Samenvatting van Work in the 21st century: An introduction to industrial and organizational psychology van Conte en Landy - 6e druk

Samenvatting bij Work in the 21st century: An introduction to industrial and organizational psychology

    Lees verder voor de samenvattingen per hoofdstuk

    Image

    Check: summaries and supporting content in full
    Wat is arbeids- en organisatiepsychologie? - Chapter 1

    Wat is arbeids- en organisatiepsychologie? - Chapter 1

    Wat is het belang van arbeids- en organisatiepsychologie?

    Wat is ‘goed werk’?

    Goed werk is volgens Gardner werk dat een hoog niveau van expertise vertoont, en het impliceert regelmatige bezorgdheid over de implicaties en toepassingen van iemands werk voor de rest van de wereld.

    Het onderzoeken van werk door arbeids- en organisatiepsychologen en studenten is in potentie goed werk, omdat het individuen in staat stelt vaardigheden te ontwikkelen en te gebruiken en deze in te zetten ten behoeve van iemand anders dan alleen zichzelf.

    Wat is arbeids- en organisatiepsychologie?

    Arbeids- en organisatiepsychologie is de toepassing van psychologische principes, theorie en onderzoek op de werkomgeving. Het domein van de arbeids- en organisatiepsychologie reikt veel verder dan de fysieke grenzen van de werkplek, omdat veel van de factoren die het werkgedrag beïnvloeden niet altijd in de werkomgeving voorkomen.

    Een formelere definitie wordt gegeven door de Society for Industrial and Organizational Psychology (SIOP). Dat is een vereniging waartoe veel arbeids- en organisatiepsychologen behoren. Hun definitie vanuit het perspectief van de psycholoog is als volgt: "Arbeids- en organisatiepsychologen erkennen de onderlinge afhankelijkheid van individuen, organisaties en de samenleving en erkennen de impact van andere factoren, die onder andere buiten de organisatie liggen. Deze psychologen dienen als adviseurs en katalysatoren voor verschillende plekken, zoals het bedrijfsleven, de industrie en de arbeidsmarkt."

    Volgens SIOP zijn arbeids- en organisatiepsychologen:

    • Wetenschappers.

    • Adviseurs.

    • Leraren.

    Arbeids- en organisatiepsychologie concentreert zich vaak voornamelijk op de volgende drie aspecten:

    • Personeelspsychologie. Veld van de psychologie dat zich bezighoudt met zaken zoals werving, selectie, training, promotie, prestatiebeoordeling en ontslag.

    • Organisatiepsychologie. Veld van de psychologie dat onderzoek van de sociale psychologie en organisatiegedrag combineert en zich bezighoudt met het emotionele gedeelte van werk.

    • Menselijke factoren psychologie. Onderzoek vaan de capaciteiten en beperkingen van mensen met betrekking tot een bepaalde omgeving.

    Binnen deze psychologie is er een duidelijk connectie tussen het onderzoek dat gedaan wordt en wat er gebruikt wordt op praktisch niveau. Deze nadruk op de wetenschappelijke toepassing staat bekend als scientist-practitioner model. Dat is een model dat wetenschappelijke instrumenten en onderzoek gebruikt in het praktische werkveld van de arbeids- en organisatiepsychologie.

    Met de volgende punten houden arbeids- en organisatiepsychologen zich in toenemende mate bezig:

    • Het bouwen van duurzame en milieubewuste organisaties.

    • Het maken van evidence-based beslissingen op het werk binnen organisaties.

    Waarom kan dit boek nuttig zijn voor studenten?

    Voor veel mensen is werk een belangrijk onderdeel van het leven. Ook studenten werken vaak naast hun studie. Het volgen van dit vak kan dan om de volgende redenen nuttig zijn:

    • Het kan helpen te begrijpen wat je ervaart op het werk.

    • De kans is groot dat je uiteindelijk in de positie komt om het werk van anderen te leiden en in die rol werkgerelateerd beleid ontwikkelt of op zijn minst implementeert. De inhoud van dit boek kan je daarbij helpen.

