Hoorcolleges

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.


Hoorcollege 1: The Science of Psychology

Tom Frijns, 13 november 2013

 

Dit college gaat over hoofdstuk 1 van het boek. Het hoofdstuk heet: The Science of Psychology. De leerdoelen van hoofdstuk 1 zijn als volgt:

  1. Definieer psychologie en de centrale doelen van psychologie.

  2. Weet het verschil tussen basic en applied research.

  3. Begrijp de belangrijkste perspectieve over het gedrag van mensen.

  4. Leg uit wat de Nature-Nurture en Mind-Body debatten inhouden.
     

Doel 1 – Definieer psychologie en de centrale doelen van psychologie
Psychologie is de wetenschappelijke studie van het gedrag en de geest van de mens. Psychologie is een wetenschap. Dat houdt in dat in de psychologie op een objectieve wijze vragen beantwoord moeten worden, op basis van waarneembare feiten en gegevens die zijn verzameld met goed gedefinieerde methode.
Gedrag is te definiëren als de acties en reacties die direct te observeren zijn. De geest refereert juist naar de interne toestanden en processen van mensen die niet waarneembaar zijn, deze moeten worden afgeleid uit waarneembare en meetbare acties. Psychologie is erg ambitieus. Je kan gedrag wel direct waarnemen, maar de geest niet.

Het gaat vooral over sociale constructen. Constructen zijn concepten die vanzelfsprekend als waarheid worden gezien. Ze worden zelden ter discussie gesteld. Een voorbeeld van een construct is jeugd. Om goed naar een sociaal construct te kijken moet je het kunnen deconstrueren. De vragen hierbij zijn: wat zijn de building blocks? Hoe kunnen we misschien anders denken over dit sociale construct? Hierbij is het belangrijk dat je kritisch bent. Aannames die worden gemaakt in de psychologische literatuur en in de gemeenschap als geheel, moet je niet altijd zomaar aannemen.
Doel 2 – Weet het verschil tussen basic en applied research

Bij basic research is de zoektocht naar kennis puur voor eigen belang. Het onderzoekt hoe en waarom mensen zich gedragen, denken en voelen. Applied research is ontworpen om specifieke en praktische problemen op te lossen, het maakt gebruik van fundamentele wetenschappelijke kennis voor het ontwerpen, implementeren en beoordelen van informatie.

Een voorbeeld van basic research is Robber’s Cave. Robber’s Cave was een zomerkamp waar 11-jarige jongetjes heengingen. Bij aankomst werden de jongens in twee groepen verdeeld. Ze hadden geen idee van het bestaan van de andere groep. Er werd in beide groepen gewerkt aan groepsgevoel. Na een tijd waren de groepen hecht en vriendschappen waren ontstaan. Het experiment om te kijken hoe de groepen op elkaar reageerden volgde: er werden kleine sportieve competities gehouden en het groepsgevoel binnen de groepen werd alleen maar groter. Het gehoopte effect dat ze met de andere groep overweg konden bleef uit. Er werden nieuwe activiteiten bedacht om hier voor te zorgen maar niets werkte. De jongens werden naar een andere locatie gebracht waar ze moesten samenwerken om dingen te bereiken en ze moesten leren om samen beslissingen te maken. Na twee weken waren de 2 verschillende groepen geïntegreerd en werden ze zelfs vrienden. Dit onderzoek is een basic research onderzoek omdat het doel was om de algemene beginselen van de conflicten tussen de groepen te ontdekken en niet een oplossing te vinden voor de ontstane problemen.

Een voorbeeld van applied research is ‘Jigsaw Classroom’. In dit onderzoek wordt een klas samengesteld met kinderen van verschillende etniciteiten. De klas wordt opgedeeld in groepjes. Elk kind krijgt een stukje van de stof van een onderwerp. Als ze informatie hierover verzameld hebben moeten ze dit laten zien en uitleggen aan hun groepje. Hierdoor leren ze naar elkaar te luisteren en samen te werken. De kinderen raken meer gemotiveerd door deze manier van werken, het vermindert en haalt druk weg bij de leraren
Doelen van psychologie zijn: het beschrijven van hoe mensen zich gedragen, de oorzaken van dit gedrag begrijpen, voorspellen hoe mensen en dieren zich gedragen onder bepaalde omstandigheden, het beïnvloeden van gedrag door te kijken naar de oorzaken van het gedrag, en psychologische kennis toepassen op een manier die het welzijn van mensen vergroot.

 

Doel 3 – Snap de hoofdperspectieven op het menselijk lichaam (denk hierbij aan ‘the level of analysis)

Omdat psychologie veelomvattend is (van biologische wetenschappen tot sociale wetenschappen) is er de term ‘Levels of analysis’. Hierin worden drie verschillende levels van de psychologie omschreven:
- Biological level: het gedrag en de oorzaken daarvan
- psychological level: gedachtes, gevoelens en motieven
- environmental level: vroegere en huidige fysieke en sociale omgeving waaraan we zijn blootgesteld.

Deze levels zijn nodig om het gedrag van mensen echt te kunnen begrijpen. Ze hebben effect op elkaar en spelen allemaal een belangrijke rol. Ze hangen veel met elkaar samen

Een voorbeeld bij de Levels of Analysis kan depressiviteit zijn. Als je depressiviteit op het biological level zou bekijken, zou de verklaring zijn dat het in de genen zit. Ga je uit van het psychological level, kan een verklaring zijn dat de persoon in kwestie negatieve denkpatronen en een pessimistische levensstijl heeft. Probeer je depressiviteit te verklaren vanuit het environmental level, dan zou je kunnen zeggen dat het te maken heeft met negatieve levenservaringen zoals verlies, of veel stress.

 

Doel 4 – Leg uit wat Nature-Nurture en Mind-Body debatten inhouden

Bij het mind-body probleem speelt de vraag of de geest en het lichaam met elkaar verbonden zijn. Er zijn twee verschillende opvattingen van het mind-body probleem:
- Mind-body dualism: hierbij is de geest een spirituele entiteit die niet onderworpen is aan natuurkundige wetten die het lichaam besturen. Lichaam en geest zijn gescheiden.
- Monism: hierbij zijn de geest en het lichaam hetzelfde, ze kunnen elkaar beïnvloeden.
Een ander debat is de vraag of ons gedrag wordt bepaald door nature of nurture. Bij nature is ons gedrag genetisch bepaald. Dit heeft te maken met determinisme: niets gebeurd bij toeval, alles is een gevolg van bepaalde oorzaken. Bij nurture wordt ons gedrag bepaald door de omgeving. Hier wordt ook wel gesproken van Tabula Rasa, de mens wordt geboren als onbeschreven blad en door zijn omgeving gevormd tot wie het is. Er is niet alleen sprake van sociale invloeden, ook moet je kijken naar chemische invloeden met als insteek medicijnen tegen stoornissen.
Psychologische perspectieven

Psychologen bestuderen biologische-, psychologische- en omgevingsfactoren. Omdat de psychologie zo breed is kijken psychologen vanuit verschillende perspectieven naar de mens. Deze perspectieven dienen als een lens waardoor psychologen gedrag kunnen onderzoeken en interpreteren. Er zijn veel verschillende perspectieven.
Beginnende met het structuralisme. Dit was de eerste poging om de mens te analyseren. Het structuralisme gaat uit van analyse van de geest in voorwaarden van de basiselementen. Als je een appel ziet, denk je niet alleen aan een appel maar ook aan de basiselementen: is de appel knapperig/zoet/groen/rood etc. Bij structuralisme wordt gebruik gemaakt van introspectie, het beschrijven van je innerlijke gevoel bij waarnemen van licht, geluid en smaak. Wilhelm Wundt gebruikte dit voor het eerst in 1879 in Duitsland in het eerste experimentele psychologische laboratorium. Het gebruik van introspectie wordt nu echter gezien als een major flaw.
Vanuit het structuralisme ontstond het functionalisme (William James). In dit perspectief vond men dat de psychologie de functies van het bewustzijn moest bestuderen in plaats van de structuur. De vraag in dit perspectief is meer de waarom/hoe-vraag i.p.v. de wat-vraag. Hoe functioneren dingen? Hoe maakt ons brein daar een beeld van? Waarom is iets zo? Op deze vragen proberen psychologen vanuit een functionalistisch perspectief antwoord te geven. Tegenwoordig bestaat het functionalisme uit twee delen. De cognitieve psychologie (bestudeert mentale processen) en de evolutionaire psychologie (benadrukt de aanpassing van het menselijk gedrag).
Een derde perspectief is het psychodynamische perspectief. Dit perspectief is ontwikkeld door Sigmund Freud en het benadrukt de rol van onbewuste processen. Er is geen sprake van toevalligheden, alles heeft een oorzaak. Volgens Freud is de geest als een ijsberg: een klein stukje steekt boven water, bij de mens is dit kleine stukje het bewuste denken. De rest van de ijsberg is onzichtbaar en staat bij de mens voor het onbewuste zoals impulsen en instincten. Volgens Freud hebben mensen een krachtige aangeboren seksuele en agressieve drang die in de kindertijd wordt afgestraft. Door dit afstraffen ontwikkelen we een defence mechanism, dit zijn psychologische technieken die ons helpen om te gaan met traumatische ervaringen. De mens bestaat uit drie ego’s volgens deze theorie. De ID, Superego en Ego.

ID is te vergelijken met het gedrag van een dier; Ik wil iets nu. Het wordt geleid door impulsen en instincten. De Superego is het bewustzijn van de mens, dit gedeelte is de invloed van de omgeving. Als laatste is er de Ego, deze zoekt een middenweg tussen ID en Superego. Deze laat zich niet leiden door de impulsen maar ook niet te veel beïnvloeden door de omgeving.
Freud deed onderzoek naar het onderbewuste van de mens, hij was ervan overtuigd dat het onbewuste deel van de geest een grote invloed had op het gedrag van mensen. Hij ontwikkelde een theorie: psychoanalysis - de analyse van de interne en vooral onbewuste psychologische krachten. Hij deed dit door naar mensen te luisteren die hij op een bank liet zitten en liet praten. Door te praten kwamen ervaringen die deze mensen dwars zaten naar boven. Deze aanpak wordt ook wel free association genoemd.
Deze theorie wordt tegenwoordig als extreem controversieel beschouwd. Dat komt omdat er verschillend empirisch onderzoek door elkaar is uitgevoerd. Ook is er additief onderzoek gedaan wat al geïnspireerd was door deze theorie.
Een vierde perspectief is het gedragswetenschappelijk perspectief. Dit perspectief richt zich op de rol van de omgeving in het gedrag van onze acties. Dit perspectief vindt zijn oorsprong in de Tabula Rasa (Locke) gedachte: mens is een onbeschreven blad, Classical Conditioning (Pavlov): de omgeving kan gedrag vormen, Law of Effect (Thorndike): positieve consequenties hebben een positief effect op het kind waar negatieve consequenties een negatief effect hebben op het gedrag van het kind.
Ook John Watson was een vertegenwoordiger van deze theorie. Hij zei dat gedrag compleet beïnvloed wordt door omgeving. Hij beweerde dat hij mensen kon vormen tot alles wat hij wilde, als hij er maar de tijd voor kreeg. Personen kunnen volgens hem compleet veranderd worden door omgeving.

Een voorbeeld van gedragswetenschappelijk perspectief is ‘Little Albert’. John Watson bedacht het experiment om een baby bang te maken voor witte pluizige objecten. Baby Albert hoorde een harde dreun zodra er een wit pluizig konijn in zijn beeld kwam. Door dit experiment werd Albert bang voor pluizige objecten, ook als er geen dreun te horen was. Aan dit experiment valt te zien dat de omgeving het gedrag van baby Albert bepaalt. Een ander voorbeeld is van Skinner; Skinner’s box. Een hond hoorde elke keer als hij eten kreeg een belletje. Na een lange tijd hoorde de hond alleen nog een belletje maar begon hij wel te kwijlen omdat hij het belletje had gekoppeld aan eten. Skinner noemde dit operant conditioning. Gedragswetenschappelijk perspectief heeft twee technieken.

Gedragsmodificatie: dit zijn technieken die gericht zijn op het verminderen van probleemgedrag en het vergroten van positief gedrag door het manipuleren van omgevingsfactoren.

Cognitieve gedragstherapie: het leren van ervaringen en het milieu heeft invloed op onze verwachtingen en gedachten, onze gedachten hebben weer invloed op hoe we ons gedragen.

Het vijfde perspectief is het humanistische perspectief. Het benadrukt de vrije wil, persoonlijke groei, de poging om betekenis te geven aan het bestaan. In dit perspectief spreken ze over positive psychology: dit benadrukt de studie van de menselijke kracht, vervulling van het leven en het optimale leven. Ook vinden ze self-actualization belangrijk, hierbij wordt gekeken naar het bereiken van iemands individuele vermogen. Hierbij kan worden gekeken naar Maslow’s hierarchy of needs:

- Self-actualization: zelfontplooiing.

- Esteem needs: mensen moet je respectvol behandelen.

- Belonging needs: vrienden, familie, een baan.

- Safety needs: men moet zich veilig voelen.

- Physiological needs: eerste levensbehoeften, zuurstof, eten, rust.

 

Je moet deze indeling zien als een piramide. Onderaan staan de psysiological needs, en helemaal bovenaan staat self-actualization. Volgens Maslow kan je niet in de bovenste laag van de piramide komen (jezelf ontplooien) als de onderste niet is behandeld (eerste levensbehoeften).

Het zesde perspectief is het cognitieve perspectief, dit onderzoekt de aard van de geest en de manier waarop mentale processen het gedrag beïnvloeden; dingen beredeneren, besluiten maken, problemen oplossen. Het is ontstaan uit Gestalt Psychology: onderzoekt hoe losse elementen tot een geheel worden gevormd in de hersenen. Je ziet een plaatje van drie rondjes met een hap eruit, deze rondjes zijn zo getekend dat het lijkt alsof er een driehoek te zien is. Hoe komt het dat de hersenen hier een driehoekje van maken?

Cognitieve neurowetenschap maakt gebruik van elektrische opnames van de hersenen om zo de hersenactiviteit te onderzoeken en tot een ontdekking te komen hoe we taal leren, dingen onthouden etc.
In het cognitieve perspectief is sprake van social costructivism, dit is een standpunt waarin wij de ‘realiteit’ zien als wat we er zelf van maken. Onze eigen gedachtes en meningen worden onze realiteit.

Het zevende perspectief is het sociaal-culturele perspectief. Dit onderzoekt hoe de sociale omgeving en culturele waarden invloed hebben op gedrag, gedachtes en gevoelens.
Cultuur heeft invloed op de mens omdat er blijvende waarden worden aangeleerd, ook bepaalde gedachtes en het gedrag in de cultuur vormt de mens. Normen worden in een cultuur ook aangeleerd. Normen zijn de regels die laten weten welk gedrag acceptabel is. In een cultuur worden de normen en waarden doorgegeven aan de nieuwe leden; dit proces heet socialisatie.
Culturele psychologie onderzoekt hoe cultuur wordt doorgegeven aan de leden van een groep, en beschrijft ook psychologische gelijkenissen en verschillen tussen mensen van verschillende culturen. Er kan bijvoorbeeld in een bepaalde cultuur sprake zijn van individualism. Hier ligt de nadruk op persoonlijke doelen en identiteit, gebaseerd op de dingen die iemand zelf heeft bereikt. In andere culturen is er juist meer sprake van collectivism. Hier zijn individuele doelen juist ondergeschikt aan de doelen van de groep als geheel. Je identiteit wordt bepaald door familie en sociale groepen. Deze theorie geeft een bijdrage aan de discussie van universals en cultural specificity. De theorie wordt ook vaak gebruikt om conflicten tussen verschillende culturen te begrijpen.

Het laatste perspectief is het biologische perspectief. Hierin wordt onderzocht hoe de hersenprocessen en andere lichaamsfuncties het gedrag regelen. Behavioural Neuroscience onderzoekt de hersenprocessen en andere psychologische functies die aan ons gedrag, zintuiglijke ervaringen, emoties en gedachten ten grondslag liggen. Door dit te onderzoeken werden neurotransmitters ontdekt. Neurotransmitters zijn chemische stoffen die vrijkomen door zenuwcellen, dit stelt hen in staat om met elkaar te communiceren. Deze ontdekking is tot op heden erg belangrijk geweest om psychische stoornissen te onderzoeken.
In het biologische perspectief onderzoeken psychologen het gedrag van gedragsgenetica (behaviour genetics), ze onderzoeken hoe gedragspatronen worden beïnvloed door genetische factoren.
In de evolutionaire psychologie probeert men te verklaren hoe de evolutie het gedrag van het ‘moderne’ mens heeft gevormd. Er is hier sprake van natural selection, als een erfelijke eigenschap boven de andere uitkomt wordt deze doorgegeven en zo heeft deze meer kans op voortbestaan, deze worden dan doorgegeven aan hun nageslacht.

 

Samenvattend zijn de vijf belangrijkste psychologische perspectieven gebaseerd op nature of nurture. Het neurowetenschappelijke en psychodynamische perspectief zijn gebaseerd op nature. Het gedragswetenschappelijke en humanistische perspectief zijn gebaseerd op nurture. Het cognitieve perspectief heeft invloeden van alle twee.

Daarbij aansluitend gaan de neurowetenschappelijk en psychodynamische perspectieven over het onderbewustzijn. De gedragswetenschappelijke en humanistische perspectieven gaan over het bewustzijn, en het cognitieve perspectief gaat over alle twee.
Bij alle perspectieven ligt de nadruk op interne mentale processen. Behalve bij het gedragswetenschappelijke perspectief, daar ligt de nadruk op observeerbaar gedrag.

 

Tot slot komen de neurowetenschappelijke, psychodynamische en gedragswetenschappelijke perspectieven voort uit het determinisme. Het cognitieve en humanistische perspectief zijn gebaseerd op het principe van vrije wil.

 

Een kleine quiz om te kijken welke perspectief er bij welke situatie hoort:
Vraag: Waarom steekt de kip de straat over?
- In het verleden is ze versterkt om de weg over te steken: gedragswetenschappelijk perspectief
- Haar neuronen gaven chemische stoffen af: biologisch perspectief
- Ze dacht lang na en kwam tot de conclusie dat ze het aan de andere kant leuke vond: cognitief perspectief
- Om de beste kip te worden die ze kon zijn: humanistisch perspectief
- Ze had een onbewuste doodswens: psychodynamisch perspectief
- Het ligt er aan; is het een Aziatische, Europese of Zuid-Amerikaanse kip?: sociaal-culturele perspectief.

 

Hoorcollege 2: Studying Behaviour Scientifically

Tom Frijns, 15 november 2013

 

Dit college gaat over hoofdstuk 2 van het boek. Dit hoofdstuk heet: Studying behaviour scientifically. De leerdoelen van hoofdstuk 2 zijn als volgt:

  1. Definieer ‘wetenschap’

  2. Ken de vijf stappen van wetenschappelijk onderzoek

  3. Weet hoe je een goede theorie moet maken

  4. Weet de belangrijkste ethische regels voor onderzoek met mensen

  5. Begrijp beschrijvend, correlatie en experimenteel onderzoek

  6. Weet welke bedreigingen er zijn voor de geldigheid van onderzoek

  7. Kijk kritisch naar de statistieken van een onderzoek

 

Psychologie heeft een aantal belangrijke doelen. Ten eerste moet het beschrijven hoe mensen (en andere soorten) zich gedragen. De oorzaken van dit gedrag moet begrepen worden. Psychologie wil voorspellen hoe mensen en dieren zich zullen gedragen in bepaalde omstandigheden. Dit gedrag kan beïnvloed worden door de oorzaken te controleren. Als laatste is een doel van psychologie om psychologische kennis toe te passen op zo’n manier dat het de menselijke welvaart versterkt.

 

Doel 1 – Definieer ‘wetenschap’

Wetenschap is een objectief proces van het beantwoorden van vragen op basis van waarneembare feiten en/of data die verzameld zijn met goed gedefinieerde methoden. De ideeën komen vaak uit de waarneming (ons milieu). Belangrijke eigenschappen voor wetenschappers zijn objectief blijven, kritisch kunnen denken, nieuwsgierig zijn en passie hebben.

Zo waren Darley en Latane nieuwsgierig naar het feit waarom 38 mensen, die getuige waren van een moord niets deden om het slachtoffer te helpen. Kitty Genovese werd om 3 uur ’s nachts in haar eigen buurt neergestoken door een man. Mensen die door het gegil wakker werden keken uit het raam maar niemand hielp. Er werd hier gesproken van bystander apathy, mensen gaan er van uit dat andere omstanders wel actie ondernemen. In dit geval zagen ze bij buren ligt branden, ervan uit gaande dat iemand achter die ramen de politie wel zou hebben gebeld. Het feit dat er meerdere omstanders waren zorgde voor diffusion of responsibility; een psychologische toestand waarin een persoon zich minder verantwoordelijk voelt door aanwezigheid van anderen. Omdat je niet de enige bent die het ziet/hoort ben je niet alleen verantwoordelijkheid wat er toe kan leiden dat je geen actie onderneemt. Dit heeft ook te maken met het bystander effect. Mensen staan er bij en kijken er naar. Ze ondernemen geen actie om het slachtoffer te helpen.

 

Doel 2 - Ken de vijf stappen van wetenschappelijk onderzoek

De stappen van wetenschappelijk onderzoek met het voorbeeld van Kitty:

1. Identificeer, stel vragen (wordt gevoed door nieuwsgierigheid).

  1. Waarom werd Kitty door niemand geholpen?

2. Verzamel informatie en vorm een hypothese.

  1. Diffusion of responsibility kan voorkomen. Hypothese: meerdere omstanders waren erbij, dit zorgt ervoor dat de kans dat zij ingrijpen daalt.

3. Testen van hypothese door het uitvoeren van een onderzoek.

  1. Experiment: ze manipuleren het aantal omstanders dat de omstanders denken aanwezig te zijn, en dan meten ze of en hoe snel elke deelnemer het slachtoffer helpt.

4. Analyseren van gegevens, trekken van voorlopige conclusies, bevindingen in een rapport zetten.

  1. De gegevens onthullen dat hulp daalt, als het aantal omstanders toeneemt. De hypothese wordt dus ondersteund.

5. Opbouwen van meer kennis: aanvullende vragen stellen, meer onderzoek, ontwikkelen en testen van theorieën.

  1. Aanvullende experimenten ondersteunen de hypothese ook. Een theorie van de sociale impact wordt ontwikkeld op basis van deze en andere bevindingen. De theorie wordt vervolgens getest door het afleiden van nieuwe hypothesen. Zo kan er nieuw onderzoek gedaan worden.

 

Begrijpen van gedrag
Mensen willen graag weten waarom bepaalde dingen gebeuren. Wetenschappers gebruiken hier graag een stap-voor-stap procedure voor; niet-wetenschappers kijken naar de uitkomsten van theorieën en roepen dan vaak dat de uitkomst logisch is: Hindsight (After the fact understanding). Dit is de meest gebruikte methode om gedrag te begrijpen. De beperking van Hindsight is dat dingen die gebeurt zijn in het verleden, op verschillende manieren verklaard kunnen worden. Hindsight heeft echter ook een sterkte kant. Het kan gebruikt worden om inzicht en ideeën te verzamelen voor verder wetenschappelijk onderzoek.

 

Doel 3 – weet hoe je een goede theorie moet maken

Belangrijke kenmerken van een goede theorie zijn: de theorie organiseert de kennis op een goede manier, de theorie is toetsbaar en geeft nieuwe hypotheses, de theorie is ondersteund door de bevindingen van het nieuwe onderzoek, het maakt gebruik van de wet van Parsimory: eenvoudiger is beter. (denk aan gereedschap, een schaar in een zakmes is niet zo goed als een losse schaar) Als je twee theorieën hebt die hetzelfde uitleggen dan krijgt de theorie die het meest eenvoudig is de voorkeur. Onthoud wel: theorieën zijn niet de absolute waarheid. Informatie die jaren later over dit onderwerp kan worden gevonden kan de theorie tegenspreken.

 

Doel 4 – Weet de belangrijkste ethische regels voor onderzoek met mensen
5 punten zijn erg belangrijk. Weldadigheid: het onderzoek moet voordelen hebben voor andere mensen, het mag niemand kwetsen of pijn doen. Verantwoordelijkheid: onderzoekers moeten het onderzoek uitvoeren met de grootste zorg, wat men doet moet men goed doen. Integriteit: men moet eerlijk blijven over de resultaten. Als je men voorliegt heb je niet alleen jezelf ermee. Kijk naar Diederik Stapel, hij verzon al zijn onderzoeken. Zodra dit aan het licht kwam had hij niet alleen zichzelf ermee maar ook de studenten die hij les gaf en andere wetenschappers die zijn resultaten gebruikten om verder mee te gaan onderzoeken. Gerechtigheid: iedereen moet toegang hebben tot de gevonden informatie. Respect: onderzoekers moeten respect hebben voor de menselijke waardigheid en mensen het recht geven op vertrouwelijkheid en beschikking tot de informatie en uitkomst.

