Stamplijst Accounting for Management Control

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.


Hoofdstuk A: Accounting en beslissingen maken in het bedrijfsleven

  • Management accounting levert informatie die gebruikt kan worden om te plannen, leiden, motiveren en controleren van een organisatie.

  • Feedback is tijdens de controle functie het belangrijkste mechanisme: het geeft namelijk aan of taken op schema liggen.

  • Een performance rapport vergelijkt de gebudgetteerde resultaten met de actuele resultaten.

  • Het werk van het management kan samengevat worden in de planning en controle cyclus (zie blz. 4), die laat zien hoe managementactiviteiten soepel lopen van plannen naar leiden en motiveren, controleren en terug naar plannen. Al deze activiteiten brengen beslissingen maken met zich mee.

  • Management accounting wordt gekarakteriseerd door een nadruk op de toekomst, relevantie en flexibiliteit van data, meer nadruk op actualiteit dan op nauwkeurigheid en focus op de afdelingen van een organisatie.

  • In de omgeving van een organisatie worden de volgende dingen steeds belangrijker: het gebruik van enterprise resource planning (ERP) systemen, bedrijfsethiek, winstgevendheid van klanten, het creëren van waarde en de duurzaamheid van de omgeving  environmental management accounting.

Hoofdstuk B: Kosten termen en concepten

  • De meeste productiebedrijven verdelen productiekosten in 3 categorieën: direct materials, direct labour en manufacturing overhead.

  • Direct materials zijn materialen die in het uiteindelijke product gaan of gebruikt worden hiervoor (en ook terug te zien zijn!).

  • Direct labour zijn arbeidskosten die makkelijk getraceerd kunnen worden voor individuele eenheden van producten.

  • Manufacturing overhead zijn alle kosten van productie behalve directe materialen en arbeid.

  • Manufacturing overhead gecombineerd met direct labour heet conversion cost (zetten materialen om in producten). Direct labour en direct materials gecombineerd heet prime cost (kostprijs).

  • Marketing or selling costs zijn alle kosten die nodig zijn om orders van klanten te krijgen en af te leveren. Administrative costs zijn alle uitvoerende, organisatorisch en administratieve kosten die geassocieerd worden met het algemene management van een organisatie in plaats van productie, marketing of verkoop. Dit zijn non-manufacturing costs.

  • Productkosten omvatten alle kosten die betrokken zijn bij het verwerven of maken van een product. Periodekosten zijn alle kosten die niet bij de productkosten horen.

  • Cost behaviour geeft weer hoe een kostenpost zal reageren op veranderingen in het level van bedrijfsactiviteiten.

  • Een variable cost is een kost die varieert, als geheel, in directe verhouding met veranderingen in het level van activiteiten

  • Een fixed cost is een kost die constant blijft, als geheel, onachtzaam of er veranderingen in het level van activiteiten zijn.

  • De contribution approach geeft de manager een winst- en verliesrekening (profit and loss statement) die rechtstreeks gericht is op het gedrag van kosten. De contribution margin wordt berekend door de variabele uitgaven van de sales af te trekken en helpt om de vaste kosten en winsten voor die periode te bedekken.

  • De differential cost zijn de verschillen in kosten tussen twee alternatieven. Een verschil in winsten tussen twee alternatieven heet differential revenue. Een differntial cost heet ook wel een incremental cost.

  • Opportunity cost is de potentiële winst die opgegeven wordt als één alternatief boven een andere wordt verkozen.

  • Een sunk cost is een kost die al gemaakt is en die niet meer veranderd kan worden, welke beslissing er nu of in de toekomst ook gemaakt wordt.

Hoofdstuk C: Beslissingen maken op korte termijn: kosten-volume-winst relaties

  • Cost-volume-profit (CVP) analysis is een van de meest krachtige tools die een manager heeft om de onderlinge samenhang van kosten, volume en winst te begrijpen. Op de volgende vijf elementen wordt gefocust:

  1. Prijzen van producten;

  2. Volume of niveau van de activiteit;

  3. Variabele kosten per unit;

  4. Totale vaste kosten;

  5. De mix van verkochte producten.

  • De contribution margin als een percentage van de totale sales heet de contribution margin ratio (CM ratio). CM ratio = Contribution margin / Sales.

