Collegeverslagen

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.


Hoorcollege 1

Wat werkt? 05-02-2014

Onderwerpen:

1. Waarom sancties?

2. ‘Succes’/ ‘Wat werkt?’

3. Recidive

4. Effectiviteit als opgave

5. Effectiviteit als probleem

6. Effect & bruikbaarheid

7. Effect in strafrechtelijke context

8. Soorten evaluaties

9. ‘Wat Werkt?’

 

1. Waarom sancties?

We kijken naar het juridische verhaal om te bepalen waarom we sanctie toepassen. We kijken naar het verschil tussen absolute en relatieve straftheorieën.

 

Absolute theorieën

Hele andere notie waarom je een straf oplegt. Het gaat om 2 dingen:

  • Herstel van de rechtsorde: want er heeft een beschadiging van de rechtsorde plaatsgevonden. Tussen de burgers en overheid

  • Herstel van de schade: Concreet herstel van materiele schade. Dit hoort eigenlijk thuis in het civiel recht.

Vergelding is het idee dat je gestraft wordt naar mate van schuld. Bij herstel gaat het om het herstellen van de schade. Het zijn twee aparte dingen. Zo kan het zijn dat een jongere een trein in de brand steekt wat in de tonnen oploopt aan schade maar geen hoge sanctie krijgt. Dus vergelding en herstel lopen niet synchroon.

 

Het gaat bij absolute theorieën om de daad, het delict. Alle gedachten gaan over de daad. De absolute theorieën gaan over de strafgrond.

 

Relatieve theorieën

Centraal staat preventie, het voorkomen van criminaliteit. Je wilt iets maatschappelijks doen. Je hebt 2 soort preventie:

  • Generale preventie: afschrikking. Zorgen dat je met je sanctiestelsel iedereen ervan weerhoudt om een bepaalde daad te verrichten.

  • Speciale preventie: Jou als individu ervan te weerhouden dat je iets niet nog een keer doet. Het gaat om recidive en resocialisatie. Proberen mensen zo aan te pakken dat ze het niet nog een keer doen.

Incapacitatie is vrijheidsbeneming en zorgt ervoor dat je iemand een tijdje vastzet of weghoudt van de maatschappij. Het is een poging om mensen een tijdje buiten de maatschappij te plaatsen met als doel resocialisatie. In het volwassenstrafrecht komt dit er op neer dat de gevangenen voor een lange tijd vast zitten. Incapacitatie zit tussen generale en speciale preventie in.

Het gaat bij relatieve theorieën om groepen daders of om de dader. Het is dadergericht.

 

Bij relatieve theorieën gaat het om kijken naar de nog niet volwassen dader in plaats van kijken naar wat de jonge dader gedaan heeft. Het is dadergerichtheid, dus deze theorie is speciaal van toepassing op het jeugdrecht omdat we juist bij de jeugd kijken naar het de dader, wat is er met hem of haar aan de hand?. In de relatieve theorieën vinden we het strafdoel.

 

Absolute theorieën

We kijken vanuit deze theorie of de sanctie goed geëffectueerd is en zonder incidenten. Is het zonder incidenten verlopen en heeft de sanctie effect gehad?

Het pluspunt van deze theorie is dat als de sanctie effect heeft gehad, het klaar is.

 

Relatieve theorieën

We kijken vanuit deze theorie of de veiligheid toegenomen/ criminaliteit afgenomen.

Negatief punt van deze theorie: Wanneer is de veiligheid toegenomen? Is moeilijk te bepalen. We weten niet wanneer de sanctie klaar is. Men gaat zo op in het idee van: we zijn dadergericht bezig, waardoor men vergeet om te kijken wanneer de sanctie klaar is. Dit is een spanning die er altijd is en waar we zeker bij jeugdigen mee op moeten passen.

 

3. Recidive

Recidivisten en veelplegers zijn aparte definities. Bij jeugdigen gaat het vaak over veelplegers in plaats van recidivisten. Veelplegers gaan naast delicten ook vaak op punten de fout in. Ze schelden bijvoorbeeld de politie uit, ze rijden zonder rijbewijs, ze rijden veel te hard. De gemiddelde startleeftijd van veelplegers is 13, 14 jaar. Diegenen die wel voor 12 jaar beginnen, stoppen na hun 20e vaak niet.

criminele carrière

Vier dimensies:

  1. Deelname: aantal geregistreerde delicten.

  2. Frequentie: aantal delicten per jaar.

  3. Ernst: vermogen en geweld. Iemand kan misschien wel 20 keer geregistreerd staan terwijl hij of zij 14 keer daarvan lichte delicten heeft begaan als de politie uitschelden of zonder verzekering rijden.

  4. Duur: De totale lengte van het criminele CV. Veelplegers kunnen mensen zijn die alleen op hun 14e, 15e het verkeerde pad op gaan en daarna ophouden. Zij hebben dus een kort CV.

 

4. Effectiviteit als opgave

Je kan op verschillende manieren kijken naar het effect van een interventie.

Klinisch: Welke behandeling heeft welk effect bij welk soort probleem, bij welk type kind (en/of gezin)

Wetenschap: Evidence based, dan kunnen we zeggen of een interventie effectief is. Is gericht op uitkomsten. Random onderzoek betekent het uitsluiten van selectie. Zo objectief mogelijk data verzamelen.

Beleid: Efficiency is bij beleid belangrijk. Ze kijken naar de verhouding tussen de kosten en de baten. Iets is wetenschappelijk soms niet effectief bewezen maar het wordt wel uitgevoerd. Bijvoorbeeld bureau Halt. Uit onderzoek blijkt dat Halt niet zo zeer heel effectief is tegen recidive. Maar bureau Halt wordt nog wel heel erg veel gebruikt.

Professionals: Methodologische disciplinering, mensen werken in de praktijk. Werkt iedereen op dezelfde manier? Gebruikt iedereen dezelfde strategieën en heeft iedereen hetzelfde doel voor ogen?

 

5. Effectiviteit als probleem

Gelijkheidsbeginsel staat op gespannen voet met elk geval apart bekijken en toegepaste sancties.

Pedagogische vuistregels in strafrechtelijke context

    • ‘Onvermijdelijk: geringe opheldering, lage pakkans. De kans dat je gepakt wordt voor door rood licht rijden is erg klein. Dit betekend dat voor de ernstige delicten de pakkans ook laag is. De pakkans van winkeldiefstal is ook erg laag, waardoor kinderen het verkeerde signaal krijgen. Ze worden niet gepakt dus hun gedrag is lonend. Het onvermijdelijkheidsprincipe is heel moeilijk te handhaven in het strafrecht.

    • ‘Onmiddellijk’: lange doorlooptijden. Als je bent gepakt, moet je meteen het gevolg ondergaan. Hoe jonger een kind hoe belangrijker dit principe. Je moet gelijk het gedrag aanpakken. Kinderen kunnen zo ook mensen uitspelen. Moeder grijpt niet meteen in, vader wel. Waardoor kind alleen het problematische gedrag zal tonen bij moeder of waardoor het kind tegen vader zegt dat het van moeder wel mag. ZSM: zo spoedig mogelijk ingrijpen. Dit is lastig i.v.m. bewijs voering enz. Een advocaat gaat zeggen: ik wil bewijs zien want mijn cliënt ontkent. Dit is een puur pedagogisch perspectief.

    • ‘Zwaar genoeg’ : proportionaliteit. Een sanctie moet pedagogisch gezien zwaar genoeg zijn om bij de jongeren binnen te komen. Proportionaliteit is meer juridisch. Ook al begaat een jongere voor de 10e keer een delict, als het een lichte daad is krijgt de jongere en lage straf. Het zwaar genoeg principe zegt: we willen de jongere laten voelen dat het niet meer kan. Zo kan het niet door gaan. Er wordt harder gestraft. Het idee van de rechter hierbij is een signaal afgeven dat hij het zat is. Het is dus een afweging tussen zwaar genoeg straffen en proportionaliteit. De gedragsmaatregel is een voorbeeld. Een jongere heeft meerdere delicten gepleegd en krijgt hiervoor trainingen voor agressie, een straatverbod en een tijdelijke insluiting. In deze maatregel zit de inzet om het proportionaliteitsprincipe een beetje los te laten. Na aanleiding van alle delicten stelt met een pakketje straffen samen om te laten merken dat het nu echt klaar moet zijn.

    • ‘Gevarieerd’: diverse straf modaliteiten. Zorg voor variatie in sancties. Niet steeds dezelfde sancties opleggen. Maar dit is een lastig punt. Als een jongere al heel veel delicten heeft gepleegd en al een gevangenisstraf van 2 jaar achter de rug heeft, heeft het dan nog wel zin om een taakstraf op te leggen? De jongeren lachen daarom. Nederland heeft wel veel aanbod in sancties.

    • ‘Begrijpelijk’: relatie straf en gedrag. Jongeren moeten goed begrijpen wat de relatie is tussen straf en gedrag. Dit is niet altijd het geval. De relatie tussen het gedrag en de straf moet duidelijk zijn. Je moet geen kleine deelproblemen meenemen in de straf. Zo krijgt een jongere en training om om te gaan met agressiviteit terwijl hij voor de rechter komt voor spijbelgedrag. In een rapport is ooit gelezen dat hij ook wel eens agressief is en daarom moest de jongere naar de training. De jongere begrijpt niet dat hij voor spijbelen naar een agressietraining moet.

 

6. Effectiviteit & Bruikbaarheid

 

Effectonderzoek

bruikbaarheidsonderzoek

exp. groep + controlegroep

een behandelgroep

willekeurige toewijzing (RCT)

voldoen aan intakecriteria

 

sterk geprotocolleerde behandeling

 

algemene richtlijnen

 

een probleem

meerdere problemen

een interventie

meerdere interventies

vaste behandelduur

flexibele behandelduur

strikt omschreven doelen

globale doelen

Interne validiteit: interventie enige verklaring

Externe validiteit: generaliseerbaarheid

 

Bij bruikbaarheidsonderzoek worden verschillende interventies gebruikt. Op school, thuis en op de vereniging. Je kijkt wanneer iemand is uitbehandeld. Hierdoor is de behandelduur erg flexibel. Bij effectonderzoek weet je dat als er effect is dit komt door de interventie. Dit komt omdat je maar 1 interventie hebt toegepast. Bij bruikbaarheidsonderzoek kijken we naar of we kunnen doorbouwen op de uitkomst. Effectonderzoek is vaak laboratoriumonderzoek.

 

7. Effect in strafrechtelijke context

We letten of op de verbetering van het gedrag/ de stabiliteit of naar de afname van recidive. Kijken we naar verbetering van gedrag of naar de afname van recidive als we willen kijken of de interventie effect heeft? Als we kijken naar verbetering van gedrag dan gaan we opzoek naar zelfrapportages, deskundigenrapportages of milieurapportages. Als we naar de afname fan recidive kijken gebruiken we politieregistraties.

