Samenvatting Rechtspersonen binnen het Nederlands Burgerlijk Recht

Samenvatting betreffende Rechtspersonen binnen het Nederlands Burgerlijk Recht de op basis van Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands burgerlijk recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel 2-I*. De rechtspersoon, 135 - 151 - Kroeze. Samenvatting geschreven in 2017


Normen van privaatrecht gelden voor privaatrechtelijke rechtspersonen. Bij de oprichting van een privaatrechtelijke rechtspersoon moet je dus de normen van het privaatrechtelijke rechtspersonenrecht respecteren.

Privaatrechtelijke rechtspersonen

Je spreekt van een privaatrechtelijke rechtspersoon, wanneer de organisatie en inrichting door het privaatrecht wordt beheerst. De privaatrechtelijke rechtspersoon ontstaat over het algemeen door een privaatrechtelijke rechtshandeling. In het Nederlandse recht zijn de privaatrechtelijke rechtspersonen met rechtspersoonlijkheid weergegeven. Wanneer de rechtspersoonlijkheid niet in de wet is weergegeven, heeft de organisatie over het algemeen geen rechtspersoonlijk en is dus geen rechtspersoon. De rechtspersoonlijkheid bestaat wanneer de wet die toekent. Het is echter ook mogelijk dat bepaalde organisaties rechtspersoonlijkheid hebben, terwijl dit niet is opgenomen in de wet. Dit is vaak het geval wanneer er voorzieningen worden gegeven in de wet. Scholten heeft verdedigd dat de commanditaire vennootschap en de vennootschap onder firma hier ook onder vallen.

Gesloten stelsel?

Het is de taak van de wetgever om de vorm van rechtspersoonlijkheid vast te leggen in de wet. De wetgever is immers bevoegd om het systeem van het privaatrecht te bepalen. Je dient echter niet aan te nemen dat de rechtspersoonlijkheid enkel op een wettelijke grondslag kan berusten. Niet alleen de rechter kan rechtspersoonlijkheid toebedelen. Partijen kunnen echter weer niet vrijelijk een rechtspersoon oprichten. Het gesloten stelsel wil de twijfel wegnemen over het feit of iemand rechtspersoonlijkheid toekomt en wil daarmee bijdragen aan rechtszekerheid. De wetgever is wel competent om vast te stellen of een bepaalde organisatie al dan niet rechtspersoonlijkheid heeft.

Huwelijksgemeenschap en nalatenschap

In de literatuur verdedigt men dat nalatenschap en huwelijksgemeenschap rechtspersonen zijn. Onder dit idee laat men het idee dat de rechtspersoon een zelfstandig subject van rechten en verplichtingen is los. Dit idee is echter in strijd met het idee achter boek 2 BW.

Privaatrechtelijke rechtspersonen van boek 2

Boek 2 onderscheidt zes typen van privaatrechtelijke rechtspersonen. Het noemt de volgende rechtspersonen: verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en stichtingen.

Privaatrechtelijke rechtspersonen van Europese origine

Het gaat in dit geval om de Europese vennootschap, de Europese coöperatieve vennootschap en het Europees economisch samenwerkingsverband. Als deze rechtspersonen een zetel in Nederland hebben, zijn ze privaatrechtelijke rechtspersonen.

Deze Europese privaatrechtelijke rechtspersonen zijn geïntroduceerd op de grondslag van 352 VWEU. Dit artikel houdt in, dat de EU buiten haar bevoegdheden kan treden wanneer dit nodig is om de doelstellingen te verwezenlijken. Bij de besluitvorming is echter unanimiteit vereist. Bij een grensoverschrijdend samenwerkingsverband hoeft niet langer te worden gekozen voor een vennootschapsvorm naar nationaal recht. De rechtspersonen van Europese origine bieden ruimere mogelijkheden voor grensoverschrijdende fusie en zetelverplaatsing dan de nationale rechtspersonen.