  • Een incremental analysis kijkt alleen naar de items van winst, kosten en volume die zullen veranderen om een snelle en simpele berekening te maken.

  • Op het break-even point is de winst 0. De contribution margin method kan gebruikt worden om dit punt te berekenen:
    Break-even point in units sold = Fixed expenses / Unit contribution margin.

  • Break-even point in total sales = Fixed expenses / CM ratio

  • De relaties tussen inkomsten, kosten, winst en volume kunnen ook grafisch weergegeven worden door een cost-volume-profit (CVP) graph.

  • We kunnen de contribution margin formule uitbreiden om de nagestreefde winst (target profit) erin te verwerken: Units sold to attain the target profit = (Fixed expenses + Target profit) / Unit contribution margin.

  • De margin of safety is het teveel aan gebudgetteerde of echte sales boven het break-even volume van sales.
    Margin of safety = Total budgeted (or actual) sales – Break-even sales.
    Margin of safety percentage = Margin of safety in pounds / Total budgeted (or actual) sales

  • De operating leverage (hefboom) is een maatstaf voor hoe gevoelig een winst is voor een percentage verandering in sales.
    Degree of operating leverage = Contribution margin / Profit

  • De term sales mix betekent de relatieve proporties waarin de producten van een bedrijf worden verkocht.

  • Om gemixte kosten te analyseren (als niet duidelijk is wat vaste/variabele kosten zijn), kunnen we de high-low method gebruiken.
    Variable cost = Change in cost / Change in activity
    Fixed cost element = Total cost – Variable cost element

Hoofdstuk D: Relevante kosten voor het maken van beslissingen

  • Kosten die verschillen tussen alternatieven zijn relevant costs.

  • Een avoidable cost is een kost die geëlimineerd kan worden in zijn geheel of gedeeltelijk, door te kiezen voor een alternatief.

  • Twee soorten kosten zijn nooit relevant in beslissingen: sunk costs en future costs die niet verschillen tussen de alternatieven.

  • Kosten die in de ene beslissing relevant zijn, hoeven dat in een andere niet te zijn. Managers gebruiken different costs for different purposes.

  • Een beslissing om een gefabriceerd onderdeel zelf (intern) te maken in plaats van het te kopen van een leverancier, is een make or buy decision. Elke beslissing gerelateerd aan vertical integration is een make or buy decision.

  • Een special order is een eenmalige order die niet gezien wordt als normale bedrijfsvoering.

  • Als een gelimiteerde resource het bedrijf belemmert om aan de vraag tegemoet te komen, heeft het bedrijf een constraint (beperking). De machine of het proces dat de overall output limiteert heet de bottleneck – het is de constraint.

Hoofdstuk E: De principes van kostenallocatie: full costing

  • Absorption costing wijst zowel variabele als vaste kosten toe aan producten – ze worden op zo’n manier gemengd dat het lastig wordt voor managers om onderscheid te maken. Absorption costing ziet alle kosten van productie als productkosten, ongeacht of ze variabel of vast zijn. Daarom heet het ook wel de full cost method.

  • Een job-order costing system wordt gebruikt in situaties wanneer veel verschillende producten geproduceerd worden elke periode.

  • Een allocation base moet worden gebruikt – dat is een cost driver van overhead kosten. Een cost driver is een factor, zoals machine-uren, computer time of vlieguren die overhead kosten veroorzaakt.

