.

Beperkt recht:

  • Het vestigen, overdragen of het doen van afstand van een beperkt recht geschiedt volgens de regels van overdracht waarop het beperkte recht rust, art. 3:98 BW.

Aandelen in goederen:

  • De levering geschiedt op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige gevolgen als is bepaald met betrekking tot de levering van die goederen zelf (art. 3:96 BW).

Geldt de eis van bepaalbaarheid ook voor levering?

De eis dat een goed met voldoende bepaaldheid moet zijn omschreven geldt krachtens de rechtspraak ook voor de leveringsfase. Dit geldt vooral bij de overdracht of verpanding van een vorderingsrecht op naam. De rechtspraak is geneigd de bepaaldheidseis soepel op te vatten en zodoende de praktijk de nodige ruimte te laten.

Hoe vindt uitleg plaats in het goederenrecht?

Bij de uitleg van de titel wordt gebruik gemaakt van de Haviltexnorm: het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan het overeengekomene mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De levering wordt eveneens uitgelegd aan de hand van deze norm. Bij de levering van registergoederen volgt de rechtspraak echter een striktere benadering en zijn de bewoordingen van de leveringsakte in beginsel beslissend.

Hoe geschiedt de levering van onroerende zaken?

Hoe vindt de levering van een onroerende zaak plaats?

Partijen dienen een daartoe bestemde notariële akte op te maken en deze in te schrijven in de openbare registers (art. 3:89 BW). De eigendom gaat pas over op het moment van inschrijving.

Welke vereisten kent de leveringsakte?

In de notariële leveringsakte dient het volgende te worden opgenomen:

  • De goederenrechtelijke overeenkomst;

  • Nauwkeurig vermelden van de titel.

  • Eventueel het vermelden van een volmacht (indien van toepassing op het geval).

  • Vermelden van de kadastrale nummers.

Hoe verloopt inschrijving van de akte?

De inschrijving in de openbare registers wordt geregeld door de artikelen 3:18-21 BW. Zowel de verkrijger als de vervreemder kunnen de leveringsakte aanbieden ter inschrijving (art. 3:19 lid 1 BW). Het tijdstip van inschrijving is het moment waarop de leveringsakte aan de bewaarder van het register wordt aangeboden (art. 3:19 lid 2 BW).

Wat houdt het negatief stelsel van openbaarheid in?

Nederland gaat uit van een negatief stelsel van openbaarheid. Dit betekent dat de werkelijke rechtstoestand van een goed kan afwijken van hetgeen in de openbare registers is vermeld en dat de afwijkingen in beginsel aan eenieder kunnen worden tegengeworpen. Zonder inschrijving kan geen rechtsgeldige overdracht plaatsvinden.

Er zijn ook nog andere stelsels, namelijk:

  • Een positief stelsel waarbij de rechtswerkelijkheid zo is als in de registers (bv. Australië).

  • Een semi-positief stelsel waarbij de rechtstoestand van de registers kan afwijken, maar jegens derden (die te goeder trouw zijn) geldt het geregistreerde als de werkelijkheid (bv. Duitsland en Zwitserland).

Waarom zijn de registers onbetrouwbaar?

De openbare registers kunnen soms niet kloppen met de werkelijkheid, omdat er soms wel sprake is van inschrijving maar er geen eigendomsovergang plaatsvindt (bv. omdat de titel nietig is) of dat er geen inschrijving is maar wel eigendomsovergang (inschrijving is alleen vereist voor overdracht van een goed, maar niet van toepassing in geval van boedelmenging of verjaring).

Kun je beschermd worden tegen onjuiste openbare registers?

Een kenmerk van het negatieve stelsel is dat afwijkingen van de registers in beginsel aan eenieder kunnen worden tegengeworpen. Op deze hoofdregel bestaan echter een aantal uitzonderingen in de wet. De derde-verkrijger te goeder trouw wordt in vergaande mate in bescherming genomen tegen onjuistheid en onvolledigheid van de registers. Dit blijft echter een uitzondering en dit is in de volgende gevallen mogelijk:

  • Bescherming bij onvolledigheid van de registers (art. 3:24 BW).

  • Bescherming bij ingeschreven onjuiste feiten (art. 3:25-26 BW).

  • Bescherming na rechtsuitwijzing (art. 3:27 BW).

Buiten deze gevallen kan soms bescherming worden ontleend aan art. 3:88 of het algemene art. 3:36 BW.

Wat gebeurt er met een inschrijving zonder enig belang?

Als een inschrijving waardeloos is (zonder enig belang), kan een onmiddellijk belanghebbende verzoeken dat een verklaring van waardeloosheid wordt ingeschreven, art. 3:28-29 BW. Voor de belanghebbende heeft de inschrijving van waardeloosheid een voordeel. De waardeloze vermelding kan niet langer leiden tot toepasselijkheid van de beschermingsbepalingen van art. 3:24 e.v. BW.

Wanneer de waardeloze inschrijving ziet op een hypotheek of beslag, dan kan de bewaarder haar vervolgens doorhalen, art. 3:28 lid 2 BW. Dit is slechts een administratieve maatregel, waaraan geen rechtsgevolgen zijn verbonden.

Wat is het kadaster?

De bewaarder van de openbare registers bewaart tevens het kadaster. Het kadaster registreert onroerende zaken onder een kadastraal nummer. Bij levering kan met dit nummer aan het specialiteitsvereiste worden voldaan. De openbare registers verschaffen, in tegenstelling tot het kadaster, alleen informatie die door de burgers ter inschrijving is aangeboden. De functies van het kadaster zijn opgenomen in art. 2a Kadasterwet, onder andere het bevorderen van de rechtszekerheid ten aanzien van registergoederen.

Hoe geschiedt de levering van roerende zaken?

Welke formaliteiten kent de levering van roerende zaken?

De benodigde formaliteiten zijn afhankelijk van de situatie. We kennen namelijk twee gevallen van levering:

  1. De zaak is in de macht van de vervreemder. Het goed wordt geleverd door bezitsverschaffing (art. 3:90 BW) als de vervreemder bezitter of houder is (het goed in zijn macht heeft).

  2. De zaak is niet in de macht van de vervreemder. Het goed wordt geleverd door een daarvoor bestemde akte.

Hoe gaat levering middels bezitsverschaffing in zijn werk?

Indien de vervreemder bezitter is gaat dit iets anders dan in het geval de vervreemder houder is, namelijk:

  • Vervreemder is bezitter: levering door bezitsoverdracht door de verkrijger in staat te stellen macht uit te oefenen over de zaak (art. 3:114-115 BW).

  • Vervreemder is slechts houder: bezitsoverdracht is niet mogelijk, want de vervreemder is geen bezitter. Het is wel mogelijk dat de houder een ander voldoende macht over de zaak geeft (ruime toepassing van artikel 3:90 lid 1 BW). Door levering constitutum possessorium (bezitter wordt houder, art. 3:115 sub a BW) kan de houder geen bezit verschaffen aan een ander, omdat de verkrijger al de bezitter is.

Welke haken en ogen kent het constitutum possessorium?

Een bezitter kan zijn bezit overdragen door middel van een tweezijdige verklaring, krachtens welke de vervreemder voortaan voor de verkrijger houdt. Dit noemen we constitutum possessorium, art. 3:115 sub a BW. Dit houdt in dat de verkrijger de bezitter wordt en door de bezitsverschaffing is voldaan aan de voor de levering van een onroerende zaak gestelde formaliteiten uit art. 3:90 lid 1 BW. Op grond van art. 3:90 lid 2 BW werkt dit echter niet tegen een derde die een ouder recht op de zaak heeft. De verkrijger wordt dan niet beschermd door artikel 3:86 BW, omdat dit alleen ziet op beschikkingsonbevoegdheid. Dit gaat echter niet op wanneer de derde heeft ingestemd met de vervreemding. Een houder kan door c.p. geen bezit verschaffen en deze levering is dan ook tegenover eenieder ongeldig.

Hoe geschiedt de levering van vorderingsrechten?

Welke vorderingsrechten kent de wet?

  1. Vorderingsrecht aan order: een vorderingsrecht dat in een waardepapier met een orderclausule is belichaamd (‘aan X of order betalen’).

  2. Vorderingsrecht aan toonder: een vorderingsrecht dat in een waardepapier met een toonderclausule is belichaamd (‘aan toonder betalen’).

  3. Vorderingsrecht op naam: elk vorderingsrecht dat geen vorderingsrecht aan toonder of order is. Hierbij gaat het om de naam van de gerechtigde.

Hoe levert men een vorderingsrecht op naam?

De levering van een vorderingsrecht wordt cessie genoemd. De standaardvorm van de levering van een vordering op naam is de openbare cessie. De vereisten zijn vermeld in artikel 3:94 lid 1 BW, namelijk:

  • Een akte van cessie (onderhands of authentiek), waarbij de vordering in voldoende mate wordt bepaald en de goederenrechtelijke overeenkomst moet worden vermeld. Deze akte hoeft niet de titel of een eventuele volmacht te vermelden.

  • Mededeling aan de debiteur (schuldenaar). Zonder deze mededeling is de levering niet voltooid en blijft de cedent schuldeiser. Het is niet van belang of de vervreemder of verkrijger deze mededeling doet en in welke vorm dit wordt gedaan (mondeling of schriftelijk). Men dient wel de naam van de cedent te vermelden. Erkenning van de overdracht door de schuldenaar is niet voldoende, mededeling blijft een vereiste.

Hoe werkt de stille cessie?

Naast openbare cessie bestaat er ook stille cessie (art. 3:94 lid 3 BW). Hierbij is een mededeling aan de schuldenaar niet vereist. Wel is een authentieke of geregistreerde onderhandse akte vereist. De cessionaris wordt rechthebbende, maar de verkrijging is minder absoluut dan in het geval van de normale cessie. Zonder mededeling gelden de relativeringen van art. 3:94 lid 3 BW. De levering kan aan de schuldenaar niet worden tegengeworpen: hij dient aan de oude rechthebbende te betalen. Daarnaast wordt de cessionaris die van een beschikkingsonbevoegde heeft verkregen niet beschermd door art. 3:88 lid 1 BW. Bovendien is stille cessie van toekomstige vorderingen enkel mogelijk als de betreffende vordering rechtstreeks zal worden verkregen uit een al bestaande rechtsverhouding.

Wat houden art. 3:93 en 3:94 in voor de vorderingsrechten aan toonder of order?

Indien het waardepapier zich in de macht van de vervreemder bevindt, geschiedt de levering door bezitsverschaffing van het papier volgens de regels voor roerende zaken, art. 3:93 BW. Bij een vordering aan order is tevens endossement vereist. Indien het waardepapier zich niet in de macht van de vervreemder bevindt, geschiedt de levering volgens de regels voor vorderingsrechten op naam, art. 3:94 BW.

Hoe geschiedt de levering door een enkele akte?

Welk artikel is van toepassing op alle andere gevallen van levering?

Buiten de gevallen geregeld in de artikelen 3:89-94 BW worden goederen geleverd door een (onderhandse of authentieke) akte, aldus artikel 3:95 BW. Dit artikel is geen alternatief, maar een restbepaling die alleen wordt gebruikt als de andere artikelen niet van toepassing zijn. Levering door een enkele akte wordt gebruikt als roerende zaken zich niet in de macht van de vervreemder bevinden (bijvoorbeeld wanneer een auto is gestolen en de eigendom moet worden overgedragen aan de verzekeraar). De bezitter en houder kunnen dus niet bij deze enkele akte leveren, omdat zij nog de feitelijke macht over een goed hebben. Voor hen is bezitsverschaffing de enige mogelijkheid. Wel moet in de akte het goed in voldoende mate worden bepaald en de goederenrechtelijke overeenkomst moet worden vermeld.

Stampvragen

Vraag 1

Wat zijn de drie vereisten voor overdracht?

Vraag 2

Wat houdt het causaal stelsel bij overdracht in?

Vraag 3

Kan een goed worden overgedragen tot zekerheid? Zo nee, is er een alternatief?

Vraag 4

Wat houdt beschikkingsbevoegdheid in?

Vraag 5

Uit welke twee elementen bestaat de levering?

Vraag 6

Welke twee leveringsvereisten gelden ingeval van een onroerende zaak?

Vraag 7

Hoe vindt de levering van een roerende zaak plaats?

Vraag 8

Wat houdt de levering c.p. in?

Vraag 9

Wat is cessie en wat zijn de twee vereisten? Wat is het verschil met stille cessie?

Vraag 10

Hoe wordt een vorderingsrecht aan toonder of order geleverd?

Welke aparte gevallen van overdracht zijn er? - Chapter 8

Wat houdt de voorwaardelijke overdracht in?

Wat is een voorwaardelijke overdracht?

Hierbij wordt voldaan aan alle wettelijke vereisten (titel, beschikkingsbevoegd, goederenrechtelijke overeenkomst en formaliteiten, art. 3:84 lid 1 BW), maar het goed komt slechts voorwaardelijk in het vermogen van de wederpartij. Een voorwaardelijke overdracht verschaft een voorwaardelijk recht: een recht dat afhankelijk is van het in vervulling gaan van een bepaalde voorwaarde. De wil van partijen om een voorwaardelijk recht te verschaffen, moet blijken uit hun goederenrechtelijke overeenkomst. Dit kan zowel door dit uitdrukkelijk te bepalen als door dit af te leiden uit het feit dat men de goederenrechtelijke overeenkomst zelf onder voorwaarde aangaat of uit het wettelijk vermoeden van art. 3:84 lid 4 BW.

Ben je volledig beschikkingsbevoegd bij voorwaardelijke overdracht?

De voorwaardelijke overdracht heeft een beperkte beschikkingsbevoegdheid tot gevolg. Het in vervulling gaan van de gestelde voorwaarde heeft van rechtswege werking, zonder terugwerkende kracht.

Er kan sprake zijn van overdracht onder opschortende of onder ontbindende voorwaarde. Bij een overdracht onder ontbindende voorwaarde is de verkrijger rechthebbende, maar als de voorwaarde wordt vervuld dan is de vervreemder weer rechthebbende. Bij overdracht onder opschortende voorwaarde is de vervreemder rechthebbende, tot de voorwaarde in vervulling gaat.

Wat houdt art. 3:91 BW in?

Artikel 3:91 BW stelt dat voor de overdracht van een roerende zaak onder opschortende voorwaarde het verschaffen van (feitelijke) macht voldoende is (bezit van de zaak hoeft in dit geval dan niet te worden verschaft, deze verkrijgt men als de voorwaarde wordt vervult). Daarnaast moet wel zijn voldaan aan de wettelijke vereisten van 3:84 lid 1 BW. Wanneer vervolgens later de voorwaarde in vervulling gaat, verkrijgt de verkrijger op dat moment het bezit (art. 3:111 BW).

Hoe werkt het eigendomsvoorbehoud uit art. 3:92 BW?

Dit is een beding waardoor de verkrijger de feitelijke macht over een roerende zaak krijgt, maar de vervreemder het eigendom behoudt totdat de verkrijger zijn prestatie heeft geleverd. Dit wordt gezien als een overdracht onder opschortende voorwaarde. De verkrijger kan dan bijvoorbeeld het eigendom verkrijgen onder voorbehoud van betaling. Een eigendomsvoorbehoud geeft de vervreemder zekerheid dat er zal worden betaald. Een eigendomsvoorbehoud kan alleen in een overeenkomst worden opgenomen:

  • Ter zake van de tegenprestatie voor de geleverde zaken

  • Ter zake van een schadevergoeding wegens wanprestatie

  • Ter zake van de tegenprestatie voor naast de levering te verrichten werkzaamheden.

Alle overige bedingen zijn nietig.

Kun je ook een eigendomsvoorbehoud afspreken voor nieuwe zaken?

Soms wordt afgesproken dat het eigendomsvoorbehoud zich ook zal uitstrekken over nieuwe zaken die uit de geleverde zaken zullen ontstaan: het verlengde eigendomsvoorbehoud. Zo’n afspraak zet het wettelijk stelsel ter zake van de eigendomsverkrijging van nieuwe zaken niet opzij. Verlenging heeft dus geen effect. De vestiging (bij voorbaat) van een stil pandrecht op een toekomstige zaak is wel mogelijk.

Hoe kwalificeert een vervreemdingsbevoegdheidsclausule?

Deze vervreemdingsclausules komen voornamelijk voor bij het eigendomsvoorbehoud. Dit is een beding tussen de eigenaar en de houder (afnemer) waarbij de houder de bevoegdheid krijgt om een bepaalde zaak te vervreemden voor zijn normale bedrijfsvoering. Dit kan worden gezien als een opschortende voorwaarde. Op het tijdstip waarop de houder de zaken aan een ander vervreemdt, gaat de voorwaarde in vervulling.

Is een overdracht onder tijdsbepaling mogelijk?

Overdracht onder tijdsbepaling (dus afhankelijk van een bepaalde, vaststaande gebeurtenis) is niet mogelijk (artikel 3:85 BW).

Een verbintenis strekkende tot overdracht van een goed voor een bepaalde tijd (ontbindende tijdsbepaling) wordt door de wet aangemerkt als een verbintenis tot vestiging van een tijdelijk vruchtgebruik ten behoeve van de verkrijger (art. 3:85 lid 1 BW). Een verbintenis strekkende tot overdracht van een goed onder opschortende tijdsbepaling wordt door de wet aangemerkt als een verbintenis tot (a) onmiddellijke overdracht met (b) gelijktijdige vestiging van een tijdelijk vruchtgebruik ten behoeve van de vervreemder (art. 3:85 lid 2 BW).

Hoe geschiedt de overdracht van toekomstige goederen?

Wat verstaan we onder toekomstig goed?

Een toekomstig goed is een goed waarover de vervreemder (nog) niet bevoegd is om te beschikken. Er is een onderscheid te maken tussen:

  • Objectief toekomstige goederen (deze bestaan nog niet);

  • Subjectief toekomstige goederen (deze bestaan, maar de vervreemder moet nog beschikkingsbevoegd worden).

Bij de titel moet het toekomstige goed met voldoende bepaaldheid worden omschreven, maar de vraag is vooral hoe het zit met de levering en wat het moment van overdracht is.

Hoe wordt een toekomstig goed geleverd?

Op grond van artikel 3:97 BW kunnen toekomstige goederen bij voorbaat worden geleverd, waarbij de goederenrechtelijke overeenkomst en de formaliteiten direct kunnen worden uitgevoerd. Levering bij voorbaat is echter niet mogelijk bij registergoederen.

Welke bijzonderheden kent de levering van toekomstige roerende zaken?

Bij de levering van toekomstige roerende zaken zijn er drie gevallen mogelijk:

  • De zaak bevindt zich in de macht van de vervreemder (hij is houder of bezitter en hoopt bezitter/eigenaar resp. eigenaar te worden). Hierbij zijn alle vormen mogelijk (feitelijke overhandiging, symbolisch of door een enkele tweezijdige verklaring zonder feitelijke handeling ex. artikel 3:115 BW).

  • De zaak bevindt zich nog niet in de macht van de vervreemder, maar deze hoopt wel bezitter of eigenaar te worden. Hier zijn alleen de vormen van artikel 3:115 sub a en sub c BW (bij voorbaat) mogelijk.

  • De zaak bevindt zich niet in de macht van de vervreemder en deze wil slechts het eigendom en niet de macht over het goed verwerven. Levering bij voorbaat gebeurt bij enkele akte, artikel 3:95 BW.

Welke eisen kent de levering van toekomstige vorderingen op naam?

Bij toekomstige vorderingen op naam zijn er twee varianten. We onderscheiden de relatief toekomstige vorderingen en de absoluut toekomstige vorderingen. Relatief toekomstige vorderingen bestaan zelf nog niet, maar er bestaat al wel een rechtsverhouding waaruit zij rechtstreeks zullen voortvloeien. Absoluut toekomstige vorderingen bestaan nog niet en er bestaat ook geen rechtsverhouding waaruit zij zullen voortvloeien.

Bij de levering van toekomstige vorderingen op naam moet er aan twee vereisten zijn voldaan:

  • De vordering moet in voldoende mate worden bepaald door de cessie-akte;

  • De debiteur is bekend, zodat aan hem een mededeling kan worden gedaan (openbare cessie, 3:94 lid 1 BW) of de vordering zal rechtstreeks worden verkregen uit een al bestaande rechtsverhouding, waardoor levering mogelijk is door een enkele akte (stille cessie, 3:94 lid 3 BW).

Hoe vindt overdracht plaats bij levering bij voorbaat?

Bij levering bij voorbaat geschiedt de overdracht niet direct, maar pas op het moment dat de vervreemder beschikkingsbevoegd wordt. Dan is pas aan de vereisten van artikel 3:84 lid 1 BW voldaan. Zodra de beschikkingsbevoegdheid bij de vervreemder is ontstaan is de verkrijger van rechtswege rechthebbende geworden. De wil van de vervreemder is hierbij niet meer van belang: zij ligt al vast in de bij voorbaat verrichte goederenrechtelijke overeenkomst.

Welke regels gelden bij dubbele levering bij voorbaat?

Toekomstige goederen kunnen echter meerdere malen bij voorbaat worden geleverd. Artikel 3:97 lid 2 BW bepaalt dan dat in beginsel de oudste levering voorgaat (prioriteitsprincipe), tenzij er sprake is van dubbele levering bij voorbaat van een toekomstige roerende zaak. Dan kan de tweede verkrijger zich tegen de eerdere verkrijger beroepen op de levering vanaf het moment dat de zaak in zijn handen is gekomen. Een vereiste is dan wel dat de tweede verkrijger te goeder trouw was, zodat deze een beroep kan doen op artikel 3:86 BW.

Hou verhoudt het prioriteitsprincipe zich tot beslag?

Het prioriteitsprincipe uit art. 3:97 lid 2 BW geldt ook ter zake van een eventueel beslag. Beslag is alleen mogelijk op een toekomstige vordering, als die vordering rechtstreeks zal worden verkregen uit een ten tijde van het beslag al bestaande rechtsverhouding. Botst een derdenbeslag met een levering bij voorbaat, dan geldt de prioriteitsregel: een eerder beslag gaat voor.

Even kort samengevat:

Voorwaardelijke overdracht

Overdracht van een toekomstig goed

Onmiddellijke overdracht door een beschikkingsonbevoegde

Partijen moeten voldoen aan alle wettelijke vereisten (art. 3:84 BW).
Verwerven van het recht is echter afhankelijk van het vervullen van de voorwaarde.

Hierbij is niet direct voldaan aan het vereiste van beschikkingsbevoegdheid. Aan de andere eisen wordt bij voorbaat voldaan. Overdracht geschiedt op moment van verkrijgen van beschikkingsbevoegdheid.

Een beschikkingsonbevoegde kan onmiddellijk leveren, ondanks het feit dat hij onbevoegd is. Of de verkrijger dan zijn rechten verkrijgt is afhankelijk van de vraag of de verkrijger een beroep kan doen op de bescherming van artikel 3:86 of 3:88 BW.

Welke leveringen bij voorbaat onderscheiden we?

Allereerst kennen we de voorwaardelijke overdracht. Partijen voldoen dan aan alle wettelijke overdrachtseisen. Op grond van de partijbedoelingen verwerft de verkrijger echter slechts een recht dat van het al dan niet in vervulling gaan van een bepaalde voorwaarde afhankelijk is.

We kennen ook de overdracht van een toekomstig goed. Het ontbreekt de vervreemder hier aan beschikkingsbevoegdheid. Aan de overige eisen van overdracht wordt wel voldaan. Aan de goederenrechtelijke overeenkomst wordt de opschortende voorwaarde van beschikkingsbevoegdheid verbonden.

Tot slot kennen we de onmiddellijke overdracht door een beschikkingsonbevoegde. Een beschikkingsonbevoegde kan bij voorbaat leveren, maar ook onmiddellijk, ook al is hij niet bevoegd. In dat geval wordt de goederenrechtelijke overeenkomst onvoorwaardelijk gesloten, gericht op direct rechtsgevolg. De rechtsverkrijging is dan afhankelijk van de vraag of de verkrijger een beroep kan doen op art. 3:86 en 88 BW.

Wat is er geregeld omtrent de vertegenwoordiging bij overdracht?

Wanneer kan vertegenwoordigd worden bij overdracht?

Zowel de vervreemder als de verkrijger kunnen bij de overdracht vertegenwoordigd worden. Dit kan zowel bij de titel als bij de levering.

Hoe werkt vertegenwoordiging bij de levering?

Bij de levering:

  • Directe vertegenwoordiging (bv. volmacht): de tussenpersoon valt er als het ware ‘tussenuit’. De tussenpersoon handelt in naam van de vertegenwoordigde. De rechtsgevolgen treden in voor de vertegenwoordigde. Dit is ook het geval bij volmacht (zie 3:66 BW). Bij levering wordt er dan direct geleverd aan de achterman, de tussenpersoon wordt slechts houder.

  • Middellijke vertegenwoordiging: de tussenpersoon verricht in eigen naam een rechtshandeling voor rekening van de vertegenwoordigde. De rechtsgevolgen treden in voor de tussenpersoon. Bij levering zal de derde eerst moeten leveren aan de tussenpersoon, die vervolgens zal doorleveren aan de achterman.

Hoe wordt de verkrijger van een roerende zaak middellijk vertegenwoordigd?

De tussenpersoon verwerft niet eerst zelf het bezit, maar wordt door toepassing van de directe leer van artikel 3:110 BW direct houder voor de achterman. Hij hoeft hiervoor niet eerst zelf het bezit te verwerven. De achterman verkrijgt het bezit en de eigendom rechtstreeks van de derde.

Hoe wordt de vervreemder van een roerende zaak middellijk vertegenwoordigd?

Het BW zwijgt over dit geval. Over het algemeen wordt aangenomen dat de derde het bezit en de eigendom rechtstreeks van de achterman verkrijgt, analoog aan art. 3:110 BW.

Stampvragen

Vraag 1

Wat houdt een voorwaardelijke overdracht in?

Vraag 2

Wat is een overdracht onder ontbindende voorwaarde en een overdracht onder opschortende voorwaarde?

Vraag 3

Wat is een eigendomsvoorbehoud en welk voordeel heeft dit voor de vervreemder van een zaak?

Vraag 4

Is een overdracht onder tijdsbepaling mogelijk?

Vraag 5

Kan een toekomstig goed bij voorbaat worden geleverd? En een toekomstige vordering op naam?

Vraag 6

Op welk moment geschiedt de overdracht bij een levering bij voorbaat?

Vraag 7

Aan welke vereisten moet worden voldaan wil een derde beschermd worden tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder van een goed?

Welke vormen van derdenbescherming zijn er bij het verkrijgen van een goed? - Chapter 9

Wat is derdenbescherming?

Soms kan het gebeuren dat een verkrijger een minder volledig recht verkrijgt, dan wat hij verwacht had of dat hij zelfs helemaal geen recht verkrijgt. Het BW kent een behoorlijk aantal derdenbeschermingsbepalingen, waarin de verkrijger die een bepaalde schijn voor werkelijkheid hield in bescherming wordt genomen.

Welke vormen van derdenbescherming bestaan er bij verkrijging van goederen?

Er zijn verschillende bepalingen waarin de derde wordt beschermd, bijvoorbeeld bij de verkrijging van goederen.

  • Bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid.

    • Art. 3:86 BW, voor goederen die door bezitsverschaffing zijn geleverd.

    • Art. 3:88 BW, voor gevallen waarin art. 3:86 BW niet van toepassing is.

  • Bescherming tegen onvolledigheid en onjuistheid van de in de openbare registers gepubliceerde gegevens: art. 3:23-27 BW.

  • Bescherming ter zake van het ontstaan, bestaan of tenietgaan van een bepaalde rechtsbetrekking ten aanzien waarvan de verkrijger derde is: art. 3:36 BW.

Welke bescherming is er tegen beschikkingsonbevoegdheid?

Welke voorwaarden voor bescherming kent art. 3:86 BW?

Daar wordt het volgende vereist:

  • Overdracht van een roerende zaak (of toondervordering of ordervordering);

  • Levering door bezitsverschaffing;

  • Aan alle wettelijke vereisten van 3:84 lid 1 BW wordt voldaan, behalve aan het vereiste van beschikkingsbevoegdheid;

  • De overdracht geschiedt anders dan om niet (er is een tegenprestatie vereist);

  • De verkrijger is te goeder trouw (hij kende noch behoorde de beschikkingsonbevoegdheid te kennen, art. 3:11 BW). Artikel 3:87 BW stelt hierbij een extra vereiste: als de verkrijger binnen drie jaar wordt gevraagd van wie hij het goed heeft verkregen, dan dient de verkrijger de gegevens te geven om de vervreemder terug te vinden. Als de verkrijger hier niet aan kan voldoen, dan kan hij geen beroep doen op de bescherming van artikel 3:86 BW.

Welke gevolgen kent een geslaagd beroep op art. 3:86 BW?

Als aan bovenstaande vereisten wordt voldaan dan is de overdracht toch geldig, ondanks het ontbreken van de beschikkingsbevoegdheid. Rechtsgevolgen: de verkrijger wordt rechthebbende en het goed verlaat het vermogen van de persoon die tot op dat moment de rechthebbende was.

Welke uitzondering kent art. 3:86 lid 3 BW?

Artikel 3:86 lid 3 BW geeft een uitzondering in het geval van diefstal. De bestolene kan zijn zaak gedurende drie jaar na de diefstal als zijn eigendom opeisen. Na deze termijn wordt de derde eigenaar, mits aan de voorwaarden van het eerste lid is voldaan. Dit is met terugwerkende kracht tot het moment waarop de zaak aan hem werd geleverd. Deze uitzondering is echter niet van toepassing als de zaak door een consument van een winkelier is verkregen. Onder winkelier valt echter niet de veilinghouder en de marktkoopman. Ook is deze uitzondering niet van toepassing bij geld, toonderpapier of orderpapier.

Geldt art. 3:86 BW ook voor een latere verkrijger?

Hier zijn een drietal situaties denkbaar:

  • De derde heeft zelf krachtens art. 3:86 jo. art. 3:84 lid 1 BW verkregen. Hij is rechthebbende en dus beschikkingsbevoegd. Als hij het goed aan een vierde vervreemdt, dan verkrijgt deze vierde volgens de hoofdregel van art. 3:84 lid 1 BW. Goede of kwade trouw bij de vierde is niet relevant, de beschermingsbepaling van art. 3:86 BW komt niet in beeld.

  • Het beroep van de derde op art. 3:86 BW slaagt niet ex lid 1. De derde is dan beschikkingsbevoegdheid. Als hij het goed aan een vierde vervreemdt, dan is niet aan de vereisten van art. 3:84 lid 1 BW voldaan. De vierde wordt enkel rechthebbende als hij zich zelf op art. 3:86 BW kan beroepen. Goede of kwade trouw is hier wel relevant.

  • Het beroep van de derde op art. 3:86 BW slaagt niet ex lid 3. Als de bestolene binnen drie jaar revindiceert moet de derde of vierde de zaak teruggeven en wordt hij nooit eigenaar. Tenzij de vierde de zaak als consument van een winkelier heeft verkregen en hij zelf voldoet aan de vereisten van art. 3:84 jo. art. 3:86 lid 1 BW. Als de zaak niet binnen drie jaar is gerevindiceerd, dan is de derde eigenaar en dus beschikkingsbevoegd. De vierde heeft op grond van art. 3:84 1 BW verkregen. Goede of kwade trouw is niet relevant.

Beschermt art. 3:86 BW tegen een beperkt recht?

Indien op een goed een beperkt recht rust en aan de vereisten van 3:86 lid 1 BW is voldaan, dan vervalt dit beperkte recht (artikel 3:86 lid 2 BW). De verkrijger heeft het goed dan onbelast verkregen. De bepaling van art. 3:86 is van overeenkomstige toepassing ten gunste van degene die niet het goed zelf, maar een beperkt recht daarop verkrijgt (art. 3:98).

Welk vereiste stelt art. 3:87 extra voor beroep op goede-trouw bescherming?

Als de verkrijger de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder niet kende of behoorde te kennen, dan is hij te goeder trouw. Art 3:87 BW stelt een extra vereiste aan een beroep op de goede-trouw-bescherming. De verkrijger die binnen drie jaren na het verkrijgen wordt gevraagd wie het goed aan hem vervreemdde, moet de gegevens onverwijld verschaffen om deze persoon te kunnen achterhalen. Als de verkrijger niet aan deze wegwijsplicht voldoet, dan kan hij zich niet beroepen op de bescherming van art. 3:86 BW.

Geldt de bescherming ook voor cultuurgoederen?

De derdenbescherming geldt niet in geval van cultuurgoederen, neergelegd in de artikelen 3:86a en 3:86b BW.

Welke voorwaarden kent art. 3:88 BW?

Dit artikel ziet op de overdrachten die niet vallen onder artikel 3:86 BW. Vereisten:

  • Overdracht van een goed, anders dan door 3:86 BW wordt bestreken (bv. Registergoed);

  • Aan alle wettelijke eisen van 3:84 BW is voldaan, behalve aan het vereiste van beschikkingsbevoegdheid;

  • De beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder komt door een ongeldigheid van een vroegere overdracht (bv. ongeldige titel of gebrek in de levering, maar niet door beschikkingsonbevoegdheid in de vroegere overdracht);

  • Verkrijger is te goeder trouw. Het extra vereiste van 3:87 BW geldt hier niet.

Wat zijn de gevolgen van art. 3:88 BW?

Als aan deze vereisten is voldaan, dan is de overdracht toch geldig. De verkrijger wordt de rechthebbende en het goed verlaat het vermogen van de persoon die tot op dat moment de rechthebbende was.

Welke bijzonderheden kent art. 3:88 BW?

Een verkrijger is te goeder trouw in de zin van art. 3:88 BW indien hij de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder niet kende noch behoorde te kennen. De verkrijger om niet (bv. schenking) wordt ook door deze bepaling beschermd. Het artikel biedt echter geen bescherming bij verkrijging van een goed belast met een beperkt recht. Art. 3:88 BW heelt bovendien niet elke vorm van beschikkingsonbevoegdheid, enkel die welke voortvloeit uit een titel- of leveringsgebrek in een eerdere overdracht. Anders dan bij art. 3:86 BW het geval is beschermd art. 3:88 BW ook de verkrijger om niet.

Kunnen latere verkrijgers ook aanspraak maken op art. 3:88 BW?

Er zijn twee situaties:

  • De derde heeft zelf krachtens art. 3:88 verkregen. Hij is dan rechthebbende en dus beschikkingsbevoegd. Vervreemdt hij een goed aan een vierde, dan verkrijgt die vierde krachtens de hoofdregel van art. 3:84 lid 1 BW. De bescherming van art. 3:88 komt dan niet aan de orde: goede of kwade trouw bij de vierde is irrelevant.

  • Het beroep van de derde op art. 3:88 faalt. In dit geval is de derde beschikkingsonbevoegd. Vervreemdt hij het goed aan een vierde, dan is niet aan alle eisen van art. 3:84 lid 1 BW voldaan. De vierde wordt slechts rechthebbende indien hij zich zelf op art. 3:88 kan beroepen.

Beschermt art. 3:88 BW ook tegen een beperkt recht?

Art. 3:88 BW biedt geen bescherming tegen het bestaan van een beperkt recht op een overgedragen goed. De bepaling van art. 3:88 BW is van overeenkomstige toepassing ten gunste van degene die niet het goed zelf, maar een beperkt recht daarop verkrijgt.

Welke bescherming is er tegen onvolledigheid en onjuistheid van de in de openbare registers gepubliceerd gegevens?

Welke feiten kunnen in de openbare registers worden ingeschreven?

De artikelen 3:16 en 3:17 BW geven aan welke gegevens kunnen worden ingeschreven in de openbare registers. Persoonlijke rechten kunnen alleen worden ingeschreven als een bijzondere wetsbepaling dit toelaat (bv. artikel 6:252 lid 2 BW). Soms is inschrijving een vereiste om een bepaald gevolg te laten intreden en soms is inschrijving mogelijk maar niet verplicht.

Welke vereisten kent de bescherming uit art. 3:24 BW?

Artikel 3:24 BW biedt de verkrijger van een registergoed bescherming bij onvolledigheid van de registers. De vereisten zijn:

  • Verkrijging onder bijzondere titel;

  • Rechtsverkrijging berust op een rechtshandeling (bv. levering, vestiging);

  • De rechtshandeling wordt in de openbare registers ingeschreven;

  • Op datzelfde moment is een ander inschrijfbaar feit niet ingeschreven;

  • Verkrijger is te goeder trouw.

Als aan deze vereisten is voldaan, dan kan de onvolledigheid niet aan de verkrijger worden tegengeworpen. De uitzonderingen hierop zijn opgenomen in art. 3:24 lid 2 en 3 BW.

Wanneer wordt men beschermt tegen onjuistheid van de openbare registers?

De artikelen 3:25 en 3:26 BW bieden bescherming ingeval van onjuistheid. De vereisten zijn dezelfde als genoemd bij artikel 3:24 BW. De verkrijger wordt tegen eenieder beschermd als het onjuiste feit was ingeschreven door een authentieke akte, waarin een ambtenaar het feit heeft vastgesteld met kracht van authenticiteit. In de overige gevallen wordt de verkrijger alleen beschermd tegen degenen die een correctie hadden kunnen maken. Anderen kunnen de onjuistheid wel tegen de verkrijger tegenwerpen, ook al is aan de vereisten voldaan.

Waar is rechtsuitwijzing geregeld?

De rechtsuitwijzing, een procedure die leidt tot een vonnis waarin de rechter verklaart dat de eiser al dan niet een bepaald recht op een registergoed heeft, is in art. 3:27 BW geregeld. De gevolgen hiervan zijn dat tussen partijen de rechtstoestand onbetwistbaar vast staat en dat jegens derden-belanghebbenden de rechterlijke verklaring vermoed wordt juist te zijn. Dit vermoeden is weerlegbaar maar op de onjuistheid kan nooit een beroep gedaan worden ten nadele van hen die, daarmee onbekend, de verkrijger van het vonnis onder bijzondere titel zijn opgevolgd.

Wanneer is iemand te goeder trouw?

De verkrijger wordt alleen beschermd indien hij te goeder trouw was: dit betekent dat hij de onjuistheid of onvolledigheid niet kende noch behoorde te kennen. Hierbij wordt als grens gesteld dat de onderzoeksplicht beperkt blijft tot gegevens die uit de openbare registers blijken. Voor art. 3:25 en 26 geldt echter ook dat goede trouw ontbreekt indien uit de registers zelf bleek dat de juistheid van het bewuste feit niet vaststond.

Welke bescherming biedt het algemene artikel 3:36 BW?

Wat wordt beschermd onder art. 3:36 BW?

Art. 3:36 BW beschermt ter zake van het ontstaan/bestaan/tenietgaan van een bepaalde rechtsbetrekking waarvan de verkrijger derde is. Dit artikel geeft een algemene beschermingsregeling. Vereist is dat A een rechtshandeling verricht op grond van een door B opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen bij een rechtsbetrekking waarbij A derde is. Op grond van artikel 3:36 BW kan B geen beroep doen op de onjuistheid van de veronderstelling van A. Men zal enkel voor bescherming bij dit artikel uitkomen indien de bovengenoemde artikelen geen mogelijkheid bieden. Dit kan in sommige gevallen ook indien een van de andere beschermingsmethoden wordt ingeroepen.

Wanneer biedt enkel art. 3:36 BW bescherming?

Over het algemeen zal dit artikel naast de beschermingsbepalingen van 3:86 en 3:24 e.v. BW kunnen worden ingeroepen. Dit artikel kan ook het enige beschermingsartikel zijn. Dit kan bijvoorbeeld in het geval een beroep op 3:86 afstuit op de omstandigheid dat het een verkrijging om niet betreft. Een andere mogelijkheid is het geval waarin een beroep op 3:88 afstuit op de omstandigheid dat de beschikkingsonbevoegdheid niet uitsluitend ontstond door een eerder gebrek in titel of levering.

Stampvragen

Vraag 1

Hoe is de derdenbescherming geregeld ingeval van diefstal?

Vraag 2

Welke gegevens kunnen worden ingeschreven in de openbare registers?

Wat houdt verjaring in? - Chapter 10

Welke eisen gelden voor verkrijgende verjaring?

Met behulp van de verkrijgende (acquisitieve) verjaring van goederen (art. 3:99 BW) kan het recht zich zo goed mogelijk bij de feitelijke toestand aansluiten, wat leidt tot rechtszekerheid.

Eisen voor de verkrijgende verjaring van een goed zijn:

  1. Bezit van het goed gedurende een bepaald aantal jaren. Dit is drie jaar bij rechten op roerende zaken en rechten aan toonder of order en tien jaar bij alle andere goederen. Zie art. 3:101 BW.

  2. Het bezit is onafgebroken; bezitsverlies stuit een lopende verjaring. Na stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen, tenzij het bezit onvrijwillig is verloren en men het binnen een jaar weer in bezit heeft of binnen een jaar een vordering wordt ingesteld om het bezit weer te verwerven (art. 3:103 BW).

  3. Het bezit is te goeder trouw, zie art. 3:118 BW.

Wat gebeurt er bij bezitsopvolging?

Wanneer men het bezit verkrijgt van iemand bij wie reeds een verjaringstermijn loopt, dan mag de reeds verstreken verjaringstermijn bij de eigen periode worden opgeteld. Wel blijft goede trouw bij de opvolger vereist. Bij verkrijging onder algemene titel is hieraan voldaan wanneer de voorganger te goeder trouw was. Bij verkrijging onder bijzondere titel moet de opvolger, naast zijn voorganger, zelf ook te goeder trouw zijn (art. 3:102 lid 2 BW).

Hoe verhoudt verkrijgende verjaring zich tot extinctieve verjaring?

Gedurende de verjaringstermijn kan de daadwerkelijk rechthebbende een rechtsvordering (revindicatie) instellen om zijn bezit weer te verkrijgen, maar deze vordering is echter wel aan extinctieve verjaring onderhevig (zie artikel 3:306 BW). De extinctieve verjaring heeft invloed op de verkrijgende verjaring van het goed.

Stuiting of verlenging van de extinctieve verjaring leidt tot overeenkomstige stuiting of verlenging van de verkrijgende verjaring, maar voltooiing van de extinctieve verjaring heeft altijd verkrijgende verjaring als gevolg bij degene die het goed op dat moment bezit (art. 3:105 BW). Dus als men een goed in zijn bezit heeft op het moment dat de vordering tot revindicatie verjaard, dan verkrijgt diegene dat goed ook al was hij niet te goeder trouw op dat moment. Wanneer op het moment van de extinctieve verjaring iemand zijn bezit onvrijwillig heeft verloren, maar dit bezit binnen een jaar weer heeft teruggekregen, dan is hij degene die het goed door verjaring verkrijgt.

Gaat een beperkt recht ook teniet door verjaring?

Wanneer een beperkt gerechtigde jegens de hoofdgerechtigde een rechtsvordering heeft tot het opheffen van een met het beperkte recht strijdige toestand, dan zal het recht van de hoofdgerechtigde niet langer met het beperkte recht belast zijn, omdat extinctieve verjaring van deze rechtsvordering tegelijkertijd het tenietgaan van het beperkte recht tot gevolg heeft. Het recht van de hoofdgerechtigde is dan onbelast.

Voorbeeld: er is sprake van erfdienstbaarheid, waarbij de eigenaar een weg heeft om met zijn auto zijn erf te verlaten. Als de toegang tot deze weg wordt gewijzigd (de strijdige toestand) en hiertegen wordt gedurende 20 jaar geen rechtsvordering ingesteld (art. 3:306 BW), dan gaat het beperkte recht teniet tegelijk met de extinctieve verjaring van de rechtsvordering.

Stampvragen

Vraag 1

Kunnen goederen worden verkregen door verjaring? Zo ja, welke termijnen en vereisten gelden hiervoor?

Vraag 2

Wat gebeurt er met een beperkt recht op een goed dat wordt verkregen door verkrijgende verjaring?

Wat zijn het bezit en het houderschap? - Chapter 11

Waar vindt men bezit en houderschap in de wet?

Bezit en houderschap staan in titel 3.5 BW.

Wat zijn de belangrijke begrippen rondom bezit en houderschap?

Wanneer ben je rechthebbende, bezitter of houder?

Ten eerste de algemene begrippen:

  • Rechthebbende: degene tot wiens vermogen een goed behoort (bv. Eigenaar).

  • Houderschap: het houden van een goed voor een ander.

  • Bezitter: het houden van een goed voor zichzelf, artikel 3:107 lid 1 BW.

Hoe wordt beoordeeld of sprake is van bezit of houderschap?

Of iemand een goed houdt en voor wie hij dit doet, wordt beoordeeld aan de hand van verkeersopvattingen (uiterlijke feiten) en door enkele wettelijke bepalingen (artikelen 3:109-117 BW). Hoofdregel is dat iemand een goed houdt wanneer hij de feitelijke macht over dat goed heeft. Daarom zijn de uiterlijke feiten belangrijk en is de innerlijke wil (animus) alleen van belang als deze naar buiten toe blijkt (als een uiterlijk feit).

Bezit en houderschap kunnen middellijk en onmiddellijk zijn:

  1. Onmiddellijk bezit: iemand bezit zonder dat een ander voor hem houdt, artikel 3:107 lid 2 BW.

  2. Middellijk bezit: iemand bezit door middel van een ander, die voor hem houdt, artikel 3:107 lid 3 BW.

  3. Onmiddellijk houderschap: iemand houdt voor een ander, zonder dat een derde weer voor hem houdt, artikel 3:107 lid 4 j. lid 2 BW.

  4. Middellijk houderschap: iemand houdt voor een ander door middel van een derde, die op zijn beurt weer voor hem houdt, artikel 3:107 lid 4 j. lid 3 BW.

Wanneer ben je als bezitter te goeder trouw?

Een bezitter is te goeder trouw als hij denkt rechthebbende te zijn en zich ook redelijkerwijs zo mocht zien (art. 3:118 BW). Het moment van bezitsverkrijging is dan van belang. Een bezitter te goeder trouw blijft te goeder trouw, ook wanneer hij later ontdekt dat hij geen rechthebbende is. Goede trouw kan ook later ontstaan, bijvoorbeeld wanneer de bezitter ervan uit gaat dat een gebrek is hersteld.

Wat is in art. 3:109 en 3:119 BW geregeld?

Daarnaast bestaan er nog wettelijke vermoedens in de artikelen 3:109 en 3:119 BW. Wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden (bezit) en de bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende (eigenaar) te zijn. Deze vermoedens zijn echter weerlegbaar.

Wat houdt bezigsverkrijging en bezitsverlies in?

Hoe verkrijgt men het bezit?

Bezitsverkrijging is geregeld in de artikelen 3:112-116 BW. Bezit wordt verkregen door:

  • Occupatie (inbezitneming): men verschaft de feitelijke macht over een goed, art. 3:113 BW. Bijvoorbeeld doordat men een zaak onder zich neemt of door uitoefening van een recht (in geval van vermogensrechten).

  • Bezitsoverdracht: alleen de bezitter zelf kan bezit overdragen, door de verkrijger in staat te stellen macht uit te oefenen over het goed (art. 3:114 BW).

  • Opvolging onder algemene titel: de opvolger treedt van rechtswege in het bezit van zijn rechtsvoorgangen, inclusief alle rechten en plichten (art. 3:116 BW).

Hoe kan bezit overgedragen worden?

Er zijn verschillende mogelijkheden voor bezitsoverdracht van een zaak, namelijk:

  1. Feitelijke overhandiging.

  2. Traditio symbolica, bijvoorbeeld door het overdragen van de sleutels van een auto.

  3. Een enkele tweezijdige verklaring zonder feitelijke handeling. Dit is in drie gevallen mogelijk:

  • Constitutum possessorium: bezitter wordt houder. De vervreemder is bezitter, maar gaat voor de verkrijger houden (art. 3:115 sub a BW).

  • Brevi manu: houder wordt bezitter. De verkrijger is al houder voor de vervreemder en wordt door deze verklaring bezitter (art. 3:115 sub b BW). Bijvoorbeeld als een goed is uitgeleend (en dus door de verkrijger al gehouden wordt voor de vervreemder).

  • Longa manu: houder voor de één wordt houder voor de ander. Een derde houdt de zaak voor de vervreemder en gaat na overdracht de zaak houden voor de verkrijger (art. 3:115 sub c BW). Vereist is dan wel dat de derde de overdracht erkent of dat de overdracht aan de derde is medegedeeld.

Hoe verschaft de houder het bezit van een zaak?

Op grond van artikel 3:107 lid 1 BW is een houder geen bezitter en hij kan dus geen bezit overdragen aan een ander. Wel kan hij een ander bezit verschaffen door de ander voldoende macht over het goed te geven. Dit kan hij doen op de volgende manieren:

  1. Feitelijke overhandiging.

  2. Traditio symbolica.

  3. Enkele tweezijdige verklaring zonder feitelijke handeling:

  • Brevi manu: de verkrijger hield immers al het goed voor de vervreemder onder zich en heeft al de feitelijke macht over het goed.

  • Longa manu: de derde gaat houden voor de verkrijger, die middellijk bezitter wordt.

De houder kan niet door constitutum possessorium bezit verschaffen, want een houder kan zichzelf niet bezitter maken. Hierbij geldt het interversieverbod van artikel 3:111 BW (houder blijft houder).

Kan bezit rechtstreeks voor een ander verkregen worden?

Dit is mogelijk op grond van art. 3:110 BW. Deze bepaling speelt een belangrijke rol bij het verkrijgen van roerende zaken middels een tussenpersoon. Een van de vereisten hiervoor is een rechtsverhouding die meebrengt dat hetgeen iemand op bepaalde wijze zal verkrijgen, door hem voor een ander zal worden gehouden. De volgende eis is de verkrijging ter uitvoering van deze rechtsverhouding.

In welke gevallen is wijziging van houderschap mogelijk?

Volgens art. 3:111 BW blijft de houder de houder. Een houder kan zichzelf niet tot bezitter maken. In een tweetal gevallen is een wijziging van het houderschap (interversie) wel mogelijk:

  • Door een handeling van hem voor wie men houdt, bijv. door een bezitsoverdracht brevi manu of longa manu.

  • Door een tot de bezitter gerichte tegenspraak van diens recht.

Hoe wordt het bezit verloren?

Een bezitter kan zijn bezit verliezen in twee gevallen (art. 3:117 lid 1 BW):

  1. Wanneer hij het goed kennelijk prijsgeeft.

  2. Wanneer een ander het bezit van het goed verkrijgt. Een goed kan maar één bezitter hebben (tenzij er sprake is van een gemeenschap, dan is er sprake van medebezit). Artikel 3:125 BW geeft wel mogelijkheden om het verloren bezit terug te krijgen. Deze vorderingen kunnen worden afgewezen als de gronden van lid 2 zich voordoen.

Buiten deze gevallen duurt een eenmaal aangevangen bezit voort (art. 3:3317 lid 2 BW).

Wat zijn de rechtsgevolgen van bezit en houderschap?

Welke rechtsgevolgen kent het bezit?

Aan het hebben van bezit zijn een aantal rechtsgevolgen verbonden, namelijk:

  • De bezitter wordt vermoed rechthebbende (eigenaar) te zijn, artikel 3:119 lid 1 BW.

  • De bezitter te goeder trouw is rechthebbende op de afgescheiden natuurlijke vruchten en de opeisbaar geworden burgerlijke vruchten, artikel 3:120 lid 1 BW.

  • Als de rechthebbende het goed opeist, dan moet hij de bezitter bepaalde vergoedingen betalen, artikelen 3:120-121 BW.

  • Bezitsacties, art. 3:125 BW.

  • Verkrijgende verjaring van het goed, art. 3:99 BW.

Wie vergoedt de kosten en schade?

De bezitter te goeder trouw heeft recht op vergoeding van de gemaakte kosten voor het goed en de schade waarvoor hij aansprakelijk zou kunnen zijn tegenover een derde. Dit laatste wordt niet vergoed als de bezitter niet te goeder trouw was.

Welke bijzonderheden zijn er bij de vergoeding van schade en kosten?