 

Ethische principes in de wetenschap:
De Human Research normen werden gemaakt naar aanleiding van een onderzoek bij syfilispatiënten in Amerika. Mensen konden zich opgeven voor een onderzoek en kregen daar geld en eten voor. De Amerikaanse overheid wilde onderzoeken hoe syfilis zich ontwikkelde, de mensen die werden uitgekozen hadden syfilis maar wisten dat zelf niet. Dit werd hen niet verteld zodat ze zich niet zouden laten behandelen. Op deze manier konden de onderzoekers goed kijken hoe syfilis zich ontwikkelde. Tegen de patiënten werd verteld dat ze slecht bloed hadden en daarom moesten worden onderzocht. Doordat de patiënten niet werden behandeld kregen ook hun vrouwen en kinderen syfilis. De onderzoekers zaten volgens de ethische regels fout, ze hadden de patiënten met medicatie moeten helpen.

De ethische regels werden vastgelegd in human research standards. Een regel is informed consent, dit houdt in dat voordat mensen deel gaan nemen aan een onderzoek ze over bepaalde dingen moeten worden geïnformeerd. Het doel en de procedures van het onderzoek moeten bekend zijn. Ze moeten op de hoogte zijn van potentiële risico’s en voordelen. Men heeft het recht om deelname te weigeren of in te trekken op elk moment, zonder boete. Ze moeten weten of de antwoorden vertrouwelijk worden behandeld en hoe hun privacy wordt gewaarborgd.
Deception (misleiding) mag in onderzoeken wel gebruikt worden wanneer er geen haalbaar alternatief mogelijk is. Dit mag alleen omdat het resultaat anders beïnvloed kan worden. Zodra het onderzoek afgelopen is moet men te horen krijgen wat het doel van het onderzoek was en wat wel en niet echt was tijdens het onderzoek. Een voorbeeld hiervan is het Milgram onderzoek. Milgram vroeg zich af waarom de Duitsers in WOII deden wat het leger zei. Wat was hierbij de rol van de autoriteit? Om hier achter te komen bedacht hij een experiment: een leerling in een andere ruimte moest een vraag beantwoorden, bij iedere foute vraag kreeg hij een (neppe) stroomstoot van de leraar (onderzochte persoon). Deze persoon had de instructie gekregen om bij elke vraag de volt hoger te zetten, hij wist niet dat de stroomstoten nep waren. Mensen die twijfelden of ze de persoon een stroomstoot moesten geven, werd verteld dat dit bij het onderzoek hoorde, dus dat ze door moesten gaan. Ze werden onder druk gezet door de onderzoeker. Deze druk heeft grote invloed op mensen waardoor ze dingen doen die ze liever niet doen. Dit soort onderzoeken zouden nu niet meer mogen omdat de onderzochte personen hier psychologische klachten van kunnen krijgen omdat ze inzien dat ze in staat zijn iemand zo veel pijn te doen dat deze zou kunnen overlijden.

 

Definiëren en meten van variabelen
Een variabele is een factor waarvan de waarde en/of kenmerken kunnen variëren. Geslacht, gewicht, type snelheid zijn allemaal variabelen. Omdat een variabele verschillende betekenissen kan hebben voor verschillende personen moeten wetenschappers hun variabele goed definiëren. Bij het verrichten van onderzoek doen wetenschappers dit operationeel. Een operationele definitie definieert een variabele in termen van de specifieke procedures die worden gebruikt voor het produceren of meten ervan. Het meten van variabelen wordt gedaan bij populatieonderzoek. Populatie zijn alle mensen die iets over het onderzoek zeggen, bv. studenten, kinderen in de leeftijd van 3-5, allochtonen enz. Omdat je niet iedereen in deze groepen kunt onderzoeken wordt er gebruik gemaakt van een sample (steekproef): een kleinere groep mensen die representatief is voor de populatie. Een representatieve sample is een sample die de belangrijke kenmerken van de groep vertegenwoordigd. Om te zorgen dat een sample representatief is wordt er gebruik gemaakt van random sampling, ieder individu heeft evenveel kans om gekozen te worden.

Psychologen bestuderen erg verschillende processen. Sommige zijn direct observeerbaar waar andere dat niet zijn. Hierdoor zijn er veel verschillende meettechnieken.
Zo heb je self-report, bij deze onderzoeksmanier wordt gebruik gemaakt van vragenlijsten of interviews. Mensen moeten zelf verslag uitbrengen over hun gevoelens, ervaringen gedrag enz. Het nadeel bij dit soort onderzoek is dat mensen snel geneigd zijn om sociaal verantwoorde antwoorden te geven.
Physiological measures worden gebruikt om te kijken hoe mensen reageren op de vragen. Er wordt dan naar het hart geluisterd, de bloeddruk wordt gemeten etc. hierbij wordt dus alleen naar het lichaam gekeken. Als iemands hartslag heel erg omhoog gaat maar er een sociaal verantwoord antwoord wordt gegeven kan er dus gekeken worden of dit antwoord wel om de juiste reden wordt gegeven.
Een ander meetinstrument is behavioural observation. Hierbij wordt gekeken naar het gedrag dat de proefpersoon vertoont. Dit gebeurt meestal onopvallend, een onderzoeker zit achter een spiegelraam of stelt zich niet voor als de onderzoeker.

 

Doel 5 – Begrijp beschrijvend, correlatie en experimenteel onderzoek

Er zijn verschillende methoden om onderzoek te doen. Zo heb je beschrijvend onderzoek: dit beschrijft hoe mensen en andere dieren zich gedragen, met name in een natuurlijke omgeving niet in een laboratorium. Bij de naturalistische observatie observeert de onderzoeker het gedrag als het zich voordoet in een natuurlijke omgeving, hij probeert het gedrag dan te beïnvloeden. Dit gebeurt vooral bij dieren. Case Studies zijn moeilijk te generaliseren, omdat het een diepgaande analyse is van een groep, een individu of een evenement. Voordelen hiervan zijn dat de onderzoekers diepgaande en gedetailleerde informatie verkrijgen. Ze doen nieuwe ideeën op of gaan in op een bestaande theorie. Beperkingen van cases studies zijn, dat het de oorzaak-gevolg relatie niet kan bepalen, gegevens moeilijk te generaliseren vallen en het moeilijk is objectief te blijven bij het verzamelen en interpreteren van gegevens.
Een survey research is in feite een enquête. Informatie over een bepaald onderwerp wordt verkregen door veel mensen te ondervragen. Hierbij zijn twee begrippen belangrijk. De population zijn alle individuen waar het onderzoek over gaat. De sample is een deelverzameling van individuen die is getrokken van de grote populatie.
Je hebt verschillende soorten steekproeven. De representative sample is een steekproef die belangrijke kenmerken van de populatie vertegenwoordigt.
Als de steekproef willekeurig wordt getrokken, heeft ieder lid van de populatie een gelijke kans om gekozen te worden voor het onderzoek.
De stratified random sampling is een steekproef die de populatie eerst in subgroepen verdeeld. De steekproefparticipanten worden gekozen afhankelijk van de populatiepercentages.
Een survey research kan een grote hoeveelheid aan informatie verzamelen. De vragenlijsten kunnen over allerlei soorten gedrag gaan. Survey research heeft echter ook beperkingen. Als de steekproef niet representatief is, krijg je vervormde resultaten. Ook kan de uitslag nooit een causaliteit aangeven. Als laatste zijn self-reports niet betrouwbaar genoeg, want die kunnen vertekend zijn.

 

Correlatie vs. causaal verband

Correlatie onderzoek onderzoekt de relaties tussen verschillende variabelen (X en Y). Een onderzoeker meet de eerste variabele (X), meet een tweede variabele (Y) en gaat dan op zoek naar een relatie. Kijkend naar het voorbeeld of sociale relaties en geluk met elkaar correleren wordt een goede sociale relatie (X) gemeten en gekeken naar het geluk (Y). Nu is de vraag of X wordt veroorzaakt door Y, of Y door X. Het kan ook zo zijn dat beide niet het geval zijn maar dat er sprake is van een derde variabele namelijk de persoonlijkheid van een persoon. Zo is er ook het voorbeeld van de verkoop van ijsjes en het verdrinken van peuters. Hier is sprake van een derde variabele: de zomer. In de zomer worden er door het warme weer veel ijsjes verkocht, omdat het warm is gaan veel mensen zwemmen en verdrinken er peuters.
Een correlatiecoëfficiënt is een statistiek die de sterkte van een relatie tussen twee variabele aangeeft. Bij een positieve correlatie is de hoge score van de ene variabele geassocieerd met de hoge score van de andere variabele. Bij een negatieve correlatie is de hoge score van de ene variabele geassocieerd met de lage score van de andere variabele. Bij zero correlatie is er geen relatie te vinden tussen de variabele.

Experimenteel onderzoek is het meest betrouwbaar, het is de enige manier om een causale relatie aan te tonen. Een experimenteel onderzoek heeft drie kenmerken. De onderzoeker manipuleert/controleert een of meer variabelen. De onderzoeker meet of deze manipulatie invloed heeft op andere variabelen. De onderzoeker probeert externe factoren te controleren om te kijken of ze het experiment beïnvloeden.

Bij een experimenteel onderzoek start je met een sample van deelnemers. Deze groep deel je op aan de hand van random sampling. Een groep wordt de experimentele groep (in dit geval fietsen met telefoon) en de andere groep de controle groep (alleen fietsen). Het experiment is om te kijken hoe lang het duurt voordat iemand op de rem trapt, er wordt gekeken of er een verschil is tussen de deelnemers die worden afgeleid door een telefoon en deelnemers zonder telefoon. Deze gegevens zet je dan in een grafiek. In dit geval is de constante variabele (de variabele die je hetzelfde laat) het fietsen. De onafhankelijke variabele is de gemanipuleerde factor: de telefoon en de drukte in het verkeer. De afhankelijke variabele is de uitkomst van de gemeten remsnelheid beïnvloed door de onafhankelijke variabele.

De volgorde van de variabelen moeten worden gevarieerd, dit zodat geen enkele variabele een voordeel heeft ten opzichte van de anderen. Dit heet counterbalancing.

Een snelle test om het verschil tussen experimenteel (je deelt mensen zelf in), beschrijvend (je kunt het niet meten op een 1-10 schaal, mensen niet willekeurig indelen) en correlatie (niets verandert, je laat de situatie zoals hij is) te laten zien.

- Studenten leren beter in een frisse dan in een hete ruimte: experiment + correlatie, maak twee groepen: eentje in een frisse ruimte en eentje in een warme ruimte.
- Hoe harder het geluidsniveau op straat is in een stedelijk gebied, hoe meer leerstoornissen de kinderen hebben die opgroeien in dat gebied: correlatie, er valt niets te manipuleren, het is een bestaande situatie. Ook is het onethisch om mensen verplicht in een gebied te plaatsen met een hoog geluidsniveau. Het is een positieve correlatie, want als het geluid omhoog gaat, gaat het aantal leerstoornissen ook omhoog.
- Het drinken van een kopje koffie voor een examen verbetert de prestaties: experiment, maak een groep koffiedrinkers en een groep niet koffiedrinkers. Je kunt hier geen correlatie hebben, omdat je nooit een correlatie kan hebben tussen een groep mensen en hun testscores. (continuïteit is nodig) Ook kan er nooit een correlatie bestaan tussen twee geslachten.
- Kinderen die in steden wonen worden sneller volwassen dan kinderen die in buitenwijken wonen: beschrijvend, je kunt kinderen niet willekeurig indelen waar ze moeten gaan wonen.
 

Doel 6 – Weet welke bedreigingen er zijn voor de geldigheid van onderzoek

Interne validiteit is de mate waarin een experiment duidelijke causale conclusies ondersteunt. Hierbij kan er sprake zijn van een verstorende variabele, twee variabelen die met elkaar verweven zijn op zo’n manier dat we niet kunnen bepalen welke variabele de afhankelijke variabele heeft beïnvloed.

Voorbeelden:
- Om te kijken of blondjes inderdaad meer plezier hebben heeft Dr. Y onderzoeken vergeleken van blonde modellen van een modellenbureau en brunettes van een uitzendbureau. Omdat de blondines van een modellenbureau komen en de brunettes van een uitzendbureau kun je het niet met elkaar vergelijken. Sprake van verstorende variabelen.

- Om te bepalen of joggen de longcapaciteit vergroot vergelijkt Dr. Z de longcapaciteit van leden van een hardloopteam en leden van een worstelteam. Hierbij worden hardlopen en worstelen met elkaar vergeleken. Van de uitkomst kan niets worden afgelezen want er is sprake van verstorende variabelen.
- Om te bepalen of de hersenen sneller informatie verwerken als kinderen volwassen worden werden 2-jarige kinderen van een universiteit kinderdagverblijf vergeleken met 4-jarige kinderen in een Head Start-programma. Ook hier worden twee dingen vergeleken die niet met elkaar vergeleken kunnen worden: universitair kinderdagverblijf en Head Start-programma. Er is hier sprake van omgevingsproblemen en genetische problemen: 2-jarige kinderen zijn kinderen van mensen die op universiteiten werken.

Interne validiteit wordt ook bedreigd door het placebo-effect. Een placebo is een stof die geen medisch effect heeft. Men spreekt van een placebo-effect wanneer mensen een verandering in hun gedrag vertonen wanneer ze een placebo hebben gekregen. Deze mensen denken dat ze echte medicatie hebben gekregen en gaan er dus van uit dat ze behandeld zijn voor hun probleem. Doordat ze dit denken hebben ze het idee dat hun klachten afnemen. Dit vormt een dreiging voor de interne validiteit omdat er een alternatieve verklaring wordt gegeven voor de reacties na het behandelen van de persoon.

Een derde vorm van gevaar voor de geldigheid van een onderzoek is experimental demand characteristics, deelnemers krijgen het gevoel dat ze op een bepaalde manier moeten antwoorden of een specifiek antwoord moeten geven. Dit doen ze om de onderzoeker tevreden te stellen. Het leidt dus niet tot een eerlijk antwoord.

Bij experimenter expectancy effects worden de deelnemers ongewild beïnvloed om op een bepaalde manier te antwoorden zodat het met de hypothese zal kloppen. Om dit te voorkomen bestaat er de double-blind procedure. Hierbij weten zowel de onderzoekers als de deelnemers niet wie er een placebo heeft gekregen. Op deze manier kan er geen invloed worden uitgeoefend op de deelnemers.

Naast interne validiteit heb je ook externe validiteit: de mate waarin de resultaten van een studie kunnen worden gegeneraliseerd naar andere populaties, instellingen en voorwaarden. Om externe validiteit te bepalen, moeten andere wetenschappers het experiment over doen. Replication is het proces waarbij de studie wordt herhaald om te bepalen of de oorspronkelijke bevindingen weer worden gevonden.

Bij cross-cultural replication wordt een onderzoek herhaald onder verschillende mensen van verschillende etniciteiten.

 

Doel 7 – Kijk kritisch naar de statistieken van een onderzoek

Je moet goed kijken naar hoe informatie wordt gepresenteerd. Bij een staafdiagram moet je kijken hoe de waardes op de Y-as zijn verdeeld. Op het eerste plaatje lijkt het of er amper iets is gebeurd, bij het tweede plaatje zijn de staven veel hoger wat een andere indruk wekt. Als je kijkt naar de Y-as zie je dat de waarden anders zijn neergezet maar dat de grafieken hetzelfde weergeven. Door het bereik te veranderen lijken de resultaten groter.

De beschrijvende statistiek stelt ons in staat om de kenmerken van gegevens samen te vatten. Zo kun je de modus, het gemiddelde en de mediaan snel aflezen bij beschrijvende statistiek.

De variabiliteit van de statistiek geeft aan hoe de variatie er uit ziet in de scores. Dit wordt aangegeven door bereik (het verschil tussen de hoogste en de laagste score) en de standaarddeviatie (kijkt hoeveel elke individuele score in een verdeling verschilt van het gemiddelde).

Inferential statistics vertelt ons hoe zeker we kunnen zijn in het trekken van conclusies over een populatie op basis van de bevindingen verkregen uit een sample. Bij statistische significantie is het zeer onwaarschijnlijk dat een bepaalde bevinding is ontstaan door toeval.
Meta-analyse is een statistische procedure voor het combineren van de resultaten van verschillende studies die hetzelfde onderwerp onderzoeken.

 

Hoorcollege 3: Genes, Environment and Behaviour

Natalie Mercer, 20 november 2013

 

Hoorcollege 3 gaat over hoofdstuk 3 van het boek. Dit hoofdstuk heet: Genes, Environment and Behaviour. De leerdoelen van hoofdstuk 3 zijn als volgt:

  1. Begrijp de basis principes van genetische transmissie.

  2. Beschrijf dominant, recessief en poligenetische invloeden op een fenotype.

  3. Begrijp ‘erfelijkheid’

  4. Beschrijf de manieren waarop het genotype omgevingsinvloeden het gedrag kan beïnvloeden.

  5. Beschrijf hoe menselijk gedrag aangeboren mechanismen van de evolutie suggereert.

Het blijft altijd de vraag of genen wel zo belangrijk zijn. Een voorbeeld hierbij is dat van een tweeling die apart werden opgevoed. De twee jongens kwamen terecht in pleeggezinnen, en wisten niet van het bestaan van hun broer af. Toen ze elkaar op volwassen leeftijd eindelijk ontmoetten, bleken ze wel heel veel overeenkomsten te hebben. Ze hadden dezelfde hobby’s en zelfs hun partners hadden dezelfde namen. Aparte dingen die de mannen kenmerkten, zoals het bouwen van een bankje om een boom in hun tuin, deelden ze ook. Dit is een hele beroemde tweeling geworden.

Genotype en fenotype

Een belangrijke onderzoeker bij de experimenten over erfelijkheid is Gregor Mendel. Hij heeft onderzoek gedaan met plantjes. Daardoor is hij erachter gekomen dat er dominante en recessive genen zijn. Het allel voor bruine ogen is bijvoorbeeld dominant, en dat voor blauwe ogen recessive. Met gebruik van deze kennis heeft hij een onderscheid gemaakt tussen genotype en fenotype.

De ontwikkeling van elk organisme is het resultaat van zowel genetische als omgevingsfactoren. Een genotype is de specifieke genetische bagage van een individu. Een fenotype bevat de kenmerken van een individu die observeerbaar zijn. Hier gelden twee belangrijke regels. De Law of Independent Assortment stelt dat de biologische selectie van een specifiek gen in een paar voor één kenmerk, niks te maken heeft met de biologische selectie van een gen in een paar voor een ander kenmerk. Verder geldt de Law of Segregation: individuen bezitten een paar allelen voor ieder kenmerk. Elk allel is willekeurig geselecteerd van een van de ouders.

 

Doel 1 – begrijp de basis principes van genetische transmissie.

Chromosomen en DNA

Elk organisme bestaat uit duizenden verschillende cellen. Elke mensencel bevat een kern (met uitzondering van rode bloedcellen). Elke kern bestaat uit 23 paar chromosomen. Een chromosoom is een molecuul van DNA (deoxyribonucleic acid). DNA bestaat uit twee strengen van nucleotides. De twee strengen draaien om elkaar heen om een dubbele-helix te vormen. Elke nucleotide bestaat uit een suiker-fosfaat groep waar een basis aan is toegevoegd. De treden van de dubbele-helix bestaan uit vier chemische basen: adenine (A), guanine (G), thymine (T) en cytosine (C). Elke trede bestaat uit twee aan elkaar gekoppelde basen: A-T en C-G.
Een gen is een stukje DNA. De totale genetische informatie in elke cel heet genome. De volgorde van de basen is bepalend voor de functie van het gen: genetische code. De volgorde is voor 99,9% gelijk voor elk persoon. Het is moeilijk te bepalen welke volgorde een gen heeft en wat de functie van dit specifieke gen is.
25947 is het laatste nummer dat is gevonden door onderzoekers om te kijken hoeveel genen we hebben. Niet van alle genen is de functie bekend. We weten wel dat de helft van onze genen een rol speelt in de ontwikkeling van de hersenen en zijn functie. De meerderheid hiervan is niet-coderende DNA (pseudo-genen). De functie hiervan is het te beschermen van genetische schade en een groep van nieuw genetisch materiaal te maken (evolutie).

Elke chromosoom heeft een verschillend aantal genen. Genen zijn geen blauwdrukken voor de ontwikkeling en hebben geen directe invloed op gedrag. Een gen bestaat uit instruction (genetische code) die eiwitten produceert (eiwitsynthese). Eiwitten vormen de basis van alle levensprocessen, zoals groei en de hersenprocessen. Een gen is verantwoordelijk voor de synthese van duizend verschillende eiwitten. Hetzelfde gen kan verschillende functies hebben op verschillende momenten tijdens de ontwikkeling. Genen kunnen actief of inactief zijn, dit hangt af van andere genen of milieufactoren. Genen reguleren het proces van de eiwitsynthese via messenger RNA (kopie van een stukje DNA).

Genen bestaan in paren, dit paar bepaalt de eigenschap. Een code voor het gen voor een specifieke eigenschap ligt op een bepaalde plaats op het chromosoom (locus). De locus van een gen kan gevonden worden op een soortgelijke locatie van twee overeenkomstige paren chromosomen.

 

Doel 2 – Beschrijf dominant, recessief en poligenetische invloeden op een fenotype.

Allelen zijn alternatieve uitvoeringen van hetzelfde gen. Allelen coderen voor dezelfde eigenschap. Zo heb je het allele voor blauwe ogen en allele voor bruine ogen. Een homozygoot is een soortgelijke allele op elke locus. Een heterozygote zijn twee verschillende allelen voor elke locus. De uiting van de eigenschap hangt af van de combinatie van de allelen. Een allele kan dominant of recessief zijn. Dominant + Dominant = Dominant. Recessief + Recessief = Recessief. Dominant + Recessief = Dominant. Wanneer twee of meer genen betrokken zijn bij de productie van een fenotype wordt er gesproken over poligenetische invloeden.
Bij het zoeken naar de functie van genen kun je gebruik maken van genetic mapping/ linkage mapping, deze techniek lokaliseert en isoleert een gen om zo zijn functie te ontdekken.
knock-out mice is een techniek waarbij een gen wordt uitgeschakeld en vervangen door een kunstmatig stukje DNA.

Genen: variatie en standvastigheid
Constancy: de mens deelt een groot aantal genen met dieren. Bij variatie is er sprake van grote individuele verschillen in genetisch tot stand gekomen eigenschappen. De bronnen van genetische variatie zijn reproductie: combinaties van dominante en recessieve genen. Mutaties: willekeurige veranderingen in het DNA. Dit komt door omgevingsfactoren: virussen, straling, drugs of door micro deletions: het verlies van kleine stukjes van het chromosoom. Micro deletions veroorzaakt Wiliams syndroom, Angelman syndroom en misschien ook autisme. Recombination: creatie van nieuwe combinaties van allelen.
Genomic imprinting is een proces waarbij een zekere allele van een gen alleen maar wordt uitgedrukt als het afkomstig is van een specifieke ouder (vader of moeder). Imprinting is een epigenetisch proces. Het reguleert het aan- of uitzetten van een gen. Er is hierbij geen verandering in het DNA. Een voorbeeld hiervan is het Marcus Pembrey effect. Een groep mensen van dezelfde leeftijd liet zichzelf voor lange tijd uithongeren. Hierdoor veranderde hun DNA. Dit nieuwe DNA gaven ze door aan hun kinderen, na veel generaties had de nieuwe generatie diabetes ontwikkeld.

 

Doel 3 – Begrijp ‘erfelijkheid’

Erving en milieu
Bij het erven van genen is er altijd de vraag op welke manier genetische en omgevingsfactoren bijdragen aan individuele verschillen tussen mensen. Tweelingen en gezinnen met een adoptiekind kunnen hier goed voor worden gebruikt. Bij adoptiestudie worden bepaalde kenmerken van mensen die eerder in hun leven zijn geadopteerd vergeleken met de biologische ouders en met hun adoptieve ouders. Met hun biologische ouders delen ze de genen. Bij een tweelingstudie worden gelijke kenmerken met elkaar vergeleken bij eeneiige en twee-eiige tweelingen. De concordance rate is de gelijkheid van karaktertrekken tussen verschillende personen. Belangrijk hierbij is wel dat de omgeving ook veranderd wordt door de manier waarop mensen met de tweelingen omgaan. Eeneiige tweelingen worden gelijker behandeld dan bijvoorbeeld een tweeling die niet zo op elkaar lijkt. Daarom worden ze voor onderzoek in andere families geplaatst; dan kun je pas echt onderscheid maken tussen genetische invloeden en omgevingsinvloeden. Tweelingen die niet samen opgroeien is een fenomeen wat echter niet zo vaak voorkomt.
Adoptiestudies zijn ook een middel om te kijken naar de invloed van omgeving en de genen. Als de kinderen meer overeenkomsten hebben met de adoptieouders (bijvoorbeeld religie) heeft omgeving meer invloed. Als de kinderen meer overeenkomsten hebben met de biologische ouders (denk aan IQ), heeft erfelijkheid meer invloed.