  • Predetermined overhead rate = Estimated total overhead cost / Estimated total units in the allocation base. Dit is voor de periode begint. Het proces van overhead cost toewijzen aan jobs heet overhead application. De formule hiervoor is: Overhead applied to a particular job = Predetermined overhead rate x Amount of allocation base incurred by the job

  • Als er één predetermined overhead rate voor de hele fabriek wordt gebruikt, heet dat een plantwide overhead rate. In grotere bedrijven worden er vaak meerdere gebruikt per productieafdeling. Dit is een multiple predetermined overhead rate.

  • Afdelingen binnen een organisatie kunnen verdeeld worden in (1) operating afdelingen en (2) service afdelingen. Operating departments zijn alle afdelingen of units waar de centrale doeleinden van een organisatie worden uitgevoerd. Service departments houden zich niet direct bezig met de bedrijfsactiviteiten.

  • De direct method is de simpelste allocation methode. Het negeert de diensten verleent van de ene dienstafdeling aan een andere en wijst alle kosten direct toe aan de operating afdelingen.

Hoofdstuk F: Activity-based costing

  • Activity-based costing (ABC) is een kostprijsberekeningsmethode die ontworpen is om managers te voorzien van kosteninformatie voor strategische en andere beslissingen die de capaciteit potentieel beïnvloeden en daarmee de vaste kosten. Het doel van activity-based costing is het begrijpen van de overhead en de winstgevendheid van producten en klanten. Bij ABC worden kosten alleen toegewezen aan producten als er een goede reden is om te geloven dat de kosten beïnvloedt worden door beslissingen aangaande dat product.

  • Een activity is een evenement dat het gebruik van overhead resources veroorzaakt.

  • Het implementatieproces wordt opgebroken in de volgende vijf basisstappen:

  1. Identificeer en definieer activities en activity pools;

  2. Als het mogelijk is, traceer kosten dan direct naar activiteiten en cost objects;

  3. Wijs kosten toe aan activity cost pools;

  4. Bereken activity rates;

  5. Wijs kosten toe aan cost objects door gebruik te maken van de activity rates en activity measures.

  • Unit-level activities worden uitgevoerd elke keer dat een unit wordt geproduceerd. Deze kosten moeten plaatsvinden in proportie met het aantal units die geproduceerd worden.

  • Batch-level activities worden uitgevoerd elke keer dat een batch wordt behandeld of geproduceerd, ongeacht hoeveel units er in de batch zitten.

  • Product-level activities hebben betrekking op specifieke producten en moeten worden uitgevoerd, ongeacht hoeveel batches of units er worden geproduceerd of verkocht. Een voorbeeld zijn de advertentiekosten.

  • Customer-level activities hebben betrekking op specifieke klanten en bevatten activiteiten zoals verkoopgesprekken, die niet gebonden zijn aan een specifiek product.

  • Organization-sustaining activities worden uitgevoerd ongeacht welke klanten, producten, batches of units bediend/gemaakt worden. Een voorbeeld zijn de schoonmaakkosten of het verstrekken van een computernetwerk.

  • Een activity cost pool is een ‘bucket’ waarin kosten opeengestapeld worden die betrekking hebben op een specifieke activiteit. Een activity measure is een allocation base in een ABC systeem.

  • De derde stap in het implementeren van het ABC systeem is kosten herleiden die direct naar één van de activity cost pools kunnen gaan. Als een afdeling in meerdere activiteiten meedoet, worden de kosten van de afdeling verdeeld over de activity cost pools via een allocatieproces die first stage allocation heet. Dit is het proces waarbij overhead kosten worden toegewezen aan activity cost pools.

  • De vijfde stap in de implementatie van ABC heet second-stage allocation. Hier worden activity rates gebruikt om kosten toe te passen op producten en klanten.

Hoofdstuk G: Pricing, target costing en transfer pricing

  • De mark-up van een product is het verschil tussen de verkoopprijs en de kosten. Dit wordt vaak uitgedrukt in een percentage. Deze aanpak heet de cost-plus pricing omdat het van te voren vastgestelde mark-up percentage wordt toegepast op de cost base om de gestreefde verkoopprijs te bepalen: Selling price = Cost + (Mark-up percentage x Cost)

  • De price elasticy of demand meet de mate waarin het volume van unit sales wordt beïnvloedt door een verandering in prijs.