    • Waarschijnlijk kom je bloot te staan aan concepten van de arbeids- en organisatiepsychologie door interactie met adviseurs en managers. Door dit vaak begrijp je wat er gebeurt.

    Er gaat niet veel aandacht naar jongvolwassenen als het om werk gaat. Dit is om de volgende redenen niet goed:

    • Jongvolwassenen vormen een groot gedeelte van de parttime werkers.

    • Iemands eerste baan zal waarschijnlijk een aanzienlijke invloed hebben op de filters waardoor latere werkervaringen worden bekeken.

    Het beetje onderzoek dat gedaan is onder jonge werknemers suggereert het volgende:

    • Banen die een mogelijkheid bieden om huidige vaardigheden te gebruiken of nieuwe vaardigheden te ontwikkelen, zijn het meest bevredigend.

    • Bij jonge volwassenen die niet de mogelijkheid hebben om de huidige vaardigheden te gebruiken of nieuwe vaardigheden te ontwikkelen, kan cynisme en gebrek aan interesse in het werk ontstaan.

    Wat is de geschiedenis en de toekomst van arbeids- en organisatiepsychologie?

    Wat is de geschiedenis van arbeids- en organisatiepsychologie?

    De wortels van de psychologie liggen bij Wilhelm Wundt, die één van de eerste psychologische laboratoria oprichtte. Dit vond plaats in Duitsland in 1876. Wundt trainde twee psychologen die later van grote invloed zouden zijn op het ontstaan van de arbeids- en organisatiepsychologie: Munsterberg en Cattell. Munsterberg was één van de eerste die capaciteiten van werknemers mat en dit linkte aan prestatie. Cattell wordt gezien als één van de eerste die het belang zag om verschillen tussen individuen te gebruiken als een manier om het gedrag van die individuen te voorspellen.

    Twee andere psychologen, Scott en Bingham, werkten in dezelfde periode als Munsterberg en Cattell aan het ontwikkelen van methodes voor het selecteren en trainen van verkooppersoneel. Samen met andere bekenden psychologen ontwikkelde ze de Stanford-Binet test. Dat is een bekende intelligentietest die is ontworpen om één persoon tegelijk te testen. Oorspronkelijk ontwikkeld door Alfred Binet en Theodore Simon in 1905. De Binet-Simon-test werd vanaf 1916 bijgewerkt door Lewis Terman en collega's van de Stanford University, wat leidde tot de huidige naam van de test.

    Lillian Gilbreth is de eerste die een PhD ontving in de arbeids- en organisatiepsychologie aan Brown University in 1915. Voor onderzoek maakte ze gebruik van de Scientific Management Principles. Dat is een beweging gebaseerd op de principes ontwikkeld door Frederick Taylor, die suggereerde dat er één beste en meest efficiënte manier was om te presteren in verschillende banen. Scientific management principles waren weer gebaseerd op de principes van time and motion study. Dat zijn onderzoeken die elke actie opsplitsten in zijn samenstellende delen, die bewegingen getimed met een stopwatch en nieuwe en efficiëntere bewegingen ontwikkelden die vermoeidheid zouden verminderen en de productiviteit zouden verhogen.

    Mayo kwam met het idee dat er een mentale toestand bestond genaamd revery obsession. Volgens hem ontstond deze toestand door geestdodend, repetitief en moeilijk werk dat de Amerikaanse fabrieken in het begin van de 20e eeuw kenmerkte en ervoor zorgde dat fabrieksarbeiders ongelukkig waren, meer de neiging kregen weerstand te bieden tegen pogingen van het management om de productiviteit te verhogen en sympathie te ontwikkelen voor vakbonden. Zo een reactie om saai werk zou vandaag de dag worden gezien als normaal in plaats van pathologisch.

    Ondertussen werd er ook onderzoek gedaan op Hawthorne. Deze onderzoeken heten nu de Hawthorne onderzoeken. Dit bedrijf probeerde productiviteit te verhogen door licht, pauzes en werkuren te manipuleren. Dit onderzoek toonde de belangrijke rol aan die de houding van werknemers speelde in de productiviteit.