 

8. Soorten evaluaties

De ‘evaluatieketen’

  1. Planevaluaties: Dit is het eerste stadium. Waarom wordt iets gedaan? Waarom zetten we een interventie op? We kijken naar beleidsstukken of projectbeschrijvingen. Maakt het kans op succes? Ziet het plan er goed uit?

  2. Procesevaluaties: Dit is het tweede stadium. Hoe gaan we iets doen? Hoe gaan we iets uitvoeren? Voldoet de uitvoering aan eisen? Hier heb je observaties en interviews voor nodig. Bijvoorbeeld interviews met cliënten van de uitvoering.

  3. Effectstudies: Laatste stadium. Hoe sterk is het effect in de praktijk? Hoe sterk blijkt het effect te zijn? Hiervoor kijk je naar registraties. Alles wat is vastgelegd over de interventies en ook naar interviews en testen.

 

9. Wat werkt?

de uitgangspunten

  1. Risicobeginsel: Een interventie werkt alleen als het in verhouding staat met wat er met de jongere aan de hand is Een minderjarige met ernstige problematiek, harder aanpakken.

  2. Behoeftebeginsel: Hier onderscheiden we criminogene en non-criminogene factoren. Iemand heeft een delict gepleegd maar heeft daarnaast ook moeite met het sluiten van vriendschappen, moeite met omgaan met agressie. Je moet de interventie dan inzetten op het gepleegde delict. Tenzij het agressieprobleem zorgt voor het plegen van het delict.

  3. Responsiviteitsbeginsel: De klik tussen de jongere en de uitvoerder. Als er geen klik is moet je zoeken naar een nieuwe samenwerking. Dit heeft met name betrekken op de reclassering. Het kan zo zijn dat een jongere helemaal niet houdt van lange gesprekken terwijl de uitvoerder alleen maar blijft praten. Er is dan een gebrek aan responsiviteit. Dit wringt ook want een groepsleider in een instelling kan geen klik hebben met iedereen.

  4. Multimodaliteit: Je kijkt altijd naar de veelvoud van de problematiek. Je moet verder kijken dan alleen het gezin als er veel problematiek is.

  5. Programma-integriteit: Het gaat om de opzet, het plan en de uitvoering. Dit moet goed op elkaar aansluiten. De uitvoering met wel in overeenstemming zijn met de opzet en met het plan.

  6. Professionaliteit: mate van scholing binnen de instelling. Met name zeggen dat je mensen ook blijft trainen gedurende hun loopbaan.

  7. Gemeenschapsoriëntatie: Gok niet alleen maar op vrijheidsbeneming. Waar het mogelijk is proberen ambulant aan ta pakken. Probeer het gezin erbij te betrekken. Probeer ze in de moeilijke omgeving op het goede pad te krijgen. Bijvoorbeeld bij de verkeerde vrienden.

 

 

 

Hoorcollege 2

Jeugdstrafrecht basis

Steeds jonger, steeds meer geweld? Gevoelens onveiligheid nemen toe...

Je hoort steeds vaker dat jongeren steeds gewelddadiger worden en steeds jonger. Maar de cijfers zijn eigen stabiel.

 

Klopt de beeldvorming met de actualiteit?

CBS 2013:

1. Daling jeugdcriminaliteit. Dat wil zeggen:

  • daling geregistreerde minderjarige verdachten met 45% procent t.o.v. 2005-2009

  • lichte stijging aandeel meisjes

  • lichte daling aantal vernielingen

2. Daling aantal aangehouden verdachten van 30000 naar 23000 in 2010:

  • Marokkaanse jongens nog steeds oververtegenwoordigd (47%)

  • Arubaanse en Antilliaanse meisjes hoog vertegenwoordigt (vooral Amsterdam, Rotterdam en Almere)

 

  • Het aantal first offenders stijgt licht: Van alle kleine delicten wordt steeds vaker aangifte gedaan. We zijn minder tolerant dan vroeger.

  • Het aantal meer- en veelplegers daalt licht

  • Aantal vrijspraken verdubbelt van 12% in 2010 tot 6% in 2005.

  • Maar 93% wordt schuldig bevonden

  • Aantal vrijheidsbenemende sancties daalt maar duurt neemt toe (idem voor pij-maatregel)

  • Verjonging criminaliteit is niet hard te maken

  • Toenemende verharding criminaliteit blijkt onvoldoende

  • NL scoort kennelijk hoog in Europa met jeugdigen in detentie

  • En met 93% veroordelingspercentage voor de rechter

  • Blijf relativeren: wat normaal is voor jongeren is een keer knokken, stelen, vernielingen aanrichten. Wat voor meisjes normaal is: stelen en krabben en aan haren trekken wat gezien wordt als mishandeling. De vraag is: wat willen we hiermee via het strafrecht bereiken?

 

Wat laten de cijfers niet zien?:

  • Attitude verandering onder klein deel jeugdige verdachten: beroep op zwijgrecht, weigeren medewerking pro justitia rapportage, toename psychiatrische problematiek, afname ontzag voor gezag. 90% van jongeren in JJI heeft psychische stoornis.

  • Met het overgrote deel van de jeugd gaat het goed: 95% van de minderjarige verdachten blijft f.o. Met andere woorden: een kleine groep blijft en bevindt zich in de adolescentie.

  • Criminalisering kattenkwaad. Veel gedrag is strafbaar maar hoort ook bij het opgroeien. Wat is het effect dan van het strafrecht? Heb je niet net zo veel effect door een standje van de politie?

  • Ontwikkeling jeugdcriminologie van beschermingsmodel naar rechtsbescherming/ la wand order, naar evidence based, naar vroegtijdig ingrijpen, risicofactoren identificeren.

  • Veiligheidsdenken (of utopie?). De staat trekt steeds meer de systemen in. Conflicten worden gejuridificeerd.

 

Pedagogisch karakter jeugdstrafrecht

Aanwijzing effectieve afdoening strafzaken jeugdigen.

  • Het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht betekent dat beslissingen en handelingen richting de jeugdige verdachte, waaronder de toepassing van sancties en maatregelen er op gericht zijn de ontwikkeling van deze jongere te stimuleren, de jongere te heropvoeden, te resocialiseren en te weerhouden van een verdere criminele carrière.

Vanaf 12 jaar toenemende verantwoordelijkheid in strafrecht. Als je jonger bent kun je de consequenties niet overzien. Maar ook als je 22 bent en een laag IQ hebt kun je dat niet.

 

Samenhang puberteit en criminaliteit.

De piek ligt rond het 16e jaar. Na 18 neemt het af.

 

Van licht naar zwaar: 40000 jeugdzaken.

17.5000 Halt

12.5000 OM: TOM zitting, of OTP

10.000 Kinderrechter

16.00 Jeugdinrichting: proberen om toch jongeren uit de gevangenissen te halen.

 

Ernstige jeugdcriminaliteit

  • Inbraak

  • Straatroven

  • Overvallen: veel jongeren die met een neppistool winkels overvallen.

  • Voortdurend delict-gedrag: van het ene delict naar het andere delict. Ze beginnen vaak met vermogenscriminaliteit als een auto kraken. Dit gaat over in geweldscriminaliteit. Dit is ook een symptoom van ontsporend gedrag. Je vindt dit vooral in de grote steden. De vraag is: is dit crimineel gedrag? Of een puber die volwassen wil zijn?

 

Bij deze zware vormen van criminaliteit steeds afvragen wat je moet inzetten als sanctie. Zwaar opsluiten? Of is het kindergedrag? Het is heel menselijk als slachtoffers aangeven dat de dader een zware straf moet krijgen. Een wraakgevoel is niet meer dan normaal. Maar moet er ruimte zijn voor wraak in het strafrecht? Je moet steeds kijken naar welke straf het beste past, ook in pedagogisch perspectief.

 

Jeugdstrafrecht

  • Afwijkende bepalingen procesrecht: Wetboek van strafvordering titel 2, boek IV. Extra waarborgen (o.a. rechtsbijstand, ouders betrekken)

  • Aparte regeling straffen en maatregelen: Wetboek van strafrecht titel ZOZ

 

12 minners

  • Geen strafvervolging, wel verdenking

  • Mogelijkheden: aanhouding, ophouden voor verhoor

  • Geen voorlopige hechtenis

  • Beslag/doorzoeking

  • Zorgmelding

Er is een zorgmelding van de politie naar jeugdzorg nodig. Want je hebt veel 7 jarigen die voor hun ouders moeten stelen. Zij mogen niet vervolgd worden maar er moet wel wat aan gedaan worden.

 

Waarborgen jeugd strafproces

  • Rechtsbijstand: aangehouden verdachte

  • Consultatie/rechtsbijstand voorafgaand aan verhoor

  • Bijstand advocaat of vertrouwenspersoon tijdens verhoor

  • Afstand: vanaf 16 jaar bellen, alleen B feiten (aanwijzing rechtsbijstand).

 

Discussie: politiebevoegdheid Halt?

Het toekennen van rechten is essentieel voor de rechtstaat, maar wat betekend het voor de positie van jeugdigen? Ouders zijn essentieel.

  • Ouders: politie moet informeren over aanhouding/toegang

  • Dwangmiddelen: terughoudend toepassen, let op leeftijd! In verzekering stellen kan thuis worden doorgebracht. Een cel bij de politie is niet ingericht voor kinderen dus kan de IVS misschien beter thuis doorgebracht worden. Kun je een kind op het schoolplein aanhouden, politie in uniform? Maakt het hierbij uit of ze verdacht wordt van verkrachting of van het stelen van een telefoon? We handelen jeugdzaken af achter gesloten deuren. Dit strookt niet met het oppakken van iemand op het schoolplein. Voor de politie is dit een lastig punt. Zij moeten presteren en zo snel mogelijk oppakken. Hierdoor vergeten ze wel eens dat het gaat om jeugdigen. Daarnaast moet er gekeken worden naar het delict. Is het heel ernstig? Dan kun je beter eerder ingrijpen.

 

Jeugdstrafrecht en zorgsignalen

  • Niet straffen uit zorg, maar ja soms moet je wat. Grondslag hierachter: Jeugdstrafrecht is ook schuldstrafrecht. Dus er moet ook een maat van schuld zijn. Schuld is dus grond om te straffen, niet zorg. Maar soms heb je kinderen die in zowel civiel als strafrecht zitten. Hier moet je wel iets mee doen.

  • Zorgmelding politie aan Bureau Jeugdzorg

  • Spijbelen, leerplichtambtenaar aan zet

  • Raad voor de kinderbescherming moet risicofactoren afwegen, civiel onderzoek?