Genetische factoren zijn belangrijk voor bijna elke menselijke eigenschap. IQ wordt voor 50-70% overgenomen, persoonlijkheid 40-50% maar bijvoorbeeld religie zit niet in de genen dus dat wordt niet genetisch overgenomen. De invloed van gedeelde omgeving is klein, wanneer de omgeving extreem is zal de invloed groot zijn.
Erfelijkheid bestaat uit drie delen: h2, c2 en e2. h2 is de erfelijkheidscoëfficient, c2 is de gedeelde omgeving en e2 is de niet-gedeelde omgeving. Het erfelijkheidscoëfficient schat in hoeverre de variatie in specifieke kenmerken toe te schrijven valt aan de genetische invloeden. Als h2 is 0.65 dan betekent dit dat 65% van de verschillen tussen het individu in een bepaalde eigenschap kan worden verklaard door genetische factoren. 35% kan worden verklaard door omgevingsfactoren (gedeelde of niet-gedeelde). E2 + c2 + h2 = 1.00. De uiting van een gen is afhankelijk van andere genen, maar ook van omgevingsfactoren.

Als je kinderen met elkaar gaat vergelijken kan er sprake zijn van een gedeelde omgeving of een niet-gedeelde omgeving. Bij een gedeelde omgeving is het ouderschap erg belangrijk. Hoe gaan je ouders met je om, hoe benaderen ze je? Dat is voor alle twee de kinderen hetzelfde. Ook de stimulatie is hetzelfde. In een gedeelde omgeving kijk je naar dezelfde tv-programma’s en is er een grote kans dat je dezelfde sport uitoefent. Ten slotte is de fysieke omgeving hetzelfde. Het huis, de buurt en het eten wat ze krijgen is vergelijkbaar.
Bij een niet-gedeelde omgeving hangt alles af van individuele ervaringen. De twee kinderen hebben ander contact met hun ouders, andere leeftijdsgenoten, een andere school, en ook een andere vorm van vrijetijdsbesteding.
 

Reactie bereik (reaction range) is het bereik van mogelijkheden die de genetische code mogelijk maakt. Het genotype bepaalt de boven- en ondergrens die het mogelijk maakt het fenotype te variëren. Het doel van ieder individu is dit potentieel te actualiseren. Of het maximum bereikt wordt hangt af van individuele kenmerken en het milieu.
Een hele beroemde studie die gaat over omgeving is die van Caspi et al. Zij onderzochten of er een gen was wat gelinkt kon worden aan agressief gedrag. Uit het onderzoek bleek dat het gen alleen agressief gedrag veroorzaakte als er ook sprake was van een slechte omgeving. Dit houdt in dat de mensen vroeger mishandeld waren of iets dergelijks. Er kunnen dus individuele verschillen zijn in de manier waarop omgeving ons beïnvloedt. Vaak wordt er een grof onderscheid gemaakt tussen dandelion kids en orchid kids. Dandelion kids reageren niet zo sterk op invloeden van uit de omgeving. Orchid kids hebben juist een sterke reactie op de omgeving. Dit kan dus negatieve gevolgen hebben als ze in een slechte omgeving opgroeien, maar juist positief als ze in een goede omgeving opgroeien. Het verschil in de manier waarop de omgeving individuen beïnvloed wordt differential susceptibility genoemd.

 

Doel 4 – Beschrijf de manieren waarop het genotype omgevingsinvloeden het gedrag kan beïnvloeden.

Omgeving vormt gedrag op twee manieren: aanpassing van soorten (invloed door natuurlijke selectie) en persoonlijke aanpassing (genotype, gedeelde omgeving en niet-gedeelde omgeving).

Genen kunnen echter ook invloed hebben op de omgeving. Passief effect: genen van de ouders creëren een omgeving die bij de genen van het kind past. Vb.: muzikaal begaafde ouders leren hun kind viool spelen. Evocative effect: genen van het kind roepen bijzondere reacties op uit de omgeving. Vb.: het kind met een moeilijk temperament veroorzaakt een bepaalde richtlijn van het gedrag van de ouders. Active effect: genen van het kind zorgen ervoor of dit kind bepaalde situaties wel of niet opzoekt (zelfselectie). Vb.: een agressief kind heeft vaak ook agressieve vriendjes.

Waarom leren we? Ethologie: richt zich op de evolutionaire verschillen tussen soorten. Het belang van aanpassing: hoe een gedraging invloed heeft op de kans dat een organisme overleeft en reproduceert in zijn eigen natuurlijke omgeving. Vast actie patroon: instinctief gedrag wordt automatisch geactiveerd door een bepaalde stimulus.

 

Doel 5 – Beschrijf hoe menselijk gedrag aangeboren mechanismen van de evolutie suggereert.

Charles Darwin’s evolutietheorie

Evolutie is een verandering over tijd die te maken heeft met de mate waarin specifieke genen en hun kenmerken voorkomen in een populatie. Nog een belangrijk begrip hierbij is mutation. Mutations zijn willekeurige gebeurtenissen in de voortplanting van genen die voorkomen tijdens het verdelen van de cellen.

Charles Darwin ging uit van natuurlijke selectie: het primaire mechanisme van de evolutie. Evolutie is de verandering over een bepaalde periode in de frequentie waarmee bepaalde genen voorkomen gedurende een kruisende populatie.

Natuurlijke selectie is dat eigenschappen die bijdragen aan het voortbestaan van het individu en de voortplanting, een hogere kans hebben op het doorgeven van deze eigenschappen aan de volgende generatie. Veranderingen in de omgeving creëren een uitdaging voor het individu. Ze zullen leiden tot evolutionaire veranderingen in termen van nieuw gedrag en nieuwe soorten. Sommige eigenschappen zijn adaptief in sommige omgevingen, maar in andere niet. Veranderingen in de genetische kenmerken zijn niet gepland, maar komen per ongeluk. Zo zijn er ook mutaties. Dit zijn willekeurige gebeurtenissen in gen reproductie tijdens de celdeling.
Adaptations zijn fysieke- of gedragsveranderingen die ervoor zorgen dat organismen beter om kunnen gaan met de uitdagingen van de omgeving. Een heel simpel voorbeeld hiervan is bipedal locomotion, het lopen op twee benen. Ook het gebruik van gereedschappen en de grootte van het brein zijn hier voorbeelden van.

 

Waarom hebben mensen grote hersenen?
De eerste hypothese heet The Social brain hypothesis (Dunbar, 1993). De grootte van de hersenen is sterk verbonden tot de grootte van de sociale groep die soorten kunnen handhaven. Dunbar: ‘Onze sociale levens worden beperkt door de grootte van onze hersenen. We hebben een maximum van 150 mensen.

Een voorbeeld van The Social brain hypothesis is blozen. Hoe kun je blozen verklaren in relatie tot de evolutie? Volgens wetenschappers is dit een voorbeeld wat je niet kunt uitleggen aan de hand van evolutie. Wat er in feite gebeurt als je moet blozen, is dat de bloedvaten in je gezicht er voor zorgen dat je rood wordt. Dit gebeurt als een reactie op schaamte en een toename van adrenaline. Blozen is dus niet positief voor mensen, dus hoe kan het dan te maken hebben met evolutie? Een theorie die dit verklaard is dat blozen een goede indicator is voor schaamte en spijt. Dat zorgt weer voor goede sociale interactie, en zullen je medemensen je sneller vergeven. Daarom is blozen wel een positief fenomeen.
Een ander voorbeeld heeft te maken met het altruïsme. Waarom zouden dieren elkaar helpen, zelfs als het niet voordelig is voor hun eigen overlevingskansen? Altruïsme is in tegenspraak met de evolutionaire principes van natuurlijke processen. Bij de evolutietheorie hebben egoïstische mensen een voordeel op altruïstische mensen. Egoïstische mensen denken bij levensbedreigende situaties als eerste hoe ze zichzelf moeten redden. Zij zullen overleven en zich voortplanten waar altruïstische mensen in levensbedreigende situaties eerst aan de andere mensen denken. Het gevaar hierbij is dat de altruïstische mens hierdoor uitsterft.

 

Toch heeft het wel te maken met relaties. Een groep zal meer profiteren van altruïstische individuen. Daarbij is er wel sprake van kin selection of inclusive fitness. Individuen zullen meer geneigd zijn om te investeren in hun naasten. Mensen willen namelijk toch altijd graag hun genen overdragen. Mensen zijn ook meer altruïstisch naar jonge mensen toe.

 

Strategische Pluralisme: Meerdere (zelfs tegenstrijdige) eigenschappen zou kunnen zijn adaptieve in bepaalde omgevingen en dus worden gehandhaafd door middel van natuurlijke selectie. Elke eigenschap heeft zowel kosten en baten die betrekking kunnen hebben op de overleving.
Er zijn hier veel voorbeelden over te noemen. Stel je voor dat jouw twee zoontjes van 1 en 5 op een boot zitten die zinkt. Als je er maar een kan redden, zul je voor die van 5 jaar kiezen. Die heeft namelijk meer kans om te overleven.
Als er twee vrouwen van 20 en 40 jaar op de boot zitten zul je die van 20 jaar redden, omdat zij meer kans heeft om zich te reproduceren.
Het tweede voorbeeld gaat over trouwen. Vrouwen willen liever oude mannen trouwen omdat die meer hulpbronnen hebben om kinderen op te voeden. Mannen willen liever jongere vrouwen trouwen omdat die zich nog kunnen reproduceren.
Er zijn twee theorieën over waarom mannen en vrouwen andere dingen zoeken in een partner.
De Sexual Strategies Theory stelt dat het gaat om de verschillende problemen waar mannen en vrouwen mee te maken krijgen. Strategieën om zich voort te planten zijn hierop aangepast. Deze theorie heeft dus te maken met natuurlijke selectie en denkt vanuit een evolutionair perspectief.
De andere, tegenstrijdige theorie is de Social Structure Theory. Die stelt dat mannen en vrouwen verschillende voorkeuren hebben door de sociale druk.
Bij de evolutionaire theorieën zijn echter wat problemen te noemen. Ten eerste is er kans op circulair denken. Het is te makkelijk om alles te willen uitleggen volgens de evolutie. De theorieën worden dan eigenlijk verkeerd gebruikt. Verder is het doel van bepaalde vaardigheden ook veranderd. Nu is het handig om vormen te herkennen, zodat je kan leren lezen. Vroeger hoefde dat helemaal niet. Het laatste probleem is dat er kans is op genetisch determinisme. Het genetische determinisme gaat er vanuit dat genen effecten hebben die onvermijdelijk en onveranderlijk zijn. Dit is echter niet het geval. De conclusie van dit college is dat al het gedrag wordt beïnvloed door genetische- en omgevingsfactoren.
 

Hoorcollege 4: Brain and Behaviour

Caspar van Lissa, 22 november 2013

Dit hoorcollege gaat over hoofdstuk vier van het boek. Dit hoofdstuk gaat over hersenen en gedrag. De onderwerpen die in dit college besproken gaan worden zijn als volgt:

  1. Neuronen.

  2. De hersenen en het zenuwstelsel.

  3. Meningen over hersenonderzoek.

 

Neuronen

Het is belangrijk om te begrijpen hoe de neuronen signalen afgeven. Neuronen zijn de fundamentele bouwblokken van het zenuwstelsel. Neuronen geven informatie door vanuit de hersenen. Een neuron heeft drie belangrijke onderdelen: een cellichaam, dendrieten en een axon. Het cellichaam (soma) bevat biochemische structuren die nodig zijn om het neuron in leven te houden, zijn kern heeft de genetische informatie die bepaalt hoe de cel zich ontwikkelt en hoe het functioneert. Uit het cellichaam komen takachtige vezels voort: dendrieten. Dendrieten zijn gespecialiseerd in het ontvangen van eenheden van voelsprieten die boodschappen verzamelen van aangrenzende neuronen en die ze doorsturen naar het cellichaam. Als het daar is aangekomen wordt deze informatie gecombineerd en verwerkt. De dendrieten en het cellichaam ontvangen dus informatie van andere neuronen of zintuigen. Het oppervlak van het cellichaam heeft ook receptorgebieden die direct kunnen worden gestimuleerd door andere neuronen. Al deze onderdelen van een neuron zijn bedekt met een beschermend membraan, die de uitwisseling van chemische stoffen tussen de binnen-en buitenkant van de cel regelt. Deze uitwisselingen spelen een belangrijke rol in de elektrische activiteiten van de zenuwcellen. Aan één zijde van het cellichaam is een enkele axon, deze leidt elektrische impulsen van het cellichaam naar andere neuronen, spieren of klieren. Axon terminals maken contact met andere neuronen, spieren of klieren.

Het communiceren met andere cellen doen neuronen via synapsen (ruimte in de verbinding tussen de zenuwcellen). In deze ruimte vindt het doorgeven van informatie plaats door overdracht van neurotransmitters (een molecuul dat signalen overdraagt tussen zenuwcellen). Neuronen worden verzorgd door glia cellen. Er zijn ruim 1000 biljoen glia cellen in het zenuwstelsel. De glia cellen verwijderen de dode cellen uit het zenuwstelsel.

Er zijn verschillende soorten neuronen: sensorische neuronen, motorische neuronen, interneuronen. De sensorische neuronen ontvangen informatie van buiten het zenuwstelsel, de motorische neuronen sturen informatie naar de spieren of klieren en de interneuronen verbinden de neuronen in het zenuwstelsel.

 

Het proces van neurotransmitters in actie

De neurotransmitters dragen boodschappen over aan de synaps. Dit gebeurt in vijf stappen. Synthesis: de transmitter-moleculen worden binnen het neuron gevormd. Storage: de transmitter-moleculen worden in de axon-uitersten opgeborgen in synaptische blaasjes. Release: de moleculen worden vrijgelaten in de met vloeistof gevulde synaptisce ruimte. Binding: de moleculen steken de synaps over en binden zich aan de receptor. Deactivation: sommige neuronen worden gedeactiveerd door andere chemicaliën in de synaps, andere worden teruggenomen door het presynaptische axon: re-uptake.
Neurotransmitters zijn niet stimulerend of remmend. Synaptische kracht kan worden facilitated (mogelijkheid dat het neuron zal afvuren) of depressed (mogelijkheid dat de neuron niet zal worden afgevuurd).

Er is sprake van snelle en langzame verzending. Snelle verzending houdt in dat sommige neurotransmitters worden geproduceerd in neuronen en worden vrijgegeven via de axon terminals in de synaptische ruimte (GABA, glutamaat). Langzame transmissie houdt in dat sommige neurotransmitters worden afgescheiden door een kleine groep van neuronen. Ze hebben een effect op meerdere neuronen. Ze verandert de toestand van het neuron (Dopamine, serotonine, acetylcholine). Hormonen worden geproduceerd door endocriene kleirenen uitgebracht in het bloed circuit, de snelheid van de overdracht verschilt (Cortisol)

 

Neurotransmittersystemen
Er zijn verschillende neurotransmittersystemen die verschillende dingen regelen. Zo heb je het noradrenaline –of norepinephrinesysteem die de ademhaling, bloeddruk, slaap-waak cyclus, alertheid, regulering van angst, leren en het geheugen regelen. Het dopamine (beloning) systeem regel het opstarten van bewegingen (nigro-striatale systeem); het regelt beloningen, lust en emotie (mesolimbische systeem); het regelt executieve functies (mesocorticale systeem). Het serotonine systeem regelt sfeer, plezier angst en pijn.

 

Hoe communiceren neuronen?

Neuronen produceren elektrische activiteit (nerve impuls) en chemische stof. De elektrische activiteit creëert zenuwimpulsen. De chemische stof die ze afstoten laten het toe om te communiceren met andere neuronen, spieren en klieren. De zenuwimpulsen zijn verantwoordelijk voor het vrijgeven van de neurotransmitters, deze dragen informatie. Deze informatie kan een excitatory (stimulerend) of inhibitory (remmend) effect hebben. Excitatory effect (prikkelend effect): positief geladen ionen stromen binnen in de cel (depolarisatie). De kans dat het dan neuronen zal afvuren neemt toe. Inhibitory effect (remmend effect): negatief geladen ionen stromen binnen in de cel (hyperpolarisatie). De kans dat het neuron zal afvuren neemt af. Zenuwimpulsen ontstaan in drie stappen. De eerste stap is de resting potential, de neuron is dan in rust als gevolg van de distributie van positief en negatief geladen chemische ionen binnen en buiten het neuron. Het neuron is klaar om af te vuren. Bij de tweede stap wordt action potential geproduceerd. Of de action potential plaats zal vinden ligt aan alle signalen die het krijgt. Een combinatie van graded potentials: impulsen die de grenswaarde van -50 millivolt niet halen. Bij de derde stap wordt de oorspronkelijke ionische balans hersteld, de neuron is weer tot rust. Dit heet de refractory state. Het neuron kan dan niet meer afvuren en zal dus eerst moeten herstellen.
Zenuwstelsel
Het zenuwstelsel bestaat uit het centrale zenuwstelsel en het periferisch zenuwstelsel.
Het centrale zenuwstelsel (CNS) bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. Het periferisch zenuwstelsel is te splitsen in het somatische en autonome zenuwstelsel. Het somatische stelsel bevat alle zenuwbanen tussen de spieren, huid en hersenen en het ruggenmerg. Het produceert bewegingen en ontvangt en stuurt sensorische informatie naar het CNS. Het autonoom zenuwstelsel reguleert de inwendige organen.

 

Hersenen
Op de dia’s is te zien op welke plek in de hersenpan welk onderdeel zit. David heeft stap voor stap de plaats aangegeven. Dit is duidelijk te zien. In de hersenstam bevinden zich de medulla Oblongata en pons midbrain. De cerebellum bevindt zich in een deel van de hind brain. De thalamus en hypothalamys bevinden zich in de forebrain. De hippocampus en amygdala bevinden zich in het limbic system.

 

Functies van de vier hersenkwabben

De frontal kwab gaat over planning, werkgeheugen, denken en geplande bewegingen. De parietal kwab regelt somatische sensorische informatie en associatieve functies. De occipital (achterhoofd) reguleert de primaire visuele cortex. De temporal (tijdelijke) kwab reguleert de auditieve cortex, de taal en de visueel ruimtelijke oriëntatie.

De primaire motorische cortex reguleert de vrijwillige bewegingen. De somatic sensory cortex reguleert de lichamelijke gewaarwordingen. Het gebied van Broca reguleert de spraak productie en Wernicke’s gebied reguleert het spraakbegrip.

De hersenen hebben twee hersenhelften. Elke hersenhelft reguleert de tegenovergestelde kant van het lichaam. De linkerhersenhelft controleert de rechterkant van het lichaam en de rechterhersenhelft controleert de linkerkant van het lichaam.
De pituitary gland, oftewel de halsklier, is de belangrijkste klier in je lichaam. Hij reguleert groei en controleert de schildklier, testikels of eierstokken en de alvleesklier. Ook regelt de halsklier de stofwisseling van water en zout.

Informatie wordt verwerkt in verschillende delen van de hersenen en weer opgeslagen in andere delen. Deze processen gaan tegelijk. Delen van de hersenen wisselen informatie uit op een hiërarchische manier: top-down en bottom-up (bij bottom-up worden individuele elementen van de prikkel gecombineerd tot een verenigde waarneming. Bij top-down wordt een algemeen idee gebruikt om te bedenken wat je ziet). Onze hersenen integreren binnenkomende informatie (sensory input) met de reeds opgeslagen informatie (memory/experiences). Sommige delen zijn zeer gespecialiseerd, andere hebben geen directe functie (association area’s).
 

Onderzoek doen naar de hersenen
Er wordt veel onderzoek gedaan naar de hersenen. Dit gebeurt door technieken als EEG/ERP en fMRI. De vraag is echter waarom er zoveel onderzoek gedaan wordt naar de hersenen. Er zijn een aantal mythen te noemen over onderzoek naar de hersenen.
Ten eerste is er sprake van modern phrenology. Dat is de studie naar gedrag in relatie tot hersenprocessen. De vraag is of dit altijd wel zo is. Gedrag hoeft niet alleen maar bepaald te worden door hersenprocessen.
Ten tweede wordt er teveel aandacht gelegd op de Functional Areas.
De laatste en belangrijkste mythe is dat de hersenen gedrag zouden ´produceren´. Dat is natuurlijk niet het geval.

 

Hoorcollege 5: Perception (& Consciousness)

Tom Frijns, 27 november 2013
Hoorcollege 5 gaat over hoofdstuk 5 van het boek: Perception. Hoofdstuk 6 staat er wel bij, maar wordt eigenlijk niet echt aangehaald. Toch is dit hoofdstuk wel belangrijk om goed te leren. De leerdoelen zijn als volgt:

  1. Weet het verschil tussen gevoel en perceptie

  2. Beschrijf de absolute threshold en begrijp signal detection methods van detection stimuli.

  3. Begrijp het contrast tussen bottom-up en top-down process van zintuiglijke informatie.

d. Geef voorbeelden van Gestalt-principes van perceptuele organisatie.

  1. definieer ‘illusie’ en beschrijf hoe de vastheid en context betrokken zijn bij visuele illusies.

 

Doel 1 – weet het verschil tussen gevoel en perceptie.

Sensation (gevoel) is het prikkel-waarnemingsproces waardoor onze zintuigen reageren en omgevingsprikkels vertalen in zenuwprikkels die naar de hersenen worden gestuurd. Perception (waarneming) maakt alles wat onze zintuigen ons vertellen tot iets nuttigs. Het is het actieve proces van het organiseren van een inkomende prikkel en het geven van een betekenis aan deze prikkel.

Van gevoel naar perceptie:

1. Een stimulus wordt ontvangen door sensor ontvangers.

2. De ontvangers vertalen de stimulus naar zenuw impulsen. (transduction)

3. De functie detectoren analyseren de kenmerken van een stimulus.

4. De kenmerken van de stimulus worden gereconstrueerd in de zenuw weergave.

5. Zenuwweergave vergeleken met al eerder ontvangen informatie in de hersenen.

6. Matching process results in

 

Een stimulus wordt opgepakt door sensorontvangers. Deze ontvangers vertalen de stimulus om naar zenuwimpulsen (transduction). De eigenschappen van een prikkel worden dus omgezet naar zenuwimpulsen. Het sensorsysteem gebruikt informatie van de omgeving om te kunnen overleven. Er zijn er meer dan de vijf bekende: horen, zien, ruiken, proeve en voel. Ook zijn er zintuigen die informatie geven over de balans en voer de lichaamshouding. Psychophysics zijn studies naar de relatie tussen de psychische eigenschappen van prikkels en de zintuiglijke capaciteiten.
Doel 2 – Beschrijf de absolute threshold en begrijp signal detection methods van detection stimuli.

De absolute threshold is de laagste intensiteit waarbij een prikkel voor 50% van de keren kan worden opgemerkt. Signal detection methods of sensory information gaat over de factoren die sensorische oordelen beïnvloeden. Het decision criterion (beslissingscriterium) is een standaard van hoe zeker mensen moeten zijn dat een prikkel aanwezig is voordat ze zullen zeggen dat het ze opvalt/ze het voelen. Antwoord van deelnemer op de vraag of de prikkel aanwezig is: ‘ja’, als deze dan echt aanwezig is, spreekt men van ‘hit’. Antwoordt hij ja, terwijl deze prikkel niet aanwezig is, spreken we van een ‘false alarm’. Als de deelnemer antwoordt dat de prikkel niet aanwezig is en deze echter wel aanwezig is, spreekt men van ‘miss’. Als de deelnemer antwoordt dat de prikkel niet aanwezig is en hij is ook echt afwezig, dan spreken we van een ‘correct rejection’.

Difference treshold (verschildrempel) is het kleinste verschil tussen twee prikkels die mensen 50% van de keren kunnen waarnemen, daarom wordt dit ook wel ‘Just Noticable Difference’ genoemd. Ook Weber’s Law heeft hier wat mee te maken. Weber’s Law: als fysische impulsen toenemen met constante verhoudingen, dan nemen de gewaarwordingen toe met constante verschillen.

  • Audio: V (variabele) x 0.1 (10% increase required)

  • Weight: 2% increase inquired.

Sensory adaption (sensorische aanpassing) is de verminderde sensitiviteit op een onveranderde prikkel. Een voorbeeld hiervan is het wennen aan bier. Niemand vindt zijn eerste biertje lekker. Na een aantal biertjes wen je aan de smaak en heb je dus een verminderde sensitiviteit voor deze smaak. Een ander voorbeeld is het aanpassen van je ogen in een donkere kamer.