    Deze onderzoeksresultaten resulteerde in de Menselijke Relaties Beweging, die zich richt op werkhoudingen en de pas ontdekte emotionele wereld van de werknemer.

    De geschiedenis tot in de jaren zestig laten de volgende belangrijke punten zien:

    • Mentale capaciteiten tests speelden altijd een belangrijke rol in de uitvoering van arbeidspsychologie.

    • De meeste psychologen richtten zich op het verbeteren van productiviteit en het verminderen van contraproductief gedrag.

    • Er was een tendens om de drie verschillende takken van de arbeids- en organisatiepsychologie te zien als niet gerelateerd aan en mogelijk in concurrentie met elkaar om industrieel gedrag te verklaren.

    • Het werd voor lief aangenomen dat de analyse zich richtte op de individuele werker in plaats van de werkgroep, organisatie of cultuur.

    Hoe is arbeids- en organisatiepsychologie in het heden?

    Vandaag de dag is de American Psychological Association (APA) een belangrijke organisatie voor de psychologie en ook voor de arbeids- en organisatiepsychologie. APA is de belangrijkste professionele organisatie voor alle soorten psychologen in de Verenigde Staten.

    Er zijn veel mogelijkheden voor psychologen om nuttig te zijn voor werkgevers, werknemers en de bredere samenleving. Om deze bijdragen te leveren, moet de arbeids- en organisatiepsychologie het hoofd bieden aan vier uitdagingen:

    1. De psychologie moet relevant zijn.

    2. Het moet bruikbaar zijn.

    3. De psychologie moet groter denken.

    4. Het moet gegrond zijn in de wetenschappelijke methode.

    Welke multiculturele problemen zijn er in de arbeids- en organisatiepsychologie?

    Wat is cultuur?

    Cultuur is een systeem waarin individuen betekenis en gemeenschappelijke manieren delen om gebeurtenissen en objecten te bekijken. Binnen de arbeids- en organisatiepsychologie zijn de belangrijkste culturele verschillen die aandacht horen te krijgen gerelateerd aan nationaliteit. Individuen omarmen vaak verschillende culturen en subculturen. Dit maakt de zaken rondom cultuur complexer.

    Tegenwoordig bestaan er een globale economie. Het is niet meer mogelijk voor een lang om te bestaan zonder economische connecties met andere landen. Zulke connecties kunnen zowel een positieve als negatieve kracht zijn. Veel culturen staan hierdoor met elkaar in contact. De uitdaging wordt dan om systemen te ontwikkelen die toepasbaar zijn op zoveel verschillende culturen. De sleutel is om culturen te begrijpen.

    Wat is de ‘West versus the Rest’ mentaliteit?

    De West versus the Rest mentaliteit is de neiging van onderzoekers om theorieën te ontwikkelen die relevant zijn voor situaties in de Verenigde Staten zonder er echt bij stil te staan of de theorieën ook toepasbaar zijn in andere landen.

    Om de volgende reden is het goed om multiculturele psychologie in het algemeen te waarderen:

    • Psychologie doet onderzoek naar menselijk gedrag. Dit gaat om het gedrag van alle mensen, niet alleen het gedrag van mensen in het Westen.

    • De psychologie probeerde sterk kleurenblind te zijn, maar hierdoor werden authentieke verschillen die definieerbare kenmerken van identiteit zijn niet herkend.

    Wat zijn collectivistische en individualistische culturen?

    Er wordt onderscheid gemaakt tussen collectivistische en individualistische culturen. Een collectivistische cultuur is een cultuur die de groep meer waardeert dan het individu. Een individualistische cultuur daarentegen waardeert het individu meer dan de groep. Door dit onderliggende culturele principe te begrijpen en door de vaardigheid te ontwikkelen om andere culturen op het collectivistisch-individuele continuüm te plaatsen, zou de manager in staat kunnen zijn om effectieve beloningsregelingen te ontwerpen voor projecten in andere landen.

    Wat is Hofstede’s theorie?