  • Combizitting. Dit is een zitting voor straf en civiel samen.

  • Sociale bewaring: opsluiten uit sociaal oogpunt. Het komt neer op opsluiten in een kale cel.

 

ZSM Jeugd: licht waar het kan zwaar waar het moet.

ZSM: zo snel, zo spoedig en zo slim mogelijk.

  • Snel: routeren

  • Selectie: licht waar mogelijk

  • Samen: dagelijks politie/RVK/OM

  • Samenleving: schade/slo-herstel

 

Kinderen niet zomaar van de ene instantie naar de andere instantie gooien. Er moet overleg zijn tussen de instanties en alles moet zo snel mogelijk gebeuren. Alle ketenpartners moeten bij elkaar op vaste locaties zitten. Op 1 plek alles aanwezig: politie, rvk, om, reclassering. Hier komt een kind binnen en overleggen de instanties waar het kind het beste heen kan. Het gaat niet om snel en slordig zaken af te doen. Het gaat om samen keuzes maken wat er gaat gebeuren.

 

ZSM, dagelijks Justitieel Casus Overleg

  • Politie: zaak + achtergrondinformatie. Politie doet het eerste verhoor en moet zoveel mogelijk informatie verzamelen.

  • OM: beoordelingszaak, documentatie. OM kijkt juridisch, is het diefstal? Is er bewijs?

  • RVDK: informatie casusregie + beschermingsmaatregelen. RVDK kijkt of er hulpverlening is of was, is er gespijbeld op school? Want spijbelen is risicofactor voor criminaliteit. Daarnaast kun je een spijbeldelict samen voegen met een ander delict bij de dagvaarding. De RVDK maakt een BARO. Een basisrapport. Tegenwoordig maakt met de LIJ.

 

Weging informatie delict + schade/slachtoffer.

 

Afweging zwaarte delict en recidiverisico (LIJ), excuus en vergoeding van schade belangrijke elementen.

Via de LIJ krijgt een jeugdige een score. Op basis hiervan en op basis van het delict gaat men de ZSM bekijken en wordt er besloten wat de politie gaat doen.

 

Lage score:

  • Reprimande: standje van de politie.

  • Halt (discretionaire bevoegdheid)

  • Boete/ voorwaardelijk sepot

 

Midden score:

  • OM afdoening (uitgebreid naar 2x)

  • Kinderrechter

 

Hoge score:

  • Voorgeleiding en Kir of MK

  • Gedragsaanwijzing 509 hh/voorwaarden. Deze aanwijzing houdt in dat je op bepaalde tijden ergens niet mag zijn, niet met bepaalde mensen om mag gaan.

 

Binnen 6 uur moet de verdachte gehoord worden waarnaar je moet kiezen of iemand in verzekering gesteld moet worden of niet. Door de tijdsdruk worden jongeren geadviseerd te zwijgen, zijn advocaten niet op tijd, worden jongeren onnodig in verzekering gesteld.

Door de ZSM verminder je de tijdsdruk. Iedereen zit al bij elkaar, overleg is zo gepleegd. Hierdoor is de advocaat wel op tijd, kan er snel besloten worden of iemand in verzekering gesteld moet worden of niet.

 

Halt-afdoening

Het Alternatief: schade vergoeden, excuus aanbieden, Leer en werkstraffen tot 20 uur.

  • Geen proces verbaal (enkel kerndeel PVM)

  • Geen justitiële documentatie, geen strafblad

  • Bekennende verdachten + toestemming ouders tot 16 jaar

  • Besluit aanwijzing Halt feiten + eerste of tweede keer licht delict (tot 40 uur) + LIJ Lage score.

Gedachtengoed wet ASR: adolescentenstrafrecht

  • Effectieve recidive vermindering zorgt voor veiligheid

  • Stimuleer criminele adolescent verantwoorde rol in samenleving op zich te nemen.

  • Grootste raddraaiers tussen 15-23 jaar. Relatief gezien CBS cijfers 2012.

  • Meer rekening houden met ontwikkelingsfase adolescent naast ernst crimineel gedrag

  • Biologische leeftijd wordt minder relevant. Lastig punt want je mag nog steeds niet drinken, trouwen voor je 18e. Je krijgt dan een verschil tussen de civiele verantwoordelijkheid en strafrechtelijke verantwoordelijkheid.

Uitwerking

  • Flexibele leeftijdsgrenzen, daardoor meer maatwerk

  • Meer aandacht voor LVB problematiek

  • Jeugdstrafrecht blijft in beginsel tot 18 jaar, tenzij..

  • Commune strafrecht in beginsel vanaf 18 jaar

  • Zowel materieel als formeel

 

Het gaat in vanaf 1 april. Bij deze nieuwe wet kunnen 16 en 17 jarigen nog steeds via het volwassen strafecht berecht worden. Daarnaast wordt de PIJ maatregel na 7 jaar omgezet in een TBS. Hier is wel een overgangsrecht van kracht. Dit gaat pas op als iemand na 1 april het delict begaat. Deze wet heeft vooral toepassing op 19,20,21 en 22 jarige die we niet via het volwassen strafrecht willen berechten. Wat vooral voorop zal staan is de ernst van het delict.

Hoorcollege 3

Politie en Openbaar ministerie

Politie: werkzaam en dienstbaar.

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

Handhaven van rechtsorde: Bijvoorbeeld bij voetbalrellen.

Verlenen van hulp: bijvoorbeeld reanimatie

 

Nationale politie:

  • 1 nationale politie: in 2013 opgericht. Hiervoor 26 aparte korpsen die zelf verantwoordelijk waren voor aannemen van mensen, administratie enz. Door bezuinigen is er 1 nationale politie opgestart. Samenwerking tussen eenheden is ook de bedoeling, maar is nu nog niet het geval door verschillen tussen korpsen.

  • 10 regionale eenheden:

  • Diverse landelijke eenheden

 

Politiewerk (uitvoering)

  • Intake & service: beginpunt werk. Als je binnenkomt op bureau kom je in aanmerking met iemand van intake & service. Deze werken vaak niet op straat.

  • Noodhulp: De 112-melding. Het rijden in auto’s met zwaailichten. Het is vaak pleisters plakken: je wordt van melding naar melding gestuurd en moet degene doorsturen naar mensen die tijd hebben om ze op te vangen.

  • Opsporing: Alle recherche onderdelen van de politie vallen hieronder. Elk bureau heeft een recherche voor kleinere zaken die binnen 6 uur worden afgehandeld. Hierboven zijn er nog hogere recherche teams zoals sectie zeden of sporenonderzoek. Forensische opsporing, de mensen in witte pakken vallen hier ook onder.

  • Handhaving: Uitdelen boetes voor snelheidsovertreding. Ook de mobiele eenheid valt hier onder. Ook het zichtbaar aanwezig zijn op straat, ’s nachts in uitgaansgelegenheid.

  • Jeugdtaakpolitie: valt onder alle vier bovengenoemde pijlers.

A. Doorverwijzing: iemand die vuurwerk te vroeg afsteekt wordt doorverwezen naar HALT. Ook slachtoffers van een misdrijf worden doorverwezen naar bijvoorbeeld slachtofferhulp. B. Repressie: mensen oppakken.
C. Preventie.

 

Tegenwoordig minder jongen die langzaam de criminaliteit inrollen maar zomaar de stap zetten naar criminaliteit. Vroeger rolde men er langzaam aan in. Nu is het lastig om de jongens/meisjes te vinden. Vroeger kon je voorspellen hoe iemand zich zou gaan ontwikkelen. Nu zijn veel jongens/meisjes onbekend bij de politie, ze staan nog niet vermeld in justitiële documentatie waar de politie wel gebruik van maakt.

 

Openbaar Ministerie

  • Strafrechtelijke handhaving van rechtsorde en met andere bij de wet vastgestelde taken.

  • Landelijk pakket: stuurt nationale politie aan

  • Functioneel pakket: FIOD, CIOD, aansturen van hogere opsporingsteams.

 

Drie hoofdtaken:

  • Opsporing strafbare feiten: Ook opsporingsmiddelen.

  • Vervolging strafbare feiten: Wie er wordt vervolgd en waarvoor. Buitengerechtelijke afdoeningsmogelijkheden.

  • Toezicht op de uitvoering van strafvonnissen: Als er een uitspraak is geweest controleert het OM of dit ook daadwerkelijk gebeurt.

Eindverantwoordelijk van de opsporing en werkt samen met:

  • Gemeente (driehoek): Burgemeester, hoofdpolitie en OM

  • Reclassering

  • Raad voor de kinderbescherming.

 

Het OM doet 230.000 misdrijven per jaar af. Dit is weinig en komt doordat niet alle zaken voorkomen. Politie kan seponeren, OM, veel delicten zijn niet zichtbaar.

 

Het strafrecht is meer 1 middel om criminaliteit aan te pakken. Ook belastingbetaling kan een straf zijn of iemand zijn verzekering van de auto of motor stop zetten.

Strafrecht: ultimum remedium: zoveel mogelijk buiten strafrecht afdoen.

 

ZSM: Zorgvuldig, snel en op Maat:

  • Samen

  • Snel

  • Slim

  • Selectief

  • Simpel

  • Samenlevingsgericht

 

Snelle reactie is nodig zodat jongere weet waar hij aan toe is.

ZSM: allemaal bij elkaar zo snel mogelijk een afdoening bedenken. Het beste zou zijn dat een jongere het politiebureau binnenloopt en met een dagvaarding weer naar buiten loopt. Samen bekijken wat het meest passend is voor de jeugdige verdachte.

 

ZSM Jeugd: licht waar het kan, zwaar waar het moet.

Samenwerkingsruimte met:

  • Slachtofferhulp

  • Reclassering

  • RVDK

  • Politie

  • OM

 

Hoe werkt dat eigenlijk in de praktijk?

  • ZSM is voor Alle aangehouden / ontboden verdachten. Ontboden verdachte is een verdachte die nog niet in beeld is. Bijvoorbeeld een automobilist die na een aanrijding is doorgereden.

  • BVH (basisVoorzieningHandhaving) (PVM-voorheen LOF) PVM: proces verbaal minderjarige.

  • Inlezen door ZSM: Het PVM/ BVH wordt doorgestuurd (digitaal) naar het ZSM. Politie wacht totdat ZSM het gelezen heeft. Dan belt de OVJ naar Politie wat er gaat gebeuren. Bijvoorbeeld Halt. De jongere zit nog bij de politie en wordt door de politie naar Halt gebracht. Jongere blijft dus bij politie en krijgt daar te horen wat er gaat gebeuren.

  • Beslissing afdoening: De OVJ bepaalt wat er gaat gebeuren en koppelt dit terug naar de politie die dan de jongere uit de cel haalt en heenzendt.