  • De prijselasticiteit van de vraag naar een product of dienst, εd, is: εd = ln (1 + % change in quantity sold) / ln (1 + % change in price)

  • Profit-maximizing mark-up on variable cost = (εd / (1 + εd)) – 1 Variable cost per unit
    Profit-maximizing mark-up on variable cost = (εd / (1 + εd)) Variable cost per unit

  • Yield management is het proberen te bereiken van een hoge bezettingsgraad (utilization) door variërende prijzen voor marktsegmenten en de tijd van boeking.

  • Yield percentage = Actual revenue / Maximum potential revenue

  • Mark-up percentage = ((Required ROI x Investment) + SG&A expenses) / on absorption cost Unit sales x Unit product cost

  • ROI = Net operating profit / Average operating assets

  • Target costing is het proces van het vaststellen van de maximale toegestane kosten voor een nieuw product en het dan ontwikkelen van een prototype dat winstgevend gemaakt kan worden voor die vastgestelde maximale toegestane kosten. Target cost = Anticipated selling price – Desired profit

  • Managers kunnen kostenverminderingen meer routine geven door een benadering die bekend staat als kaizen budgeting.

  • Een transfer price is de prijs die opgelegd wordt als een segment van het bedrijf goederen of diensten levert aan een ander segment van het bedrijf.

  • Als er sprake is van sub-optimization handelen managers in hun eigen belang.

  • Een negotiated transfer price is een transferprijs die overeengekomen is tussen verkoop- en inkoopafdelingen. De limieten waarin deze transferprijzen zitten bepalen de range of acceptable transfer prices.

  • De market price is de prijs die gevraagd wordt voor een product in de markt. Deze benadering is gemaakt voor situaties waarin er een intermediaire markt is voor het getransfereerde product of dienst. Een intermediate market is een markt waarin producten of diensten worden verkocht in hun huidige vorm naar externe klanten.

Hoofdstuk H: Winst plannen en controleren: budgetteren

  • Een budget is een gedetailleerd plan voor de verkrijging en het gebruik van financiële of andere middelen over een specifieke periode.

  • Een continuous or perpetual budget is een 12-maanden budget dat een maand (of kwartaal) verder vooruit kijkt als de huidige maand (of kwartaal) klaar is.

  • Een self-imposed budget of participative budget is een budget dat ontwikkeld is met de volledige medewerking en participatie van managers op alle levels.

  • Een budget committee zal normaal gesproken verantwoordelijk zijn voor het algemene zakenbeleid die bij het budgetteren hoort en voor het coördineren van de voorbereiding van het budget.

  • Het masterbudget bestaat uit een aantal afzonderlijke, maar onderling afhankelijke budgetten. Een sales budget is een gedetailleerd schema die de verwachte verkopen laat zien voor de gebudgetteerde periode.

  • Een cash budget is een gedetailleerd plan die laat zien hoe cash resources worden verworven en gebruikt over een specifieke periode.

  • Het production budget beschrijft het aantal eenheden dat geproduceerd moet worden elke budgetperiode om aan de verkoopbehoeften te voldoen en die voldoende eindvoorraad oplevert.

  • Het direct materials budget beschrijft de grondstoffen die ingekocht moeten worden om te voldoen aan het production budget en de voorraad. Dit is een stap in het gehele material requirements planning (MRP) van de organisatie.

  • Het direct labour budget wordt ook bepaald n.a.v. het production budget. Er moeten voldoende arbeidsuren gebudgetteerd worden zodat productiedoelen gehaald worden.

  • Het manufacturing overhead budget biedt een schema van alle kosten van productie anders dan direct materials en labour.

  • De carrying cost of the unsold units wordt berekend met het finished goods stock budget.

  • Het selling and administrative expense budget beschrijft de verwachte uitgaven voor gebieden anders dan manufacturing.