Daarnaast gelden er nog enkele bijzonderheden zoals het retentierecht (opschorten van de prestatie als de vergoeding nog niet is ontvangen), ius tollendi (bezitter is bevoegd om aangebrachte veranderingen weg te halen als hij daarmee de zaak in zijn oude toestand terugbrengt, art. 3:123 BW), overdracht in plaats van vergoeding (maar bezitter moet hier wel aan meewerken, art. 3:122 BW).

Heeft een houder recht op vruchten of vergoeding van kosten en schade?

Wanneer men wordt aangesproken tot teruggave door degene voor wie men houdt, dan is de rechtsverhouding waaruit het houderschap voortvloeit beslissend voor de vraag in hoeverre een houder recht heeft op vruchten of vergoeding van kosten en schade. Wanneer hij voor een niet-rechthebbende houdt, kan hij worden aangesproken door iemand met wie hij geen houderschapsverhouding heeft. In dat geval zijn art. 3:120-123 van toepassing, met inachtneming van de rechtsverhouding waarin de houder stond tot degene voor wie hij hield (art. 3:124).

Wat kan een bezitter doen tegen een derde die hem zijn bezit ontneemt?

Elke bezitter staat de volgende middelen ten dienste als bescherming tegen bezitsverlies en bezitsstoornis:

  • Alle rechtsvorderingen tot het terug verkrijgen van het goed en het opheffen van de stoornis, art. 3:125 lid 1 BW.

  • Een vordering uit onrechtmatige daad, art. 6:162 BW.

Stampvragen

Vraag 1

Wat is bezit en wat is houderschap?

Vraag 2

Wanneer is een bezitter te goeder trouw?

Vraag 3

Welke twee wettelijke vermoedens kennen we bij bezit en houderschap?

Vraag 4

Op welke drie manieren kan bezit worden verkregen?

Vraag 5

Wat is houdt bezitsoverdracht constitutum possessorium, brevi manu en longa manu in?

Vraag 6

In welke twee gevallen is een wijziging van het houderschap (interversie) mogelijk?

Vraag 7

Op welke twee manieren kan bezit worden verloren?

Vraag 8

Wat zijn de twee rechtsgevolgen van bezit?

Vraag 9

Welke bezitsacties heeft een bezitter tegen bezitsverlies en bezitsstoornis?

Waar staat het bewind in de Nederlandse wetgeving? - Chapter 12

Waar staat het bewind?

Bij bewind komen de volledige beheersbevoegdheid en de beschikkingsbevoegdheid niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder (vertegenwoordiger van de rechthebbende). Bewind zou een algemene regeling krijgen in titel 3.6., maar deze titel zal waarschijnlijk niet worden ingevoerd. De nummers 185 t/m 195 zijn dan ook vervallen in het boek.

Wat houdt de gemeenschap in? - Chapter 13

Wat houdt de gemeenschap in?

Gemeenschap is neergelegd in art. 3:166 e.v. BW en kan zien op alle soorten goederen. Er is sprake van een gemeenschap wanneer één of meer goederen toebehoren aan twee of meer personen gezamenlijk (art. 3:166 lid 1 BW). Als de gemeenschap ziet op één of meer zaken, dan is er sprake van mede-eigendom en mede-eigenaren. De gemeenschap bestaat uit de bij de aanvang van de gemeenschap aanwezige goederen en de goederen die geacht moeten worde in de plaats van een gemeenschappelijk goed te treden. Iedere deelgenoot van de gemeenschap heeft een gelijk aandeel in de goederen van de gemeenschap, tenzij anders voortvloeit uit hun rechtsverhouding.

In alle gevallen wordt de rechtsbetrekking tussen de deelgenoten beheerst door redelijkheid en billijkheid (art. 3:166 lid 3 verklaart art. 6:2 van overeenkomstige toepassing).

Welke soorten gemeenschappen onderscheiden we?

Er bestaan de volgende vormen van gemeenschap:

  • Eenvoudige gemeenschap: bestaande uit één goed of meerdere goederen.

  • Bijzondere gemeenschap: deze zijn limitatief opgesomd in art. 3:189 lid 2 BW. Naast de algemene bepalingen zijn hierop de bijzondere bepalingen van toepassing. Een bijzondere gemeenschap heeft een afgescheiden vermogen.

Wat zijn de bevoegdheden van de deelgenoten?

Waardoor worden de bevoegdheden van de deelgenoten tot genot, gebruik en beheer bepaalt?

De bevoegdheden worden bepaald door een beheersregeling. Dit kan zijn een door de deelgenoten gesloten overeenkomst of een door de rechter getroffen regeling, voor zover een overeenkomst ontbreekt. Deze beheersregeling bindt ook rechtsverkrijgenden. Voor zover een beheersregeling ontbreekt, worden de bevoegdheden van de deelgenoten bepaald door de wettelijke regels. Dit volgt uit de artikelen 3:196 tot en met 3:172 BW.

Hoe is het geregeld met de beschikkingsbevoegdheid?

De deelgenoten zijn gezamenlijk bevoegd als het gaat om beschikking over een geheel gemeenschapsgoed, art. 3:170 lid 3 BW. In uitzonderingsgevallen berust de beschikkingsbevoegdheid bij één van de deelgenoten. Dit is het geval wanneer een beschikkingshandeling tevens aan te merken is als een beheershandeling, waartoe één van de deelgenoten bevoegd is krachtens de beheersregeling of als het gaat om onderhoud, behoud of handelingen die geen uitstel kunnen leiden. Dit is ook het geval indien er een machtiging is afgegeven door de rechter.

Bij een eenvoudige gemeenschap is ieder van de deelgenoten afzonderlijk bevoegd te beschikken over een onverdeeld aandeel in één afzonderlijk gemeenschapsgoed (art. 3:175 lid 1). Bij een bijzondere gemeenschap is een afzonderlijke deelgenoot slechts bevoegd om op zijn aandeel in één afzonderlijk goed, pand of hypotheek te vestigen (art. 3:190).

Ieder van de deelgenoten is afzonderlijk bevoegd tot beschikking over een onverdeeld aandeel in de gehele gemeenschap. Bij de eenvoudige gemeenschap kan dit worden afgeleid uit de optelling van de hierboven gegeven bevoegdheid en voor de bijzondere gemeenschap vloeit dit voort uit art. 3:191 lid 1.

Kan men zich op de gemeenschapsgoederen verhalen?

Het verhaal door een crediteur (schuldeiser) op gemeenschapsgoederen is afhankelijk van de vorm van de gemeenschap en de aard van de vordering. Zie de art. 3:175 lid 3 en 190-192 BW.

De eenvoudige gemeenschap kent privé-crediteuren. Die kunnen het aandeel van de deelgenoot-schuldenaar in een gemeenschappelijk goed en in de gehele gemeenschap uitwinnen (art. 3:175 lid 3). De eenvoudige gemeenschap kent geen echte gemeenschapscrediteuren aangezien de met de gemeenschap verband houdende schulden niet tot de gemeenschap behoren.

De bijzondere gemeenschap kent privé-crediteuren. Zij kunnen slechts het aandeel van de deelgenoot-schuldenaar in de gehele gemeenschap uitwinnen (art. 3:190 en 191). De tussen deelgenoten bestaande rechtsverhouding kan meebrengen dat uitwinning door een privé-crediteur is uitgesloten (vgl. art. 3:175 lid 3 en 3:191 lid 1). De bijzondere gemeenschap kent schulden die tot die gemeenschap behoren. De schuldeiser van een dergelijke vordering heeft gemeenschapscrediteur. Deze credituren kunnen hun vordering rechtstreeks op de gemeenschap verhalen (art. 3:192). De gemeenschapscrediteuren hebben bij verhaal voorrang boven de privé-crediteuren.

De wet verschaft privé-crediteuren bij een eenvoudige of bijzondere gemeenschap de bevoegdheid verdeling van de gemeenschap te vorderen, waarna hij zich op een aan de deelgenoot-schuldenaar toebedeeld goed in zijn geheel kan verhalen (3:180). Dit kan echter nadelig zijn voor gemeenschapscrediteuren. Voor de verdeling hebben zij immers voorrang op privé-crediteuren. De wet verklaart hem daarom bevoegd zich tegen de verdeling te verzetten en een na zijn verzet tot stand gekomen verdeling te vernietigen (art. 3:193). Deze vernietiging werkt alleen ten behoeve van de vernietigende crediteur en niet verder dan ter opheffing van zijn nadeel nodig is.

Wat houdt de verdeling van de gemeenschap in?

Wat wordt onder verdeling verstaan?

Het begrip verdeling wordt uiteengezet in de eerste zin van artikel 3:182 BW. Een verdeling is iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten meewerken en krachtens welke een of meer deelgenoten een of meer goederen der gemeenschap verkrijgen met uitsluiting van de overige deelgenoten. Dit hoeft dus niet alle gemeenschapsgoederen te omvatten.

Wie kan om verdeling verzoeken?

Elke deelgenoot en beperkt gerechtigde op een aandeel kan verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen, art. 3:178 lid 1 BW. Daarnaast kan elke crediteur bij een eenvoudige gemeenschap en elke privécrediteur bij een bijzondere gemeenschap verdeling van de gemeenschap vorderen, voor zover nodig is voor het verhaal van de betreffende vordering, art. 3:180 lid 1 BW. Als uitsluitend verdeling van bepaalde gemeenschapsgoederen wordt gevorderd, dan kan iedere deelgenoot om verdeling verzoeken, art. 3:179 lid 1 BW.

Een verdeling vereist de medewerking van deelgenoten en beperkt gerechtigden, art. 3:182 en 3:177 lid 2 BW. De medewerking van een crediteur is alleen vereist als op zijn vordering een bevel tot verdeling is verkregen, art. 3:180 lid 2 BW.

In welke vorm kan verdeling geschieden?

De verdeling van de gemeenschap is in beginsel vormvrij (art. 3:183 lid 1 BW), maar de wet eist in bepaalde gevallen een notariële akte en goedkeuring door de rechter (bv. wanneer een deelgenoot weigert mee te werken). Dit is het geval indien een deelgenoot of persoon wiens medewerking vereist is, het vrije beheer over zijn goederen mist. Dit ontbreekt in het geval van handelingsonbekwaamheid, faillissement of schuldsanering (art. 3:183). Een notariële akte en rechterlijke goedkeuring is ook vereist als een deelgenoot of persoon wiens medewerking is vereist, weigert mee te werken aan de verdeling (art. 3:183).

Op welke wijze vindt verdeling plaats?

De deelgenoten zijn bevoegd zelf de wijze van verdeling te bepalen. Komen zij hier niet uit, dan gelast de rechter de verdelingswijze of stelt hij zelf een verdeling vast, art. 3:185 lid 1 BW. In lid 2 van dit artikel is beschreven welke vormen van verdeling mogelijk zijn.

Wanneer is een verdeling nietig of vernietigbaar?

De verdeling is nietig of vernietigbaar:

  • Wanneer niet alle deelgenoten en personen wiens medewerking was vereist, aan de verdeling hebben meegewerkt. De verdeling is vernietigbaar als dit gebeurt bij notariële akte, anders is zij nietig (artikel 3:195 lid 1 BW).

  • Wanneer een deelgenoot heeft gedwaald over de waarde van een of meer te verdelen goederen en schulden en daardoor voor meer dan een vierde deel is benadeeld.

  • Op de algemene geldende gronden voor nietigheid en vernietigbaarheid van rechtshandelingen (o.a. artikel 3:32, 3:39-40; 3:43-44 en 3:45-48 BW).

De rechtsvordering tot vernietiging van een verdeling is gebonden aan een vervaltermijn van 3 jaar (art. 3:200). De uitzondering hierop is de rechtsvordering tot vernietiging op grond van art. 3:195 lid 1. De verjaringstermijn is in dat geval 1 jaar.

Welke werking heeft de verdeling?

De werking heeft uitsluitend obligatoire werking. Een goed dat aan één van de deelgenoten toekomt, dient te worden geleverd aan de andere deelgenoten op grond van artikel 3:84 e.v. BW. De titel is hierbij niet de verdeling zelf, maar de rechtsgrond waaronder de deelgenoten de goederen gezamenlijk verkregen (artikel 3:186 lid 2 BW). De verdeling heeft bovendien geen terugwerkende kracht, art. 3:186 lid 1 BW.

Heeft de verdeling invloed op beperkte rechten op aandelen?

Dit is geregeld in art. 3:177 BW. We onderscheiden:

  • Bij de verdeling wordt het goed toebedeeld aan de deelgenoot op wiens aandeel in dat goed het beperkte recht rust. Het beperkte recht komt op het gehele goed te rusten (art. 3:177 lid 1).

  • Bij de verdeling wordt het goed niet toebedeeld aan de deelgenoot op wiens aandeel in het goed het beperkte recht rust. Het beperkte recht vervalt (art. 3:177 lid 1, slot).

Stampvragen

Vraag 1

Wat is een ‘gemeenschap’?

Vraag 2

Welke bevoegdheden hebben de deelgenoten in een gemeenschap?

Vraag 3

Hoe is de beschikkingsbevoegdheid van deelgenoten ter zake van een gemeenschapsgoed geregeld?

Vraag 4

Wie kunnen de verdeling van een gemeenschapsgoed vorderen?

Wat houdt eigendom in? - Chapter 14

Waar in de wet wordt de eigendom geregeld?

Eigendom wordt geregeld in Boek 5 BW.

Wat is de omvang van het eigendomsrecht?

Wat is het eigendomsrecht?

Het begrip wordt omschreven in artikel 5:1 lid 1 BW en daaruit blijkt dat eigendom twee kenmerken heeft:

  1. Het is een volledig recht.

  2. Het eigendomsrecht kan slechts bestaan op zaken en niet op vermogensrechten.

De inhoud van het eigendomsrecht wordt gekarakteriseerd aan de hand van de aan de eigenaar toekomende bevoegdheden.

Wat is het voorwerp van eigendom?

Het eigendomsrecht rust op de gehele zaak, inclusief haar bestanddelen (art. 5:3 BW). Artikel 3:4 BW bepaalt wat een bestanddeel is. Een bestanddeel kan ook door natrekking eigendom worden van de eigenaar van de zaak. De eigendom is ook een genotsrecht. De eigenaar van een zaak is eveneens eigenaar van haar afgescheiden vruchten, art. 5:1 lid 3 BW.

Wat is de eigendom van de grond?

Artikel 5:20 BW geeft aan wat er wordt verstaan onder de eigendom van de grond. De in dit artikel genoemde objecten vallen onder het eigendomsrecht op de grond, ongeacht de vraag of zij bestanddelen zijn van de grond. En er staat tevens vast dat de grond een gebouw natrekt.

Wanneer is sprake van horizontale natrekking?

Er kan, naast verticale natrekking, ook sprake zijn van horizontale natrekking (art. 5:20 lid 1 sub e slotzin BW). Bijvoorbeeld wanneer de kelder van een huis zich onder het huis van de buurman bevindt. Deze kelder is dan bestanddeel van de onroerende zaak (het huis) en dus niet door natrekking eigendom geworden van de buurman.

Welke bevoegdheden heeft een eigenaar?

De eigenaar mag zijn zaak met uitsluiting van ieder ander gebruiken (exclusiviteit), de vruchten daarvan trekken en erover beschikken.

Welke mogelijkheden heeft een eigenaar om zijn eigendomsrecht te handhaven?

De eigenaar heeft de volgende mogelijkheden:

  • Een verklaring voor recht vorderen dat hij de eigenaar is of dat er geen beperkt recht is gevestigd op de zaak, artikel 3:302 BW.

  • Revindicatie: de eigenaar kan de zaak opeisen van eenieder die de zaak zonder recht houdt (art. 5:2 BW). Deze actie kan zowel tegen de bezitter als tegen de houder worden ingesteld. Een revindicatie zal niet slagen wanneer de eigenaar zijn eigendom heeft verloren (bijvoorbeeld bij een geslaagd beroep op een derdenbeschermingsbepaling door de gedaagde) of als de gedaagde de zaak onder zich heeft op grond van een zakelijk of persoonlijk recht, wat kan worden ingeroepen tegen de eigenaar (bv. huur, bruikleen of erfpacht).

  • Een vordering uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW).

Hoe kunnen eigenaarsbevoegdheden beperkt worden?

Op welke manier wordt de eigenaar in zijn bevoegdheden beperkt?

De eigenaar wordt in zijn bevoegdheden beperkt door, art. 5:1 lid 2 BW: aan anderen verleende rechten, wettelijke voorschriften en ongeschreven regels.

Welke wettelijke bepalingen beperkten de eigenaar?

In de Grondwet wordt het eigendomsrecht beperkt door onteigening. Het BW noemt een aantal beperkingen in de artikelen 5:37; 5:39; 5:42 en 5:50 BW en er zijn bepalingen waarin de eigenaar handelingen van een ander moet dulden, zoals in de artikelen 5:23 en 5:56-58 BW. Daarnaast zijn er nog voorschriften van lagere wetgevers (AMvB, gemeentelijke verordeningen). Deze moeten aan een aantal vereisten voldoen voor een geldige beperking van het eigendomsrecht. Zo moet het voorschrift algemene regels inhouden, het genot niet geheel ontnemen, niet een uitdrukkelijk toegekende wettelijke bevoegdheid ontnemen van de eigenaar en de beschikkingsbevoegdheid niet beperken.

Welke regels van ongeschreven privaatrecht beperken de eigenaar?

Op grond van art. 5:2 lid 2 BW verwijst de beperking door regels van ongeschreven privaatrecht naar een van de onrechtmatigheidscriteria uit art. 6:162 lid 2: strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Er kan zich een geval voordoen waarin de eigenaar een wettelijke bevoegdheid uitoefent, maar dat dit onder bepaalde omstandigheden geen rechtvaardiging is voor het uitoefenen van ongeoorloofde handelingen.

Er zijn twee bijzondere vormen van onrechtmatig handelen, namelijk hinder en misbruik van bevoegdheid.

Wanneer is er sprake van hinder?

Hinder, art. 5:37 BW. Hinder kent twee functies, namelijk de offensieve functie en de defensieve functie. Met de offensieve functie wordt gedoeld op het feit dat de eigenaar niet bevoegd is zijn zaak op zodanige wijze te gebruiken dat dit ongeoorloofde hinder voor de eigenaars van de naburige erven oplevert (art. 5:37 jo 5:1 lid 2 BW). De defensieve functie houdt in dat de eigenaar geen hinder hoeft te dulden die het gebruik of genot van zijn zaak vermindert (art. 5:2 lid 1 BW).

In beginsel moet eenieder een bepaalde mate van hinder dulden, maar niet wanneer het voor de eigenaar het genot of het gebruik van een zaak vermindert. De gedragingen moeten op grond van artikel 6:162 lid 2 BW als onrechtmatig aangemerkt kunnen worden, wil er sprake zijn van hinder. De opsomming in artikel 5:37 BW is niet-limitatief, er zijn nog andere gevallen van hinder mogelijk (bv. artikel 5:39 en 5:40 BW). Het feit dat men in bezit is van een vergunning of dat er een wettelijke bevoegdheid wordt uitgeoefend, levert geen rechtvaardigingsgrond op voor de hinderende gedraging.

Onder welke omstandigheden misbruikt de eigenaar zijn bevoegdheden?

Misbruik van bevoegdheid is terug te vinden in art. 3:13 BW. Een eigenaar kan een toegekende wettelijke bevoegdheid misbruiken. Lid 2 geeft aan wanneer er sprake is van misbruik, bijvoorbeeld wanneer iemand de ander alleen maar schade wil toebrengen. Hij tast dus het genot en gebruik van een ander aan (in tegenstelling tot hinder, waarbij de eigenaar zelf wordt benadeeld in zijn genot en gebruik van een zaak). Het leerstuk van misbruik beperkt de eigenaar zowel in zijn positieve als zijn negatieve bevoegdheden. Dit laatste is bijvoorbeeld uitgewerkt in art. 5:54 BW. Indien door misbruik van bevoegdheid schade wordt toegebracht zal de eigenaar op grond van art. 6:163 BW aansprakelijk zijn.

Wat is het verschil tussen hinder en misbruik van eigenaarsbevoegdheden?

Beiden kunnen een onrechtmatige daad opleveren. Verschil:

  • Hinder: deze gedraging wordt primair gekwalificeerd als een aantasting van de positie van een andere persoon. De benadeelde persoon wordt in het genot of gebruik van zijn eigen zaak getroffen.

  • Misbruik van eigenaarsbevoegdheid: deze gedraging wordt primair gekwalificeerd als een vorm van eigendomsuitoefening. De benadeelde persoon wordt in het toevallige genot of gebruik dat hij heeft van andermans zaak getroffen.

Hoe wordt eigendom verkregen en verloren?

Op welke wijze wordt eigendom verkregen?

Eigendom kan op een aantal manieren worden verkregen:

  1. Op de wijze die geldt voor verkrijging van alle goederen, artikel 3:80 BW (onder algemene en bijzondere titel, verjaring).

  2. Manieren die alleen gelden voor eigendom. Roerende zaken: toe-eigening, vinderschap, schatvinding, natrekking, vermenging, zaaksvorming, vruchttrekking en samensmelting. Onroerende zaken: aanwas en natrekking.

Wat houdt toe-eigening in?

Toe-eigening is neergelegd in artikel 5:4 BW en gaat om het geval wanneer iemand een roerende zaak in bezit neemt die aan niemand toebehoort (res nullius). Het gaat dan om zaken die nooit een eigenaar hebben gehad (vissen in de zee) of zaken die de eigenaar heeft prijsgegeven. Onroerende zaken zijn nooit res nullius (art. 5:24 BW). Naast een res nullius is inbezitneming een tweede vereiste voor toe-eigening. Dit gebeurt door zich de feitelijke macht over de zaak te verschaffen (art. 3:113 lid 1 BW).

Wat houdt het vinderschap in?

Een vinder in de zin van art. 5:5-12 BW is iemand die een onbeheerde onroerende zaak vindt. Een onbeheerde zaak is een zaak die niet in de macht van een ander is. Vervolgens dient de persoon deze zaak nog onder zich te nemen om vinder te zijn. Een vinder kan houder zijn van de zaak, indien uit zijn gedrag blijkt dat hij de zaak aan de rechthebbende wil doen toekomen. De vinder is bezitter van de zaak indien uit zijn gedrag blijkt dat hij de zaak zelf wil houden.

Welke verplichtingen heeft een vinder?

De vinder heeft een meldingsplicht. Dit wil zeggen dat de vinder met bekwame spoed aangifte moet doen bij een daartoe aangewezen gemeenteambtenaar (art. 5:5 lid 1 sub a en lid 2). Indien de zaak in een gesloten ruimte is gevonden moet de vinder bovendien met bekwame spoed mededeling doen aan de bewoner, gebruiker of exploitant van die ruimte (art. 5:5 lid 1 sub b en lid 2). Indien de vinder iemand als eigenaar of als tot ontvangst bevoegd maf beschouwen, kan hij volstaan met een terstond na de vondst aan die persoon gedane mededeling (art. 5:5 lid 1 sub a en b).

De vinder dient de zaak ook af te geven aan de gemeente die dit vordert (art. 5:5 lid 1 sub c). De vinder is steeds bevoegd de zaak aan enige gemeente in bewaring te geven. Doet hij dit niet, dan moet hij zelf voor bewaring en onderhoud zorg dragen *art. 5:5 lid 3).

Hoe verkrijgt een vinder het eigendom?

Als de zaak niet binnen één jaar wordt opgeëist, dan verkrijgt de vinder van rechtswege de eigendom van de zaak, mits er aan een aantal vereisten is voldaan (art. 5:6 lid 1 BW). Als de vinder de zaak in bewaring heeft gegeven bij een gemeente, dan kan hij de zaak na één jaar opeisen. Als de zaak voor deze termijn wordt opgeëist, dan wordt de vinder geen eigenaar. Als de vinder niet aan zijn meldingsplicht voldoet dan kan hij geen eigenaar worden op deze wijze, maar wordt hij eigenaar door verjaring.

Wanneer is sprake van schatvinding?

Vereist voor schatvinding is dat het gaat om een waardevolle zaak, die lang verborgen was, waardoor het niet mogelijk is om de eigenaar op te sporen. De schat komt voor gelijke delen (mede-eigendom) toe aan degene die de schat vindt en de eigenaar van de zaak waarin de schat is gevonden, lid 1. De ontdekker moet aangifte doen bij de gemeente (art. 5:13 lid 3 BW).

Welke gevolgen heeft het bijeen geraken van zaken?

Indien zaken bijeen geraken, dan heeft dit een viertal mogelijke gevolgen:

  • Een zaak wordt door natrekking bestanddeel van een andere zaak (de hoofdzaak).

  • Er is een nieuwe roerende zaak tot stand gekomen, waarvan de oude zaken de bestanddelen zijn: zaaksvorming en samensmelting.

  • Oneigenlijke vermenging: de zaken zijn niet meer individualiseerbaar aanwezig.

  • De zaken zijn nog wel individualiseerbaar (er is geen eenheid ontstaan). Het bijeenbrengen van de zaken heeft dan geen goederenrechtelijk gevolgen.

Wanneer is er sprake van natrekking?

Wanneer een zaak bestanddeel wordt van een andere zaak, verkrijgt de eigenaar van die andere zaak de eigendom van het bestanddeel door natrekking (art. 5:3, 5:14 en 5:20 BW). Vereist is dat er sprake is van twee (of meer) zaken (roerend of onroerend), die toebehoren aan verschillende eigenaren en waarbij één van de zaken als hoofdzaak kan worden aangemerkt en de andere als bestanddeel van de hoofdzaak (door verkeersopvattingen of hechte verbinding).

Wanneer ontstaat een nieuwe roerende zaak?

Door het bijeenraken van roerende zaken kan een nieuwe roerende zaak ontstaan. Dit kan door samensmelting (twee of meer zaken, waarbij er geen als hoofdzaak kan worden aangemerkt, worden verenigd tot een nieuwe zaak) of door zaaksvorming (de waarde van de nieuw ontstane zaak wordt vooral bepaald door de verrichte menselijke arbeid; bijvoorbeeld wanneer er één zaak tot een andere wordt hervormd, wanneer uit marmer een beeld wordt gemaakt). Het gevolg is dat indien alle zaken aan dezelfde eigenaar toebehoorden, deze eigenaar ook eigenaar is van de nieuwe zaak. Indien de zaken aan verschillende eigenaars toebehoorden, zijn dezen mede-eigenaars van de nieuwe zaak. Dit gebeurt door middel van een gemeenschap waarin iedereen gerechtigds is voor een aandeel dat evenredig is aan de waarde van zijn oude zaak. Dit volgt uit art. 5:14 lid 2 en 5:16 BW. Voor zaaksvorming geldt hier een uitzondering op. Indien iemand voor zichzelf een nieuwe zaak vormt of doet vormen uit of mede uit zaken die niet van hem zijn, wordt hij zelf eigenaar van de nieuwe zaak (Art. 5:16 lid 2 BW).

Wat houdt oneigenlijke vermenging in?

Er kan sprake zijn van oneigenlijke vermenging als roerende zaken met andere roerende zaken verenigd worden en daardoor niet meer individualiseerbaar zijn. Het verschil met samensmelting en vermenging is dat er hierbij geen nieuwe zaak ontstaat. Bewijzen van wie welke zaak was, wordt eigenlijk onmogelijk. De houder van het geheel zal dan als eigenaar worden aangemerkt wanneer hij de wettelijke vermoedens van art. 3:109 en 3:119 voor zich inroept. Het tegenbewijs is op praktische gronden uitgesloten.

Welke regeling kent de vruchttrekking?

Voor hun afscheiding zijn natuurlijke vruchten bestanddelen, daarna worden ze zelfstandige zaken (art. 3:9 lid 4 BW). Eigenaar wordt dan degene die op grond van zijn genotsrecht op de zaak gerechtigd is tot de vruchten (art. 5:17), in beginsel is dat de eigenaar van de zaak zelf (art. 5:1 lid 3 BW). Maar de vruchten kunnen ook toekomen aan degene die een beperkt genotsrecht op de zaak heeft (vruchtgebruiker art. 3:216, erfpachter 5:90), de bezitter van de zaak mits hij te goeder trouw is (3:120) en degene die een persoonlijk genotsrecht heeft tot de zaak.

Hoe verliest iemand zijn eigendom?

Een eigenaar kan zijn eigendomsrecht verliezen doordat een ander de eigendom verwerft (door verjaring, overdracht, vinderschap) of doordat het eigendomsrecht verdwijnt door het tenietgaan van de zaak, het feit dat de zaak bestanddeel wordt van een andere zaak, de eigenaar afstand doet van de eigendom van een roerende zaak of het verlies van de eigendom van dieren (art. 5:19 BW).

Wat houdt mandeligheid in?

Wat is mandeligheid?

Mandeligheid is neergelegd in artikel 5:60 e.v. BW en is een vorm van mede-eigendom en daarmee ook een vorm van gemeenschap. De bepalingen over gemeenschap in boek 3 zijn ook van toepassing in geval van mede-eigendom, tenzij daarvan wordt afgeweken in boek 5.

Bijzonderheden van mandeligheid:

  • Het ziet op mede-eigendom van onroerende zaken; de mede-eigenaren van de mandelige zaak zijn ieder eigenaar van een erf (gemeenschap in de zin van 3:166 BW ziet op goederen).

  • Mede-eigendom is een afhankelijk recht en kan niet los van de eigendom van het erg worden overgedragen. Een uitzondering geldt voor de overdracht aan de andere mede-eigenaren, artikel 5:66 lid 1 BW.

  • Een vordering tot verdeling van een mandelige zaak is uitgesloten (art. 5:63 lid 2 BW).

Hoe komt mandeligheid tot stand?

Mandeligheid kan van rechtswege ontstaan (art. 5:62 BW) of doordat tussen eigenaren van twee of meer erven een notariële akte wordt opgemaakt en ingeschreven in de openbare registers. De vereisten hiervoor staan in art. 5:60 BW.

Wat zijn appartementsrechten?

Wat is een appartementsrecht?

Ten slotte zijn in artikel 5:106 e.v. BW de appartementsrechten neergelegd. De eigenaar van een gebouw, met de daarbij behorende grond, is bevoegd om zijn eigendomsrecht te splitsen in een aantal appartementsrechten. In geval van splitsing van grond kan men denken aan parkeerplaatsen. Voor splitsing dient men een notariële akte op te maken en in te schrijven in de openbare registers. In deze splitsingsakte moet een reglement zijn opgenomen, waarin onder meer de oprichting en statuten van een Vereniging van Eigenaars moet zijn opgenomen (art. 5:111-112 BW).

Verkrijging van een appartementsrecht heeft als gevolg dat er een gemeenschap ontstaat tussen de appartementseigenaars en men verkrijgt het exclusieve gebruiksrecht van bepaalde gedeelten van het gebouw en de grond.

Stampvragen

Vraag 1

Welke twee kenmerken heeft eigendom?

Vraag 2

Welk gevolg heeft natrekking door de grond voor het eigendomsrecht van het object op deze grond?

Vraag 3

Op welke drie manieren kan een eigenaar zijn eigendomsrecht handhaven?

Wat zijn beperkte rechten? - Chapter 15

Wat is een beperkt recht?

Een beperkt recht wordt afgeleid uit een meer omvattend recht, dat is bezwaard met een beperkt recht, aldus artikel 3:8 BW. De beperkte rechten uit Boek 3 kunnen rusten op alle goederen, maar de beperkte rechten uit Boek 5 kunnen alleen rusten op (onroerende) zaken.

Er is een onderscheid te maken tussen:

  • Gebruiksrechten, die de rechthebbende het genot en gebruik van een goed verschaffen waarop het beperkte recht rust. Erfpacht en opstal zijn gebruiksrechten op onroerende zaken en vruchtgebruik kan rusten op alle goederen.

  • Zekerheidsrechten, die de rechthebbende de bevoegdheid geven om het goed (waarop het beperkte recht rust) te verkopen, om zo uit de opbrengst met voorrang zijn geldvordering te voldoen. Er bestaat het pandrecht op niet-registergoederen en recht van hypotheek op registergoederen.

Hoe onstaan beperkte rechten, hoe gaan ze teniet en hoe worden ze overgedragen?

Hoe komt een beperkt recht tot stand?

Een beperkt recht kan ontstaan door:

  1. Vestiging. In beginsel zijn hierop de eisen van toepassing die gelden voor overdracht van het goed zelf (art. 3:98 BW), dus: geldige titel, beschikkingsbevoegdheid, goederenrechtelijke overeenkomst van vestiging en vestigingsformaliteiten (art. 3:89-91 en 3:94-95 BW).

  2. Verkrijgende verjaring (art. 3:99 BW). Bezit te goeder trouw van een beperkt recht op een roerende zaak leidt na drie jaar tot verkrijging van het beperkte recht; bezit te goeder trouw van een beperkt recht op andere goederen leidt na tien jaar tot verkrijging van het beperkte recht. In geval van bezit te kwader trouw verkrijgt men pas op het moment van extinctieve verjaring van de rechtsvordering (art. 3:105 j. 3:306 BW, 20 jaar).

Hoe wordt een beperkt recht overgedragen?

De vereisten voor overdracht van een beperkt recht zijn neergelegd in artikel 3:98 BW. Van toepassing zijn de vereisten die gelden voor de overdracht van het goed zelf, namelijk: geldige titel, beschikkingsbevoegdheid, levering (goederenrechtelijke overeenkomst + leveringsformaliteiten). Sommige beperkte rechten zijn tegelijk ook afhankelijke rechten. Deze afhankelijke rechten zijn zelf niet overdraagbaar, maar gaan mee over wanneer het recht waaraan zij is verbonden overgaat naar een ander (art. 3:82 BW). Is een beperkt recht afhankelijk van een registergoed en wordt het registergoed overgedragen, dan gaat het beperkte recht mee over zonder dat hiervan in de openbare registers melding hoeft te worden gemaakt. Inschrijving is echter wel mogelijk.

Wanneer gaat een beperkt recht teniet?

Een beperkt recht kan op een aantal manieren tenietgaan (art. 3:81 lid 2 BW):

  1. Door het tenietgaan van het recht waaruit het beperkte recht is afgeleid.

  2. Door het verstrijken van een ontbindende termijn of vervullen van een ontbindende voorwaarde. Een voorbeeld uit de wet is artikel 3:203 lid 2 BW.

  3. Door afstand te doen van het beperkte recht. Dit gebeurt weer op de wijze van artikel 3:98 BW.

  4. Door vermenging. Het beperkte recht en het moederrecht komen in handen van dezelfde persoon.

  5. Door opzegging. Dit is een eenzijdige rechtshandeling van de beperkt- of hoofdgerechtigde en is in beginsel vormvrij. Opzegging is alleen mogelijk als de bevoegdheid bij wet of vestiging van het beperkte recht is toegekend.

  6. Manieren die niet in artikel 3:81 BW zijn genoemd: verjaring, bescherming van een derde tegen het beperkte recht bij verkrijging, bij executoriale verkoop (als het beperkte recht niet tegen de ander kan worden ingeroepen) en afhankelijke beperkte rechten gaan teniet door het tenietgaan van het recht waaraan zij zijn verbonden (art. 3:7 BW).

Wat is er geregeld omtrent de beperkte rechten en de derdenbescherming?

In welke gevallen speelt de derdenbescherming ook bij beperkte rechten?

De bepalingen van derdenbescherming (art. 3:86 en 3:88 BW) kunnen ook van toepassing zijn ingeval van beperkte rechten. Daarbij moet wel een onderscheid worden gemaakt tussen drie soorten conflicten die kunnen ontstaan:

  • Een eerder volledig recht tegenover een later beperkt recht. A is rechthebbende, maar B vestigt op het goed een beperkt recht ten gunste van C. Ten eerste geldt dat C geen geldig beperkt recht verkrijgt, omdat B beschikkingsonbevoegd was (A is immers de eigenaar). C kan dan proberen een beroep te doen op 3:86 en 3:88 BW.

  • Een eerder beperkt recht tegenover een later volledig recht. B is rechthebbende van een goed, waarop een beperkt recht rust ten gunste van A. Vervolgens draagt B het goed over aan C. Hier geldt dat het beperkte rust blijft rusten op het goed. C kan een beroep doen op 3:86 BW. Als aan de vereisten wordt voldaan, dan vervalt het beperkte recht op het goed. Een beroep op artikel 3:88 BW is hier niet mogelijk.

  • Een eerder beperkt recht tegenover een later beperkt recht. B vestigt op een goed een beperkt recht ten gunste van A en vervolgens een tweede beperkt recht ten gunste van C. Hier geldt de prioriteitsregel: het oudere beperkte recht gaat voor het jongere. C kan alleen een beroep doen op artikel 3:86 BW. Er is echter sprake van beperkte beschikkingsbevoegdheid. Mocht aan de overige vereisten worden voldaan, dan vervalt niet het beperkte recht maar is er sprake van rangwisseling (het latere recht gaat nu voor het eerste recht).

De bescherming van een derdepandhouder is afzonderlijk geregeld in artikel 3:238-239 BW.

Stampvragen

Vraag 1

Op welke wijzen wordt een eigenaar in zijn bevoegdheden beperkt? Noem een voorbeeld.

Vraag 2

Op welke wijzen wordt eigendom verkregen? Maak hierbij een onderscheid tussen roerende en onroerende zaken.

Vraag 3

Op welke wijzen gaat het eigendomsrecht verloren? Noem er 5.

Vraag 4

Wat is een beperkt recht?

Vraag 5

Wat zijn gebruiksrechten en zekerheidsrechten?

Vraag 6

Hoe ontstaat een beperkt recht?

Vraag 7

Hoe wordt een beperkt recht overgedragen?

Vraag 8

Op welke wijzen gaat een beperkt recht teniet?

Wat zijn (beperkte) gebruiksrechten? - Chapter 16

Wat houdt erfdienstbaarheid in?

Wat is een erfdienstbaarheid?

Dit is een last waarmee een onroerende zaak (dienende erf) is bezwaard ten behoeve van een andere onroerende zaak (heersende erf), zoals bijvoorbeeld het recht van overpad (art. 5:70). Het gaat hier om een beperkt recht, maar ook om een afhankelijk recht. Bij vestiging kan de eigenaar van het heersende worden verplicht tot (periodieke) betaling van een geldsom (art. 5:70 lid 2 BW) en deze verplichting zal overgaan op de volgende eigenaren.

Welke inhoud heeft de last?

De last kan alleen bestaan uit een dulden of een niet doen. Een last kan niet bestaan in een verplichting om rechtshandelingen te verrichten, te dulden of na te laten. Een last kan in principe ook niet bestaan in een verplichting om te doen. Hierop bestaan twee uitzonderingen en die zijn opgenomen in art. 5:71 BW. Alleen de in dit artikel opgenomen verplichtingen kunnen tot de inhoud van de erfdienstbaarheid gemaakt worden en daardoor goederenrechtelijk effect verkrijgen. Andere verplichtingen hebben slechts verbintenisrechtelijke werking.

Wat is het verloop van een erfdienstbaarheid?

Artikel 5:72 BW geeft aan hoe een recht van erfdienstbaarheid kan ontstaan (vestiging en verjaring). Het recht is niet zelfstandig overdraagbaar, maar afhankelijk van de eigendom van het heersende erf.

Het recht kan tenietgaan op de manieren van 3:81 lid 2 en 3:7 BW, maar ook door rechterlijke opheffing (art. 5:78-81 BW). Hiervoor is wel een vordering vereist van de eigenaar van het dienende erf op grond van een reden genoemd in artikel 5:78 of 5:79 BW.

De inhoud van een erfdienstbaarheid kan worden gewijzigd, op vordering van de eigenaar van het heersend erf, wanneer uitoefening door onvoorziene omstandigheden onmogelijk is geworden of het belang bij de uitoefening aanzienlijk is verminderd.

Wat houdt erfpacht in?

Wat is erfpacht?

Dit is een beperkt zakelijk recht dat de erfpachter de bevoegdheid geeft de onroerende zaak van een ander te houden en te gebruiken, art. 5:85 lid 1 BW. Bij vestiging kan de erfpachter wel de verplichting opgelegd krijgen tot het betalen van een geldsom (art. 5:85 lid 2 BW).

Wat is het verloop van een erfpachtrecht?

Erfpacht kan ontstaan door vestiging (art. 3:98 j. 3:89 BW) of door verjaring (art. 3:99 j. 3:105 BW). Overdracht gaat op dezelfde wijze als voor vestiging van erfpacht. Erfpacht gaat teniet op de manieren genoemd in artikel 3:81 lid 2 BW, maar er geldt wel een uitzondering voor opzegging, dit dient bij exploit te geschieden (art. 5:88 lid 1 BW). Erfpacht gaat daarnaast niet teniet door het verstrijken van een in de leveringsakte gestelde termijn, wanneer stilzwijgende verlenging plaatsvindt (art. 5:86, 5:98 BW). Tot slot is rechterlijke opheffing mogelijk op grond van onvoorziene omstandigheden (art. 5:97 BW).

Wat houdt opstal in?

Wat is een opstalrecht?

Dit is een beperkt zakelijk recht om in, op of boven een onroerende zaak van een ander (eigenaar) gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen, art. 5:101 lid 1 BW. Het opstalrecht kan gevestigd worden onder de verplichting van de opstaller om aan de eigenaar een geldsom, de retributie, te betalen (art. 5:101 lid 3 BW). Een aantal bepalingen van erfpacht zijn ook op opstal van overeenkomstige toepassing (art. 5:104 BW). Opstal kan een zelfstandig beperkt recht zijn of een afhankelijk beperkt recht. Het zelfstandige recht is overdraagbaar (art. 3:98 j. 3:89 BW), maar het afhankelijke recht volgt het recht waaraan het is verbonden.

Wie is eigenaar van een opstal?

Opstal zorgt voor een doorbreking van artikel 5:20 BW (eigenaar van de grond is ook eigenaar van de daarmee duurzaam verenigde gebouwen en werken). Opstal heeft een horizontale scheiding van de eigendom van grond en opstal tot gevolg. De opstallen blijven onroerend, art. 3:3 BW. Het eigendomsrecht op een opstal is afhankelijk van het opstalrecht zelf: gaat het opstalrecht teniet, dan verkrijgt de eigenaar van de grond de eigendom van het opstal van rechtswege, art. 5:105 lid 1 BW. Wel heeft de opstaller het ius tollendi. Dit betekent dat hij de opstallen mag wegnemen, mits hij de onroerende zaak in haar oude toestand terugbrengt (art. 5:105 lid 2 BW).

Wat is het verloop van een opstalrecht?

Een recht van opstal ontstaat door vestiging (art. 3:98 jo. 3:89 BW) of acquisitieve verjaring (art. 3:99 en 105 BW). Het recht van opstal is overdraagbaar overeenkomstig de regels die gelden voor de overdracht van een onroerende zaak, art. 3:98 en 89 BW. Het afhankelijke recht van opstal is niet zelfstandig over te dragen, het volgt het recht waaraan het verbonden is, art. 3:82 BW. Het recht van opstal gaat teniet door de wijze genoemd in artikel 3:81 lid 2 BW, maar ook op de wijze waarop het recht van erfpacht teniet gaat (art. 5:104 lid 2 BW, mits zelfstandig recht). Het afhankelijke recht van opstal gaat teniet op de wijzen waarop een afhankelijk recht teniet gaat, art. 3:7 BW.

Nummer 249 is vervallen.

Wat houdt vruchtgebruik in?

Wat is een vruchtgebruik?

Vruchtgebruik ziet op alle goederen en is daarom geplaatst in Boek 3. Dit is een beperkt recht dat de vruchtgebruiker het recht geeft om goederen die aan een ander toebehoren te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten, art. 3:201 BW. Vruchtgebruik ziet op de onderworpen goederen zelf, maar ook op hetgeen genoemd in art. 3:213 BW.

Wat is het verloop van een vruchtgebruik?

Vruchtgebruik ontstaat door vestiging (art. 3:98 BW, formaliteiten afhankelijk van het goed) of door verjaring (art. 3:99 en 105 BW). Overdracht gaat ook via artikel 3:98 BW en het recht gaat teniet op de wijze waarop een beperkt recht teniet gaat (art. 3:81 lid 2 BW) of bij de dood van de vruchtgebruiker (art. 3:203 lid 2 BW).

Welke bevoegdheden en verplichtingen kent de vruchtgebruiker?

Art. 3:207 BW geeft aan wat de rechten zen verplichtingen zijn van de vruchtgebruiker. De hoofdverplichting is daarbij het in acht nemen van de zorg van een goed vruchtgebruiker (art. 3:207 lid 3 BW). Bij het einde van het vruchtgebruik bestaat er de verplichting tot het teruggeven van de goederen.

Welke twee speciale vormen van vruchtgebruik kent art. 3:226 BW?

In artikel 3:226 BW zijn twee bijzondere vormen van een inhoudelijk beperkt vruchtgebruik op zaken neergelegd, namelijk: recht van gebruik en recht van bewoning. Deze rechten hebben in dat geval een persoonlijk karakter en zij kunnen dan ook niet worden vervreemd of bezwaard, art. 3:226 lid 4 BW. Voor het overige zijn de regels omtrent vruchtgebruik van overeenkomstige toepassing, art. 3:226 lid 1 BW.

Stampvragen

Vraag 1

Wat is erfdienstbaarheid?

Vraag 2

Hoe ontstaat een recht van erfdienstbaarheid?

Vraag 3

Is een recht van erfdienstbaarheid overdraagbaar? Zo nee, waarom niet?

Vraag 4

Hoe gaat een recht van erfdienstbaarheid teniet?

Vraag 5

Wat is erfpacht?

Vraag 6

Hoe ontstaat erfpacht en op welke wijzen gaat het teniet?

Vraag 7

Wat is een opstalrecht?

Vraag 8

Welke gevolgen heeft een opstalrecht voor de natrekking door de grond?

Vraag 9

Hoe ontstaat een recht van opstal en op welke wijzen gaat het teniet?

Vraag 10

Hoe wordt een recht van opstal overgedragen?

Vraag 11

Wat is vruchtgebruik?

Vraag 12

Hoe ontstaat een recht van vruchtgebruik en op welke wijzen gaat het teniet?

Wat zijn (beperkte) zekerheidsrechten en het verhaalsrecht? - Chapter 17

Wat is in de titels 3.9 en 3.10 geregeld?

De goederenrechtelijke zekerheidsrechten pand en hypotheek zijn geregeld in titel 3.9. zij zijn in het derde boek geplaatst omdat zij zowel op zaken als op vermogensrechten kunnen rusten.

Titel 3.10 ziet op verhaalsrechten op goederen. Deze bepalingen zijn mede van belang bij het verhaal krachtens pand en hypotheek. De regels van titel 3.10 zien slechts op de mogelijkheid tot en de rangorde bij verhaal. De wijze waarop een verhaalsrecht wordt uitgeoefend blijkt voor pand en hypotheek uit titel 3.9 en voor de overige rechten uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet.

Wat houden pand en hypotheek in?

Wat karakteriseert pand en hypotheek?

Hypotheek en pand zijn beperkte rechten die ertoe strekken om op de bezwaarde goederen een geldvordering te verhalen, met voorrang boven andere schuldeisers (art. 3:227 lid 1 BW). Hypotheek kan echter alleen worden gevestigd op registergoederen; pandrecht wordt gevestigd op alle andere goederen. Voorwaarde is wel dat de bezwaarde goederen overdraagbaar zijn, dit in verband met een eventuele executie. Hypotheek en pandrecht zijn beperkte, afhankelijke en nevenrechten en daarnaast ook zekerheidsrechten (zekerheid tot voorrang bij verhaal). Dit heeft tot gevolg dat pand en hypotheek mee gaan met de vordering of teniet gaan (art. 3:7, 3:82, 6:142 BW). De rechten van pand en hypotheek zijn ondeelbaar. Zij kunnen zowel voor een bestaande als voor een toekomstige vordering worden gevestigd (art. 3:231 lid 1). Doordat pand en hypotheek zekerheidsrechten zijn, geven zij voorrang bij verhaal op het verbonden goed (art. 3:227 lid 1 BW).

Is substitutie mogelijk bij pand en hypotheek?

Als een goed is onderworpen aan een pand of hypotheek, dan kan daar een vergoedingsvordering voor in de plaats komen, art. 3:229 BW. Deze vordering wordt dan direct van rechtswege belast met een pandrecht (art. 3:227 BW; hypotheek kan immers niet op een vordering). De betaling van de koopprijs is geen vergoedingsvordering. Dit van rechtswege ontstane ‘stille’ pandrecht gaat boven ieder ander- bij voorbaat of later- op de vergoedingsvordering gevestigd pandrecht, art. 3:229 lid 2 BW.

Wat houdt het pandrecht in?

Welke begrippen kent het pandrecht?

De pandgever is degene die het pandrecht op zijn goed verleent, de pandhouder is degene die het recht op het goed van de ander verkrijgt.

Welke vereisten kent het pandrecht?

Een pandrecht kan worden gevestigd op alle overdraagbare goederen die geen registergoed zijn. Voor vestiging gelden de volgende vereisten (art. 3:98 jo. 3:84 lid 1 BW): geldige titel, beschikkingsbevoegde pandgever en vestiging (goederenrechtelijke vestigingsovereenkomst en vestigingshandeling).

Welke mogelijkheden voor vestigingshandelingen zijn er bij pand op roerende zaken?

Er zijn twee mogelijkheden als het gaat om roerende zaken:

  • Vuistpand (art. 3:236 lid 1 BW): de vestigingshandeling is het brengen van de zaak in de macht van de pandhouder.

  • Stil pand (art. 3:237 lid 1 BW): de vestigingshandeling geschiedt door een authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder dat de pandgever de macht over het goed verliest.

Een vuistpand kan geen stil pand worden door de zaak weer in de macht van de pandgever te brengen. In plaats daarvan eindigt het pandrecht (art. 3:258 lid 1 BW). Men kan wel van een stil pandrecht gaan naar een vuistpand door afgifte van de zaak te vorderen (art. 3:237 lid 3 BW).

Welke vestigingshandelingen zijn mogelijk bij pand op vorderingen op naam?

Bij pand op vorderingen op naam zijn er ook twee mogelijkheden, namelijk:

  • Openbaar pand (art. 3:236 lid 2 jo. 3:94 lid 1 BW): vereist is een authentieke of onderhandse akte en een mededeling aan de debiteur.

  • Stil pand (art. 3:239 lid 1 jo. 3:94 lid 3 BW): vereist is een authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling aan de debiteur. Hierbij moet de pandgever aangeven in hoeverre hij tot de vestiging van het pandrecht bevoegd is.

Een stil pandrecht kan openbaar worden door mededeling aan de debiteur (art. 3:239 lid 3 BW).

Welke vestigingshandelingen zijn er mogelijk bij pand op andersoortige goederen?

De regels met betrekking tot roerende zaken gelden ook voor pandrecht op toondervorderingen, vruchtgebruik op toondervorderingen en vruchtgebruik op roerende zaken. Vuistpand en endossement gelden ook voor ordervorderingen en vruchtgebruik hierop. De bepalingen inzake vorderingen op naam gelden ook voor het pandrecht op het vruchtgebruik op vorderingen op naam.

Is pandrecht om toekomstige goederen mogelijk?

Een pandrecht kan ook bij voorbaat worden gevestigd op toekomstige goederen (art. 3:98 jo. 3:97 BW) in afwachting van de beschikkingsbevoegdheid van de pandgever. Als de pandgever nog niet de feitelijke macht kan verschaffen aan de pandhouder of de debiteur van de vordering is nog niet bekend, dan is slechts stil pand mogelijk. Zolang de debiteur van de toekomstige vordering op naam nog niet bekend is, kan slechts stil pandrecht worden gevestigd. Voor stille verpanding van vordering op naam geldt bovendien de inperking van art. 3:239 lid 1 BW. Vestiging van een stil pandrecht is alleen toegestaan op een reeds bestaande (tegenwoordige) vordering of op een (toekomstige) vordering die rechtstreeks zal worden verkregen uit een reeds bestaande rechtsverhouding.

Kent het pand ook derdenbescherming?

Er zijn bij pandrecht verscheidene bepalingen die een derde beschermen, welke hieronder zullen worden besproken.

Hoe wordt vuistpand beschermd?