 

Vision
Licht komt door de lens van het oog naar binnen via het hoornvlies (cornea), hier achter zit de pupil. De pupil kan de lichtinval regelen door de opening groter of juist smaller te maken. Rondom de pupil zit de iris, hier bevinden zich spiertjes die de wijdte van de pupil regelen. Bij weinig licht wordt de pupil smaller om alles binnen te laten, bij veel licht gebeurd het omgekeerde. Achter de pupil zit de lens (elastische structuur). De lens van het oog projecteert het visuele beeld op het netvlies (retina). Een kegeltje (cone) is een kleurreceptor en functioneert het best in heldere belichting. Een staafje (rod) is een zwart-wit helderheidontvanger en is het best in gedimd licht. Staafjes zijn overal op het netvlies te vinden, behalve op de fovea. Dit is een klein gebied in het midden van de gele vlek, deze bevindt zich in het midden van het netvlies en bevat alleen maar kegeltjes. Dicht bij de fovea is de blinde vlek, dit is waar de optische zenuw naar de hersenen gaat en daar zijn geen staafjes of kegeltjes. Als er op de blinde vlek een beeld wordt geprojecteerd zie je dit niet. Om dit te testen kun je een papiertje rollen tot een kijker en naar een bepaald punt kijken. Met een oog door het gat kijken en het andere oog dicht doen. Als je dan de hand waar je het papier niet mee vast houdt naast het einde van de kijker houdt en beide ogen opent lijkt het alsof er een gat in je hand zit, dit komt door de blinde vlek.
Als het over zicht gaat is kleur ook erg belangrijk. Er is een verschil tussen additive en subtractive colour mixtures. Een additieve mix krijg je bijvoorbeeld als er met verschillende kleuren licht wordt geschenen. Als al die gekleurde lichten worden gemixt krijg je wit. Een subtractieve mix komt juist voor als verf wordt gemixt. Als alle kleuren verf worden gemixt krijg je de kleur zwart.

 

Doel 3 – Begrijp het contrast tussen bottom-up en top-down process van zintuiglijke informatie
Waarneming is een actief, creatief proces waarin ruwe zintuiglijke informatie wordt georganiseerd en waar een betekenis aan wordt gegeven waardoor mensen dezelfde zintuiglijke informatie kunnen ervaren op verschillende waarneming. Het creëren van onze waarnemingen kan op twee verschillende manieren worden gedaan, zo heb je bottom-up proces en top-down proces. Bij bottom-up worden individuele elementen van de prikkel gecombineerd tot een verenigde waarneming. Bij top-down wordt een algemeen idee gebruikt om te bedenken wat je ziet. Een voorbeeld hiervan zijn de letters A-F en de cijfers 10-14. Het ligt aan de context of je een B of het getal 13 ziet staan terwijl dezelfde lijnen worden gebruikt om dit symbool te maken. Hetzelfde geval bij de letters H en A. Als je de letter ziet staan buiten het woord zie je dat ze hetzelfde zijn geschreven, zodra je ze in de context plaatst, geef je er een andere betekenis aan.
Mensen detecteren ook geons en hoeken. Doordat de hersenen deze vormen detecteren kunnen ze sneller vaststellen waar we naar kijken. Dat is dus een voorbeeld van een bottom-up proces.
Bij top-down processen heb je twee theorieën.

  1. Gestalt Principles. Deze theorie stelt dat het geheel meer is en anders is dan de som van zijn delen.

  2. Figure-Ground Relations. Deze theorie stelt dat we aanleg hebben om stimuli te organiseren in een centraal figuur en een achtergrond.

 

Doel 4 – geef voorbeelden van Gestalt-principes van perceptuele organisatie.

Organisation and structure

Het Gestalt principe stelt dat het geheel meer is dan de som der delen. Het geheel is beter dan een deel, zo ben je niet een been en een arm en een nek etc., maar een mens. Figure-ground relations gaan over de neiging om prikkels te organiseren in een centraal/voorgrond/achtergrond figuur. Bij het plaatje met de witte en zwarte benen plaats je de één op de voorgrond en de ander (onbewust) op de achtergrond.
Gestalt Laws of perceptual organisation: er zijn vier verschillende waarnemingsvormen.
Similarity(gelijkheid): wanneer verschillende delen van een vorm als hetzelfde worden aangenomen, gebeurd dit ook als ze bij elkaar horen
Proximity(nabijheid): van elementen die dicht bij elkaar zijn wordt snel aangenomen dat ze bij elkaar horen.
Closure (sluiting): bij figuren met open rand die dicht bij elkaar stoppen, maken mensen in hun hoofd het figuur vaak af. (VB. Een open cirkel wordt vaak als een hele cirkel gezien)
Een uitbreiding hiervan is good form of maximum likelihood. Dat is het geval als bijvoorbeeld allerlei vormen onder elkaar lijken te liggen. Je gaat driehoeken en diepte zien, terwijl het eigenlijk maar een paar losse lijnen zijn. Ons brein is dus niet getraind om objectief alleen maar te zien wat er echt staat, maar het moet juist een beeld vormen.
Continuity (doorlopend verband): mensen linken die logisch zijn aan elkaar.
De context van iets bepaalt hoe je iets waarneemt. Een voorbeeld is te zien op de sheets. Met een aantal lijnen worden letters gevormd. Omdat het allemaal letters zijn, neem je ze ook waar als letters. Als je echter goed kijkt, kun je sommige letters ook als een cijfer lezen. Omdat je bepaalde verwachtingen hebt, neem je een plaatje op een bepaalde manier waar. Hier is ook een voorbeeld van te vinden op de sheets. Je ziet een plaatje wat je als jonge vrouw kan interpreteren, maar ook als oude vrouw. Doordat er van tevoren een verhaaltje verteld wordt over een oude vrouw, zul je het ook opvatten als een oude vrouw.
Niet alleen de verwachtingen die je hebt spelen een rol, ook culturele invloeden zijn belangrijk. Het voorbeeld is de sheet met het plaatje van een familie die aan het knikkeren is. Westerse culturen zullen zeggen dat het tafereel zich binnen afspeelt, en Afrikaanse culturen zullen juist zeggen dat het buiten is. Dit wordt bepaald door de culturele achtergrond.

 

Doel 5 – definieer ‘illusie’ en beschrijf hoe de vastheid en context betrokken zijn bij visuele illusies
Perceptual constancies maken het ons mogelijk om bekende prikkels te herkennen onder verschillende omstandigheden. Bij het plaatje met de drie deuren, zie je meteen dat het om deuren gaat ook al staat er één open en zijn de andere dicht. Hier is sprake van vormvastigheid. Bij het plaatje met de cilinder op een bord met vlakjes lijkt het alsof er een schaduw te zien is maar als je goed kijkt zijn de kleuren hetzelfde, hier is sprake van helderheidvastigheid. Het plaatje met de personen naast elkaar en eentje erachter lijkt het alsof de man in de achtergrond groter is dan de man rechts vooraan, dit is niet het geval. Hier is sprake van groottevastigheid.

Illusies zijn gedwongen, maar verkeerde waarnemingen. De meeste illusies komen door waarnemingsvastigheden die ons normaal helpen beter waar te nemen. Op de plaatjes zie je allemaal waarnemingsillusies. Door de context lijken de aangegeven objecten groter of kleiner maar dit is niet het geval.

 

In kritische periodes moeten bepaalde ervaringen gebeuren om het waarnemingsvermogen en de hersenmechanismes normaal te ontwikkelen. Zou je een kat in zijn kritieke periode in een ronde omgeving met verticale strepen plaatsen en je haalt de kat er later uit zal het alles in verticale strepen blijven zien.
Er worden in het college een aantal plaatjes laten zien waar er sprake is van depth cues. Je neemt diepte waar, terwijl die er eigenlijk helemaal niet is. Je kunt ook binocular depth cues hebben. Deze hebben het gebruik van twee ogen nodig. Er is namelijk sprake van binocular disparity: ieder oog ziet een net iets ander beeld.
Tot slot wordt er een filmpje laten zien waar je het aantal passes van basketballers moet testen. Als het filmpje voor de tweede keer wordt afgespeeld (deze keer zonder de telopdracht), zie je dat er op begeven moment een vrouw door het beeld wordt. Dit filmpje laat heel duidelijk de rol van aandacht zien. Er is hier sprake van inattentional blindness. Je kunt in je bewustzijn geen stimuli registreren als je er niet je aandacht op vestigt.
Aandacht heeft te maken met twee processen:

  1. Het focussen op bepaalde stimuli.

  2. Andere inkomende informatie filteren.
     

Hoorcollege 6: Learning: The Role of Experience

Tom Frijns, 29 november 2013

 

Hoorcollege 6 gaat over hoofdstuk 7 van het boek. Dit hoofdstuk heet: Learning: The Role of Experience. De leerdoelen van dit hoofdstuk zijn als volgt:

  • Ken het begrip ‘leren’ en de bijbehorende basisprocessen.

  • Begrijp classical conditioning

  • Begrijp operant conditioning (leren door consequenties).

  • Begrijp de technieken en schema’s van behavioural reinforcement.

  • Bekijk de rol van cognitie in het leerproces.

  • Begrijp leren door observatie.

 

Doel 1 - Ken het begrip ‘leren’ en de bijbehorende basisprocessen.

Leren is een proces waarbij ervaringen zorgen voor blijvende veranderingen in het gedrag of mogelijkheden van mensen. Alleen het leren van dingen zorgt er nog niet voor, dat we dingen goed onthouden en begrijpen. Wanneer je iets meemaakt leer je van deze ervaring. Zo is personal adaption (persoonlijke aanpassing) erg belangrijk bij leren. Persoonlijke aanpassing is het leren dat ons toelaat om ons gedrag te koppelen aan onze omgeving. Het gedrag van een organisme verandert in reactie op prikkels uit de omgeving. Een voorbeeld wat hierbij wordt gegeven is als je altijd dezelfde route naar je werk fietst over een brug. Op een dag is deze brug dicht en kun je er niet overheen. De volgende dag is de brug nog altijd gesloten. Je moet je gedrag dan veranderen door een andere route te nemen, anders kom je niet op je werk. Je hebt dus de derde dag geleerd om niet nog een keer die route te nemen. Zo leer je door persoonlijke ervaring.

Het behaviourism veronderstelt dat er wetten zijn voor het leren, die van toepassing zijn op vrijwel alle organismen. Hierbij wordt leren uitsluitend uitgelegd in termen van direct waarneembare gebeurtenissen, het vermijdt speculaties over niet-waarneembare mentale toestand van een organisme.
De vier basisprocessen van het leerproces zijn habituation, classical conditioning en operant conditioning, observal learning. Habituatie (gewenning) is het minder sterk worden van een respons op een herhaalde prikkel. Zo kan het tikken van een klok erg vervelend zijn als je een ruimte in stapt waar je dit hoort. Als je langere tijd in die kamer zit hoor je het tikken vaak niet eens meer. Dan is de respons op die prikkel afgenomen. Habituatie maakt het mogelijk om je energie op belangrijke prikkels te richten. Overgevoeligheid (sensitization) is het tegenovergestelde van habituatie. Hier is er sprake van een toename van de sterkte van je reactie op een herhaalde prikkel. Het tikken van de klok neemt dan al je concentratie en je kunt je niet meer richten op het huiswerk dat je aan het maken bent. Welk proces domineert licht aan de intensiteit en betekenis van de prikkel. Als de prikkel gevaar aanduidt, kun je spreken van overgevoeligheid.

 

Doel 2 – Begrijp classical conditioning
Classical conditioning is een proces waarbij een organisme twee prikkels met elkaar leert associëren, zodat een bepaalde prikkel zorgt voor een reactie, die oorspronkelijk alleen door de andere stimulus veroorzaakt werd. Dit proces werd ontdekt door Ivan Pavlov bij het bestuderen van de speekselreactie bij een hond. Elke keer als Pavlov op een belletje (neutrale prikkel: een prikkel die van nature geen reactie uitlokt) drukte, werd het hoorzintuig van de hond geprikkeld (deze prikkel was nog niet gerelateerd aan eten). De unconditioned stimulus (prikkel die een reactie uitlokt: UCS) was het eten, hierop reageert een hond door te kwijlen. Dit wordt hem niet aangeleerd dus is het kwijlen een unconditioned response (reactie die niet is aangeleerd: UCR). Nu worden de neutrale prikkel (het belletje) en de UCS (het eten) met elkaar verbonden. Als Pavlov op het belletje drukt krijgt de hond eten, de hond gaat kwijlen (UCR). Na dit een aantal keer herhaald te hebben liet Pavlov het belletje (van neutrale prikkel veranderd naar conditioned stimulus: CS) horen zonder de hond eten te geven. Toch ging de hond kwijlen omdat hij het geluid en eten aan elkaar verbonden had. Nu is het kwijlen veranderd van UCR naar CR (conditioned response).
In de grafiek zie je hoe lang het kan duren om iemand iets aan te leren. De tijd die nodig was om de hond dit aan te leren wordt ook wel aquisition genoemd. Als je na het aanleren van de reactie een tijd lang het belletje aan de hond laat horen maar er geen eten bij geeft verdwijnt de aangeleerde reactie. Dit wordt ook wel extinction genoemd. Als de hond een tijd later een belletje hoort toont hij toch weer het aangeleerde gedrag en begint hij te kwijlen, dit is spontaneous recovery.

Bij forward short-delay pairing verschijnt eerst de CS (bel) en die is nog steeds aanwezig, wanneer de UCS verschijnt (eten).
Bij forward trace pairing verschijnt de CS (bel) en verdwijnt weer, als deze is verdwenen komt 2-3 seconden later de UCS (eten).
Bij simultaneous pairing worden CS (bel) en UCS (eten) tegelijkertijd gepresenteerd.
Bij backward pairing wordt verschijnt de CS (bel) na de UCS (eten).
De classical conditioning werkt het best wanneer de CS-UCS combinatie vaak wordt gedaan, als de UCS erg sterk is, de CS-UCS echt aan elkaar wordt gekoppeld. Zodra de bel rinkelt, moet je ook het eten geven. Als je het eten een half uur later zou geven zijn de twee niet goed aan elkaar gekoppeld en is het effect niet sterk.
Als er conditioned response is aangeleerd kan de (in dit geval) hond ook andere geluiden opvatten als de conditioned stimulus. Zo kan de hond gaan kwijlen als hij een piano hoort. Hij generaliseert de piano dan met het belletje. Als je ooit bent aangevallen door een grote hond en je bent ook bang voor kleine hondjes dan generaliseer je alle honden. Ook kan er sprak zijn van discriminatie, de hond kwijlt alleen bij een bepaalde prikkel maar niet bij een andere. Het kwijlen kan niet worden uitgelokt door een fluitsignaal. Als je door een hond bent aangevallen ben je bang voor honden maar niet voor andere dieren discrimineer je tegenover honden.
In classical conditioning is er ook sprake van higher-order conditioning, dit treedt op wanneer een neutrale stimulus een conditioned stimulus wordt nadat het gecombineerd wordt met een reeds gemaakt conditioned stimulus. Als je een hond een zwart vierkant (neutrale prikkel) laat zien zal hij niet gaan kwijlen. Combineer je het zwarte vierkant met het belletje dan gaat de hond wel kwijlen (CR). Als je de hond dan het zwarte vierkant laat zien gaat het wel kwijlen en is het zwarte vierkant ook een conditioned stimulus.
Een ander bekend voorbeeld van classical conditioning is het ‘Little Albert-experiment’. In de eerste stap van het experiment werd voor de kleine Albert een wit muisje neergezet. Albert toonde geen reactie, hij was niet bang. Ze haalde het beestje weg en zetten het even later weer neer, nu lieten ze er een harde knal bij horen. Albert koppelde de harde knal aan het witte muisje en nadat ze de knal een aantal keer hadden laten horen in combinatie met het witte muisje werd Albert bang voor het witte muisje. Bij het zien van het witte muisje, zonder de knal werd Albert bang. De onderzoekers keken of Albert generaliseerde of discrimineerde. Nu zetten ze een wit konijn voor Albert, ook hier werd hij bang van en dus is er sprake van generalisatie.
Gedragsbehandelingen op basis van classical conditioning behoren tot de meest effectieve behandeling op het gebied van fobieën. Er zijn verschillende vormen van therapie. Zo heb je exposure therapie, hierbij wordt een patiënt blootgesteld aan een stimulus (CS) die een angstreactie veroorzaakt zonder dat er een UCS aanwezig is, waardoor er extinctie optreedt (het uitsterven van de angst). Stap voor stap wordt er gezorgd dat deze angst verdwijnt. Iemand met een grote angst voor spinnen zet je in een kamer met een spin en stap voor stap laat je de spin dichterbij komen totdat de persoon de spin aanraakt zonder bang te zijn. Systematic desensitation heeft hetzelfde doel. Hier wordt gebruik gemaakt van spierontspanning technieken. Classical conditioning kan ook zorgen voor minder aantrekkingskracht tot een prikkel, deze techniek wordt aversie therapie genoemd. Hierbij proberen ze er voor te zorgen dat iemand afkeer krijgt van een prikkel die ongewenst verdrag veroorzaakt door deze prikkel te koppelen aan een onaangename UCS. Zo kun je alcohollisten een medicijn geven zodat ze misselijk worden wanneer ze alcohol zien waardoor ze het niet meer willen drinken, of elektrische schokken geven aan pedofielen bij het tonen van kinderfoto’s. Je wilt deze mensen dan niet genezen maar iets aanleren.
Door het combineren van een CS met aangename of onaangename prikkels kun je een gunstige of ongunstige houding tegenover iets ontwikkelen. Hier wordt veel gebruik van gemaakt bij reclame. Zo wordt een sexy vrouw gebruikt om een product aan te prijzen.
Zo kun je door het consequent koppelen van een stimuli met een stof die een allergische reactie opwekt een allergische reactie opwekken door alleen de stimuli te tonen. Het immuunsysteem kan dus ook klassiek geconditioneerd worden: anticipatory nausea and vomiting is iets wat kankerpatiënten zichzelf aanleren. Ze maken zichzelf misselijk zodat ze kunnen overgeven voor de chemokuur. Het immuun systeem kan classically conditioned zijn. Het heeft invloed op je gevoeligheid voor ziekte en fatale aandoeningen.

 

Doel 3 – Begrijp operant conditioning (leren door consequenties)
Classical conditioning kan niet verklaren hoe mensen en dieren nieuwe gedragingen leren. Thorndike deed hier onderzoek naar: Thorndike’s Law Of Effect. Dieren moeten door gebruik van trial and error iets gedaan zien te krijgen. Law of effect slaat op het feit dat als je iets doet wat leidt tot een goed gevoel je deze handeling vaker zult doen. Doe je iets met een nadelig gevolg dan zal je dit niet snel herhalen. Thorndike ging dit testen op katten. Hij stopte een kat in een doos, als de kat op met zijn pootje een hefboompje naar beneden drukt kon het naar het eten wat voor de doos stond. In het begin deed de kat maar wat, hij liep wat rond, maakte zichzelf schoon. Bij het rondlopen drukte hij per ongeluk op het hefboompje. Na een aantal keer in de doos te zijn gestopt begon de kat door te krijgen dat hij eten kreeg door op het hefboompje te drukken. Dit wordt trial en error genoemd. In de grafiek zie je de tijd die de kat elke keer nodig had om uit de doos te komen, je ziet dat het steeds sneller ging, de kat had geleerd om uit de doos te komen.

Skinner noemde operant conditioning een leertype waarbij gedrag wordt beïnvloed door de consequenties die het tot gevolg heeft. Zo maakte hij Skinner box een doos waar hij een muisje in stopte. In de doos zat een knopje, als de muis op het knopje drukte kreeg hij eten. Sommige diertjes bleven maar op het knopje drukken om steeds meer eten te krijgen. Na een tijd veranderde Skinner het experiment. De diertjes kregen alleen eten als ze een plaatje zagen en op dan op het knopje drukte. Eerst gebeurd dit door geluk maar je kunt de diertjes trainen het te op het goede moment te doen door lang genoeg door te gaan.
Volgens Skinner zijn er drie factoren nodig voor operant conditionning. De eerste is antecedenten: stimuli die aanwezig zijn voordat het gedrag plaatsvindt, de tweede is: het gedrag dat het organisme vertoont, en de derde is: consequenties van het getoonde verdrag. Als de eerste aanwezig is en de tweede is uitgevoerd zal het derde gebeuren.
1. Iemand zegt tegen een hond; ‘zit’
2. De hond gaat zitten
3. De hond krijgt een koekje.

 

Verschil classical en operant conditioning
De verschillen tussen classical en operant conditioning zijn dat bij classical conditioning veranderingen in het gedrag gevolg zijn van de associatie van de stimuli (CS-UCS) voordat ze gepresenteerd zijn aan de reactie (CR), het richt zich op uitgelokt gedrag. Bij operant conditioning verandert het gedrag als gevolg van de consequenties die volgen, het richt zich op het uitgestraalde gedrag.

 

Behavioural reinforcement/punishment
Er zijn twee verschillende soorten behavioural reinforcement: positive reinforcement en negative reinforcement. Positive reinforcement treedt op wanneer een reactie wordt versterkt door de daaropvolgende reactie van de stimulus, het focust zich op hoe consequenties effect hebben op gedrag. Denk hierbij niet aan beloning! Primaire bekrachtigers bij positive reinforcement zijn prikkels zoals voedsel, water, de stimuli die nodig zijn om te overleven. Secundaire bekrachtigers zijn stimuli die bekrachtiging nodig hebben door associatie met een primaire bekrachtiger.
Negative Reinforcement treedt op wanneer een reactie wordt versterkt door het verwijderen of vermijden van een onaangename stimulus. Een voorbeeld is het nemen van een aspirine als je hoofdpijn hebt. Je voegt iets toe en de hoofdpijn gaat weg, dit is een negative reinforcement omdat je het ‘negatieve’ weghaalt. Het resultaat is iets positiefs maar toch is door het weghalen van de hoofdpijn een negative reinforcement.
Een belangrijke opmerking hierbij is dat ‘positive’ en ‘negative’ verwijzen naar het toevoegen of weghalen van een stimulus. Het heeft niks met goed of slecht te maken.
Operant extinction is het verzwakken en uiteindelijk verdwijnen van de respons omdat het niet langer versterkt wordt. De mate waarin niet-versterkte responsen volharden.

Naast versterking heb je ook positieve en negatieve straf, positive and negative punishment. Positieve straf treedt op wanneer een reactie wordt verzwakt door de toevoeging van aversieve stimulus. Negatieve straf treedt op wanneer een reactie wordt verzwakt door het verwijderen van positieve stimulans. Een boete is een voorbeeld van negatieve straf: geld wordt verwijderd door de boete te betalen. Bij een straf geven moet het duidelijk zijn wat je niet meer mag doen, de straf moet zwaar genoeg zijn om te zorgen dat die persoon het niet meer doet. Er zijn een aantal problemen met straffen; het kan het gedrag van een persoon onderdrukken, het biedt geen alternatief het zegt alleen wat niet kan en mag, het kan negatieve emoties opwekken. Om te zorgen dat het straffen toch effectief is moet je zorgen dat je na iedere overtreding een straf geeft en niet de ene keer wel en de andere keer niet, het straffen moet onmiddellijk na de overtreding gebeuren.
Reacties kunnen om twee manieren worden aangepast: shaping en chaining. Shaping is het versterken van opeenvolgende stapjes in de richting van een definitief antwoord. Je bekrachtigd elk stapje wat leidt tot hetgeen dat jij wilt dat gebeurd. Als je bijvoorbeeld een leeuw door een hoepel wilt laten springen moet je dit stapje voor stapje doen. Als eerste laat je de hoepel aan het dier zien, je houdt het laag bij de grond en lokt de leeuw door de hoepel heen. Elke keer doe je hoepel iets hoger en beloond de leeuw met eten. Zo ga je door totdat de leeuw door de hoepel springt op de hoogte die jij wilt.
Chaining is een techniek die gebruikt wordt om een reeks van maatregelen te ontwikkelen door het versterken van elke reactie. Chain: ketting van opeenvolgende stappen. Je moet eerst A uitvoeren om B te kunnen doen om C te krijgen.

 

Doel 4 – Begrijp de technieken en schema’s van behavioural reinforcement.
Zo heb je continious vs. partial reinforcement, ratio vs. interval schedules en fixed vs. Variable schedules. Bekrachtigingschema’s hebben voorspellende effecten op leren, extinctie en prestaties. Bij continue bekrachtiging wordt elke respons van een bepaald type bekrachtigd. Bij partiële bekrachtiging wordt juist alleen een deel van de responsen van een bepaald type bevestigd. Deze bekrachtiging kan worden opgedeeld in twee dimensies: ratio schema vs. intervalschema en vast schema vs. variabel schema. Bij een ratio schema wordt een bepaald percentage van de reacties bekrachtigd, hier gaat het om het aantal reacties. Bij een intervalschema moet er een bepaalde tijd tussen de handelingen zitten, het gaat hier dus om tijd. Bij een vast schema komt zie je alleen versterking na een vast aantal reacties of na een vast tijdsinterval. Bij een variabel schema varieert het aantal reacties die nodig zijn.