  • Voor heenzending vervolg bekend. Voordat jongere uit de cel gaat is er bekend wat er gaat gebeuren.

 

Criteria ZSM:

Alle zaken tenzij,

  • Bijvoorbeeld bij moordzaken is het niet mogelijk om binnen 6 uur de zaak af te handelen.

  • Iemand zit in een veiligheidshuis

 

Pilot Mediation:

Het zoeken naar een via onderhandelingen tot stand gebrachte schikking voor of tijdens de strafprocedure, tussen het slachtoffer en degene die het strafbare feit heeft gepleegd, door bemiddeling van een bevoegd persoon

  • Geen vervanging maar aanvulling van het ZSM project

  • Zowel jeugd- als volwassenstrafzaken

  • Voorwaarde dat beide het gesprek aan willen

 

Criminele jeugdgroepen:

  • Hinderlijke, overlastgevende en criminele jeugdgroepen. Overlast gevende en hinderlijke groepen zijn eigenlijk een taak voor de omgeving. Maar onderscheid tussen hinderlijk en crimineel is lastig te maken.

  • Aanpak criminele jeugdgroepen is een prioriteit en taak van de Politie en het OM.

  • Ernstige geweldsdelicten als overvallen, straatroof of woninginbraak. Deze zaken hebben extra prioriteit.

 

Criminele jeugdgroepen aanpakken doe je niet alleen

  • Aanpak is samen met ketenpartners. Dit noemen we een meersporenaanpak

  • Probleemgericht en informatie gestuurd

 

Werkwijze bij criminele jeugdgroepen:

  1. In kaart brengen van jeugdgroep. Dit gebeurt in het voorjaar, omdat ze dan op straat te vinden zijn. Is het een hinderlijke groep, overlast gevende of harde kern groep?

  2. Verdiepende analyse van de groep. Wie heeft welke rol in de groep? Waar hangen ze rond? Groep zo veel mogelijk in beeld krijgen. Informatie komt van de politie, jongerenwerkers enz. Modus operandi: rol van jongere in groep.

  3. Opstellen van plan en aanpak (PGA)

  4. Uitvoeren

  5. Monitoren

  6. Evalueren.

 

Praktijk in Utrecht:

  • Hinderlijke, overlast gevende en criminele jeugdgroepen te vinden in Utrecht.

  • Er zijn selecte groepen aangepakt. Maar er bleek dat de interventie niets uithaalde. De gemeente heeft gezegd dat het veiliger moet omdat we in Utrecht veel jongeren hebben. De gemeente heeft nu de regie als het gaat om jeugdgroepen. Er zijn verschillende aanpakken: basis, plus en intensief. Basis richt zich op de groep als geheel en de omgeving van de groep om te voorkomen dat de groep zich door ontwikkeld naar criminele groep. Aanpak plus richt zich op kopstukken, leiders uit de groep. Deze zorgen ervoor dat de groep in een negatieve spiraal komt. Aanpak intensief is gericht op 2 tot 3 criminele jeugdgroepen per jaar. Hier gaat de recherche mee aan de gang. Het is puur strafrechtelijk onderzoek waar specialistische recherche op wordt gezet.

 

Goudse top 60 aanpak:

Aanpak voor de vele woninginbraken. Er is een top 60 van verdachten opgesteld. Het ging veel om harde kern jongeren. Er wordt gekeken of een jongere broertjes of zusjes heeft en geprobeerd om deze broertjes en zusjes uit het criminele circuit te houden. En er wordt gekeken naar de achtergrond. Proberen om een jongere in een werk/leertraject te krijgen om zo een celstraf te voorkomen.

Hoorcollege 4

Justitiële Interventies

Diagnostiek en Rapportage

Verhouding juridisch veld en de gezondheidszorg. Wat is de rol van de psycholoog? Advies geven, voorstellen aanbieden aan rechtbank zodat de rechter een beslissing kan maken. Dit doet de psycholoog aan de hand van een rapport: Pro Justitia (PJ). De psycholoog bepaalt niets, hij adviseert.

Rapporteur PJ
Onderzoek naar de persoon van de verdachte. Een rechter wil weten wat er met de verdachte allemaal is gebeurd. Een persoonlijkheidsonderzoek is hiervoor nodig. Het persoonlijkheidsonderzoek vond vroeger vooral plaats tijdens de detentie van de jongere. Tegenwoordig is dit ook nog wel ( in Tijlinger eind) maar vaak wordt het ambulant gedaan. Dus terwijl de jongere bijvoorbeeld thuis het proces afwacht. De jongere moet dan op bepaalde momenten naar instellingen komen voor het onderzoek.

Een rapporteur (psycholoog) werkt op het snijvlak van ggz (gezondheidszorg) en het recht.

Specialisten die zich bezig houden met mensen met stoornissen in gedrag of beleving in relatie tot de rechtspleging en haar gevolgen. Ze geven inzicht in de stoornissen van iemand. Er wordt gewerkt met de DSM5. In hoeverre staat de stoornis in verband met het delict?

Het jeugdstrafrecht en de PJ
De dienstbaarheid van de forensisch rapporteur aan rechtbank. De rapporteur werkt in dienst van de rechtbank.

Domeinwissel

Domein strafrechtpleging: Normatief Paradigma. Hier kijkt men naar wat er eerlijk is, wat is gepast, wat hoort? Het gaat om ‘gepast’.
Domein gezondheidszorg: Paradigma: evidence based. We doen alleen interventies die bewezen effectief zijn. Zo wordt er gewerkt in de gezondheidszorg. Er wordt gekeken wat passend is en wat bij wie werkt. Het gaat om ‘passend’.

 

Juridische inkadering

Je kan als rapporteur van PJ in twee kaders werken:

Strafrechtelijk kader

Aanleiding:

  • Jongere wordt verdacht van een delict. Er wordt gekeken naar de toerekeningsvatbaarheid

 

Civielrechtelijk kader

Aanleiding:

  • De jongere wordt bedreigd in de geestelijke of lichamelijke gezondheid. De angst bestaat dat iemand volledig af zal gaan glijden. De jongere moet hiervoor beschermd worden.

 

Rapportage binnen het civielrechtelijk kader

Voorbeeld opbouw:

Van: gezinsvoogdij/BJZ: dit is de opdrachtgever

Voor: GZ-psycholoog die werkt als rapporteur PJ

Wat: Onderzoek instellen omtrent de bedreigde ontwikkeling

Wie: Kind/jongere die bescherming behoeft

Doel: t.b.v. Als er een Maatregel Machtiging Gesloten Plaatsing aangevraagd moet worden (gesloten jeugdzorg, jeugdzorg plus) en ouderschapsbeoordeling ( is de ouder in staat om de jongere op te voeden?)

 

Kernproblematiek
Als plaatsing in jeugdzorg-plus nodig blijkt. Proberen te zorgen dat jongere niet verder afglijd.

  • Loverboys-problematiek

  • Omgang met verkeerde vrienden: drugs, deviant gedrag

  • Onttrekken aan (ouderlijk) gezag

 

Rapportage binnen het strafrechtelijk kader

Voorbeeld opbouw

Van: Rc. .. OvJ belast met de behandeling van strafzaken

Voor: Gz- psycholoog, rapporteur PJ. (moeten geregistreerd zijn bij NRGD)

Wat: Een onderzoek instellen omtrent de eestvermogens

Wie: -Verdachte, die wordt verdacht van... Het gaat om een verdachte, de psycholoog mag er niet van uit gaan dat de jeugdige het daadwerkelijk gedaan heeft.

Doel: Advies

 

Voorlichting aan de rechtbank

De rapporteur licht de rechter in over de jongere zodat de rechter zich goed bezig kan houden met de eerlijkheid van de beslissing en de werking van de straf.

Is het eerlijk wat ik beslis?-> wordt hem iets verweten wat hem in wezen niet verweten kan worden? De rechter moet een eerlijk besluit maken. Heeft de persoon het echt gedaan, kan hij er wat aan doen? Kan deze persoon iets verweten worden? Was er sprake van vrije wil? Bijvoorbeeld iemand die verstandelijk beperkt is en zich absoluut niet beseft dat hij of zij een delict heeft gepleegd. Kun je zo iemand straffen? Is dat eerlijk? Als straffen niet eerlijk is, wat kunnen we dan doen? Want de maatschappij moet beschermd worden.

Wat werkt? -> levert mijn veroordeling een bijdrage aan het terugdringen van recidive? De rechter wil weten van de psycholoog als hij de jeugdige veroordeeld of de kans op recidive dan afneemt. Iemand die zeer zwakt begaafd is en echt niet weet wat hij gedaan heeft en de rechter hem veroordeeld, werkt de straf niet. De psycholoog geeft dus advies zodat de rechter goed weet wat werkt.

 

De onderzoeksvragen (vragen die de rechtbank van de rapporteur wil weten)

  • Is betrokkene lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Hoe was dit ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde?

  • Welke factoren, voortkomend uit de stoornis van betrokkene, kunnen van belang zijn voor de kans op recidive?

  • Welke aanbevelingen zijn op basis van het voorgaande te doen ter preventie van recidive en ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van betrokkene en binnen welk juridisch kader zou dit gerealiseerd kunnen worden?

  • Indien u adviseert tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, kunt u dan aangeven: Waarom deze maatregel in het belang geacht kan worden van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte?

 

Persoonlijkheidsonderzoek

De verdachte wordt ongeveer 2 ochtenden onderzocht, de ouders worden ondervraagd en eventueel andere betrokkenen worden bezocht. De rapportage is uiteindelijk ongeveer 20 pagina’s.

 

Bij het onderzoek worden 4 onderdelen besproken:

Klinisch-psychologisch onderzoek

Testenonderzoek

Auto-anamnese

Delict-analyse

  • Klinische indruk (hoe ziet iemand eruit?)

  • Functionele screening (weet iemand welke dag het is?)

  • Contactname (is er oogcontact, hoe is de proceshouding, is er angst?)

  • Capaciteiten

  • Persoonlijkheid (veel vragenlijsten en gesprekken)

  • IQ onderzoek

Verhaal met de jongere over diens leven, beginnend bij geboorte tot nu.

Terug naar het gebeurde, het delict. Precies, stap voor stap uitpluizen wat daarvoor is gebeurt en waarom iemand deed wat hij deed. Ook kijken wat er na de daad gebeurde. Wat deed het met diegene? Heb je spijt? Gaf het een kick?

 

Hetero-anamnese

 

Informantenonderzoek

 

Dossieronderzoek:

  • Gerechtelijke stukken, waaronder proces verbaal

  • Verslagen Raad vd Kinderbescherming

  • Eerdere onderzoeksrapporten

 

 

Diagnostische overwegingen

Organisatie van de persoonlijkheid. Beschrijvende diagnose, er wordt geclassificeerd op basis van de DSM5. Heeft iemand ADHD, autisme enz.?