Artikel 3:238 BW geeft een speciale regel voor vuistpand op roerende zaken (stil pand wordt niet beschermd!). Vereist is dat aan alle vestigingsvereisten wordt voldaan, behalve aan de beschikkingsbevoegdheid; het goed komt in de macht van de pandhouder en de pandhouder is op dat moment te goeder trouw. Als de pandgever volledig beschikkingsonbevoegd was, dan is het pandrecht toch geldig gevestigd. Indien de eigenaar het bezit van de zaak door diefstal verloor, kan hij haar nog gedurende drie jaren vrij van pandrecht opeisen (art. 3:238 lid 3 jo. 3:86 lid 3 BW). Was de pandgever beperkt beschikkingsbevoegd, dan vindt er rangwisseling plaats en gaat het pandrecht boven het oudere recht.

Welke bescherming kent een openbaar pand?

Bij een vordering op naam kan men een beroep doen op artikel 3:88 jo. 3:239 lid 4 BW. Ook hier wordt stil pandrecht niet beschermd. Er moet zijn voldaan aan alle vereisten van beide artikelen. Dit komt erop neer dat de verpanding direct (openbaar pand) of later (aanvankelijk stil pand) aan de debiteur moet zijn meegedeeld. Ook moet de pandhouder op het moment van de mededeling te goeder trouw zijn. De eisen van art. 3:88 gelden daarbij ook nog steeds.

Welke bevoegdheden heeft een pandhouder?

Een pandhouder heeft enkele belangrijke bevoegdheden:

  • Het recht van parate executie: de pandhouder kan het goed executeren zonder dat daarvoor een executoriale titel en beslag is vereist.

  • Separatisme bij faillissement: de pandhouder kan zich verhalen op de zaak alsof er geen sprake is van faillissement (art. 57 lid 1 Fw).

  • Voorrang bij verhaal (art. 3:278 BW).

  • Verandering van de aard van het pandrecht (bv. van stil pand naar vuistpand). Dit mag alleen in twee gevallen: de pandgever schiet tekort in zijn verplichtingen of er is goede grond om te vrezen dat hij in zijn verplichtingen zal tekortschieten.

  • Bij pandrecht op een vordering: nakoming vorderen en betaling ontvangen; opzegging als daardoor de vordering opeisbaar wordt. Dit geldt alleen voor openbare pandrechten.

  • Herverpanding, mits deze bevoegdheid ondubbelzinnig aan de pandhouder is toegekend (art. 3:242 BW).

Welke vorm is vereist voor verhaal?

Als hoofdregel geldt de openbare verkoop (art. 3:250 lid 1 BW). Op deze hoofdregel kunnen zich echter vier uitzonderingen voordoen:

  1. Er is een afwijkende vorm van verkoop dankzij een rechterlijke machtiging.

  2. Door een overeenkomst tussen pandgever en pandhouder is er een afwijkende vorm van verkoop.

  3. Executie volgens hypotheekregels (art. 3:254 BW), mits aan de volgende vereisten is voldaan: een roerende zaak welke in stil pand is gegeven; de zaak is zelfstandig, maar een hulpzaak; voor dezelfde vordering is pand gevestigd op de roerende hulpzaak en hypotheek op de onroerende zaak en de gezamenlijke executie is volgens de hypotheekregels tussen partijen overeengekomen.

  4. Executie van een uit geld bestaand pand (art. 3:255 BW). Hij is hierbij gebonden aan de regels die gelden voor de verdeling van de opbrengst van een andersoortig pand (art. 3:255 lid 1 jo. 3:253).

Hoe ver strekt de executiebevoegdheid?

Het pandrecht strekt tot zekerheid voor de geldvordering tot zekerheid waarvan het werd gevestigd (art. 3:227 lid 1 BW). Ook strekt het tot zekerheid voor de krachtens wet of overeenkomst verschuldigde rente, met een maximum van drie jaren (tenzij anders overeengekomen, art. 3:244 BW). Tot slot strekt het tot zekerheid voor kosten tot behoud en onderhoud van het pand, door de pandhouder uit hoofde van zijn zorgplicht gemaakt (art. 3:243 lid 2 BW).

Voorwerp van executie is het goed zelf en bij zaken inclusief alle bestanddelen (art. 3:227 lid 2 BW). Executie is mogelijk ondanks dat er op het goed beslag is gelegd of er een jonger beperkt recht op rust (prioriteitsregel). Oudere beperkte rechten waartegen de pandhouder wordt beschermd staan ook niet aan de executie in de weg. Beperkte rechten die niet aan andere pandhouders of beslagleggers kunnen worden tegengeworpen houden de executie ook niet tegen, mits zij mededelen te verlangen dat de executie vrij van deze rechten zal geschieden (vgl. 458 lid 2 Rv).

Hoe wordt de opbrengst verdeeld?

Voor de verdeling van de opbrengst geldt dat de pandhouder de koopprijs ontvangt en de executiekosten daarvan voldoet (art. 3:253 BW). Als er geen andere gerechtigden zijn, dan wordt het overschot van de netto-opbrengst uitgekeerd aan de pandgever. Als er nog andere gerechtigden zijn, dan wordt het overschot verdeelt als betrokkenen hierover overeenstemming bereiken. Als er geen overeenstemming bestaat, dan stort de pandhouder het overschot van de opbrengst bij een bewaarder. Ten overstaan van de rechter-commissaris vindt de verdeling plaats.

Welke verplichtingen heeft de pandhouder?

De voornaamste verplichtingen van de pandhouder zijn:

  • Bij het vuistpand: als een goed pandhouder voor de zaak zorg dragen, art. 3:243 lid 1 BW. Bij ernstig tekortschieten kan de rechter afgifte van de zaak bevelen, art. 3:257 BW.

  • De uitkering van het overschot van de opbrengst na een executoriale verkoop, art. 3:253 BW.

  • Bij tenietgaan van het pandrecht de feitelijke macht weer aan de pandgever doen toekomen (art. 3:256 BW).

Op welke wijze gaat een pandrecht teniet?

Een pandrecht kan tenietgaan op de manieren waarop een beperkt en afhankelijk recht tenietgaan (art. 3:81 lid 2 resp. 3:7 BW), door uitoefening van de executiebevoegdheid en bij vuistpand doordat het goed weer in de macht van de pandgever komt (art. 3:258 lid 1 BW).

Wat houdt het recht van hypotheek in?

Welke termen zijn van toepassing bij hypotheek?

Een hypotheekgever is degene die een hypotheek op zijn goed verleent en de hypotheekhouder is degene die het recht van hypotheek verkrijgt op het goed van de ander.

Welke vereisten gelden voor vestiging van hypotheek?

Hypotheek kan worden gevestigd op alle overdraagbare registergoederen. Vereisten voor vestiging zijn:

  • Geldige titel (bv. Geldlening).

  • Beschikkingsbevoegdheid bij de hypotheekgever (hypotheekhouder kan beroep doen op de bescherming van artikel 3:88 BW).

  • Vestiging: goederenrechtelijke overeenkomst + formaliteiten (opgemaakte notariële akte die ingeschreven wordt in de openbare registers, art. 3:260 BW).

Een hypotheek op toekomstige goederen is niet mogelijk, maar het kan wel worden gevestigd op een stuk grond waarop nog een huis moet worden gebouwd.

Wat dient te zijn opgenomen in een hypotheekakte?

In de notariële (hypotheek)akte moet op straffe van ongeldigheid het volgende worden opgenomen:

  1. De goederenrechtelijke overeenkomst van vestiging.

  2. Het bedrag waarvoor de hypotheek wordt verleend moet worden vermeld.

  3. De geldvordering moet worden aangeduid.

  4. Indien een gevolmachtigde optreedt bij de hypotheekakte: een vermelding van de volmacht.

Bovendien dienen de kadastrale nummers te worden vermeld. Als dit niet gebeurt weigert de bewaarder der openbare registers inschrijving.

Wat is een huurbeding?

In een hypotheekakte kunnen ook een aantal bedingen worden opgenomen. Een voorbeeld van zo’n beding is het huurbeding. Dit huurbeding kan de hypotheekgever zijn bevoegdheid om het goed te verhuren of verpachten zonder toestemming van de hypotheekhouder ontnemen. Ook kan de bevoegdheid het goed op bepaalde wijze of voor een zekere tijd te verhuren of verpachten, de bevoegdheid vooruitbetaling van huur- of pachtpenningen te bewerkstellingen of het recht op huur- of pachtpenningen te vervreemden of verpachten de hypotheekgever worden ontnomen.

Wie kan een huurbeding inroepen?

Een huurbeding kan worden ingeroepen door de hypotheekhouder of de veilingverkoper in geval van executie. Het huurbeding kan echter niet worden ingeroepen als de ruimte al was verhuurd op het moment dat de hypotheek werd gevestigd (art. 3:264 lid 4 BW). De inroeping hiervan bewerkstelligt dat de met het beding strijdige rechtshandelingen worden vernietigd. Het verleent ook een voorrangsrecht aan de huurder of pachter die door de vernietiging zijn recht verliest. Hij kan zijn schadevergoedingsvordering op de netto-opbrengst van het geëxecuteerde goed verhalen met voorrang (art. 3:246 lid 7 BW).

Wat is de rangorde van hypotheekrechten?

Het is mogelijk dat op één registergoed meerdere hypotheken worden gevestigd. De rangorde wordt dan bepaald door de minuut van inschrijving: de oudste inschrijving gaat voor (art. 3:18 en 3:21 lid 1 BW). Als de hypotheken tegelijk worden ingeschreven, dan is het moment van opstellen van de hypotheekakte beslissend.

Welke bevoegdheden kent een hypotheekhouder?

Ook de hypotheekhouder heeft belangrijke bevoegdheden. Deze komen overeen met die van de pandhouder:

  • Recht van parate executie (art. 3:268 BW).

  • Separatisme bij faillissement (art. 57 lid 1 Fw).

  • Voorrang bij verhaal (art. 3:278 BW).

  • Bevoegdheden die voortvloeien uit een eventueel opgenomen beding.

In welke vorm dient verhaal plaats te vinden?

Als hoofdregel geldt ook hier openbare verkoop (art. 3:268 lid 1 BW). Andere manieren van verhaal zijn niet mogelijk (lid 5). Hoewel er toch een uitzondering wordt gegeven: dankzij een rechterlijke machtiging is onderhandse verkoop mogelijk (lid 2).

Hoe groot is de reikwijdte van de executiebevoegdheid?

Het hypotheekrecht strekt tot zekerheid voor de geldvordering tot zekerheid waarvan het werd gevestigd (art. 3:227 lid 1 BW). Het strekt ook tot zekerheid voor de krachtens de wet verschuldigde rente, met een maximum van drie jaren (tenzij anders bedongen, art. 3:263 BW).

Bij de executie vervallen (art. 3:273 lid 1 BW):

  • Alle op het goed gelegde beslagen.

  • Alle op het goed rustende beperkte rechten, mits het gaat om jongere rechten of oudere rechten waartegen de hypotheekhouder wordt beschermd.

  • Alle andere hypotheekrechten.

  • Beperkte rechten die niet tegen andere hypotheekhouders of beslagleggers kunnen worden ingeroepen, mits zij verlangen dat de executie vrij van deze beperkte rechten zal plaatsvinden (art. 517 lid 2 Rv).

De rechten en beslagen vervallen niet gelijk bij de levering aan de veilingkoper. Voor het verval is vereist dat het goed aan de koper is geleverd en dat de koper de koopprijs voldoet (art. 3:273 lid 1 BW). Dit wordt zuivering genoemd.

Hoe wordt de opbrengst verdeeld?

Na de openbare verkoop moet de koopprijs worden gestort bij de notaris (art. 3:270 BW). De notaris voldoet de executiekosten en verdeelt vervolgens de netto-opbrengst. De verdeling ziet er bijna hetzelfde uit als bij pand. Hier ontbreekt echter voor de hypotheekhouder de mogelijkheid tot verrekening van de overige schulden van de hypotheekgever, omdat de hypotheekhouder niet zelf de opbrengst verdeelt.

Wat houdt de zuivering uit art. 3:273 BW in?

Bij de executie vervallen alle beslagen, beperkte rechten die niet kunnen worden ingeroepen tegen de verkoper en alle hypotheken. Verval is pas aan de orde indien aan de twee vereisten van art. 3:273 lid 1 BW is voldaan.

Hoe gaat het recht van hypotheek teniet?

Een hypotheekrecht gaat teniet op de manieren die gelden voor beperkte en afhankelijke rechten en daarnaast bij executie door middel van zuivering.

Wat houdt het verhaalsrecht op goederen in?

Op welke goederen van de schuldenaar kan iemand zich verhalen?

Als de schuldenaar zijn verplichtingen niet nakomt, dan kan de schuldeiser een verbintenisrechtelijke actie instellen, maar de schuldeiser kan ook kiezen voor verhaal op het vermogen van de schuldenaar. In beginsel kan de schuldeiser zijn vordering op alle goederen van de schuldenaar verhalen (art. 3:276 BW). Er zijn twee mogelijkheden:

  1. Executie van bepaalde goederen.

  2. Het aanvragen van het faillissement van de schuldenaar (art. 1 Fw).

Wat is het recht van executie dan wel parate executie?

Wanneer een crediteur tot executie wil overgaan, zal hij eerst een executoriale titel moeten halen. Hiermee kan de crediteur executoriaal beslag laten leggen op bepaalde goederen van de debiteur (art. 439 e.v., 502 e.v. Rv). De beslagen goederen worden door de eerste beslaglegger openbaar verkocht (art. 458, 463, 513, 519 Rv). De pand- en hypotheekhouder hebben het recht van parate executie. Dit betekent dat zij tot verkoop kunnen overgaan zonder dat zij hiervoor een executoriale titel en beslag nodig hebben (art. 3:248 lid 1, 3:268 lid 1 BW).

Hoe ver gaat deze executiebevoegdheid?

Voor de executie door de pandhouder verwijs ik naar nummer 269. Voor de executie door een hypotheekhouder verwijs ik naar nummer 280. Voor de beslaglegger geldt dat hij het goed kan executeren vrij van alle op het goed gelegde beslagen en vrij van alle beperkte rechten die niet aan de beslaglegger kunnen worden tegengeworpen. Ook kan hij executeren vrij van beperkte rechten die niet aan andere beslagleggers kunnen worden tegengeworpen, mits zij verlangen dat de executie vrij van deze rechten zal geschieden (art. 458 lid 2, 517 lid 2 Rv).

Hoe verloopt een executie door de beslaglegger?

Bij executie door een beslaglegger vindt de verkoop in het openbaar plaats, voor een deurwaarder (roerende zaken, art. 463 Rv) of voor een notaris (onroerende zaken, art.514 en 519 Rv). De koper moet dan de koopsom storten bij de deurwaarder of notaris, die vervolgens de executiekosten voldoet en de netto-opbrengst verdeelt. Indien er geen andere gerechtigden zijn voldoet de deurwaarder of notaris de executerende crediteur tot aan het beloop van zijn vordering. Een eventueel overschot wordt overgedragen aan degene wiens zaak is geëxecuteerd. Wanneer er wel andere gerechtigden zijn keert de deurwaarder of notaris overeenkomstig de overeenstemming over de verdeling uit, mits allen over de verdeling overeenstemming bereikt hebben. Wanneer er geen overeenstemming bereikt is, stort de deurwaarder of notaris de opbrengst onverwijld bij een bewaarder. De meest gerede partij kan dan de benoeming van een rechter-commissaris verzoeken, die de opbrengst met inachtneming van eens ieders voorrang zal verdelen (481, 552 Rv).

Wie zijn gerechtigd tot de opbrengst?

De opbrengst moet worden verdeeld onder:

  • De executerende schuldeiser voor het bedrag van zijn geldvordering.

  • Degenen die door de inroeping van een huurbeding een huurrecht verliezen (schadevergoedingsvordering, art. 3:264 lid 7 BW).

  • Degenen die door executie een beperkt gebruiksrecht verliezen (bv. Vruchtgebruiker).

  • Degenen die door de executie een beperkt zekerheidsrecht verliezen, bijvoorbeeld omdat dit volgt uit de wet (bij executie door de hypotheekhouder gaan alle hypotheken teniet, ongeacht rang).

  • Degenen die beslag hebben gelegd op het goed zelf.

  • Degenen die beslag hebben gelegd op de koopprijs.

Welke rangorde kent de verdeling van de opbrengst?

Bij de verdeling van de opbrengst moet een bepaalde rangorde in acht genomen worden. Als eerste worden de executiekosten voldaan. Vervolgens is de hoofdregel dat alle crediteuren een gelijke rang hebben. De netto opbrengst wordt naar evenredigheid van hun vorderingen onder hen verdeeld. Bepaalde vorderingen kunnen echter bij voorrang worden verhaald. Deze voorrang vloeit volgens art. 3:278 lid 1 BW voort uit pand en hypotheek, voorrecht en drie andere wettelijke gronden van voorrang.

In beginsel geldt dan ook de volgende rangorde:

  1. Executiekosten.

  2. Pand en hypotheek (art. 3:279 BW).

  3. Speciale voorrechten (art. 3:280 en 281 lid 1 BW), rusten op een bepaald goed.

  4. Algemene voorrechten (art. 3:280 en 281 lid 2 BW), zie artikel 3:288 BW.

  5. Concurrente vorderingen, zonder voorrang (art. 3:277 lid 1 BW).

De wet doorbreekt in sommige opzichten de hierboven gegeven rangorde. Dit gebeurt met name ten gunste van speciale privileges (art. 3:284, 3:285, 3:287 BW).

Welke voorrechten worden er onderscheiden?

We kennen bevoorrechte vorderingen op bepaalde goederen. De belangrijkste hiervan zijn de vordering wegens kosten van behoud (art. 3:284 BW), vordering van een ‘kleine ondernemer’ uit aanneming van werk (art. 3:285 BW) en de vordering tot schadevergoeding (art. 3:287). We kennen ook bevoorrechte op alle goederen betrekking hebbende vorderingen. Zij nemen rang in de volgorde waarin de wet hen plaatst. Deze opsomming is te vinden in art. 3:288 BW.

Wat is het verschil tussen een voorrecht en een beperkt zekerheidsrecht?

De voornaamste verschillen tussen pand en hypotheek enerzijds en voorrechten anderzijds zijn:

  • Hypotheek en pand zijn voorrangsrechten verleend door de debiteur. Voorrechten uitstaan uitsluitend uit de wet.

  • Hypotheek en pand zijn beperkte rechten (prioriteit en zaaksgevolg). Voorrechten zijn dit niet.

  • Hypotheek- en pandhouders zijn separatist en hebben het recht van parate executie. De bevoorrechte schuldeiser heeft deze bevoegdheden niet.

Wat is het faillissement?

Dit is een gerechtelijk beslag op het gehele vermogen van de schuldenaar, ten behoeve van zijn gezamenlijke schuldeisers. Het faillissement wordt uitgesproken door de rechtbank, op verzoek van één of meer schuldeisers, de schuldenaar zelf of het Openbaar Ministerie. Voorwaarde is wel dat de schuldenaar in een toestand verkeerd waarin hij zijn schulden niet meer betaald. De rechtbank benoemt een curator die het faillissement verder moet afwikkelen. De curator verkoopt de goederen en verdeelt de opbrengst over de schuldeisers die bij de curator een vordering hebben ingediend (met eventuele grond voor voorrang).

Welke rechtsgevolgen kent het faillissement?

Het gevolg van faillissement is dat de schuldenaar zijn beschikkingsbevoegdheid verliest, waardoor hij goederen niet meer kan vervreemden of bezwaren (art. 23 Fw). Na de faillietverklaring door de debiteur gemaakte schulden kunnen niet meer op de failliete boedel worden verhaald (art. 24 Fw). Schuldeisers moeten bij de curator een vordering indienen voor verhaal, terwijl pand- en hypotheekhouder over kunnen gaan tot openbare verkoop alsof er geen sprake was van faillissement (separatisme).

Het faillissement eindigt door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst, door een door de rechtbank gehomologeerd akkoord tussen schuldenaar en schuldeisers of door opheffing wegens te weinig baten. Na beëindiging blijft de schuldenaar voor het onbetaalde gedeelte van zijn schulden aansprakelijk, behalve in het geval van akkoord.

Wat is surseance van betaling?

In de Fw zijn twee figuren opgenomen die lijken op het faillissement. Surseance van betaling is mogelijk (art. 214 e.v. Fw). Dit is een algemeen uitstel van betaling, om zo de schuldenaar de mogelijkheid te geven om zijn financiële problemen op te lossen. Op deze manier kan misschien een faillissement worden voorkomen. De schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (art. 284 e.v. Fw) biedt natuurlijke personen die zich in financiële moeilijkheden bevinden de mogelijkheid om met een schone lei te beginnen.

Wat houdt het retentierecht in?

Wat is een retentierecht?

Bij het retentierecht (art. 3:290 BW) mag de schuldeiser de nakoming van zijn verplichting (afgifte van een zaak) opschorten totdat zijn vordering wordt voldaan door de schuldenaar. Ook op onroerende zaken is een retentierecht mogelijk, meestal in de vorm van ontruiming. Retentierecht is alleen mogelijk wanneer een bijzondere wetsbepaling het toekent of wanneer er is voldaan aan de vereisten van artikel 6:52 BW. Het retentierecht is echter anders dan het algemene opschortingsrecht, omdat het ook kan worden ingeroepen tegen derden en de schuldeiser kan op deze manier zijn vordering bij voorrang op de zaak verhalen (art. 3:292 BW). Er is echter niet de mogelijkheid van parate executie.

Wanneer kan een retentierecht worden ingeroepen?

Het retentierecht kan worden ingeroepen tegen de schuldenaar zelf of tegen zijn beslagleggende schuldeisers (6:57 jo. 6:53 BW). Maar het kan ook worden ingeroepen tegen derden die (na het ontstaan van het retentierecht) een recht op de zaak hebben verkregen.
Voor het ontstaan van het retentierecht is vereist dat de vordering van de schuldeiser is ontstaan en dat de zaak in de macht van de retentor is gekomen. Het retentierecht kan alleen worden ingeroepen tegen een derde als voldoende kenbaar is dat de retentor de feitelijke macht over de zaak uitoefent.

Het retentierecht kan ook worden ingeroepen tegen derden met een ouder recht op de zaak (art. 3:291 lid 2 BW). Maar aan hen kan de retentor zijn retentierecht alleen tegenwerpen, als zijn vordering voortvloeit uit een overeenkomst die de debiteur bevoegd was aan te gaan of uit een overeenkomst ten aanzien waarvan de retentor geen reden had om aan de bevoegdheid van de debiteur te twijfelen.

Het retentierecht kan worden uitgeoefend voor de vordering zelf of voor kosten die de retentor uit hoofde van zijn zorgplicht heeft gemaakt (art. 3:293 BW).

Heeft een retentor bij verhaal ook voorrang?

Het retentierecht is een contractenrechtelijk pressiemiddel. De retentor heeft echter ook bij verhaal een sterke positie. Hij kan zijn vordering met voorrang verhalen op de zaak, art. 3:292 BW. Hij heeft geen recht van parate executie: voor verhaal is dus een executoriale titel en een executoriaal beslag vereist.

Hoe eindigt het retentierecht?

Een retentierecht eindigt op de manieren die gelden voor opschortingsrechten, door het tenietgaan van de zaak of wanneer de zaak in de macht komt van de schuldenaar/rechthebbende (tenzij de retentor de zaak later weer onder zich krijgt, art. 3:294 BW).

Stampvragen

Vraag 1

Waartoe strekken pand en hypotheek?

Vraag 2

Op welke goederen worden hypotheek gevestigd? En pand?

Vraag 3

Hoe wordt een pandrecht gevestigd?

Vraag 4

Welke twee vormen van pandrecht zijn mogelijk bij roerende zaken?

Vraag 5

Welke twee vormen van pandrecht zijn mogelijk bij de vordering op naam?

Vraag 6

Kan een pandrecht bij voorbaat worden gevestigd op toekomstige goederen?

Vraag 7

Hoe is de derdenbescherming bij een vuistpand geregeld?

Vraag 8

Welke belangrijke bevoegdheden heeft de pandhouder?

Vraag 9

Hoe kan de pandhouder zich verhalen en hoe wordt de opbrengst verdeeld?

Vraag 10

Noem drie bedingen die kunnen worden opgenomen in een hypotheekakte.

Vraag 11

Is het mogelijk dat meerdere hypotheken worden gevestigd op één registergoed? Zo ja, wat is de rangorde?

Vraag 12

Wat wordt bedoeld met zuivering bij de hypotheek?

Vraag 13

Wat heeft een schuldeiser nodig als hij wil overgaan tot executie?

Vraag 14

Wat is de rangorde bij de opbrengst van de executieverkoop?

Vraag 15

Wat is een faillissement? Wie kunnen hiertoe een verzoek indienen?

Vraag 16

Wat is het rechtsgevolg van faillissement?

Vraag 17

Wat is een retentierecht? Tegen wie kan dit recht worden ingeroepen en welk voordeel heeft retentor?

Wat is het verbintenissenrecht? - Chapter 18

Waar is het verbintenissenrecht geregeld?

Het verbintenissenrecht is hoofdzakelijk neergelegd in Boek 6 BW. In de Boeken 7-7A en 8 BW zijn de bijzondere verbintenissen geregeld.

De artikelen van Boek 6 BW bestaan uit:

  • Artikelen die in beginsel voor alle verbintenissen gelden, ongeacht de bron waaruit zij zijn ontstaan.

  • Artikelen die alleen gelden voor verbintenissen die uit een bepaalde bron zijn ontstaan.

Wat is een verbintenis?

Verbintenissen zijn vermogensrechtelijke rechtsbetrekkingen tussen twee of meerdere personen, waarbij de schuldenaar/debiteur verplicht is tot een bepaalde prestatie jegens de schudeiser/crediteur.

Een verbintenis wordt gekenmerkt door:

  • Een verplichting van de ene partij (passieve kant van de verbintenis: de schuld).

  • Een daarmee overeenstemmend vermogensrecht van de andere partij (actieve kant van de verbintenis: het vorderingsrecht).

Het schenden van een verbintenis wordt wanprestatie genoemd, art. 6:74 BW.

Er bestaan ook verplichtingen die geen verbintenis opleveren, zoals verplichtingen tot een doen of een niet-doen. Hier staat geen vermogensrecht van een andere partij tegenover. Zij worden dan ook niet beheerst door de regels van Boek 6 BW.

Wat zijn de redelijkheid en billijkheid?

Een centraal leerstuk in het verbintenissenrecht betreft de eisen van de redelijkheid en billijkheid, art. 6:2 lid 1 BW. Schuldeiser en schuldenaar moeten zich jegens elkaar gedragen overeenkomstig deze eisen. Het leerstuk ziet op ongeschreven rechtsregels, die elke verbintenis beheersen.

De regels van ongeschreven recht hebben een tweevoudige functie:

  1. Aanvullende werking, art. 6:2 lid 1 BW. Een bestaande verbintenis wordt van rechtswege door de redelijkheid en billijkheid aangevuld. Dit betekent dat schuldeiser en schuldenaar dus ook rechten en verplichtingen hebben die uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Zij leveren een nieuwe bron van verbintenissen op.

  2. Beperkende (derogerende) werking, art. 6:2 lid 2 BW. Een bestaande verbintenis kan (deels) opzij worden gezet door de redelijkheid en billijkheid. Een tussen schuldeiser en schuldenaar geldende regel uit de wet, gewoonte of rechtshandeling wordt dan buiten toepassing gelaten, mits toepassing hiervan onaanvaardbaar zou zijn. De rechter moet zich terughoudend opstellen; alleen als toepassing van de betreffende regel onaanvaardbaar is in de gegeven omstandigheden is er plaats voor de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.

De regels van redelijkheid en billijkheid komen pas aan de orde als op een andere grond is geconstateerd dat een verbintenis bestaat. Buiten het verbintenissenrecht kan art. 6:2 BW hooguit analogisch worden toegepast.

Wanneer spreekt men van rechtsverwerking?

Als iemand een aan hem toekomend(e) recht /bevoegdheid door zijn eigen gedrag verspeelt, dan wordt er van rechtsverwerking gesproken. Rechtsverwerking is niet wettelijk geregeld, maar vloeit voort uit het leerstuk van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Een enkel tijdsverloop heeft geen rechtsverwerking tot gevolg, er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden.

Er zijn twee mogelijke gronden van rechtsverwerking:

  • De schuldeiser heeft bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat hij zijn aanspraak niet meer geldend zou maken.

  • De positie van de schuldenaar zou onredelijkheid worden verzwaard of benadeeld als de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken.

Stampvragen

Vraag 1

Wat is een verbintenis? Wat zijn de kenmerken en hoe heet het schenden van een verbintenis?

Vraag 2

Welke tweevoudige functie heeft het leerstuk van de redelijkheid en billijkheid?

Welke bijzondere overeenkomsten zijn er? - Chapter 19

Wat houdt de natuurlijke verbintenis in?

 

Wat is een natuurlijke verbintenis?

Een natuurlijke verbintenis is een rechtens niet afdwingbare verbintenis, art. 6:3 lid 1 BW. De schuldenaar heeft een verplichting en de schuldeiser heeft een daarmee overeenstemmend recht. Aan dit recht ontbreekt de rechtsvordering echter.

In een tweetal gevallen bestaat een natuurlijke verbintenis, art. 6:3 lid 2 BW:

  • Als een rechtshandeling of de wet aan een verbintenis de afdwingbaarheid onthoudt. Bijv. na verjaring van een aan een vorderingsrecht verbonden rechtsvordering.

  • Als iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving ervan als voldoening moet worden aangemerkt. Deze verplichting is echter niet rechtens afdwingbaar. Bijv. het afstaan van ontvangen steekpenningen of een morele verzorgingsplicht zonder dat er een wettelijke alimentatieplicht aanwezig is.

Welke rechtsgevolgen kent de natuurlijke verbintenis?

De artikelen uit Boek 6 BW zijn bedoeld voor de wel afdwingende verbintenissen. Deze bepalingen gelden echter ook voor natuurlijke verbintenissen, tenzij haar strekking of de wet het tegendeel meebrengt, art. 6:4 BW.

De volgende bepalingen zijn niet toepasselijk op natuurlijke verbintenissen:

  • Nakoming vorderen en reële executie zijn niet mogelijk, art. 3:296 e.v. BW

  • Schadevergoeding bij niet-nakoming, art. 6:74 e.v. BW

  • Verrekening met een eigen schuld (art. 6:127 BW), het opschorten van de eigen prestatie (art. 6:52 BW) en het ontbinden van een wederkerige overeenkomst (art. 6:265 BW).

  • Ongerechtvaardigde verrijking, art. 6:212 BW. Er is namelijk een rechtsgrond voor de voldoening.

De volgende bepalingen zijn wel toepasselijk op natuurlijke verbintenissen:

  • De redelijkheid en billijkheid, art. 6:2 BW.

  • Art. 3:84 lid 1 BW. De natuurlijke verbintenis geldt als een geldige titel voor de overdracht van goederen.

  • Verrekening, art. 6:217 BW.

Kan een natuurlijke verbintenis worden omgezet?

Een natuurlijke verbintenis is omzetbaar in een rechtens wel afdwingbare verbintenis. Hiervoor is een daartoe strekkende overeenkomst tussen schuldenaar en schuldeiser nodig, art. 6:5 lid 1 BW. Deze obligatoire overeenkomst kan stilzwijgend of uitdrukkelijk tot stand komen.

Wat houdt de voorwaardelijke verbintenis in?

Wat is een voorwaardelijke verbintenis?

Er is sprake van een voorwaardelijke verbintenis wanneer bij rechtshandeling haar werking afhankelijk is gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis, art. 6:21 BW. De voorwaardelijke verbintenis is geregeld in afdeling 6.1.5.

Er bestaat een tweetal voorwaarden:

  • De opschortende voorwaarde (gevolg: een sluimerende verbintenis).

  • De ontbindende voorwaarde (gevolg: een bedreigde verbintenis).

Er is overigens een verschil tussen een voorwaardelijke verbintenis en een verbintenis onder tijdsbepaling (werking afhankelijk gesteld van een toekomstige zekere gebeurtenis) en een rechtshandeling onder voorwaarde (dit kan de bron van een voorwaardelijke verbintenis zijn, art. 3:38 BW).

Wat zijn de rechtsgevolgen van de opschortende voorwaarde?

Voordat de opschortende voorwaarde is vervuld:

  • Bestaat de verbintenis.

  • Heeft de verbintenis nog geen werking. Er kan geen nakoming worden gevorderd. Een reeds presterende schuldenaar heeft dan een vordering uit onverschuldigde betaling, art. 6:25 BW.

Nadat de opschortende voorwaarde is vervuld:

  • Heeft de verbintenis werking. De schuldeiser kan nakoming vordering en een gedane betaling is niet onverschuldigd.

  • Is er geen sprake van terugwerkende kracht, art. 6:22 BW.

Wat zijn de rechtsgevolgen van de ontbindende voorwaarde?

Voordat de ontbindende voorwaarde is vervuld:

  • Bestaat de verbintenis en heeft zij werking. De schuldeiser kan nakoming vorderen en een gedane betaling in is niet onverschuldigd.

Nadat de ontbindende voorwaarde is vervuld:

  • Vervalt de verbintenis, zonder terugwerkende kracht. Er kan geen nakoming meer worden gevorderd. Als de schuldenaar hierna presteert is dit onverschuldigd. Als de schuldenaar al had gepresteerd bestaat er geen vordering uit onverschuldigde betaling, maar geldt een eigen ongedaanmakingsregeling, art. 6:24 BW. Indien de geleverde prestatie bestond in overdracht van een goed heeft het verval van de verbintenis geen terugwerkende kracht en wordt de overdracht dus niet aangetast. Toch wordt op het moment waarop de voorwaarde in vervulling gaat de vervreemder weer rechthebbende. De oorzaak hiervan is dat als er wordt geleverd ter uitvoering van een voorwaardelijke verbintenis, er slechts een voorwaardelijk recht wordt verkregen (art. 3:84 lid 4 BW).

Wat houdt de pluraliteit in?

Wat houdt pluraliteit in?

De pluraliteit van schuldenaren: twee of meerdere schuldenaren zijn gezamenlijk één prestatie verschuldigd.

De pluraliteit van schuldeisers: één prestatie is verschuldigd aan twee of meerdere schuldeisers.

De pluraliteit van prestaties: de schuldenaar is aan de schuldeiser één van twee of meerdere prestaties verschuldigd (alternatieve verbintenis, generieke verbintenis of facultatieve verbintenis).

Wat gebeurt er wanneer er sprake is van pluraliteit van schuldenaren?

Als twee of meerdere schuldenaren samen één prestatie verschuldigd zijn, kunnen zich een drietal situaties voordoen, art. 6:6 lid 1 BW:

  • Uitgangspunt: elke schuldenaar is voor een gelijk deel verbonden.

  • Uitzondering 1: uit rechtshandeling, wet of gewoonte kan voortvloeien dat de schuldenaren voor ongelijke delen verbonden zijn.

  • Uitzondering 2: uit rechtshandeling, wet of gewoonte kan voortvloeien dat de schuldenaar hoofdelijk verbonden zijn. Zie art. 6:102, 166 en 6 lid 2 BW.

Welke rechtsgevolgen heeft pluraliteit van schuldenaren?

De schuldenaren hebben elk een aparte zelfstandige verbintenis. Voldoening hiervan werkt bevrijdend (alleen voor de presterende schuldenaar zelf).

Wat betreft de hoofdelijke verbondenheid geldt dat nakoming door één van de schuldenaren ook de andere schuldenaren bevrijdt, art. 6:7 lid 2 BW. De schuldeiser kan elke schuldenaar voor het geheel aanspreken, art. 6:7 lid 1 BW. Indien een schuldenaar intern gezien te veel betaalt, kan hij het teveel betaalde van zijn mededebiteuren vorderen, maximaal tot het bedrag van ieders draagplicht. Dit kan op twee manieren. Onderling hebben de schuldenaren regres, art. 6:10 BW. Schuldenaren kunnen onderling ook gebruik maken van subrogatie, art. 6:12 BW. De subrogatie vindt slechts plaats tot ten hoogste het gedeelte dat de medeschuldenaar in zijn relatie tot de betalende schuldenaar aangaat.

Wat gebeurt er bij pluraliteit van schuldeisers?

Indien één prestatie aan twee of meerdere schuldeisers verschuldigd is, dan kan zich een drietal situaties voordoen, art. 6:15 lid 1 BW:

  • Uitgangspunt: elke schuldeiser heeft een vorderingsrecht voor een gelijk deel.

  • Uitzondering 1: uit rechtshandeling, wet of gewoonte kan voortvloeien dat de prestatie de schuldeisers voor ongelijke delen toekomt.

  • Uitzondering 2: uit rechtshandeling, wet of gewoonte kan voortvloeien dat de schuldeisers tezamen één vorderingsrecht hebben. Ingevolge de wet bestaat een gezamenlijk vorderingsrecht als de prestatie ondeelbaar is of als het vorderingsrecht in een gemeenschap valt, art. 6:15 lid 2 BW. Krachtens rechtshandeling bestaat één gezamenlijk vorderingsrecht, wanneer met de schuldenaar is overeengekomen dat twee of meer personen de gehele prestatie zullen kunnen vorderen, zodat voldoening aan de één de schuldenaar ook jegens de anderen bevrijdt.

Welke rechtsgevolgen heeft pluraliteit van schuldeisers?

De schuldeisers hebben elk een apart zelfstandig vorderingsrecht. De schuldenaar bevrijdt zich door jegens één van de schuldenaar te presteren. Wanneer de schuldeisers gezamenlijk één vorderingsrecht hebben bestaat er gemeenschap van het vorderingsrecht. Zowel de externe als interne verhouding wordt beheerst door de bepalingen van titel 3.7 BW. Tenzij uit de gemeenschapsregeling of de verbintenis anders voortvloeit, moet de schuldenaar de prestatie jegens de gezamenlijke schuldeisers verrichten (art. 3:170 lid 2 BW).

Wanneer is er sprake van pluraliteit van prestaties?

Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen de:

  • Alternatieve verbintenis. De schuldenaar is verplicht tot één van twee of meerdere prestaties. Hij kan zelf kiezen welke prestatie hij verricht, die van de schuldeiser of van een derde, art. 6:17 lid 1.

  • Facultatieve verbintenis. De prestaties hebben onderling een primair en een subsidiair karakter. De verbintenis wijst een primaire prestatie aan, totdat de bevoegde schuldenaar, schuldeiser of een derde een subsidiaire prestatie aanwijst.

  • Generieke verbintenis. De schuldenaar kan kiezen tussen verschillende prestaties. Hier tegenover staat de speciale verbintenis, waarbij de schuldenaar zich slechts kan bevrijdend door één bepaalde prestatie.

Wanneer is er sprake van een alternatieve verbintenis?

De schuldenaar heeft een keuzebevoegdheid, tenzij uit rechtshandeling, wet of gewoonte voortvloeit dat deze aan de schuldeiser of een derde toekomt, art. 6:17 lid 2 BW. De keuze wordt aangemerkt als een eenzijdige gerichte rechtshandeling.

Stampvragen

Vraag 1

Wat is een natuurlijke verbintenis?

Vraag 2

Wat is een voorwaardelijke verbintenis en welke twee voorwaarden zijn mogelijk?

Vraag 3

Welke drie vormen van pluraliteit zijn mogelijk?

Hoe gaat de verbintenis over, teniet en komt deze tot stand? - Chapter 20

Hoe komt een verbintenis tot stand?

Een verbintenis kan uitsluitend ontstaan, als dit uit de wet voortvloeit, art. 6:1 BW.

Ontstaansbronnen van een verbintenis:

  • De wet zelf: zaakwaarneming (art. 6:198 e.v. BW), onrechtmatige daad (schadevergoeding, titel 6.3), onverschuldigde betaling (ongedaanmaking, art. 6:203 e.v. BW), wanprestatie (schadevergoeding, art. 6:74 e.v. BW), ongerechtvaardigde verrijking (schadevergoeding, art. 6:212 W), intreden ontbindende voorwaarde en ontbinding krachtens contractsschending (ongedaanmaking, art. 6:24 en 271 BW).

  • Bronnen waar de wet naar verwijst: wilsverklaringen partijen (art. 3:33, 35 en 6:248 lid 1 BW), gewoonte (art. 6:248 lid 1 BW), ongeschreven rechtsregels (redelijkheid en billijkheid, natuurlijke verbintenis) en rechterlijke uitspraken (dwangsom etc.).

  • Het wettelijk stelsel. Een verbintenis kan ook uit andere bronnen ontstaan, indien dit past in het stelsel van de wet en aansluit bij de wettelijk geregelde gevallen.

Hoe geschiedt de overgang van vorderingen en schulden?

Hoe gaan vorderingsrechten en schulden over?

Er is een onderscheid te maken tussen:

  1. De overgang van een vorderingsrecht door:

  • erfopvolging, boedelmenging, overdracht.

  • de bijzondere, in titel 6.2 geregelde, wijzen (subrogatie en contractsoverneming).

  • elders geregelde wijzen (bijv. art. 3:82 en 6:251 lid 1 BW).

  1. De overgang van een schuld door:

  • erfopvolging, boedelmenging.

  • de bijzondere, in titel 6.2 geregelde, wijzen (schuldoverneming, contractsoverneming).

  • elders geregelde wijzen (bijv. art. 6:252 lid 1 en 251 lid 2 BW).

Welke gevolgen heeft de overgang van een vordering?

In afdeling 6.2.1 zijn de gevolgen van de overgang van een vordering geregeld.

De verkrijgende schuldeiser verkrijgt met de vordering tevens de daaraan verbonden nevenrechten, art. 6:142 lid 1 BW (recht uit hypotheek, pand of borgtocht, voorrechten, recht op bedongen rente etc.).

De overgang van een vordering kan ook meebrengen dat aan het schuldeiserschap of aan een nevenrecht verbonden verplichtingen overgaan op de nieuwe schuldeiser (zorgplicht van de pandhouder bijv.). Als de vordering is overgedragen (overdracht is iets anders dan overgang!), dan moet de oude schuldenaar instaan voor de nakoming van deze verplichtingen, art. 6:144 BW.

Verdwijnen verweermiddelen met de overgang van een vordering?

Het overgaan van vorderingen laat de verweermiddelen van de schuldenaar onverlet, art. 6:145 BW. De vordering gaat dus op de nieuwe schuldeiser over met alle eventueel aanklevende gebreken. De gedachte hierachter is dat de schuldenaar van de overgang geen nadeel mocht ondervinden. Hierbij is een onderscheid te maken tussen:

  • verweermiddelen die enkel op de overgegane vordering zelf zien (beroep op opschorting bijv.). Deze kunnen rechtstreeks aan de nieuwe schuldeiser worden tegengeworpen.

  • verweermiddelen die de totale rechtsverhouding tussen de oorspronkelijke schuldeiser en de schuldenaar betreffen (bevoegdheid de overeenkomst te ontbinden of te vernietigen). Deze bevoegdheden moeten ook na de overgang tegen de oorspronkelijke schuldeiser worden uitgeoefend.

Welke bijzondere vormen van de overgang van een vordering en een schuld zijn er?

Wat is subrogatie?

Subrogatie is de overgang van een vordering op een derde, ten laste van wie de schuldenaar jegens zijn oorspronkelijke schuldeiser wordt bevrijd.

Er is een tweetal gevallen van subrogatie:

  • van rechtswege (in verband met de uitwinning van goederen (art. 6:150 sub a-c BW), bij uitkering door een schadeverzekeraar (art. 7:962 BW) bij betaling door een hoofdelijk verbonden schuldenaar (art. 6:12 BW) en bij elders in de wet genoemde gevallen).

  • Krachtens overeenkomst tussen schuldenaar en derde, indien de derde de vordering voldoet en de schuldeiser op het tijdstip van de voldoening de subrogatieovereenkomst kende, art. 6:150 sub d BW.

Welke gevolgen heeft subrogatie?

Door subrogatie gaat de vordering over op een derde. Deze regel heeft twee beperkingen. Dit gaat niet verder dan het bedrag dat de oorspronkelijke crediteur heeft ontvangen. Indien de gesubrogeerde jegens de debiteur draagplichtig is, wordt hij slechts gesubrogeerd voor zover hij intern gezien te veel heeft betaald. Zie art. 6:151 lid 1 BW.

De bijbehorende nevenrechten gaan mee over op de gesubrogeerde, art. 6:142 BW. Bij subrogatie wordt in twee opzichten afgewezen van art. 6:142 BW. Jegens anderen dan de debiteur uit te oefenen nevenrechten gaan alleen op de gesubrogeerde over, indien en voor zover deze anderen jegens de debiteur draagplichtig zijn (art. 6:151 lid 2 en 6:12 lid 1 BW). Er wordt ook afgeweken met betrekking tot overgang van het recht op bedongen rente, zie art. 6:153 BW.

Indien verhaal krachtens subrogatie geheel of gedeeltelijk onmogelijk blijkt, vindt in de in art. 6:150 BW genoemde subrogatiegevallen omslag plaats op de voet van art. 6:152 BW.

Wat houdt schuldoverneming in?

Schuldoverneming is een tweezijdige (niet-obligatoire) rechtshandeling tussen de schuldenaar en een derde. Deze derde neemt de schuld van de schuldenaar over. Tussen de schuldenaar en de derde (partijen) werkt de schuldoverneming meteen vanaf het tijdstip van de rechtshandeling. Jegens de schuldeiser werkt de schuldoverneming echter pas als de debiteur en de derde hiervan tezamen kennis hebben gegeven aan de crediteur en de crediteur toestemming heeft gegeven. Zie art. 6:155 BW.

Schuldoverneming is onafhankelijk van de geldigheid van de onderliggende rechtsverhouding (tussen oorspronkelijke en nieuwe schuldenaar). Wordt deze onderliggende verhouding echter vernietigd of ontbonden, dan kan de crediteur de schuld weer op de oorspronkelijke schuldenaar doen overgaan, art. 6:158 BW.

Welke rechtsgevolgen heeft schuldoverneming?

Door schuldoverneming:

  • Gaat de schuld over op een derde.

  • Moet de schuldeiser zijn nevenrechten jegens de nieuwe schuldenaar uitoefenen, art. 6:157 lid 1 BW.

Bij schuldoverneming gaan de volgende nevenrechten teniet, art. 6:157 lid 2 en 3 BW:

  • Rechten uit borgtocht.

  • Pand en hypotheek op goederen die aan derden toebehoren

  • Speciale voorrechten.

Wat is contractsoverneming?

Contractsoverneming is een driezijdige (niet-obligatoire) rechtshandeling. Hierbij draagt iemand die partij is bij een obligatoire overeenkomst zijn complete rechtsverhouding tot zijn wederpartij (met medewerking van deze wederpartij) over aan een derde, art. 6:159 BW.

Net als schuldoverneming is contractsoverneming onafhankelijk van de onderliggende rechtsverhouding. Contractsoverneming is echter niet vormvrij, er moet een akte worden opgemaakt tussen de partij en de derde, art. 6:159 BW. De medewerking van de wederpartij is wel vormvrij.

Welke rechtsgevolgen heeft contractsoverneming?

Door contractsoverneming wordt de complete rechtsverhouding, inclusief alle hieraan verbonden rechten en verplichtingen, overgedragen. De wederpartij moet haar nevenrechten tegen de nieuwe partij uitoefenen, art. 6:159 lid 3 jo. 157 BW.

Hoe gaat een verbintenis teniet?

Hoe gaat een verbintenis teniet?

Enkele gronden van tenietgaan:

  • Nakoming door de schuldenaar of een derde.

  • Nietigheid, vernietiging of ontbinding van de overeenkomst waaruit de verbintenis voortvloeit.

  • Vervulling van een ontbindende voorwaarde.

Hoe werkt verrekening?

Door verrekening vallen een vordering van X op Z en een vordering van Z op X tegen elkaar weg. Verrekening is neergelegd in afdeling 6.1.1.2.

Verrekening vindt plaats door een vormvrije verklaring van de debiteur jegens zijn crediteur, art. 6:127 BW. Verrekening kan ook van rechtswege plaatsvinden, bijv. als vorderingen en schulden tussen twee partijen in één rekening worden opgenomen.

Verrekening heeft terugwerkende kracht, art. 6:129 lid 1 BW.

Welke vereisten zijn er voor de verrekeningsbevoegdheid?

Uitsluitend een verrekeningsbevoegde persoon kan bewerkstelligen dat een verrekeningsverklaring het beoogde gevolg heeft, art. 6:127 lid 1 BW.

Voorwaarden voor verrekeningsbevoegdheid:

  • X heeft een vordering op Z en Z heeft een vordering op X.

  • De over en weer bestaande verbintenissen moeten tot overeenkomstige prestaties strekken.

  • X is bevoegd zijn schuld te betalen, art. 6:39 BW.

  • X is bevoegd de betaling van zijn vordering af te dwingen. Dit is niet het geval als de vordering niet opeisbaar is, de ander een opschortingsrecht heeft of ingeval van een natuurlijke verbintenis.

Niet vereist is dat Z daadwerkelijk zou kunnen nakomen. Evenmin is vereist dat de vorderingen liquide zijn.

Kan verrekening ook plaatsvinden indien niet aan alle vereisten is voldaan?

Soms is verrekening mogelijk ondanks dat niet aan alle voorwaarden is voldaan:

  • Men is niet over en weer elkaars schuldenaar en schuldeiser, art. 6:130 BW.

  • Er is geen sprake van afdwingbaarheid, art. 6:131 BW.

  • Ingeval van faillissement van de wederpartij gelden minder strengere eisen, art. 53 e.v. Fw.

  • Art. 6:134 BW.

Soms is wel aan alle voorwaarden voor verrekening voldaan, maar komt verrekening niet tot stand:

  • Dit gebeurt in de vallen van art. 6:136, 132, 133 en 135 BW.

Hoe kan men afstand doen van vorderingsrechten?

Het doen van afstand van vorderingsrechten vindt plaats door een vormvrije overeenkomst tussen schuldenaar en schuldeiser. De schuldeiser doet afstand van zijn vorderingsrecht, art. 6:160 lid 1 BW. Eenzijdige afstand is dus uitgesloten. Door de afstand gaat de verbintenis teniet.

Er zijn twee vormen van afstand:

  • Afstand tegen een tegenprestatie (om baat).

  • Afstand om niet (kwijtschelding). Zie art. 6:160 lid 2 BW.

Wanneer is er sprake van vermenging van vordering en schuld?

Er wordt gesproken van vermenging indien debiteurschap en crediteurschap in één hand geraken door de overgang van een vordering of een schuld.

Door vermenging gaat de verbintenis teniet, art. 6:161 lid 1 BW. Dit heeft relatieve werking: de rechten van derden die op de vordering rusten blijven onverlet, art. 6:161 lid 3 BW.

Stampvragen

Vraag 1

Op welke wijzen kan een vorderingsrecht overgaan? Wat betekent dit voor de verweermiddelen van de schuldenaar?

Vraag 2

Op welke wijzen kan een schuld overgaan?

Vraag 3

Wat is subrogatie en op welke twee wijzen kan dit ontstaan?

Vraag 4

Wat is schuldoverneming?

Vraag 5

Vanaf welk moment werkt de schuldoverneming?

Vraag 6

Wat is contractsoverneming?

Vraag 7

Wat is verrekening? Heeft dit wel of geen terugwerkende kracht?

Vraag 8

Op welke wijzen gaat een verbintenis teniet?

Wat zijn de rechten van de schuldeiser? - Chapter 21

Welke rechten kent een schuldeiser?

De schuldeiser heeft uit hoofde van de verbintenis de volgende rechten:

  • Nakoming. Afdeling 6.1.6, 6.1.11 en 3.11

  • Opschorting van de eigen prestatie. Dit kan de crediteur als verweer tegenwerpen als de wederpartij nakoming eist. Afdeling 6.1.7.

  • Schadevergoeding. Afdeling 6.1.9 en 6.1.10.

  • Ontbinding van de wederkerige overeenkomst. Afdeling 6.5.5.

Wanneer kan een schuldeiser gebruik maken van welk recht?

Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen een drietal situaties:

  1. Nakoming is blijvend onmogelijk.

  2. Nakoming is tijdelijk onmogelijk.

  3. Nakoming is mogelijk.

Nakoming is blijvend onmogelijk.