 

Escape and avoidance
Bij escape conditioning (ontsnappingsconditionering) leert een organisme een reactie aan om een aversieve stimulus te ontspannen. Zo leer je om een warme trui aan te trekken als je het koud hebt. Bij avoidance conditioning (vermijdingsconditionering) leert het organisme om een aversieve stimulus te vermijden, van te voren al warm aan kleden om te voorkomen dat je het koud krijgt.
Two-factor theory of avoidance learning houdt in dat zowel klassieke als operante conditionering betrokken zijn bij het leren van vermijden. Zo zie je bij classical conditioning een voorbeeld van angst voor auto’s. De CS (de auto) en een traumatisch auto-ongeluk (UCS) zorgen voor angst reactie voor auto’s (CR). Bij operant conditioning is het vermijden van auto’s negatief versterkt. Door het vermijden van auto’s maak je de angst alleen maar groter. Doordat je alleen maar banger wordt ga je auto’s nog meer vermijden. Zo wordt het probleem alleen maar groter.
Operant conditioning wordt ook in de praktijk toegepast. Bijvoorbeeld bij het trainen van dieren. Blindengeleidehonden of honden die voor de politie werken worden opgeleid volgens het principe van operant conditioning. Ook wordt het toegepast bij het veranderen van probleemgedrag.

 

Crossroad of conditioning
Volgens Seligman zijn mensen biologisch bereid om bepaalde angsten makkelijker te verwerven dan anderen. Zo is het makkelijker om mensen bang te maken voor slangen dan voor bloemen. Deze neiging om een geconditioneerde respons terug te drijven naar instinctief gedrag wordt ook wel instinctive drift genoemd.

 

Doel 5 – Bekijk de rol van cognitie in het leerproces
S-R (stimulus-response) psychologie stelt dat leren betrekking heeft op de relatief automatische vorming van bindingen tussen een stimulus en een reactie.
S-O-R (cognitieve) model van het leren stelt dat het organisme de cognitieve representatie van de wereld (o) heeft, dit beelf valt tussen de stimulus en de respons.
Insight (inzicht) is de plotseling ontdekking van een handige relatie die helpt een probleem op te lossen, trial-and-error. Psycholoog Köhler ontdekte dit door apen te bestuderen nadat hij ze had blootgesteld aan bepaalde opdrachten. Inzicht is ook wel het combineren van eerder geleerde responsen.

Een onderzoek met ratten leidde tot het begrip cognitive map. Een rat werd in een ronde ruimte losgelaten met een opening aan een kant van de ruimte. Rat gaat naar die opening waar een gangetje is, aan de rechterkant van het gangetje krijgt het dier eten. Na aantal keer dit te hebben gedaan weet de rat de weg en wordt het doolhof veranderd, gang loopt dood. Ratten kiezen voor een gang aan de rechterkant van de ronde ruimte, in het eerste doolhof was het eten ook aan de rechterkant. In hun hoofd hadden ze een map gemaakt.
Een ander onderzoek (Tolman’s research) met ratten leidde tot latent learning. In dit onderzoek werden ratten in een doolhof geplaatst. Hier konden ze rondrennen en alles ontdekken. Ze werden hier 17 dagen ingezet. Een groep ratten krijgt elke dag eten, de andere helft van de groep niet. Na een tijd krijgt ook de groep zonder eten toegang tot het eten. Doordat de ratten wel al die tijd in het doolhof hebben rondgelopen wisten ze hoe ze naar buiten moesten maar zodra er eten aan het einde stond waren ze veel sneller buiten. Toen ze niet werden beloond maakten ze veel meer fouten, zodra het eten er was maakten ze minder verkeerde keuzes om buiten te komen. Dit is te zien in de grafiek.

 

Doel 6 – Begrijp leren door observatie
Je kunt dingen leren door te observeren, je kijkt dan naar het gedrag van iemand anders en doet dit na. De capaciteit om te leren door observatie wordt ook wel modeling genoemd.
De social-cognitive theory benadrukt dat mensen leren door het observeren van het gedrag van een voorbeeldfiguur en zo denken dat ze bepaald gedrag kunnen vertonen om invloed uit te oefenen op gebeurtenissen in hun leven.
Het proces van het volgen van een voorbeeldfiguur heeft vier stappen. Als eerste schenk je aandacht aan het gedrag van die persoon, deze informatie moet je opslaan in je geheugen zodat je het later kunt gebruiken wanneer dat nodig is (retentie). We moeten fysiek in staat zijn om dit gedrag na te kunnen doen (reproductie). En als laatste is het belangrijk om gemotiveerd te zijn om dit gedrag te vertonen (motivatie)
Self-efficacy is het geloof dat mensen de mogelijkheid hebben om bepaald gedrag te vertonen dat voor een gewenst effect zorgt. Een voorbeeld hiervan is Bandura’s Bobo Doll experiment. Op een filmpje zie je een volwassen vrouw met een opblaaspop staan, deze vrouw vertoont agressief gedrag en slaat en schopt tegen de pop. Kinderen in een andere ruimte zien dit gebeuren en mogen later zelf de ruimte in. Zodra ze de pop zien vertonen ze hetzelfde gedrag. Ze hebben hier geleerd door te observeren.

 

Hoorcollege 7: Memory

Caspar van Lissa, 4 december 2013

 

Hoorcollege 7 gaat over hoofdstuk 8 van het boek: memory. De leerdoelen van dit hoofdstuk zijn als volgt:

  1. Beschrijf de werking van het geheugen en zijn processen.

  2. Begrijp three-stage model van het geheugen.

  3. Weet welke manieren er zijn die de hersenen gebruiken om dingen te onthouden en vervormen.

  4. Weet hoe je signalen en emoties moet onderscheiden.

  5. Weet de factoren die het herinneren van dingen beïnvloeden.

  6. Weet het proces van vergeten en de verschillende vormen ervan.

 

Doel 1 – Beschrijf de werking van het geheugen en zijn processen.

Het geheugen zijn de processen die ons in staat stellen om informatie op te nemen, op te slaan en later weer terug te halen. Het laat ons leren uit ervaringen en het leert ons aan te passen aan veranderende omgevingen. Een voorbeeld hiervan is dat als je als kind je hand op een hete kachel hebt gelegd je dit niet meer zult doen. Je zult je altijd blijven herinneren dat het pijn deed en elke keer als je dicht bij een kachel komt, komt deze herinnering weer naar boven en zul je deze handeling niet herhalen.

 

Doel 2 – Begrijp three-stage model van het geheugen.
Het three-stage model bestaat uit drie onderdelen: sensory memory, short-term memory, long-term memory. De sensory memory (sensorische geheugen) houdt binnenkomende sensorische informatie kort vast. Het sensorische geheugen bestaat uit drie subsystemen: sensory registers (eerste informatie proces), iconic store (slaat visuele informatie op) en echoic store (slaat de auditieve informatie op). Het experiment met 9 letters of cijfers in een wachtwoord, is een voorbeeld van sensorisch geheugen. Je krijgt de letters en cijfers heel snel te zien en dan wordt er gevraagd om het wachtwoord zo goed mogelijk te kunnen opnoemen. Het geheugen houdt dit maar heel even vast. Als er een aantal dagen later wordt gevraagd welke letters er zichtbaar waren zou je dit niet meer kunnen terughalen.

Het short-term memory (korte termijn geheugen) ook wel working memory slaat dingen tijdelijk op en bezit een beperkte hoeveelheid informatie. De informatie die binnenkomt via het sensorische geheugen moet worden omgezet in codes om opgenomen te worden in het korte termijn geheugen. Deze memory codes (geheugen codes) zijn mentale representaties van een bepaald type informatie of stimulus. Het korte termijn geheugen bewaard niet meer dan 7 ( met een afwijking van 2, dus 5 of 9) zinvolle items. Chunking is het combineren van afzonderlijke items tot een groter betekenisvol geheel. Zo wordt bij telefoonnummers vaak gebruik gemaakt van chunking. Als je een telefoonnummer hebt: 1471875007 dan is het makkelijker te onthouden als je dit opsplitst 147 187 5007. Zonder herhaling blijft informatie maar tot 20 seconden in het korte termijn geheugen hangen.
Daarbij aansluitend kan er ook sprake zijn van een lecency effect. Als je een aantal woorden moet onthouden, blijven de eerste woorden altijd beter hangen. De laatste woorden kun je meestal ook nog wel onthouden, maar wat er tussenin zat vergeet je sneller.

De long-term memory (lange termijn geheugen) is onze uitgebreide bibliotheek van meerdere opgeslagen herinneringen. Het lange termijn geheugen heeft een onbeperkte opslagcapaciteit. Ze kunnen een heel mensenleven lang opgeslagen blijven zonder dat het vol raakt. Een voorbeeld van lange termijn geheugen zijn de dingen die je leert voor een examen. Deze blijven in het lange termijn geheugen zitten.
Het lange termijn geheugen heeft verschillende soorten van geheugen. Zo heeft het semantic memory (algemeen geheugen) dit onthoudt algemene dingen zoals: een banaan is een fruitsoort. Het episodic memory (persoonlijke kennis): ik heb mijn haar wel eens groen geverfd. Deze twee soorten geheugen zijn een onderdeel van de declarative memory (feitelijke geheugen): Mark Rutte is de minister-president van Nederland. Naast het feitelijke geheugen hebben we ook de procedural memory (vaardigheden en skills): dit onthoudt hoe je op een fiets moet rijden.

 

Doel 3 – Weet welke manieren er zijn die de hersenen gebruiken om dingen te onthouden en vervormen.

Het three-stage memory model heeft drie verschillende manieren om dingen te onthouden encoding, storage, retrieval. Encoding maakt gebruik van mnenomic device: een ezelsbruggetje die informatie in meer meningvolle eenheden plaatst. Verschillende vormen zijn: hierarchies, chunking en visual imagery. Bij visual imagery kunnen sommige mensen gebruik maken van de method of loci. Deze mensen zien de wereld in kleuren, geuren of vormen. Hierdoor onthouden ze dingen beter. Acronyms is een ander voorbeeld van encoding. Hierbij neem je de eerste letters van een serie die je wilt onthouden. Kijk naar de woorden Mercury, Venus, Earth, Mars, Jupiter, Saturn, Uranus, Neptune en Pluto. Als je de eerste letters van de woorden neemt en een zin verzint met deze letters kun je de volgorde beter onthouden. Bijvoorbeeld: My Very Educated Mother Just Served Us Nine Pizzas. Een andere manier van onthouden is schema: een denkkader over een bepaald aspect van de wereld. Zo heb je expertise dat is een proces van het ontwikkelen van schema’s die helpen met het coderen van informatie in betekenisvolle patronen. Mensen die noten kunnen lezen zouden bij het zien van de noten op een notenbalk het liedje kunnen neuriën en zo kunnen onthouden hoe de noten staan geschreven. Kun je geen noten lezen dan wordt het ook lastiger om de noten te onthouden.
Om dingen te onthouden kun je gebruik maken van maintenance rehearsal. Je blijft dan de informatie net zo lang herhalen tot je het niet meer vergeet. Een andere manier is elaborative rehearsal. Hier ga je er dingen bij bedenken om de informatie beter te kunnen onthouden. Deze techniek wordt veel gebruikt bij acteurs die lange stukken tekst moeten onthouden.

Bij het begrip storage wordt gebruik gemaakt van associative network. Hier maak je gebruik van een netwerk van verwante ideeën en concepten. Als je het woord ‘brandweerwagen’ hoort denk je ook aan andere dingen; de kleur rood, het begrip vuur en aan het woord wagen. Die woorden laten je ook weer aan andere dingen denken. Dit proces is het semantic network.
Een laatste netwerk wat nog genoemd kan worden is het neural network. Hier gaat het om de manier waarop cellen samenwerken om dingen te onthouden.
 

Doel 4 – Weet hoe je signalen en emoties moet onderscheiden.

Retrieval cue is de stimulus die informatie activeert in de lange termijn geheugen, verschillende signalen versterken het ophaalproces. Hierbij is het genereren van meerderen associaties effectiever. Ook zal een mens sneller iets opvallends onthouden dan iets onopvallends. Als je een rij woorden krijgt waarvan negen woorden een kleur zijn en het tiende woord is hond, dan blijft het woord hond beter hangen dan alle verschillende kleuren die zijn genoemd.

Zo blijven herinneringen met een emotionele waarde ook beter hangen dan alledaagse herinneringen. Autobiographical memories zijn herinneringen met persoonlijke ervaringen. Flashbulb memories zijn herinneringen die zo levendig zijn dat ze op foto’s lijken van het moment dat het gebeurde. Deze herinneringen hebben een emotionele waarde. Zo zullen veel Amerikanen 9-11 als een flashbulb memorie voor zich zien. Een belangrijke opmerking hierbij is wel dat levendigheid en precisie heel verschillend kunnen zijn. De herinnering kan dus heel levendig zijn, maar tegelijkertijd niet helemaal kloppen.

 

Doel 5 – Weet de factoren die het herinneren van dingen beïnvloeden.
De omgeving is erg van belang bij het onthouden van dingen. Een voorbeeld is informatie geven aan duikers. Leren zij informatie boven water en wordt er een klein toetsje bij ze afgenomen boven water, dan zullen ze beter scoren dan wanneer dit toetsje onder water wordt afgenomen. Krijgen ze de informatie onder water en wordt er onder water een toetsje afgenomen, dan zullen ze het beter doen dan wanneer ze worden getoetst boven water. Dit wordt ook wel state-dependent memory genoemd. Iets is makkelijker te onthouden als onze interne toestand op het moment van het ophalen gelijk is aan onze oorspronkelijke staat tijdens het leren. Mood-congruent recall is ongeveer hetzelfde principe, we hebben de neiging om informatie of gebeurtenissen die overeenkomen met de huidige stemming te herinneren.

 

Doel 6 – Weet het proces van vergeten en de verschillende vormen ervan.
Encoding failure: veel van wat we voelen is vaak niet diep genoeg verbonden met het geheugen. Dit kan gebeuren door gebrek aan aandacht of gebrek aan diepe verwerking. Zo weet iedereen wie Koningin Beatrix is, maar als de vraag wordt gesteld welke kleur ogen ze heeft is dit een voorbeeld van gebrek aan aandacht. De meeste mensen kijken hier niet naar en onthouden het daarom niet. Een voorbeeld van gebrek aan diepe verwerking is de vraag welke kleuren een 1 euro munt heeft. Is het buitenste randje goud of zilver en welke kleur is de binnenkant dan. Dit is informatie die niet nodig is om te kunnen betalen, je kijkt naar de grootte van het muntje of naar het cijfer dat er op staat geschreven.

Decay theory gaat ervan uit dat als je een lange tijd en zonder het gebruiken van het lange termijn geheugen het spoor ervan verdwijnt in het zenuwstelsel. De interference theory gaat er van uit dat bepaalde informatie andere informatie in onze hersenen aantast qua vermogen om het op te halen. Zo heb je proactive interference waarbij als je iets leert (bijv. Spaans) en vervolgens iets anders leert (Frans) de Spaanse woorden het terugroepen van de Franse verstoort. Bij retroactive interference is dit omgekeerd. De Franse taal verstoort dan het terugroepen van de Spaanse woorden.
Iets waar iedereen mee te maken krijgt is infantile amnesia. Dit houdt in dat je zaken van je babyjaren niet meer kunt terughalen. Dit is geen afwijking of een ziekte, iedereen zal dit ervaren.

 

Een kleine geheugentest laat zien hoe de mens kan denken. Op beide dia’s staan woorden die met elkaar te maken hebben. Zo hebben veel woorden op de eerste dia te maken met het woord ‘raam’, dit woord staat er niet tussen maar veel studenten schrijven dit woord wel op nadat er gevraagd is om alle woorden die je je kunt herinneren op wilt schrijven. Bij de tweede dia is dit ook het geval maar dit keer gaat het op het woord ‘dokter’. Veel woorden op de dia hebben met dokter te maken, waardoor je het woord er zelf bij verzint. Hoe komt dit? Er is sprake van critical lure, het lokken naar woorden en het daardoor verkeerd erkennen.

We maken herinneringen door stukjes opgeslagen informatie aan elkaar te puzzelen. Het geheugen valt daardoor goed te vervormen. Kleine kinderen kunnen vaak dingen worden aangepraat. Er is dan sprake van false/recovered memories, ze kunnen geen verschil maken tussen echte en neppe herinneringen.

 

Freud stelde dat er ook sprake kon zijn van motivated forgetting. Mensen functioneren beter als ze bepaalde traumatische ervaringen vergeten. Ze onderdrukken dit dan expres. Aan de andere kant geloven mensen dat het onderdrukken van trauma’s psychiatrische problemen kan veroorzaken.

Concluderend kun je vier soorten herinneringen onderscheiden:

  1. Procedural memory. Dit zijn dingen die je nooit meer vergeet, zoals hoe je moet fietsen.

  2. Declaritive memory. Dit zijn dingen je wel kunt vergeten, zoals welke kleding je aanhad op een bepaalde dag.

  3. Episodic memory. Een voorbeeld hierbij gaat over een demente man. Hij vergeet telkens dat zijn vrouw hem komt opzoeken. Wat hij echter nooit vergeet, is dat hij van haar houdt. Dat zit in zijn episodic memory.

  4. Semantic memory. Dit gaat over feitjes, zoals alle presidenten van Amerika onthouden.

 

Tot slot kan er ook nog een onderscheid gemaakt worden tussen een expliciet en impliciet geheugen. Voorbeelden van explicit memory zijn vakantieherinneringen. Een voorbeeld van implicite memory is dat je onbewust altijd de zelfde weg naar school pakt.

 

Hoorcollege 8: Language and thinking

Tom Frijns, 6 december 2013

Dit hoorcollege gaat over hoofdstuk 9 van het boek. We gaan het hebben over taal en het denken.

Taal is een systeem van symbolen en bijbehorende regels die een oneindig aantal boodschappen en betekenissen kan hebben. Taal is symbolisch. Taal is in zijn ontwikkeling aangepast. Het is ontwikkeld doordat mensen samen kwamen om grote sociale gemeenschappen te vormen. De ontwikkeling van de taal maakte het makkelijker voor mensen om zich aan te passen aan de omgeving.

Taal heeft een aantal kritische kenmerken: symbolen, structuur, begrijpelijk, generatief en verplaatsing.

Symbolen
Symbolen in taal zijn geluiden, geschreven karakters etc. deze worden gebruikt om objecten, gevoelens, ideeën en andere dingen aan te tonen. Deze symbolen zijn willekeurig. Symbolen zijn op te delen in twee structuren; oppervlakte structuur en deep structuur. Bij oppervlakte structuur heb je het over de symbolen die gebruikt worden en in welke volgorde ze gebruikt worden. Bij deep structure gaat het om de onderliggende betekenis van de gecombineerde symbolen. Bijvoorbeeld: take the bottle.

Structuur
De structuur van de taal zorgt ervoor dat men elkaar goed begrijpt. Taal volgt een patroon om een betekenis te kunnen geven. Zo begin je met fonemen (klanken, zoals ‘th’ in with), deze taalklanken samen vormen een lettergreep: morfeem. Aan elkaar geplakte morfemen vormen woorden. Met woorden maak je zinsdelen (phrases) en met zinsdelen maak je hele zinnen, met zinnen communiceert men.

Begrijpen van taal
Mensen moeten taal beheersen en begrijpen om zo alle dingen om zich heen te kunnen vormen tot iets zinnigs. Er is bottom-up processing en top-down processing. Bij bottom-up processing voeg je twee componenten samen: zien en horen. Een voorbeeld hiervan is het McGurk effect. Je ziet in een filmpje een man het woord ‘bah’ zeggen en hoort dit ook. Na een tijd zie je de mond veranderen en vormt de mond het woord ‘vah’. Het geluid is echter veranderd, doordat de mond een andere beweging maakt lijkt het geluid ook te veranderen. Zo heeft wat we zien dus ook invloed op hoe we dingen horen.

Bij top-down processing kijk je naar de dingen in de context. De context heeft invloed op hoe je dingen ziet. Denk aan het voorbeeld wat in een eerder college al aan bod kwam over de letter B en het cijfer 13. Staat het symbool in een rij met cijfers dan zie je een 13, staat het in een rij met letters dan zie je een B.

Speech segmentation is het waarnemen waar elk woord binnen een gesproken zin begint en eindigt. Omdat mensen snel praten lijkt het alsof er geen pauzes zitten tussen de woorden, het waarnemen waar deze pauzes is belangrijk. Er zijn signalen voor nodig, je moet kennis hebben over foneem sequenties en de context van de omringende woorden zijn hier ook erg belangrijk voor. Voor sommige mensen is dit lastig. Wernicke’s area ligt in de temporal lobe, dit gebied is belangrijk voor het spreken. Mensen hebben problemen met grammatica en taal. Bij Brocca’s aphesia hebben mensen probleem met het uitspreken van woorden. Ze begrijpen taal en grammatica, maar hun mond wil niet vormen wat ze denken. Brocca’s area bevindt zich in de frontal lobe. Language acquisition is het biologische voorbereidingsproces dat plaatsvindt in een sociale leeromgeving. Language acquisition device (LAD) is een aangeboren mechanisme met ‘universele grammatica’ regels. Het leren van de taal is ook een sociaal proces; vaders en moeders praten met hun kind op een bepaalde manier. Dit heet child-directed speech. Hierbij gaat hun stem omhoog en spreken ze dingen anders uit. Ze wijzen dingen aan en benoemen ze. Dit proces moet zich afspelen in de developmental timetable, dit is de gevoelige periode van kindertijd naar puberteit waarin de hersenen het meest vatbaar zijn voor de taalontwikkeling. Volgens de linguistic relativity hypothesis bepaalt onze taal wat we denken. Hierbij kun je kijken naar de uitspraken die verschillen per taal. Veel psychologen zijn het niet eens met deze Linguistic Relativity Hypothesis.

Het tweede deel van het hoofdstuk gaat over denken.

Thought, brain and mind
Het denken omvat verschillende mentale activiteiten. Zo is er het propositional thought, hiermee druk je een propositie of verklaring uit. Bij imaginal thought gaat het om beelden die we zien, horen of voelen in onze geest, maar er in werkelijkheid niet zijn. Motoric thought is de mentale representatie van de motoriek. Bij concepten moet er vaak nog iets gebeuren voordat het iets zinnigs vormt. Als je twee concepten hebt ‘studenten’ en ‘slimme mensen’ moet je hier een zin van kunnen maken. Hierbij gebruik je propositie en krijg je ‘studenten zijn slimme mensen’. Prototypes van bepaalde begrippen zijn de dingen die het eerst naar voren komen als je een woord noemt. Het is een typisch en vaak aanwezig voorbeeld van een concept. Zo komt het begrip stoel sneller naar boven dan piano als er wordt gevraagd naar meubilair.
Er zijn twee vormen van redeneren; deductive reasoning en inductive reasoning. Bij deductive reasoning trek je van een algemeen principe een conclusie. Een voorbeeld hiervan is ‘iedereen die vlees eet is atleet’, ‘John eet vlees’, ‘John is een atleet’. Bij inductive reasoning neem je specifieke informatie en vorm je daar een algemene conclusie uit.

Bij redeneren zijn er verschillende struikelblokken. Er kan afleiding door irrelevante informatie plaatsvinden. Belief bias: de neiging om logische regels te schrappen ten gunste van onze eigen persoonlijke overtuigingen. Framing: dezelfde informatie, probleem, of opties kunnen worden gestructureerd en gepresenteerd op verschillende manieren. Bij het oplossen van problemen moet je eerst framen, daarna generaten, daarna testen en dit ten slotte evalueren.
Er zijn schema’s voor het oplossen van problemen. Mentale blauwdruk voor het selecteren van informatie en het oplossen van specifieke soorten problemen. Heuristics zijn algemene vuistregels of probleemoplossende strategieën. Availability heuristic baseert uitspraken en beslissingen over de beschikbaarheid van informatie in het geheugen. Representative heuristic laat zien hoe goed iets of iemand past bij het prototype van een bepaald concept en daarmee hoe waarschijnlijk het is om een deel van die klasse te zijn. Een voorbeeld hiervan is: Tom heeft een hoge intelligentie, maar geen creativiteit. Hij heeft behoefte aan orde en duidelijkheid. Zijn schrijfstijl is saai en mechanisch. Hij lijkt weinig sympathie te voelen voor andere mensen en houdt niet van interactie. Hij is erg op zichzelf. Is Tom een techniek student, een psychologie student of een medische student. Alle gegeven persoonlijkheden van Tom lijken de richting op te gaan van een techniek student. Waarom en hoe dit komt weet men niet maar mensen worden op een bepaalde manier in een hoek geplaatst, waardoor ze onder een prototype vallen. Hier is sprake van representativeness heuristic.