    Geert Hofstede deed veel onderzoek naar culturen en ontwikkelde een theorie dat vijf basiselementen voorstelt waarop culturen onderscheiden kunnen worden:

    • Individualisme - collectivisme: is de mate waarop van individuen wordt verwacht op zichzelf te letten versus in de groep geïntegreerd te blijven.

    • Machtsafstand: is de mate waarin minder machtige leden van een organisatie een ongelijke machtsverdeling accepteren en verwachten.

    • Onzekerheid vermijdend: is de mate waarin leden van een cultuur comfortabel voelen in ongestructureerde situaties.

    • Masculien – feminien: is de verdeling van emotionele rollen tussen geslachten, waarbij de mannelijke rol als zwaar wordt gezien en de vrouwelijke rol als zachtaardig.

    • Langetermijnoriëntatie – kortetermijnoriëntatie: is de mate waarin leden van een cultuur directe versus vertraagde bevrediging van hun materiële, sociale en emotionele behoeften verwachten.

    Elk bovenstaand punt is een continuüm. Deze vijf elementen kunnen ook gezien worden als een ‘persoonlijkheid’ van een nationaliteit.

    De theorie van Hofstede is niet de enige theorie over culturele invloed. Triandis kwam met een variatie op Hofstede’s individualisme/collectivisme dimensie, namelijk een horizontale/verticale dimensie die interageert met de individualisme/collectivisme dimensie. Een horizontale cultuur is een cultuur die afstanden tussen individuen minimaliseert, terwijl een verticale cultuur afstanden tussen individuen accepteert en hiervan afhankelijk is.

    De meeste theorieën bevatten in meer of mindere mate de individualisme/collectivisme dimensie van Hofstede. Het is belangrijk om te realiseren en te onthouden dat Hofstede’s theorie gaat over landen (verkregen door het gemiddelde te nemen van de antwoorden van individuen uit dat land) en niet over individuen. Niet elke alle individuen binnen een land delen dezelfde cultuur.

    Access: 
    Public
    Welke onderzoeksmethoden worden er gebruikt in de arbeids- en organisatiepsychologie? - Chapter 2

    Welke onderzoeksmethoden worden er gebruikt in de arbeids- en organisatiepsychologie? - Chapter 2

    Wat is wetenschap?

    Wetenschap is een benadering die het begrijpen, voorspellen en beheersen van een of ander gekozen fenomeen inhoudt. Wetenschap heeft verschillende gebieden, zoals natuurkunde, scheikunde en psychologie. De verschillende gebieden delen bepaalde methoden aan de hand waarvan ze objecten onderzoeken. Deze methoden omvatten de volgende:

    • Wetenschap wordt gekenmerkt door een logische benadering van onderzoek, meestal gebaseerd op een theorie, een hypothese of gewoon een fundamentele nieuwsgierigheid naar een interessant object. Een hypothese is een voorspelling over de relatie tussen variabelen.

    • Wetenschap is afhankelijk van data.

    • Wetenschap moet communiceerbaar, open en publiekelijk zijn.

    • Wetenschap is er niet op uit om theorieën of hypotheses te bewijzen, maar om ze te weerleggen.

    • De verwachting is dat wetenschappers objectief zijn en niet beïnvloed worden door bias of vooroordelen tijdens het doen van onderzoek.

    De wetenschappelijke methode is een van de meest algemeen aanvaarde methoden om individuen te beschermen tegen de gevolgen van ongeïnformeerde speculatie.

    In dit boek zullen verschillende theorieën worden besproken. Bekijk theorieën in het licht van ‘helpend’ of ‘niet-helpend’ in plaats van ‘correct’ of ‘incorrect’. Volgens Klein en Zedeck hebben goede theorieën de volgende kenmerken:

    • Geven nieuw inzicht.

    • Zijn interessant.

    • Zijn gefocust.

    • Zijn relevant voor belangrijke onderwerpen.

    • Geven verklaringen.

    • Zijn praktisch.

    Houd deze kenmerken in gedachten bij het bepalen of een theorie helpend is of niet.

    Wat is een onderzoeksopzet?