 

Forensische beschouwing

  1. Verband diagnose en delict

  2. Risicoprognose (grote kans of kleine kans op recidive?)

  3. Zorgprognose en beïnvloedingsmogelijkheden (welke zorg heeft iemand nodig?)

  4. Interventiemodelijkheden en- condities (welke interventie werkt het best?)

 

De gewetensontwikkeling

Een gebrekkig functionerend geweten:

Cognitieve aspecten:

  1. Gebrekkig besef van kwaad, wat onvoldoende sturend is voor handelen. Gewoon niet het verschil weten tussen goed en kwaad. Men weet niet dat iets fout is.

Affectieve aspecten:

  1. Morele emoties worden onvoldoende gevoeld.

  2. Onvermogen in conatief opzicht om moreel te handelen.

  3. Wel weten dat het fout is, maar daar niks bij voelen. Ik weet dat het niet mag maar het maakt me niet uit dat ik iemand anders pijn doe. Koelbloedigheid.

 

Houding ten opzichte van het delict

Redenen

  1. Voelen, denken en handelen:

a. ten tijde van het delict

b. reconstructie achteraf

  1. Confrontatie met het normbesef: hoe denkt de jongere over goed en kwaad, schaamt hij zich voor iemand? Bijvoorbeeld schamen voor ouders.

  2. Schaamte, spijt en/of verantwoordelijkheid: vaak spijt omdat ze in jeugdinrichting zitten, maar niet spijt omdat je iemand anders pijn hebt aangedaan.

  3. Opvattingen over herhalingskansen: denkt de jongere zelf dat het vaker voor zal gaan komen?

 

Toerekeningsvatbaar

Art.39 Wetboek van strafrecht:

Niet strafbaar is hij die een feit begaat, die hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden aangerekend.

Als er een causaal verband bestaat ten tijde van het begaan van het delict tussen de stoornis en het begane feit geeft de deskundige het advies om de daad de dader minder toe te rekenen

 

Toerekeningsvatbaarheid

  • Vermijdbaarheid en Verwijtbaarheid

  • Wilsbekwaamheid en Handelingsvrijheid

 

Gradaties in de mate toerekeningsvatbaarheid:

  • Volledig toerekeningsvatbaar: 100% schuld, niets toegeschreven aan stoornis of gebrekkige ontwikkeling, helemaal verantwoordelijk. Vaak in psychose of bij schizofrenie.

  • Verminderd toerekeningsvatbaar:

  • Volledig ontoerekeningsvatbaar: 0% vrije wil.

 

Gebrekkige ontwikkeling

Een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Afwijkend van normale ontwikkeling, gedragsbeperkingen brengt beperkingen en handicaps mee. Te omschrijven binnen het begrippenkader van ontwikkelingspsychologie en ontwikkelingspathologie.

 

Ziekelijke stoornis

Een psychische stoornis.

Abnormaal, afwijkend. Ongemak lijden bij betrokkene of diens omgeving. Storend is te omschrijven binnen het begrippenkader van de psychopathologie.

 

Recidivekans en advies

SAVRY:

Risicotaxatie voor geweldsrecidive van jongeren:

  • Criminogene factoren:

  • Statische factoren: We begrijpen waarom iemand recidiveert maar we kunnen er niks aan doen.

  • Dynamische factoren: Factoren waar we mee aan de gang kunnen, bijvoorbeeld invloed van vriendengroep.

  • Protectieve factoren

- Alle positieve, sterke kanten van de jongere.

 

Recidive kans was vroeger vooral de mening van professionals. Tegenwoordig hebben we goede instrumenten. De SAVRY is zo’n instrument.

 

Opbouw advies:

  • Toepassing minderjarig/meerderjarig strafrecht. De ernst van het delict is hierin vaak leidend. Een volwassen delict.

  • Behandeling ja/nee? Is een behandeling nodig? Kunnen we het af met straffen of moeten we ook behandelen. En zo ja, welke behandeling dan?

  • Welke behandeling het meest succesvol wordt geacht.

  • In welk juridisch kader. Psycholoog adviseert of het civiel of strafrechtelijk wordt.

  • ‘Stok-achter- de –deur’ constructie: je geeft advies, maar als hier niet aan gehouden worden dan wordt dan staat men iets anders te wachten.

  • Prognose: zal de behandeling succesvol zijn?

 

Behandeladviezen

Vrijheidsbenemende maatregel: De PIJ maatregel. Een behandeling in een justitiële jeugdinrichting.

GBM: Gedrag beïnvloedende maatregel. Opgekomen om de PIJ terug te dringen.

Behandeling/begeleiding als bijzondere voorwaarden bij bijvoorbeeld een andere straf.

 

Kwaliteitsontwikkeling

  • Richtlijnen en protocollen www.nifp.nl

  • Gestandaardiseerde Onderzoeksinstrumenten

 

Kwaliteitsborging

  • Psychologen en psychiaters die opgenomen zijn in het BIG-register. Intervisie en herregistratie

  • Opleiding tot rapporteur PJ/Supervisie

  • Toetsing NIFP

  • Register NRGD

 

Competenties

  • Kennis wetgeving

  • Kennis regulier en justitiële jeugdveld

  • Specifieke diagnostische kennis

  • Kennis relatie etniciteit en stoornis

  • Kennis verantwoordelijkheden en positionering van betrokkenen

 

Opleidingstrajecten

  • Masteropleiding psycholoog, pedagoog, gezondheidswetenschappen; specifieke Masteropleiding

  • Registratie gz-psycholoog/ortho-pedagoog generalist

  • Profiel: Forensisch Psycholoog (BIG-register)

  • Opleiding NIFP Rapporteur Pro Justitia

  • Inschrijving in register NRGD

 

Stageplaatsen

  • JJI’s: Eikenstein

  • Jeugdzorg-plus: Rentray, Almata, De Lindenhorst, Alexandra

  • Ortho-psychiatrie: Accare

  • NIFP

  • BJZ en RvdK

 

 

Hoorcollege 5

Gedragsinterventie SO-Cool: justitiële gedrags interventie voor jongeren met licht verstandelijke beperking.

Prevalente LVB:

  • Beperkte intelligentie (IQ 50 tot 85)

  • Beperkte sociale redzaamheid: moeite om zich te redden in het dagelijks leven. Bijvoorbeeld te laat komen op school, vrienden maken.

  • Bijkomende problematiek: de kans op een psychiatrische stoornis is erg groot.

 

Licht verstandelijke beperking is iets anders dan zwak begaafd. Zwak begaafd is alleen iemand met een IQ van tussen de 70-85.

 

Kenmerken LVB

Het individu:

  • Cognitief: oorzaak – gevolg denken, plannen, generaliseren naar een andere omgeving.

  • Sociaal: inleven in een ander, perspectief nemen. Heeft te maken met Theory of Mind. Daarom worden LVB kinderen vaak verward met kinderen met Autisme.

  • Emotioneel: impulsen kunnen beheersen.

  • Persoonlijkheid: reflecteren niet. Ze weten niet waar ze voor staan of wat ze willen.

  • Context gerelateerd: omgeving

 

Omgeving:

  • Vaker ook ouders met een beperking

  • Vaak lagere SES

  • Vaker financiële problemen. Ze kunnen niet goed plannen en hebben dus niet door hoeveel geld er uit gaat en hoeveel bedragen nog open staan. Ze denken korte termijn en kopen allerlei nieuwe spullen.

  • Van defect- naar burgerschapsparadigma. Vroeger zeiden we dat iemand met LVB defect is. Ze hebben iets waar we niets aan kunnen doen. WE stoppen ze bij elkaar kunnen ze samen spelen. Nu denken we burgerschapsparadigma. Iemand met LVB kan gewoon iets bijdragen aan de maatschappij. Iemand kan wel werk doen. Hier schieten we tegenwoordig misschien een beetje in door. We denken nu soms dat ze meer kunnen dan dat ze daadwerkelijk kunnen.

 

Ontwikkelingsleeftijd= sociaal-emotioneel niveau + cognitief niveau. In de tabel van de sheets kun je bij de rode lijn aflezen wat de ontwikkelingsleeftijd is bij elke leeftijd.

 

Jongeren met LVB die een delict plegen

  • 35% van de jongeren in een JJI heeft LVB

  • 33% zwakbegaafd, 11% LVB met PIJ- maatregel

 

LVB jongeren vs LVB jongeren WSJR (= instelling, delict gedrag jongeren). Jongeren die gewoon thuis wonen (geen delictgedrag plegen) en geen reclasseringscontact hebben:

  • Minder psychiatrische problemen (10% vs 48%)

  • Vaker Nederlands

  • Ouders meer pedagogische kwaliteit (30& vs 9%). Ouders kunnen structuur aanbieden.

  • Minder gezinsproblemen. Minder ruzies thuis, minder echtscheidingsproblemen. Er is geen verschil duidelijk tussen ouders met LVB en zonder LVB.

  • Meer positieve vrienden (30% vs 9%)

  • Minder ingrijpende gebeurtenissen

  • Eerder naar speciaal onderwijs

  • Minder drugs en verslaving (17% vs 46). LVB’ers hebben vaker een verslaving dan normaal intelligente kinderen. Vooral door impulsbeheersing.

  • Ook beperkt lid, nauwelijks bijbaan

  • Vaker hulp (70% vs 50%). Van huiswerkbegeleiding tot pedagogische hulp voor de ouders.

 

Wat werkt

Desistance from crime

  • What works beginselen

  • Steun ouders om leven anders in te vullen, het weer goed te maken en schuld en schaamte kwijt te raken. LVB’ers moeten het gevoel krijgen dat ze gesteund worden door hun ouders.

  • Goede ouder-kind communicatie passend bij steun in gezin en ontwikkeling jongere

  • De 3w’s zijn minder belangrijk dan gedacht: wonen, werken, wijf. Vroeger werd gezegd dat dit pijlers waren die nodig waren zodat jongeren geen delicten zouden plegen. Er moet een moment zijn dat je op je zelf wilt gaan wonen en dat je wilt gaan werken.

 

Richtlijn effectieve interventies LVB

  • Uitgebreide diagnostiek: verschil tussen performaal en verbaal IQ.

  • Afstemmen van de communicatie: je moet zorgen dat je communicatie aan sluit bij de LVB’er. In kleine stappen, duidelijk taal, geen uitdrukkingen en geen abstracte vragen.

  • Concreet maken van de oefenstof

  • Voor structureren en vereenvoudigen: hou het kort, strak. In kleine stapjes.

  • Netwerk en generalisatie: betrek het netwerk. Bijvoorbeeld ouders. Je hebt het netwerk nodig om de werkelijkheid te bepalen. De omgeving is nodig om dat wat je op school moet doen, ook thuis doet.

