Time spent in child care: How and why does it affect social development? - Huston e.a. - 2015 - Artikel


Over het algemeen komt er uit onderzoek dat kinderen, die op jonge leeftijd veel tijd in de kinderopvang door hebben gebracht, grotere kans hebben op gedragsproblemen. Deze kans is lager als de zorg van hoge kwaliteit is. Echter is er ook onderzoek dat laat zien dat hoge kwaliteit kinderopvang kan leiden tot positieve sociale vaardigheden, verminderd probleemgedrag en verbeterde vroege cognitieve ontwikkeling. De grootste reden waarom kinderen naar de kinderopvang gaan is omdat beide ouders werken..

Hoeveelheid tijd in de kinderopvang

Als kinderen te weinig aandacht krijgen van hun moeder kan dit leiden tot een onzekere hechting, wat tot sociale en emotionele aanpassingsproblemen kan leiden. Kinderopvang in de vroege kindertijd, maar niet latere zorg, heeft verhoogde niveaus van ontwijkende onzekere hechting met de moeder tot gevolg. Echter is kinderopvang ook geassocieerd met sociale competentie met leeftijdsgenoten. Tijd in de kinderopvang blijkt een cumulatieve risico factor te zijn. Er moet dus altijd gekeken worden naar wanneer de zorg startte, hoe vaak het was en voor hoe lang.

In Amerika blijkt ongeveer 72% van de kinderen in hun eerste levensjaar naar de kinderopvang te gaan. De meeste kinderen blijven in de kinderopvang gedurende hun peutertijd. Als kinderen veel zorg krijgen in hun eerste levensjaren is dit gerelateerd aan externaliserend gedrag en conflict met de leraar. Echter bleek uit onderzoek dat deze associaties niet meer significant waren toen de kinderen in klas 3 en  6 zaten. In klas 9 bleek meer zorg gerelateerd te zijn aan meer impulsiviteit en risicovol gedrag. Deze relatie werd gedeeltelijk gemedieerd door externaliserend gedrag in de eerste schooljaren.

Er kan sprake zijn van meer externaliserend gedrag in kinderen die meer dan 30 uur per week in de kinderopvang zijn. Daarnaast vond onderzoek een relatie tussen tijd in de kinderopvang en minder zelfcontrole, meer negatieve aanpassing, meer agressie en minder sociaal gedrag. Echter zijn er ook studies geweest die geen van deze relaties gevonden hebben. Resultaten zijn dus inconsistent. In de studies waar de relaties wel gevonden zijn, zien we vaak een lineaire toename van gedragsproblemen met het aantal uur in de kinderopvang. Daarnaast kan tijd in de kinderopvang leiden tot verhoogde cortisol niveaus, wat ook gerelateerd is aan externaliserend gedrag. Dit varieert afhankelijk van familie risico en individueel temperament. Er zijn echter ook studies die lagere cortisol niveaus vonden bij kinderen die vaak naar de kinderopvang gingen of geen relaties met cortisol niveaus.

Causale relatie

De meeste studies leiden tot correlationele bevindingen. Er zijn echter ook studies die de causale relatie tussen kwantiteit van zorg en externaliserend gedrag hebben onderzocht. Deze causale relatie werd in enkele studies gevonden. Echter werden de causale relaties niet gevonden in striktere modellen.

Leeftijd

Het is moeilijk om onderzoek te doen naar het effect van kinderopvang in verschillende ontwikkelingsperioden, omdat zorg vaak cumulatieve effecten heeft. Onderzoek heeft geen sterkere relaties gevonden tussen kinderopvang in de vroege kindertijd en probleemgedrag dan kinderopvang in andere ontwikkelingsperioden. In een andere studie werd echter gevonden dat zorg in de kinderopvang voor het eerste levensjaar gerelateerd was aan minder oppositioneel gedrag, dan geen kinderopvang of kinderopvang op latere leeftijd.

Waarschijnlijk is de periode van 1 tot 3 jaar het meest beïnvloedbaar door zorg in de kinderopvang, omdat er in de peutertijd meer mogelijkheden zijn voor interacties met leeftijdsgenoten en competitie voor middelen. Echter zijn peuters nog moeilijk in staat dingen te verbaliseren, conflicten zonder agressie op te lossen en het perspectief van anderen in te nemen. De kinderopvang zou daarom een belangrijke rol kunnen hebben in het vormen van interacties, het promoten van positief gedrag en het aanleren van niet-agressieve manieren om conflicten op te lossen. Echter blijkt uit onderzoek dat de meeste kinderopvangen maar van middelmatige kwaliteit zijn. Er wordt betere sociale integratie gevonden als de verzorgers meer positief gedrag laten zien.