  • Toerekenbaar - wanprestatie.

    • Nakoming kan niet worden gevorderd.

    • Opschorting kan niet worden gevorderd, art. 6:54 sub b BW.

    • Schadevergoeding kan worden gevorderd, zonder dat verzuim vereist is, art. 6:74 BW.

    • Ontbinding kan worden gevorderd, zonder dat verzuim vereist is, art. 6:265 BW.

  • Niet-toerekenbaar - overmacht.

    • Nakoming kan niet worden gevorderd.

    • Opschorting kan niet worden gevorderd, art. 6:54 sub b BW.

    • Schadevergoeding kan niet worden gevorderd (ongerechtvaardigde verrijking uitgezonderd), art. 6:74 BW.

    • Ontbinding kan worden gevorderd, zonder dat verzuim vereist is, art. 6:265 BW.

Nakoming is tijdelijk onmogelijk.

  • Toerekenbaar - wanprestatie.

    • Nakoming kan tijdelijk niet worden gevorderd (tot nakoming weer mogelijk is geworden).

    • Opschorting kan worden gevorderd.

    • Schadevergoeding kan worden gevorderd, verzuim is vereist, art. 6:74 BW. Een termijn hoeft niet te worden gegund, art. 6:82 lid 2 BW.

    • Ontbinding kan worden gevorderd, zonder dat verzuim vereist is, art. 6:265 BW.

  • Niet-toerekenbaar - overmacht.

    • Nakoming kan tijdelijk niet worden gevorderd.

    • Opschorting kan worden gevorderd.

    • Schadevergoeding kan niet worden gevorderd (ongerechtvaardigde verrijking uitgezonderd), art. 6:74 BW.

    • Ontbinding kan worden gevorderd, zonder dat verzuim vereist is, art. 6:265 BW.

Nakoming is mogelijk.

  • Toerekenbaar - wanprestatie

    • Nakoming kan worden gevorderd, art. 3:296 e.v. BW

    • Opschorting kan worden gevorderd.

    • Schadevergoeding kan worden gevorderd, verzuim is vereist, art. 6:74 BW.

    • Ontbinding kan worden gevorderd, verzuim is vereist, art. 6:265 lid 2 BW.

De schuldeiser kan in beginsel vrij kiezen tussen de verscheidene rechtsmiddelen. Hij moet hierbij wel rekening houden met de redelijkheid en billijkheid, art. 6:2 en 248 BW.

Wanneer verliest een schuldeiser zijn rechten?

  1. Rechtsverlies door het stellen van een termijn, art. 6:88 BW. De tekortschietende schuldenaar kan in onzekerheid verkeren over de vraag of de schuldeiser voor ontbinding, nakoming of schadevergoeding zal kiezen. De schuldenaar kan de schuldeiser daarom een redelijke termijn stellen om te besluiten welke bevoegdheid hij zal uitoefenen. Wordt binnen deze termijn niet gekozen, dan vervallen alle bevoegdheden van de schuldeiser, behalve het recht op schadevergoeding, als de schuldenaar zich op overmacht beroept: het recht op ontbinding van de overeenkomst en als de verbintenis strekt tot het betalen van een geldsom: het recht op nakoming hiervan.
  1. Rechtsverlies als gevolg van rechtsverwerking.
  1. Rechtsverlies ingeval van niet of lastig te bewaren zaken die niet kunnen worden afgeleverd. De schuldenaar kan deze zaken verkopen, art. 6:90 lid 1 BW, waardoor de schuldeiser zijn recht op aflevering verliest.
  1. Rechtsverlies door het niet op tijd protesteren, art. 6:89 BW.

Hoe werkt de klachtplicht?

  1. Als er sprake is van een ondeugdelijke prestatie, dan moet de schuldeiser binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of had behoren te ontdekken protesteren bij de schuldenaar (klachtplicht). Doet hij dit niet, dan kan hij zich niet beroepen op het gebrek, art. 6:89 BW. Voor koop geldt art. 7:23 lid 1 BW. Deze klachtplicht vloeit voort uit het leerstuk van de rechtsverwerking.
  1. De klachttermijn vangt aan zodra de schuldeiser het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken. De schuldeiser moet dus een onderzoek naar de ontvangen prestatie verrichten.
  1. De schuldeiser moet binnen ‘bekwame tijd’ protesteren/klagen. De lengte van deze termijn is afhankelijk van de omstandigheden.
  1. Art. 6:89 BW geldt voor alle verbintenissen/ alle soorten prestaties.
  1. De klachtplicht ziet niet enkel op het beroep op een tekortkoming (art. 6:74 en 265 BW), maar ook op dwaling (art. 6:228 BW en op onrechtmatige daad (art. 6:162 BW).

Stampvragen

Vraag 1

Welke algemene rechten heeft een schuldeiser?

Vraag 2

Wat is rechtsverlies en wat zijn de mogelijke oorzaken?

Hoe geschiedt de nakoming van verbintenissen? - Chapter 22

Wat is nakoming?

Nakoming is het verrichten van een prestatie overeenkomstig een daartoe strekkende verbintenis. Een voorbeeld van een prestatie is betaling. De nakoming van verbintenissen is geregeld in de afdelingen 6.1.6. en 6.1.11.

Wat houdt Dramatis Personae in?

Welke uitgangssituatie heeft nakoming?

Het uitgangspunt is dat de schuldenaar aan de schuldeiser betaalt. Door voldoening van de verbintenis gaat deze teniet. Ook het betalen door of aan een derde kan de schuldenaar bevrijden:

  • Betalen aan een derde, art. 6:32 en 34 BW.

  • Betalen door een derde, art. 6:30 BW.

  • Betalen door een derde aan een derde, art. 6:35 BW.

Wie kunnen bevrijdend betalen?

  1. De schuldenaar zelf, al dan niet via een onmiddellijk vertegenwoordiger.

  2. Een derde, art. 6:30 BW. Als de derde betaalt ter kwijting van de schuldenaar levert dit nakoming van de verbintenis op. De schuldenaar is dan bevrijd. De betaling door de derde geschiedt niet onverschuldigd. De schuldeiser die betaling door een derde weigert, raakt in schuldeisersverzuim, art. 6:30 lid 2 BW. Nakoming door een derde is echter niet mogelijk als het gaat om een persoonlijke prestatie (kunstschilder bijv.).

Aan wie is een bevrijdende betaling mogelijk?

  1. Aan de schuldeiser zelf. Als deze handelingsonbekwaam is moet worden betaald aan zijn wettelijke vertegenwoordiger (art. 3:31 BW). Betalen aan een handelingsonbekwame werkt wel bevrijdend, indien dit de handelingsonbekwame tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of indien betaling in de macht van de wettelijke vertegenwoordiger is gekomen.

    Als betaling is gedaan in weerwil van een gelegd beslag of als de schuldeiser niet tot ontvangst bevoegd was op grond van art. 6:33 BW, dan is de schuldenaar niet bevrijd. Wordt hij vervolgens aangesproken om opnieuw te betalen, heeft hij verhaal op de crediteur die ten onrechte ontvangen heeft (art. 6:33 BW).

  1. Aan een ander die naast (bijv. een gevolmachtigde) of in plaats van de schuldeiser (pandhouder of wettelijk vertegenwoordiger) tot ontvangst bevoegd is.

  2. Aan een persoon die onbevoegd is om de prestatie te ontvangen. Dit werkt enkel bevrijdend indien de betaling wordt bekrachtigd door de schuldeiser of als de schuldeiser door de betaling is gebaat, art. 6:32 BW. De schuldenaar is bovendien bevrijd indien hij schuldeiser de schijn wekte dat een ander bevoegd was betaling te ontvangen en hierop gerechtvaardigd is vertrouwd door de schuldenaar, art. 3:61 lid 2, 35 en 36 BW. Ook art. 6:34 BW kan leiden tot een bevrijdende betaling.

Onder welke voorwaarden wordt de schuldenaar beschermt?

Art. 6:34 BW beschermt de schuldenaar die heeft betaald aan een onbevoegde. Voorwaarden:

  • De schuldenaar heeft aangenomen dat de ontvanger als schuldeiser gerechtigd was tot de prestatie of dat op een andere grond aan de ontvanger betaald moest worden.

  • De schuldenaar had redelijke gronden voor deze gedachte (goede trouw).

Als aan deze voorwaarden is voldaan, heeft de schuldenaar bevrijdend betaald. De werkelijk gerechtigde kan zich verhalen op degene de persoon die de prestatie ten onrechte heeft ontvangen, art. 6:36 BW.

Als de ontvanger zijn recht met terugwerkende kracht verliest, geldt de speciale regel van art. 6:34 lid 2 BW.

Indien de schuldenaar redelijke gronden heeft om te twijfelen aan wie betaalt moet worden, mag hij de nakoming van zijn verbintenis opschorten (art. 6:37 BW).

Kan een derde ook bevrijdend betalen?

Art. 6:35 BW verklaart dat art. 6:34 BW van overeenkomstige toepassing is op de betaling door een derde. Indien de derde aan de voorwaarden van art. 6:34 BW voldoet, heeft hij bevrijdend betaald.

Hoe wordt de verbintenis tot aflevering van zaken nagekomen?

Wat is een verbintenis tot aflevering van zaken?

De verbintenis tot aflevering van zaken is geregeld in afdeling 6.1.6. Afleveren is het verschaffen van bezit of houderschap.

De schuldenaar moet tot de aflevering als een zorgvuldig schuldenaar zorg dragen voor de zaken, art. 6:27 BW. De schuldenaar mag bovendien niet afleveren beneden een goede gemiddelde kwaliteit, art. 6:28 BW. De overeenkomst bepaalt meestal waar de zaken moeten worden afgeleverd. Is dit niet zo, dan geldt voor de plaats van aflevering art. 6:41 BW. Als een beschikkingsonbevoegde de zaken heeft afgeleverd, dan kan hij vorderen dat deze worden afgeleverd aan de rechthebbende, art. 6:42 BW.

Wat houdt de verbintenis tot betaling van een geldsom in?

Welk karakter heeft te verbintenis tot het betalen van een geldsom?

De nakoming van een verbintenis tot het betalen van een geldsom is geregeld in afdeling 6.1.11. Als in de overeenkomst niet is bepaald in welke geldsoort moet worden betaald, dan kan de schuldenaar in elke gangbare geldsoort voldoen, art. 6:112 BW. Indien de debiteur munten of bankbiljetten van een bepaalde soort moet betalen, bestaat een verbintenis tot aflevering van naar de soort bepaalde zaken. Wanneer exact vaststaat welke munten of bankbiljetten moeten worden betaald, dan is afdeling 6.1.11 niet toepasselijk.

Hoe wordt een geldverbintenis voldaan?

Geldverbintenissen moeten worden voldaan naar haar nominale bedrag, art. 6:111 BW, en in gangbaar geld, art. 6:112 BW. In ons land is dat het geld waarvan is bepaald dat dit een wettig betaalmiddel is.

Kan een schuldenaar giraal betalen?

Indien de schuldeiser in het land van betaling beschikt over een girorekening, dan is de schuldenaar in beginsel bevoegd de betaling giraal te verrichten, art. 6:114 BW. De schuldeiser kan dit echter eenzijdig uitsluiten of uit de redelijkheid en billijkheid, de gewoonte of rechtshandeling kan voortvloeien dat girale betaling niet mogelijk is (op een straatmarkt bijv.).

Op het moment waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd komt de girale betaling tot stand, art. 6:114 lid 2 BW.

Waar dient betaald te worden?

Geldverbintenissen moeten worden voldaan aan de woonplaats van de schuldeiser. Het gaat dus om een brengschuld, art. 6:116 en 118 BW. Krachtens rechtshandeling, gewoonte of wet kan van deze hoofdregel worden afgeweken. Girale betaling, art. 6:114 BW, is een voorbeeld van een wettelijke afwijking. De schuldeiser kan ook eenzijdig een andere plek *in zijn eigen land) aanwijzen, art. 6:116 lid 2 BW.

Welke regels gelden met betrekking van vreemde valuta?

De bepalingen 6:121-124 hebben betrekking op verbintenissen die strekken tot betaling van ander geld dan dat van het land waar de betaling plaats moet vinden.

Welke overige nakomingsbepalingen zijn er?

Wanneer dient nagekomen te worden?

In dit verband is een tweetal vragen van belang:

  1. Wanneer mag een schuldenaar nakomen?

  2. Wanneer kan de schuldeiser nakoming eisen?

Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • Een verbintenis waaruit geen tijdstip van nakoming blijkt, art. 6:38 BW. De schuldenaar mag dan terstond nakomen en de schuldeiser mag terstond nakoming vorderen.

  • Een verbintenis waarin wel een tijdstip van nakoming is opgenomen. De schuldenaar mag eerder dan dit tijdstip nakomen, maar de schuldeiser mag geen nakoming voor dit tijdstip vorderen.

Betalen voor de vervaldag levert geen onverschuldigde betaling op, art. 6:39 lid 1 BW. In de drie in art. 6:40 BW genoemde gevallen kan de debiteur de tijdsbepalingen niet meer inroepen.

Welke inhoud heeft afdeling 6.1.6 verder?

In art. 6:29 BW is bepaald dat nakoming niet in gedeelten kan geschieden. Elke verbintenis moet als één geheel uitgevoerd worden. Art. 6:43 en 44 BW betreffen zogenaamde imputatiebepalingen. De overige bepalingen uit deze afdeling zien op de kosten van de nakoming, betaling door overhandiging van een papier, kwitanties en bewijsstukken en zekerheidsstellingen.

Stampvragen

Vraag 1

Kan betaling door of aan een derde de schuldenaar bevrijden van zijn verbintenis?

Vraag 2

Wat wordt bedoeld met ‘aflevering’?

Hoe kan de nakoming opgeschort worden? - Chapter 23

Wat is een opschortingsrecht?

Een opschortingsrecht is de bevoegdheid waarover een schuldenaar beschikt om de nakoming van zijn verbintenis op te schorten totdat zijn schuldeiser voldoet aan een opeisbare vordering die de schuldenaar op hem heeft, art. 6:52 BW. Het is een pressiemiddel. Het heeft als doel het druk uitoefenen op de andere partij om de tegenvordering na te komen.

Waar is het opschortingsrecht in de wet te vinden?

De algemene bepalingen ter zake van het opschortingsrecht staan in afdeling 6.1.7. Art. 6:52 BW is het kernartikel. Speciale regelingen elders in het wetboek betreffen de onzekerheidsexceptie en het recht van retentie. De belangrijkste hiervan zijn de exceptio non adimpleti contractus en de onzekerheidsexceptie (art. 6:262-264 BW). Een overige belangrijke speciale regeling is het retentierecht uit afdeling 3.10.4.

Onder welke voorwaarden is er een opschortingsbevoegdheid?

Voorwaarden voor opschorting door schuldenaar X.

  1. Een verbintenis van schuldenaar X jegens schuldeiser Z.

  2. Een opeisbare vordering van X (als schuldeiser!) op Z (als schuldenaar). Tenzij er sprake is van een geval genoemd in art. 6:80 BW.

  3. Niet-nakoming door Z. Verzuim of toerekenbaarheid is niet nodig.

  4. Het niet-nakomen van Z berust niet zelf al op bevoegde opschorting.

  5. Voldoende samenhang tussen de in sub 1 en 2 genoemde verbintenissen, art. 6:52 lid 2 BW. Hiervan is sprake als zij over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of als partijen regelmatig zaken met elkaar doen.

Soms is slechts gedeeltelijke opschorting mogelijk, bijvoorbeeld omdat er een beperkte mate van samenhang bestaat of op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.

Wat zijn de uitzonderingsgevallen?

Een schuldenaar heeft op grond van art. 6:54 BW geen opschortingsbevoegdheid:

  1. Als hij zelf in crediteursverzuim verkeert ten aanzien van de verbintenis die de andere partij moet nakomen.

  2. Als nakoming door de andere partij blijvend onmogelijk is. Wel kan de exceptie uit art. 6:262 jo. 264 BW worden gebruikt.

  3. Als op de vordering van de andere partij geen beslag is toegelaten (loon- of alimentatievordering).

Welke rechtsgevolgen heeft een geldige opschorting?

De schuldenaar blijft bevoegd tot nakoming, hij hoeft geen beroep te doen op opschorting. Wordt toch een beroep op opschorting gedaan, dan heeft dit de volgende gevolgen:

  • De schuldeiser kan geen nakoming vorderen.

  • Er is geen tekortkoming aan de orde. De schuldeiser kan dus geen schadevergoeding vorderen of ontbinden.

  • Ex art. 6:59 BW kan er sprake zijn van crediteursverzuim wanneer de opschorting erop berust dat de crediteur een eigen verbintenis niet nakomt, ten gevolge van aan hem toe te rekenen omstandigheden.

De opschortingsbevoegdheid kan worden ingeroepen jegens:

  • De schuldeiser zelf, art. 6:52 BW.

  • Zijn schuldeisers en ev. faillissementscurator, art. 6:53 BW.

  • Zijn rechtsopvolgers.

Wanneer eindigt een opschortingsrecht?

Opschortingsrechten komen tot een einde:

  • Als de wederpartij alsnog nakomt, art. 6:52 BW.

  • Als de wederpartij zekerheid stelt voor de nakoming voor de verbintenis, art. 6:55 BW.

  • Als de wederpartij nakoming aanbiedt, maar de opschortende partij hieraan weigert mee te werken, art. 6:54 BW.

  • Als nakoming voor de wederpartij blijvend onmogelijk is geworden, art. 6:54 sub b BW.

  • Als nakoming voor de schuldenaar blijvend of tijdelijk onmogelijk is geworden door een aan hem toerekenbare omstandigheid.

Stampvragen

Vraag 1

Wat is opschorting, wat zijn de rechtsgevolgen en welke vijf vereisten gelden hiervoor?

Wat houdt schuldeisersverzuim in? - Chapter 24

Waar wordt het schuldeisersverzuim geregeld?

Het gewone verzuim van de schuldenaar is geregeld in paragraaf 2 van afdeling 6.1.9. Het schuldeisersverzuim is geregeld in afdeling 6.1.8.

Hoe komt schuldeisersverzuim tot stand?

Schuldeisersverzuim kan op twee grondslagen tot stand komen:

  1. Verhindering van nakoming, art. 6:58 BW.

  • De schuldenaar is bereid en in staat tot nakoming.

  • Nakoming wordt geblokkeerd door een beletsel gelegen aan de zijde van de schuldenaar. De schuldeiser verleent de benodigde medewerking bijv. niet.

  • De oorzaak van de verhindering kan worden toegerekend aan de schuldeiser.

  1. Opschortingsbevoegdheid schuldenaar, art. 6:59 BW.

  • De schuldeiser komt een eigen verbintenis jegens de schuldenaar niet na.

  • Dit kan worden toegerekend aan de schuldeiser (verzuim niet vereist).

  • De schuldenaar maakt gebruik van zijn opschortingsbevoegdheid.

Verschil art. 6:59 en 52 BW: voor de totstandkoming van de opschortingsbevoegdheid is geen toerekenbaarheid aan de schuldeiser vereist (art. 6:52 BW).

Welke rechtsgevolgen heeft het schuldeisersverzuim?

  1. Geen recht op nakoming of executie. Voor het geval van art. 6:58 blijkt dit uit het feit dat nakoming voor de debiteur op feitelijke gronden niet mogelijk is. In het geval van art. 6:59 mist de crediteur het recht op nakoming omdat de debiteur een opschortingsrecht heeft.

  2. Geen recht op het opschorten van de eigen prestatie. Voor art. 6:58 volgt dit rechtstreeks uit art. 6:54 sub a BW. In geval van art. 6:59 kan de crediteur niet opschorten omdat de ander al bevoegd opschort.

  3. Geen recht op schadevergoeding. Voor art. 6:58 volgt dit uit het feit dat de tekortkoming van de debiteur wordt veroorzaakt door schuldeisersverzuim, zij kan niet aan de debiteur worden toegerekend. Ingeval val art. 6:59 is de schuldenaar reeds niet aansprakelijk omdat er bij inroeping van de opschortingsbevoegdheid geen sprake is van een tekortkoming aan zijn kant.

  4. Geen recht op het ontbinden van de wederkerige overeenkomst. Voor art. 6:58 blijkt dit uit de bepaling van art. 6:266 lid 1 BW. Ingeval van art. 6:59 blijkt dit bovendien uit het feit dat de debiteur niet tekortschiet wanneer hij een opschortingsbevoegdheid heeft.

  5. Een al bestaand debiteursverzuim eindigt en er kan geen nieuw verzuim ontstaan, art. 6:61 BW.

Bevrijdt schuldeisersverzuim van de verbintenis?

Schuldeisersverzuim bevrijdt de schuldenaar niet van de op hem rustende verbintenis. Hij is wel bevoegd om krachtens art. 6:60 BW de rechter te verzoeken hem van zijn verbintenis te bevrijden. Een schuldenaar kan eveneens van zijn verbintenis bevrijd worden door een vordering tot ontbinding of wijziging op grond van onvoorziene omstandigheden, art. 6:258 BW, of door ontbinding wegens contractsschending, art. 6:265 BW.

Welke bevoegdheden heeft een schuldenaar nog meer?

  1. Recht op vergoeding van de kosten die zijn veroorzaakt door het schuldeisersverzuim, art. 6:63 BW.

  2. Eenzijdige individualisatie bij een verbintenis tot het afleveren van naar de soort bepaalde zaken, art. 6:65 BW.

  3. Inbewaringstelling, art. 6:66-71 BW. De zaken mogen bijv. worden toevertrouwd aan een bewaarder.

Hoe eindigt schuldeisersverzuim?

Een schuldeisersverzuim komt ten einde:

  1. Indien de schuldeiser zijn verzuim zuivert:

  • Door de prestatie alsnog te aanvaarden, art. 6:58 BW.

  • Door alsnog aan zijn eigen verplichting te voldoen, art. 6:59 BW.

  1. Indien de verbintenis van de schuldenaar tenietgaat, art. 6:60, 258 en 265 BW.

  2. Indien nakoming door een aan de schuldenaar toerekenbare oorzaak blijvend of tijdelijk onmogelijk is geworden, art. 6:64 BW.

Wat gebeurt er indien nakoming onmogelijk wordt tijdens schuldeisersverzuim?

Gedurende het schuldeisersverzuim kan de nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk worden. Er is een tweetal gevallen te onderscheiden:

  1. De onmogelijkheid is niet aan de schuldenaar toe te rekenen. De schuldenaar blijft echter zijn bevoegdheden behouden.

  2. De onmogelijkheid is wel aan de schuldenaar toe te rekenen. In dit geval eindigt het schuldeisersverzuim. Hierdoor is nakoming feitelijk onmogelijk, kan de schuldeiser zijn eigen prestatie opschorten en heeft hij recht op schadevergoeding en ontbinding van de wederkerige overeenkomst.

Wanneer kan een onmogelijkheid worden toegerekend?

De voorwaarden voor de toerekenbaarheid van de onmogelijkheid staan in art. 6:64 BW:

  • De onmogelijkheid wordt enkel aan de schuldenaar toegerekend, als er door zijn schuld (of van zijn ondergeschikte) is tekortgeschoten in de zorg die in de gegeven situatie van hem mocht worden gevergd.

  • De bewijslast rust op de schuldeiser.

Kan er sprake zijn van schuldeisersverzuim bij betaling door een derde?

Een derde kan in beginsel ook een verbintenis nakomen, art. 6:30 BW. De schuldeiser zal een prestatie van een derde moeten aanvaarden op straffe van schuldeisersverzuim. Indien hij weigert:

  • Treedt het schuldeisersverzuim in ten gunste van de schuldenaar, art. 6:58 jo. 30 BW.

  • Zijn de art. 6:60, 62, 63 en 66-70 BW van toepassing ten gunste van de derde, mits deze derde een gerechtvaardigd belang heeft bij de voldoening van de schuld, art. 6:73 BW.

Wanneer is er sprake van crediteursovermacht?

Dit is niet wettelijk geregeld. De gevolgen van overmacht aan de zijde van de schuldeiser moet worden beoordeeld aan de hand van de redelijkheid en billijkheid. Op grond hiervan kunnen bijv. de art. 6:60 6n 66 BW analoog van toepassing zijn.

Stampvragen

Vraag 1

Wat is schuldeisersverzuim en wat is het rechtsgevolg hiervan?

Vraag 2

Op welke wijzen eindigt schuldeisersverzuim?

Wanneer is er recht op schadevergoeding wegens wanprestatie? - Chapter 25

Waar is schadevergoeding in de wet geregeld?

In afdeling 6.1.9 is geregeld wanneer de schuldeiser recht heeft op schadevergoeding. De inhoud en omvang van de schadevergoeding worden bepaald door afdeling 6.1.10.

Welke soorten schadevergoeding zijn er?

De volgende soorten schadevergoeding kunnen worden gevorderd:

  1. Aanvullende schadevergoeding. De schuldeiser heeft hier recht op naast nakoming, ontbinding of vervangende schadevergoeding. Er is een tweetal vormen:
  • Vergoeding van gevolgschade: schade die de schuldeiser in zijn overige vermogen heeft geleden als gevolg van een ondeugdelijke prestatie (ziek paard besmet de hele manege).

  • Vertragingsschade: schade die schuldeiser heeft geleden doordat de prestatie uitblijft.

  1. Vervangende schadevergoeding: een verbintenis tot het betalen van de waarde van de prestatie die in de plaats treedt van de verbintenis tot het verrichten van de prestatie zelf. Hierdoor kan geen nakoming of ontbinding meer worden gevorderd.

Onder welke voorwaarden is er een recht op schadevergoeding?

Voor zowel de vervangende als voor de aanvullende schadevergoeding gelden de volgende voorwaarden, art. 6:74 lid 1 BW:

  1. Een tekortkoming in de nakoming van de verbintenis. Dit betekent ook dat de debiteur in verzuim moet zijn (zie lid 2).

  2. Toerekenbaarheid van de tekortkoming aan de schuldenaar. De bewijslast rust op de schuldenaar, hij moet aantonen dat de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend (overmacht).

  3. Schade.

  4. Causaal verband tussen schade en tekortkoming: zou de schade niet zijn ontstaan als er niet was tekortgeschoten? Voor het vestigen van de aansprakelijkheid is dit condicio sine qua non verband voldoende. De omvang van de schadevergoeding wordt bepaald door de causaliteiteis van art. 6:98 BW.

Wat is positief belang?

De schade die door de schuldenaar dient te worden vergoed wordt bepaald door het vergelijken van twee situaties: de werkelijke situatie waarin de schuldeiser zich bevindt en de (hypothetische) situatie waarin de schuldeiser zich zou bevinden als de verbintenis juist was nagekomen (afwezigheid van de tekortkoming). Dit wordt ook wel het positief belang genoemd.

Wat houdt een tekortkoming in de nakoming in?

Wanneer is er sprake van tekortkoming?

Tekortkomen is het niet voldoen aan de verbintenis:

  • De verbintenis moet opeisbaar zijn (de schuldenaar is tot presteren verplicht en de schuldeiser heeft recht op nakoming). Vaak blijkt het tijdstip van opeisbaarheid uit de verbintenis zelf; anders gelden de art. 6:38-40 BW.

  • Er is geen prestatie of een ondeugdelijke prestatie. De inhoud van de verbintenis moet dus nauwkeurig worden vastgelegd. Er zijn twee soorten verbintenissen:

    • De resultaatverbintenis: zodra een bepaald resultaat niet wordt bereikt is er sprake van een tekortkoming). Een resultaatsverbintenis is makkelijker aan te tonen dan een inspanningsverbintenis (schuldeiser draagt de bewijslast).

    • De inspanningsverbintenis: wanneer de schuldenaar niet voldoende zorg heeft betracht bestaat er een tekortkoming.

  • Het uitblijven van de prestatie mag niet worden gerechtvaardigd door een opschortingsbevoegdheid (art. 6:52 e.v. BW). Deze bevoegdheid bestaat bij niet-nakoming (niet presteren), maar heeft geen tekortkoming tot gevolg.

  • In de gevallen genoemd in lid 2 van art. 6:74 BW is pas sprake van een tekortkoming op het tijdstip dat het verzuim intreedt.

Er is sprake van enkel niet-nakoming, maar géén schadeplichtigheid:

  • Indien de opeisbaarheidsdatum niet nog niet bereikt.

  • Indien de schuldenaar zijn prestatie bevoegd opschort.

  • Indien verzuim vereist is, maar dat nog niet is ingetreden.

Wanneer kan een schuldeiser al voor opeisbaarheid vorderen?

In drie gevallen kan de schuldeiser al voor opeisbaarheid vervangende schadevergoeding of ontbinding vorderen, art. 6:80 lid 1 BW:

  • Het staat vast dat nakoming zonder tekortkoming niet mogelijk zal zijn.

  • De schuldeiser dient uit een mededeling van de schuldenaar af te leiden dat deze zal tekortschieten in de nakoming.

  • De schuldeiser heft goede gronden om te vrezen dat de schuldenaar te kort zal schieten en de schuldenaar voldoet niet aan een schriftelijke aanmaning om binnen een redelijke termijn zijn verplichtingen na te komen.

Wanneer is er sprake van toerekenbaarheid van de tekortkoming?

Wanneer is er sprake van een toerekenbare dan wel een niet-toerekenbare tekortkoming?

Toerekenbare tekortkoming: de schending van een verbintenis, welke de schuldenaar is toe te rekenen, zodat hij de daardoor ontstane schade dient te vergoeden. Dit wordt ook wel wanprestatie genoemd.

Niet-toerekenbare tekortkoming: de schending van een verbintenis die niet kan worden toegerekend aan de schuldenaar. Hij is dan niet aansprakelijk voor de ontstane schade. Dit wordt ook wel overmacht genoemd.

Het bestaan van de tekortkoming moet door de schuldeiser worden bewezen. De schuldenaar is aansprakelijk, tenzij hij bewijst dat de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend. In art. 6:75 BW staat wanneer de tekortkoming niet wordt toegerekend aan de schuldenaar: wanneer deze niet te wijten is aan zijn schuld of wanneer zij niet krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

Wanneer is tekortkoming aan de schuld van de debiteur te wijten?

De betreffende tekortkoming is aan de schuld van de schuldenaar te wijten, als hij niet voldoende zorg heeft betracht om haar te voorkomen. Bijv. de verwijtbare keuze voor een onbekwaam hulppersoon of een ongeschikte zaak (art. 6:76 en 77 BW), of eigen nalatigheid bij het uitvoeren van de overeenkomst.

Wanneer komt tekortkoming voor risico van de debiteur?

De schuldenaar kan zich ondanks het ontbreken van schuld niet beroepen op overmacht, als de tekortkoming voor zijn risico (rekening) komt. Vereisten:

  • Wet. Hulppersonen en gebruikte zaken komen volgens de wet voor risico van de schuldenaar, art. 6:76 en 77 BW. Zie ook art. 6:84, 64 en 204 BW voor bijzondere toerekeningsmaatstaven bij debiteursverzuim, crediteursverzuim en bij ongedaanmakingsverbintenissen.

  • Rechtshandeling. Contractspartijen kunnen in hun overeenkomst de kring van toerekenbare factoren beperken of uitbreiden. Uitbreiding kan geschieden door het opnemen van bepaalde garanties en beperkingen komen praktisch neer op uitsluiting van aansprakelijkheid voor bepaalde feiten.

  • Verkeersopvattingen. Bijv. omstandigheden die op het moment van het aangaan van de verbintenis voorzienbaar waren of die de schuldenaar persoonlijk treffen (zoals financieel onvermogen).

Wanneer ben je als debiteur aansprakelijk voor hulppersonen?

Op grond van art. 6:76 BW is de schuldenaar aansprakelijk voor zijn hulppersoon. Voorwaarden:

  • De tekortkoming is ontstaan door een gedraging van de hulppersoon.

  • De hulppersoon werd gebruikt bij de uitvoering van deze specifieke verbintenis gebruikt.

  • Als de schuldenaar de gedraging zelf zou hebben verricht, dan zou de tekortkoming aan hem toerekenbaar zijn geweest in de zin van art. 6:75 BW. Overmacht bij een hulppersoon levert dus in het algemeen ook overmacht voor de schuldenaar zelf of.

Wanneer is een debiteur aansprakelijk voor een gebruikte zaak?

Op grond van art. 6:77 BW is de schuldenaar aansprakelijk voor een gebruikte zaak. Voorwaarden:

  • De tekortkoming door de schuldenaar is ontstaan door het gebruik van een zaak door de debiteur of een van zijn hulppersonen (niet het verschaffen!).

  • De zaak is gebruikt bij het uitvoeren van deze specifieke verbintenis.

  • De zaak was ongeschikt voor dit gebruik. Dit betekent dat zij niet aan eisen voldeed die men onder de gegeven omstandigheden aan de te gebruiken zaak mocht stellen.

De schuldenaar is echter niet aansprakelijk als toerekening onredelijk zou zijn (art. 6:77 BW slot). Hierbij moet rekening worden gehouden met de inhoud en strekking van de rechtshandeling, de in het verkeer geldende opvattingen en de andere omstandigheden van het geval.

Welke rechtsgevolgen heeft overmacht?

Het enige rechtstreekse gevolg van overmacht ziet op de vordering tot schadevergoeding. Het uitgangspunt is dat de schuldenaar ingeval van overmacht geen aanvullende of vervangende schadevergoeding verschuldigd is, art. 6:74 lid 1 BW. Volgens de uitzondering heeft de schuldeiser toch recht op schadevergoeding bij overmacht, indien (art. 6:78 lid 1 BW - cumulatief):

  • De schuldenaar een voordeel geniet dankzij de tekortkoming (dat hij niet zou hebben gehad bij een correcte nakoming);

  • De schuldeiser schade lijdt door de tekortkoming; en

  • De schade in aanmerking komt voor vergoeding volgens de regels inzake ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW).

De schuldeiser houdt bij overmacht aan de zijde van schuldenaar de bevoegdheid tot het ontbinden van de overeenkomst.

Wat gebeurt er met de vordering tot nakoming in geval van overdracht? De hoofdregel is dat de nakomingsvordering van de schuldeiser of feitelijke gronden is uitgesloten. Bij blijvende onmogelijkheid is dit definitief. Bij tijdelijke onmogelijkheid wordt de nakomingsvordering uitgesloten tot het einde van de blijvende onmogelijkheid. De uitzondering hierop is de situatie waarin de schuldeiser in staat is zich door executie of verrekening het verschuldigde te verschaffen. In dat geval is hij daartoe bevoegd op grond van art. 6:79 BW.

Wie draagt het risico ter zake van de prestatie?

Als de tekortkoming de schuldenaar toerekenbaar is volgens de art. 6:74-77 BW, dan draagt hij het risico ter zake van de prestatie (hij is schadeplichtig). Als de tekortkoming de schuldenaar niet toerekenbaar is, dan rust het risico ter zake van de prestatie op de schuldeiser (hij krijgt geen prestatie en geen schadevergoeding).

De wet vult de algemene norm van art. 6:75 BW in volgens een aantal bijzondere toerekeningmaatstaven:

  • Schuldeisersverzuim. Het risico wordt verschoven ten voordele van de schuldenaar: onmogelijkheid van nakoming wordt hem enkel in een beperkt aantal gevallen toegerekend. Art. 6:64 BW.

  • Schuldenaarsverzuim. Het risico wordt verschoven ten nadele van de schuldenaar. Bijna elke onmogelijkheid van nakoming wordt hem toegerekend. Art. 6:84 BW.

  • Ongedaanmakingsverbintenis. De onmogelijkheid van nakoming wordt in een beperkt aantal gevallen aan de schuldenaar toegerekend. Art. 6:204 en 273 BW.

Wanneer is de nakoming blijvend onmogelijk?

Wanneer kan tekortkoming worden toegerekend?

Als de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend, dan is hij niet verplicht tot schadevergoeding. Is de tekortkoming wel toerekenbaar, dan is de schuldenaar schadeplichtig. Dit is bepaald in lid 1 van art. 6:74 BW. Volgens lid 2 van deze bepaling is er sprake van een al dan niet blijvende onmogelijkheid van nakoming.

Wat is blijvende onmogelijkheid?

Dit begrip bestaat uit twee elementen:

  • De onmogelijkheid van de nakoming. Elke wijze van nakoming moet verhinderd zijn. Gevaar voor leven of de botsing met een wettelijke plicht kan voldoende zijn. Het maakt geen verschil of de onmogelijkheid al bestond bij het aangaan van de verbintenis of later pas ontstond.

  • De onmogelijkheid moet een blijvend karakter hebben. De tekortkoming kan later niet worden geheeld door alsnog te presteren etc.

Welke gevallen van blijvende onmogelijkheid worden onderscheiden?

Bij elke vordering tot schadevergoeding moet worden beoordeeld of nakoming van de verbintenis al dan niet blijvend onmogelijk is. Hierbij wordt het volgende onderscheid gemaakt:

  1. Nakoming is niet blijvend onmogelijk bij:
  • Herstelbare ondeugdelijke tekortkoming.

  • Niet-tijdige nakoming.

  1. Nakoming is wel blijvend mogelijk bij:

  • Onontkoombare niet-nakoming.

  • Onherstelbare ondeugdelijke nakoming.

Bij een ondeugdelijke nakoming is het criterium de herstelbaarheid van het gebrek. Het gaat hierbij niet zozeer om de technische herstelmogelijkheid, als wel om de vraag of in de gegeven omstandigheden van de schuldeiser kan worden verwacht dat hij deze schuldenaar de mogelijkheid tot herstel geeft.

Wat houdt verzuim in?

Wanneer is er een debiteur in verzuim?

In paragraaf 2 van afdeling 6.1.9 is het verzuim van de schuldenaar geregeld. Een schuldenaar is in verzuim tijdens de periode waarin aan de volgende voorwaarden is voldaan, art. 6:81 BW:

  • Nakoming is niet blijvend onmogelijk.

  • De tekortkoming van de schuldenaar: de verbintenis is opeisbaar, er is geen prestatie of de prestatie is ondeugdelijk, het ontbreken van de prestatie wordt niet gerechtvaardigd door een opschortingsbevoegdheid en er is aan de vereisten van de art. 6:82-83 BW voldaan.

  • De vertraging is toerekenbaar aan de schuldenaar.

Het begrip verzuim geeft dus de periode van toerekenbare vertraging aan, die in principe aanvangt na verloop van de bij ingebrekestelling gestelde termijn.

Wat is een ingebrekestelling?

Voor het intreden van verzuim is een ingebrekestelling noodzakelijk. Dit is een schriftelijke aanmaning, waarin de schuldeiser de schuldenaar een redelijke termijn voor nakoming stelt, art. 6:82 lid 1 BW.

Door de ingebrekestelling raakt de schuldenaar in verzuim op het ogenblik waarop de gestelde termijn verstrijkt. Op dat moment treedt het verzuim in. Het is een soort laatste kans voor de schuldenaar. De ingebrekestelling mag al voor de opeisbaarheid worden uitgebracht, maar de gestelde termijn mag niet voor het tijdstip van opeisbaarheid verstrijken.

Een ingebrekestelling kan plaatsvinden zonder dat een redelijke termijn dient te worden gesteld, art. 6:82 lid 2 BW:

  • Indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen.

  • Indien uit de houding van de schuldenaar blijkt dat aanmanen nutteloos is.

Wanneer raakt een debiteur in verzuim zonder ingebrekestelling?

Een schuldenaar raakt in verzuim zonder ingebrekestelling op grond van art. 6:83 BW:

  • Als een voor de nakoming gestelde termijn verstrijkt zonder dat deze verbintenis is nagekomen: de fatale termijn.

  • Als een uit wanprestatie of onrechtmatige daad voortvloeiende verbintenis tot schadevergoeding niet terstond wordt nagekomen.

  • Als de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar kan afleiden dat deze zal tekortschieten in de nakoming.

Deze opsomming is niet limitatief, zie ook art. 6:205, 274 en 248 BW. Soms kan een ingebrekestelling ook achterwege blijven maar dan op grond van redelijkheid en billijkheid, art. 6:2 lid 1 en art. 6:248 lid 1 BW).

Welke rechtsgevolgen heeft verzuim?

  1. Een risico-omslag ten nadele van de schuldenaar, art. 6:84 BW.

  2. De totstandkoming van een verplichting tot vergoeding van vertragingsschade, art. 6:85 BW.

  3. De schuldeiser is bevoegd de verbintenis om te zetten in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, art. 6:87 BW.

  4. De schuldeiser is uitsluitend ingeval van verzuim bevoegd tot ontbinding van de overeenkomst, art. 6:265 BW.

Wanneer wordt het verzuim omgeslagen?

De schuldeiser mag geen nadeel ondervinden van het gegeven dat zijn schuldenaar niet tijdig presteert. Art. 6:84 BW verlegt daarom het risico als de schuldenaar in verzuim raakt. Het uitgangspunt is dat elke tijdens het verzuim ontstane onmogelijkheid van nakoming aan de schuldenaar wordt toegerekend. Hij is dan dus eveneens aansprakelijk voor omstandigheden die buiten verzuim overmacht zouden opleveren. Uitzonderingen (de schuldenaar is niet aansprakelijk): de onmogelijkheid is aan de schuldeiser toe te rekenen of de schuldeiser zou de schade ook hebben geleden bij een behoorlijke en tijdige nakoming.

Welke regels beheersen de vergoeding van vertragingsschade?

  1. De schuldenaar is schadeplichtig over de periode van zijn verzuim, art. 6:85 BW. De omvang van de schadevergoeding is geregeld in afdeling 6.1.10.

  2. De omvang van de schadevergoeding ingeval van een verbintenis tot het betalen van een geldsom wordt bepaald door art. 6:119 en 120 BW.

  3. Bij een handelsovereenkomst (art. 6:119a lid 1 BW) geldt het regime uit art. 6:119a BW.

Wanneer kan een bestaande verbintenis worden omgezet in vervangende schadevergoeding?

Gedurende het verzuim van de schuldenaar kan de schuldeiser de verbintenis omzetten in een verbintenis tot de betaling van vervangende schadevergoeding. Dit vindt plaats door een schriftelijke verklaring, waarin de schuldeiser de schuldenaar mededeelt dat hij schadevergoeding vin plaats van nakoming vordert, art. 6:87 lid 1 BW. Door de omzetting vervalt de primaire verbintenis gericht op het verrichten van de prestatie. Dit brengt mee dat de crediteur niet langer recht heeft op nakoming, de debiteur niet langer tot nakoming bevoegd is en betekent het einde van het ten aanzien van de primaire verbintenis bestaande verzuim. Door de omzetting ontstaat vervolgens een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. Omzetting is echter niet mogelijk, als zij door de tekortkoming niet wordt gerechtvaardigd, art. 6:87 lid 2 BW.

Wanneer eindigt het verzuim?

Het verzuim komt ten einde doordat:

  • De schuldenaar alsnog nakomt (zuivering van het verzuim).

  • Schuldeisersverzuim intreedt.

  • De verbintenis vervalt, bijv. door de omzetting in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding of ontbinding van de overeenkomst.

  • Nakoming alsnog blijvend onmogelijk wordt.

Wat houdt een boetebeding in?

Wat is een boetebeding?

In paragraaf 4 van afdeling 6.1.9 is het boetebeding geregeld. Dit is elk beding, waarbij is bepaald dat de schuldenaar een geldbedrag moet betalen (of een andere prestatie), als hij tekortschiet in de nakoming van zijn verbintenis, art. 6:91 BW.

Hoe roept men een boetebeding in?

Voorwaarden voor het inroepen van het boetebeding:

  1. Een toerekenbare tekortkoming, art. 6:92 lid 3 BW.

  2. Een ingebrekestelling en een omzettingsverklaring, art. 6:93 BW.

Het boetebeding heeft de volgende gevolgen voor de andere bevoegdheden van de schuldeiser:

  • Nakoming. De schuldeiser kan een keuze maken tussen een boete en nakoming. Beiden kan niet, art. 6:92 lid 1 BW.

  • Schadevergoeding. De normale schadevergoeding vorderen kan niet meer. De bedongen boete treedt in de plaats van de wettelijk verschuldigde schadevergoeding, art. 6:92 lid 2 BW.

  • Ontbinding. De bevoegdheid tot ontbinding wordt niet aangetast.

Deze regels zijn van regelend recht. Indien partijen dit willen, kunnen zij hier van afwijken.

Wanneer kan een rechter van een boetebeding afwijken?

Afwijking van een boetebeding is in uitzonderlijke gevallen toegestaan:

  • Als de billijkheid dit vereist, kan de rechter op verzoek van de schuldenaar de bedongen boete matigen, art. 6:94 lid 1 BW. Toepassing van het boetebeding moet dan tot een onaanvaardbaar resultaat leiden. De matiging kan niet verder gaan dan tot het bedrag van de wettelijke schadevergoeding.

  • Als de billijkheid dit vereist, kan de rechter op verzoek van de schuldeiser naast de bedongen boete een aanvullende schadevergoeding toewijzen, art. 6:94 lid 2 BW.

Stampvragen

Vraag 1

Wat zijn de voorwaarden voor aansprakelijkheid/schadevergoeding?

Vraag 2

Wat wordt bedoeld met het positief belang (bij het leerstuk van schadevergoeding)?

Vraag 3

Welke vereisten gelden voor een tekortkoming?

Vraag 4

Welke vereisten gelden voor het verzuim van de schuldenaar?

Vraag 5

Wat zijn de rechtsgevolgen van verzuim van de schuldenaar?

Vraag 6

Wat is een boetebeding en wat zijn de voorwaarden voor het inroepen ervan?

Vraag 7

Wat zijn de rechtsgevolgen van het inroepen van een boetebeding?

Wat zijn de regels omtrent schadevergoeding? - Chapter 26

Waar in de wet vindt men de schadevergoedingsverplichting?

In afdeling 6.1.10 is de schadevergoedingsverplichting geregeld. Deze bepalingen betreffen alle verbintenissen tot schadevergoeding die voortvloeien uit de wet, zoals bij:

  • Wanprestatie, art. 6:74 e.v. BW;

  • Zaakwaarneming, art. 6:200 BW;

  • Onrechtmatige daad, art. 6:162 e.v. BW;

  • Ongerechtvaardigde verrijking, art. 6:212 BW.

Wat staat er in afdeling 6.1.10?

Afdeling 6.1.10 ziet op de omvang en inhoud van een verbintenis tot schadevergoeding. Welke schade komt voor vergoeding in aanmerking, hoe wordt de schade berekend en welke aansprakelijkheid verminderende factoren zijn er?

Om welke schade gaat het en welke wijzen van vergoeding zijn er?

Welke schade wordt vergoed?

Krachtens art. 6:95 BW komt voor vergoeding in aanmerking:

  1. Alle vermogensschade: geleden verlies en gederfde winst, art. 6:96 lid 1 BW. Lid 2 bepaalt dat een aantal redelijke kosten ook voor vergoeding in aanmerking komen.

  2. Immateriële schade, maar enkel voor zover de wet dat bepaalt.

Wat verstaan we onder immateriële schade?

Immateriële schade: de schade die een benadeelde lijdt buiten zijn vermogen (pijn, verdriet etc.). Deze schade komt alleen in aanmerking voor vergoeding als zich een van de drie genoemde gevallen voordoet, art. 6:106 BW:

  • Opzet om de schade toe te brengen.

  • Aantasting van de nagedachtenis van een overleden persoon.

  • Aantasting in de persoon van de benadeelde (bijv. het beschadigen van de goede naam, lichamelijk letsel of aantasting in de persoon op andere wijze).

De vergoeding van immaterieel nadeel wordt smartengeld genoemd. De rechter heeft bij het bepalen van de omvang van deze vergoeding een discretionaire bevoegdheid. Hij neemt hierbij de omstandigheden van het geval in overweging. Smartengeld is in beginsel niet vatbaar voor overgang of beslag, vanwege het hoogstpersoonlijke karakter, zie art. 6:106 lid 2 BW.

Welke regeling kent de affectieschade?

Affectieschade (verdriet om het overlijden of verwonding van naasten) is niet wettelijk geregeld. Smartengeld kan daarom niet worden gevorderd. De Hoge Raad heeft wel de mogelijkheid erkend dat bepaalde derden recht hebben op smartengeld, wanneer zij zelf geestelijk letsel hebben opgelopen door een ongeval waarvan een ander het slachtoffer was. Het betreft dus niet schade die voortvloeit uit het verongelukken van de ander, maar om rechtstreeks eigen geestelijk letsel. Hieraan zijn strenge, cumulatieve vereisten gesteld:

  • Waarneming van het ongeval of een directe confrontatie met de ernstige gevolgen hiervan;

  • Een hevige emotionele schok, waar het geestelijk letsel uit voortvloeit (shockschade, komt bijv. voor bij een nauwe affectieve relatie);

  • Een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Zie voor een goed voorbeeld het arrest HR Taxibus (22-2-2002, NJ 2002/240).

Hoe wordt de schade begroot?

De rechter heeft een grote mate van vrijheid van de begroting van de schade, art. 6:97 en 105 BW:

  • De schade wordt door hem zelfstandig begroot. Hij is hierbij niet gebonden aan de regels van stelplicht en bewijslast.

  • Hij begroot de schade op de manier die het meest met de aard van de schade in overeenstemming is, art. 6:97 BW.

    • ​Vaak kiest hij voor de concrete schadeberekening: het vaststellen van de daadwerkelijk geleden schade.

    • Soms wordt gekozen voor de abstracte schadeberekening: er wordt geabstraheerd van de omstandigheden van het geval.

    • Als een onrechtmatige daad of wanprestatie voor de aansprakelijk gestelde persoon tot winst heeft geleid, dan geldt de regel van art. 6:104 BW.

  • Als hij de omvang van de schade niet nauwkeurig kan vaststellen, dan zal hij deze schatten.

  • Hij kan het begroten van nog niet ingetreden schade uitstellen of bij voorbaat verrichten.

  • Hij kan ook veroordelen tot ‘schadevergoeding op te maken bij staat’. In een vervolgprocedure wordt dan de hoogte van de schadevergoeding vastgesteld, art. 612-615b Rv.

Wanneer is er sprake van abstracte schadeberekening?

Voor bepaalde gevallen schrijft de wet de abstracte schadeberekening voor:

  • Bij geldschulden: fixatie op de wettelijke rente. Art. 6:119-199a BW.

  • Bij ontbinding van de koop van zaken met een dagprijs. Art. 7:36 BW.

Daarbuiten biedt art. 6:97 BW de rechter de mogelijkheid om in het concrete geval voor een abstraherende schadeberekeningsmethode te kiezen. Dit zal met name in de volgende gevallen gebeuren:

  • Bij zaaksverlies en zaaksbeschadiging.

  • Bij ontbinding van de koop van zaken die geen dagprijs hebben maar wel een marktprijs. In een dergelijk geval wordt art. 7:36 BW analogisch toegepast.

  • Bij huishoudelijke hulp ingeval van letsel.

De abstracte schadevergoeding heeft een minimumbedrag tot gevolg. Als de benadeelde persoon in werkelijkheid meer schade heeft geleden, dan houdt hij het recht op vergoeding van deze concrete schade.

Heeft een derde recht op vergoeding van letselschade?

Als lichamelijk of geestelijk letsel wordt toegebracht, dan heeft de gekwetste persoon zelf recht op schadevergoeding. Krachtens de art. 6:107-107a BW heeft een derde slechts een beperkt recht op schadevergoeding wegens letsel.

De aanspraak van de derde is gebaseerd op het feit dat ten opzichte van de gekwetste een grond voor aansprakelijkheid bestaat. Denk hierbij aan een onrechtmatige daad of wanprestatie. Wanneer ten opzichte van het slachtoffer geen aansprakelijkheid bestaat, kan een derde hier ook geen beroep op doen. Daarnaast geldt dat de aanspraak de derde uit eigen hoofde toe komt.

Alleen de ten behoeve van de gekwetste persoon gemaakte kosten komen voor vergoeding in aanmerking. Het moet hierbij gaan om kosten die een slachtoffer zelf had kunnen vorderen indien hij ze zelf had gemaakt. Krachtens verzekering gemaakte kosten komen hiervoor niet in aanmerking. De kosten voor loondoorbetaling komen ook voor vergoeding in aanmerking. De werkgever die de gewonde werknemer gedurende diens absentie loon heeft doorbetaald, valt buiten de regeling van art. 6:107 BW. Voor hem is een speciale verhaalsregeling opgenomen in art. 6:107a BW.