    Een onderzoeksopzet vormt de algemene structuur van het onderzoek. Het stelt onderzoekers in staat onderzoek te doen.

    Spector heeft onderzoeksopzetten in de arbeids- en organisatiepsychologie beoordeeld en een classificatiesysteem bedacht om onderscheid te maken tussen de typische ontwerpen. Hij verdeelt de ontwerpen in drie basistypen:

    • Experimenteel ontwerp: deelnemers worden willekeurig aan verschillende condities toegewezen.

    • Quasi-experimenteel ontwerp: deelnemers worden toegewezen aan verschillende condities, maar willekeurige toewijzing is niet mogelijk.

    • Niet experimenteel ontwerp: omvat geen ‘behandeling’ of toewijzing aan verschillende condities.

    Spector identificeert twee vaak voorkomende niet experimentele ontwerpen, namelijk:

    • Observatie ontwerp: de onderzoeker observeert het gedrag van de werknemer en legt systematisch vast wat geobserveerd wordt.

    • Vragenlijstontwerp: onderzoeksstrategie waarbij deelnemers wordt gevraagd om een vragenlijst of enquête in te vullen.

    Welke methoden voor het verzamelen van data zijn er?

    Historisch gezien maakt de arbeids- en organisatiepsychologie vooral gebruik van kwantitatieve methoden voor het meten van variabelen van gedrag. Deze methoden vertrouwen op tests, beoordelingsschalen, vragenlijsten en fysiologische metingen die allen numerieke resultaten opleveren. Dit staat in contrast met kwalitatieve methoden. Deze methoden vertrouwen op observaties, interviews, casestudy's en analyse van dagboeken of geschreven documenten en maken stroomdiagrammen en verhalende beschrijvingen van gebeurtenissen of processen. Er bestaat een grote voorkeur voor kwantitatief onderzoek boven kwalitatief onderzoek, terwijl in het begin van de psychologie ‘introspectie’ dé experimentele methode was. Introspectie is een vroege wetenschappelijke methode waarbij de deelnemer ook de onderzoeker was, zijn eigen ervaringen opnam door het uitvoeren van experimentele taken en wordt als erg subjectief gezien door de huidige standaarden.

    Veel van de weerstand tegen kwalitatief onderzoek is het resultaat van het als te subjectief beschouwen. Dit is misplaatst. Alle onderzoeksmethoden vereisen uiteindelijk namelijk interpretatie, ongeacht of ze kwantitatief of kwalitatief zijn. De onderzoeker is een ontdekkingsreiziger en probeert inzicht te krijgen in het fenomeen dat gekozen is om te onderzoeken, en moet daarbij alle beschikbare informatie gebruiken, ongeacht de vorm. De sleutel is het combineren van informatie uit meerdere bronnen om die theorie te ontwikkelen. Rogelberg en Brooks-laber noemen dit triangulatie – een benadering waarbij onderzoekers informatie uit verschillende bronnen proberen samen te voegen.

    Een toegevoegde waarde van kwalitatief onderzoek is dat het helpt bij het identificeren van de context waarin het te onderzoeken gedrag plaatsvindt. Soms is de context de reden waarom bepaald gedrag plaatsvindt.

    Wat is generaliseren?

    Generaliseren is het toepassen resultaten van één onderzoek of steekproef op andere deelnemers of situaties. Het is belangrijk hier om steekproefgroottes niet te verwarren met de mate van representativiteit van een steekproef. Een grote steekproef die niet representatief is, is veel minder waardevol als een onderzoek wil kunnen generaliseren dan kleinere steekproeven die wel representatief zijn.

    Wanneer onderzoek in het veld wordt uitgevoerd, kunnen gebeurtenissen en variabelen de resultaten onduidelijk maken. De belangrijkste reden waarom psychologen laboratoriumstudies of experimenten doen, is om deze afleidende variabelen te elimineren door middel van experimentele controle. Helaas is de kracht van experimentele controle tegelijkertijd een zwakte. Het kan de praktische waarde van een taak verminderen, omdat het in het ‘echte’ leven met de storende variabelen anders gaat.