  • Het cash budget bestaat uit vier grote secties:

  1. The receipts section (ontvangsten).

  2. The disbursements section (uitgaven).

  3. The cash excess or deficiency section (overschot of tekort van cash).

  4. The financing section (financiering).

  • Een veel voorkomend kritiekpunt op budgetteren is dat budgetten een bepaald type van constrained management style produceert, activiteiten worden makkelijk gemeten en worden te historisch gebaseerd.

  • Een manier om budgetten te hervormen is zero-based budgeting. Managers zijn dan verplicht om alle gebudgetteerde uitgaven te verantwoorden, niet alleen veranderingen in het budget van het vorige jaar.

Hoofdstuk I: Standaardkosten en verschillenanalyse

  • Management by exception: verschil onderzoeken dat bestaat tussen daadwerkelijke hoeveelheden en prijzen en de standaarden die daarvoor gesteld waren.

  • Producerende bedrijven hebben vaak sterk ontwikkelde standard costing systems, waarbij de standaarden genoteerd zijn op een standard cost card, die de manager veel informatie geeft over de inputs die nodig zijn om een unit te produceren en de kosten daarvan.

  • Ideal standards zijn die standaarden die alleen bereikt kunnen worden onder de beste omstandigheden, wanneer niks mis gaat. Practical standards worden gedefinieerd als standaarden die strak zijn, maar wel haalbaar.

  • De standard price per unit voor direct materials moet de uiteindelijke kosten van materialen reflecteren. De standard quantity per unit voor direct materials moet het aantal materialen reflecteren die in een afgewerkt product gaan, inclusief een toelage voor onvermijdbare afval, verspilling en andere normale inefficiënties. Een bill of materials is een lijst dat het type en de hoeveelheid materiaal van elk item dat in een product gaat laat zien.

  • De standard rate per hour voor direct labour moet niet alleen verdiend loon omvatten, maar ook secundaire arbeidsvoorwaarden en andere arbeidskosten. De standard hours per unit zijn de standaard arbeidsuren die nodig zijn voor het maken van een unit product. De standard cost per unit is de standard hours vermenigvuldigen met de standard price.

  • Verschillen tussen standaardprijzen en daadwerkelijke prijzen en standaardhoeveelheden en daadwerkelijke hoeveelheden heten variances.

  • De eerste formule beschrijft de actual quantity of inputs, at actual price (AQ x AP), de tweede de actual quantity of inputs, at standard price (AQ x SP) en de derde de standard quantity allowed for output, at standard price (SQ x SP). Het verschil tussen 1 en 2 is de price variance en het verschil tussen 2 en 3 is de quantity variance. Blz. 211.

  • Een materials price variance meet het verschil tussen wat is betaald voor een bepaalde hoeveelheid van materialen en wat betaald zou moeten zijn naar aanleiding van de standaarden die opgesteld zijn. De formule:

Materials price variance = (AQ x AP) – (AQ x SP)

Materials price variance = AQ (AP – SP)

  • De materials quantity variance meet het verschil tussen de hoeveelheid materialen die is gebruikt in productie en de hoeveelheid die zou moeten zijn gebruikt naar aanleiding van de standaarden die opgesteld zijn. De formule:

Materials quantity variance = (AQ x SP) – (SQ x SP)

Materials quantity variance = SP (AQ – SQ)

  • De labour efficiency variance meet de productiviteit van labour time. De formule:

Variable overhead efficiency variance = (AH x SR) – (SH x SR)

Variable overhead efficiency variance = SR (AH – SH)

  • De formule voor variable overhead spending variance is de volgende:

Variable overhead spending variance = (AH x AR) – (AH x SR)

Variable overhead spending variance = AH (AR – SR)

  • De formule voor variable overhead efficiency variance is de volgende:

Variable overhead efficiency variance = (AH x SR) – (SH x SR)

Variable overhead efficiency variance = SR (AH – SH)

Hoofdstuk J: Beslissingen maken op lange termijn: investeringsselectie

  • Capital budgeting impliceert investment – een bedrijf moet nu geld/middelen inzetten om in de toekomst daar wat voor terug te krijgen.