  • Veilige en positieve leeromgeving: Ze hebben veel eerder faal-angst. Vanaf baby af aan zie je al dat ze minder exploreren en dicht bij moeder blijven. Je moet veel veiligheid bieden om ze toch te laten exploreren.

 

Van leerstraf naar erkende gedragsinterventie

Raad voor de kinderbescherming vraagt om een nieuwe interventie voor LVB’ers die een delict hebben gepleegd. Dit gebeurt in openbaarheid en iedereen die wil mag erbij aanschuiven. Dan bieden ontwikkelaars zich aan. De erkenningscommissie gaat vervolgens kijken hoe goed de interventie is. Bij de interventie SO-Cool heeft de erkenningscommissie gezegd: voorlopig erkend omdat de theoretische onderbouwing ontbreekt.

 

Uitvoerders:

  • Trainers

  • Coördinatoren taakstraffen. De coördinator gaat naar de jongere toe om te bespreken hoe de taakstraf in elkaar zit. Dan bepalen ze een startdatum. Bij de eerste bijeenkomst zijn de trainer en de coördinator aanwezig.

 

So-Cool

SO- Cool: Sociaal cognitieve oplossingen leren

Het is een individuele definitief erkende gedragsinterventie.

 

Doelen zijn toename van:

  • Interne sociaal probleemoplossende vaardigheden

  • Kernovertuiging zelfvertrouwen. Door veel zelfvertrouwen zal je niet snel omgepraat kunnen worden door delinquente vrienden waardoor je minder snel delictgedrag laat zien.

  • Sociale vaardigheden: Heb je nodig om goede vrienden om je heen te verzamelen.

 

Waardoor recidivekans kleiner wordt.

 

Theorie So- Cool

So cool is gebaseerd op het Biopsychosociaal model en sociale informatieverwerkingsmodel.

Biopsychosociale model zegt: alle ervaringen die je hebt gehad spelen mee in hoe jij om je heen kijkt.

 

Stappen SIV (sociaal-informatie verwerkingsmodel) vereenvoudigd

  1. Waarnemen. LVB’ers nemen vaak letterlijk iets waar. Een boos gezicht zien ze gelijk, een neutraal gezicht val niet op. Ze nemen dat waar als verdrietig of agressief. De vervolgstappen, de reactie zal dus anders zijn dan wanneer ze zien dat iemand echt een neutraal gezicht heeft. Hierdoor wordt de interpretatie dus anders.

  2. interpreteren

  3. doelen stellen: Ze reageren vaker impulsief. Snel reageren want dan zijn ze ervan af.

  4. Evaluatie: Ze kunnen wel evalueren maar ze hebben minder snel het vertrouwen dat ze het zelf goed kunnen en reageren dus impulsief of laten over zich heen lopen.

  5. kiezen

  6. uitvoeren

  7. evaluatie

 

Selectieve aandacht is het focussen op 1 ding. Dit kunnen LVB’ers niet goed. Hierdoor nemen ze niet goed waar en zijn ze minder goed gefocust. Ze zullen hierdoor eerder impulsief reageren.

 

Doelgroep en duur So-Cool

Doelgroep:

  • 12 t/m 23 jaar

  • Er is sprake van een IQ van 50-85

  • Midden recidiverisico

  • Tekort in de sociale probleemoplossingsvaardigheden

  • In het kader van een leerstraf of gedrag beïnvloedende maatregel. So-Cool kan niet in een gedrags beïnvloedende maatregel.

 

Duur:

  • So-Cool regulier, 40 uur, 17 bijeenkomsten

  • So-cool verlengd, 50 uur, 23 bijeenkomsten

  • Trainingsbijeenkomst 75 minuten

  • Praktijkbijeenkomst 120 minuten. Dit gebeurt in de eigen leefomgeving voor de generalisatie.

 

Uitvoering

  • Oplossingsgericht: kijken waar de denkfout zit. Bijvoorbeeld bij het standaard verkeerd doelen stellen.

  • Planmatig. Doel opstellen aan de hand van de denkfouten.

  • Gericht op de SIV

  • Leren door doen: door dingen te doen in gesprek gaan met jongeren. Bijvoorbeeld door foto’s te kijken. Hoe neem ik het waar en hoe neemt de jongere het waar.

  • Betrekken netwerk : betrek ouders bij de sociale vaardigheidstraining.

 

Trainer moet van te voren kijken of de jongere een Klant, Bezoeker of Klager is. Weet diegene al wat er gaat gebeuren, komt hij alleen even kijken wat het inhoudt of is het een klager die alles bij de andere legt?

ZSM is erg belangrijk bij LVB. Maar komt weer niet overeen met uitgebreide diagnostiek.

 

SO-Cool effectief?

  • Procesevaluatie. Dit is nog niet gebeurd. Er is wel gekeken naar hoever de jongere zijn in de SIV-stappen.

  • Programma-evaluatie. Hier wordt ook gekeken naar de programma doelen.

  • Effectevaluatie: hier wordt gekeken naar recidive. Dit wordt gedaan door WODC. Dit is nog niet gebeurd want gebeurt altijd pas na 2 jaar.

  • (door)ontwikkeling

  • Vergeleken met oude sova

 

 

Hoorcollege 6

Deel 1: Raad voor de kinderbescherming

 

Organisatie raad voor de kinderbescherming

  • Valt onder het Ministerie van Veiligheid en Justitie

  • Heeft in Den Haag een Landelijk Bureau waar het landelijk management zit.

  • De uitvoering van het raadswerk gebeurt in 10 regio’s (18 raadslocaties)

  • Circa 2400 medewerkers (peiling 2012). Het worden steeds minder medewerkers ook door preventie, dus dat ze minder nodig zijn maar ook doordat er minder geld beschikbaar is.

  • De Raad is een tweedelijnsorganisatie

 

Missie en doelstelling

Missie:

  • De Raad voor de Kinderbescherming komt op voor de rechten van het kind van wie ontwikkeling en opvoeding worden bedreigd.

  • De Raad schept voorwaarden om die bedreiging op te heffen of te voorkomen.

  • De Raad doet onderzoek, adviseert in juridische procedures en kan maatregelen nemen of sancties voorstellen.

  • De Raad werkt nauw samen met andere instanties.

 

Doelstelling:

Het waarborgen van het fundamentele recht van ieder kind, van 0 tot 18 jaar, op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en van zijn uitgroei naar zelfstandigheid.

 

RVK werkt op het snijpunt van civiel recht en strafrecht.

 

Uitgangspunten

  • Een kind heeft bijzondere zorg en bescherming nodig vanwege zijn kwetsbare en afhankelijke positie.

  • Ouders zijn hiervoor allereerst zelf verantwoordelijk. Voor de inrichting van de opvoeding.

  • Als ouders hun verantwoordelijkheid niet (kunnen) nemen, heeft de Raad de taak om kinderen beschermen. Dit is een lastig punt. Wanneer grijp je in? Mag je al in grijpen bij ongeboren kinderen? En als een kind ernstig overgewicht heeft?

  • Het kind staat daarbij centraal.

 

Kerntaken (hoofdpunten voor onderzoek)

 

Bescherming

De Raad is betrokken bij gezinnen waar opvoeden een probleem is geworden en kan de rechter verzoeken om een kinderbeschermingsmaatregel. Er komt een melding van bijvoorbeeld BJZ of AMK waarna de raad een onderzoek start.

 

Gezag en omgang

De Raad adviseert de Rechter bij gezag- en omgangszaken, als ouders die uit elkaar gaan het niet eens worden over afspraken over de kinderen.

 

Straf

De Raad onderzoekt de situatie van jongeren die met de politie in aanraking komen en licht de rechter of de officier van justitie daarover in. De raad doet onderzoek naar pedagogisch beste hulpverlening of straf. Er wordt hierbij gewerkt met het LIJ.

 

ASAA

De Raad is betrokken bij zaken op het gebied van Afstand, Screening (van pleeg- en aspirant-adoptiegezinnen), Adoptie en Afstammingsvragen. Kijken of een gezin geschikt is voor bijvoorbeeld adoptie.

 

Beschermingszaken

  • Afweging twee grondrechten:

  1. Recht kind op gezonde en evenwichtige ontwikkeling, om beschermd te worden.

  2. Recht ouders kind naar eigen inzicht op te voeden

  • Opvoedingssituaties waarin het recht op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling van het kind in gedrang komt

  • Vrijwillige hulpverlening is niet meer mogelijk. Bijvoorbeeld omdat ouders niet mee willen werken.

  • De vraag is of een kinderbeschermingsmaatregel nodig is

 

Beschermingszaken kunnen leiden tot gesloten jeugdzorg.

 

 

Problematiek

  • Multiproblem-gezinnen

  • Verslavingsproblematiek

  • Psychiatrische problematiek

  • Ouders met een verstandelijke beperking

  • Kindermishandeling

  • Huiselijk geweld

 

 

Het raadsonderzoek

Er komt een melding binnen van bijvoorbeeld het AMK. Dan komen de volgende stappen aan bod:

  • Analyse van de hulpverleningsgeschiedenis

  • MD (multidisciplinair) vaststellen van de onderzoeksvraag

  • Gesprekken met ouder en kind

  • Contacten met informanten/professionals

    • Met medeweten van ouders

    • Met terugkoppeling naar informanten

    • Besluitvormend in multidisciplinair overleg

  • Rapport / advies kan zijn:

    • Verwijzen naar vrijwillige hulpverlening

    • Of indienen verzoek kinderbeschermingsmaatregel

  • Adviesgesprek met ouders

 

Kinderbeschermingsmaatregelen

  • Ondertoezichtstelling (OTS)

  • Ontheffing

  • Ontzetting

  • (Tijdelijke) Voogdij

  • Spoedmaatregelen:

  • Voorlopige Ondertoezichtstelling (VOTS)

  • Voorlopige Voogdij(VOVO)

  • Machtiging Uithuisplaatsing (MUHP)

 

OTS

  • Hulp en steun aan kinderen én ouders

  • Opgelegd door de Kinderrechter, dus niet vrijblijvend

  • Ouders behouden het gezag over het kind

  • Verantwoordelijkheid ligt bij de gezinsvoogdij (BJZ)

  • Duur: max. 1 jaar; met ieder jaar mogelijkheid tot verlenging door kinderrechter tot leeftijd van 18 jaar

OTS bijvoorbeeld bij:

  • Ontbreken van basale zorg en veiligheid

  • Mishandeling of (seksueel) misbruik

  • Emotionele of lichamelijke verwaarlozing

  • Onvoldoende opvoedingsvaardigheden bij ouder(s)

  • Ernstige gedragsproblemen bij kind

  • Hulpverlening in vrijwillig kader helpt niet of wordt niet geaccepteerd

 

Ontheffing en ontzetting

    • Doel OTS = altijd opvoedingssituatie verbeteren. Als doel na jaren OTS niet bereikt: maatregel na OTS = ontheffing (gedwongen of vrijwillig) of ontzetting.