    Statistische controle is ook een vorm van controle die net zo krachtig kan zijn als experimentele controle. Bij statistische controle worden er statistische technieken gebruikt om controle uit te oefenen op de invloed van bepaalde variabelen. Door een dergelijke controle kunnen onderzoekers zich uitsluitend concentreren op de primaire interesses.

    Wat is data-analyse?

    Aan de hand van deelvragen wordt in deze module antwoord gegeven op de vraag wat data-analyse inhoudt.

    Wat zijn beschrijvende statistieken?

    Beschrijvende statistieken zijn statistieken die een steekproef van gegevens samenvatten, ordenen en beschrijven.

    Elke verzameling van data heeft een spreiding. Drie maten kunnen gebruikt worden om elke spreiding van scores te beschrijven:

    • Maat voor centrale tendens: is een statistiek die aangeeft waar het centrum van een distributie zich bevindt. 

    • Variabiliteit: de mate waarin de scores van een spreiding variëren. 

    • Skew: de mate waarin de scores van een distributie scheef verdeeld zijn of neigen te vallen in de linker- of rechterkant van de spreiding.

    Voorbeelden van maten voor centrale tendens zijn:

    • Het gemiddelde: het rekenkundige gemiddelde van de scores in een spreiding. Dit wordt verkregen door alle scores in een spreiding bij elkaar op te tellen en te delen door de grootte van de steekproef.

    • De Mediaan: is de middelste score van de spreiding.

    • De Modus: is de score die het meest voorkomt in de spreiding.

    Wat zijn inferentiële statistieken?

    Inferentiële statistieken zijn statistieken die worden gebruikt om de onderzoeker te helpen bij het testen van hypothesen en het trekken van conclusies over een grotere steekproef (dan de gebruikte steekproef) of populatie.

    Wat is statistische significantie?

    Statistische significantie geeft aan dat de waarschijnlijkheid van de waargenomen statistiek kleiner is dan het aangegeven significante niveau dat door de onderzoeker is aangenomen. Een statistisch significante bevinding geeft aan dat het onwaarschijnlijk is dat de gevonden resultaten toevallig zijn ontstaan.

    Veel onderzoeken worden gedaan met een klein aantal deelnemers. Dit maakt het moeilijk om een statistische significantie te vinden ook al bestaat er een ‘ware’ relatie tussen variabelen. Het concept van statistical power behandelt de waarschijnlijkheid dat er een statistisch significant verschil wordt gevonden wanneer er een echt verschil bestaat. Hoe kleiner de steekproef, hoe kleiner de kracht is om een echt verschil te detecteren. In de praktijk kan dit dus betekenen dat een onderzoeker een verkeerde conclusie trekt wanneer de steekproeven te klein zijn.

    Wat is measurement?

    Measurement is het toewijzen van nummers aan kenmerken van individuen of objecten via regels. De nummers representeren de mate waarin of hoe een variabele van toepassing is voor het individu. Het komt geregeld voor dat onderzoekers willen weten hoe twee of meer variabelen aan elkaar gerelateerd zijn. Met deze kennis kan een variabele uit de andere voorspeld worden. Hoe sterker de relatie is tussen twee variabelen, hoe beter de voorspelling zal zijn. De statistische maat die vaak wordt gebruikt voor zo een relatie is het correlatiecoëfficiënt.

    Correlaties kunnen goed grafisch weergegeven worden, bijvoorbeeld met een scatterplot. Een scatterplot is een grafiek waarin de scores van twee variabelen als punten staan weergegeven. Een regressielijn is een rechte lijn dat het beste bij het scatterplot past en de relatie tussen de variabelen in de grafiek het beste beschrijft.

    De regressielijn kan lineair zijn, maar ook niet-lineair. Dat wil zeggen dat de relatie tussen twee variabelen niet weergegeven kan worden met een rechte lijn.

    Wat is multipele correlatiecoëfficiënt?