  • Net present value: verschil tussen de present values van cash flows, bepaalt of een project een aanvaardbare beslissing is.

  • Working capital is current assets – current liabilities.

  • De cost of capital is de gemiddelde rate of return die een bedrijf moet betalen aan lange-termijn schuldeisers en aandeelhouders voor het gebruiken van hun fondsen.

  • De internal rate of return (of time-adjusted rate of return) is de interest yield (opbrengst) die belooft wordt door een investeringsproject over de levensduur. De internal rate of return is de disconteringsvoet waarbij de net present value 0 zal zijn. Factor of the internal rate of return = Investment required / Net annual cash flow

  • De internal rate of return wordt vergeleken met de required rate of return van een bedrijf: de minimale rate of return dat een investeringsproject op moet leveren om geaccepteerd te worden.

  • De payback methode (terugverdientijd methode) gaat over een tijdspanne die we kennen als de payback period: de tijdsduur die nodig is voor een project om de initiële kosten terug te verdienen uit de cash ontvangsten die het genereert. Payback period = Investment required / Net annual cash flow

  • De simple rate of return methode focust niet op cash flows, maar op accounting profit (boekhoudkundige winst). Simple rate of return = (Incremental revenues – Incremental expenses including depreciation = Incremental net profit) / Initial investment. Simple rate of return = (Cost savings – Depreciation on new equipment) / Initial Investment

Hoofdstuk K: Strategische management accounting en de balanced scorecard

  • Strategic choiche betekent dat bedrijven kunnen kiezen in welke industrieën en producten ze willen concurreren, maar ook dat verschillende bedrijven in dezelfde industrie kunnen beslissen om verschillende strategieën vast te stellen. In plaats van passief aanpassen aan bepaalde concurrenten, technologische en organisatorische omstandigheden, helpt strategic management accounting (SMA) keuzes te maken door ondersteuning van informatie.

  • Attribute costing stelt de kosten vast voor producteneigenschappen die klanten aantrekken. SMA houdt zich ook bezig met de lange termijn door het gebruik van targets en life-cycle costing dat kijkt naar de kosten die opgelopen zijn door het gehele leven van een product als het door verschillende fases heen gaat, zoals ontwikkeling en productie.

  • Defender: concentreren op het verminderen van kosten en/of verbeteren van de kwaliteit. Prospector: continu zoeken voor marktkansen. Een analyser combineert deze twee posities. Cost leadership: de goedkoopste producent zijn. Product differentiation: een hogere prijs handhaven omdat de productkwaliteit beter is.

  • De value chain bestaat uit de grootste business functies die waarde toevoegen aan de producten/diensten van een bedrijf.

  • Structural drivers zijn factoren zoals scale, scope, experience, technology en complexity, terwijl executional drivers factoren zijn zoals work force involvement, quality management capacity utilization, plant lay-out efficiency, product configuration effectiveness en exploitation of linkages.

  • Een balanced scorecard (BSC) bestaat uit een geïntegreerde set van performance maatstaven die afgeleid zijn van de strategie van een bedrijf en die de strategie ondersteunen door de organisatie heen.

  • De delivery cycle time is de hoeveelheid tijd tussen een ontvangen order van een klant en het verzenden van een complete order.

  • De throughput time is de hoeveelheid tijd die nodig is om grondstoffen om te zetten naar complete producten.

  • De manufacturing cycle efficiency helpt de throughput time in beter perspectief te zetten. MCE = Value-added time / Throughput time

Hoofdstuk L: Het meten van prestaties en management control in gesegmenteerde organisaties

  • Een gedecentraliseerde organisatie is een organisatie waarin het maken van beslissingen is verspreid door de hele organisatie, met managers op verschillende levels die belangrijke operationele beslissingen maken betreffende hun verantwoordelijkheid.