    • Ontheffing: sprake van onmacht. Ouders kunnen bijv. als gevolg van ziekte/ geestelijke toestand of verslaving gezag niet uitoefenen.

    • Ontzetting: sprake van verwijtbaar gedrag van de ouder(s) (zwaarste maatregel).

    • Uitkomst: ouder(s) hebben geen gezag meer over kind.

 

Spoedmaatregelen

    • VOTS: in crisissituaties. Voorlopig 14 dagen, max. 3 maanden. Ontwikkeling van een kind loopt ‘ernstig en onmiddellijk’ gevaar.

    • VOVO: in crisissituaties. Voorlopig 14 dagen, max. 3 maanden. Gezag ontbreekt of wordt niet naar behoren uitgeoefend, waardoor ‘acute of ernstige dreiging’ voor het kind. Bijv. ouder(s) weigeren acute medische behandeling of moeder is minderjarig en verzekering kan niet geregeld worden.

 

Machtiging uithuisplaatsing

Wordt door de kinderrechter uitgegeven.

  • Kind kent geen basale zorg en of veiligheid thuis.

    • Kind loopt direct gevaar in thuissituatie, bijv. alcoholmisbruik, mishandeling, seksueel misbruik etc.

Andere voorbeelden:

  • Kind gaat eigen gang, luistert niet meer naar ouders en belandt in risicovolle situaties

  • Kind loopt steeds weg van huis, slaapt buiten op straat of op onbekende plekken

  • Kind komt in crimineel circuit terecht of prostitutie.

  • Kind is of dreigt slachtoffer van Loverboy te worden.

 

Machtiging uithuisplaatsing: gesloten jeugdzorg

  • de jeugdige heeft ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren

  • deze problemen maken opname en verblijf in een residentiële voorziening noodzakelijk

  • de gesloten setting is nodig om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

 

ASH=Ambulante spoedhulp voor ambulante hulp in crisissituaties.

IOG= intensieve orthopedagogische gezinsbehandeling.

 

Casus K:

K is een meisje met veel problemen en komt via allerlei instanties terecht bij de RVK. De RVK verzoekt OTS en MUHP. K is op 24 april niet thuis waardoor de raad een VOTS verzoekt en een MUHP. OP 5 mei wordt ze door de politie gevonden en wordt ze in een inrichting geplaats. Hier loopt ze ook weg. Dan wordt er een verzoek gedaan tot machtiging plaatsing in een inrichting voor gesloten jeugdzorg (tot aan meerderjarigheid.

 

 

Deel 2: Werken in de gesloten jeugdzorg

 

De koppeling

  1. gesloten jeugdzorgplus

  2. jongens en meisjes van 12 tot 18

  3. gesloten machtiging van de kinderrechter

  4. ernstige bedreiging is nodig

 

Partners werken multifocaal: opvoeden, behandelen en onderwijs. De koppeling bestaat uit: spirit, de bascule, altra en lijn 5. Ze werken multidisciplinair en multifocaal.

 

Visie

  1. zo snel mogelijk geslotenheid opheffen

  2. het creëren van perspectief wonen, onderwijs en vrije tijd. Als je weet waar je voor werkt heb je hoop in de toekomst en de toekomst in eigen handen.

  3. vertrouwen in de eigen kracht van cliënten. Weten dat je daadwerkelijk wat kunt veranderen als ouders maar ook als kind.

  4. vergroten invloed op eigen leven van de jongere en het gezin, oplossingsgericht. Ouder en kinderen hebben zelf invloed op hun leven.

  5. Maatwerk: de 1 blijft twee weken en de ander blijft 3 maanden.

 

Doelstelling

  1. Vergtoren behandelmotivatie

  2. Vergroten probleemoplossend vermogen. Als dit behaalt is is de grootste stap gezet. Ze moeten door hebben wat de consequenties zijn van hun gedrag en hoe ze hun gedrag beter kunnen vormgeven. Als dit bereikt is kan de geslotenheid eigenlijk al opgeheven worden.

  3. Vergroten van inzicht

  4. Verminderen belemmerende factoren

  5. Vergroten van de veiligheid in en buiten het gezin. Gaat over middelengebruik maar ook over financiën.

 

De kinderen zijn door de jaren heen erg beschadigd. Ze dragen een masker en durven hun kwetsbaarheid niet te laten zien. Dit moet wel om door de behandeling te komen.

 

En dan?

1. diagnostiek

  • intelligentie

  • persoonlijkheid

  • Psychiatrisch

  • Ontwikkelingsanamnese

  • Neurologisch/ orthodidactisch.

 

Veel voorkomende problematiek:

  • Adhd

  • Ass

  • Bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling (bijv. borderline).

  • ODD/CD

  • Depressie

  • Trauma/ptss. Bijna iedereen in een gesloten jeugdzorg is getraumatiseerd.

  • Verstandelijke beperking (geen stoornis, maar moet je wel rekening mee houden)

  • Verwaarlozing, mishandeling, misbruik

  • Verslaving

 

Behandeling

1. sociaal competentiemodel

2. agressieregulatietraining (TACT)

3. therapie op maat (bascule)

4. medicamenteuze behandeling

5. gezinstherapie (FFT)

6. creatieve therapie, beeldend of muziek

7. preventie van en behandeling bij middelen misbruik (Jellinek)

8. Vrije tijd, Training en Vorming (‘normale’ wereld naar binnen halen: sporten, tien minutengesprekjes voor ouders).

9. Geestelijke verzorging

10. Psychotherapie

11. Psycho-educatie aan ouders en de jongeren.

 

Alle jongeren volgen therapie en ouders worden waar mogelijk bij betrokken. De behandeling bestaat uit 4 fasen. 1. Diagnostiek, 2. Verlof, 3. Uitbreiding verlof: nieuwbouw(andere afdeling). 4. Naar huis gaan.

 

Rol orthopedagoog

  • Coördineren en vormgeven van de behandeling

  • Coachen pedagogisch medewerkers, uitleggen wat een stoornis is en hoe te handelen

  • Borgen behandelklimaat, sensitief en responsief. Als professional optreden.

  • Overleg met ketenpartners

  • (proces) diagnostiek

  • Behandeling in engere en brede zin. Kind krijgt individueel therapie maar ook in de groep moet het goed zijn. Gewone regels als je spullen opruimen en eten met mes en vork.

  • Bijdragen aan beleid en ontwikkelingen

 

 

Deel 3: Gesloten jeugdzorg: waarborgen vanuit kinderrechten

 

Defence for Children (DFC)

  • Internationale kinderrechtenorganisatie

  • DCI 45 nationale secties / ECPAT 74 landen. Ecpat zet zich in om seksuele uitbuiting van kinderen te bestrijden. In Nederland werkt Defense for children samen met ECPAT.

  • Doel: Implementeren van het IVRK in wet, beleid en praktijk

  • Hoe? Onderzoek, lobby, voorlichting, actie en rechtshulp en Schaduwrapportage aan het VN Kinderrechtencomité (2012)

Er zijn allerlei gebieden waar DFC advies op geeft. Bijvoorbeeld ouders die komen omdat hun kind niet de hulp en zorg krijgt die hij nodig heeft. DFC schrijft een kinderrechtenrapportage. Hierin past DFC het IVRK toe op de casus. Het rapport wordt bij het dossier gevoegd.

 

Er is een helpdesk waarbij mensen individueel geïnformeerd kunnen worden. Maar DFC krijgt ook kwesties onder ogen door mensen die ze eerder niet zagen.

 

Gesloten jeugdzorg

  • Ultimum remedium: vrijheidsbeneming (artikel 5 EVRM 9 IVBPR, 37 IVRK, 15 Gw). Gesloten jeugdzorg bewaren we tot het uiterste. Is het laatste middel. DFC kijkt wanneer het echt nodig is.

  • 3261 plaatsingen in 2011

  • Twee thema’s:

  • Alternatieven: passende zorg buiten de gesloten jeugdzorg

  • Huisregels in de gesloten jeugdzorg (interne rechtspositie)

 

Alternatieven

  • Stimuleren van intensieve ambulante programma’s (MST, FFT)

  • Passend zorgaanbod:

    • Plaatsing voorkomen

    • Doorstroom naar open vormen van zorg

 

Rapporten bekeken, gesprekken met advocaten lieten zien dat advocaten zeggen dat passende zog er niet is of dat er een te lange wachtlijst is dus maar overgaan op gesloten jeugdzorg. Dit kan niet maar gebeurt wel. Ook is er een probleem met de doorstroom volgens advocaat. Jeugdige is eigenlijk klaar voor meer vrijheid maar vanwege te weinig mogelijkheden gebeurt dit niet. In strijd met IVRK die zegt dat vrijheidsbeneming zo kort mogelijk moet zijn.

 

Jongeren die verslaafd zijn, zijn een lastige groep. Ze zitten in gesloten jeugdzorg omdat ze buiten niet gemotiveerd zijn maar nu worden ze van hun vrijheid beroofd om zo af te dwingen dat ze niet meer gebruiken. Want in gesloten jeugdzorg worden urinecontroles gedaan. Buiten gesloten jeugdzorg niet. Dit moet anders.

 

Huisregels

Als je in een gesloten jeugdzorg wordt geplaats betekend dit dat je rechtspositie verankerd moet zijn. Ze moeten hun rechten kennen, weten waar ze aan toe zijn. Want kans op misbruik van hun rechten is groot, ze zitten binnen waar weinig toezicht is van buiten. Een huisregelreglement moet elke gesloten jeugdzorginrichting hebben. Ze stellen dit zelf op maar er zijn handleidingen over wat er in moet staan. Het is een belangrijk document omdat de jongere dan weet wat zijn rechten en plichten zijn. Dit is een praktische uitwerking van zijn rechtspositie.

 

In 2010 had niet elke instelling een huisregelreglement. In 2013 is er opnieuw een analyse gedaan. De ene instelling heeft de huisregels goed op orde, de ander niet. Huisregels moeten begrijpelijk zijn voor jongeren en het moet compleet zijn. Ook moet er een bezoeksregeling in staan. Ook de duur van vrijheidsbeneming, de duur van een kamerdoorzoeking etc.

  • Praktische uitwerking rechtspositie

  • Informeren over rechten en plichten

  • Rechtspositie in de Wjz summier

  • Op naar een uniform basismodel conform internationale en nationale regelgeving

 

Hoorcollege 7

Multi system therapie (MST): een geslaagd huwelijk tussen systeemtherapie en gedragstherapie.