Vereniging

Een vereniging is een samenwerkingsverband van leden met een bepaald doel (art. 2:26 lid 1 BW). Hier heeft men de volgende zinsnede aan toegevoegd: anders dan een doel dat is omschreven in artikel 53 lid 1 of lid 2. Met deze toevoeging wil men de scheidslijn aangeven tussen de vereniging enerzijds en de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij anderzijds. Met de verklaring van de vereniging tot rechtspersoon wil boek 2 BW een oplossing geven voor de controversen die zich in het verleden voor hebben gedaan. In de vroegere oplossing was een duidelijk criterium voor de rechtspersoonlijkheid van een vereniging. Niet elk samenwerkingsverband dat geen coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij is, is een vereniging in de zin van boek 2. Voor het zijn van een vereniging is het nodig dat de oprichters bij een meerzijdige rechtshandeling een rechtspersoon tot stand brengen. Je dient een onderscheid te maken tussen samenwerkingsverbanden die bij notariële akte zijn opgericht of wier statuten overeenkomstig art. 2:8 BW in een notariële akte zijn opgenomen enerzijds en andere samenwerkingsverbanden anderzijds. In de eerste geval is het een vereniging. Doordat men het vastlegt in een notariële akte, geeft men aan dat men een rechtspersoon tot stand wil brengen. Informele samenwerkingsverbanden zijn in hun aard geen vereniging. Voor het bestaan van een informele vereniging zijn er drie eisen geformuleerd: een ledenbestand, een organisatorisch verband opgericht voor een bepaald doel en een organisatie die als een eenheid deelneemt aan het rechtsverkeer. De regels hoeft men niet schriftelijk vast te leggen.

De vraag of een club is aan te merken als een vereniging in de zin van art. 2:30 lid 2 BW is van belang, omdat de bestuurders van een informele vereniging hoofdelijk verbonden zijn voor de schulden uit een rechtshandeling die tijdens hun bestuur opeisbaar worden. Meijers heeft de grens tussen vereniging en vennootschap willen zoeken in het criterium van de vrijheid van toe- en uittreding van leden. Volgens hem ontstond een vereniging door een rechtshandeling, waarbij de partijen besluiten voor een bepaald doel volgens door hen gestelde regels samen te werken, mits de samenwerking door de mogelijkheid van toe- en uittreden van leden niet aan het bestaan van een bepaalde persoon is gebonden. Bij een personenvennootschap brengt toe- en uittreding een structurele wijziging teweeg. Voor het aangaan van een personenvennootschap stelt de wet geen formele vereisten. Een overeenkomst is een maatschap, indien ze onder de omschrijving van art. 7A:1655 BW valt en voor de VOF wanneer deze onder de omschrijving van art. 16 WVK valt.

Wijze van afbakening

Een formele vereniging, die de kenmerken heeft van een personenvennootschap, is een vereniging en geen personenvennootschap. Een organisatie die niet een formele vereniging is en geen coöperatie, is een personenvennootschap. Zij dient dan echter wel te voldoen aan de vereisten die gelden voor de personenvennootschap. Het is bezwarend als partije,n zonder aan enige formaliteit te voldoen, met het gebruik van het woord vereniging of rechtspersoon, kunnen bereiken dat hun overeenkomst van een personenvennootschap een vereniging is. De aard van de houding is beslissend voor de kwalificatie. Het bevordert de rechtszekerheid wanneer een organisatie die formeel een vereniging is in het rechtsverkeer geldt als vereniging. De informele organisatie is een personenvennootschap, mits zij die kenmerken bezit. De vraag is dan wat die kenmerken zijn. Het voordeel voor de deelnemers is onvoldoende om een personenvennootschap aan te nemen. Om van een vereniging te spreken, moet er voldaan zijn aan het ledenbestand, een organisatorisch verband opgericht voor een bepaald doel en een organisatie die als eenheid aan het rechtsverkeer deelneemt.

Herziening verenigingsrecht

De rechtspersoonlijkheid werd eerst afhankelijk gesteld van erkenning door de wet of door de Kroon. Erkenning door de wet was vereist voor een vereniging die was aangegaan voor onbepaalde tijd of voor dertig jaar of langer.

Vereniging van eigenaars

Een type van een vereniging is de vereniging van eigenaars van appartementen. Hiervoor zijn voorzieningen gegeven in art. 5:124 BW. In dit artikel wordt de vereniging van eigenaars verklaard als een rechtspersoon.