Etniciteit, inkomen, risico en geslacht

De relatie tussen kinderopvang en probleemgedrag wordt vaker gevonden onder blanke kinderen dan onder Afrikaans Amerikaanse en Hispanic kinderen. Daarnaast is deze relatie niet evident in families met erg lage inkomens. In families met veel risicofactoren kan kinderopvang zelfs positieve effecten hebben. Deze resultaten zouden kunnen komen doordat deze gezinnen thuis vaak minder middelen hebben en dat de kinderopvang daarom veel mogelijkheden biedt voor positief sociaal leren. Daarnaast is er meer mogelijkheid voor het verrijken van de omgeving in een kinderopvang dan in een gezin met weinig inkomen. Dit komt overeen met de compensatie hypothese: kinderopvang biedt weerstand tegen de vele risicofactoren. Er lijken geen verschillen te zijn in de relatie tussen kinderopvang en probleemgedrag voor jongens en meisjes.

Conceptualisaties van sociaal gedrag

De relatie tussen kinderopvang en negatief gedrag wordt vooral gevonden in de beoordeling van leraren voor externaliserend gedrag en minder vaak in rapporten van ouders of beoordelingen van leraren over internaliserend gedrag en positieve sociale vaardigheden. Leraren zien kinderen in een andere setting dan ouders, waarin de kinderen veel interacties hebben met andere kinderen. Daarnaast kan het gedrag van kinderen anders zijn in verschillende situaties.

Ook gebruikt iedereen een andere definitie van bepaald gedrag. Onder competentie met leeftijdsgenoten wordt bijvoorbeeld gezien dat het kind andere kinderen proactief en positief benaderd, anderen vraagt te spelen, speelgoed deelt en aan pretend play doet. Onder externliaserend gedrag wordt agressie, uitdaging, ruzie maken en driftbuiten verstaan. Uit onderzoek blijkt dat kinderen die vaker conflicten hebben ook socialer zijn en meer positieve interacties hebben. Er zijn relaties gevonden tussen agressie en prosociaal gedrag. Een beetje agressie kan ook adaptief zijn in succesvolle relaties.

Moeder-kind relaties

Onderzoek heeft geen relatie gevonden tussen de tijd die de moeder met haar kind doorbrengt in de eerste drie levensjaren en de hechting. Er is weinig bewijs dat veel niet-moederlijke zorg tijdens de vroege kindertijd leidt tot onzekere hechting. Er werd wel gevonden dat de moeders van blanke kinderen, die veel in de kinderopvang waren, minder gevoelig waren. Echter zijn moederlijke gevoeligheid en hechting geen mediërende factoren in de relatie tussen kinderopvang en probleemgedrag. Moeders wiens werkpatroon matched met hun ideeën over de kosten en voordelen van werken zaten beter in hun vel en waren gevoeliger dan moeders wiens ideeën conflicteerden met hun gedrag. Dit leidde tot minder probleemgedrag bij de kinderen en betere sociale aanpassing.

Kwaliteit van zorg

Hogere kwaliteit kinderopvang is gerelateerd aan betere sociale vaardigheden en minder externaliserend gedrag dan lagere kinderopvang kwaliteit. Echter zijn de effectgrootten maar klein. Er zijn ook onderzoeken die deze relatie niet gevonden hebben. Wellicht kan hogere zorgkwaliteit de negatieve effecten van veel tijd in de kinderopvang deels verminderen, maar blijven kwaliteit en kwantiteit onafhankelijke effecten hebben op sociaal gedrag.

Relaties met leeftijdsgenoten

In de kinderopvang hebben kinderen veel interacties met leeftijdsgenoten, die zowel positief als negatief kunnen zijn. In grotere groepen komen negatievere interacties vaker voor, met meer agressie en minder pretend play. In kleinere groepen is het welzijn van kinderen en de samenwerking tussen kinderen hoger. Positievere interacties in de kinderopvang hebben een relatie met minder probleemgedrag op latere leeftijden, terwijl negatievere interacties leiden tot meer agressie en minder sociale vaardigheden op latere leeftijden.

Kinderen laten meer sociaal gedrag zien naar leeftijdsgenoten als de verzorgers positief en ondersteunend zijn. Als er veel gedragsproblemen zijn en slechte leraar-kind relaties in een klas dan is er meer risico op het ontwikkelen van agressief en verstorend gedrag of sociale terugtrekking. Echter blijkt uit onderzoek dat interacties met leeftijdsgenoten het effect van de kwantiteit van de zorg op probleemgedrag niet kan verklaren.

Toekomstig onderzoek

Er moet meer onderzoek gedaan worden naar de condities waarin positieve interacties tussen leeftijdsgenoten ontstaan en hoe leraren en verzorgers hier aan kunnen bijdragen. Daarnaast is er een gebrek aan kennis over hoe de kinderopvang sociaal en emotioneel leren tijdens de peutertijd kan promoten. Daarnaast kan de tijd van de dag invloed hebben op het probleemgedrag en de cortisolniveaus en moet het onderzoek dus niet beperkt worden tot de ochtenden. Als laatste moet er meer gekeken worden naar individuele verschillen in temperament, sociaal gedrag, angstigheid en inhibitie.

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.