Wanneer is er recht op overlijdensschade?

De schadevergoeding ingeval van overlijdensschade is geregeld in art. 6:108 BW. De aangesproken persoon is slechts jegens de nabestaanden aansprakelijk, omdat hij jegens de overleden persoon aansprakelijk zou zijn geweest. De schadevergoedingsvordering komt echter de nabestaanden uit eigen hoofde toe, dit staat los van een eventueel erfgenaam schap. Alleen de schade door het derven van levensonderhoud en de kosten van de lijkbezorging komen in aanmerking voor vergoeding. In art. 6:108 lid 1 BW staat een limitatieve opsomming van de personen die vergoeding van de schade door het derven van levensonderhoud kunnen vorderen.

In welke vorm wordt een schadevergoeding voldaan?

Uitgangspunt: schadevergoeding moet worden voldaan in geld, art. 6:103 BW. Soms kan de rechter op vordering van de benadeelde persoon schadevergoeding in een andere vorm toekennen (overdracht van een goed bijv.).

Wat houdt het vereiste van een causaal verband in?

In hoeverre is causaal verband vereist voor aansprakelijkheid?

Voor het vestigen van aansprakelijkheid is enkel het condicio sine qua non-verband vereist. De omvang van de verbintenis tot schadevergoeding is echter afhankelijk van een nader causaliteitscriterium. Uitsluitend die schadeposten komen in aanmerking voor vergoeding die, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van de gebeurtenis aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend, art. 6:98 BW.

Wie dient het conditio sine qua non-verband te bewijzen?

Hoofdregel: het slachtoffer draagt de bewijslast van het conditio sine qua non verband, art. 150 Rv. Het slachtoffer wordt echter tegemoet gekomen door de omkeringsregel. Het c.s.g.n.-verband wordt dan aangekomen, tenzij de aangesprokene aantoont dat de schade ook zonder zijn gedrag zou zijn ontstaan. Bijv. bij het rijden onder invloed van alcohol.

Voor toepassing van de omkeringsregel is vereist:

  • Dat de geschonden norm ertoe moet strekken een specifiek gevaar voor het ontstaan van schade te voorkomen; en

  • Dit specifieke gevaar zich heeft verwezenlijkt in het concrete geval.

Wat gebeurt er indien meerdere gedragingen of gebeurtenissen in aanmerking komen voor condicio sine qua non?

Soms komen er meerdere gebeurtenissen of gedragingen in aanmerking als mogelijk condicio sine qua non verband. Hierbij is een onderscheid te maken tussen:

  1. Alternatieve causaliteit (X of Z), art. 6:99 BW. Is de schade veroorzaakt door de ene of door de andere dader, art. 6:99 BW? Is de schade veroorzaakt door de dader of door het slachtoffer? Deze laatste situatie is niet in de wet geregeld.

  2. Cumulatieve causaliteit (X en Z), art. 6:102 BW. De schade is veroorzaakt door meerdere daders. De mededaders zijn hoofdelijk verbonden als zij aan alle vereisten voor aansprakelijkheid voldoen. Het slachtoffer kan elk van hen aanspreken voor het geheel. Het kan ook zijn dat de schade door de dader en door het slachtoffer is veroorzaakt. Dit is geregeld in art. 6:101 BW.

  3. Partiële causaliteit (X voor een deel, Z voor een deel). Meerdere daders veroorzaken ieder een bepaald deel van de gehele schade. Elk is dan aansprakelijk voor ‘zijn’ deel van de schade.

  4. Tweede (hypothetische) causaliteit. De schade is veroorzaakt door X maar zou anders zijn ontstaan door Z. Hier komen we later nog op terug.

Hoe werkt de alternatieve causaliteit?

Indien vaststaat dat de schade door minstens één van twee of meerdere gebeurtenissen is ontstaan, maar niet door welke, dan wordt de bewijslast ter zake van het condicio sine qua non verband omgekeerd. Elke dader moet de schade vergoeden, tenzij hij bewijst dat de gebeurtenis waarvoor hij aansprakelijk is gesteld de schade niet heeft veroorzaakt. X en Z schieten allebei op A. A raakt gewond door één kogel, maar niet duidelijk is wie raak heeft geschoten.

Wat gebeurt er als de alternatieve causaliteit inhoudt dat niet duidelijk is of de dader of het slachtoffer de schade heeft veroorzaakt?

Een ander soort alternatieve causaliteit bestaat als de schade of door het foute gedrag van een ander, of door omstandigheden aan de zijde van de benadeelde zelf is veroorzaakt. De concrete toedracht is onduidelijk. Een longaandoening kan bijv. door flink roken zijn veroorzaakt, maar ook door de blootstelling aan asbest in de werksfeer of door beiden. De werknemer kan het condicio sine qua non verband dan niet aantonen. De Hoge Raad heeft daarom een proportionele aansprakelijkheid erkend voor zieke werknemers: de werkgever is gehouden tot schadevergoeding, voor een percentage gelijk aan de kans dat zijn tekortkoming de schade heeft veroorzaakt. Deze aansprakelijkheid vloeit voort uit art. 6:99 en 101 BW en moet terughoudend worden toegepast.

Welk verschil bestaat er tussen de proportionele aansprakelijkheid en de kansschade?

Kansschade (het slachtoffer heeft een kans verloren door een bepaalde gebeurtenis) lijkt op proportionele aansprakelijkheid. De rechter moet in een dergelijk geval het schadebedrag schatten. Het verschil met de proportionele aansprakelijkheid is dat hierbij de onzekerheid ligt in het causaal verband. Bij de kansschade betreft de onzekerheid de schade.

Hoe werkt het geval van hypothetische causaliteit uit?

Wat nu wanneer X een bepaalde schade heeft veroorzaakt, maar die schade later sowieso zou zijn ontstaan door een andere gebeurtenis? Deze figuur is niet terug te vinden in de wet. Uit rechtspraak en literatuur kun je het volgende afleiden:

  • Bij eenmalige schade, bijv. een door X beschadigde zaak zou later zijn vergaan bij een door Z gestichte brand, geldt dat de latere gebeurtenis niet meer afdoet aan een al gevestigde aansprakelijkheid. X is en blijft aansprakelijk en Z is dat niet.
  • Bij voortdurende schade geldt hetzelfde uitgangspunt. De eerste uitzondering geldt als voor de tweede gebeurtenis een ander (Z) aansprakelijk is. In dat geval zijn vanaf die tweede gebeurtenis X en X hoofdelijk aansprakelijk (art. 6:102 BW). De tweede uitzondering geldt als de tweede gebeurtenis voor het eigen risico van het slachtoffer komt (bijv. een spontaan hartinfarct). In een dergelijk geval zal de aansprakelijkheid van X eindigen, er is geen reden de schade ook daarna nog aan X toe te rekenen (art. 6:98 BW).

Welke factoren zijn relevant bij het bepalen van een causaal verband?

Het causaal verband wordt bepaald aan de hand van objectieve factoren, art. 6:98 BW:

  • De aard van de aansprakelijkheid (schuld of risico, onrechtmatige daad of tekortkoming).

  • De aard van de schade (lichamelijk, geestelijk, zaaks- of bedrijfsschade).

  • De mate waarin de schade was te verwachten naar ervaringsregels.

  • De aard van de gedraging en de geschonden norm.

Er bestaan een aantal vuistregels op dit gebied. De eerste regel is dat hoe meer de schade behoort tot de normaliter aan een dergelijke gebeurtenis verbonden gevolgen, des te eerder zal het vereiste verband aanwezig zijn. Een volgende regel is dat bij schuld van de aansprakelijke persoon (art. 6:162 BW) het vereiste verband in de regel sneller zal worden aangenomen dan wanneer iemand wordt aangesproken die slechts risico draagt. De laatste vuistregel is dat als door de overtreding van een verkeers- of veiligheidsnorm letsel wordt toegebracht, de dader in beginsel alle daaruit voortvloeiende schade moet vergoeden.

Wat houdt voordeelstoerekening in?

Wanneer is er sprake van voordeelstoerekening?

Indien een schadeveroorzakende gebeurtenis voor de benadeelde persoon ook een voordeel heeft opgeleverd, dan wordt dit voordeel bij het vaststellen van de schadevergoeding in rekening gebracht, art. 6:100 BW.

De eis van art. 6:100 BW dat het voordeel door dezelfde gebeurtenis moet zijn ontstaan, wordt opgevat conform de reguliere causaliteitsleer. Tussen de gebeurtenis en het voordeel moet condicio sine qua non-verband bestaan en het voordeel moet overeenkomstig art. 6:98 BW kunnen worden toegerekend.

Art. 6:100 BW wordt veelal toegepast in situaties waarin de schadelijder een verzekeringsuitkering ontvangt. Dit gebeurt bijvoorbeeld in het geval van een schadeverzekering. De uitkering komt in dat geval overeen met de geleden schade. De ontvangen som wordt vervolgens afgetrokken. De verzekeraar kan zich dan via subrogatie verhalen op de aansprakelijke persoon, art. 7:962 BW. Dit artikel wordt ook toegepast bij een sommenverzekering. Het uit te keren bedrag is dan in principe niet afhankelijk van de daadwerkelijk geleden schade, art. 7:964 BW. Hier vindt vervolgens geen subrogatie plaats. Deze uitkering leidt over het algemeen niet tot een voordeelstoerekening. Dit is echter anders indien de verzekeringspremies door de (latere) aansprakelijke zijn betaald.

Wat houdt eigen schuld en medeschuld in?

Wat wordt verstaan onder eigen schuld?

De verplichting tot schadevergoeding zal worden verminderd, wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde persoon kan worden toegerekend, art. 6:101 BW. Dit wordt ook wel het leerstuk van de eigen schuld genoemd.

Art. 6:101 BW wordt toegepast indien:

  • Er sprake is van een schade toebrengende gebeurtenis waarvoor een andere persoon aansprakelijk is.

  • De aanwezigheid van een omstandigheid die (mede) condicio sine qua non is voor het intreden van de schade en kan worden toegerekend aan de benadeelde persoon.

Hoe wordt de vergoeding verminderd bij eigen schuld?

De verplichting tot vergoeding zal worden verminderd door de schade over de benadeelde persoon en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Een andere verdeling kan geschieden indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de misdragingen of andere omstandigheden van het geval vereist.

Hoe wordt art. 6:101 BW toegepast bij verkeerssituaties?

De billijkheidscorrectie van art. 6:101 BW is van groot belang als een fietser of voetganger wordt aangereden door een motorrijtuig. Als de aangereden persoon een recht op schadevergoeding heeft jegens de aanrijder en/of eigenaar van het motorrijtuig, maar heeft hij zelf ook aan zijn schade bijgedragen (door bijv. niet op te letten), dan gelden de volgende regels:

  • 100%-regel. Als de aangereden fietser of voetganger jonger dan 14 jaar is, dan brengt de billijkheid mee dat de aansprakelijke persoon de volledige schade moet vergoeden, tenzij aan de zijde van het kind sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid.

  • 50%-regel. Als de aangereden fietser of voetganger 14 jaar of ouder is, dan brengt de billijkheid mee dat de aansprakelijke persoon minstens de helft van de schade moet vergoeden, tenzij aan de zijde van het slachtoffer sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid. Het slachtoffer krijgt meer dan 50% vergoed indien art. 6:101 BW hiertoe aanleiding geeft.

Beide regels gelden uitsluitend ten gunste van het slachtoffer. Een verhaal zoekende verzekeraar heeft hier dus geen belang bij.

Wanneer is er sprake van medeschuld?

Als twee of meerdere personen voor dezelfde schade aansprakelijk zijn, dan er is sprake van medeschuld, art. 6:102 lid 1 BW. De aansprakelijke personen zijn hoofdelijk verbonden.

Rechtsgevolgen:

  • Extern. De benadeelde persoon kan ieder van de aansprakelijke personen aanspraken voor het totaal. Betaling door de eén bevrijdt de anderen.

  • Intern. De draagplicht van de aansprakelijke personen wordt onderling bepaald door art. 6:101 BW jo. art. 6:102 lid 1 BW. Wettelijke uitzonderingen zijn te vinden in art. 6:165 lid 2 BW en art. 6:170 lid 3 BW.

Welke gevolgen zijn er indien er sprake is van zowel eigen schuld als medeschuld?

Indien twee of meerdere personen aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, maar heeft ook de benadeelde persoon eigen schuld, dan geldt de regeling van art. 6:102 lid 2 BW:

  • Extern. De benadeelde persoon kan elk der aansprakelijke personen aanspraken voor het totaal. Door de eigen schuld worden de vergoedingsplichten echter verminderd.

  • Intern. De draagplicht wordt bepaald door art. 6:101 BW. De aangesproken persoon kan zich voor het teveel betaalde verhalen op zijn medeschuldenaren.

Wat houdt rechterlijke matiging in?

Kan een rechter de schadevergoedingsverplichting matigen?

Als het toekennen van de volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden een kennelijk onaanvaardbaar resultaat zou hebben, dan kan de rechter de wettelijke verplichting tot schadevergoeding matigen, art. 6:109 BW.

Welke omstandigheden zijn relevant bij matiging?

De rechter moet de belangen van de benadeelde en de aansprakelijke persoon tegen elkaar afwegen. Alle concrete omstandigheden van het geval zijn hierbij van belang. De relevante omstandigheden zijn, art. 6:109 BW:

  • De aard van de aansprakelijkheid.

  • De rechtsverhouding tussen de partijen.

  • De draagkracht van beiden.

Hoe geschiedt limitering bij A.M.V.B.?

Welke regel geeft art. 6:110 BW?

Om de aansprakelijkheid niet te laten uitstijgen boven hetgeen door de verzekering kan worden gedekt, is het mogelijk dat bij algemene maatregel van bestuur bedragen worden vastgesteld waarboven de aansprakelijkheid zich niet uitstrekt, art. 6:110 BW. Van deze bevoegdheid wordt amper gebruik gemaakt.

Stampvragen

Vraag 1

In welke vier gevallen vloeit een verbintenis tot schadevergoeding voort uit de wet?

Vraag 2

Welke soorten schade komen in aanmerking voor vergoeding?

Vraag 3

Wat zijn de vereisten voor het recht op vergoeding van affectieschade/shockschade?

Vraag 4

Wat is vereist voor het vestigen van aansprakelijkheid wat betreft het causaal verband? Wanneer is de omkeringsregeling toepasselijk?

Vraag 5

Wat is alternatieve causaliteit?

Vraag 6

Wat is cumulatieve causaliteit?

Vraag 7

Wat is partiële causaliteit?

Vraag 8

Wat heeft eigen schuld van de benadeelde tot gevolg voor de omvang van de schadevergoeding?

Vraag 9

Wat houdt de billijkheidscorrectie ingeval van eigen schuld in het verkeer in? Noem de twee voorkomende regels betreffende de omvang van de te vergoeden schade.

Welke regels gelden er omtrent de onrechtmatige daad? - Chapter 27

Waar is onrechtmatige daad geregeld?

De onrechtmatige daad is geregeld in titel 6.3.

Wanneer is er sprake van aansprakelijkheid voor eigen gedragingen?

Welke vereisten kent aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 en 163 BW?

  1. Er moet sprake zijn van een onrechtmatige daad.

  2. De onrechtmatige daad moet toerekenbaar zijn aan de dader.

  3. Er moet sprake zijn van schade.

  4. Er moet een causaal verband bestaan tussen de schade en de onrechtmatige daad.

  5. Er moet verband bestaan tussen het doel van de overtreden norm en het geschade belang (relativiteitsbeginsel).

Welke daden worden aangemerkt als onrechtmatige daad?

Een ‘daad’ kan ook een nalaten zijn. Een onrechtmatige daad is, art. 6:162 lid 2 BW:

  • Een inbreuk op een recht.
    • Recht: persoonlijkheidsrechten (recht op vrijheid, privacy, leven, lichamelijke integriteit etc.), absolute rechten (eigendom, beperkte rechten, rechten op voortbrengselen van de geest), rechten van huurder en pachter.

Persoonlijke rechten vallen hierbuiten. Schending van vorderingsrechten levert immers wanprestatie op, geen onrechtmatige daad.

  • Inbreuk. Bij vermogensrechten bestaat een onderscheid tussen het verrichten van daden die enkel de rechthebbende mag verrichten (strijd met exclusiviteit, denk aan het auteursrecht) of de belemmering van de rechthebbende in gebruik, genot of beschikking (hinder of zaaksbeschadiging).
  • Een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht. Het gaat hierbij om alle Nederlandse algemeen verbindende wettelijke voorschriften van privaat- en publiekrecht.
  • Een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (ongeschreven privaatrecht). Hierbij komt het aan op de omstandigheden van het concrete geval. Bijv. onbehoorlijke concurrentie of gevaarzetting.

De onrechtmatigheid van gedragingen kan overigens worden weggenomen door de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond, art. 6:162 lid 2 BW.

Wanneer is er sprake van gevaarzetting?

Het creëren van gevaar (of het laten voortbestaan) voor anderen of andermans goed staat bekend als gevaarzetting. Het gevaar moet zodanig zin, dat de betreffende persoon zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dit gedrag had behoren te onthouden.

Van belang zijn de volgende factoren, arrest HR Kelderluik:

  • De mate van waarschijnlijkheid dat een ander niet de nodige oplettendheid en voorzichtigheid in acht neemt;

  • De grootte van de kans dat daaruit ongelukken ontstaan;

  • De ernstigheid van de mogelijke gevolgen en;

  • Hoe bezwaarlijk het is om veiligheidsmaatregelen te treffen.

Hoe verhoudt wanprestatie zich tot onrechtmatige daad?

Wanprestatie op zichzelf levert geen onrechtmatige daad als bedoeld in art. 6:162 BW op. Het is echter wel denkbaar dat gedragingen die wanprestatie opleveren ook een onrechtmatige daad opleveren. Dit kan zijn jegens de wederpartij, maar alleen als het gedrag los van de schending van de verbintenis ook een onrechtmatige daad is. De benadeelde heeft dan een keuze tussen art. 6:74 en art. 6:162 BW. Hier kan ook sprake van zijn tegenover een derde. Denk bijv. aan het in de handel brengen van een door zijn gebrekkigheid gevaarlijke zaak.

Welke rechtvaardigingsgronden onderscheiden we?

De onrechtmatigheid van gedragingen kan worden weggenomen door de aanwezigheid van een bijzondere bijkomende omstandigheid, welke de gedraging rechtvaardigt, art. 6:162 lid 2 BW. We kennen de volgende rechtvaardigingsgronden:

  • Overmacht. Macht of kracht waaraan geen weerstand kan worden gebonden. Bijv. de noodtoestand.

  • Toestemming van de benadeelde persoon.

  • Een bevoegd gegeven ambtelijk bevel.

  • Een wettelijk voorschrift of een wettelijke bevoegdheid.

  • Noodweer: noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf, goed of eerbaarheid tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Deze opsomming is niet limitatief, ons recht kent nog andere (ongeschreven) rechtvaardigingsgronden.

Wanneer kan een onrechtmatige daad worden toegerekend?

Een onrechtmatige daad kan worden toegerekend aan de dader, art. 6:162 lid 3 BW:

  • Als deze te wijten is aan zijn schuld (kan hem de daad worden verweten?). Uitzonderingen: kinderen jonger dan 14 jaar zijn nimmer aansprakelijk, en soms is er geen sprake van verwijtbaarheid, maar is de ander toch aansprakelijk krachtens verkeersopvattingen of wet.

  • Als deze te wijten is aan een oorzaak die krachtens verkeersopvattingen of wet voor zijn rekening komt.

    • Krachtens verkeersopvattingen. Slechts in uitzonderlijke gevallen, omdat het primair moet gaan om schuldaansprakelijkheid. Onervarenheid (jonge arts of automobilist) komt in beginsel voor rekening van de dader.

    • Krachtens wet. Bijv. art. 6:165 BW.

Hoe werkt aansprakelijkheid van kinderen?

Op grond van art. 6:164 BW kan een gedraging van een kind jonger dan 14 jaar niet als onrechtmatige daad aan hem worden toegerekend. Een kind jonger dan 14 jaar is dus nooit aansprakelijk voor zijn misdragingen. Hiertegenover staat de risicoaansprakelijkheid van de ouders of voogd, art. 6:169 lid 1 BW.

Voor een kind van 14 jaar of ouder gelden de regels van toerekening wel, art. 6:162 lid 3 BW. Voor de ouders of voogd van een kind tussen de 14 en 16 jaar geldt de schuldaansprakelijkheid met omgekeerde bewijslast van art. 6:169 lid 2 BW.

Zijn personen met een gebrek aansprakelijk?

Indien de dader zijn gebrek kende en zich met het oog daarop niet in de gegeven situatie had mogen begeven, zal vaak sprake zijn van schuld. Ook daarbuiten is de gebrekkige aansprakelijk voor zijn handelen. De omstandigheid dat een gedraging is verricht onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming, voorkomt niet dat iets als een onrechtmatige daad is toe te rekenen, art. 6:165 lid 1 BW.

Deze wettelijke toerekening geldt alleen voor een als een doen te beschouwen gedraging. Dit begrip wordt ruim opgevat. De toerekening is dus niet beperkt tot actieve handelingen maar eventuele flexbewegingen vallen hier ook onder.

Wat is een schulduitsluitingsgrond?

Een rechtvaardigingsgrond ontneemt het onrechtmatige karakter aan de daad. Een schulduitsluitingsgrond maakt dat een dader niet kan worden verweten dat hij de onrechtmatige daad heeft begaan.

Schulduitsluitingsgronden die de dader niet krachtens verkeersopvattingen of wet kunnen worden toegerekend staan de vestiging van de aansprakelijkheid in de weg: noodweerexces en een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel.

Schulduitsluitingsgronden die de dader wel kunnen worden toegerekend ontheffen de dader niet van aansprakelijkheid. Zoals onervarenheid of een geestelijk gebrek.

Hoe staan schade en causaal verband tot elkaar?

  • Schade. Er moet een vorm van nadeel zijn geleden. Welke schade in aanmerking komt voor vergoeding staat in afdeling 6.1.10.
  • Causaal verband. De schade moet het gevolg zijn van de onrechtmatige daad (‘dientengevolge’. Condicio sine qua non verband: zou de schade er niet zijn geweest als de daad niet was gepleegd? Deze toets geldt voor de vestiging van de aansprakelijkheid.

Wat is het relativiteitsbeginsel?

Volgens het relativiteitsbeginsel moet de geschonden norm strekken tot bescherming van de geleden schade, art. 6:163 BW. De dader draagt de bewijslast. Wanneer aan de vereisten van art. 6:162 BW is voldaan, is de dader aansprakelijk tenzij hij aantoont dat de overtreden norm in het geheel niet strekt tot bescherming van burgers tegen schade of een beschermingsbereik heeft dat zich niet uitstrekt tot de benadeelde persoon, de geleden schadepost of de wijze waarop de schade is ingetreden.

Wat kunnen benadeelden vorderen?

  1. Als een onrechtmatige daad is gepleegd:
  • Schadevergoeding, art. 6:162 lid 1 BW.
  • Bij een onrechtmatige publicatie: rectificatie, art. 6:167 BW.
  1. Als een onrechtmatige daad dreigt (reële dreiging vereist):
  • Een verklaring voor recht dat er sprake is van een onrechtmatige gedraging, art. 3:302 BW.
  • Een verbod door de rechter om de onrechtmatige gedraging te verrichten of een bevel om onrechtmatig nalaten te voorkomen, art. 3:296 BW.

Kan de rechter een vordering tot verbod van een reëel dreigende onrechtmatige daad afwijzen?

De rechter moet een vordering tot verbod van een reëel dreigende onrechtmatige daad toewijzen. De rechter kan echter ex art. 6:168 BW de verbodsactie afwijzen, omdat de onrechtmatige gedraging op grond van zwaarwegende maatschappelijke belangen geduld moet worden. De daad blijft onrechtmatig: de dader blijft schadeplichtig.

Welke bijzondere gevallen kunnen er onderscheiden worden?

Wie is aansprakelijk bij gedragingen in groepsverband?

Op grond van art. 6:166 BW zijn groepsleden hoofdelijk aansprakelijk voor de door één van hen toegebrachte schade. Intern zijn zij voor gelijke delen schadeplichtig, tenzij de billijkheid een andere verdeling eist, lid 2.

Vereisten voor groepsaansprakelijkheid:

  • Een groepslid brengt onrechtmatig schade toe.

  • Het aansprakelijk gestelde groepslid heeft zelf een toerekenbare onrechtmatige daad gepleegd: de kans op het aldus toebrengen van schade had hem behoren te weerhouden van zijn gedragingen in het groepsverband en zijn groepsgedrag kan de aangesprokene worden toegerekend.

Indien de dader bekend is, dan kan deze ook op grond van art. 6:162 worden aangesproken.

Art. 6:166 BW verschilt van de alternatieve causaliteit. Bij alternatieve causaliteit gaat het niet om groepsgedrag, maar om gewone art. 6:162 BW aansprakelijkheid. Om art/ 6:99 BW wordt de bewijslast van het causaal verband omgekeerd, in art. 6:166 BW wordt dit probleem geheel vermeden.

De nummers 420 en 421 zijn vervallen.

Kan een rechtspersoon aansprakelijk zijn voor haar eigen gedraging?

Een rechtspersoon kan eveneens onrechtmatige daden plegen. De Hoge Raad heeft in HR Kleuterschool Babbel bepaald dat hiervan sprake is als de betreffende gedraging van een persoon in het maatschappelijk verkeer als gedraging van de rechtspersoon heeft te gelden. De vereenzelviging vindt met name plaats bij gedragingen van organen van de rechtspersoon. De formulering van de HR laat ook ruimte naast deze organen maar daarbij is terughoudendheid wel geboden. De vereenzelviging zal slechts plaatsvinden bij gedragingen die de betrokkene in zijn functievervulling verricht.

Wat is een onrechtmatige overheidsdaad?

Op het nalaten en handelen van de overheid zijn de algemene regels van art. 6:162 e.v. BW van toepassing. Er kan sprake zijn van onrechtmatige rechtspraak, onrechtmatige wetgeving en onrechtmatige bestuur. De eerste twee gevallen komen weinig voor, het gaat met name om onrechtmatig bestuur. Voor onrechtmatigheid wordt veelal aangesloten bij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voor de toerekenbaarheid geldt dat de overheid een welingelichte deelnemer is aan het rechtsverkeer; als zij onrechtmatig handelt, zal dat in principe aan haar schuld te wijten zijn. Voor de aansprakelijkheid van een overheidslichaam ex art. 6:162 BW is vereist dat het gedrag van de feitelijk handelende persoon in het maatschappelijk verkeer als gedraging van het overheidslichaam heeft te gelden. Dit is de eis van vereenzelviging.

Wanneer is een werkgever aansprakelijk jegens een werknemer?

De aansprakelijkheid van een werkgever jegens een werknemer die het slachtoffer is geworden van een beroepsziekte of bedrijfsongeval is geregeld in art. 7:658 BW. Waar dient rekening mee te worden gehouden?

  • Zorgplicht. De werkgever is jegens zijn werknemers gehouden het werk op veilige wijze in te richten, art. 7:658 lid 1 BW. Dit is van contractuele aard en levert dus geen onrechtmatige daad op. Art. 7:658 BW staat echter niet in de weg aan een vordering uit art. 6:162 BW.

  • Bewijslast. De bewijslast is omgekeerd ten gunste van de werknemer, art. 7:658 lid 2 BW. De werknemer hoeft enkel aan te tonen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De werkgever is schadeplichtig, tenzij hij kan aantonen dat hij voldoende zorg heeft betracht als bedoeld in lid 1 of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van bewuste roekeloosheid of opzet van de werknemer.

  • Als de schade buiten art. 7:658 BW valt, dan de werknemer eventueel nog schadevergoeding eisen op grond van art. 7:611 BW (goed werkgeverschap).

Wat houdt de kwalitatieve aansprakelijkheid in?

Waar is de kwalitatieve aansprakelijkheid geregeld?

In afdeling 6.3.1 is de aansprakelijkheid voor het eigen gedrag geregeld. Afdeling 6.3.2. ziet op de kwalitatieve aansprakelijkheden. Deze aansprakelijkheden berusten niet op het gegeven dat men zelf de schade heeft toegebracht, maar op de omstandigheden dat schade werd veroorzaakt door een persoon of zaak waartoe men in een bepaalde verhouding staat.

  1. De kwalitatieve aansprakelijkheid voor een persoon, art. 6:169-172 BW.
  • Voor het gedrag van een kind jonger dan 14 jaar of een kind tussen de 14 en 16 jaar, art. 6:169 lid 1 en 2 BW.

  • Voor een fout van een ondergeschikte, art. 6:170 BW.

  • Voor de fout van een niet-ondergeschikte, art. 6:171 BW.

  • Voor de fout van een vertegenwoordiger, art. 6:172 BW.

  1. De kwalitatieve aansprakelijkheid voor een zaak, art. 6:173-179 BW.

  • Voor een gebrekkige roerende zaak, art. 6:173 BW.

  • Voor een opstal, art. 6:174 BW.

  • Voor een gevaarlijke stof, art. 6:175-178 BW.

  • Voor een dier, art. 6:179 BW.

Wat voor een aansprakelijkheid wordt in afdeling 6.3.2 gevestigd?

De bepalingen uit afdeling 6.3.2 (m.u.v. art. 6:169 lid 2 BW) vestigen een risicoaansprakelijkheid: het is niet relevant of de schadeveroorzakende gebeurtenis aan de schuld van de aansprakelijke persoon te wijten is.

Hoe staat kwalitatieve aansprakelijkheid in verhouding met onrechtmatige daad?

De aanwezigheid van een kwalitatieve aansprakelijkheid staat toepasselijkheid van art. 6:162 BW niet in de weg. Kwalitatief aansprakelijke personen kunnen ook op grond van art. 6:162 BW worden aangesproken. In dit geval moet de benadeelde echter een onrechtmatige daad en toerekenbaarheid aantonen. Soms kan ook een ander dan de kwalitatief aansprakelijke persoon uit hoofde van art. 6:162 BW worden aangesproken. Kwalitatieve aansprakelijkheid staat naast de persoonlijke aansprakelijkheid van de eigenlijke dader. Beiden zijn voor het geheel aansprakelijk.

Waneer is iemand aansprakelijk voor personen?

Hoe werkt de aansprakelijkheid voor kinderen?

  • Een kind jonger dan 14 jaar, art. 6:169 lid 1 BW. De ouders of voogd hebben een risicoaansprakelijkheid voor het gedrag van het kind dat op zichzelf een fout zou opleveren, maar hem niet kan worden toegerekend door zijn leeftijd. Als het kind op grond van bijv. noodweer niet aansprakelijk zou zijn, dan zijn ook de ouders of voogd niet aansprakelijk. De risicoaansprakelijk ziet niet op een nalaten van het kind.
  • Een kind tussen de 14 en 16 jaar, art. 6:169 lid 2 BW. Als het kind een fout maakt, dan zijn de ouders of voogd aansprakelijk wegens onvoldoende toezicht, tenzij wordt aangetoond dat hen niet kan worden verweten dat zij het gedrag van het kind niet hebben belet. Het gaat om een schuldaansprakelijkheid met omgekeerde bewijslast. De ouders of voogd zijn naast het kind aansprakelijk.
  • Een kind van 16 jaar of ouder. Hiervoor gelden geen speciale regels. Slechts in uitzonderlijke gevallen zullen ouders of voogd medeaansprakelijk zijn op grond van art. 6:162 BW.

Wie is aansprakelijk voor ondergeschikten, niet-ondergeschikten en vertegenwoordigers?

De risicoaansprakelijkheid voor een fout van een vertegenwoordiger, ondergeschikte of niet-ondergeschikte is geregeld in art. 6:170-172 BW:

  • Ondergeschikte, art. 6:170 BW: vervult een aan hem opgedragen taak onder leiding of volgens de instructies van de opdrachtgever (werknemer, uitzendkracht).

  • Niet-ondergeschikte, art. 6:171 BW: handelt in opdracht, maar verricht zijn werkzaamheden zelfstandig (notaris, advocaat).

  • Vertegenwoordiger, art. 6:172 BW: verricht een rechtshandeling in andermans naam.

Hoe werkt de aansprakelijkheid van een ondergeschikte uit?

Art. 6:170 BW betreft een risicoaansprakelijkheid van de werkgever. Vereisten:

  • Schade, ontstaan door een fout van de ondergeschikte.

  • Verband tussen de fout en de taak: de kans op de fout is vergroot door de toebedeelde taak en de werkgever had -uit hoofde van de dienstverhouding- zeggenschap over de gedragingen waarin de fout was gelegen.

  • Indien de ondergeschikte in dienst stond van een natuurlijk persoon en niet werkzaam was voor diens beroep of bedrijf, geldt in plaats van de eis van de tweede bullit een striktere maatstaf: in dit geval moet de ondergeschikte hebben gehandeld ter vervulling van de hem opgedragen taak, art. 6;170 lid 2 BW.

Uit de omstandigheden van het geval kan een andere draagplicht voortvloeien, art. 6:170 lid 3 BW (bijv. bij schade door een normale verkeersfout van een chauffeur).

Hoe werkt de aansprakelijkheid van een niet-ondergeschikte uit?

Art. 6:171 BW betreft een risicoaansprakelijkheid voor degene die bedrijfsmatig een niet-ondergeschikte heeft ingeschakeld. Vereisten:

  • Schade, ontstaan door een fout van de niet-ondergeschikte of van iemand voor wiens fout de niet-ondergeschikte kwalitatief aansprakelijk is.

  • De fout werd gemaakt bij het verrichten van de werkzaamheden (opdracht).

Hoe werkt de aansprakelijkheid van een vertegenwoordiger uit?

Art. 6:172 BW betreft een risicoaansprakelijkheid voor de vertegenwoordigde voor een fout van zijn vertegenwoordiger. Vereisten:

  • Schade, ontstaan door een fout van de vertegenwoordiger.

  • De fout is gemaakt ter uitoefening van zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid.

Wanneer is iemand aansprakelijk voor zaken?

Wie is aansprakelijk voor zaken?

De kwalitatieve aansprakelijkheid voor een zaak berust op de bezitter van de zaak, art. 6:173, 174 en 179 BW. Medebezitters zijn hoofdelijk verbonden, art. 6:180 lid 1 BW. Uitzonderingsgevallen:

  • Indien de zaak in de uitoefening van een bedrijf wordt gebruikt, dan is de bedrijfsmatige gebruiker aansprakelijk, art. 6:181 lid 1 BW.

  • Als de zaak onder eigendomsvoorbehoud is geleverd, dan rust de aansprakelijkheid op de verkrijger (als houder), art. 6:180 lid 2 BW.

  • Bij gevaarlijke stoffen wordt niet uitgegaan van bezittersaansprakelijkheid.

  • Zie voor opstallen de bijzonderheden genoemd in art. 6:174 lid 2 BW.

Welk onderscheid wordt gemaakt tussen soorten schade?

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  1. Een gebrekkige roerende zaak, een opstal of een gevaarlijke stof, art. 6:173-175 BW. Er is sprake van aansprakelijkheid, indien de schade is toegebracht aan een persoon of zaak (overlijdens-, letsel- en zaakschade). Andere schadensoorten komen wel voor vergoeding in aanmerking voor zover zij op hun beurt uit een van de genoemde schadesoorten voortvloeien. Daarbij doet niet ter zake of de primaire schade al dan niet door eiser zelf is geleden.

  2. Een dier, art. 6:179 BW. Alle soorten schade komen voor vergoeding in aanmerking.

Welke ‘tenzij-formule’ kent de aansprakelijkheid voor zaken?

De aansprakelijkheid voor een gebrekkige roerende zaak, dier, opstal of gevaarlijke stof betreft een risicoaansprakelijkheid. Elke aansprakelijkheidsstelling kent een ‘tenzij-formule’. De tenzij-formules bepalen in hoeverre van de vereisten uit afdeling 6.3.1. wordt geabstraheerd. Uit deze formule blijkt ook welke van de voor onrechtmatige daad relevante feiten en omstandigheden ook bij de risicoaansprakelijkheid van toepassing zijn. Volgens deze formules kan de omvang van de verbintenis tot schadevergoeding niet groter zijn dan de omvang van een uit afdeling 6.3.1 voortvloeiende verbintenis tot schadevergoeding.

Het gebruikt van de term ‘tenzij’ geeft aan dat de bewijslast op de aansprakelijke persoon rust. Deze dient aan te tonen dat hij in het in de tenzij-formule genoemde geval geen onrechtmatige daad als bedoeld in art. 6:162 e.v. BW heeft gepleegd.

Hoe kwalificeert de aansprakelijkheid voor een bezitter van een gebrekkige roerende zaak?

De bezitter van een gebrekkige roerende zaak heeft op grond van art. 6:173 BW een risicoaansprakelijkheid. Vereisten:

  • Roerende zaak.

  • De zaak is gebrekkig (voldoet niet aan de eisen).

  • De zaak levert als gevolg hiervan een bijzonder gevaar op voor zaken of personen.

  • Het is bekend dat de zaak, indien zij gebrekkig is, een bijzonder gevaar voor zaken of personen oplevert. Men heeft dus niet daadwerkelijk te weten dat de zaak gebrekkig is en dus gevaar oplevert.

  • Het bijzondere gevaar moet zich verwezenlijkt hebben: er is schade toegebracht aan zaken of personen.

Tenzij-formule: de bezitter is schadeplichtig, tenzij hij niet krachtens afdeling 6.3.1 aansprakelijk zou zijn geweest, indien hij het gevaar op het moment van het ontstaan ervan zou hebben gekend.

Let op, dit is een andere aansprakelijkheid dan die van de producent van een gebrekkige zaak.

Wat is productaansprakelijkheid?

Indien een gebrekkige zaak schade veroorzaakt, dan kan de regeling van de productaansprakelijkheid van toepassing zijn, afdeling 6.3.3. De benadeelde kan dan geen keuze maken tussen art. 6:173 BW en afdeling 6.3.3., hij kan enkel de producent aanspreken, art. 6:173 lid 2 BW. Dit wordt de kanalisatie van de aansprakelijkheid genoemd.

Hoe verloopt de aansprakelijkheid voor motorvoertuigen?

De aansprakelijkheid voor een motorrijtuig zal geregeld worden in Boek 8 BW. Tot dit zover is blijft de Wegenverkeerswet (WVW) van toepassing.

Art. 185 WVW ziet op een risicoaansprakelijkheid van de eigenaar of duurzame houder van het motorrijtuig. Vereisten:

  • Er is sprake van een motorrijtuig als bedoeld in art. 1 lid 1 sub c.

  • Het rijdt op een weg, art. 1 lid 1 sub b.

  • Het wordt bestuurd door de eigenaar/houder of door een persoon die hij doet of laat rijden, lid 2.

  • Er is sprake van een verkeersongeval.

  • Er is sprake van schade aan een ander soort weggebruiker (fietser of voetganger) of aan zaken. Een botsing tussen auto’s valt hier dus niet onder.

  • Er is een causaal verband tussen de schade en het verkeersongeval.

Uitzondering: de eigenaar/houder kan onder aansprakelijkheid uitkomen door het aannemelijk maken van overmacht, lid 1. Dit komt niet vaak voor. Hij moet dan namelijk aannemelijk maken dat de bestuurder geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Een gebrek ter zake van het motorvoertuig levert geen overmacht op. Bovendien leveren fouten van een kind dat jonger is dan 14 jaar ingeval van een aanrijding nooit overmacht op, tenzij het met opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid handelde.

Voor de omvang van de verbintenis tot schadevergoeding geldt afdeling 6.1.10.

Art. 185 WVW heeft een reflexwerking ingeval de automobilist zelf schadevergoeding eist van de fietser of voetganger met wie de aanrijding plaatsvond.

Hoe verloopt aansprakelijkheid voor een opstal?

Op grond van art. 6:174 BW rust op de bezitter van een opstal een risicoaansprakelijkheid. Vereisten:

  • De opstal is gebrekkig (voldoet niet aan de eisen).

  • De opstal levert hierdoor gevaar op voor zaken of personen.

  • Het gevaar heeft zich verwezenlijkt: er is schade toegebracht aan zaken of personen.

Tenzij-formule: de bezitter is schadeplichtig, tenzij hij niet krachtens afdeling 6.3.1 aansprakelijk geweest zou zijn, indien hij het gevaar op het moment van het ontstaan ervan zou hebben gekend.

Wie is aansprakelijk voor gevaarlijke stoffen?

Art. 6:175 BW levert een risicoaansprakelijkheid op van degene die de stof in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep gebruikt of onder zich heeft.

Welke vereisten en uitzonderingen kennen art. 6:175 en 178 BW?

Vereisten, art. 6:175 BW:

  • Het is bekend dat de stof een bijzonder gevaar van ernstige aard (ontplofbaar, ontvlambaar, giftig) voor zaken of personen oplevert.

  • Het gevaar heeft zich verwezenlijkt: de stof heeft schade toegebracht aan zaken of personen.

Uitzonderingsgevallen, art. 6:178 BW:

  1. Er bestaat geen aansprakelijkheid als de schade is veroorzaakt door de in sub a-e genoemde gevallen.

  2. Er bestaat geen aansprakelijkheid als het gaat om hinder, verontreiniging of overige gevolgen, waardoor de aangesproken persoon niet krachtens afdeling 6.3.1. aansprakelijk zo zijn geweest als hij deze bewust zou hebben veroorzaakt.

Wie is aansprakelijk voor een stortplaats of mijnbouwwerk?

Voor deze gevallen gelden aparte risicoaansprakelijkheden, waarbij het gaat om milieuschade. De exploitant van een stortplaats is aansprakelijk voor de schade die is ontstaan door verontreiniging van licht, water of bodem met de voor de sluiting gestorte stoffen, art. 6:176 lid 1 BW. De exploitant van een boorgat is aansprakelijk voor de schade die is ontstaan door het uitstromen van delfstoffen, art. 6:177 lid 1 BW.

De beide risicoaansprakelijkheden kennen dezelfde uitzonderingen als die van art. 6:175 BW.

Wie is aansprakelijk voor dieren?

Op de bezitter van een dier dat schade heeft aangericht rust een risicoaansprakelijkheid, art. 6:179 BW. Vereisten:

  • Schade.

  • Aangericht door de eigen activiteit van het dier.

Tenzij-formule: de bezitter is schadeplichtig, tenzij hij niet krachtens afdeling 6.3.1 aansprakelijk zou zijn geweest, indien hij de schadeveroorzakende gedraging van het dier in zijn macht zou hebben gehad. De bezitter van een waakhond is in beginsel niet aansprakelijk als het dier een inbreker bijt, omdat de bezitter geen fout zou hebben gemaakt als hij de hond had toegelaten te bijten (noodweer).

Wat houdt productaansprakelijkheid in?

Welke regels betreffen de productenaansprakelijkheid?

De productaansprakelijkheid is geregeld in afdeling 6.3.3. De regeling is dwingendrechtelijk en laat mogelijke andere vorderingen of rechten van de benadeelde onverlet, art. 6:193 BW.

Het uitgangspunt is dat de producent aansprakelijk is voor schade welke is veroorzaakt door een gebrek in zijn product, art. 6:185 lid 1 BW. Een product is een roerende zaak of elektriciteit, art. 6:187 lid 1 BW. Een product is gebrekkig, wanneer het niet de veiligheid biedt die men ervan mag verwachten, art. 6:186 BW. Hierbij moet rekening worden gehouden met de presentatie, het moment van in het verkeer brengen en het redelijkerwijs te verwachten gebruik. In art. 6:187 leden 2-4 BW staat wat onder product wordt verstaan.

Welke grenzen kent de risicoaansprakelijkheid?

De risicoaansprakelijkheid bij een gebrekkig product kent een aantal uitzonderingen, waardoor de product niet aansprakelijk is, art. 6”185 lid 1 BW:

  • Het product is niet door hem in het verkeer gebracht.

  • Het gebrek is pas ontstaan na het in het verkeer brengen.

  • Er is geen sprake van een bedrijfs- of beroepsmatige productie.

  • Het gebrek hangt samen met dwingendrechtelijke overheidsvoorschriften

  • Het was onmogelijk om het bestaan van het gebrek te ontdekken op het tijdstip van het in verkeer brengen.

  • Voor voorproducenten: het gebrek is te wijten aan het productontwerp of aan door de productfabrikant verstrekte instructies.

Voor welke schade is men aansprakelijk?

Er is sprake van aansprakelijk bij, art. 6:190 BW:

  • Schade aan een persoon (overlijden of lichamelijk letsel).

  • Schade aan een zaak (zaaksbeschadiging). Deze moet tot de privésfeer behoren en de schade moet minstens € 500,- bedragen.

De productaansprakelijkheid ziet dus alleen op gevolgschade. Schade ontstaan door het vernietigen of het beschadigen van het product moet worden verhaald door een beroep op wanprestatie.

Welke mogelijkheden worden geblokkeerd door afdeling 6.3.3?

De toepasselijkheid van afdeling 6.3.3 staat over het algemeen in de weg aan:

  • Een vordering op grond van art. 6:173 BW.

  • Een vordering uit wanprestatie van de consumentkoper jegens de verkoper.

Welke oneerlijke handelspraktijken kunnen er onderscheiden worden?

Waar wordt de consument beschermd tegen oneerlijke handelspraktijken?

Afdeling 6.3.3A strekt tot de bescherming van de consument ingeval van misleidende handelspraktijken en agressieve handelspraktijken. Op misleidende en agressieve handelspraktijken bestaan de volgende sancties:

  • De consument kan schadevergoeding eisen; daartoe dient gewoon art. 6:162 BW te worden gevolgd.

  • Een overeenkomst die als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk tot stand is gekomen, is vernietigbaar door de consument (art. 6:193j lid 3 BW).

  • Het voornaamste effect is te verwachten of collectief niveau: handhaving door de Autoriteit Consument en Markt.

Wie is aansprakelijk bij schending van het mededingingsrecht?

Afdeling 6.3.3B betreft de schadevergoedingsplicht bij inbreuken op het mededingingsrecht. Denk bijvoorbeeld aan geheime prijsafspraken tussen ondernemingen. Deze afdeling bevat geen nieuwe aansprakelijkheidsgrond, maar alleen aanvullende regels die in het kader van bijv. art. 6:162 BW kunnen worden toegepast:

  • Een kartel dat een inbreuk vormt op het mededingingsrecht wordt vermoed schade te veroorzaken (art. 6:193l BW).

  • De inbreukplegers zijn in beginsel ieder voor de gehele schade aansprakelijk (art. 6:193m BW).

  • Een partij kan het verweer voeren dat de benadeelde de veroorzaakte meerkosten heeft doorberekend aan derden (art. 6:193p BW).

Wie is aansprakelijk voor misleidende en vergelijkende reclame?

Hierbij gaat het om buitencontractuele aansprakelijkheid. Het is een uitwerking van art. 6:162 BW. Er geldt een omkering van de bewijslast ter zake van de onrechtmatigheid en de toerekenbaarheid. De benadeelde kan een verbod, schadevergoeding of rectificatie vorderen, art. 6:196 BW.

Waar staan de regels omtrent aansprakelijkheid bij elektronisch rechtsverkeer?

Hoe verloopt de aansprakelijkheid bij elektronisch rechtsverkeer?

De algemene bepalingen over het elektronisch rechtsverkeer staan in boek 3. Boek 6 voegt hier enkele aansprakelijkheidsregels aan toe, afdeling 6.3.4A. art. 6:196c BW bepaalt dat internetproviders niet aansprakelijk zijn indien er sprake is van mere conduit (doorgeefluik), caching (tijdelijke opslag) en hosting (opslag).

Wat houdt de tijdelijke regeling verhaalsrechten in?

Wat regelt afdeling 6.3.5?

Soms kan een slachtoffer zich wenden tot een derde, die tot uitkering van de schadevergoeding is gehouden. Betaling aan het slachtoffer verschaft deze derde in de meeste gevallen het recht zich op de aansprakelijke persoon te verhalen.

Over deze verhaalsmogelijkheid bestaat veel discussie. Om de rechtsontwikkeling niet tegen te houden heeft de wetgever in afdeling 6.3.5 een tijdelijke regeling voor verhaalsrechten opgenomen, uitdrukkelijk bestemd om weer te verdwijnen als de discussie is afgerond. Uitgangspunt van deze regeling is, dat verhaal moet worden uitgesloten waar het nieuwe BW een uitgebreidere aansprakelijkheid kent dan het oude recht. In het kader van een verhaalsactie blijven de volgende artikelen buiten beschouwing (art. 6:197 BW): art. 6:165, 6:166, 6:169, 6:171, 6:173, 6:174, 6:175-177 en 6:185 BW. In de door deze bepalingen bestreken gevallen komt de schade ten laste van de uitkerende derde.

Stampvragen

Vraag 1

Wat zijn de voorwaarden voor aansprakelijkheid op grond van de onrechtmatige daad?

Vraag 2

Wat is een rechtvaardigingsgrond? Noem er drie.

Vraag 3

Wat is een schulduitsluitingsgrond? Noem er twee.

Vraag 4

Hoe zit het met de aansprakelijkheid van een kind jonger dan 14 jaar?

Vraag 5

Wat kan worden gevorderd als een onrechtmatig daad nog niet is gepleegd, maar wel reëel dreigt?

Vraag 6

Kan een rechtspersoon een onrechtmatige daad plegen?

Vraag 7

Hoe is de aansprakelijkheid van groepsleden geregeld?

Vraag 8

Hoe is de aansprakelijkheid van de werkgever jegens werknemers ingeval van een beroepsziekte of arbeidsongeval geregeld? Wat valt op aan de bewijslast?

Vraag 9

Wat is een kwalitatieve aansprakelijkheid? Noem vijf voorbeelden.

Vraag 10

Wat wordt bedoeld met de kanalisatie van de aansprakelijkheid ter zake van de productaansprakelijkheid?

Wat houden zaakwaarneming, onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking in? - Chapter 28

Wat houdt zaakwaarneming in?

Welke vereisten kent zaakwaarneming?

Er is sprake van zaakswaarneming, indien is voldaan aan de volgende vereisten, art. 6:198 BW:

  • Behartiging van het belang van een ander.

  • Willens en wetens. De waarnemer dient de bedoeling te hebben om het belang van de ander te behartigen.

  • Een redelijke grond, welke het optreden van de waarnemer rechtvaardigt.

  • Er bestaat geen bevoegdheid tot de belangenbehartiging krachtens rechtshandeling of elders in het wettelijk stelsel geregelde rechtsverhouding. Een voorbijganger die een drenkeling te hulp schiet is niet bevoegd als bedoeld in art. 6:198 BW, hij is zaakwaarnemer.

Het leerstuk van de zaakwaarneming is geregeld in afdeling 6.4.1.

Welke rechtsgevolgen heeft zaakwaarneming?

  1. Er komen verbintenissen voor de zaakwaarnemer jegens de belanghebbende tot stand, art. 6:199 BW:

  • Hij moet voldoende zorg betrachten bij de waarneming.

  • Indien verlangd moet hij een reeds begonnen zaakwaarneming voortzetten.

  • Het afleggen van rekening en verantwoording.

  1. Er komen verbintenissen voor de belanghebbende jegens de zaakwaarnemer tot stand, art. 6:200 BW:

  • Schadevergoeding.

  • Vergoeding voor de verrichtingen zelf (loon), mits de waarnemer handelde ter uitoefening van zijn bedrijf of beroep.

  1. De zaakwaarnemer is vertegenwoordigingsbevoegdheid, voor zover hij het belang naar behoren behartigt.

De in sub 1 genoemde gevolgen treden in op het moment dat aan de vereisten voor zaakwaarneming is voldaan. De gevolgen uit sub 2 en 3 treden slechts in, voor zover het belang van de belanghebbende naar behoren wordt behartigd. Dit wordt beoordeeld naar het moment dat zaakwaarneming plaatsvindt en niet achteraf.

Welke vormen van zaakwaarneming bestaan er?