Bij het oplossen van problemen kan er ook sprake zijn van confirmation bias. Dat betekent dat men eerder op zoek zal gaan naar bewijs wat de uitspraken ondersteunt, dan naar bewijs wat de uitspraken juist tegenspreekt. Daarnaast kan er ook nog sprake zijn van overconfidence. Hierbij overschat men zijn eigen juistheid in feitelijke kennis, geloof en besluiten. Deze twee begrippen zorgen dus voor problemen bij het oplossen van problemen.

Vaak wordt er gebruik gemaakt van Creative Problem Solving. Er is dan een probleem waar nog geen oplossing voor gevonden is. Die oplossing moet helemaal nieuw worden bedacht. Creativity is hierbij erg belangrijk. Creativiteit is de mogelijkheid om iets nieuws en waardenvols te produceren. Je bereikt creativiteit door divergent thinking. Dat betekent het bedenken van nieuwe ideeën die afwijken van de norm. Toch kun je ook tegengehouden worden in je creativiteit. Als er sprake is van functional fixedness zal het je niet lukken om een nieuwe oplossing te bedenken. Dit betekent namelijk dat je zó gefixeerd bent op de eigen functie van een bepaald voorwerp, dat je blind bent voor nieuwe manieren om het voorwerp te gebruiken.

Het vinden van zo’n oplossing gaat in een paar stappen:

  1. Incubation. De hersenen focussen op het probleem nadat ze tijdelijk gestopt waren om zich op het probleem te focussen. Je gaat als het ware het probleem opnieuw bekijken.

  2. Na de periode van incubation, komt er plotseling een oplossing naar boven.

 

Hoorcollege 9: Intelligence

 

Caspar van Lissa, 11 december 2013

De leerdoelen van hoofdstuk 10 zijn als volgt:

  1. Leg de woorden ‘intelligentie’ en ‘IQ’ uit.

  2. Weet het verschil de psychometrische benadering en de cognitieve procesbenadering voor het bestuderen van intelligentie.

  3. Begrijp hoe emotionele intelligentie werkt.

  4. Begrijp de betrouwbaarheid en geldigheid van intelligentietesten.

  5. Weet de invloed van erfelijkheid en omgeving op het IQ.

  6. Begrijp groepsverschillen bij intelligentietests.

Bij intelligentie geldt: ‘whatever you practice, you become good at it.’ Dit wordt geïllustreerd door een verhaal over een krijger. De krijger werd met het boogschieten uitgedaagd door een oud mannetje. Het oude mannetje won, maar niet omdat hij zo goed was in boogschieten. Intelligentietesten van tegenwoordig zouden de beide mannen niet als intelligent beschouwen, maar is dat wel terecht?

Doel 1 – Leg de woorden ‘intelligentie’ en ‘IQ’ uit.

Intelligentie is het vermogen om kennis te verwerven, om na te kunnen denken, effectief te redeneren en adaptief om te gaan met het milieu. Sir Francis Galton bestudeerde stambomen en erfelijke genie. Hiermee toonde hij aan dat binnen bepaalde families meer begaafdheid voorkwam dan in andere. Hij creëerde een belang in het meten van mentale vaardigheden. Galton houdt er echter geen rekening mee dat de intelligentie ook aan de privileges van de families kan liggen. Ook voorspelden zijn tests geen uitkomst. Daarom waren ze in feite nutteloos.

Binet ging daarom onderzoek doen op scholen. Hij vroeg bijvoorbeeld aan de leraren wat voor problemen er voor kwamen in de klas. Kijkend naar de geschiedenis hebben veel onderzoekers intelligentie en IQ onderzocht. Alfred Binet ontwikkelde de eerste opzet van een intelligentietest. Hij maakte gebruik van twee aannamen: (1) mentale vaardigheden ontwikkelen zich tegelijk met de leeftijd, (2) de snelheid waarmee mensen wilsbekwaam worden is een kenmerk van die persoon, dit is vrij consequent. Met mental age wordt de leeftijd waarop een kind presteert op mentale taken bedoeld. IQ (intelligence quotient) is de mentale leeftijd gedeeld door de echte leeftijd keer 100 ((mentale leeftijd/echte leeftijd) x 100). Het gemiddelde IQ is 100. 96% van de mensen heeft een IQ met een afwijking van 30 punten boven/onder van het gemiddelde van 100. 66% van de mensen heeft een IQ met een afwijking van 15 punten boven/onder van het gemiddelde van 100.
Belangrijke vragen bij onderzoeken naar intelligentie zijn vragen als: Is intelligentie een aangeboren geestelijke beperking of een product van onze opvoeding? Wat voor soort hersenprocessen liggen ten grondslag aan mentale vaardigheden? Moeten we intelligentie zien als een enkele aanleg of als veel verschillenden specifieke vaardigheden?

Naast Binet was dokter Stern erg belangrijk. Hij wilde een IQ maken zodat iedereen op basis van intelligentie met elkaar vergeleken kon worden op een bepaalde leeftijd. Stern’s IQ bestond uit mental age / real age x 100. Je moet mensen dus wel op leeftijd vergelijken, anders krijg je een rare uitslag.

Lewis Terman was erg geïnteresseerd in de tests van Binet. Hij vertaalde ze naar de Terman Binet tests. Vragen in zijn test lijken makkelijk, maar werden wel degelijk effectief gebruikt om intelligentie te meten.

David Wechsler vond het niet goed dat intelligentietests zo verbaal waren gericht. Hij was de eerste die non-verbale oefeningen toevoegde. Hij ontwikkelde de WISC voor kinderen ook wilde hij een iets uitdagendere test voor volwassenen. De tests die hij heeft ontwikkeld worden nog steeds het meeste gebruikt om intelligentie te meten.

Doel 2 – Weet het verschil tussen de psychometrische benadering en de cognitieve procesbenadering voor het bestuderen van intelligentie.

Wat is intelligentie nou eigenlijk? Er zijn twee verschillende benaderingen. De psychometric approach (wat is de structuur van intelligentie) en de Cognitive process approach (waarom verschillen we van elkaar).

De psychometrische aanpak probeert de structuur van het intellect in kaart te brengen en probeert de verschillende mentale vaardigheden te ontdekken die ten grondslag liggen van test resultaten. Intelligentie wordt gezien als een construct. Om er dingen over te weten te komen stel je vragen aan de persoon. Toch moet hier een kanttekening bij geplaatst worden. de antwoorden van mensen worden beïnvloed door bijvoorbeeld lawaai. Het is moeilijk dat verschillende concepten intelligentie kunnen meten, en daarom wordt er gebruik gemaakt van factor analysis. Factor analyse is een techniek waarbij een groot aantal maatregelen wordt gereduceerd tot een kleiner aantal clusters of factoren. De verschillende tests correleren met elkaar. Je meet dus verschillende concepten van intelligentie en die pak je samen. Je meet bijvoorbeeld de wiskunde en verbale intelligentie. Dat laat zien hoe belangrijk de factor analyse is.

De g-factor, de kern van intelligentie, werd door Charles Spearman ontdekt. De intellectuele prestaties van een mens wordt mede bepaald door een algemene intelligentie factor (g-factor). Er is dan wel een speciale vaardigheid nodig om een bepaalde taak uit te voeren.
Thurstone’s primary mental abilities stelde voor dat menselijke mentale prestaties afhangt van zeven verschillende capaciteiten: (S) space, (V) verbal comprehension, (W) word fluency, (N) number facility, (P) perceptual speed, (M) memory, en (R) reasoning. Hij wilde juist niet te veel nadruk leggen op het feit dat de testen correleren. De lijst met verschillende soorten intelligenties werd wel steeds langer. Alleen de g-factor is misschien te algemeen, maar het is wel een goede voorspeller van toekomstige school en werkprestaties.
Catell & Horn namen de general intelligence en splitsten die op in twee dingen. Ten eerste heb je crystallized intelligence (Gc). Deze intelligentie gebruik je bij het gebruik van bestaande kennis. Daarnaast heb je fluid intelligence (Gf). Dat is het vermogen om nieuwe problemen op te lossen. Fluid intelligence is het belangrijkste op een jonge leeftijd, en wordt minder belangrijk naarmate je ouder wordt. Bij crystallized intelligence geldt het omgekeerde.

Bij de psychometrische aanpak is er ook sprake van Carrol’s Three-Stratum Model. Hierin worden drie niveaus onderscheiden van mentale vaardigheden in een hiërarchisch model (algemeen, breed, nauw). In de bovenkant van het model (de algemene laag) bevindt zich de g factor, dit omdat deze ten grondslag ligt van de meeste mentale activiteiten. In de middelste laag (de brede laag) liggen de acht intellectuele factoren. In de onderste laag (de nauwe laag) bevinden zich 70 specifiek cognitieve vermogens die worden meegenomen in de bredere factoren van de tweede laag.

De cognitieve proces-aanpak bestudeert de specifieke denkprocessen die aan mentale vaardigheden ten grondslag liggen. Via deze aanpak worden vragen als ‘welke mentale processen zijn betrokken bij de verschillende testen van intelligentie?’ beantwoord.
Sternberg’s Triarchic Theory behandelt zowel psychologische processen die betrokken zijn bij intelligent gedrag en de diverse vormen van intelligentie. Deze theorie verdeelt de cognitieve processen op in drie componenten. Metacomponenten: plannen en regelen gedrag. Performance componenten: het uitvoeren van de strategieën voortgekomen uit de metacomponenten. Knowledge-aquisition componenten: het coderen en opslaan van informatie. Deze theorie zegt ook dat er drie soorten intelligentie zijn. Je hebt analytical intelligence (academisch), practical intelligence (dagelijks leven) en creative intelligence (problemen oplossen). Garder zegt daarom dat je moet kijken naar bredere concepten, waaronder bijvoorbeeld muzikaliteit.

Doel 3 – Begrijp hoe emotionele intelligentie werkt.

Bij emotionele intelligentie heb je het vermogen om emoties waar te nemen. Dat is de eerste stap (perceiving emotions). Bij de tweede stap gaat het er om hoe je emoties gebruikt om gedachten te vergemakkelijken(using emotions to facilitate thought). Bij de derde stap moet je de emoties kunnen begrijpen (understanding emotions). Bij de vierde stap moet je emoties kunnen begrijpen en hanteren (managing emotions).

Doel 4 – Begrijp de betrouwbaarheid en geldigheid van intelligentietesten.

Betrouwbaarheid is de consistentie van een meting. Validiteit heeft te maken met het feit of een test daadwerkelijk meet waar het voor ontworpen is. Standaardisatie is de ontwikkeling van normen en strikt gecontroleerde testprocedures.

Om de betrouwbaarheid te testen kun je verschillende methodes gebruiken. Zo heb je test-hertest hierbij wordt aangenomen dat een meting bij een tweede meting hetzelfde resultaat zal geven. Bij interne consistentie is het van belang dat de consistentie van het meetsysteem binnen de test zelf klopt. Inter-beoordelaars is de consistentie van de meting wanneer verschillende mensen dezelfde gebeurtenissen observeren of test afnemen.

Bij construct validiteit bestaat wanneer een test met succes het psychologische construct meet waarvoor het ontworpen is. Content validiteit verwijst naar de items van een test alle kennis of vaardigheden meet, waarvan verondersteld wordt dat ze ten grondslag liggen aan het onderwerp van interesse. De criterium validiteit verwijst naar het vermogen van de testscores om meningvolle criterium metingen te voorspellen.

Bij standaardisatie spreek je van normen, dit zijn testscores die afkomstig zijn van een grote steekproef, die representatief is voor een bepaalde leeftijdscategorie van de populatie. Als je deze normen verzamelt, vormen deze een normaalverdeling. Dit is een klokvormige curve waarbij de meeste scores rond het centrum van de curve liggen.

Doel 5 – Weet de invloed van erfelijkheid en omgeving op het IQ.

Genetische factoren kunnen invloed hebben op de effecten van de omgeving. Dit gebeurt bij de helft tot twee-derde van de variatie in IQ. Het milieu daarentegen, kan beïnvloeden hoe genen zich uitdrukken. Het milieu heeft invloed van een-derde tot de helft op het IQ. Zowel de gedeelde als de ongedeelde factoren zijn hierbij betrokken. Educatieve ervaringen zijn erg belangrijk voor de vorming van het IQ. The Flynn effect is het effect dat er een stijgende lijn valt te zien bij een groot deel van de wereldbevolking bij de afname van intelligentietests.
De vraag is of je om intelligentie te meten statische testen of dynamische testen moet gebruiken. Bij dynamic testing is er interactie tussen de interviewer en de geïnterviewde. Er wordt feedback gegeven en dat wordt ook gemeten. Als je gebruik maakt van dynamische testen is de omgeving waarin getest wordt wel voor iedereen anders, en dat kan invloed hebben op de uitkomst.

Ook moet er onderscheid gemaakt worden tussen achievement en aptitude. Achievement is alles wat je al weet en hebt bereikt. Maar sommige mensen zijn niet zo bevoordeeld en daardoor kan achievement een slechte indicator zijn voor het vermogen om nieuwe problemen op te lossen. Aptitude gaat over hoe mensen omgaan met nieuwe problemen. Deze factor is een minder goede voorspeller, maar hij is wel eerlijker om te meten. Daarbij zijn intelligentietests ook nog cultuurgebonden. Het is van belang dat er een test wordt gebruikt die zo min mogelijk cultuur bevat.

Doel 6 – Begrijp groepsverschillen bij intelligentietests.

Het laatste doel van het hoofdstuk is om groepsverschillen bij intelligentietests te begrijpen. Hoe komt het dat mannen en vrouwen verschillend scoren op zulke testen. De verschillen zijn klein maar consistent. Dit komt doordat de geslachtshormonen effect hebben op de ontwikkeling van de hersenen. Sociale ervaringen zijn hierbij ook van belang, de man en vrouw gaan anders om met bepaalde situaties. Ook het vertrouwen in onze eigen mogelijkheden verschilt per geslacht.

Stereotype bedreiging is het geloof dat het uitoefenen van bepaald gedrag een negatief stereotype bevestigt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoorcollege 10: Motivation and Emotion

Caspar van Lissa, 13 december 2013

Motivatie
Motivatie is het proces dat de richting, het doorzettingsvermogen en de kracht van doelgericht gedrag beïnvloedt. Motivatie beleef je op een bewust niveau en wordt gevoed door een bewuste wens. Het kan bepalen of we handelen naar verlangens maar het bepaalt niet of we ze ervaren. De vraag is echter, kunnen we wel zelf bepalen wat we willen? Als je honger hebt, is het moeilijk om geen eten te willen. Als je het warm hebt en dorst hebt, kun je het niet helpen dat een je een frisse wind of een koud drankje wilt.

Motivatie wordt aangemoedigd door twee factoren; internal factors en external factors. Interne factoren worden omschreven als aandrijvingen vanuit het lichaam. Externe factoren daarentegen, zijn prikkels van buitenaf.

Homeostase is de staat van het interne psychologische evenwicht wat het lichaam probeert te behouden. Het zorgt het ervoor dat het lichaam zichzelf een aangename temperatuur geeft. Een set point helpt hierbij. Een set point is een vast niveau, dat homeostase behoudt. Hier is een sensorisch mechanisme voor nodig, die de veranderingen in de interne omgeving opmerkt. Er is ook een response mechanisme nodig, die het evenwicht weer kan herstellen. Ook een controlecentrum is nodig, deze ontvangt informatie van sensoren die het responsesysteem later weer activeert.

Het cognitieve proces maakt gebruik van drives die ervoor zorgen dat een organisme in actie komt. Incentives (prikkels) zijn omgevingsprikkels die een organisme richting het doel trekken. Volgens de expectancy x value theorie wordt doelgericht gedrag bepaald door zowel de kracht van iemands verwachting dat bepaald gedrag tot het doel leidt, als door de waarde die iemand aan het doel hecht. De verwachting moet je vermenigvuldigen met incentive value om motivatie te berekenen.

Een voorbeeld hiervan is om te bekijken hoe hoog de motivatie is om te leren voor een examen. De verwachting is in welke mate verwacht je dat hard studeren zal leiden tot het halen van het examen. De waarde is om te kijken hoe belangrijk het is dat je dit examen haalt. Om je motivatie te berekenen moet je de verwachtingen en de waarde tegen elkaar opwegen. Een ander voorbeeld is de motivatie om veilige seks te hebben. De verwachting is in welke mate je verwacht dat het gebruik van condooms je zal beschermen tegen zwangerschap of soa’s. De waarde is om te kijken hoe belangrijk je het vindt om geen soa’s op te lopen of zwanger te worden.

Intrinsieke motivatie is het uitvoeren van een actie voor eigen bestwil. Extrinsieke motivatie is het uitvoeren van een actie om een externe beloning te verkrijgen of om een straf te voorkomen.
Mashlow vond het belangrijkste perspectief van de mens het streven naar persoonlijke groei. Hij maakte een hiërarchie van behoeften. Eerst moet men aan zijn basis fysiologische behoeften voldoen voordat hij zich richt op de volgende behoeften. Het ultieme menselijk motief is zelfactualisatie (de behoefte om onze mogelijkheden zo veel mogelijk te benutten).

Sociale motivatie

Social affiliation is de evolutie theorie dat mensen zijn geëvolueerd tot hogere sociale wezens. Er zijn vier basis redenen voor aansluiting. Je moet positieve aansluiting hebben, je moet emotionele steun krijgen, je moet aandacht krijgen en je moet sociale vergelijkingen kunnen maken. Sociale vergelijking is het vergelijken van je gedachtes, gevoelens en gedrag met dat van andere mensen.

Er zijn twee soorten sociale vergelijking:

  1. Upward social comparison. Dit komt voor wanneer individuen zichzelf vergelijken met anderen die sociaal gezien boven hen staan. Door zichzelf met anderen de vergelijken, willen ze het zelfbeeld positiever maken. In dit type vergelijking willen mensen geloven dat ze een onderdeel zijn van de elite. Ze vergelijken zichzelf met een hogere groep en zien de overeenkomsten als een bewijs dat ze inderdaad onderdeel zijn van een elite.

  2. Downward social comparison. Dit gaat precies andersom. Mensen vergelijken zich met anderen die meer problemen hebben dan henzelf. Daardoor gaan ze zich zelf beter voelen. Deze mentaliteit wordt ook wel de ‘het kan altijd erger’-mentaliteit genoemd.

Prestatie motivatie

Need for achievement is een positieve drang om een taak succesvol te vervullen en succesvol te concurreren met normen van uitmuntendheid. High-need achievers zijn mensen die hoge prestaties hebben en een lage angst hebben om te falen. Bij de achievement-goal theory is succes gedefinieerd door zowel individuele situaties als prestaties in de situatie zelf. Bij mastery orientation focus je je op persoonlijke verbetering waar je je bij ego orientation richt op het beter presteren dan anderen met weinig inspanning.

Motivatie conflict

Approach-approach conflict komt voor wanneer twee aantrekkelijke mogelijkheden zich voordoen en je moet kiezen. Het avoidance-avoidance conflict komt voor wanneer we moeten kiezen tussen twee onaantrekkelijke mogelijkheden. Bij approach-avoidance conflict ben je aangetrokken en afgestoten tot hetzelfde doel.

Emotie

Emotie is een gevoelstoestand die een patroon bevat van cognitieve, fysiologische en gedragsmatige reacties op gebeurtenissen. Emoties helpen bij belangrijke adaptieve functies. Zo verhoogt het de overlevingskansen. Het helpt ons bij het vormen van intieme relaties en het verbreden van ons denken en gedrag. Emotie is een belangrijke vorm van sociale communicatie.

Uitlokkende stimuli lokken cognitieve beoordelingen en reacties uit. Deze kunnen zowel intern als extern zijn. Aangeboren factoren helpen bij het bepalen welke prikkels het meest waarschijnlijk emoties op wekken. Cognitieve beoordelingen zijn de interpretaties en betekenissen die we verbinden aan sensorische stimuli. Dit kan onbewust of bewust zijn. Schattingen hebben invloed op de manier waarop we onze emoties uiten en hoe we handelen. Het legt uit waarom verschillende mensen verschillende emotionele reacties kunnen hebben bij eenzelfde situatie.

Fight-or-flight response is de opwinding die bij een mens ontstaat in een bange situatie. Deze reactie komt voort uit de sympathische tak van het autonome zenuwstelsel en door hormonen uit het endocriene systeem. Het sympathische zenuwstelsel stimuleert organen en spieren. Het endocriene systeem pompt stresshormonen in de bloedbaan.
Expressief gedrag is de observeerbare emotionele uitstraling van een persoon (dit kan het product zijn van evolutie). Het gezicht, de stem en het postuur zijn non-verbale kanalen van expressie.
Emotionele reacties leiden vaak tot een bepaalde actie. Je moet reageren op de situatie waardoor die emotie is veroorzaakt. Instrumentele gedragingen worden aangestuurd om een bepaald emotierelevant doel te behandelen.

Bij de facial feedback-hypothesis speelt feedback van de spieren in het gezicht naar het brein een grote rol in het bepalen van de aard en intensiteit die we ervaren. De cognitive-affective theory onderzoekt hoe cognities en fysiologische reacties van invloed zijn op elkaar. Bij de two-factor theory of emotion vertelt de intensiteit van fysiologische opwinding ons hoe sterk we iets voelen. Signalen geven ons informatie die we nodig hebben om de opwinding te benoemen en onszelf te vertellen wat we voelen.

Subjective well-being is de emotionele reactie en de mate van tevredenheid over verschillende aspecten van hun leven.

 

 

 

 

 

 

 

Hoorcollege 11: Physical and Cognitive Development

Caspar van Lissa, 18 december 2013

Dit college gaat over hoofdstuk 12 en 13 van het boek.

Belangrijke kwesties en methoden

Ontwikkelingspsychologie onderzoekt biologische, fysische, psychische en gedragsmatige veranderingen die zich voordoen als we ouder worden. Vier grote vraagstukken hierin zijn nature – nurture, kritieke – sensitieve perioden, continuïteit – discontinuïteit en stabiliteit – verandering. Bij nature vs. nurture wordt er gekeken in welke mate onze ontwikkeling toe te schrijven is aan erfelijkheid en omgeving. De kritieke periode is de leeftijd waarin bepaalde dingen ervaren/geleerd moeten worden om te zorgen voor een normale ontwikkeling, de sensitieve periode is een optimale leeftijdsperiode voor bepaalde ervaringen. Bij continuïteit vs. discontinuïteit wordt gekeken of de groei continu en geleidelijk gaat. Bij stabiliteit vs. verandering wordt gekeken naar hoe en of het gedrag van de mens verandert naarmate we ouder worden.

Er zijn verschillende methoden om dit te onderzoeken. Aan de hand van cross-sectioneel design vergelijk je mensen van verschillende leeftijden op hetzelfde moment. Het nadeel hiervan is dat deze mensen allemaal in een verschillend tijdperk zijn opgegroeid en daardoor verschillend in het leven staan. Bij longitudinaal design test men het cohort verschillende keren om het probleem wat zich voordoet bij cross-sectioneel design te voorkomen. Deze manier van onderzoeken duurt daardoor wel tientallen jaren en de groep krimpt. Om ook dit probleem te voorkomen is er de methode sequentieel design waarbij de andere twee methoden worden gecombineerd, je test mensen van verschillende leeftijden elke tien jaar opnieuw. Zo weet je dat ze hetzelfde ontwikkelingspatroon hebben gevolgd. Dit design duurt het langst en kost de meeste moeite.

Prenatale ontwikkeling

De prenatale ontwikkeling bestaat uit drie fases. De kiemfase, embryonale fase en de foetus fase. De kiemfase vindt plaats tijdens de eerste twee weken van de ontwikkeling. Het begint met een zaadcel die een eicel bevrucht, een bevrucht eitje heet een zygote. Een zygote bestaat uit 23 paar chromosomen. Vader en moeder leveren elk een chromosoom aan een chromosoompaar. Het 23e chromosoompaar bepaalt het geslacht van de baby, de vader geeft een X of een Y chromosoom. Als dit chromosoom een X chromosoom is is het een meisje (XX), met een Y chromosoom een jongen (XY). Na deze twee weken is de embryonale fase. De celmassa heet nu een embryo. Na negen weken spreek je van de foetale fase. Deze loopt tot aan het eind van de zwangerschap.

Teratogenen zijn externe stoffen die zorgen voor abnormale prenatale ontwikkeling. Voorbeelden hiervan zijn rubella (Duitse mazelen), omgevings-gifstoffen en drugs. Hieronder valt nicotine en alcohol. Nicotine vergroot de kans op een miskraam, vroege geboorte en een laag geboortegewicht. Alcohol kan leiden tot foetale alcohol syndroom. Kinderen met dit syndroom hebben afwijkingen aan het gezicht en kleine, misvormde hersenen.