  • Een segment is een deel of activiteit van een organisatie waarover managers kosten-, opbrengsten- of winstdata wil. Een bedrijf kan gesegmenteerd worden op vele manieren. Er zijn drie veelvoorkomende manieren: een cost centre is een bedrijfssegment wiens manager controle heeft over de kosten, maar niet over de opbrengsten of investeringen. Een profit centre is een bedrijfssegment wiens manager controle heeft over zowel kosten als opbrengsten. Een investment centre is een organisatiesegment wiens manager controle heeft over de kosten, opbrengsten én investeringen in bedrijfsactiva. Een responsibility centre is een onderdeel van de organisatie wiens manager controle heeft over kosten, opbrengsten of investeringsmiddelen.

  • De rate of return (ROI): ROI = Net operating profit / Average operating assets

  • Net operating profit is winst voor interest en belastingen en heet ook wel EBIT (earnings before interests and taxes). Operating assets omvatten cash, debiteuren, voorraad, vaste activa en alle andere activa die gebruikt wordt voor productie in de organisatie.

  • ROI = Net operating profit/Sales x Sales/Average operating assets

De eerste term van deze vergelijking is de margin: een maatstaf van het vermogen van managers om bedrijfskosten te controleren in relatie met verkopen. Margin = Net operating profit / Sales

De tweede term van deze vergelijking is de turnover: een maatstaf voor de verkopen die gegenereerd worden door elke geïnvesteerde euro in operating assets. Turnover = Sales / Average operating assets

  • ROI = Margin x Turnover

  • Residual income is operationele nettowinst die een investment centre verdient boven het minimale vereiste rendement op bedrijfsactiva. Economic value added (EVA) is een zelfde concept dat verschilt van het residual income in sommige details.

Hoofdstuk M: Management control en de verbetering van het bedrijfsproces

  • Business proces: een reeks stappen die gevolgd worden om taken uit te voeren in een bedrijf.

  • Lean production is de identificatie van een value stream en probeert alle vormen van verspilling en niet-waarde toevoegende activiteiten te verwijderen.

  • Een just-in-time (JIT) systeem koopt materialen in en produceert units alleen als dat echt nodig is door vraag van een klant.

  • Vier belangrijke elementen zijn nodig voor het succesvol opereren van een JIT systeem: improving the plant layout, reducing the set-up time needed for production runs, striving for zero defects en developing a flexible workforce.

  • Het is vaak mogelijk om de capaciteit van de bottleneck effectief te verhogen, wat het relaxing (or elevating) the constraint heet. De theory of constraints (TOC) zegt dat het effectief managen van de constraint de sleutel tot succes is. Een reactie op de theory of constraints is een techniek die de optimale benutting van bottleneck activiteiten bepaalt: throughput accounting (TA). TA ratio = Return per factory hour / Cost per factory hour.
    Return per factory hour = (Sales price – Material cost) / Time on key resource

Cost per factory hour = Total factory cost / Total time available on key resource

  • Total quality management heeft twee belangrijke kenmerken: (1) een focus op het bedienen van klanten en (2) het oplossen van systematische problemen door gebruik te maken van teams die bestaan uit frontline workers.

  • De plan-do-check-act cycle is een systematische, op feiten gebaseerde benadering voor continue verbetering.

  • Benchmarking houdt zich bezig met het identificeren van organisaties die het beste zijn ergens in, om daarvan te leren.

  • Six sigma is een strategische, bedrijfsbrede benadering die focust op kwaliteit en betrouwbaarheid.

  • Business process re-engineering is een radicalere benadering van verbetering, waarbij een heel business proces compleet opnieuw ingericht wordt om onnodige stappen te verwijderen, kansen op fouten te verkleinen en kosten te verminderen.

  • Shared service centres zijn organisaties die zich specialiseren in het leveren van routine transacties van support devices die vereist zijn door de operating units van grote bedrijven.

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of Vintage Supporter
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
20