 

De waag

  • Forensische GGZ

  • Zorglijnen:

  • Agressie & vermogen

  • Huiselijk geweld

  • Zeden

  • Jeugd:

  • - AR op Maat, OLG, MST e.a.

 

Doel: verminderen recidive en voorkomen van uithuisplaatsing

 

MST doelgroep:

  • jongeren 12 tot 18

    • gedragsproblemen

    • recidiverend delinquent gedrag

    • middelenmisbruik

    • schoolverzuim

    • jongeren (bijna) in jeugddetentie/gesloten opname

  • gedrag is sterk verweven met omgevingsfactoren

 

Jeugddelinquentie is complex gedrag

 

Wat werkt bij jeugddelinquentie:

  • gedragsgericht

  • in eigen omgeving

  • multimodaal

  • bestrijken meerdere levensgebieden tegelijk

  • op criminogene behoeften gericht

  • kwaliteitsbewaking

    • programma integriteit

      • treatment adherence

 

Vormgeving MST team:

  • 4 fulltime hooggekwalificeerde professionals

  • supervisor

  • jeugdpsychiater

  • interviewer

  • 4 à 6 cliëntsystemen per behandelaar

  • hoge contactfrequentie 3 à 5 per week

  • behandeling op locatie (gezin, school, wijk)

  • 24 uur per dag bereikbaar

  • behandelduur 3 tot 5 maanden

 

De 9 uitgangspunten van MST:

  1. hoe past het gedrag in de omgeving ?

  2. positief en gericht op sterke punten

  3. versterken verantwoordelijkheid

  4. gericht op het hier en nu, en op actie

  5. gedragsreeksen zoeken

  6. passend bij ontwikkelingsniveau

  7. voortdurende inzet van gezinsleden

  8. evaluatie en verantwoordelijkheid

  9. generalisatie

 

De fit: hoe is probleemgedrag verbonden met de omgeving?

 

Onmisbare partners voor de uitvoering

  • ouders

  • school

  • wijk/buurthuis/ sportclub

  • Netwerk van ouders

  • politie in de wijk

  • reclassering/jeugdbescherming als toezichthouder

 

Voorbeelden van interventies

  • Het veiligheidsplan

  • Het gedragsplan

  • Het schoolplan

  • Het netwerkberaad

  • CGT

  • Oefenen / rollenspel

  • “Whatever it takes”

 

Het werkt op basis van

  • Wetenschappelijk onderzoek
    - 26 benchmark studies
    - 20 randomized trial
    - recent nederlands onderzoek (RCT)

  • MST-metingen

-TAM, SAM, CAM

  • GGZ - metingen:

-ROM

 

Kwaliteitsbewaking

  • handboek

  • Eigen opleiding & congressen

  • academisch geschoolde therapeuten

  • Fulltime voor MST

  • wekelijks supervisie

  • wekelijks consultatie

  • therapist adherence measure (TAM), SAM, CAM

  • Opnemen van gesprekken

  • persoonlijk ontwikkelingsplan therapeut/supervisor

 

Justitiële kaders

  • civielrechterlijk

    • bij (dreigende) machtiging uithuisplaatsing in gesloten setting

  • strafrechterlijk

    • schorsing voorl. hechtenis

    • bijz.voorwaarde voorwaardelijke jeugddetentie/voorwaardelijke pij

  • vrijwillig

 

Forensisch en aan huis

  • Veiligheid als behandeldoel

  • Veiligheid van de therapeut

  • Waar ligt de grens ?

 

Uitdagingen

  • De macht van de zorgverzekeraar

  • De gemeente als taakverantwoordelijke

  • GGZ of jeugdzorg..- en maakt dat wat uit?

 

 

Hoorcollege 8

Behandeling van cluster B persoonlijkheidsstoornissen in wording.

Cluster B -> borderline, narcistische persoonlijkheden.

 

Onverbondenheid en afwijzing (YOUNG, cognitieve gedragstherapie)

De schema’s voor deze doelgroep:

  • Verlating/instabiliteit. Als je in je vroege jeugd veel in de steek bent gelaten, bent afgewezen zeggen jongeren later: niemand houdt van me. Niemand wil bij mij zijn. En als je me echt leert kennen zal je zien dat ik niet deug en dat je niet bij mij wil zijn.

  • Wantrouwen/misbruik: Er is bij deze jongeren over de grens heen gegaan. Ze hebben vaak trauma’s. Degenen die het dichtste bij zijn hebben ze pijn gedaan. Daarom wantrouwen ze de mensen die dicht bij staan. Ze zoeken overal wat achter. Als een hulpverlener heel aardig is vertrouwen ze dat niet. Soms is het beter om je maar wat strenger te zijn als hulpverlener. Ze voelen zich onveilig en hebben het idee dat iedereen samen werkt tegen hen.

  • Emotioneel tekort/verwaarlozing: Emotionele verwaarlozing betekend dat je niet hebt gekregen wat je nodig hebt. Ze hebben je niet gezien, niet gezien hoe jij bent. Het kan ook zijn dat kinderen zo verwend zijn zodat ze niet meer weten hoe om te gaan met prestaties en emoties.

  • Tekortschieten/schaamte: Jongeren merken steeds dat dingen niet lukken, dat ze steeds falen. Het gevoel hebben er niet meer bij te horen. Bijvoorbeeld iemand met ADHD, een laag iq en lage sociale vaardigheden. Hij krijgt op school op zijn kop omdat hij geen goede cijfers haalt en niet stil kan zitten. Hij vind zelf geen aansluiting bij vrienden. Overal krijgt hij zo het gevoel dat niks lukt. Jongeren bouwen zo snel een negatief zelfbeeld op. Dit schema, maar ook het schema hiervoor komt ook veel voor bij gewone, normale gezinnen.

  • Sociaal isolement/vervreemding: Jongeren krijgen het idee dat ze er niet bij horen.

 

Behandelinterventies afgelopen 20/25 jaar binnen civiel of strafrechtelijk kader

 

  • Golfbewegingen: van gezinsinterventies naar residentiele behandelingen, van individuele interventies naar gezinsinterventies. Bij residentiele behandelingen werden kinderen zo ver mogelijk bij ouders vandaan geplaatst. Het idee was om in de instellingen te vaderen en te moederen. Kinderen maar veel aandacht en liefde geven want dat zou wel helpen. Maar aangezien het niet werkte ging men over naar individuele interventies. Dit stopte voor een gedeelte omdat het moeilijk is om deze jongeren niet uit zichzelf hulp zoeken. Dit komt omdat ze zelf niet de motivatie kunnen vinden om hulp te zoeken. Voor hun is het onbegrijpelijk dat iemand jou kan helpen bij jou probleem. Tegenwoordig wordt veel gebruik gemaakt van gezinsinterventies. Waarschijnlijk zal er in de toekomst weer meer met residentiele interventies gewerkt worden.

  • Van persoonlijkheidsverandering naar risicopreventieprogramma’s. Het beeld dat overheerst is dat we moeten zorgen dat ze geen schade meer kunnen aanrichten in de maatschappij. Maar door nieuwe programma’s is het mogelijk om weer meer te kijken naar de persoonlijkheid van jongeren.

  • Van interventies gebaseerd op een theoretische school naar evidence-based programma’s.

 

Straffen bij deze doelgroep is lastig. Een gewone jongen van 16 die wordt opgepakt zal in de cel nadenken wat er gebeurt is en wat hij beter niet had kunnen doen. Deze doelgroep kan dat niet.

 

Probleem bij Roma gezinnen:

  • Hele grote gezinnen

  • Vaak laag IQ: afweging maken tussen zielig en slecht. Iemand heeft iets gestolen, maar heeft ook maar een IQ van 60. Is dat dan slecht of zielig?

  • Verhuizen heel vaak, gaan vaak voor paar maanden naar buitenland.

  • Integreren niet

 

Waarom is behandeling zo lastig bij deze doelgroep?

  • Stagnatie van sociaal-emotionele ontwikkeling op het gebied van: empathie, differentiëren van gevoelens, reguleren van gevoelens en sociale vaardigheden. Men kan zich niet verplaatsen in een ander. Een ze vinden het lastig om te vertellen hoe ze zich voelde toen iets gebeurde (differentiëren van gevoelens)

  • Copingmechanismen om met schema’s om te gaan: ontwijken/overschreeuwen

  • Negatieve/pijnlijke gevoelens worden gekoppeld aan externe stimuli/stressoren.

 

Het gaat bij deze jongeren vaak vanaf het eerste moment al mis. We vragen gelijk hoe het met de jongere is. En wat de jongere wil. Dan gaat het meteen mis. Je vraagt gelijk dingen die voor ons simpel zijn maar die voor de jongeren erg lastig is. Ze weten even niet hoe ze zich voelen en wat ze willen. De jongeren willen geen pijn meer voelen en zij zien de hulpverlener als iemand die weer in die pijn gaat wroeten. Ze willen niet met de hulpverlener hierover praten. De jongere komt binnen met heel veel angst en kunnen niet mentaliseren, nadenken over wat er gebeurt is, over gevoelens. En wat vraagt de hulpverlener: mentaliseren. Ze willen de hulpverlener op afstand houden. Ontwijken het gevoel of overschr eeuwen. Daarnaast koppelen ze onrust aan externe stimuli. De hulpverlener is stom want hij stelt stomme vragen.

 

Therapiekamer

  • Geen motivatie en probleeminzicht terwijl de hulpverlener wel vraagt wat het probleem is

  • Psychotherapeut is meest ‘gevaarlijke’ persoon: gericht op pijnlijk en negatieve gevoelens, dus vermijden, vermijden, vermijden.

  • Om motivatie te vergroten is het essentieel veiligheid te creëren: coping (gevolg van arousel) te verminderen, waardoor bewustwording cq mentaliseren op gang gebracht kan worden.

  • Proberen als hulpverlener de jongere te laten voelen dat je hem wil begrijpen. Heel goed luisteren is hierin erg belangrijk. Het gaat mis als je met je hoofd er niet bij bent. Je moet niet in je hoofd nadenken welke vragen je wilt stellen of je de jongere het beste kan helpen. Dit ziet de jongere en zorgt voor alleen maar meer wantrouwen. Je moet erbij blijven.

 

Competenties therapeut

  • Het start gesprek met niet gemotiveerde: vaak klantgericht, geen aansluiting bij gedrag jeugdige

  • Therapeut gaat in de eerste fase van de therapie dwars door de coping van de jeugdige heen en ‘raakt’ aan de pijn: vaak vermijding van de therapeut of juist totale focus op emotie.

 

Je moet deze jongeren altijd laten voelen dat het goed kan komen. Dat je het beste met ze voor hebt en dat je samen iets wil veranderen.

 

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.