Baby
Een pasgeboren baby is erg bijziend. Uit onderzoeken is gebleken dat de voorkeur van een baby uitgaat naar het gezicht van de moeder. Ook ziet het liever complexe patronen dan een simpel patroon of een kleur. Baby’s hebben een redelijk goed ontwikkeld gevoel voor smaak. Ze reageren op aanraking en kunnen verschillende geuren onderscheiden. Ze geven de voorkeur aan de menselijke stem boven andere geluiden. Ze kunnen de stem van hun moeder onderscheiden van de stem van vreemden.

Baby’s hebben reflexen; automatische, aangeboren gedragingen die gebeuren in reactie op een specifieke stimulus. Zo heb je rooting reflex (zoekende reflex) die zorgt ervoor dat een baby zijn hoofd beweegt zodra het wordt aangeraakt in het gezichtje. Het kijkt de richting op waar het aaien vandaan komt. Een ander reflex is het zuigreflex, zodra iets in de mond van de baby komt gaat het hierop zuigen.

Fysieke ontwikkeling

Maturatie is het genetisch geprogrammeerde biologische proces dat onze groei betreft. Zo is het al ingeprogrammeerd rond welke leeftijd baby’s beginnen te kruipen, zitten, staan lopen enz.
De lichamelijke ontwikkeling van een baby hangt samen met de hersenontwikkeling. Neuronen worden geïsoleerd in de hersenen, synapsen worden gevormd, onnodige worden verwijderd, cerebrale meisferen worden gespecialiseerd. Dit gaat door tot in de adolescentie. Er zijn drie basisprincipes in menselijke ontwikkeling. Biologie stelt grenzen aan de omgevingsinvloeden. Milieu-invloeden kunnen krachtig zijn. Biologische en ecologische omgevingsfactoren werken op elkaar in.

Cognitieve ontwikkeling

Volgens Piaget’s stage model verandert de denkwijze van kinderen naarmate ze ouder worden. De interactie tussen biologische rijping van de hersenen en persoonlijke ervaringen zorgen hiervoor. Het brein heeft schema’s ontwikkeld, dit zijn georganiseerde patronen van gedachten en acties. Assimilatie is het proces waarbij nieuwe ervaring opgenomen worden in bestaande schema’s. accommodatie is het proces waarbij nieuwe ervaringen ervoor zorgen dat bestaande schema’s veranderen. Deze onbalans tussen de schema’s en nieuwe ervaringen dwingt de schema’s om te veranderen. Als er sprake is van een disequilibrium is er een onbalans tussen de bestaande schema’s en nieuwe ervaringen.

In het sensorimotorische stadium begrijpen zuigelingen hun wereld door sensorische ervaringen en fysieke interacties met objecten. Dit stadium is van de geboorte tot 2 jaar. Object permanentie is het begrijpen dat een object blijft bestaan ook al zie je het niet meer. In de pre-operationele fase ziet het kind de wereld symbolisch: plaatjes en woorden. Ze hebben nog geen begrip van de fundamentele geestelijke regels. Dit stadium vindt plaats van 2 tot 7 jaar. Ze zijn erg egocentrisch, ze hebben moeite om naar de wereld te kijken vanuit iemand anders perspectief. Conservatie is het principe dat algemene eigenschappen van objecten gelijk blijven ook al gaat het er anders uitzien.

De concrete operationele fase is van de leeftijd 7 tot 12 jaar. Hierin kunnen kinderen algemene mentale operaties uitvoeren om problemen op te lossen. Ze snappen nu het concept van omkeerbaarheid en kunnen conversatie problemen oplossen.
In de formele operationele fase (begint rond 12 jaar) kan iemand logisch en abstract nadenken. Ze kunnen een hypothese vormen en deze testen.
De zone van proximale ontwikkeling (Vygotsky) is het verschil tussen wat een kind onafhankelijk kan doen en wat het kind kan doen met hulp van een volwassene.
Theory of Mind zijn opvatting over de ‘geest’ en de mogelijkheid om andere mensmentale toestanden te begrijpen. Dit begint zich te ontwikkelen rond de leeftijd van 3-4 jaar.
Door de puberteit groeien de hersenen langzamer. De neurale netwerken worden gestroomlijnd.

In de puberteit gaan allerlei organen zich ontwikkelen. Primary sex characteristics en secondary sex characteristisc komen op. Primary sex characteristics zijn seksorganen die te maken hebben met de voorplanting. Secondary sex characteristics zijn sexorganen die niks te maken hebben met voortplanting. Dit zijn uiterlijke kenmerken.

Richting de volwassenheid ontwikkelt het brein zich natuurlijk ook. De neurale netwerken worden gestroomlijnd, vooral in de prefrontale cortex en het limbische systeem. In de puberteit gaat de ontwikkeling van de hersenen soms heel snel, en soms ligt de ontwikkeling ook even stil.

 

Sociaal-emotionele ontwikkeling

De pasgeboren baby heeft al een weergave van basisemoties. Rond de leeftijd van 2 jaar laten ze al trots, schaamte en schuld zien. De emotionele vordering is het proces van de evaluatie en wijziging van emotionele reacties.

Temperament is een biologisch aangestuurde manier van gedragsmatig en emotioneel reageren op de omgeving. Erikson’s psychosocial theory geloofde dat persoonlijkheid gevormd wordt doordat men acht belangrijke psychosociale stadia doorloopt. Het basisvertrouwen vs. wantrouwen, autonomie vs., schaamte en twijfel, initiatief vs. schuld, ijver vs. onvolwaardigheid. De zoektocht naar je identiteit is volgens Erikson het belangrijkste tijdens de volwassenheid. Identiteit diffusie heb je wanneer je alles nog niet hebt samengebracht tot een geheel van waarden. Foreclosure ben je toegewijd aan een identiteit en een set van waarden voor het ervaren van een crisis. Moratorium is wanneer je in een identiteitscrisis zit. Bij identiteit prestatie is de identiteitscrisis opgelost.

De gehechtheidtheorie gaat ervan uit dat een kind zich in de kritieke periode aan iemand hecht. Imprinting is een plotselinge, biologisch bepaalde vorm van gehechtheid. Gehechtheid is een sterke emotionele band die ontstaat tussen kinderen en hun primaire verzorgers. Mensen tonen niet meteen imprinting naar een verzorger. Er is daarom ook geen kritieke periode na de geboorte die is vereist voor de hechting. Harry Harlow testte dit door baby resusaapjes vlak na de geboorte van hun biologische moeder te scheiden. Vervolgens werden ze in een kooi gezet met twee kunst moeders. Een van draad en een van stof, de ‘moeder’ met draad had eten. Bij een enge situatie verkozen de aapjes de moeder van stof om dekking bij te zoeken. Hierdoor werd aangetoond dat contact comfort belangrijker is voor hechting dan voedsel. John Bowlby stelde dat hechting in drie fases gebeurde: willekeurig hechtgedrag, discriminerend hechtgedrag en specifiek hechtgedrag.

Wanneer kinderen zijn gehecht aan iemand komen er twee types angst voor. Stranger anxiety is de stress door contact met onbekende mensen, kinderen van ongeveer 7 maanden oud vinden het eng om vastgehouden te worden door andere mensen dan de vader of moeder. Seperation anxiety is stress door scheiding van primaire verzorger, kinderen van 12 maanden vinden het eng om niet in de buurt te zijn van hun ouders
Er zijn verschillende soorten hechting: veilige hechting, angst-bestendig hechting, bang als er een vreemde is maar moeder in de buurt is, de kindjes willen aandacht van de moeder en raken in paniek als de moeder vertrekt ze kunnen niet worden gekalmeerd en worden boos als moeder terugkomt om te proberen te troosten, en angstig-vermijdende gehechtheid, deze kindjes raken niet in paniek als er een vreemde is, ook niet als de moeder de ruimte verlaat.
Een filmpje laat zien hoe een kind in een ruimte met haar moeder zit te spelen. Er komt een vreemd persoon binnen en die probeert met het kind te spelen, terwijl dit gebeurt verlaat de moeder de ruimte. Het kindje raakt in paniek en de vreemde probeert het kind te troosten, dit lukt niet. Zodra de moeder de kamer weer in komt wordt het kindje ook rustig. Dit laat zien dat dit kind een veilige hechting heeft met de moeder.

Er zijn vier vormen van ouderschap autoritatieve ouders, autoritaire ouders, permissieve ouders (deze ouders hebben geen regels, houden geen toezicht en de kinderen zijn erg op zichzelf gesteld, er zijn geen consequenties voor slecht gedrag), verwaarlozende ouders (kinderen met zulke ouders zijn niet veilig gehecht). Deze vormen van opvoeden kunnen gebonden zijn aan warmte of vijandigheid in de opvoeding.

Pre-conventioneel moreel redeneren is gebaseerd op verwachte straffen of beloningen. Conventioneel moreel redeneren is gebaseerd op overeenstemmingen met sociale verwachtingen, wetten en verplichtingen. Post-conventioneel moreel redeneren is gebaseerd op doordachte, algemene morele principes.

 

 

 

Hoorcollege 12: Sociaal denken en gedrag

Caspar van Lissa, 20 december 2013

Zimbardo’s Stanford prison experiment

In dit college begonnen we met het bekijken van het Zimbardo’s Stanford prison experiment. In dit experiment werden studenten willekeurig opgedeeld in twee groepen: bewakers en gevangenen. Hierbij werd gekeken hoe de mensen omgingen met macht en hoe ze omgingen met hun minderheidspositie. Bewakers werden voor de gek gehouden door de mensen die het experiment uitvoerden. Ze dachten dat ze bijvoorbeeld een schok moesten geven aan de gevangenen, maar deze zijn waren in scene gezet. Ook de gevangenen werden voor de gek gehouden. Gevangenen gingen stress vertonen en dachten zo uit de gevangenis te komen. Het experiment moest na een aantal dagen al worden stopgezet omdat het onderzoek te extreem werd.

Normen
Sociale normen zijn gedeelde verwachtingen over hoe mensen zouden moeten denken, voelen en zich moeten gedragen. Deze zijn vaak impliciet en onuitgesproken. Ze regelen het dagelijks gedrag zonder dat we hier bewust van zijn. De sociale rol is een set van normen die kenmerkend is voor hoe mensen in een bepaalde maatschappelijke positie zich horen te gedragen. Bij rol conflict is er een conflict dat optreedt wanneer de normen bij verschillende rollen met elkaar botsen.

Attributies
Attributie is het oordelen over de oorzaken van ons eigen gedrag en dat van anderen en de resultaten daarvan. Persoonlijke (interne) bevoegdheden is het concluderen dat de mensen de karakteristieken van hun gedrag veroorzaken. Situationeel (externe) bevoegdheden is het concluderen dat de aspecten van de situatie een gedrag veroorzaken. Een fundamentele attributiefout is dat we de invloed van de situatie onderschatten en de rol van de persoonlijke factoren overschatten wanneer we iemands gedrag uitleggen. We maken dan een self-serving bias, dat is de neiging om persoonlijke attributies te maken voor succes en situationele attributies voor mislukkingen.

Houding
Gedrag beïnvloedt onze houding. Cognitive dissonance is het principe waarin mensen streven voor consistentie in hun cognities. Dit ontstaat wanneer twee of meer cognities elkaar tegenspreken. Bij counterattitudinale behaviour is het gedrag van een persoon inconsistent met de houding. Mensen zijn gemotiveerd om onenigheid te verminderen door een cognitie te veranderen of een nieuwe toe te voegen. Een voorbeeld hiervan is het meedoen aan een experiment waar je een saaie taak moet uitvoeren een uur lang. Nadat je dit hebt gedaan moet je een verhaaltje schrijven voor de volgende deelnemers en daarin uitleggen hoe interessant het onderzoek was. Er is gevraagd om een positief verhaal te schrijven waar je 1 euro voor krijgt. De andere helft krijgt 20 euro. Uit onderzoek blijkt dat de verhaaltjes van mensen die 1 euro kregen beter waren dan de mensen die 20 euro kregen. Dit omdat de mensen die 20 euro kregen een nieuwe cognitie hadden aangemaakt: ‘wie zou er niet liegen voor 20 euro’.

Groepsgedrag
Groep polarisatie is wanneer een groep gelijkgestemde mensen een probleem bespreekt maar de ‘gemiddelde’ mening van de leden van de groep steeds meer de neiging heeft om extreem te denken. Groepsdenken is de neiging van groepsleden om kritisch denken te schorsen omdat ze streven naar een akkoord. Symptomen hiervan zijn directe druk die wordt uitgeoefend op mensen die aan het twijfelen zijn. Leden behouden hun twijfels doordat ze niks durven te zeggen. Deïndividuatie is het verlies van een individualiteit die leidt tot ongeremd gedrag.

Overeenstemming
Overeenstemming is de aanpassing van individueel gedrag, attitudes en overtuigingen aan een groep. Een filmpje hierbij laat zien hoe mensen zich gedragen in een groep. Ze zitten in een ruimte waar na een tijdje rook onder de deur vandaan komt. De persoon die alleen in de ruimte zit staat direct op en verlaat de ruimte. De persoon die er met een grote groep zit (acteurs) blijft zitten omdat de andere mensen ook niets doen. Ze kijkt rond om te kijken of de anderen reageren maar zolang die dat niet doen blijft ook zij zitten. Uiteindelijk is deze persoon 20 minuten blijven zitten. De grote van de groep beïnvloedt dus de reactie van personen.

 

 

 

Hoorcollege 13: Persoonlijkheid

 

Caspar van Lissa, 8 januari 2014

Persoonlijkheid is de kenmerkende en relatief duurzame manier van denken, voelen en handelen van een persoon op bepaalde situaties. Dit heeft vaak drie kenmerken; onderscheidend gedrag, interne verklaringen voor het gedrag en gestructureerde gedragingen. Zo hebben extraverte mensen een speciaal kenmerk wat zich afscheid van verlegen mensen.

Psychodynamisch perspectief

Freud deelde persoonlijkheid op in drie structuren. Deze structuren staan met elkaar in verbinding en verbeelden daarom de persoonlijkheid. Zo heb je id, ego en superego. Id staat voor de binnenste kern van de persoonlijkheid, deze zoekt onmiddellijk vrijlating en wordt daarom ook wel de dierlijke aandrijving genoemd. Het ego heeft direct contact met de realiteit en functioneert op een totaal irrationele manier. Het ego ontwikkelt zich nog tot 3 of 4 jaar. Het superego, wat zich nog tot 4 à5 jaar kan ontwikkelen, is het morele deel van de persoonlijkheidsstructuur, deze bevat de traditionele normen en waarden van de maatschappij. Deze structuur zorgt ervoor dat de id en ego in balans komen.

Je hebt drie stadia in de persoonlijkheid. Eerst heb je de oral stage. Daar gaan baby’s zuigen op dingen. Daarna komt de anal stage. De laatste stage is de thriving stage. In deze fase gaan mensen zich richten op seksuele behoeftes. Volgens Freud kun je ook vast komen te zitten in één van de stadia. Dat heet fixation.

Carl Jung heeft ook onderzoek gedaan naar de theorie van Freud. Hij vond dat Freud teveel nadruk legde op seks. Hij wilde dat dus wat verminderen. Volgens hem heeft de mensheid naast een individueel ook een collectief onbewustzijn gecreëerd. Symbolism en dreams geven ons toegang tot dat onbewustzijn. Hij sprak meer van de object relations theory: ‘thrives’ zijn niet aangeboren, maar gebaseerd op vroege ervaringen. Een voorbeeld van zo’n ‘thrive’ is het verlangen naar een vaderfiguur.

Psychodynamische theorieën zijn heel moeilijk te testen. De resultaten zijn alleen gebaseerd op wat de therapeuten zeggen, en die zullen natuurlijk zeggen dat er sprake is van een effect. Het is echter zo dat iedere soort therapie minimaal een klein effect heeft. Alles werkt wel een beetje. De enige therapie die een negatief effect had, was de psychoanalytische therapie. Deze therapie hield in dat de cliënten iedere week drie uur lang over hun traumatische ervaringen uit hun kindertijd moesten praten. Ze werden daar echter alleen maar meer depressief van.

Aanhangers van het psychodynamisch perspectief willen het liefst persoonlijkheid meten, dat heet personality assessment. Dat is echter niet mogelijk, persoonlijkheid is geen meetbaar begrip.

Humanistisch perspectief

Fenomenologie is de nadruk op de voorrang van onmiddellijke ervaringen. Het richt de aandacht op de tegenwoordige plaats in het verleden. Humanisten omarmden over het algemeen een positief mensbeeld. Het benadrukt het individuele creatieve potentieel en het aangeboren streven naar groei.

George Kelly vond dat persoonlijke constructen cognitieve categorieën zijn waarin we mensen en gebeurtenissen in ons leven in verdelen. Rol construct repertory test is ontwikkeld door Kelly om persoonlijke construct systemen van mensen te beoordelen. De fixed role therapy is een techniek waarbij mensen werd gevraagd om een rol te spelen die van hun eigen zelf-perceptie afweek.

Carl Rogers geloofde dat onze natuurlijke krachten ons direct zal leiden in de richting van zelfactualisatie; de hoogste realisatie van menselijke mogelijkheden. Het zelf is een georganiseerde, consistente reeks van percepties en overtuigingen over onszelf. De zelf heeft twee aspecten: het is een object van perceptie (zelf-concept) en een intern geheel dat gedrag stuurt.

Zelf-consistentie is een afwezigheid van conflicten over zelf-percepties. Congruentie is de samenhang tussen het zelfbeeld en ervaringen. Volgens de humanisten hebben mensen behoefte aan positieve aandacht. Dit is de acceptatie, sympathie en liefde van anderen. Ook is het belangrijk dat mensen positief eigenbelang hebben. Dit is het verlangen om je goed te voelen over jezelf. Voorwaarden voor waarde zijn de omstandigheden waarin we onszelf goedkeuren, dit doet zich voor als mensen niet genoeg liefde hebben gehad van hun ouders in het verleden. Dit kan leiden tot incongruentie tussen het zelf en ervaringen in het leven. Ook kan het de behoefte bevorderen om belangrijke aspecten van je ervaringen te ontkennen of vervalsen. Zelfverificatie gaat over de behoeften die mensen hebben om zichzelf positief te waarderen. Zelfverheffing is een sterke en doordringende neiging om een positief zelfbeeld te krijgen en te behouden.

Een fully functioning person is een persoon die dichtbij is bij het bereiken van zelfactualisatie. Het gevoel van eigenwaarde, hoe positief of negatief iemand zichzelf ziet, speelt hierbij een grote rol.

Onvoorwaardelijke positieve aandacht geeft blijk dat de persoon van nature de liefde waard is, onafhankelijk van prestaties en gedrag. Empathie is het communiceren van en begrijpen van andermans gevoelens.

Het humanistische perspectief is het perspectief wat tegenwoordig de meeste aanhangers heeft.

Karaktertrekken

The Trait Perspective is heel populair in Nederland. Karaktertrekken zijn relatief stabiele, cognitieve, emotionele en gedragsmatige kenmerken van mensen die helpen bij het vaststellen van hun individuele identiteit en ze onderscheidt van anderen. Doelstellingen van de trait theoretici is om klassen van gedrag te beschrijven en persoonlijkheid te definiëren, om individuele verschillen in persoonlijkheid te meten en om maatregelen te gebruiken om gedrag te begrijpen en te voorspellen.

Een groot verschil tussen karaktertrekken van mensen is de introverte mens en de extraverte mens. Een introvert persoon is erg op zichzelf gesteld, houdt van individuele activiteiten en gaat niet naar feestjes. Een extravert persoon is spontaan en spraakzaam, wilt veel vrienden, houdt van feestjes, houdt niet van individuele activiteiten en domineert sociale situaties. Een kleine studie met introverte mensen en extraverte mensen en citroensap laat zien dat introverte mensen meer zuur proeven dan de extraverte mensen. De introverte mensen moesten meer kwijlen wat duidt op het feit dat zijn meer geprikkeld werden dan de extraverte mensen door dezelfde situatie.

Belangrijk hierbij is factor analysis. Het five factor model stelt dat vijf hogere-orde factoren alles zijn wat we nodig hebben om de basisstructuur van de persoonlijkheid te vormen. Openheid voor ervaringen, zorgvuldigheid, extraversie, vriendelijkheid en neurocitisme zijn deze vijf factoren. Deze factoren staan ook wel bekend als ‘The Big Five’.

Er zijn verschillende factoren die de situationele consistentie verminderen. Zo staan persoonlijkheidskenmerken in interactie met andere kenmerken maar ook met kenmerken van andere situaties. De situationele consistentie wordt ook verminderd door de invloed van het belang van een eigenschap van een persoon. Verschillen in de neiging om te gedragen in een bepaalde situatie; hierbij speelt self-monitoring een rol. Dit zijn mensen die aandacht besteden aan situationele signalen en hun gedrag daaraan aanpassen zoals zij denken dat dat het meest geschikt is.

Een interessante ontwikkeling van de laatste tijd is dat je persoonlijkheid via Facebook geïndiceerd kan worden. Welke pagina’s je liket, is bepalend voor je karaktertrekken. Op grond van deze gegevens wordt dan een conclusie getrokken over je persoonlijkheid.

Biologische grondslagen

Genetica en persoonlijkheid zijn van groot belang om te kijken hoe de mens wordt gevormd. Om te kijken hoe dit precies werkt worden meestal studies gedaan met tweelingen. Deze tweelingen groeien op in dezelfde omgeving en hebben dezelfde genen maar toch komt het vaak voor dat het totaal verschillende mensen zijn. Identieke tweelingen lijken meer op elkaar dan twee-eiige tweelingen op het gebied van psychologische karakteristieken. Aan wat is het verschil bij identieke tweelingen dan toe te schrijven? Het is toe te schrijven aan genetische factoren en andere factoren zoals unieke ervaringen. Deze ervaringen vormen de mens en kunnen dus een heel ander beeld geven van iemand. Het is niet toe te schrijven aan de gedeelde factoren en de familieomgeving aangezien deze factoren en de familie hetzelfde zijn.

Temperament zijn de individuele verschillen in emotionele en gedragsmatige stijlen. Deze gedragsmatige stijlen verschijnen zo vroeg in het leven dat ze worden toegewezen een biologische basis te hebben. Temperament is de emotionaliteit, de activiteit, de gezelligheid en de impulsiviteit van een mens. Het temperament is een biologische bouwsteen die de latere ontwikkeling van de persoonlijkheid beïnvloedt.

Eysenk’s model is een model met veel verschillende karaktertrekken die geordend staan van stabiel, onstabiel, introvert en extravert. Hierin kun je kijken naar de karaktertrekken die je hebt en zo bekijken wat voor type persoonlijkheid je hebt.

Sociaal cognitieve theorieën

Sociaal-cognitieve theorieën combineren de gedragsmatige en cognitieve perspectieven tot een benadering van de persoonlijkheid. Dit wijst op de interactie van een denkend mens met een sociale omgeving die een leerervaring biedt.

Wederkerig determinisme wordt beïnvloed door de omgeving, de persoon en het gedrag van de mens, deze drie factoren staan met elkaar in verbinding. De omgeving is een prikkel van sociale of fysieke factoren. De persoonlijke factor wordt beïnvloed door karaktertrekken, het cognitieve proces en zelfregulerende vaardigheden. De gedragsfactor wordt beïnvloed door het type gedrag, de intensiteit van gedrag en de frequentie van gedrag.

Julian Rotter vond dat de kans dat we deelnemen aan een bepaald gedrag in een bepaalde situatie wordt beïnvloed door twee factoren, expectancy en reinforcement value. Onze perceptie van hoe waarschijnlijk het is dat bepaalde gevolgen zullen plaatsvinden wordt ook wel onze verwachting (expectancy) genoemd. Hoeveel we verlangen of vrezen dat het resultaat die we verwachten komt door het gedrag dat we produceren is de reinforcement value. Ook ontwikkelde Rotter het locus of control concept. Dit is een algemene verwachting over de mate van persoonlijke controle die we hebben in ons leven. Er is een interne en een externe locus of control. Een interne locus of control houdt in dat mensen geloven dat levensuitkomsten onder persoonlijke controle staan en afhankelijk zijn van persoonlijk gedrag. De externe locus of control houdt in dat mensen geloven dat hun lot weinig te maken heeft met hun eigen inspanningen maar meer met de invloed van externe factoren.

Een belangrijke factor van hoe mensen hun leven regelen is self-efficacy volgen Albert Bandura. Hierbij is het geloof van een persoon in hun vermogen om gedrag uit te voeren dat nodig is om de gewenste uitkomst te krijgen.

Zelf-effectiviteit wordt door vier factoren gevormd. Performance experiences, het voorgaande succes en nederlagen op bepaalde gebieden vormen zelf-effectiviteit. Observational learning, de observatie van het gedrag en de consequenties ervan van gelijksoortige situaties. Verbal persuassion, de aanmoedigende of ontmoedigende berichten die iemand krijgt van anderen. Emotional arousal, een prikkeling die kan worden geïnterpreteerd als enthousiasme of angst.