Er zijn verschillende vormen van zaakwaarneming mogelijk:

  • Feitelijke handelingen (redden zaak/persoon).

  • Rechtshandelingen namens de zaakwaarnemer. De waarnemer wordt zelf ten opzichte van de derde gebonden. Hij moet zelf dus de vordering aan de derde voldoen en kan zich vervolgens op de belanghebbende verhalen door een vordering van schadevergoeding (art. 6:200 lid 1 BW).

  • Rechtshandelingen namens de belanghebbende. De volmachtsbepalingen zijn in dit geval van overeenkomstige toepassing, art. 3:78 BW. Indien het belang van een ander naar behoren wordt behartigd is de behoorlijke samenwerking de bron van vertegenwoordigheidsbevoegdheid (art. 6:201 BW). Het gevolg is dat de in naam van de ander verrichte rechtshandeling in haar gevolgen rechtstreeks de ander treft (art. 3:79 jo 3:66 lid 1 BW). De zaakwaarnemer wordt dan zelf niet gebonden. Indien de belangenbehartiging niet behoorlijk is, is er sprake van onbevoegde vertegenwoordiging. De belanghebbende is nu niet aan de rechtshandeling gebonden, tenzij hij haar bekrachtigd (art. 3:78 jo 3:69 BW).

Wat houdt de onverschuldigde betaling in?

Wat wordt verstaan onder onverschuldigde betaling?

Betaling: het verrichten van een prestatie jegens een andere persoon.

Onverschuldigd: zonder rechtsgrond.

De rechtsgevolgen van onverschuldigde betaling zijn geregeld in afdeling 6.4.2.

Welke gevallen van onverschuldigde betalingen kennen we?

  1. Er is bestaat helemaal geen verbintenis. Denk aan betaling van een vermeende schuld of gevallen van onbewuste betaling.

  2. Er bestaat een verbintenis, maar niet tussen de betalende persoon en de ontvangende persoon. Denk aan een betaling door een derde die niet de bedoeling heeft de schuld aan de debiteur te voldoen (art. 6:30 BW) of betaling aan een derde die niet tot ontvangst bevoegd is.

  3. Er heeft een verbintenis bestaan, maar deze is komen te vervallen met terugwerkende kracht. Denk bijvoorbeeld aan vernietiging of wijziging van een rechtshandeling.

Er is geen sprake van onverschuldigde betaling bij het voldoen van een natuurlijke verbintenis of het betalen voor de vervaldatum.

Welke vordering ontstaat uit onschuldige betaling?

Meteen op het tijdstip van de betaling komt voor de ontvanger een verbintenis tot ongedaanmaking van de verrichte prestatie tot stand, art. 6:203 BW. Hierop zijn de algemene regels van Boek 6 BW van toepassing. De vordering uit onverschuldigde betaling strekt tot nakoming van deze ongedaanmakingsverbintenis. Zij komt toe aan degene die de prestatie heeft verricht, en is gericht tegen degene die haar heeft ontvangen.

Welke inhoud kan een dergelijke verbintenis hebben?

De verbintenis die is ontstaan door de onverschuldigde betaling kan inhouden een:

  1. Ongedaanmaking in eigenlijke zin, art. 6:203 BW. Dezelfde prestatie moet nu door de ontvanger jegens de betalende worden verricht. Dit kan bijvoorbeeld als een goed is gegeven.

  2. Waardevergoeding als de aard van de prestatie ongedaanmaking uitsluit. Bijv. bij een niet-doen. Het gaat hierbij om de aard van de prestatie.

De vraag of een ongedaanmakings- of een waardevergoedingsverbintenis bestaat, wordt beantwoord naar de aard van de prestatie, het gaat om structurele, niet om toevallige onmogelijkheid.

Hoe wordt ongedaan gemaakt (in feitelijke zin)?

Ingeval van het onverschuldigd geven van een goed heeft de betalende recht op teruggave van dit goed, in de toestand waarin het zich op het tijdstip van zijn prestatie bevond, art. 6:203 lid 1 BW. Bij een geldsom gaat het om een vordering tot teruggave van hetzelfde bedrag, art. 6:203 lid 2 BW.

Er geldt een tweetal gevallen:

  • Afgifte van een zaak. De ontvanger dient de zaak weer aan de betalende ter hand te stellen.

  • Levering van een goed. De ontvanger dient het goed terug te leveren. De ongedaanmakingsverbintenis vormt de titel van de teruglevering.

Wat gebeurt er indien de ongedaanmakingsverbintenis niet wordt nagekomen?

De ongedaanmakingsverbintenis komt meteen op het moment van ontvangst tot stand. Indien de ontvanger in de nakoming van deze verbintenis tekortschiet, dan is hij op grond van art. 6:74 e.v. BW aansprakelijk.

Degene die te kwader trouw (hij weet of vermoedt dat de prestatie wordt verricht zonder rechtsgrond) ontvangt, is meteen vanaf de ontvangst in verzuim, art. 6:205 BW.

Indien de ontvanger niet in verzuim is, kunnen zich twee gevallen voordoen. De eerste is indien de oorzaak lag in een periode waarin de ontvanger redelijkerwijze met een ongedaanmakingsverbintenis rekening moet houden. In dat geval gelden de algemene toerekeningsmaatstaven van art. 6:74 e.v. BW. De andere situatie is indien de oorzaak lag in een periode waarin de ontvanger redelijkerwijze met een ongedaanmakingsverbintenis geen rekening hoefde te houden. Hiervoor geldt de speciale regel uit art. 6:204 lid 1 BW. Wanneer de ontvanger niet als een zorgvuldig schuldenaar in deze periode voor het goed zorg gedragen, dan wordt hem dat niet toegerekend.

In art. 6:204 lid 2 wordt tot slot een bijzonder geval geregeld. Degene die onbevoegd in naam van een ander een onverschuldigde betaling ontving, is van zijn teruggaveverplichting bevrijd, voor zover hij die geldsom aan die ander heeft doorbetaald in een periode waarin hij redelijkerwijze met die verplichting geen rekening hoefde te houden.

Wanneer is een waardevergoeding gerechtvaardigd?

Indien de aard van de prestatie een ongedaanmaking uitsluit, dan kan alleen de waarde van de prestatie worden vergoed. Een waardevergoedingsverbintenis is slechts in een drietal gevallen gerechtvaardigd, art. 6:210 lid 2 BW:

  • De ontvanger is verrijkt door de prestatie.

  • Dat de prestatie is verricht is toerekenbaar aan de ontvanger.

  • De ontvanger heeft erin toegestemd een tegenprestatie te verrichten.

Buiten deze gevallen heeft de betalende geen vordering uit hoofde van zijn onverschuldigde betaling.

Wanneer verlies iemand zijn recht op vergoeding van kosten en schade?

De ontvanger heeft zijn recht op vergoeding van kosten en schade verloren, als de wederpartij afstand doet van haar recht op terugvordering en het betaalde overdraagt aan de ontvanger, art. 6:208 BW.

Welke gevolgen heeft een handelingsonbekwame ontvanger?

Een handelingsonbekwame ontvanger heeft slechts een verbintenis tot waardevergoeding of ongedaanmaking, indien het ontvangene, art. 6:209 BW:

  • Hem tot werkelijk voordeel heeft gestrekt.

  • In de macht is gekomen van zijn wettelijke vertegenwoordiger.

Wat houdt de ‘pot-ketel-situatie’ uit art. 6:211 BW in?

Dit artikel gaat uit van de situatie waarin op grond van een nietige overeenkomst een prestatie is verricht die naar haar aard niet kan worden ongedaan gemaakt en bovendien in rechte niet op geld behoort te worden gewaardeerd. Onder deze omstandigheden zal een vordering uit onverschuldigde betaling ter zake van de geleverde prestatie worden afgewezen. Dit heeft ook gevolgen voor de geleverde tegenprestatie. Indien een vordering van de ene partij uitgesloten is, dan is ook de vordering van de wederpartij geblokkeerd, art. 6:211 BW.

Wat houdt de ongerechtvaardigde verrijking in?

Welke vereisten heeft de ongerechtvaardigde verrijking?

Een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking strekt tot schadevergoeding, art. 6:212 BW. Hierop is afdeling 6.1.10 van toepassing. Vereisten:

  • Verrijking van de ene persoon.

  • Schade van de andere persoon.

  • De verrijking van de ene persoon is ten koste gegaan van de andere persoon (verband schade en verrijking).

  • De verrijking is ongerechtvaardigd: zonder redelijke grond. Niet ongerechtvaardigd is een verrijking die haar grondslag vindt in een rechtshandeling of een verrijking die door de wet wordt gesanctioneerd.

Wat omvat de schadevergoedingsverbintenis?

De schadevergoedingsverbintenis ontstaat op het moment waarop de verrijking ten koste van de ander intreedt. De schadevergoeding mag niet meer bedragen dan de verrijking, de schade en hij moet redelijk zijn.

De verbintenis ontstaat op het ogenblik waarop de verrijking ten koste van de ander intreedt; haar omvang dient dan ook naar dit moment te worden beoordeeld. Ook latere factoren kunnen echter van belang zijn. Denk bijvoorbeeld aan het feit dat de verrijking later toe of af neemt.

Welke toepassingsmogelijkheden heeft art. 6:212 BW?

Art. 6:212 BW dient als een vangnet. Er zijn dan ook verscheidene toepassingsmogelijkheden, zoals het bouwen op de grond van een ander of het betalen aan een failliete boedel.

Stampvragen

Vraag 1

Wat is zaakswaarneming?

Vraag 2

Wat is onverschuldigde betaling en welke twee verbintenissen kunnen hieruit ontstaan?

Vraag 3

Wat is ongerechtvaardigde verrijking en welke verbintenis vloeit hieruit voort?

Wat zijn obligatoire overeenkomsten? - Chapter 29

Waar is de obligatoire overeenkomst te vinden?

De obligatoire overeenkomst is geregeld in titel 6.5.

Wat is een overeenkomst?

Een overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling, waarbij door aansluitende wilsverklaringen van partijen rechtsgevolgen ontstaan. Zie art. 6:213 BW. De bepalingen in titel 6.5 gelden voor de obligatoire overeenkomst. Een dergelijke overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer partijen een verbintenis aangaan.

Is titel 6.5 buiten de obligatoire overeenkomst ook van toepassing?

Uit de begripsomschrijving van art. 6:213 BW is rechtstreekse toepassing van titel 6.5 buiten het terrein van de obligatoire overeenkomst niet mogelijk. Er bestaat echter wel ruimte voor analoge toepassing. De afdelingen 6.5.1 t/m 6.5.4 zijn van overeenkomstige toepassing op andere meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen, voor zover de strekking van de betrokken bepalingen zich daartegen niet verzet (schakelbepaling art. 6:216 BW). De schakelbepaling van art. 6:216 ziet niet op afdeling 6.5.5. Analoge toepassing daarvan wordt geheel aan de rechter overgelaten.

Wat is een meerpartijenovereenkomst?

Sluiten meer dan twee partijen een overeenkomst, dan noemt men dit een meerpartijenovereenkomst. Er is hierbij een onderscheid te maken tussen:

  • De obligatoire meerpartijenovereenkomst. De afdelingen 6.5.1/2/3/4 zijn rechtstreeks van toepassing, afdeling 6.5.5 niet.

  • De niet-obligatoire meerpartijenovereenkomst. Hierop kunnen de bepalingen van titel 6.5 hooguit van overeenkomstige toepassing zijn.

Welke beginselen beheersen het overeenkomstenrecht?

  1. Contractsvrijheid. Partijen zijn over het algemeen vrij om te bepalen met wie en wat voor overeenkomst zij wensen te sluiten. Beperkingen kunnen liggen in dwingende wetsbepalingen, goede zeden of openbare orde.

  2. De verbindende kracht van de overeenkomst. Partijen zijn gebonden hun afspraken na te komen: pacta sunt servanda, art. 6:248 BW. Beperkingen kunnen liggen in art. 3:40, derogerende werking van 6:248 lid 2 of door wettelijke bedenktijd.

  3. Vormvrijheid (consensualisme). Het aangaan van een overeenkomst is in beginsel niet aan vormen gebonden, art. 3:37 lid 1 BW. Uitzonderingen: formele en reële overeenkomsten.

Welke hoedanigheid hebben partijen?

Volgens de hoofdregel wordt er geen onderscheid gemaakt tussen mogelijke partijtypen (consument, overheid etc.) in het contractenrecht. Dit houdt niet in dat de hoedanigheid van partijen niet relevant is. Uit de rechtspraak volgt dat van een deskundige/sterke contractspartij meer mag worden verwacht dan van een minder sterke partij. Dit blijkt vaak uit de open normen in de wet, waarbij omstandigheden van het gevolg (met inbegrip van de hoedanigheid van beide partijen) een cruciale rol spelen. Bovendien gelden voor sommige professionele dienstverleners bijzondere verantwoordelijkheden. Banken hebben bijvoorbeeld een bijzondere zorgplicht.

Hoe wordt naar de consument als contractspartij gekeken?

De consument wordt zwakker geacht, vooral als hij tegenover een sterkere contractspartij staat.

Een consument is een natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een bedrijf of beroep. De consumentenbescherming is door het hele BW en daarbuiten te vinden. Deze beschermende bepalingen zijn dwingendrechtelijk. De meeste van deze regels zijn afkomstig uit Europese richtlijnen. De rechter is dan ook verplicht dergelijke bepalingen richtlijnconform te interpreteren. De effectuering van de consumentenbescherming kan plaatsvinden door de consument zelf, door een consumentenorganisatie en door de Autoriteit Consument en Markt.

Welk type contractspartij is de overheid?

Indien een overeenkomst wordt gesloten met een overheidslichaam, zijn de gewone regels van het rechtshandelingen-, het verbintenissen- en het overeenkomstenrecht van toepassing. De overheid moet zich echter houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Welke groepen overeenkomsten kent men?

  1. Obligatoire en niet-obligatoire overeenkomsten.

  2. Bijzondere overeenkomsten en niet-bijzondere overeenkomsten.

  3. Wederkerige en eenzijdige overeenkomsten.

  4. Overeenkomsten onder bezwarende titel (om baat) en overeenkomsten om niet. Hierbij is het criterium of de prestatieplicht van de ene partij verband houdt met een prestatieplicht van de wederpartij.

  5. Aflopende overeenkomsten en duurovereenkomsten.

  6. Consensuele overeenkomsten, formele overeenkomsten en reële overeenkomsten.

  7. Overeenkomst tussen ‘normale’ partijen en overeenkomsten met een bijzondere contractspartij.

Wanneer is een overeenkomst bijzonder?

Een overeenkomst is bijzonder, indien zij speciaal in de wet is uitgewerkt. De bijzondere overeenkomsten staan in de Boeken 7-7A en 8. Er is een onderscheid te maken tussen een drietal hoofdgroepen:

  • Overeenkomsten met betrekking tot een goederen (koop, ruil, verbruiken, schenking, huur, pacht etc.).

  • Overeenkomsten met betrekking tot werkzaamheden (opdracht, bewaarneming, arbeid, aanneming etc.).

  • Andere bijzondere overeenkomsten (borgtocht, verzekering, vaststelling etc.).

Het gaat er hierbij niet om welke naam de partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven, maar of deze volgens haar inhoud onder de wettelijke definitie van een bepaald soort overeenkomst valt.

Is boek 7 BW al compleet?

De invoering van de bijzondere overeenkomsten in boek 7 is nog in ontwikkeling. De meeste contractstypen, zoals Koop en ruil (titel 7.1), zijn al te vinden in boek 7. De resterende gedeeltes blijven tot die tijd nog in het tijdelijke boek 7A en het wetboek van Koophandel.

Bevatten boek 7-7A BW regelend recht?

Het uitgangspunt is dat de Boeken 7-7A BW regelend recht bevatten. Partijen kunnen hier dus van afwijken. Dwingend recht komt echter ook voor. Dit is met name het geval wanneer de wetgever de belangen van een bepaalde zwakke partij heeft willen veiligstellen.

Zijn boek 3 en 6 BW ook van toepassing op bijzondere overeenkomsten?

Ook de algemene bepalingen uit de Boeken 3 en 6 BW zijn vanwege de gelaagde structuur van het BW van toepassing op bijzondere overeenkomsten. Dit geldt met name voor titel 3.2, 6.1 en 6.5.

Op niet-bijzondere overeenkomsten zijn in beginsel alleen de algemene regels van boek 3 en 6 BW van toepassing. Soms zullen bepalingen van na verwante bijzondere overeenkomsten analogisch op een onbenoemde overeenkomst kunnen worden toegepast.

Wat is een gemengde overeenkomst?

Dit is de overeenkomst die compleet onder de wettelijke definitie van twee of meerdere bijzondere overeenkomsten valt, art. 6:215 BW. Beide bijzondere regelingen zijn dan naast elkaar toepasselijk, tenzij de bepalingen niet goed verenigbaar zijn of de strekking van de bepalingen zich tegen toepassing verzet. De rechter moet dan kiezen.

Wat houdt een standaardregeling in?

Het is mogelijk dat op een overeenkomst die door minstens één partij bedrijfs- of beroepsmatig wordt gesloten een standaardregeling van toepassing is, art. 6:214 jo. 248 BW. Een standaardregeling:

  • Is een wet in materiële zin.

  • Bevat regelend recht.

  • Kan enkel van de wet afwijken, voor zover afwijking bij overeenkomst is toegestaan.

  • Geldt enkel voor bepaalde bijzondere overeenkomsten en bedrijfstakken of beroepen.

Stampvragen

Vraag 1

Wat is een obligatoire overeenkomst?

Vraag 2

Wat zijn de drie belangrijkste beginselen in het overeenkomstenrecht?

Vraag 3

Noem drie bijzondere overeenkomsten met betrekking tot een goed.

Vraag 4

Noem 3 bijzondere overeenkomsten met betrekking tot werkzaamheden.

Hoe komt een overeenkomst tot stand? - Chapter 30

Waar in de wet is de totstandkoming geregeld?

De totstandkoming van overeenkomst is geregeld in afdeling 6.5.2. Zij bevat met name twee soorten bepalingen. De eerste soort gaat over totstandkoming in eigenlijke zin: aanbod en aanvaarding, art. 6:217 e.v. BW. De tweede soort ziet op speciaal voor overeenkomsten geldende gronden van nietigheid en vernietigbaarheid (art. 6:226-227, 6:228-230 BW). Omdat de overeenkomst een rechtshandeling is, is ook titel 3.2 van toepassing.

Op grond van Europese richtlijnen zijn specifieke regels opgenomen voor de totstandkoming van overeenkomsten langs de elektronische weg (art. 6:227a-227c BW), informatie over dienstverrichters en hun diensten (afdeling 6.5.2A) en overeenkomsten tussen handelaren en consumenten (afdeling 6.5.2B).

Afdeling 6.5.3 ziet tot slot op de vragen die zich voordoen wanneer een contractspartij algemene voorwaarden gebruikt.

Wat houden aanbod en aanvaarding in?

Hoe komt een overeenkomst tot stand?

Overeenkomsten komen tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan, art. 6:217 lid 1 BW. Daarvan laat zien dat het van belang is dat aanbod en aanvaarding met elkaar overeen moeten komen. Dit gebeurt veelal door wilsovereenstemming maar dit is op zichzelf geen totstandkomingsvereiste. Ook als op geen enkel moment daadwerkelijk wilsovereenstemming bestond kan een overeenkomst tot stand zijn gekomen. De toepasselijke bepalingen zijn van regelend recht, behalve art. 6:217 lid 1 en 218 BW.

Welk rechtskarakter heeft het aanbod?

  1. Het aanbod is een rechtshandeling. Titel 3.2 is van toepassing. In beginsel is het doen van een aanbod vormvrij, art. 3:37 BW. De inhoud van het aanbod wordt bepaald ex art. 3:33 en 35 BW. Het aanbod moet alle essentiële elementen voor de overeenkomst bevatten anders is slechts sprake van een uitnodiging tot het doen van een aanbod.

  2. Het aanbod is een eenzijdige gerichte rechtshandeling.

  3. Door aanvaarding van het aanbod ontstaat een overeenkomst.

Wanneer vervalt een aanbod?

Een aanbod vervalt door:

  • Herroeping. Een aanbod is in beginsel herroepelijk, art. 6:219 lid 1 BW. Herroeping is niet meer mogelijk als het aanbod al is aanvaard of als de mededeling tot aanvaarding al is verzonden, art. 6:219 lid 2 BW.

  • Tijdsverloop. Een mondeling aanbod vervalt meteen wanneer het niet wordt aanvaard. Een schriftelijk aanbod vervalt na een redelijke termijn, art. 6:221 lid 1 BW. Indien in het aanbod een termijn voor aanvaarding is gesteld, dan vervalt het door het verstrijken van deze termijn.

  • Verwerping, art. 6:221 lid 2 BW. Een aanvaarding die afwijkt van het aanbod geldt ook verwerping, art. 6:225 BW.

Een aanbod vervalt niet doordat de aanbieder of de geadresseerde overlijdt, handelingsonbekwaam wordt of door bewind geen overeenkomst meer mag sluiten (art. 6:222 BW).

Wanneer is een aanbod onherroepelijk?

In beginsel is een aanbod herroepelijk. Onherroepelijkheid kan echter voortvloeien uit:

  • Het aanbod zelf, art. 6:219 lid 1 BW. Bijv. als een aanbod een termijn voor aanvaarding inhoudt, is het daarmee onherroepelijk.

  • Een overeenkomst of gewoonte, art. 6:217 lid 2 BW.

Op grond van art. 6:219 lid 3 BW geldt een beding waarbij een partij zich verbindt om, indien de wederpartij dat wenst, met haar een overeenkomst te sluiten als een onherroepelijk aanbod.

Welke gevolgen heeft een vrijblijvend aanbod dan wel uitloving?

Er bestaat een ruimte mogelijkheid tot herroeping als het aanbod de mededeling bevat dat het vrijblijvend wordt gedaan, art. 6:219 lid 2 BW. Zelfs na de aanvaarding kan herroeping nog geschieden, mits onverwijld.

Uitloving (van een prijs bij een wedstrijd bijv.) voor onbepaalde tijd wordt aangemerkt als een herroepelijk aanbod en uitloving voor onbepaalde tijd als een onherroepelijk aanbod. Uitloving is terug te vinden in art. 6:220 BW.

Welk rechtskarakter heeft de aanvaarding?

De aanvaarding is eveneens een eenzijdige gerichte rechtshandeling, welke in beginsel vormvrij geschiedt, art. 3:37 lid 1 BW. De inhoud van de aanvaarding wordt bepaald door de wilsvertrouwensleer, art. 3:33 en 35 BW. Door aanvaarding ontstaat de overeenkomst. De aanvaarding moet hiervoor aan twee vereisten voldaan:

  1. Zij moet qua inhoud overeenstemmen met het aanbod.

  2. Zij moet zijn gedaan op een tijdstip waarop het aanbod nog van kracht was. De uitzonderingen hierop zijn opgenomen in art. 6:223 lid 1 en 2 en 224 BW.

De overeenkomst komt tot stand op het tijdstip van de aanvaarding: tijdstip waarop de aanvaarding de aanbieder heeft bereikt, art. 3:37 lid 3 BW (de ontvangsttheorie).

Wat als de aanvaarding afwijkt van het aanbod?

Als de aanvaarding en het aanbod niet met elkaar overeenstemmen, dan geldt de afwijkende aanvaarding als een nieuw aanbod en tegelijk als een verwerping van het primaire aanbod, art. 6:225 lid 1 BW. Uitzonderingen:

  • De afwijking ziet slechts op ondergeschikte punten en de aanbieder maakt hiertegen geen bezwaar, art. 6:225 lid 2 BW.

  • Aanvaarding en aanbod verwijzen naar afwijkende algemene voorwaarden (battle of forms). De overeenkomst komt tot stand op de voorwaarden van het aanbod, art. 6:225 lid 3 BW.

Wat zijn de regels in de precontractuele fase?

Welke regels gelden tijdens de precontractuele fase?

Sommige (omvangrijke) overeenkomsten komen tot stand na onderhandelingen. Deze precontractuele fase is niet geregeld in het BW. Uit de rechtspraak blijkt echter het volgende:

  • De onderhandelende partijen moeten hun gedrag door elkanders gerechtvaardigde belangen laten bepalen.

  • Elk van hen is in beginsel vrij de onderhandelingen af te breken volgens het leerstuk van de contractsvrijheid.

  • Het afbreken van de onderhandelingen kan echter onaanvaardbaar zijn:

    • Indien de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op het tot stand komen van de overeenkomst; of

    • Op grond van de andere omstandigheden van het geval.

  • In kleine gevallen is het alleen onaanvaardbaar om de onderhandelingen af te breken als de door de wederpartij gemaakte kosten niet worden vergoed.

  • In ‘zware’ gevallen is het afbreken van de onderhandelingen mogelijk als zodanig onaanvaardbaar. De wederpartij kan een vordering tot door onderhandelen of tot schadevergoeding vorderen.

Er doen zich drie stadia voor in het onderhandelingsproces:

  • De beginfase, terugtrekken mag.

  • De middenfase, terugtrekken mag niet zonder kostenvergoeding.

  • De eindfase, terugtrekken mag niet.

Wanneer is een overeenkomst geldig, nietig en vernietigbaar?

Op welke gronden is een overeenkomst nietig of vernietigbaar?

De gronden voor vernietigbaarheid en nietigheid die voor rechtshandelingen gelden zijn ook van toepassing op overeenkomsten:

  • Handelingsonbekwaamheid en handelingsonbevoegdheid.

  • Strijd met de openbare orde, goede zeden of wet.

  • Bedrog, bedreiging, misbruik van omstandigheden en dwaling.

  • Benadeling van schuldeisers (Pauliana).

  • Speciale bepalingen gelden inzake voorovereenkomsten, de bepaalbaarheid van verbintenissen en voortbouwende overeenkomsten.

Welke vorm heeft de voorovereenkomst?

Indien de wet een vormvereiste geeft voor een overeenkomst, dan geldt dit ook voort de voorovereenkomst. Sanctie: vernietigbaarheid, art. 3:39 BW.

Wanneer is voldaan aan het bepaalbaarheidsvereiste?

Een aangegane verbintenis moet bepaalbaar zijn. Sanctie: ongeldigheid van de overeenkomst, art. 6:227 BW. Aan het vereiste van bepaalbaarheid is voldaan, als:

  • Op het tijdstip van de contractssluiting de verbintenissen bepaald zijn of;

  • De criteria bepaald zijn aan de hand waarvan de verbintenissen zullen worden vastgesteld; of

  • De procedure vastligt waarlangs de verbintenissen zullen worden ingevuld.

Is elektronisch contracteren mogelijk?

Indien de wet de schriftelijke vorm vereist, is ook de elektronische weg een mogelijkheid, art. 6:227a BW. De verlener van online diensten dient aan zijn wederpartij de vereiste informatie te verstrekken, art. 6:227b BW. Doet hij dit niet, dan kan de wederpartij de gesloten overeenkomst ontbinden. Daarnaast moet de verlener van online diensten zijn wederpartij in staat stellen eventuele invoerfouten op te sporen en te corrigeren, art. 6:227c BW. Sanctie: vernietigbaarheid van de overeenkomst (art. 6:227c lid 5 BW).

Het merendeel van de in art. 6:227b en 227c neergelegde verplichtingen geldt niet wanneer de overeenkomst uitsluitend via een uitwisseling van e-mail of een soortgelijke vorm van individuele communicatie tot stand komt, art. 6:227b lid 3 en 6:227c lid 4 BW.

Wat is dwaling?

Dwaling is een wilsgebrek en is een grond voor vernietiging van een aangegane overeenkomst. Vereisten (art. 6:228 lid 1 BW):

  • Dwaling: een onjuiste voorstelling van zaken.

  • Causaal verband tussen het tot stand komen van de overeenkomst en de dwaling (zonder dwaling was de overeenkomst nooit of niet zo gesloten).

  • Er moet één van de drie wettelijke gevallen aanwezig zijn (de wederpartij gaf een inlichting, de wederpartij schond zijn spreekplicht of wederzijdse dwaling).

Ook indien aan al deze vereisten is voldaan, kan het zijn dat de overeenkomst niet vernietigbaar is. De wet bevat een aantal uitzonderingen:

  • De kenbaarheidscorrecties bij dwaling omdat de wederpartij een inlichting gaf en bij wederzijdse dwaling.

  • Wanneer er alleen sprake is van een teleurgestelde toekomstverwachting is er geen beroep op dwaling mogelijk (art. 6:228 lid 2 BW).

  • Sommige dwalingen horen voor rekening van de dwalende te blijven (art. 6:228 lid 2 BW).

Wat als dwaling wordt veroorzaakt door inlichting van de wederpartij?

Indien de dwaling is veroorzaakt door een inlichting van de wederpartij, dan is de overeenkomst vernietigbaarheid, mits aan alle vereisten is voldaan, art. 6:228 lid 1 sub a BW. Het is niet relevant of de wederpartij de inlichting te goeder of te kwader trouw gaf. Het beroep op dwaling slaagt echter niet, indien de wederpartij kan aantonen dat zij aannam en aan mocht nemen dat de overeenkomst ook zonder de inlichting zou zijn aangegaan.

Wat als de dwaling wordt veroorzaakt door schending van de mededelingsplicht door de wederpartij?

Indien de wederpartij wist of had moeten weten dat hij de dwalende had behoren in te lichten, dan is de overeenkomst vernietigbaar, mits aan alle vereisten is voldaan, art. 6:228 lid 1 sub b BW. Vereisten:

  • De wederpartij was op de hoogte van de juiste stand van zaken.

  • De wederpartij begreep of had behoren te begrijpen dat de voorstelling van zaken bij de ander voor hem causaal was om deze overeenkomst te sluiten.

  • De wederpartij had er rekening mee moeten houden dat de ander dwaalde.

  • De wederpartij had naar verkeersopvatting de ander uit de droom moeten helpen.

Wat als dwaling wordt veroorzaakt door wederzijdse dwaling?

Indien beide partijen van dezelfde onjuiste stand van zaken zijn uitgegaan, dan is de overeenkomst vernietigbaarheid, mits aan alle vereisten is voldaan. Indien een van de partijen zich op dwaling beroept, faalt dit beroep als de ander aantoont dat hij, indien hij de juiste stand van zaken had gekend, niet had behoeven te begrijpen dat zijn wederpartij bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet gesloten zou hebben?

Kan er dwaling zijn ten aanzien van toekomstige omstandigheden?

Dwaling ten aanzien van een toekomstige omstandigheid kan niet leiden tot vernietiging, art. 6:228 lid 2 BW. Een dwaling die ziet op de toekomst, maar wortelt in het heden, kan wel tot vernietiging leiden.

Wanneer komt dwaling voor rekening van de dwalende?

Indien een dwaling voor de rekening van de dwalende behoort te blijven is vernietiging niet mogelijk, art. 6:228 lid 2 BW. De criteria:

  • Aard van de overeenkomst. Indien de kans op dwaling in de overeenkomst is verdisconteerd (koop tegen een te lage prijs), dan is geen beroep op dwaling mogelijk.

  • De in het verkeer geldende opvattingen. Onverschoonbare dwaling: geen vernietigbaarheid indien de dwalende zijn dwaling aan zichzelf te wijten heeft, met name omdat hij in de gegeven omstandigheden niet voldoende onderzoek verrichtte. De wederpartij zal de dwalende in het algemeen géén tekort aan onderzoek kunnen tegenwerpen:

    • Als de dwalende is afgegaan op een inlichting van de wederpartij.

    • Als de wederpartij een op haar rustende mededelingsplicht heeft geschonden.

Verkopersdwaling komt in het algemeen voor rekening van de dwalende verkoper, tenzij de koper hem had horen in te lichten.

  • De omstandigheden van het geval.

Welke rechtgevolgen kent dwaling?

  • Vernietigbaarheid van de overeenkomst. Zie titel 3.2.

  • Art. 6:230 BW is van toepassing. De rechter kan in plaats van te vernietigen de gevolgen van de overeenkomst wijzigen ter opheffing van het nadeel en de wederpartij kan de bevoegdheid tot vernietiging doen vervallen door tijdig een wijziging der gevolgen van de overeenkomst voor te stellen, die het nadeel van de ander op voldoende wijze opheft.

  • Geen schadevergoeding, tenzij de gedraging van de wederpartij een onrechtmatige daad oplevert.

Is een voortbouwende overeenkomst vernietigbaar?

Overeenkomsten die ertoe strekken voort te bouwen op een reeds bestaande rechtsbetrekking zijn vernietigbaar, indien de onderliggende rechtsbetrekking ontbreekt, tenzij dit ontbreken voor rekening hoort te blijven van degene die zich daarop beroept, art. 6:229 BW.

Waar zijn de regels over dienstverrichters en hun diensten te vinden?

Waar is de regeling over informatie over dienstverrichters en hun diensten opgenomen?

Afdeling 6.5.2A gaat over informatie over dienstverrichters en hun diensten in de zin van de Europese richtlijnen. Art. 6:230a geeft begripsomschrijvingen. Aansluitend somt afdeling 6.5.2A een reeks gegevens op die een dienstverrichter aan de afnemer ter beschikking moet stellen. Alle informatie moet juist, duidelijk, ondubbelzinnig en tijdig zijn (art. 6:230e BW).

Voor de terbeschikkingstelling van algemene voorwaarden is een eigen regime opgenomen in art. 6:230c BW. Deze regeling is iets soepeler dan het algemene stelsel van art. 6:234 BW.

Waar zijn de regels betreffende overeenkomsten tussen handelaren en consumenten te vinden?

Welke regels gelden voor overeenkomsten tussen handelaren en consumenten?

Op overeenkomsten tussen consumenten en handelen (consumentenovereenkomsten) is afdeling 6.5.2B van toepassing. Deze bevat dwingend recht, er kan niet ten nadele van de consument van af worden geweken. Deze afdeling is met name van belang bij een overeenkomst gesloten op afstand en een overeenkomst gesloten buiten de verkoopruimte. De belangrijkste elementen van de consumentenbescherming in deze gevallen zijn dat de handelaar de consument gedetailleerd moet informeren (art. 6:230m-230o BW) en dat de consument een bedenktijd heeft van 14 dagen (art. 6:230o en uitzonderingen in 6:230 p BW).

Wat zijn de regels omtrent de algemene voorwaarden?

Waar zijn de algemene voorwaarden geregeld?

Het leerstuk van de algemene voorwaarden is geregeld in afdeling 6.5.3 (dwingend recht).

Algemene voorwaarden zijn één of meerdere bedingen die zijn opgesteld om in een overeenkomst te worden opgenomen, art. 6:231 sub a. Bedingen die de kern van de prestaties aangeven vallen hier niet onder. Kernbedingen zien bijv. op de prijs, hoeveelheid en kwaliteit.

Gebruiker, art. 6:231 sub b: de partij die de algemene voorwaarden in een overeenkomst gebruikt.

Wederpartij, art. 6:231 sub c: de partij die de opname van algemene voorwaarden in de overeenkomst aanvaard.

Deze afdeling is vrijwel geheel van dwingend recht.

Hoe wordt men gebonden aan algemene voorwaarden?

Zoals alle bedingen worden ook de algemene voorwaarden onderdeel van de overeenkomst door aanbod en aanvaarding, art. 6:217 lid 1 BW. Of er sprake is van aanvaarding, wordt beoordeeld ex. art. 3:33 en 35 BW. Door aanvaarding is de wederpartij aan (elk beding van) de algemene voorwaarden gebonden, art. 6:232 BW, zelfs als de gebruiker begreep of moest begrijpen dat de ander de inhoud daarvan niet kende.

Welke gronden voor vernietiging bestaan er?

De snelle gebondenheid aan de algemene voorwaarden wordt gecompenseerd door de ruime vernietigingsmogelijkheid. Op grond van art. 6:233 BW is een beding in algemene voorwaarden in een tweetal gevallen vernietigbaar:

  1. Het beding is onredelijk bezwarend voor de wederpartij, art. 6:233 sub a BW. Hierbij moeten worden gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst, de wijze van totstandkoming van de voorwaarden, de wederzijds kenbare belangen van partijen etc.

  2. De gebruiker heeft de wederpartij niet de redelijke mogelijkheid gegeven om kennis te nemen van de algemene voorwaarden, art. 6:233 sub b BW. Deze informatieplicht is nader uitgewerkt in art. 6:234 BW.

Wat houdt de informatieplicht in?

De gebruiker dient de voorwaarden voorafgaand aan of bij de contractssluiting ter hand te stellen aan de wederpartij, art. 6:234 lid 1 BW. Als terhandstelling niet mogelijk is, dan moet de gebruiker aan de wederpartij bekend maken dat de voorwaarden ergens ter inzage liggen of dat zij hem zullen worden toegezonden. Ook moeten de voorwaarden daadwerkelijk worden toegezonden als de wederpartij hierom vraagt. Bij een elektronisch gesloten overeenkomst is het elektronisch ter beschikking stellen van de voorwaarden voldoende, lid 2. Hierbij moet voor de wederpartij duidelijk zijn om welke voorwaarden het gaat, zij moet er eenvoudig kennis van kunnen nemen en de voorwaarden moeten kunnen worden opgeslagen en toegankelijk zijn om later te bekijken. Bij een niet-elektronisch gesloten overeenkomst is dit alleen voldoende, als de wederpartij hierbij uitdrukkelijk heeft ingestemd, lid 3.

Welke bijzonderheden gelden bij vernietigbaarheid?

De vernietiging geschiedt zoals bepaald in titel 3.2. Voor de vernietigbaarheid is niet vereist dat de wederpartij aan het beding werd gebonden op grond van een versoepelde aanvaardingsregeling van art. 6:232 BW. Niet aan iedere wederpartij komt een beroep op de vernietigingsgronden toe. Op grond van art. 6:235 BW zijn uitgesloten:

  • Bepaalde ‘grote’ wederpartijen (vennootschappen die hun jaarrekening publiceren, wederpartijen met 50 of meer werknemers).

  • Een wederpartij die zelf meermalen dergelijke algemene voorwaarden gebruikt.

Deze partijen kunnen alleen een beroep doen op redelijk en billijkheid (art. 6:248 BW). Dat kunnen partijen die wel beschermd worden door 6:233-234 BW ook.

Hoe gaat vernietigbaarheid bij consumentenbescherming?

De rechter moet ingeval van een consumentenovereenkomst ambtshalve onderzoeken of een beding ‘oneerlijk’ is in het licht van de Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenbedingen, aldus het HvJ. De rechter die op een oneerlijk beding stuit moet deze ambtshalve vernietigen, art. 6:233 sub a BW. Het HvJ heeft ook bepaald dat de rechter een oneerlijk beding niet mag herzien. Hij mag een onverbindend beding dus niet zo terugschroeven dat het alsnog toelaatbaar en bindend wordt.

Welke toets wordt toegepast bij onredelijk bezwarend?

Of een beding voor de wederpartij onredelijk bezwarend is moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De toetsing is in beginsel concreet. De wederpartij draagt de bewijslast van het onredelijk bezwarend zijn.

Als de wederpartij de hoedanigheid van consument heeft, dan geldt iets anders:

  • In art. 6:236 BW is een zwarte lijst met bedingen opgenomen. Deze zijn altijd onredelijk bezwarend jegens de consument: tegenbewijs is niet mogelijk. Zij zijn vernietigbaar, er is geen nadere toetsing nodig.

  • In art. 6:237 BW is een grijze lijst met bedingen opgenomen. Deze worden vermoed onredelijk bezwarend te zijn jegens de consument. De gebruiker kan tegenbewijs leveren. Bij de toetsing zijn de omstandigheden wel van belang.

Bedingen die niet zijn opgenomen in de lijsten moeten worden getoetst aan de hand van de open norm van art. 6:233 sub a BW. De bewijslast rust dan op de wederpartij van de gebruiker. Als het gaat om een niet-consument kan er van de lijsten wel een bepaalde reflexwerking uitgaan, bijv. als het gaat om een klein bedrijfje.

Wat staat er op de zwarte en grijze lijst?

Zie voor de bedingen op de zwarte lijst art. 6:236 BW en voor de bedingen op de grijze lijst art. 6:237 BW.

Wat is de sanctie op een onhelder beding?

Als de wederpartij de hoedanigheid van consument heeft, dan geldt ook art. 6:238 BW: de voorwaarden moeten begrijpelijk en helder zijn. Sanctie: vernietigbaarheid ex art. 6:233 sub a BW. Kan een beding op verschillende wijzen worden uitgelegd, dan moet deze worden opgelegd op een voor de consument gunstige wijze, art. 6:238 lid 2 BW.

Hoe worden onredelijk bezwarende bedingen bestreden?

Een onredelijk bezwarend beding kan als volgt worden bestreden:

  • De gebonden wederpartij kan het bedingen vernietigen ex art. 6:233 sub a BW.

  • De rechter verklaart het beding als onredelijk bezwarend, art. 6:240 BW.

Welke bepalingen omtrent rechtszekerheid zijn te vinden in afdeling 6.5.3?

Er is een ruime omschrijving van het begrip algemene voorwaarden opgenomen (art. 6:231 lid 1 BW), dit houdt in dat deze afdeling snel van toepassing zal zijn. Verder is er een beperking van de wils-vertrouwensproblematiek tot aanvaarding van de algemene voorwaarden als complex opgenomen (art. 6:232 BW), de wederpartij wordt snel gebonden. Deze afdeling biedt wel twee mogelijkheden tot vernietiging (art. 6:233 BW). Ook is er sprake van een gedetailleerde uitwerking van de algemene norm ‘onredelijk bezwarend’ in een zwarte en een grijze lijst (voor consumenten art. 6:236 en 237 BW). Tot slot is er de mogelijkheid dat de rechter een bepaald beding in abstracto onredelijk bezwarend verklaart en het gebruik ervan verbiedt (art. 6:240-243 BW).

Stampvragen

Vraag 1

Waardoor komt een overeenkomst tot stand?

Vraag 2

Waardoor vervalt een aanbod?

Vraag 3

Op welk moment komt de overeenkomst tot stand? Gaat het hier om de verzendtheorie of de ontvangsttheorie?

Vraag 4

Leidt dwaling tot nietigheid of vernietigbaarheid van de overeenkomst?

Vraag 5

Welke drie gevallen van dwaling zijn mogelijk?

Vraag 6

Op welke twee gronden kan een beding in algemene voorwaarden worden vernietigd?

Vraag 7

Wat wordt bedoeld met de zwarte en de grijze lijst ter zake van algemene voorwaarden?

Wat zijn de rechtsgevolgen van een overeenkomst? - Chapter 31

Waar zijn de rechtsgevolgen van overeenkomsten geregeld?

In afdeling 6.5.4 zijn de rechtsgevolgen van overeenkomsten geregeld.

Welke rechtsgevolgen zijn er voor de partijen?

Welke rechtsgevolgen heeft een overeenkomst tussen partijen?

Een overeenkomst heeft als rechtsgevolgen (art. 6:248 lid 1 BW):

  1. De door de partijen overeengekomen rechtsgevolgen. Dit brengt de contractsvrijheid tot uitdrukking.

  2. De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid.

Hoe dient een overeenkomst uitgelegd te worden?

De tussen partijen gemaakte afspraken moeten worden uitgelegd alvorens de rechtsgevolgen kunnen worden vastgesteld. Voor de uitleg van een overeenkomst wordt gebruik gemaakt van de Haviltex-norm. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan het overeengekomene mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dit betekent niet dat de taalkundige betekenis van de gehanteerde bewoordingen niet van groot belang is. Op enkele bijzondere terreinen geldt een striktere uitlegmethode in plaats van de open Haviltex-norm. Volgens de norm uit het CAO arrest, de cao-norm, zijn de bewoordingen van de bepalingen, uitgelegd in het licht van de totale tekst van de overeenkomst, bepalend. Deze uitlegmethode wordt gebruikt bij de uitleg van cao’s en notariële leveringsakten.

Een overeenkomst kan ook contra proferentem uitgelegd worden. Als een door een professionele contractant aangedragen beding onduidelijk is, ligt het voor de hand dit beding uit te leggen in het voordeel van de andere partij, zeker wanneer deze niet professioneel handelt. Voor algemene voorwaarden is dit ook in de wet opgenomen.

Welke rangorde heeft de uitleg?

  1. Hetgeen de partijen zijn overeengekomen. De dwingende wet, goede zeden, openbare orde en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kunnen hier echter afbreuk aan doen.

  2. De aanvullende wet, gewoonte en redelijkheid en billijkheid. Hiertussen geldt geen vaste rangorde.

Spelen redelijkheid en billijkheid hier ook een rol?

In art. 6:248 BW heeft de redelijkheid en billijkheid twee werkingen:

  • Aanvullende werking: bron van rechtsgevolgen.

  • Beperkende werking: afspraak is niet van toepassing, indien dit onaanvaardbaar zou zijn.

Geldt redelijkheid en billijkheid bij de opzegging van een (duur)overeenkomst?

Geldt voor een overeenkomst geen specifiek wettelijk opzegbaarheidsregime en hebben partijen zelf ook geen afspraken gemaakt over de opzegging van de overeenkomst, dan wordt de opzegbaarheid bepaald door de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 BW:

  • Het is niet mogelijk een voor bepaalde tijd gesloten duurovereenkomst tussentijds op te zeggen.

  • Het is in beginsel wel mogelijk een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst op te zeggen. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen deze mogelijkheid echter begrenzen (redelijke opzegtermijn bijv.).

Opzeggen: het richten van een verklaring tot de wederpartij die ertoe strekt de overeenkomst te beëindigen.

Wat zijn de rechtsgevolgen ten opzichte van derden?

Heeft een overeenkomst ook gevolgen voor derden?

Uitgangspunt: een overeenkomst is enkel van kracht tussen de handelende partijen. Een derde kan hieraan geen rechten of plichten ontlenen. Uitzonderingen op grond van de wet: kwalitatieve rechten (art. 6:251 BW), kwalitatieve verplichtingen (art. 6:252 BW), derdenbeding (art. 6:253-256 BW) en de blokkering van de paardensprong (art. 6:257 BW). Op grond van ongeschreven recht kunnen hier ook uitzonderingen op bestaan.

Wanneer gaan kwalitatieve rechten mee over?

Indien men een goed verkrijgt onder bijzondere titel (bijv. overdracht), dan verkrijgt men soms eveneens de contractuele rechten die verband houden met dit goed, art. 6:251 lid 1 BW. Rechten gaan van rechtswege mee over met het goed, indien:

  • Het recht voortvloeit uit overeenkomst.

  • Het recht vatbaar is voor overgang.

  • Het recht kwalitatief is: het staat in een dusdanig verband met het goed, dat de schuldeiser bij het recht enkel belang heeft zolang hij het goed behoudt). Er wordt verwezen naar de kwaliteit van rechthebbende op het goed.

Als voor het kwalitatieve recht een tegenprestatie is bedongen, dan gaat deze verplichting ook mee over op de verkrijger van het goed, art. 6:251 lid 2 BW.

Kan de overgang van een kwalitatief recht geblokkeerd worden?

  1. Uit de overeenkomst waaruit het kwalitatieve recht voortvloeit kan blijken dat het recht niet voor overgang vatbaar is.

  2. Uit de rechtshandeling waarbij het goed wordt overgedragen kan voortvloeien dat geen overgang van het kwalitatieve recht plaatsvindt, art. 6:251 lid 4 BW.

  3. De verkrijger van het goed kan tegenover de wederpartij verklaren dat hij de overgang van het kwalitatieve recht niet aanvaardt, art. 6:251 lid 3 BW.

Kan een kwalitatieve verplichting overgaan?

De overgang van een kwalitatief recht kan eveneens de overgang van een verplichting tot gevolg hebben, art. 6:251 lid 2 BW. Een verplichting kan echter ook als zodanig kwalitatief zijn.

Op grond van art. 6:252 BW kan een derde van rechtswege gebonden worden aan een verplichting die een contractspartij op zich heeft genomen.

De vereisten voor de overgang van een kwalitatieve verplichting:

  • Het dient te gaan om een verplichting om iets te dulden of niet te doen, met betrekking tot een registergoed. Verplichtingen die de rechthebbende beperken in zijn bevoegdheid het goed te bezwaren of te vervreemden zijn niet toegestaan.

  • Degene die het registergoed onder bijzondere titel heeft verkregen is gebonden net als degenen die een -beperkt of persoonlijk- recht tot gebruik van dat registergoed verkrijgen.

  • De partijen moeten de derdenwerking zijn overeengekomen.

  • Vormvoorschriften: een notariële akte moet worden ingeschreven in de openbare registers.

Als aan deze eisen niet wordt voldaan, is een derde niet gebonden. Als wel aan deze eisen is voldaan, kan het ook zijn dat een derde niet gebonden wordt. Het beding werkt namelijk niet tegen derden die al door inschrijving een recht hebben verkregen (lid 3 sub a), derden die hun recht hebben verkregen van iemand die ingevolge zelf niet gebonden was (lid 3 sub c). Wanneer het derdenwerkingsbeding niet in de openbare registers is ingeschreven, raken derden niet gebonden op grond van art. 6:252 BW.

Als voor de verplichting een tegenprestatie is bedongen, dan gaat het recht hierop tevens van rechtswege mee over op de derde, art. 6:252 lid 4 BW. Dit is echter alleen zo als ook het tegenprestatiebeding in de registers is ingeschreven. Dit geldt enkel met betrekking tot de periode na de overgang en geldt alleen ten guste van iemand die het registergoed als zodanig verkrijgt, niet voor derden-gebruikers.

Hoe verhoudt de kwalitatieve verplichting zich tot een erfdienstbaarheid?

De kwalitatieve verplichting lijkt op de erfdienstbaarheid. Er bestaan echter verschillen:

  • Erfdienstbaarheden zijn beperkte rechten op een onroerende zaak. Voor de geldigheid is inschrijving van een notariële akte in de openbare registers vereist. Een kwalitatieve verplichting ontstaat uit een obligatoire overeenkomst.

  • Erfdienstbaarheden rusten op onroerende zaken. Kwalitatieve verplichtingen rusten op personen.

  • Erfdienstbaarheden strekken ten behoeve van een onroerende zaak. Kwalitatieve verplichtingen strekken ten behoeve van personen.

Wat is een kettingbeding?

Een verplichting tot een doen en een verplichting ten aanzien van niet-registergoederen kunnen niet de vorm krijgen van een kwalitatieve verplichting of een erfdienstbaarheid. Hiervoor bestaat het niet wettelijk geregelde kettingbeding: een beding tussen de verkrijger en de vervreemder van een goed, waarbij de verkrijger een bepaalde verplichting op zich neemt en zich verplicht om deze verplichting ten behoeve van de vervreemder aan zijn rechtsopvolgers op te leggen. Hij verplicht bovendien zijn rechtsopvolgers de betreffende verplichting weer aan hun rechtsopvolgers op te leggen. Dit geschiedt op straffe van een hoge boete.

Indien een partij nalaat het kettingbeding aan haar rechtsopvolger door te geven, is de laatste niet gebonden. Door het beding niet te eerbiedigen kan hij zich wel schuldig maken aan een onrechtmatige daad. Hierbij is van belang of hij het beding bij de koop kende en hoe ernstig het dreigende nadeel is voor degene die het beding bedongen had. Het enkele feit dat de derde bij zijn verkrijging wist dat de ketting werd doorbroken, zal onvoldoende grond zijn om de niet-eerbiediging als onrechtmatig aan te merkten.

Wat is een derdenbeding?

Dit is een beding in een overeenkomst, waarbij aan een derde het zelfstandige recht wordt toegekend om van een van de partijen een bepaalde prestatie te vorderen. Betrokkenen: de bedinger, de belover en, na aanvaarding, de derde.

Welke soorten derdenbeding kennen we?

Bijv. een vervoersovereenkomst (geadresseerde heeft recht op afgifte), een verzekering ten gunste van een derde, een vereniging die een recht voor de leden bedingt of een kettingbeding.

Wanneer de bedinger in naam van een derde handelt, is geen sprake van een derdenbeding maar van vertegenwoordiging

Hoe wordt een derdenbeding aanvaardt?