Coöperatie

Wat een coöperatie is blijkt uit art. 2:53 lid 1 BW. De coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij waren in de oorspronkelijke versie van Boek 2 BW subvormen van een vereniging. Je ziet de coöperatie voornamelijk in een samenwerkingsverband. In het oorspronkelijke wetsontwerp was de coöperatie een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Uiteindelijk heeft men echter gekozen voor de term coöperatieve vereniging, omdat de coöperatie gewoonlijk een structuur heeft die gebruikelijk is bij een vereniging.

Onderlinge waarborgmaatschappij

De definitie van een onderlinge waarborgmaatschappij wordt gegeven in art. 2:53 lid 2 BW. Het winstverdelingsverbod van art. 2:26 BW geldt blijkens art. 2:53a BW niet voor de onderlinge waarborgmaatschappij. De Hoge Raad beeft in een arrest aangenomen dat de onderlinge waarborgmaatschappij aangemerkt moet worden als een vereniging. In de praktijk werd de uitdrukking onderlinge waarborgmaatschappij echter vaak gebruikt voor figuren die niet aangemerkt konden worden als een vereniging.

Naamloze vennootschap

De definitie van een naamloze vennootschap wordt gegeven in art. 2:64 BW. Een aandeelhouder is niet aansprakelijk voor hetgeen in de naam van de vennootschap wordt verricht. Hij hoeft eveneens niet bij te dragen in verliezen van de vennootschap die hoger gaan dan de waarde van zijn aandeel. De NV is een kapitaalvennootschap. De deelnemers nemen deel in de vennootschap door een of meer aandelen in haar kapitaal. De personenvennootschappen zijn contractuele samenwerkingsvormen. De personenvennootschappen worden gedurende hun hele bestaan beheert door een vennootschapsovereenkomst.

Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

De definitie van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid wordt gegeven in art. 2:175 BW. De aandelen van een besloten vennootschap zijn op naam gesteld. De aandeelhouder is ook hier niet aansprakelijk voor hetgeen in de naam van de vennootschap gebeurt. Bovendien hoeft hij niet voor meer dan de waarde van zijn aandelen bij te dragen in de verliezen. De BV is een kapitaalvennootschap. De deelnemers nemen dus plaats via een of meer aandelen in het kapitaal van de BV. De BV was eerst voornamelijk gesneden naar het model van de NV. Daar kwam verandering in met de invoering van de wet Wet-Flex-BV. De BV en NV zijn verwante rechtsvormen, maar ze hebben een karakter gekregen wat duidelijk van elkaar te onderscheiden is. Voor de BV zijn vrijwel alle regels van kapitaal- en vermogensbescherming vervallen. Er is geen verplicht minimumkapitaal meer vereist bij een BV. Het systeem van crediteurenbescherming is gewijzigd en de vrijheid van inrichting is vergroot. Veel dwingend recht is derhalve regelend recht geworden. De BV heeft hierdoor een meer persoonsgebonden karakter gekregen. Door de invoering van de BV hebben personen een impuls gekregen om de vennootschap onder firma of de commanditaire vennootschap onder te brengen onder een BV. De BV is niet beperkt tot het bedrijfsleven, beroepsuitoefening vindt ook in een BV-vorm plaats.

Stichting

De definitie van een stichting wordt gegeven in art. 2:285 BW. Art. 2:286 BW bepaalt dat een stichting opgericht moet worden bij notariële akte. De rechtspersoonlijkheid van de stichting is uitdrukkelijk vastgelegd bij de Wet van 31 mei 1956, de Wet op stichtingen. Deze wet gold echter niet voor alle stichtingen.

Page access
Public
Join World Supporter
Join World Supporter
Follow the author: Law Supporter
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
WorldSupporter Resources
Ondernemingsrecht & Rechtspersonenrecht: Uitgelichte arrestsamenvattingen - Bundel

Ondernemingsrecht & Rechtspersonenrecht: Uitgelichte arrestsamenvattingen - Bundel

Image

Zoek en vind samenvattingen bij arresten en jurisprudentie van Ondernemingsrecht & Rechtspersonenrecht

Vennootschappen en Rechtspersonen: Samenvattingen, uittreksels, aantekeningen en oefenvragen - UU