Een Cognitive-Affective Personality System (CAPS) is een georganiseerd system van vijf variabelen die altijd met elkaar en de omgeving integreren. Deze vijf variabelen zijn coderingsstrategieën, verwachtingen en overtuigingen, doelen en waarden, invloeden en competenties en zelfregulerende processen.

Concluderend focussen alle theorieën zich teveel op verschillen tussen mensen. Er zou juist meer gekeken moeten worden naar het collectief.

 

Hoorcollege 14: Health Psychology; Adjusting to Life

 

Caspar van Lissa, 10 januari 2014

 

Dit hoorcollege gaat over hoofdstuk 16 van het boek.

Stress en welzijn

Er zijn verschillende manieren om naar stress te kijken. Je kunt het zien als demands, of als een mental respons. Een demand kan bijvoorbeeld zijn dat je nog een paper moet schrijven. Stress als mental respons houdt in dat het te maken heeft met cognitieve, fysiologische, emotionele en gedragscomponenten. Als je stress wil conceptualiseren, kun je beter kijken naar de interactie tussen de verschillende demands en de mental respons erop.

Stress kan ook positief zijn. Als er een tijger aankomt, heb je stress nodig om je lichaam aan te geven dat je weg moet rennen. Dit heet een fight or flight response. Je hebt verschillende soorten stresssituaties. Een voorbeeld zijn microstressors. Dit zijn kleine dingen die het bloed onder je nagels vandaan halen. Iedereen heeft er last van. Een cumulatie van microstressors kan meer schadelijk zijn voor je gezondheid dan grote catastrofale dingen die gebeuren.
Factoren die de stress beïnvloeden zijn: intensity, duration, predictability, controllability, en chronicity.

Er zijn verschillende manieren om om te gaan met stress. Er kan sprake zijn van cognitive appraisal, en daar zijn dan ook effecten van te vinden. Die effecten zijn bijvoorbeeld zorg, jezelf hopeloos voelen en het ergste verwachten. Er zijn drie stadia. Het eerste stadium is alarm reaction, het tweede resistance en het laatste stadium exhaustion. Bij exhaustion is de stress heel ver gekomen en dan wordt het “serious business”.

Reacties op stressoren en de persoon-situatie interactie zijn ook van belang. Stress is een patroon van cognitieve beoordelingen, fysiologische reacties and gedragsmatige neigingen die optreden als reactie op een waargenomen gebrek aan evenwicht tussen situationele eisen en middelen die nodig zijn om ermee om te gaan. Alleen negatieve gebeurtenissen in het leven veroorzaken gezondheid –en gedragsproblemen. De stressrespons heeft cognitieve, fysiologische en gedragscomponenten. Stress kan het verouderingsproces versnellen. Telomeres verkorten met herhaaldelijke celdeling. Telomerase is een enzym dat telomeres helpt tegen te gaan. Chronische stress is schadelijk voor de telomeren en verlaagt het telomerase niveau. Stress kan de werking van het immuunsysteem verzwakken. Effecten zijn afhankelijk van de aard van de stressor en de specifieke immuun functies van het lichaam. Natuurlijke immuniteit ontstaat snel en is relatief niet specifiek in de natuur. Specifieke immuniteit is een meer gericht proces en het duurt langer. Kwetsbaarheidfactoren verhogen de vatbaarheid van mensen voor stressvolle gebeurtenissen. Dit zijn weinig sociale steun, neigingen om angstig of pessimistisch te worden, veel negatieve gevoelens en andere factoren die de weerstand tegen stress verlagen. Beschermende factoren zijn factoren uit de omgeving of persoonlijke middelen die mensen helpen om te gaan met stressvolle gebeurtenissen.

Er zijn ook relaties tussen stress en gezondheid. Stress kan de gezondheid verslechteren. Maar dat verschilt wel persoon. Dit heeft te maken met de hoeveelheid cortisol die je hebt. Iets wat stress juist vermindert, is sporten. Het is daarom erg raar dat mensen stoppen met sporten als ze stress hebben.

 

Omgaan met stress

Coping strategieën kunnen worden opgedeeld in drie klassen. Probleem gefocust coping, emotie gefocust coping en het zoeken van sociale steun. Bij probleem gefocust coping probeert men om met eisen van de situatie meteen te confronteren en er meteen mee om te gaan, of om de situatie zo te veranderen dat deze niet meer stressvol is. Bij emotie gefocust coping probeert men de emotionele reacties als gevolg van de stressvolle situatie in stand te houden. Bij het zoeken van sociale steun richt men zich op anderen voor hulp en emotionele steun in tijden van stress. Mannen en vrouwen gaan verschillend om met stress, mannen gebruiken vaker de probleem gefocuste manier waar vrouwen de emotioneel gefocuste manier gebruiken.

Cognitive restructuring is dat je gaat kijken naar de dingen die je stress verhogen. Dit is een voorbeeld van cognitive appraisal (cognitieve interpretatie). Als je je bewust wordt van die factoren, kun je ze manipuleren en veranderen. Je kunt je gedachten positief maken. Daardoor voel je je meer relaxed en presteer je beter.

Self instructional training is ook een voorbeeld van cognitieve interpretatie. Je houdt als het ware een gesprek met jezelf; je geeft je zelf een peptalk.

Somatic relaxation training is een voorbeeld van physiological coping responses. Je gaat je lichaam ontspannen. Je leert hoe je moet relaxen. Veel mensen hebben geen controle over hun lichaam in zoverre dat ze helemaal kunnen relaxen.

De laatste is meditation, ook een voorbeeld van physiological coping responses. Je gaat dan bijvoorbeeld gewoon zitten en een mantra in je hoofd herhalen. Hierdoor raak je ook minder gestrest.

Pijn en pijnmanagement

Gate control theory stelt dat de ervaring van pijn zorgt voor het openen en sluiten van poortmechanismen in het zenuwstelsel. Het centrale controle-mechanisme laat gedachten, emoties en overtuigingen beïnvloeden door het gevoel van pijn. Endorfine is een endogeen geproduceerde morfine. Ze hebben pijnverlichtende effecten door de neurotransmitters te lokkeren die betrokken zijn bij de synaptische transmissie van pijnimpulsen van het ruggenmerg naar de hersenen. Er zijn verschillende manieren om van je pijn af te kunnen komen. Culturele en psychologische invloeden zijn bij iedereen anders. Het ligt er aan in wat voor soort behandeling je gelooft maar ook welke de voorkeur heeft in jouw land. Persoonlijke en sociale hulp factoren spelen ook een rol, ben je optimistisch, neurotisch krijg je veel positieve feedback of juist negatieve? Maar voor iedereen is het belangrijk om actief bezig te zijn. Als je mensen bijvoorbeeld helemaal relaxed maakt, hebben ze helemaal geen last meer van de pijn. Je kunt ook drugs gebruiken om van je pijn af te komen. Een bekend voorbeeld is het medicijn morfine. De pijn wordt dan wel gedetecteerd door het lichaam, maar niet opgemerkt.

Gezondheidsbevordering

Het vroege sterftecijfer wordt tegenwoordig meer veroorzaakt door risicovol gedrag zoals het roken van sigaretten, overmatig alcoholgebruik, onvoldoende lichaamsbeweging, slechte voedingsgewoonten, gebruik van illegale drugs, het niet naleven van instructies van doktoren, onveilige seks en het niet dragen van veiligheidsgordels.

Gezondheidsversterkend gedrag zijn dingen die je doet om de gezondheid te verbeteren. Gezondheidsverslechtend gedrag is het gedrag dat de ontwikkeling van een ziekte bevordert.
Zeven goede tips om gezonder te leven is om er voor te zorgen dat je 7-8 uur per dag slaapt. Je altijd ontbijt eet, niet rookt, zelden eet tussen maaltijden door, een goed lichaamsgewicht hebt, regelmatig lichaamsbeweging hebt en kleine hoeveelheden alcohol drinkt.

Het transtheoretisch model heeft zes belangrijke fases in het veranderingsproces. Voorbeschouwing, beschouwing, voorbereiding, actie, handhaving en beëindiging. Bij voorbeschouwing ziet een persoon niet dat er een gezondheidsprobleem is of ontkent dit. Bij beschouwing weet degene dat er een probleem is en ziet dat ook in maar heeft nog niet besloten om er iets aan te doen. Bij voorbereiding heeft iemand besloten om het gedrag te veranderen en maakt plannen om er iets aan te gaan doen. Bij actie verandert de persoon zijn gedrag. Bij handhaving heeft de persoon een terugval kunnen voorkomen, hij is wel nog altijd bezig met de strijd. Bij beëindiging is de verandering in het proces afgerond.

Om gezond te leven moet je blijven bewegen, een goede beweging is aerobics. Het verhoogt namelijk de hartslag en de behoefte aan zuurstof in het lichaam. Er zijn factoren die ervoor zorgen dat mensen stoppen met de gezonde levensstijl die ze willen: hun houding tegenover fysieke conditie is niet positief, laag zelfvertrouwen voor succes, of ze hebben een te hoge dunk van het conditieniveau wat ze al hebben. Vaak hebben deze mensen een gebrek aan sociale steun.

Er zijn verschillende technieken om mensen die een verandering willen maken zich bewust te maken van hun probleem. Zo heb je motivational interviewing, hierbij worden er vragen gesteld die zich focussen op verschillen tussen de huidige stand van zaken en het ideale zelfbeeld van de persoon, verlangend gedrag en verlangende uitkomsten. Door deze vragen te beantwoorden vormen de deelnemers zelf een conclusie. Bij multimodal treatment approaches combineren psychologen alle technieken die bewezen effectief te zijn. En maken ze een ‘treatment package’.

Schadebeperking is een preventieve strategie die zo ontworpen is dat probleemgedrag te elimineren is. Maar het is vooral bedoeld om schadelijke effecten van dat gedrag te verminderen wanneer het zich voordoet. Zo zijn er verschillende manieren op drugsgebruik, HIV en seks en het leren omgaan daarvan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoorcollege 15: Psychological Disorders

 

Caspar van Lissa, 10 januari 2014

 

Dit hoorcollege gaat over hoofdstuk 17 van het boek.

 

Psychische stoornissen werden in het verleden op verschillende manier verklaard. Eerst dacht men dat het door bovennatuurlijke krachten of demonische bezetenheid kwam. Later kwam Hippocrates met de theorie dat mentale ziekten hetzelfde zijn als lichamelijke aandoeningen. De freudiaanse psychoanalyse (begin 1900) zei dat het psychologische interpretaties zijn van wanordelijk gedrag.

 

Het kwetsbaarheid-stress model (Diathesis-Stress Model) gaat ervan uit dat kwetsbaarheid en stressfactoren kunnen leiden tot een psychologische stoornis. Kwetsbaarheid zijn genetische factoren, biologische kenmerken, psychologische kenmerken, eerdere onaangepaste leerdingen en een lage sociale hulp. Stressfactoren kunnen economische tegenspoed, omgevingstrauma, interpersoonlijke stress of verlies van iemand en beroepsmatige tegenslagen of eisen. Als een van deze dingen tegelijk gebeuren kan het voorkomen dat men een psychische stoornis ontwikkelt. Psychische stoornissen zijn echter wel bespreekbaar. Een heel bekend voorbeeld is homoseksualiteit. Vroeger werd dat als een stoornis gezien, nu echt niet meer. Het is dus moeilijk om te bepalen wat nou echt een stoornis is en wat niet.

 

Er zijn verschillende psychische stoornissen. Een veel voorkomende is angststoornis. Er zijn vier factoren die een rol spelen bij angst: emotionele symptomen, cognitieve symptomen, fysiologische symptomen en gedragssymptomen. Emotionele symptomen zijn het gevoel van spanning en bezorgdheid. Cognitieve symptomen zijn het zorgen maken en gedachtes over het onvermogen om ergens mee om te gaan. Fysiologische symptomen zijn een toegenomen hartslag, spierspanning en andere autonome prikkel symptomen. Gedragssymptomen zijn het vermijden van enge situaties, verminderde prestatievermogen en een toegenomen schrikreactie.
Generalized anxiety disorder is een chronische staat van diffuse angst. Een fobie is een sterke en irrationele angst van bepaalde objecten of situaties. Een paniekstoornis treedt plotseling op en is onvoorspelbaar. Deze is erg intens.
 

Obsessive-compulsive disorder is een ziekte met gecombineerde tics. Obsessies zijn onwelkome gedachten, beelden of impulsen die het bewustzijn binnendringen en zeer moeilijk te beheersen zijn. Dwanghandelingen zijn herhaaldelijke reacties die functioneren om de angst die met opdringerige gedachte geassocieerd wordt, te verminderen. Het is een herhaalde beweging om de angst iets te verminderen.
Posttraumatisch stress syndroom (PTSS) is een ernstige angststoornis die ontstaat na een traumatische gebeurtenis. Voorbeeld: veel Amerikaanse soldaten, die mee vochten in de Vietnamoorlog keerden terug naar Amerika en hadden zoveel moorden en andere ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Veel van hen kregen last van het PTSS.

 

Stemmingsstoornissen

Bijna één op de vijf mensen zullen een klinisch depressieve periode meemaken in hun leven. Vrouwen hebben twee keer zoveel kans als mannen om last te krijgen van een depressie. Vaak duurt een depressie vijf tot tien maanden, en worden de mensen die er last van hebben niet behandeld. Toch komt het bij veel mensen nog een tweede keer voor op een later tijdstip in hun leven.

 

Stemmingsstoornissen zijn gebaseerd op emotie. Ze omvatten depressie en manie. Net als angststoornissen komen stemmingsstoornissen veel voor. Onder depressie valt dysthymie een minder intense vorm van depressie die minder dramatische effecten heeft op het persoonlijk en beroeps- functioneren. Emotionele symptomen zoals verdriet, hopeloosheid, angst, ellende en het onvermogen om plezier te hebben kunnen een rol spelen bij depressie.
 

Negatieve cognities van jezelf, de wereld en de toekomst zijn onderwerpen van cognitieve symptomen. Het verlies van interesse, gebrek aan aandrijving en moeilijkheden met het starten van iets zijn symptomen van het motivatie symptoom. Het verlies van eetlust, gebrek aan energie, moeilijkheden met slapen en gewichtsverlies zijn symptomen van het somatische symptoom.

Een bipolaire stoornis is een depressie afgewisseld met perioden van manie. Manie is een staat van zeer opgewonden stemming en gedrag dat het tegenovergestelde is van een depressie. In een manische fase is de stemming euforisch. Ze zien geen grenzen in wat ze wel of niet kunnen en kunnen daardoor grote risico’s nemen in zo’n bui. Deze personen zijn vaak erg prikkelbaar. Biologische factoren zijn neurotransmitter tekortkomingen maar ook genen spelen hierbij een rol. Psychologische factoren zijn persoonlijkheid op basis van kwetsbaarheid. Cognitieve processen zijn depressive cognitive triad: negatief beeld van de wereld, zichzelf en de toekomst. Depressive attributional pattern: positieve gebeurtenissen die plaatsvinden zijn gebeurd door factoren buiten henzelf, negatieve gebeurtenissen komen door henzelf, denken ze. Learned helplessness stelt dat depressie optreedt wanneer mensen verachten dat negatieve dingen gaan gebeuren en dat er niets is dat zij er tegen kunnen doen.

 

Persoonlijkheidsstoornissen

Mensen met een persoonlijkheidsstoornis hebben stabiele, ingesleten, niet flexibele en maladaptieve manieren van denken, voelen en gedragen. Er zijn drie vormen van een persoonlijkheidsstoornis: dramatisch en impulsief gedrag, bezorgd en angstig gedrag, raar en excentriek gedrag. Ongeveer 10-15% van de volwassenen hebben een persoonlijkheidsstoornis. Mensen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis lijden aan een gebrek aan geweten. Ze hebben geen emotionele hechting aan andere mensen. Ze tonen weinig angst of schuldgevoel. Lijken impulsief en niet in staat om de bevrediging van hun behoeften af te zwakken. Tonen een gebrek aan emotionele gehechtheid aan andere mensen. Dit is de meest destructieve persoonlijkheidsstoornis. Borderline personality disorder is een ernstige instabiliteit in gedrag, emotie, identiteit en persoonlijke relaties. Ze hebben een emotionele ontregeling, het onvermogen om negatieve emoties te beheersen in reactie op stressoren. Ze hebben intense en instabiele persoonlijke relaties, chronische gevoelens van extreme boosheid en eenzaamheid en ze vertonen impulsief en zelfdestructief gedrag.

 

In de kindertijd kunnen er ook stoornissen voorkomen. Een voorbeeld daarvan is ADHD. Als je ADHD hebt, kun je je niet goed concentreren, ben je impulsief en hyperactief. Het komt meer voor bij jongens dan bij meisjes. Deze problemen komen vooral voor in de adolescentie, en de oorzaken van ADHD zijn onbekend. Er zijn genetische factoren van invloed, maar ook de omgeving kan ADHD veroorzaken. Een voorbeeld hiervan is als er sprake is van inconsistent ouderschap. Dat zorgt ervoor dat kinderen drukker worden.

 

Een tweede voorbeeld is autisme. Mensen met autisme kunnen zich niet goed verplaatsen in anderen en zijn slecht op het gebied van communicatie. Ook dit komt meer voor bij jongens. Het is vaak te detecteren bij kinderen vanaf drie jaar. Bij deze stoornis zijn biologische factoren nog belangrijker dan bij ADHD. Er worden abnormaliteiten gevonden in de structuur het en functioneren van de hersenen. Niet-autistische familieleden hebben vaak ongewone persoonlijkheidskenmerken.

 

 

Hoorcollege 16: Treatment of Psychological Disorders

 

Caspar van Lissa, 15 januari 2014

 

Dit college gaat over hoofdstuk 18 van het boek.

De uitkomst van een therapie hangt af van drie factoren; de patiënt, de techniek en de therapeut. Als de cliënt open is en dingen goed op zichzelf kan betrekken, is de uitkomst van de therapie vaak beter.
Als de therapeut een goede relatie heeft met de cliënt, betrouwbaar overkomt en empatisch is, werkt de therapie vaak beter.
Wanneer de goede techniek voor de specifieke cliënt wordt geselecteerd, is de therapie ook meer succesvol.

Het doel van alle psychotherapie is om mensen te helpen om slecht aangepaste gedachten, gevoelens en gedrag te veranderen. Cliënten moeten inzicht krijgen in de onderliggende oorzaken van hun problemen. Zo heb je klinische en begeleidingspsychologen, psychiaters, psychiatrische sociale werkers en begeleiders (voor het huwelijk en het gezin, een pastoraal werker voor in de christelijke omgeving, en voor misbruikgevallen). Elk probleem heeft een andere oorzaak en moet daarom op een andere manier worden aangepakt.

 

Verschillende behandelingen

Er zijn verschillende manier van het aanpakken van een psychische stoornis. Zo heb je de psychodynamische therapie, humanistische psychotherapie, cognitieve therapie, gedragstherapie en de biologische aanpak.

 

Psychodynamische aanpak

Deze aanpak is bedacht door Freud. Psychodynamische aanpakken richten zich voornamelijk op interne conflicten en het onbewuste die ten grondslag liggen aan maladaptief gedrag. In de techniek van free association vertelt de patiënt al zijn gedachten, gevoelens en beelden die in het bewuste komen aan de psycholoog. Deze zit achter de patiënt zodat die niet wordt beïnvloed door de therapeut. De problemen die naar boven komen zijn onbewuste conflicten die bedreigend en pijnlijk zijn voor het ego. Het ego heeft toevlucht genomen in maladaptieve verdedigende patronen om ermee om te kunnen gaan. Die vermijdingspatronen komen tevoorschijn tijdens de therapie als resistentie (verdedigende manoeuvres die het therapieproces verhinderen).
Transference komt voor wanneer de patiënt boos/tegenstrijdig reageert op de psycholoog. De patiënt denkt dan dat de psycholoog iemand uit het verleden is, de onderdrukte gevoelens komen dan naar boven en dan vindt de patiënt het lastig om het moment en het verleden van elkaar te scheiden.
Interpersonal therapy richt zich op huidige relaties van de cliënt met belangrijke personen in zijn leven. Het is een korte therapie.

Verder wordt er bij de psychodynamische aanpak ook gebruik gemaakt van Dream Interpretation. Ze geloven dat alle dromen betekenis hebben, en dat die op een bepaalde manier geïnterpreteerd kunnen worden zodat ze toepasbaar zijn op het dagelijks leven.

 

Humanistische psychotherapie

De bekendste humanistische psychotherapie is de person-centered therapy, deze is ontwikkeld door Carl Rogers. Hierbij is het belangrijk dat het een afspraak tussen gelijken is, anders dan bij de psychodynamische aanpak. De therapeut staat niet boven de cliënt. Ook heb je de Gestalt therapy van Perls. Bij de humanistische psychotherapieën wordt er aandacht besteed aan de nadruk op verantwoordelijkheid en ligt de focus op het huidige en de toekomst, onvoorwaardelijke positieve aandacht (psycholoog laat zien dat hij werkelijk om patiënt geeft), empathie (bereidheid om de wereld te zien door ogen van patiënt) en oprechtheid (psycholoog stelt zich open en toont ook eigen gevoelens).

 

Cognitieve therapie

Twee belangrijke therapieën in de cognitieve therapie zijn rational-emotive therapy van Ellis en cognitive therapy van Beck. Bij cognitieve therapie wordt de focus gelegd op irrationele en zelfdestructieve gedachten, en deze te veranderen. Omdat gedachten allemaal automatisch opkomen wordt er via deze therapie aandacht aan besteed en deze worden zoveel mogelijk veranderd.
Albert Ellis bedacht een ABCD-model waarin hij zijn theorie beschrijft, volgens hem zijn irrationele gedachten de oorzaak van zelfvernietigende emotionele reacties en gedrag. De A staat voor de Activerende gebeurtenis die emotie uitlokt. De B staat voor Belief (geloof) die zijn geactiveerd bij A. De C staat voor de emotionele –en gedragsconsequenties die voortkomen uit B. De D staat voor Disputing (betwisten) van wat is voortgekomen is uit B.

Cliënten krijgen vaak huiswerkopdrachten mee. Ze moeten bijvoorbeeld hun gedachten analyseren.

 

Gedragstherapie

Volgens gedragstherapeuten is maladaptief gedrag niet het symptoom van de onderliggende problemen maar het probleem zelf. Probleemgedrag is op dezelfde manier aangeleerd als gewoon gedrag (classical conditioning). Het focust zich op het ‘afleren’ van onaangepast gedrag.

Een andere vorm is de exposure approach. Mensen worden geconfronteerd met hun grootste angsten, en dat moet de angstrespons verminderen. Deze techniek is een beetje controversieel, omdat er hele intense tijdelijke angst wordt gecreëerd door de behandeling.

 

Biologische aanpak

Behandelingen gebaseerd op medicatie zijn de meest voorkomende bij de biologische aanpak. Zo waarbij hersenweefsel wordt weggehaald in de hoop dat dit het ziekelijke gedrag verandert). Bij de biologische aanpak wordt gedacht dat de problemen worden veroorzaakt door chemische onevenwichtigheden of structurele schade of misvormingen in de hersenen. De psychochirurgie gebeurt alleen in de meest extreme gevallen.

 

Integreren van therapieën

Bij eclecticisme is er sprake van het combineren van behandelingen en het gebruik van de meest geschikte technieken die passend zijn voor de patiënt. Zo is er sprake van cognitive-behavioural therapy, rational-emotive behaviour therapy en dialectical behavioural therapy (DBT). Dit zijn gecombineerde therapieën.
Als er geen gebruik hoeft te worden gemaakt van gecombineerde therapieën wordt er gekeken naar de meest geschikte techniek, voor de een kan dit individuele therapie zijn, groepstherapie of familietherapie.

 

Evaluerende psychotherapie

Bij evaluerende psychotherapie is de specificity question: ‘Welke vormen van therapie worden gebruikt door welke soorten therapeuten voor wat voor soort patiënten met wat voor soort problemen die allerlei effecten produceren?’ Deze vraag is nog altijd niet beantwoord.

 

 

Psychotherapie onderzoeksmethoden

De bron van de gegevens van veel therapieën zijn de beoordelingen van de therapeuten, eigen verslagen van patiënten, beoordelingen van kennissen van de patiënt, de controle van gedrag door de patiënten zelf en gedragsobservaties. Bij al deze dingen wordt gekeken naar gedachten, emoties en gedrag. Randomised clinical trials is het random toewijzen van klanten om in de experimentele of controlegroep plaats te nemen. Er zijn verschillende soorten controlegroepen: no treatment, placebo control condition, other effective treatment.
Meta-analyse
stelt onderzoekers in staat om de statistische resultaten van veel studies te combineren om zo tot een algemene conclusie te komen. Effect size laat onderzoekers zien welk percentage van de klanten die therapie kregen een gunstige uitkomst had ten opzichte van de gemiddelde controle-patiënt die geen behandeling had.

 

 

 

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Follow the author: Vintage Supporter
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.