De derde kan pas aanspraak maken op zijn recht door het aanvaarden van het derdenbeding, art. 6:253 BW. Aanvaarding kan geschieden bij een vormvrije verklaring, gericht tot de bedinger of de belover, lid 3. Wanneer het derdenbeding onherroepelijk en jegens de derde om niet gemaakt is, dan geldt het als aanvaard indien het ter kennis van de derde is gekomen en deze het niet onverwijld heeft afgewezen (art. 6:253 lid 4 BW).

Welke rechtsgevolgen heeft aanvaarding?

  1. De derde verkrijgt het (vorderings)recht, art. 6:253 lid 1 BW. De belover moet jegens de derde nakomen.

  2. De derde wordt partij bij de overeenkomst, art. 6:254 lid 1 BW. De overeenkomst wordt hierdoor een driepartijenovereenkomst.

  3. Het derdenbeding is niet meer herroepbaar, art. 6:253 lid 2 BW.

Aanvaarding heeft overigens geen terugwerkende kracht.

Kan een derdenbeding herroepen worden en een derde vervangen?

Zolang de derde het derdenbeding nog niet heeft aanvaard, kan de bedinger het herroepen, art. 6:253 lid 2 BW. Herroeping is een eenzijdige gerichte rechtshandeling, welke plaatsvindt door een tot de belover of derde gerichte vormvrije verklaring, art. 6:253 lid 3 BW. Dit is echter van regelend recht, partijen kunnen een onherroepelijk derdenbeding maken.

Na de herroeping van het derdenbeding kan de bedinger een ander als rechthebbende aanwijzen.

Kan de ‘paardensprong’ geblokkeerd worden?

Als een ondergeschikte schade veroorzaakt, dan kan de benadeelde diens werkgever aanspreken op grond van art. 6:76 of 170 BW. De werkgever zal hem echter een exoneratie tegenwerpen, waarna de benadeelde de ondergeschikte zelf zal aanspreken op grond van art. 6:162 BW. Dit wordt de paardensprong genoemd, welke is geblokkeerd in art. 6:257 BW.

Heeft een aansprakelijkheidsbeding derdenwerking?

Als een zaak beschadigd raakt door een fout, dan heeft de derde in beginsel een vordering ex art. 6:162 BW. Het kan echter zo zijn dat de derde een exoneratiebeding tegen zich moet laten werken, ook al is hij hierbij geen partij. In een dergelijk geval wordt afgeweken van de hoofdregel dat overeenkomsten enkel tussen partijen gelden. Er moet wel een voldoende rechtvaardiging bestaan in de omstandigheden van het geval.

Wat is een samenhangende overeenkomst?

Soms kan een overeenkomst zo nauw samenhangen met een andere overeenkomst, dat bepaalde gebeurtenissen doorwerken van de ene naar de andere overeenkomst. Men kan dan de gevolgen van een overeenkomst ondervinden waarbij hij zelf geen contractspartij is. Voorbeeld: de ontbinding of vernietiging van een overeenkomst brengt met zich mee dat ook een tweede overeenkomst wordt ontbonden of vernietigd. Denk aan een koopcontract en een financieringscontract. Of bijv., het plegen van wanprestatie in overeenkomst 1 kan een onrechtmatige daad opleveren tegenover een derde, die partij is bij overeenkomst 2.

Wanneer wijzigt of ontbindt de rechter de overeenkomst?

Wat houdt art. 6:258 BW in?

De rechter kan op verzoek van een van de partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of de overeenkomst geheel of deels ontbinden op grond van omstandigheden die:

  • Onvoorzienbaar zijn. Voor onvoorzienbaarheid gelden twee vereisten:

    • De omstandigheid lag op het tijdstip van de contractssluiting in de toekomst.

    • Partijen hebben niet voorzien in het intreden van deze omstandigheid. Het wordt niet stilzwijgend of uitdrukkelijk genoemd in de overeenkomst.

  • Van dien aard zijn, dat de wederpartij een ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De rechter moet zich echter terughoudend opstellen. Zie ook lid 2.

Mogen partijen van art. 6:258 BW afwijken?

Art. 6:258 BW is dwingendrechtelijk van aard (art. 6:250 BW).

Hoe verhoudt art. 6:258 BW zich tot andere leerstukken?

  1. Art. 6:258 BW is een toepassing van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid.

  2. Dwaling. Dwaling ziet op het heden, art. 6:258 BW ziet echter op na de contractssluiting intredende gebeurtenissen.

  3. Tekortkoming. Art. 6:258 BW speelt een aanvullende rol bij de aansprakelijkheid wegens een tekortkoming. Bijv. overmacht door een onvoorziene omstandigheid.

Wat houdt art. 6:259 BW in?

Op grond van art. 6:259 bestaat de mogelijkheid tot rechterlijke wijziging of ontbinding van een overeenkomst die ertoe strekt een rechthebbende op of een gebruiker van een registergoed als zodanig te verplichten tot een prestatie, die niet betstaat in of gepaard gaat met het dulden van voortdurend houderschap. In twee gevallen kan de verplichte persoon een wijziging of gehele of gedeeltelijke ontbinding verlangen:

  • Er zijn tien jaren verlopen sinds de contractssluiting en het ongewijzigd voortduren van de verplichting is in strijd met het algemeen belang.

  • De schuldeiser heeft geen belang meer bij nakoming en het is niet te verwachten dat dit belang zal terugkeren.

Wat kan de rechter met betrekking tot art. 6:259 en 259 BW?

De rechter kan op verzoek van één van de partijen de gevolgen van de overeenkomst wijzigen of de overeenkomst geheel of deels ontbinden, art. 6:258 en 259 BW. De rechter heeft hierbij een discretionaire bevoegdheid, hij kan voorwaarden verbinden aan de wijziging of ontbinding en de nieuwe rechtstoestand ontstaat door het vonnis.

Stampvragen

Vraag 1

Aan de hand van welke norm moet een overeenkomst worden uitgelegd?

Vraag 2

Wat is een kwalitatief recht? Wat zijn de verschillen met een erfdienstbaarheid?

Vraag 3

Wat is een kettingbeding?

Vraag 4

Wat is een derdenbeding?

Vraag 5

Wat zijn de gevolgen van aanvaarding door een derde ingeval van een derdenbeding?

Vraag 6

Wat houdt de blokkering van de paardensprong in?

Vraag 7

Op welke wettelijke grondslag is vernietiging of wijziging van de overeenkomst mogelijk ingeval van onvoorziene omstandigheden?

Wat houdt de wederkerige overeenkomst in? - Chapter 32

Wanneer is er sprake van een wederkerige overeenkomst?

Er is sprake van een wederkerige overeenkomst, als (art. 6:261 lid 1 BW):

  • Ieder van beide partijen een verbintenis op zich neemt

  • Ter verkrijging van de prestatie waartoe de wederpartij zich jegens hem verbindt.

Een wederkerige overeenkomst kenmerkt zich dus door zijn ruilkarakter. Beide partijen worden over en weer elkaars schuldenaar en schuldeiser. De algemene regels van het contractenrecht en de specifieke afdeling 6.5.5 zijn van toepassing op wederkerige overeenkomsten.

Hoe wordt afdeling 6.5.5 toegepast?

De bepalingen van 6.5.5. zijn rechtstreeks alleen op de wederkerige overeenkomst van toepassing. Verder zijn ze overeenkomstig van toepassing op andere rechtsbetrekkingen die strekken tot wederzijdse prestaties zoals schenkingen onder last. Ook op overeenkomsten waar verbintenissen uit voortvloeien voor meer dan twee partijen is de afdeling 6.5.5. overeenkomstig van toepassing. Ze is niet van toepassing op zuiver eenzijdige overeenkomsten en eenzijdige rechtshandelingen.

Wat zijn de exeptiones?

Wat is geregeld in art. 6:262-264 BW?

Apart in de wet zijn opgenomen:

  1. De exceptio non adimpleti contractus, art. 6:252 en 264 BW.

  2. De onzekerheidsexceptie, art. 6:263 en 264 BW.

Dit zijn allebei opschortingsrechten als bedoeld in afdeling 6.1.7. De rechtsgevolgen van het inroepen van een exceptie komen overeen met de rechtsgevolgen bij het inroepen van een algemeen opschortingsrecht. Het beroep op een exceptie heeft eveneens een tijdelijk karakter.

Wanneer is sprake van de exceptio non adimpleti contractus?

Vereisten (art. 6:262 BW):

  • Er is sprake van een wederkerige overeenkomst.

  • Er is sprake van een opeisbare vordering op de wederpartij.

  • Er is sprake van niet-nakoming door de wederpartij.

  • Het niet-nakomen door de wederpartij berust niet zelf al op een bevoegde opschorting.

  • Ingeval van een gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming: de tekortkoming moet de opschorting rechtvaardigen.

  • De geschonden verbintenis en de verbintenis ten aanzien waarvan de schuldenaar wil opschorten staan tegenover elkaar.

Wanneer is de onzekerheidsexceptie van art. 6:263 BW van toepassing?

Vereisten:

  • Er is sprake van een wederkerige overeenkomst.

  • De debiteur is zelf verplicht om als eerst te presteren.

  • Er is sprake van omstandigheden, waarvan de schuldeiser na het sluiten van de overeenkomst kennis heeft genomen, welke hem goede grond geven te vrezen dat de wederpartij niet zal nakomen.

  • Bij vrees voor niet behoorlijke nakoming of gedeeltelijke nakoming: de te vrezen niet-nakoming moet de opschorting rechtvaardigen.

  • De verbintenis van de wederpartij en de verbintenis ten aanzien waarvan de schuldenaar wil opschorten staan tegenover elkaar.

Wat nu wanneer de wederpartij ten dele haar verbintenis voldoet?

De exceptie is enkel toegestaan indien de tekortkoming haar rechtvaardigt, art. 6:262 lid 2 BW. De ontvanger kan kiezen tussen gedeeltelijke opschorting (voor een gedeelte dat overeenkomt met het gebrek in de door de wederpartij geleverde prestatie) of voor gehele opschorting met terbeschikkingstelling van het ontvangen goed aan de wederpartij. Dit is de hoofdregel. Hier zijn in twee gevallen uitzonderingen op mogelijk. De eerste afwijking is in geval van een zeer gering gebrek in de prestatie, dan zal veelal in het geheel geen opschorting mogelijk zijn. De tweede uitzondering bestaat eruit dat soms een volledige exceptie mogelijk is zonder terbeschikkingstelling. Dit kan wanneer het ontvangene waardeloos is of als hantering van een onverkorte exceptie in de gegeven omstandigheden als een gerechtvaardigd pressiemiddel valt aan te merken.

Wanneer staan verbintenissen tegenover elkaar?

Voor beide exceptie geldt dat de betrokken verbintenissen tegenover elkaar moeten staan. Dit verwijst naar het ruilkarakter van wederkerige overeenkomsten. Verbintenissen staan tegenover elkaar, indien partijen ieder de verplichting op zich namen ter verkrijging van het recht jegens de wederpartij. Bijv. overdracht – koopprijs en huurgenot-huurprijs.

Hoe verhouden de exceptiones zich tot de algemene opschortingsbevoegdheid?

Als niet aan alle vereisten voor de excepties is voldaan, dan moet worden beoordeeld of er sprake is van een algemeen opschortingsrecht op grond van art. 6:52 BW.

Wat zijn de vereisten voor ontbinding?

Wat is vereist voor ontbinding op grond van art. 6:265 BW?

  1. Er is sprake van een wederkerige overeenkomst.

  2. Er is sprake van een tekortkoming van de wederpartij (de verbintenis is opeisbaar, de prestatie blijft uit of is ondeugdelijk en niet-nakoming wordt niet gerechtvaardigd door een opschortingsbevoegdheid).

  3. De ontbinding is gerechtvaardigd door de tekortkoming. De bewijslast hiervan rust op de tekortschietende wederpartij.

Er zijn twee belangrijke verschillen met de vereisten voor schadevergoeding. Voor ontbinding is niet vereist dat de tekortkoming aan de debiteur kan worden toegerekend en bij ontbinding sluit ook tijdelijke onmogelijkheid de toepasselijkheid van de verzuimregeling uit.

Kan worden ontbonden bij schuldeisersverzuim?

Het is niet mogelijk ontbinding te vorderen op grond van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis ten aanzien waarvan de schuldeiser zelf in verzuim is art. 6:266 lid 1 BW.

Als tijdens schuldeisersverzuim behoorlijke nakoming tijdelijk of blijvend onmogelijk wordt, moeten twee situaties worden onderscheiden:

  • De onmogelijkheid kan de debiteur krachtens art. 6:64 BW worden toegerekend. Het crediteursverzuim eindigt: de debiteur kan nu wel ontbinden (art. 6:266 lid 2 BW).

  • De onmogelijkheid kan de debiteur krachtens art. 6:64 BW niet worden toegerekend. Het crediteursverzuim blijft bestaan en er kan nog steeds niet ontbonden worden (art. 6:266 lid 1 BW).

Hoe kan ontbonden worden?

Ontbinding kan geschieden door (art. 6:267 BW):

  • Een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring van de schuldeiser, gericht tot de schuldenaar, art. 6:267 lid 1 BW. De verklaring moet schriftelijk zijn. Op het tijdstip waarop de verklaring de schuldenaar heeft bereikt wordt de overeenkomst ontbonden, art. 3:37 lid 3 BW.

  • Een rechterlijke uitspraak, waarbij op verzoek van de schuldeiser de ontbinding van de overeenkomst wordt uitgesproken, art. 6:267 lid 2 BW.

Rechtsvorderingen tot ontbinding verjaren in beginsel door verloop van vijf jaren nadat de schuldeiser de tekortkoming heeft ontdekt, art. 3:311 lid 1 BW. De mogelijkheid tot buitengerechtelijke ontbinding (art. 6:268 BW) vervalt dan eveneens. Verjaring staat niet in de weg aan ontbinding als verweer.

Dient de overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbonden te worden?

Elke tekortkoming in de nakoming geeft de wederpartij de bevoegdheid de overeenkomst geheel of deels te ontbinden, art. 6:265 lid 1 BW. De crediteur kan echter geen ontbindingsvorm kiezen die door de tekortkoming niet wordt gerechtvaardigd, art. 6:265 lid 1 BW. Deze correctie brengt echter niet mee dat tussen tekortkoming en sanctie steeds volstrekte evenredigheid moet bestaan. Dit voorbehoud waakt echter voor een totale wanverhouding tussen de tekortkoming en de sanctie.

Wat zijn de gevolgen van ontbinding?

Welke gevolgen heeft gehele ontbinding?

  1. Toekomstige gevolgen:
  • ​Ontbinding bevrijdt de contractspartijen van de verbintenissen, art. 6:271 BW. Er hoeft niet meer worden nagekomen, anders is er sprake van onverschuldigde betaling.
  1. Gevolgen voor het verleden:
  • ​Ontbinding heeft geen terugwerkende kracht, art. 6:269 BW. Als de verbintenissen reeds zijn nagekomen, dan blijft de rechtsgrond voor de nakoming in stand, art. 6:271 BW. De contractspartijen moeten de reeds door hen ontvangen prestaties ongedaan maken, art. 6:271 BW. Deze verplichtingen zijn verbintenissen uit de wet.

Welke rechtsgevolgen kent gedeeltelijke ontbinding?

Door gedeeltelijke ontbinding worden de prestaties evenredig verminderd in hoedanigheid of hoeveelheid, art. 6:270 BW. De verbintenissen worden dus omgezet in verbintenissen met een kleinere omvang. De wederkerige overeenkomst wordt voortgezet met de verminderde inhoud. Er bestaat een tweetal vormen van gedeeltelijke ontbinding:

  • Inhouding vermindering van de prestaties (hoeveelheid of hoedanigheid). Partijen hoeven in het vervolg nog slechts de inhoudelijk verminderde verbintenis na te komen en voor zover meer werd verricht dan waartoe de uiteindelijk verminderde verbintenissen strekken, ontstaan ongedaanmakingsverbintenissen.

  • Temporele vermindering van de prestaties (kan alleen bij duurovereenkomsten). Dit kan in de volgende vormen: ontbinding alleen voor de toekomst, ontbinding alleen voor het verleden en ontbinding voor de toekomst en een gedeelte van het verleden, of voor het verleden en een gedeelte van de toekomst.

Wat dient te gebeuren na ontbinding?

Door de ontbinding moeten de partijen de al door hen ontvangen prestaties ongedaan maken, art. 6:271 BW. Een ongedaanmakingsverbintenis in eigenlijke zin: het gegeven goed moet in de staat waarin het is ontvangen worden teruggegeven. Als ongedaanmaking niet mogelijk is door de aard van de prestatie, dan treedt voor de ongedaanmakingsverbintenis een verbintenis tot waardevergoeding in de plaats, art. 6:272 BW.

Wat bepalen de art. 6:271, 273 en 274 BW?

Als er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een ongedaanmakingsverbintenis, dan gelden de algemene regels van afdeling 6.1.9. De ontvanger is schadeplichtig als hij toerekenbaar tekortschiet. Dit betekent dat behoudens de gevallen van blijvende onmogelijkheid, verzuim vereist is. Afdeling 6.5.5 bevat hierover speciale bepalingen:

  • Indien de ontvanger te kwader trouw ontving, wordt hij na ontbinding geacht vanaf het moment van ontvangst in verzuim te zijn geweest, art. 6:274 BW. Je bent te kwader trouw als je een prestatie in ontvangst neemt terwijl je weet of vermoedt dat ontbinding zal volgen.

  • Indien de ontvanger niet te kwader trouw ontving gelden er geen speciale regels indien de oorzaak van de tekortkoming na de ontbinding ligt. Als de oorzaak van de tekortkoming voor de ontbinding ligt, geldt de speciale behandeling van art. 6:273 BW.

Wat wordt onder waarde verstaan?

Als ongedaanmaking onmogelijk is door de aard van de prestatie, dan moet de ontvanger de waarde vergoeden die de prestatie op het tijdstip van ontvangst had, art. 6:272 BW. Bij een deugdelijke prestatie is wordt onder waarde verstaan de objectieve waarde. Bij een ondeugdelijke prestatie wordt onder waarde verstaan de waarde die de prestatie in de gegeven omstandigheden werkelijk voor de ontvanger heeft gehad. De bepalingen van art. 6:274-278 BW zijn ook op deze verbintenissen van toepassing.

Wat bepaalt art. 6:275 BW?

De bepalingen 3:120-124 BW zijn van overeenkomstige toepassing wat betreft de vordering tot waardevergoeding of ongedaanmaking.

Wat nu wanneer de ontvanger handelingsonbekwaam is?

Een handelingsonbekwame is alleen verplicht tot ongedaanmaking of waardevergoeding, voor zover het ontvangene hem tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of het in de macht van zijn wettelijk vertegenwoordiger is gekomen, art. 6:276 BW.

Kan er bij ontbinding recht zijn op schadevergoeding?

Als de tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend (wanprestatie), dan heeft de ontbindende schuldeiser recht op schadevergoeding, art. 6:277 lid 1 BW. Vervangende schadevergoeding is niet mogelijk naast ontbinding, wel aanvullende schadevergoeding en vergoeding van ontbindingsschade. Wanneer de tekortkoming niet aan de debiteur kan worden toegerekend bestaat er geen recht op schadevergoeding, behoudens binnen de grenzen van de ongerechtvaardigde verrijking.

Wat bewerkstelligt art. 6:278 BW?

Het is mogelijk dat de schuldeiser door ontbinding voordeel verwerft of nadeel ontloopt. Op grond van art. 6:278 BW moet de oorspronkelijke waardeverhouding worden hersteld door bijbetaling (door de schuldeiser). Voor toepassing gelden de volgende vereisten:

  • Hiervoor moet er sprake zijn van een wederkerige overeenkomst.

  • Deze overeenkomst moet wederzijds uitgevoerd zijn.

  • Een van de partijen kiest voor ontbinding en mag dit ook (art. 6:265 BW).

  • De verhouding in waarde tussen hetgeen wederzijds bij ongedaanmaking zou moeten worden verricht, heeft zich ten gunste van deze partij gewijzigd. De volgende situaties moeten dan vergeleken worden:

    • De waardeverhouding tussen de ongedaanmakingsverbintenissen indien direct na de uitvoering zou zijn ongedaan gemaakt.

    • De waardeverhouding tussen de ongedaanmakingsverbintenissen op het moment waarop uiteindelijk daadwerkelijk ongedaan zal worden gemaakt.

  • Het is aannemelijk dat die partij zonder de wijziging in waardeverhouding niet voor deze ontbinding zou hebben gekozen.

Het gevolg hiervan is dat art. 6:278 BW de voor ontbinding kiezende partij verplicht om door bijbetaling de oorspronkelijke waardeverhouding te herstellen.

Geldt art. 6:278 lid 1 ook in andere gevallen van ongedaanmaking?

Lid 1 van art. 6:278 is van overeenkomstige toepassing bij een beroep op nietigheid of vernietigbaarheid van een wederkerige overeenkomst en bij de teruggave van een ondeugdelijke prestatie incl. een vordering tot vervangende schadevergoeding of tot correcte nakoming.

Wat houdt de meerpartijenovereenkomst in?

Wat is een meerpartijenovereenkomst?

Afdeling 6.5.5 is van overeenkomstige toepassing op overeenkomsten waaruit voor meer dan twee contractspartijen verbintenissen voortvloeien, tenzij de aard van de overeenkomst zich hiertegen verzet, art. 6:279 lid 1 BW. Hierbij dient ook gelet te worden op de leden 2 en 3 van dit artikel.

Stampvragen

Vraag 1

Welke twee wettelijke excepties komen qua rechtsgevolgen overeen met het algemene opschortingsrecht?

Vraag 2

Wat zijn de vereisten en rechtsgevolgen voor/van ontbinding?

Bijzondere overeenkomsten I: wat houden koop en ruil in? - Chapter 33

Waar zijn koop en ruil geregeld?

De bijzondere overeenkomsten koop en ruil zijn geregeld in titel 7.1. Beide overeenkomsten hebben betrekking tot goederen.

Wanneer is er sprake van koop dan wel ruil?

Koop: de overeenkomst waarbij de verkoper zich verbindt een zaak te geven en de koper zich verbindt om de koopprijs te betalen, art. 7:1 BW. Een koop kan echter ook betrekking hebben op vermogensrechten, art. 7:47 BW.

Ruil: de overeenkomst waarbij contractspartijen zich verbinden elkaar over en weer een zaak in de plaats van een andere zaak te geven, art. 7:49 BW. De bepalingen ter zake van koop zijn van overeenkomstige toepassing op ruilovereenkomsten, art. 7:50 BW.

Welke vereisten kent consumentenkoop?

Vereisten consumentenkoop, art. 7:5 lid 1 BW:

  • Koop met betrekking tot een roerende zaak.

  • De verkoper is een professional (handelt in het kader van zijn bedrijf of beroep).

  • De koper is consument (handelt niet in het kader van bedrijf of beroep).

Welke gevolgen heeft consumentenkoop?

Er kan niet ten nadele van de consumentkoper worden afgeweken van de afdelingen 7.1.1-7.1.7. De vorderingen en rechten die de koper heeft op grond van de wet ter zake van een tekortkoming van de verkoper kunnen niet worden beperkt of uitgesloten, art. 7:6 lid 1 BW. De sanctie hierop is vernietigbaarheid. Ook zijn er een aantal bijzondere bepalingen van toepassing op consumentenkoop. Deze bepalingen staan niet op 1 plek maar zijn over de kooptitel verspreid.

Wat is het gevolg van handelsgaranties?

Art. 7:6a BW bevat enige regels met betrekking tot door een verkoper of producent gegeven garanties. Deze handelsgaranties tasten andere rechten of vorderingen van de koper niet aan, moeten duidelijk en begrijpelijk zijn en moeten bepaalde gegevens bevatten, die indien gevraagd aan de consument-koper moeten worden gegeven.

Wat is het gevolg bij een toegezonden zaak?

Art. 7:7 BW heeft betrekking op het ongevraagd toesturen van zaken. De ontvanger is jegens de verzender bevoegd om de zaak ‘om niet’ te houden wanneer de ontvanger mocht aannemen dat de toezending was gebeurd om hem tot koop te bewegen en de toezending niet aan de koper was toe te rekenen. De verzender heeft geen terugvorderingsactie als de ontvanger uiteindelijk niet tot koop overgaat. Voor consumenten is in lid 2 een versoepelde regeling opgenomen.

Welke rechten heeft de koper?

Welke verplichtingen rusten er op een verkoper?

  • Eigendomsoverdracht, art. 7:9 lid 1 BW, vrij van bijzondere lasten en beperkingen met uitzondering van die welke de koper heeft aanvaard.

  • Het afleveren van de zaak, art. 7:9 lid 1 BW. Afleveren: de zaak in het bezit van de koper stellen. De kosten van het afleveren zijn voor de verkoper, art. 7:12 lid 1 BW.

  • Conformiteit: de afgeleverde zaak moet aan de overeenkomst beantwoorden, art. 7:17 lid 1 BW.

Wanneer beantwoordt een zaak niet aan de overeenkomst?

Er is sprake van non-conformiteit indien, art. 7:17 BW:

  • De zaak niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten, lid 2. Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die nodig zijn voor een normaal gebruik en waarvan hij zich de aanwezigheid niet hoefde af te vragen. De koper mag daarnaast verwachten dat de zaak eigenschappen bezit voor bijzonder gebruik indien dat uitdrukkelijk of stilzwijgend bij de overeenkomst is voorzien.

  • Er is een andere zaak geleverd dan overeengekomen, lid 3.

  • De zaak wijkt af van een monster of model, lid 4.

De koper kan geen beroep doen op non-conformiteit als hij het gebrek kende of moest kennen op het moment dat de overeenkomst werd gesloten of als het gebrek te wijten is aan grondstoffen die afkomstig zijn van de koper, lid 5.

Welk vermoeden geldt bij consumentenkoop?

Bij een consumentenkoop geldt een (weerlegbaar) wettelijk vermoeden vanwege de bewijslast, art. 7:18 lid 2 BW. Als de afwijking zich binnen zes maanden na het afleveren openbaart, dan wordt de zaak vermoed al bij de aflevering non-conform te zijn geweest. Dit vermoeden geldt niet als de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet.

Welke rechten heeft een koper?

Als de verkoper zijn verbintenis niet nakomt, dan kan de koper het volgende vorderen:

  • Nakoming, art. 3:296 e.v. BW.

  • Opschorting, art. 6:262-264 BW.

  • Ontbinding, art. 6:265 e.v. BW.

  • Schadevergoeding, art. 6:74 e.v. BW.

  • Verlaging van de prijs, art. 6:265 e.v. BW.

Hoe werkt het recht op nakoming uit?

Het vorderen van nakoming is geregeld in art. 3:296 e.v. BW.

  • Overdracht van de onbelaste eigendom. Als een zaak belast is met een beperking of last die er niet op had mogen rusten, dan kan de koper opheffing hiervan vorderen, art. 7:20 BW.

  • De afgeleverde zaak moet conform aan de overeenkomst zijn. Is dit niet zo, dan heeft de koper de beschikking over drie nakomingsacties, art. 7:21 lid 1 BW:

    • Aflevering van het ontbrekende.

    • Herstel van de afgeleverde, indien de verkoper hieraan redelijkerwijs kan voldoen.

    • Vervanging van de afgeleverde zaak. Dit kan niet als de afwijking te gering is of als de zaak teniet is gegaan.

De verkoper moet de genoemde verplichtingen binnen een redelijke termijn en zonder kosten en ernstige overlast voor de verkoper nakomen, art. 7:21 leden 2-3 BW. De overige rechten en bevoegdheden van de koper zijn onverlet gebleven, lid 4. In art. 7:21 lid 4-5 BW is één uitzondering opgenomen in het geval van consumentenkoop.

Wanneer gaat het risico over op de koper?

De risico-overgang bij koop is geregeld in art. 7:10 BW. Hierin wordt bepaald op welk tijdstip het risico van de verkoper overgaat op de koper: het moment van de aflevering van de zaak. Als de zaak bij een consumentenverkoop wordt bezorgd, dan geldt het tijdstip van ontvangst, art. 7:11 BW. Verder gaat het risico over als de koper in schuldeisersverzuim is geraakt door niet de handelingen te verrichten waarmee hij aan de aflevering moet meewerken (art. 7:10 lid 2 BW).

Wanneer heeft de koper het recht op ontbinding?

Het recht van de koper om te ontbinden is geregeld in art. 6:265 BW. De koper is bevoegd tot ontbinding, als de verkoper in de nakoming van zijn verbintenissen tekortschiet. Door ontbinding bestaat een ongedaanmakingsverbintenis in het teruggeven van de zaak in de toestand waarin deze was ten tijde van de aflevering. Een tekortkoming van zijn ongedaanmakingsverbintenis is slechts aan de koper toe te rekenen wanneer de tekortkoming is ontstaan doordat de koper na het moment dat hij er redelijkerwijs rekening mee moet houden dat hij de zaak moet teruggeven, niet als een zorgvuldig schuldenaar heeft gezorgd voor het behoud ervan (art. 7:10 lid 4 BW).

Welke bijzonderheden kent de consumentenkoop?

Er is sprake van een getrapt stelsel: eerst heeft de consument recht op herstel of vervanging en daarna recht op ontbinding. De consument heeft dus pas recht op ontbinding, wanneer herstel en vervanging onmogelijk zijn of niet gevraagd kunnen worden, dan wel de verkoper in herstel of vervanging tekort geschoten is, art. 7:22 lid 2 BW.

In art. 6:265 lid 1 is aan het slot opgenomen ‘gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis’. Voor de consumentenkoop is deze uitzondering beperkt tot enkel ‘geringe betekenis’, art. 7:22 lid 1 sub a BW.

Voor de consumentenkoop wordt het recht op prijsvermindering met zoveel woorden genoemd, art. 7:22 lid 1 sub b BW. De algemene ontbindingsleer kent dit recht ook, alleen dan impliciet.

Hoe groot is de omvang van een schadevergoeding?

Het vestigen van aansprakelijkheid wordt geregeld door de algemene regels, art. 6:74 e.v. BW. De omvang van de schadevergoeding bij ontbinding wordt bepaald door afdeling 7.1.7:

  • De ontbindende partij heeft recht op een volledige vergoeding van de door haar geleden schade, art. 7:38 BW.

  • Voor vergoeding komt eveneens in aanmerking de schade is ontstaan door het sluiten van een redelijke dekkingskoop, art. 7:37 BW. Dekkingskoop is aan de orde indien de koper elders dergelijke zaken koopt, of de verkoper de zaken verkoopt aan een ander.

  • Bij zaken met een dagprijs heeft de ontbindende partij ten minste recht op vergoeding van de abstracte schade (verschil tussen de dagprijs op het tijdstip van de tekortkoming en de afgesproken prijs), art. 7:36 BW.

Wanneer vervalt het beroep op non-conformiteit?

De koper die zich wil beroepen op non-conformiteit, moet de verkoper hiervan binnen bekwame tijd nadat hij de afwijking heeft ontdekt of moest ontdekken op de hoogte brengen. Als de koper deze klachtplicht niet naleeft, dan vervalt elk beroep op non-conformiteit, art. 7:23 lid 1 BW. Wanneer hij wel een kennisgeving doet uitgaan begint op dat moment een termijn van twee jaar te lopen, waarna de meeste van zijn beroepsmogelijkheden verjaren of vervallen, art. 7:23 lid 2 BW.

Kent consumentenkoop een speciale schadevergoedingsregeling?

Ingeval van non-conformiteit heeft de koper recht op schadevergoeding ex art. 6:74 e.v. BW. Dit is ter verduidelijking opgenomen in art. 7:24 lid 1 BW. In lid 2 is een uitzonderingsregel opgenomen voor schade op de vergoeding waarvan afdeling 6.3.3 (productaansprakelijkheid) ook van toepassing is. Deze samenloop vindt plaats als de tekortkoming bestaat in een gebrek in de zin van die afdeling en hierdoor schade aan personen of zaken is ontstaan. Op grond van art. 7:24 lid 2 BW wordt de verkoper uit zijn aansprakelijkheid ontheven met betrekking tot deze gevolgschade. De koper moet in principe de producent aanspreken. Deze ontheffing gebeurt echter in de volgende gevallen niet, volgens art. 7:24 lid 2 BW:

  • Als de verkoper het gebrek kende of behoorde te kennen.

  • Als de verkoper zelf de afwezigheid van het gebrek heeft toegezegd.

  • Bij zaakschade lager dan €500.

Mocht de verkoper overgaan tot schadevergoeding, dan kan hij zich op de producent verhalen zonder dat deze zich kan exonereren, art. 6:192 BW.

Kan verhaal gehaald worden op de voorschakel?

Een consument kan zich tegenover een verkoper op meerdere rechten beroepen, zoals herstel, schadevervanging, et cetera. Bij de uitoefening van een of meer van deze rechten, heeft de verkoper ook recht op schadevergoeding jegens zijn voorschakel, mits deze ook beroepsbedrijfsmatig handelde. De voorschakel kan deze aansprakelijkheid niet uitsluiten of beperken. De voorschakel heeft dit recht ook weer op zijn voorschakel etc. Men kan zich er niet van ontdoen door een exoneratie clausule. Artikel 7:25 is niet van toepassing op gevolgschade.

Welke rechten heeft de verkoper?

Welke verplichtingen heeft een koper?

  1. De koper moet de koopprijs betalen, art. 7:26 lid 1 BW.

  2. De koper is verplicht tot het betalen van de koopprijs, maar in principe niet verplicht tot inontvangstneming. Wel kunnen de gemaakte afspraken en/of het belang van de verkoper bij afname tot de conclusie leiden dat op de koper een ontvangstverbintenis rust.

  3. De koper moet als een zorgvuldig schuldenaar waken voor het behoud van zaken die men heeft ontvangen en van plan is om te weigeren, art. 7:29 BW.

Welke rechten heeft de verkoper?

Als de koper tekortschiet, dan heeft de verkoper de volgende vorderingen:

  • Nakoming, art. 3:296 e.v. BW.

  • Opschorting, art. 6:262-264 BW.

  • Ontbinding, art. 6:265 e.v. BW. Zie ook art. 7:33 en 34 BW.

  • Schadevergoeding, art. 6:74 e.v. BW.

  • Recht van reclame, afdeling 7.1.8.

Wanneer geldt het recht van reclame?

Door middel van het recht van reclame kan de verkoper ingeval van wanbetaling de eigendom van de afgeleverde zaak weer herkrijgen. Vereisten, art. 7:39, 41 en 44 BW:

  • Koopovereenkomst met betrekking tot een roerende zaak.

  • De zaak is afgeleverd aan de koper.

  • De zaak is nog in de dezelfde staat als ten tijde van de aflevering.

  • Er is voldaan aan de vereisten voor ontbinding (koopprijs is niet betaald, maar wel opeisbaar en de koper is in verzuim).

  • De verkoper moet het recht inroepen binnen zes weken nadat de koopprijs opeisbaar is geworden of binnen zestig dagen nadat de zaak door de koper of een ander is opgeslagen.

De verkoper oefent het recht van reclame uit door de zaak middels een tot de koper gerichte schriftelijke verklaring terug te vorderen.

Welke gevolgen heeft het recht van reclame?

Op het tijdstip waarop de verklaring tot terugvordering de koper heeft bereikt treden zonder terugwerkende kracht de volgende gevolgen in:

  • De koop wordt ontbonden. Partijen zijn beiden van hun verbintenissen bevrijd. Voor zover reeds gepresteerd is, treden er ongedaanmakingsverbintenissen in.

  • Het recht van de koper eindigt. De eigendom keert terug bij de verkoper.

Is er derdenbescherming bij het recht van reclame?

Als de koper de zaak inmiddels aan een derde heeft overgedragen, zou deze derde zijn eigendom verliezen door de werking van art. 7:39 lid 1 BW. Art. 7:42 BW beschermt de derde echter. De verkoper is zijn terugvorderingsrecht verloren, indien:

  • De zaak ex art. 3:90 of 91 BW is geleverd aan de derde.

  • De derde anders dan om niet verkreeg (tegenprestatie).

  • De derde te goeder trouw was.

Onder deze omstandigheden behoudt de derde het door hem verkregen recht. Als de zaak in handen van de oorspronkelijke koper is gebleven, wordt de derde echter niet beschermt tegen het reclamerecht (art. 7:42 lid 1 BW).

Wat zijn de regels omtrent bijzondere kooptypen?

Welke bijzondere kooptypen zijn er?

  • Consumentenkoop, art. 7:5 BW.

  • Koop van een onroerende zaak.

  • Koop op proef, art. 7:45-46 BW.

Wanneer wordt een koper van een onroerende zaak beschermd?

De koop van onroerende zaken is nimmer een consumentenkoop. De koper van een woning wordt beschermd door:

  • Aart. 7:2 lid 1 BW: vormvereiste van een geschrift.

  • De afkoelingsperiode (wettelijke bedenktijd). Vanaf het moment waarop de koopakte ter hand is gesteld heeft de koper drie dagen het recht om de koopovereenkomst te ontbinden. De koper kan in deze periode de woning laten onderzoeken door deskundigen. Ontbinding kan geschieden door een vormvrije verklaring. Er hoeft geen reden te worden opgegeven.

  • De koper kan niet worden verplicht tot vooruitbetaling, art. 7:26 lid 4 BW.

  • De koop (is iets anders dan de overdracht!) van een registergoed kan worden ingeschreven in de openbare registers. Dit wordt ‘vormerkung’ genoemd, art. 7:3 BW. Inschrijving zorgt ervoor dat de koper immuun is voor latere feiten die zijn rechtsverkrijging kunnen frustreren (beslag, faillissement verkoper, de verkoop aan een ander).

Wanneer is het Weens koopverdrag (CISG) van toepassing?

De CISG geeft geen volledige regeling van alle kwesties die zich naar aanleiding van een koop kunnen voordoen, maar regelt met name de totstandkoming van aanbod en aanvaarding en de wederzijdse rechten en plichten van koper en verkoper. De CISG is van toepassing op 1. koopovereenkomsten die 2. een internationaal karakter dragen en 3. roerende zaken betreffen welke 4. niet voor gebruik in de privésfeer zijn bestemd.

Stampvragen

Vraag 1

Welke verplichtingen heeft een verkoper? En een koper?

Vraag 2

Welke rechten heeft de koper ingeval van wanprestatie van de koper?

Vraag 3

Wanneer vindt het moment van risico-overgang plaats ingeval van een koopovereenkomst?

Vraag 4

Wat is het recht van reclame?

Vraag 5

Op welke vier wijzen wordt de koper van een woning beschermd?

Bijzondere overeenkomsten II: wat zijn de regels omtrent goederen? - Chapter 34

Waar gaat dit hoofdstuk over?

Voor de overdracht van goederen is koop en ruil nodig, dit wordt uitgelegd in nr. 458. Verder worden in dit hoofdstuk ook nog de overdracht van of zekerheid op goederen (nr. 556-567) en het gebruik van goederen (nr. 567a-593) besproken.

Wat zijn financiëlezekerheidsovereenkomsten?

Financiëlezekerheidsovereenkomsten

Titel 7.2 gaat over dit onderwerp. De regeling is op de obligatoire overeenkomst gericht, maar is ook van belang voor het goederenrecht. De financiëlezekerheidsovereenkomst betreft zekerheid op geld of effecten. Partijen zijn zekerheidsgever en zekerheidsnemer. We kennen twee vormen:

  • De overeenkomst tot overdracht van geld of effecten, als waarborg voor een verplichting.

  • De overeenkomst tot vestiging van een pandrecht op geld of effecten.

Wat zijn kredietovereenkomsten?

Welke regels gelden bij kredietovereenkomsten?

We onderscheiden drie titels van kredietovereenkomsten. Titel 7.2A ziet op consumentenkredietovereenkomsten, titel 7.2B ziet op goederenkrediet en titel 7.2C ziet op de geldlening. Deze titels overlappen elkaar behoorlijk. De toepasselijkheid van de verschillende titels is afhankelijk van de volgende vragen:

  • Partijen. Wordt het krediet verstrekt door een professional aan een consument? Titel 7.2A is alleen van toepassing indien dit het geval is. De titels 7.2 B en C gelden in principe ongeacht de aard van de partij.

  • Voorwerp. Waarop heeft het krediet betrekking? Er zijn hier drie mogelijkheden:

    • Verschaffing van goederen op krediet. Hierop is titel 7.2B van toepassing. Wanneer sprake is van consumentenkrediet geldt ook titel 7.2A.

    • Verschaffing van geld op krediet. Hierop is titel 7.2C van toepassing. Bij consumentenkrediet is ook titel 7.2A van toepassing.

    • Verschaffing van diensten op krediet. Hierop is zowel titel 7.2B als 7.2C niet van toepassing. Indien het gaat om een consumentenkrediet, dan is wel titel 7.2A van toepassing.

Als meerdere titels van toepassing zijn en de bepalingen met elkaar in strijd komen, dan gaat titel 7.2A voor, vervolgens komt titel 7.2B en tot slot komt titel 7.2C.

Wat regelt titel 7.2A?

De consumentenkredietovereenkomst is een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt, in de vorm van uitstel van betaling, lening of iets soortgelijks (art. 7:57 lid 1 sub c BW). Overeenkomsten voor doorlopende dienstverlening of doorlopende goederenlevering zijn uitgesloten van deze afdeling.

De kredietgever moet op grond van art. 7:57 sub a-b BW professioneel handelen en de kredietnemer moet handelen als consument.

De belangrijkste elementen van deze regeling zijn:

  • De kredietgever moet de consument gedetailleerd informeren, art. 7:59-64 BW.

  • De overeenkomst moet worden aangegaan op papier of een andere duurzame drager, art. 7:61 BW.

  • De consument heeft een bedenktijd van 14 dagen, art. 7:72 BW.

  • De consument heeft een opzegtermijn van maximaal een maand, art. 7:66 BW.

  • Eventuele kredietbemiddeling moet transparant zijn, art. 7:73 BW.

Deze regeling is van dwingend recht en kan dus niet van afgeweken worden ten nadele van de consument, art. 7:73 BW.

Wat regelt titel 7.2B.1?

Deze afdeling ziet op het goederenkrediet ten aanzien van roerende zaken. Een overeenkomst van goederenkrediet is een overeenkomst tot het verschaffen van het genot van een roerende zaak, door de kredietgever aan de kredietnemer, art. 7:84 BW. Naast roerende zaken komen ook vermogensrechten in aanmerking, afdeling 7.2B.1 is daarop in principe van overeenkomstige toepassing, art. 7:100 BW. Bekende voorbeelden zijn koop op afbetaling en huurkoop.

Beide partijen kunnen handelen als professional of als particulier.

De belangrijkste elementen van deze regeling zijn:

  • De overeenkomst wordt aangegaan op papier of een andere duurzame drager, art. 7:86 BW.

  • Het genot van de zaak is voor de kredietnemer, art. 7:87 BW.

  • Er zijn bepalingen opgenomen voor het geval de overeenkomst wordt ontbonden, art. 7:90-96 BW.

  • Vervreemding werkt niet ten nadele van de kredietnemer, art. 7:88 BW.

Deze regeling is in principe van aanvullend recht. Het is echter dwingend als het gaat om een overeenkomst tussen een professional en een consument.

Wat regelt titel 7.2B.2?

Deze regeling ziet op huurkoop van onroerende zaken. Huurkoop is een koopovereenkomst met betaling in termijnen, en met een eigendomsvoorbehoud. Er moeten twee of meer termijnen plaatsvinden na aflevering van de zaak, art. 7:101 BW.

Beide partijen kunnen handelen als professional of als particulier.

De belangrijkste elementen van deze regeling zijn:

  • Er is geen vormvereiste voor geldigheid. Wel zijn beide partijen verplicht mee te werken aan het opmaken van een notariële akte, die wordt ingeschreven in openbare registers, art. 7:102-104 BW.

  • Het genot van de zaak is voor de huurkoper, art. 7:106 BW.

  • Vervreemding werkt niet ten nadele van de huurkoper, art. 7:107 BW.

  • De regeling bevat bepalingen voor het geval de huurkoop wordt ontbonden, art. 7:108-109 BW.

De meeste artikelen zijn van dwingend recht, art. 7:112 BW. Deze afdeling bevat ook een aparte onderafdeling voor de huurkoop van woonruimte door een consument (art. 7:113-117 BW).

Wat regelt titel 7.2B.3?

Deze titel ziet op consumentenkredietovereenkomsten betreffende woningen. Zie voor de consumentenkredietovereenkomsten art. 7:118 lid 1 sub c jo art. 7:119 BW. De kredietgever moet handelen als professional, de kredietnemer moet handelen als consument, art. 7:188 lid 1 sub a-b BW.

De belangrijkste elementen van de regeling zijn:

  • Reclame moet duidelijk en eerlijk zijn, art. 7:120 BW.

  • De kredietgever moet de consument verregaand informeren, art. 7:122 BW.

  • Eventuele kredietbemiddeling moet transparant zijn, art. 7:123 BW.

  • De consument heeft enkele specifieke rechten.

Deze afdeling is volledig van dwingend recht, art. 7:128c BW.

Wat regelt titel 7.2C?

Deze titel regelt het geldkrediet. Een geldlening is een kredietovereenkomst waarbij de ene partij (uitlener) zich verbindt aan de andere partij (lener) een som geld te verstrekken, en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen, art. 7:129 lid 1 BW.

Beide partijen kunnen handelen als professional of als particulier.

De belangrijkste elementen van de regeling zijn:

  • Een particuliere uitlener raakt pas gebonden door de daadwerkelijke verstrekking van het geld of door een geschrift, art. 7:129b BW.

  • De regeling bevat bepalingen over de verschuldigde rente, art. 7:129c-d BW.

  • De regeling bevat een opeisbaarheidstermijn van in principe zes weken, art. 7:129e BW.

De titel is geheel van aanvullend recht.

Wat is een overeenkomst van pandlening?

Wat is een overeenkomst van pandlening?

Titel 7.2D gaat over pandlening. Een overeenkomst van pandlening is een overeenkomst waarbij de ene partij (pandhuis) aan de andere partij (pandlener) een geldsom ter beschikking stelt, en de pandlener daartegenover een roerende zaak in de macht van het pandhuis brengt, art. 7:130 BW. Hierbij moet een beding gemaakt worden. Dit kan zijn een beding dat het pandhuis automatisch eigenaar van de zaak wordt bij wanbetaling, art. 7:130 lid 1 sub a BW. Dit kan ook zijn een beding dat het pandhuis direct eigenaar wordt, maar de zaak moet teruggeven bij terugbetaling, art. 7:130 lid 1 sub b BW.

Het pandhuis moet professioneel handelen (art. 7:131 sub a BW) en de belener moet consument zijn (art. 7:132 BW).

De belangrijkste elementen van deze regeling zijn:

  • Het pandhuis moet de consument gedetailleerd informeren, art. 7:133 en 134 lid 2 BW.

  • De overeenkomst moet op papier worden aangegaan of op een andere duurzame drager, art. 7:134 lid 1 BW.

  • De beleentermijn is ten minste twee maanden, de consument mag vervroegd betalen, art. 7:135 BW.

  • De consument betaalt een beleningsvergoeding in de vorm van een maandrente over de geldsom. De maximale geldsom wordt bij a.m.v.b. vastgesteld, art. 7:137 BW.

  • De consument heeft nooit een restschuld, art. 7:139 BW.

Deze regeling is van dwingend recht, art. 7:140 BW.

Wat zijn de regels omtrent schenking?

Waar is schenking geregeld?

De overeenkomst van schenking staat in titel 7.3, art. 7:175-188 BW.

Wat is een schenkingsovereenkomst?

Dit is een overeenkomst om niet, die ertoe strekt dat de schenker ten koste van zijn eigen vermogen de begiftigde verrijkt, art. 7:175 lid 1 BW. Criteria:

  • Obligatoire overeenkomst (aanbod en aanvaarding). Schenking is dus geen eenzijdige rechtshandeling.

  • Om niet. De begiftigde hoeft niet te presteren. Het gaat dus om een eenzijdige overeenkomst (niet-wederkerig). Afdeling 6.5.5. geldt dus niet.

  • Strekking om de ander te verrijken ten koste van het eigen vermogen. De bedoeling van partijen is gericht op verrijking en verarming.

Welke bijzonderheden gelden bij de totstandkoming?

De algemene regelingen van de Boeken 3 en 6 BW zijn tevens op de schenking van toepassing. De schenking kan vormvrij geschieden. De schenker wordt beschermd door het leerstuk van het misbruik van omstandigheden.

Bijzonderheden betreffende het aanbod en de aanvaarding:

  • Aanbod. Door de dood van de aanbieder vervalt het aanbod tot schenking, art. 7:179 1 BW (vgl. met art. 6:222 BW).

  • Aanvaarding. Een aanbod tot schenking geldt als aanvaard, indien de ander dit aanbod niet onverwijld heeft afwezen, art. 7:175 lid 2 BW.

Geldt het leerstuk misbruik van omstandigheden hier?

Ook voor de schenking gelden de gronden voor nietig- en vernietigbaarheid uit de Boeken 3 en 6 BW. Vooral de regeling van het misbruik van omstandigheden is hier relevant, art. 3:44 lid 4 BW. Op grond van art. 7:176 BW rust de bewijslast van de stelling dat er geen sprake is van misbruik van omstandigheden op de begiftigde. De schenker wordt beschermd door deze bewijslastomkering. De bewijslastomkering geldt niet als er een notariële akte is opgemaakt van de schenking, of als omkering in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn (art. 7:176).

Welke vernietigingsgronden zijn er?

Op de schenkingsovereenkomst zijn een aantal bijzondere vernietigingsgronden van toepassing:

  • Betreffende de bijzondere relatie tussen de schenker en de begiftigde, art. 7:178 BW:

    • Schenking door een zieke aan een geestelijk verzorger of beroepsmatig bijstandsverlener, lid 1.

    • Schenking aan de instelling waarin de schenker verblijft, lid 2.

  • Betreffende het latere gedrag van de begiftigde, art. 7:184 BW.

    • De begiftigde heeft opzettelijk een misdrijf gepleegd jegens de schenker of dienst naasten.

    • De begiftigde is alimentatieplichtig jegens de schenker, maar komt de verplichting niet na.

    • De begiftigde komt de hem bij de schenking opgelegde verplichting niet na.

De vernietigingsgronden van art. 7:178 BW hebben een verjaringstermijn van drie jaar na het einde van de ziekte of het verblijf, lid 4. De vorderingen uit art. 7:184 BW verjaren één jaar nadat de schenker op de hoogte is geraakt van het feit, art. 7:185 lid 1 BW.

Welke schenkingsbedingen komen veel voor?

  1. Last. In de overeenkomst is een last opgenomen voor de begiftigde, bijv. een verbintenis om iets te doen, te laten of te geven.

  2. Herroeping. De schenkingsovereenkomst kan het beding bevatten dat zij herroepelijk zal zijn, art. 7:177 lid 2 BW.

Kan een schenker aansprakelijk zijn?

Er is sprake van een tekortkoming van de schenker, als het verschafte goed niet aan de overeenkomst beantwoordt. Aan de aansprakelijkheid van de schenker zijn beperkingen verbonden, zie art. 7:183 leden 1 en 2 BW.

Wat is een gift?

Gift is een ruim begrip. Het begrip omvangt iedere handeling die er toe strekt dat de handelende een ander ten koste van zijn eigen vermogen verrijkt. Een schenking is ook een gift, maar dan een 'overeenkomst om niet' (er staat dus geen tegenprestatie tegenover). Een voorbeeld van een gift die geen schenking is, is een verkoop van een auto tegen een vriendenprijs. Op andere giften dan schenkingen is titel 7.3 van overeenkomstige toepassing, voor zover de strekking van de betrokken bepaling in verband met de aard van de handeling zich hier niet tegen verzet (art. 7:186 lid 1 BW).

Wat houdt Timesharing C.A. in?

Wat regelt titel 7.1A?

Titel 7.1A gaat over overeenkomsten betreffende het gebruik in deeltijd, vakantieproducten voor lange duur, bijstand en uitwisseling. Het betreft dus de volgende terreinen:

  • Overeenkomsten tot gebruik in deeltijd (timesharing) van overnachtingsaccomodatie, met een duur van meer dan een jaar, art. 7:5a sub c, 7:50b-f BW.

  • Overeenkomsten tot kortingen of voordelen inzake accommodatie, voor langer dan een jaar, art. 7:50a sub d, 7:50g BW.

  • Enkele aanverwante overeenkomsten, met name die tot bijstand bij het verhandelen van zo’n recht of tot de uitwisseling ervan dienen, art. 7:50a sub e-g, 7:50h BW.

Het moet gaan om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, art. 7:50i lid 4 BW. De handelaar moet de consument volgens deze regelaar gedetailleerd informeren, art. 7:50b BW. De overeenkomst dient schriftelijk aangegaan te worden of op een andere duurzame gegevensdrager, art. 7:50d-f BW.

De regeling is van dwingend recht, art. 7:50i lid 2 BW.

Wat is er geregeld omtrent huur?

Waar is huur geregeld?

De huurovereenkomst is neergelegd in titel 7.4. Ook de algemene Boeken 3 en 6 BW en een aantal publiekrechtelijke wetten zijn hierop van toepassing

Wat is een huurovereenkomst?

Dit is de overeenkomst, waarbij de verhuurder zich verbindt aan de huurder een zaak of een deel hiervan in gebruik te verstrekken, en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie, art. 7:201 lid 1 BW. Criteria:

  • Een zaak of een deel hiervan. Het kan om een roerende of een onroerende zaak. Zelfs de muur van een kamer is verhuurbaar. Ex art. 7:201 lid 2 BW zijn ook vermogensrecht verhuurbaar.

  • In gebruik verstrekken. Dit gebruik hoeft niet exclusief of onbeperkt te zijn.

  • Tegenprestatie. Zonder tegenprestatie is er geen sprake van huur, maar van bruikleen. Huurprijs.

Is huur een duurovereenkomst?

De huur blijft enige tijd bestaan, dit maakt het een duurovereenkomst, waaruit voortdurende verbintenissen ontstaan. Dit betekent dat een beëindigingsregeling vereist is, zie art. 7:228, 271-282, 292-300, 6:265 en 6:258 BW.

Hoe komt een huurovereenkomst tot stand?

Een huurovereenkomst komt tot stand door wilsovereenstemming, art. 3:37 lid 1 en 6:217 BW. De meesten worden echter schriftelijk aangegaan. De verhuurder hoeft niet beschikkingsbevoegd te zijn: ook een niet-eigenaar kan een geldige huurovereenkomst aangaan. Hij kan deze echter niet nakomen, hetgeen wanprestatie jegens de huurder oplevert.

Welke verplichtingen heeft een huurder?

De verplichtingen van de verhuurder zijn neergelegd in afdeling 7.4.2.

  • Het feitelijk ter beschikking stellen van de zaak aan de huurder, art. 7:203 BW. Dit vindt plaats door overhandiging (roerende zaak) of door ontruiming en het overhandigen van de sleutels (onroerende zaak).

  • De zaak moet zonder gebrek zijn, art. 7:204-211 BW.

Wat is een gebrek?

Een gebrek is een toestand of andere eigenschap van de zaak, waardoor de zaak de huurder niet het genot kan verschaffen dat deze ervan mocht verwachten, art. 7:204 lid 2 BW. Bijv. lekkage of de verhuurder is geen eigenaar.

Wanneer geldt de reparatieplicht niet?

De verhuurder moet op verlangen van de huurder gebreken verhelpen, art. 7:206 BW. Hij heeft deze reparatieplicht niet als:

  • Verhelpen onmogelijk is of redelijkerwijs niet gevergd kan worden, lid 1.

  • Het gaat om kleine herstellingen, welke de huurder moet verhelpen, lid 2 jo. art. 7:217 BW.

Als de verhuurder het gebrek niet verhelpt, dan kan de huurder zelf repareren de kosten verhalen op de verhuurder, lid 3.

Wat kan een huurder verder doen tegen een gebrek?

De huurder heeft verscheidene acties ingeval van een gebrek:

  • Reparatie, art. 7:206 BW.

  • Evenredige verminderen van de huurprijs, art. 7:207 BW.

  • Schadevergoeding, art. 7:208 BW.

  • Ontbinding, mits het huurgenot volledig onmogelijk is geworden, art. 7:210 BW.

  • Vrijwaring, indien er sprake is van een stoornis door een derde, art. 7:211 BW.

Welke verplichtingen heeft een huurder?

De verplichtingen van de huurder zijn neergelegd in afdeling 7.4.3.

  • Voldoening van de tegenprestatie (huurprijs), art. 7:212 BW.

  • Zich gedragen als een goed huurder, art. 7:213 BW. Dit begrip wordt ingevuld door de verdere bepalingen.

  • Verrichting van kleine herstellingen, op eigen kosten, art. 7:217 BW. Bijvoorbeeld een losse tegel of een lekkende kraan.

  • De zaak ter beschikking stellen aan de verhuurder bij het einde van de huur, art. 7:224 BW.

Wanneer gedraagt iemand zich als goed huurder?

De huurder moet zich ten aanzien van het gebruik als een goed huurder gedragen, art. 7:213 BW. Dit betekent het volgende:

  • De huurder mag de zaak uitsluitend gebruiken voor het gebruik dat is overeengekomen of waartoe zij naar haar aard bestemd is, art. 7:214 BW.\

  • De huurder is niet bevoegd de inrichting of het gedaante van het gehuurde te veranderen, art. 7:215 BW.

  • De huurder is niet bevoegd de zaak aan een ander in gebruik te geven als hij moet aannemen dat de verhuurder hiertegen bezwaar heeft.

  • De huurder dient bepaalde activiteiten te dulden, bijv. renovatie of bezichtiging ingeval van verkoop. Zie art. 7:220 en 223 BW.

  • De huurder moet de verhuurder onverwijld op de hoogte brengen van ontdekte gebreken, art. 7:222 BW.

Welke bijzonderheden gelden bij teruggave aan het einde van de huur?

De huurder moet de zaak ter beschikking stellen van de verhuurder bij het einde van de huur, art. 7:224 lid 1 BW:

  • In dezelfde staat als waarin het aan hem ter beschikking was gesteld. Zie art. 7:224 lid 2 en 218 lid 3 BW.

  • De huurder mag alle door hem aangebrachte toevoegingen en veranderingen ongedaan maken (wegnemingsrecht), mits hij de normale toestand herstelt, art. 7:216 lid 1 BW.

Waar is de aansprakelijkheid van de huurder geregeld?

Indien de huurder tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen, dan beschikt de verhuurder over acties uit het algemene recht. Zie voor de schadevergoeding de afwijkende bepalingen 7:218 leden 1-2, 219 en 225 BW.

Breekt koop huur?

Als de verhuurde zaak wordt overgedragen aan een derde, dan volgt de huur de zaak, art. 7:226 BW. De rechten en verplichtingen van de verhuurder gaan van rechtswege mee over op de derde-verkrijger. De nieuwe eigenaar wordt dus ook de nieuwe verhuurder.

Wanneer eindigt huur?

  • Een huurovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt door het verstrijken van die termijn. Hiervoor is geen opzegging nodig, art. 7:228 lid 1 BW. Bij de huur van woonruimte is wel opzegging nodig.

  • Een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd eindigt door opzegging, art. 7:228 lid 2 BW.

  • Een huurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is verlengd eindigt door opzegging.

  • Een huurovereenkomst kan eindigen door ontbinding wegens een tekortkoming, art. 6:265 BW, of op grond van onvoorziene omstandigheden, art. 6:258 BW. Bij de verhuur van gebouwen ontbindt de rechter de overeenkomst, art. 7:231 BW. Zie ook art. 7:280 BW.

Een huurovereenkomst eindigt niet door de dood van verhuurder of huurder, art. 7:229 BW.

Waar wordt huur van een woonruimte geregeld?

De huur van woonruimten is geregeld in afdeling 7.4.5. De bepalingen hierin zijn overwegend dwingendrechtelijk.

Welke regels gelden omtrent de huurprijs?

De prijzen van woonruimten zijn geregeld in onderafdeling 2 van afdeling 7.4.5. In principe mogen partijen zelf de huurprijs bepalen, maar huurcommissies kunnen de prijs aanpassen, dit is geregeld in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (UHW).

Wat is medehuur en huurvoortzetting?

Medehuur is geregeld in art. 7:266-268 BW. Echtgenoten of geregistreerde partners van huurders van een woonruimte zijn van rechtswege medehuurders, art. 7:226 lid 1 BW. Dit heeft tot gevolg dat de medehuurder samen met de huurder hoofdelijk aansprakelijkheid is voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst en dat het medehuurderschap van rechtswege eindigt wanneer de huurovereenkomst met de oorspronkelijke huurder eindigt.

Onderhuur: een derde huurt van de huurder. Onderhuur wordt bij het einde van de hoofdhuurovereenkomst van rechtswege voortgezet tussen de onderhuurder en de hoofdverhuurder, art. 7:269 lid 1 BW.

Woningruil. Een huurder kan de rechter verzoeken hem te machtigen een ander in zijn plaats als huurder te stellen, art. 7:270 lid 1 BW.

Hoe wordt huur van een woonruimte beëindigd?

Hoofdregel: elke huur van woonruimte moet worden opgezegd, ook al is de huurovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten, art. 7:271 lid 1 BW. De formaliteiten en gevolgen van opzegging zijn dwingendrechtelijk geregeld in art. 7:271-282 BW. Van belang is dat de verhuurder enkel bevoegd is tot opzegging op een beperkt aantal gronden, art. 7:274 BW. Daarnaast blijft een door de verhuurder opgezegde overeenkomst van kracht, totdat de rechter op vordering van de verhuurder het moment van beëindiging heeft vastgesteld, art. 7:272-273 BW. De opzegging moet bij exploit of aangetekende brief plaatsvinden met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn, art. 7:271 lid 3 en lid 5 BW.

Wanneer is sprake van een bedrijfsruimte?

De bijzonderheden voor de huurovereenkomst met betrekking tot een bedrijfsruimte zijn geregeld in de dwingendrechtelijke afdeling 7.4.6. Art. 7:290 BW geeft een beschrijving van het begrip bedrijfsruimte.

Welke bijzonderheden gelden bij een bedrijfsruimte?

  • De huurperiode:

    • Huurovereenkomst van twee jaar of korter, art. 7:301 lid 1 BW: de bepalingen 7:291-300 BW blijven buiten toepassing.

    • Huurovereenkomst voor twee tot vijf jaar: deze geldt van rechtswege voor vijf jaar, art. 7:292 lid 1 BW.

    • Huurovereenkomst voor vijf jaar: deze wordt van rechtswege verlengd tot tien jaar, tenzij er wordt opgezegd. Dit geldt ook voor een periode tussen vijf en tien jaar, art. 7:292 lid 2 en 293 BW.

    • Huurovereenkomst voor tien jaar of langer: eindigt niet door het aflopen van de periode, deze moet worden opgezegd, art. 7:300 lid 2 BW.

  • Opzegging: bij exploit of aangetekende brief, termijn van minstens een jaar, verhuurder heeft een beperkt aantal opzeggingsgronden (7:296), de huurovereenkomst blijft van kracht totdat de rechter het moment van beëindiging heeft vastgesteld (7:295).

  • Huurprijs: beide contractspartijen kunnen nadere vaststelling van de huurprijs door de rechter vorderen.

Wat regelt art. 7:230A BW?

Deze restgroep is geregeld in art. 7:230A BW. Deze bepaling biedt ontruimingsbescherming bij het einde van de huurovereenkomst.

Wat is er geregeld omtrent pacht?

Wat is pacht?

De pachtovereenkomst is geregeld in titel 7.5 (hoofdzakelijk dwingendrechtelijk). Deze bepalingen lijken erg op de huurregeling. Pacht is de overeenkomst, waarbij de verpachter zich verbindt aan de pachter om een onroerende zaak in gebruik te verstrekken ter uitoefening van de landbouw, en de pachter zich verbindt tot een tegenprestatie, art. 7:311 BW.

De voornaamste soorten pacht zijn de ‘normale’ pacht, art. 7:311-384 BW, en de geliberaliseerde pacht, art. 7:397 BW.

Hoe komt een pachtovereenkomst tot stand?

De pachtovereenkomst moet schriftelijk worden gesloten, beëindigd en gewijzigd, art. 7:317 lid 1 BW. Zij moet binnen twee maanden worden verzonden aan de grondkamer ter goedkeuring, art. 7:318 lid, 321 en 322 BW. Sanctie: geen vordering tot het betalen van de pachtprijs. De grondkamer controleert de inhoud en de pachtprijs.

De pachtovereenkomst voor een hoeve heeft in beginsel een looptijd van twaalf jaar en die voor los land van zes jaar, art. 7:325 BW. Na het verlopen van deze periode wordt zij van rechtswege verlengd met zes jaar, tenzij een van de partijen de pachtovereenkomst opzegt.

Krachtens art. 7:361 BW geldt het beginsel ‘koop breekt geen pacht’. Zie huurrecht.

Een pachter kan vorderen dat een naast familielid of een medepachter als pachter in zijn plek wordt gesteld of dat een naast familielid medepachter wordt. Dit is de pachtoverneming, art. 7:363 e.v. BW.

Welke verplichtingen heeft een verpachter?

  1. Het ter beschikking stellen van het verpachte aan de pachter, art. 7:336 BW.

  2. Het verpachte mag geen gebrek hebben, art. 7:337-343 BW.

  3. Wederopbouw van tenietgegane opstallen (door brand of storm), art. 7:345 BW.

  4. Een redelijke vergoeding betalen aan de pachter voor door hem aangebrachte verbeteringen (bij het einde van de pacht), art. 7:350 BW.

  5. Bij het voornemen tot vervreemding: het verpachte eerst aanbieden aan de pachter, art. 7:378 e.v. BW.

Welke verplichtingen heeft een pachter?

  1. Voldoening van de tegenprestatie (pachtprijs), art. 7:346 BW.

  2. Zich gedragen als een goed pachter, art. 7:347 BW. Zie voor een uitwerking van dit begrip de opvolgende bepalingen.

  3. Het verrichten van kleine herstellingen, op eigen kosten, art. 7:351 BW.

  4. Het gepachte weer in goede staat ter beschikking stellen van de verpachter bij het einde van de pacht, art. 7:358 BW.

Indien de pachter in de nakoming van zijn verplichtingen tekortschiet, dan kan de verpachter schadevergoeding vorderen (art. 7:352, 353, 359 BW) of de rechter verzoeken om ontbinding van de pachtovereenkomst, art. 7:376 lid 1 BW.

Wat is geliberaliseerde pacht?

Ingeval van los land kunnen partijen kiezen voor de geliberaliseerde pacht, art. 7:397 BW. Hierop zijn enkele bepalingen van titel 7.5 niet van toepassing. Voornaamste verschillen met de ‘normale’ pacht:

  • Geen verlenging van rechtswege, art. 7:325 lid 5 BW.

  • Geen toetsing van de pachtprijs bij pacht voor maximaal 6 jaar, art. 7:327 e.v. BW.

  • Geen verplichte pachtoverneming, art. 7:363 BW.

  • De pachter heeft geen voorkeursrecht, art. 7:378 e.v. BW.

Wat houdt bruikleen in?

Wat is bruikleen?

Bruikleen is geregeld in art. 7A:1777-1790 BW. Dit is de overeenkomst, waarbij de uitlener aan de bruiklener een zaak om niet in gebruik geeft, onder voorwaarde dat deze de zaak na het gebruik of na een bepaalde termijn zal teruggeven, art. 7A:1777 BW. Verschil met verbruikleen: de uitlener blijft eigenaar van de zaak, de lener wordt houder en dient dezelfde zaak terug te geven, art. 7A:1778 BW. Verschil met huur: de bruiklener hoeft geen tegenprestatie te voldoen.

Bruikleen is een reële overeenkomst, die alleen betrekking heeft op zaken. De bruikleenovereenkomst komt tot stand door de overgave van de zaak.

Welke verplichtingen heeft een bruiklener?

  1. Als een goed huisvader voor het behoud en de bewaring van de geleende zaken zorgen, art. 7A:1781 lid 1 BW.

  2. Teruggave van de zaak, zie art. 7A:1787 BW.

  3. Een bruiklener kan niet worden verplicht tot het verrichten van een tegenprestatie, anders is er sprake van huur!

Welke verplichtingen heeft een uitlener?

Voor de uitlener bestaat geen hoofdverplichtingen op grond van de bruikleenovereenkomst. Als mogelijke nevenverplichting kan art. 7A:1790 BW worden genoemd.

Stampvragen

Vraag 1

Wat is verbruikleen en wat is het verschil met bruikleen?

Vraag 2

Is een schenkingsovereenkomst wel of geen obligatoire overeenkomst?

Vraag 3

Noem twee voorkomende schenkingsbedingen.

Vraag 4

Wat zijn de verplichtingen van de verhuurder? En van de huurder?

Vraag 5

Wat houdt het beginsel ‘koop breekt geen huur’ in?

Vraag 6

Wat is pacht en welke twee soorten zijn er?

Vraag 7

Wat is bruikleen?

Bijzondere overeenkomsten III: wat is er geregeld omtrent werkzaamheden? - Chapter 35

Wat houdt deze groep in?

De volgende hoofdgroep bijzondere overeenkomsten is gericht op het verrichten van werkzaamheden. Onder deze groep vallen opdracht, de reisovereenkomst, de betalingstransactie, de bewaarneming, de aanneming van werk en de overige bijzondere overeenkomsten met betrekking tot werkzaamheden.

Wat houdt de opdracht in?

Wat is opdracht?

De overeenkomst van opdracht is neergelegd in titel 7.7. Dit is een overeenkomst, waarbij de opdrachtnemer zich jegens de opdrachtgever verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het doen vervoeren van zaken of personen, het uitgeven van werken of het bewaren van zaken, art. 7:400 lid 1 BW. Denk bijv. aan de opdracht aan een makelaar, kapper of advocaat.

Waaraan moet de opdrachtnemer voldoen?

  1. De zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen bij de werkzaamheden, art. 7:401 BW.

  2. Het opvolgen van de aanwijzingen van de opdrachtgever, art. 7:402 BW.

  3. Het op de hoogte houden van de opdrachtgever en het doen van rekening en verantwoording, art. 7:403 leden 1-2 BW.

Welke verplichtingen heeft de opdrachtgever?

  1. Het betalen van loon, mits de opdrachtnemer beroeps- of bedrijfsmatig werkt, art. 7:405 lid 1 BW.

  2. Het vergoeden van onkosten, art. 7:406 lid 1 BW.

  3. Het vergoeden van schade, geleden door de verwezenlijking van een aan de opdracht verbonden bijzonder gevaar, art. 7:406 lid 2 BW.

Kan een overeenkomst van opdracht worden opgezegd?

In beginsel eindigt een overeenkomst van opdracht doordat zij wordt volbracht. Voor de tussentijdse beëindiging geldt afdeling 7.7.1.:

  • De opdrachtgever kan te allen tijde opzeggen, art. 7:408 lid 1 BW. Een consument is nooit schadeplichtig, lid 3 en 7:413.

  • De opdrachtnemer kan opzeggen, maar hiervoor gelden beperkingen als hij de overeenkomst bedrijfs- of beroepsmatig is aangegaan, art. 7:408 lid 2 BW.

  • Door de dood van de opdrachtgever- of nemer, art. 7:409-410 BW.

Bij voortijdige beëindiging wordt loonberekening toegepast volgens art. 7:411.

Wat is lastgeving?

Dit is de overeenkomst van opdracht, waarbij de lasthebber zich jegens de lastgever verbindt om voor rekening van de lastgever een of meerdere rechtshandelingen te verrichten, art. 7:414 lid 1 BW. De lastgeving kan de lasthebber verplicht tot, art. 7:414 lid 2 BW:

  • Middellijke vertegenwoordiging.

  • Onmiddellijke vertegenwoordiging.

Verschillen met volmacht: lastgeving is een overeenkomst (volmachtverlening is een eenzijdige gerichte rechtshandeling), lastgeving schept een verbintenis (volmachtverlening schept een bevoegdheid), lastgeving kan strekken tot het handelen in eigen naam (volmachtverlening niet).

De overeenkomst van lastgeving eindigt door opzegging ex art. 7:408 BW. Zie ook art. 7:422 BW.

Wat betekent art. 7:424 BW?

De schakelbepaling van 7:424 zorgt er voor dat de lastgevingsafdeling ook van toepassing is op andere overeenkomsten waarbij de ene partij verplicht of bevoegd is voor rekening van de andere partij rechtshandelingen te verrichten.

Kunnen er tegenstrijdige belangen zijn?

  1. Selbsteintritt. De lasthebber handelt als derde/wederpartij. Zie art. 7:416 BW. Hiertoe is de lasthebber alleen bevoegd indien de inhoud van de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat, dat strijd met de belangen van de lastgever is uitgesloten.

  2. Het dienen van twee heren. De lasthebber handelt ook als lasthebber van de wederpartij/derde. Zie art. 7:417 BW.

Op grond van art. 7:418 is een lasthebber verplicht om de lastgever op de hoogte te stellen van een belangenstrijd buiten art. 7:416-417.

Wat nu wanneer een lasthebber in eigen naam handelt?

Indien de lasthebber in eigen naam met een wederpartij/derde een overeenkomst aangaat, geldt het volgende:

  1. De schadevergoedingsvordering van de lasthebber tegen de derde wordt uitgebouwd, art. 7:419 BW.

  2. De lastgever heeft een directe actie tegen de derde, art. 7:420 BW.

  3. De derde heeft een directe actie tegen de lastgever, art. 7:421 BW.

Wat is een privatieve last?

Partijen kunnen privatieve werking overeenkomen: bedingen dat de lasthebber een aan de lastgever toekomend recht in eigen naam en met uitsluiting van de lastgever zal uitoefenen. Zie art. 7:423 lid 1 BW. De lastgever verliest daardoor, ook jegens derden, de bevoegdheid tot de uitoefening van het betrokken recht. Een dergelijke uitsluiting kan echter niet worden tegengeworpen aan derden die haar kenden noch behoorden te kennen, art. 7:423 lid 1 BW.

Wat is een bemiddelingsovereenkomst?

De bemiddelingsovereenkomst is geregeld in afdeling 7.7.3. Het is een overeenkomst van opdracht, waarbij de opdrachtnemer zich jegens de opdrachtgever verbindt tegen loon als tussenpersoon te zullen werken bij het tot stand brengen van een of meerdere overeenkomsten tussen de opdrachtgever en derden, art. 7:425 BW. Bijv. een makelaar.

De belangrijkste verschillen met lastgeving zijn dat bij bemiddeling de fase vóór de contractsluiting centraal staat, lastgeving strekt tot het sluiten van de overeenkomst zelf en de bemiddelaar handelt steeds in naam van de opdrachtgever, een lasthebber niet. Naast art. 7:425 gelden hier ook art. 7:426 en 427 BW.

Wat is een agentuurovereenkomst?

De agentuurovereenkomst is geregeld in afdeling 7.7.4. Dit is een overeenkomst, waarbij de principaal aan de handelsagent opdraagt en deze zich verbindt, voor onbepaalde of bepaalde tijd en tegen beloning bij de totstandkoming van overeenkomsten bemiddeling te verlenen, en deze eventueel voor rekening en op naam van de principaal te sluiten zonder aan deze ondergeschikt te zijn, art. 7:428 lid 1 BW. Het is een bijzondere vorm van opdracht en van een bemiddelingsovereenkomst: ook de afdelingen 7.7.1 en 7.7.3 zijn van toepassing.

Waar is de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling geregeld?

Deze overeenkomst is geregeld in de dwingendrechtelijke afdeling 7.7.5. Het is een overeenkomst, waarbij een hulpverlener zich in de uitoefening van een geneeskundig bedrijf of beroep jegens de opdrachtgever verbindt tot het verrichten van medische handelingen, art. 7:446 lid 1 BW.

Is toestemming van een patiënt vereist?

Een zestienjarige is bekwaam om voor zichzelf een behandelingsovereenkomst aan te gaan, art. 7:447 lid 1 BW. Voor verrichtingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst is de toestemming van de patiënt vereist, art. 7:448-449 BW.

Waartoe is een hulpverlener verplicht?

  1. De zorg van een goed hulpverlener in acht nemen, art. 7:453 BW.

  2. De patiënt duidelijk infomeren, art. 7:448-449 BW.

  3. Het inrichten van een behandelingsdossier, art. 7:454 en 456 BW.

  4. Het beschermen van de privacy van de patiënt.

Een hulpverlener kan zijn aansprakelijkheid niet uitsluiten of beperken en kan de behandelingsovereenkomst ook niet zomaar opzeggen, art. 7:463 en 460 BW.

Welke verplichtingen heeft een opdrachtgever?

De opdrachtgever is verplicht loon te betalen, art. 7:461 BW. Hij kan de behandelingsovereenkomst opzeggen ex art. 7:408 BW.

Is een ziekenhuis aansprakelijk?

Meestal vindt de uitvoering van een met een hulpverlener aangegane behandelingsovereenkomst plaats in een ziekenhuis. Als de hulpverlener tekortschiet, dan is het ziekenhuis mede aansprakelijk, als ware het zelf contractspartij, art. 7:462 BW. Het ziekenhuis kan de aansprakelijkheid niet uitsluiten of beperken, art. 7:463 BW. Verhaal op de betreffende hulpverlener is wel mogelijk.

Wat houdt de reisovereenkomst in?

Wat is een reisovereenkomst?

De reisovereenkomst is geregeld in titel 7.7A. De reisovereenkomst is beschreven in art. 7:500 BW. Dit is een overeenkomst waarbij een reisorganisatie zich jegens de wederpartij verbindt tot het verschaffen van een door hem aangeboden van tevoren georganiseerde reis die een overnachting of een periode van meer dan 24 uur omvat, plus ten minste twee van de volgende diensten: vervoer, verblijf of een andere toeristische dienst die een significant deel van de reis uitmaakt.

De reisorganisator is degene die, in de uitoefening van zijn bedrijf, op eigen naam aan het publiek of aan een groep personen van tevoren georganiseerde reizen aanbiedt, art. 7:500 lid 1 sub a. In art. 7:500 lid 1 sub c BW wordt omschreven wie een reiziger is.

Welke verplichtingen heeft een reisorganisator?

  • De organisator is verplicht om de overeenkomst overeenkomstig de verwachtingen van de reiziger uit te voeren. Het gaat hier om verwachtingen die de reiziger redelijkerwijs mocht hebben op grond van deze overeenkomst, art. 7:507 lid 1 BW. Dit hangt met name af van de door de organisator verstrekte informatie.

Wanneer de reis niet conform de verwachtingen verloopt is de reisorganisatie verplicht tot betaling van een schadevergoeding, tenzij de tekortkoming niet-toerekenbaar is in de zin van art. 7:507 lid 2 BW. De mogelijkheden tot exoneratie zijn beperkt.

  • De organisator is verplicht hulp en bijstand te verlenen indien de reis niet conform de gerechtvaardigde verwachtingen verloopt, art. 7:507 lid 3 BW.

  • De organisator moet maatregelen nemen die nodig zijn om de reiziger te beschermen tegen eventueel financieel onvermogen van de organisator, art. 7:512 BW.

Welke verplichtingen heeft de wederpartij?

Hoewel titel 7.7A het niet expliciet aangeeft, is het duidelijk dat de wederpartij verplicht is tot het betalen van de overeengekomen reissom.

Hoe kan een reisovereenkomst opgezegd dan wel gewijzigd worden?

De reiziger kan op grond van art. 7:503 lid 1 BW de overeenkomst te allen tijde opzeggen. Hier onderscheiden zich twee situaties:

  • De grond voor opzegging is aan de reiziger toe te rekenen. In dat geval moet hij de reisorganisatie diens schade vergoeden, tot ten hoogste het bedrag van de reissom, art. 7:503 lid 2 BW.

  • De grond voor opzegging is niet aan de reiziger toe te rekenen. Nu heeft hij recht op teruggave of kwijtschelding van de reissom, of een evenredig deel daarvan, art. 7:503 lis 3 BW.

De reisorganisatie kan een reisovereenkomst slechts opzeggen wegens gewichtige, de reiziger onverwijld medegedeelde, omstandigheden (art. 7:504 lid 1 BW). Hij moet dan de reiziger vergoeden in diens vermogensschade plus een bedrag voor het derven van reisgenot.

De reisorganisator kan bedingen dat hij de reisovereenkomst mag wijzigen wegens gewichtige omstandigheden (art. 7:505 BW). De reiziger is bevoegd een ander in zijn plaats te stellen (art. 7:506 BW).

Wat houdt de betalingstransactie in?

Wat is een betalingstransactie?

De betalingstransactie is geregeld in de dwingendrechtelijke titel 7.7 BW. Dit is een door de betaler of de begunstigde geïnitieerde handeling waarbij schuldmiddelen worden gedeponeerd, overgemaakt of opgenomen, art. 7:514 sub k BW. De betalingstransactie is op zichzelf geen overeenkomst. Wel ligt er een overeenkomst tussen betaaldienstverlener en betaaldienstgebruiker aan ten grondslag.

Het uitgangspunt is dat een betalingstransactie slechts mag worden uitgevoerd met instemming van de betaler, art. 7:522 BW. Aan de consequenties van het ontbreken van een deugdelijke betaalopdracht zijn diverse artikelen gewijd.

Tenzij anders is bepaald, kan van titel 7.7B niet ten nadele van de betaaldienstgebruiker worden afgeweken, art. 7:550 lid 1 BW. Het is dus van dwingend recht.

Wat houdt bewaarneming in?

Wanneer is sprake van bewaarneming?

De overeenkomst van bewaarneming is geregeld in titel 7.9. Dit is een overeenkomst, waarbij de bewaarnemer zich jegens de bewaargever verbindt een zaak die de bewaargever hem toevertrouwt te bewaren en terug te geven, art. 7:600 BW.

Welke verplichtingen heeft de bewaarnemer?

Verplichtingen van de bewaarnemer:

  • De zaak bewaren als een goed bewaarder, art. 7:602 BW.

  • Het afdragen van de vruchten, art. 7:604

  • Het teruggeven van de zaak in de staat waarin zij is ontvangen, art. 7:605 BW.

Welke verplichtingen heeft de bewaargever?

Verplichtingen van de bewaargever:

  • Het betalen van loon, mits de waarnemer de overeenkomst heeft gesloten in de uitoefening van bedrijf of beroep, art. 7:601 leden 1-2 BW.

  • Het vergoeden van schade en onkosten, art. 7:601 lid 3 BW.

  • Het terugnemen van de zaak als de bewaarnemer dat vordert, art. 7:605 BW.

Een hotelhouder is als bewaarnemer aansprakelijk voor het verlies en de beschadiging van zaken, die in het hotel zijn meegebracht door een daar verblijvende gast, art. 7:609 BW.

Kent bewaarneming derdenwerking?

De bewaarnemingstitel kent twee bepalingen van derdenwerking. Deze bepalingen leveren afwijkingen op van het uitgangspunt dat overeenkomsten alleen tussen partijen werken. Beide bepalingen betreffen de situatie waarin de zaak beschadigd raakt en het een ander dan de contractuele wederpartij is die, buiten overeenkomst, de bewaarnemer voor de zaaksbeschadiging aanspreekt. Een onderaannemer is jegens de hoofdbewaargever niet verder aansprakelijk dan de bewaarnemer zelf jegens de hoofdaannemer zou zijn, art. 7:608 lid 1 BW. De bewaarnemer is jegens een eventuele derde-eigenaar niet verder aansprakelijk dan hij jegens zijn bewaargever zou zijn, art. 7:608 lid 3 BW. Ten opzichte van een onderbewaarder geldt hiervoor hetzelfde, art. 7:608 lid 3 BW.

Beide regels gelden niet wanneer de (onder)bewaarnemer bij de contractssluiting wist of had behoren te weten dat zijn wederpartij jegens de derde niet bevoegd was om de zaak aan hem in bewaring te geven, art. 7:608 lid 4 BW.

Welke regel geldt met betrekking tot een hotelhouder?

Een hotelhouder is als een bewaarnemer aansprakelijk voor beschadiging of verlies van zaken, die in het hotel zijn meegebracht door een gast die daar zijn intrek heeft genomen, art. 7:609 lid 1 BW. De hotelhouder heeft op die zaken een retentierecht voor al hetgeen hij van de gast te vorderen heeft ter zake van logies, kost, consumpties en als hotelhouder verrichte diensten. Deze regel geldt ook als hij met zijn gast geen bewaarnemingsovereenkomst heeft gesloten.

Wat is er geregeld omtrent aanneming van werk?

Wat is aanneming van werk?

De overeenkomst van aanneming is geregeld in titel 7.12. Dit is de overeenkomst, waarbij de aannemer zich tegenover de opdrachtgever verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door de opdrachtgever te betalen prijs in geld, art. 7:750 lid 1 BW. Denk bijv. aan een overeenkomst tot de bouw van een huis of het overspuiten van een auto. Verschil met de arbeidsovereenkomst: de afwezigheid van een dienstbetrekking. Verschil met de opdracht: ziet op een werk van stoffelijke aard.

Onderaanneming: de aannemer besteedt een deel van het werk uit aan een andere aannemer. Dit komt geregeld voor in de praktijk. Zie art. 7:751 BW.

Welke verplichtingen heeft een aannemer?

Verbintenissen van de aannemer:

  • Het tot stand brengen van het overeengekomen werk.

  • Het opleveren van het werk. Na oplevering is het werk voor risico van de opdrachtgever.

  • Het waarschuwen van de opdrachtgever ongeval van onjuistheden in de opdracht of bij gebreken van de zaken, art. 7:754 BW.

Welke verplichtingen heeft een opdrachtgever?

De opdrachtgever is verplicht tot betaling van de overeengekomen prijs. Wanneer die niet is vastgesteld of slechts een richtprijs bepaald is, dan is hij een redelijke prijs verschuldigd, art. 7:752 lid 1 BW.

Wanneer na de contractssluiting kostenverhogende omstandigheden zich voordoen, kan de aannemer op de voet van art. 7:753 BW in rechte prijsaanpassing vorderen.

Welke gevolgen heeft oplevering voor het risico?

Na de aanvaarding van het werk door de opdrachtgever wordt dit als opgeleverd beschouwd, art. 7:758 lid 1 BW. Na de oplevering is het werk voor risico van de opdrachtgever. Dit betekent dat de opdrachtgever de prijs verschuldigd blijft, ongeacht een eventueel teniet- of achteruitgaan van het werk door een oorzaak die niet aan de aannemer kan worden toegerekend, art. 7:758 lid 2 BW.

Welke bijzonderheden gelden bij niet-nakoming?

  • Indien voor de opleveringsdatum dan wel oplevering waarschijnlijk wordt dat de aannemer of de opdrachtgever niet correct aan zijn verplichtingen zal kunnen voldoen, kan de rechter op vordering van de ander de overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbinden, art. 7:756 BW.

  • Wordt de uitvoering van het werk onmogelijk doordat de bewerkte zaak tenietgaat of verloren raakt, en kan de onmogelijkheid niet aan de aannemer worden toegerekend, dan heeft hij recht op een evenredig deel van de vastgestelde prijs, art. 7:757 lid 1 BW.

  • Indien het werk na oplevering gebreken vertoont waarvoor de aannemer aansprakelijk is, moet de opdrachtgever in de regel de aannemer de gelegenheid geven die gebreken binnen een redelijke termijn weg te nemen. Dit doet niks af aan de aansprakelijkheid van de aannemer, art. 7:759 lid 1 BW.

  • De aannemer is aansprakelijk bij ondeugdelijke uitvoering die te wijten is aan gebreken of ongeschiktheid van door de aannemer gebruikte materialen of hulpmiddelen, art. 7:760 lid 1 BW.

  • De aannemer is niet aansprakelijk voor ondeugdelijke uitvoering die te wijten is aan gebreken of ongeschiktheid van van de opdrachtgever afkomstige goederen. De aannemer is enkel aansprakelijk indien hij had moeten waarschuwen of op een andere manier in zijn deskundigheid of zorgvuldigheid te kort geschoten is, art. 7:754 en art. 7:760 lid 2-3 BW.

  • Elke vordering wegens een gebrek in het opgeleverde verjaart door verloop van twee jaar nadat de opdrachtgever hierover heeft geprotesteerd, art. 7:761 lid 1 BW.

Kan de overeenkomst opgezegd worden?

De opdrachtgever is te allen tijde bevoegd de overeenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen, art. 7:764 lid 1 BW. Hij moet dan wel de aannemer de volledige prijs betalen, verminderd met de voor de aannemer uit de opzegging voortvloeiende besparingen, art. 7:764 lid 2 BW.

Hoe werkt aanneming bij de bouw van een consumentenwoning?

Titel 7.12 bevat een aantal bijzondere bepalingen inzake de bouw van een woning in opdracht van een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, art. 7:765 BW. Er is een vormvereiste voor het geschrift, art. 7:766 lid 1 BW. Er geldt een wettelijke bedenktijd van drie dagen, art. 7:766 lid 2 BW. De opdrachtgever kan niet tot vooruitbetaling worden verplicht, art. 7:767 BW.

Welke overige overeenkomsten betreffende werkzaamheden zijn er?

Welke andere bijzondere overeenkomsten betreffende werkzaamheden zijn er?

  1. De arbeidsovereenkomst, titel 7.10.

  2. De personenvennootschap, titel 7.13.

  3. De vervoersovereenkomst, Boek 8.

Stampvragen

Vraag 1

Wat zijn de kenmerken van een overeenkomst van opdracht?

Vraag 2

Wat is lastgeving en welke twee vormen van tegenstrijdige belangen zijn hierbij mogelijk?

Bijzondere overeenkomsten IV: welke overige typen zijn er? - Chapter 36

Wat wordt in dit hoofdstuk besproken?

In dit hoofdstuk worden borgtocht, vaststellingsovereenkomst en resterende bijzondere overeenkomsten besproken. Dit is de restgroep van de overige bijzondere overeenkomsten.

Wat houdt borgtocht in?

Wat is borgtocht?

De borgtocht wordt geregeld in titel 7.14. Het is een overeenkomst, waarbij de borg zich jegens de schuldeiser verbindt tot nakoming van een verbintenis, die een derde (hoofdschuldenaar) tegenover de schuldeiser heeft of zal krijgen, art. 7:850 lid 1 BW. Op deze wijze heeft de schuldeiser persoonlijke zekerheid.

Heeft het verband met de hoofdverbintenis?

  1. Indien de hoofdverbintenis tenietgaat of de verjaring van de hoofdvordering wordt voltooid, dan gaat ook de borgtocht teniet, art. 7:851 lid en 853 BW.

  2. Indien de hoofdvordering overgaat op een ander, gaan ook de rechten uit borgtocht mee over en kunnen zij door de nieuwe schuldeiser worden uitgeoefend, art. 7:851 BW.

  3. De borg hoeft niet te presteren voordat de hoofdschuldenaar te kort is geschoten (en ev. in verzuim is geraakt), art. 7:855 jo. 6:74 BW.

  4. De verweermiddelen van de hoofdschuldenaar die zien op het bestaan, het moment van nakomen en de inhoud van zijn verbintenis, kunnen ook worden ingeroepen door de borg, art. 7:852 BW.

  5. Op de borgtocht zijn de regels omtrent hoofdelijke verbintenissen van toepassing, art. 7:850 lid 3 BW.

Wat is particuliere borgtocht?

Afdeling 7.1.4.2 heeft betrekking op de particuliere borgtocht. Dit is de borgtocht die is aangegaan door een natuurlijk persoon, art. 7:857 BW.

Werkt borg tegen derden?

In afdeling 7.1.4.3. worden de rechtsbetrekkingen tussen de borg en andere bij de verbintenis betrokken personen geregeld. Via art. 7:865 BW is ook art. 6:2 op deze betrekkingen van toepassing, zodat de relaties door redelijkheid en billijkheid worden beheerst.

De borg die de schuldeiser heeft uitbetaald, heeft volgens de algemene hoofdelijkheidsregels regres op de hoofdschuldenaar, art. 7:850 lid 3 jo 6:10 BW. Art. 7:866 lid 1 BW bepaalt dat het gehele door de borg betaalde bedrag -inclusief rente en kosten- voor rekening van de hoofdschuldenaar komt. De verweermiddelen die de hoofdschuldenaar tegenover de schuldeiser had op het moment van ontstaan van de regresvordering, kan hij ook tegen de borg inroepen, art. 7:866 BW.

Wat is een vaststellingsovereenkomst?

Wat is een vaststellingsovereenkomst?

De vaststellingsovereenkomst is neergelegd in titel 7.15. Bij deze overeenkomst binden partijen, ter beëindiging of voorkomen van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, art. 7:900 lid BW. Het doel van de vaststellingsovereenkomst is het verkrijgen van rechtszekerheid.

De vaststellingsovereenkomst kan vernietigd worden wegens dwaling, art. 6:228 BW. Vanwege het bijzondere karakter van deze overeenkomst moet dit echter terughoudend benaderd worden.

Hoe komt vaststelling tot stand?

De vaststelling kan langs de volgende wegen tot stand komen, art. 7:900 lid 2 BW:

  • Krachtens een beslissing van de contractspartijen zelf.

  • Krachtens een aan één van contractspartijen opgedragen beslissing: bindende partijbeslissing.

  • Krachtens een aan een derde opgedragen beslissing: bindend advies.

Wat is een dispositief stelsel?

Onze wet gaat uit van het dispositieve stelsel: de totstandkoming van de vaststelling is gebonden aan de vereisten waaraan moet worden voldaan om de met de beslissing beoogde rechtstoestand te doen ontstaan, art. 7:901 lid 1 BW.

Is een vaststelling in strijd met de wet mogelijk?

Een vaststelling is geldig als zij in strijd mocht blijken met dwingende regels. Alleen als zij naar inhoud of strekking in strijd is met de openbare orde of de goede zeden, is zij ongeldig, art. 7:902 BW.

Wie kan de beslissing nemen die nodig is voor de vaststelling?

Partijen kunnen de beslissing die nodig is voor de vaststelling opdragen één van hen (bindende partijbeslissing) of aan een derde (bindend advies), art. 7:900 lid 2 BW. Opmerkingen:

  • De ontbinding van de vaststellingsovereenkomst wegens contractschending kan niet meer geschieden door een eenzijdige verklaring en de rechter kan de vordering tot ontbinding afwijzen als de eiser andere acties heeft, art. 7:905 BW.

  • De beslissing van de betrokkene is vernietigbaar als gebondenheid hieraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, art. 7:904 lid 1 BW.

Wat is een massaschadeovereenkomst?

De collectieve afwikkeling van massaschade (bijv. bij een beroepsziekte of een ramp) is geregeld in art. 7:907-910 BW. Er wordt dan een (vaststellings)overeenkomst gesloten tussen een stichting of vereniging die de belangen van slachtoffer behartigt en aansprakelijkheden. De rechter kan de overeenkomst verbindend verklaren voor slachtoffers/derden, art. 7:907 BW.

Welke resterende overeenkomsten zijn er?

Welke overige bijzondere overeenkomsten kennen we?

  1. De verzekering, titel 7.17.

  2. Lijfrente, titel 7.18.

  3. Orderbriefjes en wissels, art. 100-177K.

  4. Cheques, art. 178-229K.

Wat is het overgangsrecht bij het vermogensrecht? - Chapter 37

Wat is overgangsrecht?

De verschillende boeken van het BW zijn op diverse data ingevoerd. Wat is het effect van de inwerkingtreding van de nieuwe wet op relaties die op dat moment al aanwezig waren? Het overgangsrecht geeft antwoord op dit soort vragen.

Welke mogelijkheden kan de wetgever kiezen?

  • De nieuwe wet wordt op reeds bestaande rechtsverhoudingen niet toepasselijk: deze blijven door het oude recht beheerst. Dit noemen we de eerbiedigende werking.

  • De nieuwe wet wordt op reeds bestaande rechtsverhoudingen wel toepasselijk. Hierbij bestaan drie varianten:

    • Terugwerkende kracht: de nieuwe wet, eenmaal in werking getreden, is reeds met ingang van een vóór haar inwerkingtreding gelegen moment op bestaande rechtsverhoudingen van toepassing.

    • Onmiddellijke werking: de nieuwe wet is met ingang van het moment van haar inwerkingtreding op bestaande verhoudingen van toepassing.

    • Uitgestelde werking: de nieuwe wet is eerst met ingang van een ná haar inwerkingtreding gelegen moment op bestaande verhoudingen van toepassing.

Welke beginselen kent de overgangswet voor boeken 3-8 BW?

  • Onmiddellijke werking (art. 68a Ow). Dit betekent dat van het tijdstip van inwerkingtreding af de nieuwe wet van toepassing is, indien op dit tijdstip is voldaan aan de door deze nieuwe wet voor een rechtsgevolg gestelde vereisten.

  • Eerbiediging van verkregen rechten (art. 60 Ow). Dit beginsel stelt grenzen aan de consequenties van de onmiddellijke werking. In dit artikel zijn een vijftal consequenties opgenomen die niet het gevolg zijn van het toepasselijk worden van een nieuwe wet.

  • Redelijkheid en billijkheid (art. 75 Ow). Het overgangsrecht wordt mede beheerst door redelijkheid en billijkheid: indien de toepassing van een nieuw wetsartikel in de gegeven omstandigheden naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, dan blijft dat artikel buiten toepassing.

Welke gevolgen heeft het overgangsrecht voor rechtshandelingen?

Het oude en het nieuwe BW onderscheidt onaantastbaar-geldige, nietige en vernietigbare rechtshandelingen. Er ontstaat een probleem indien een probleem onder het oude BW onder een categorie valt en bij het nieuwe BW onder een andere. De overgangswet heeft hiervoor art. 79-81. De volgende situaties kun je onderscheiden:

  • De rechtshandeling was onaantastbaar-geldig, maar zou nu nietig of vernietigbaar worden. Op grond van art. 79 Ow behoudt de rechtshandeling haar onaantastbaar-geldig status.

  • De rechtshandeling was vernietigbaar, maar wordt door de nieuwe wet als onaantastbaar-geldig gemaakt. De handeling wordt onaantastbaar-geldig, art. 80 lid 1 Ow.

De rechtshandeling was vernietigbaar, maar wordt door de nieuwe wet als nietig aangemerkt. De handeling wordt nietig, en wel met terugwerkende kracht, art. 80 lid 2 Ow.

  • De rechtshandeling was nietig, maar wordt door de nieuwe wet als onaantastbaar-geldig aangemerkt. De handeling wordt onaantastbaar-geldig, mits alle onmiddellijke belanghebbende die zich op de nietigheid hadden kunnen beroepen, haar voordien als geldig hebben aangemerkt, art. 81 lid 1 en 3 Ow.

De rechtshandeling was nietig, maar wordt door de nieuwe wet als vernietigbaar aangemerkt. De handeling wordt nu vernietigbaar, mits alle onmiddellijke belanghebbenden die zich op de nietigheid hadden kunnen beroepen, haar voordien als geldig hebben aangemerkt, art. 81 lid 2 en 3 Ow.

Hoe verhoudt onmiddellijke werking zich tot verkrijging en verlies van goederen?

De hoofdregel van onmiddellijke werking geeft in dit geval weinig problemen. Indien de -door het oude recht gestelde- vereisten voor de verkrijging of het verlies vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet zijn vervuld, dan is het goed reeds verkregen of verloren zonder dat de nieuwe wet daaraan nog iets verandert. Wanneer de -door het oude recht gestelde- vereisten op de datum van de inwerkingtreding van de nieuwe wet nog niet allemaal zijn vervuld, dan wordt de verkrijging c.q. het verlies beheerst door de nieuwe wet.

Wat betekent overgangsrecht voor derdenbescherming bij verkrijging van goederen?

  • Bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid.

    • Bescherming krachtens art. 3:86 BW. Indien zich voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet reeds een eigendomsverkrijging krachtens oud recht heeft voorgedaan, bestaan geen overgangsproblemen. Als de zaken voor inwerkingtreding waren ontvreemd, is er wel een probleem. Art. 3:86 BW gaat de rechtsverhouding dan een jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe wet beheersen, art. 88 lid 1 Ow.

    • Bescherming krachtens art. 3:88 BW. Er zijn geen bijzondere overgangsproblemen waardoor de hoofdregel van onmiddellijke werking voldoende is.

  • Bescherming in verband met de openbare registers. De derdenbeschermingsbepalingen van art. 3:24-26 hebben uitgestelde werking. Met betrekking tot voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet voorgevallen feiten worden zij pas drie jaar na die inwerkingtreding van toepassing, art. 78 lid 3 Ow.

  • Bescherming krachtens art. 3:36 BW. Dit algemene derdenbeschermingsartikel heeft op de gewone voet onmiddellijke werking, art.68a Ow. Dit artikel geldt dus ook ten aanzien van reeds voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet geschiede verklaringen of gedragingen.

Wat regelt het overgangsrecht voor fiduciaire eigendom?

De fiduciaire overdracht wordt door het huidige BW onmogelijk gemaakt. De Overgangswet geeft ter zake een conversiebepaling: bestaande fiduciaire verhoudingen wordt op het moment dat de nieuwe wet in werking treedt omgezet in bezitloze c.q. stille pandrechten, art. 86 lid 1 Ow.

Welke gevolgen heeft het overgangsrecht voor tekortkoming?

Wanneer een schuldenaar voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet in de nakoming van zijn verbintenis is tekortgeschoten, dan verandert de inwerkingtreding niets aan de gevolgen van die tekortkoming, art. 182 Ow. De rechtsverhouding blijft door het oude recht beheerst.

De bevoegdheid tot opschorting berust niet op een tekortkoming, hiervoor geldt art. 180 Ow, dat onmiddellijke werking voorschrijft.

Welke gevolgen heeft het overgangsrecht voor aansprakelijkheid voor onrechtmatige daad?

De aansprakelijkheid voor onrechtmatige daad wordt beheerst door de hoofdregel van de onmiddellijke werking, art. 68a Ow. Wanneer voor de invoering van de nieuwe wet de vereisten voor aansprakelijkheid krachtens het oude recht voltooit waren, is er aansprakelijkheid ingetreden krachtens het oude recht. De nieuwe wet verandert hier niets aan. Wanneer op het moment van invoering van de nieuwe wet krachtens het oude recht geen of nog geen aansprakelijkheid bestond, maar de op dat moment aanwezige feiten naar de nieuwe wet wel aansprakelijkheid zouden meebrengen, blijft aansprakelijkheid uit. De invoering van de nieuwe wet doet geen vorderingsrechten ontstaan, art. 69 sub d Ow. Wanneer op het moment van invoering van de nieuwe wet krachtens het oude recht geen of nog geen aansprakelijkheid bestond, maar nadien de vereisten worden voltooid die door de nieuwe wet aan de aansprakelijkheid worden gesteld, dan treedt aansprakelijkheid krachtens het nieuwe recht in.

Welke gevolgen heeft het overgangsrecht voor onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking?

Met betrekking tot de onverschuldigde betaling en de ongerechtvaardigde verrijking wordt afgeweken van de hoofdregel van onmiddellijke werking. Als bij het ontstaan van de vordering de rechtsverhouding door het oude recht wordt beheerst, dan worden de nieuwe wetsbepalingen niet van toepassing (art. 190 Ow).

Welke gevolgen heeft het overgangsrecht voor de algemene voorwaarden?

Om de praktijk wat tijd te gunnen om de algemene voorwaarden aan het nieuwe recht aan te passen, heeft de wetgever hier gekozen voor uitgestelde werking. Op door een partij reeds gebruikte algemene voorwaarden wordt de nieuwe wet pas een jaar na haar inwerkingtreding toepasselijk, art. 191 lid 1 Ow.

Welke gevolgen heeft het overgangsrecht voor koop en ruil?

De bepalingen voor koop en ruil hebben uitgestelde werking. Op voor de inwerkingtreding gesloten overeenkomsten wordt de titel pas een jaar na die inwerkingtreding van toepassing, art. 196 lid 1 Ow. De speciaal voor de consumentenkoop geschreven bepalingen worden op reeds bestaande overeenkomsten zelfs in het geheel niet van toepassing, art. 196 lid 2 Ow. Lid 3 bevat echter een uitzondering hierop. Als koper of verkoper eerst na de inwerkingtreding tekortschiet, dan is op de gevolgen van de niet-nakoming toch het nieuwe recht van toepassing.

 

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.