    Er zijn veel situaties denkbaar waarin meer dan één variabele gerelateerd is aan een bepaald aspect van gedrag. Het multipele correlatiecoëfficiënt is de statistiek die de algehele lineaire associatie weergeeft tussen verschillende variabelen enerzijds en een enkele variabele anderzijds.

    Correlatiecoëfficiënten geven simpelweg de mate aan waarin twee variabele met elkaar geassocieerd zijn. Ze zeggen niets over een oorzakelijk verband.

    Wat is meta-analyse?

    Meta-analyse is een statistische methode om de resultaten van veel onderzoeken te combineren en te analyseren om een algemene conclusie te trekken over relaties tussen variabelen.

    Meta-analyse is gebaseerd op de vooronderstelling dat de geobserveerde waarden beïnvloed zijn door statistische artefacten. Dat zijn kenmerken van een bepaald onderzoek die de geobserveerde resultaten vervormen. De meest invloedrijke artefact is de steekproefgrootte.

    Voor de volgende hoofdstukken is kennis van de volgende drie termen van belang:

    • Micro-onderzoek: onderzoek van individueel gedrag.

    • Macro-onderzoek: onderzoek naar collectief gedrag.

    • Meso-onderzoek: onderzoek naar de interactie tussen individueel en collectief gedrag.

    Wat is betrouwbaarheid?

    Betrouwbaarheid verwijst naar de consistentie of stabiliteit van een meting.

    Er bestaan verschillende vormen van betrouwbaarheid:

    • Test-hertest betrouwbaarheid: een type betrouwbaarheid dat wordt berekend door metingen op tijdstip 1 te correleren met metingen die op tijdstip 2 zijn genomen.

    • Betrouwbaarheid van equivalente vormen: is een type betrouwbaarheid dat wordt berekend door metingen te correleren van een steekproef van personen die twee verschillende vormen van dezelfde test hebben voltooid.

    • Interne consistentie: is een vorm van betrouwbaarheid die beoordeelt hoe consistent de items van een toets een enkel construct meten. Dit wordt beïnvloed door het aantal items in de test en de correlaties tussen de testitems.

    Een test is nooit compleet betrouwbaar. Enige fouten worden geaccepteerd, als de test maar redelijk betrouwbaar is. Generaliseerbaarheidstheorie is een verfijnde benadering van de kwestie van betrouwbaarheid die tegelijkertijd rekening houdt met alle soorten fouten in betrouwbaarheidsschattingen.

    Wat is validiteit?

    Validiteit is de nauwkeurigheid van gevolgtrekkingen gemaakt op basis van test- of prestatiegegevens. Het geeft ook aan of een meting nauwkeurig en volledig weergeeft wat bedoeld was om te worden gemeten.

    Er bestaan verschillende vormen van validiteit:

    • Criterium-gerelateerde validiteit: is een validiteitsbenadering die wordt aangetoond door een testscore te correleren met een prestatiemaatstaf. Het vergroot het vertrouwen van de onderzoeker in de gevolgtrekking dat mensen met hogere testscores betere prestaties leveren. De maat die hierbij hoort, heet validiteitscoëfficiënt. Twee ontwerpen voor deze vorm van validiteit zijn:

      *Voorspellende validiteit: is een ontwerp waarbij er een tijdsverloop zit tussen het verzamelen van de testgegevens en de criteriumgegevens.
      *Gelijktijdige validiteit: is een ontwerp waarbij er geen tijdsverloop zit tussen het verzamelen van de testscores en de prestatiegegevens.

    • Inhoudsgerelateerd validiteitsontwerp: is een ontwerp dat aantoont dat de inhoud van de selectieprocedure een adequate steekproef is van belangrijk werkgedrag en activiteiten.

    • Construct validiteit: is een validiteitsbenadering waarbij onderzoekers bewijs verzamelen om beslissingen of conclusies over psychologische constructies te ondersteunen. Dit begint vaak met onderzoekers die aantonen dat een test die is ontworpen om een bepaald construct te meten, op de voorspelde manier correleert met andere tests. Een construct is een psychologisch concept of kenmerk dat een voorspeller moet meten.

    Access: 
    Public
    Wat zijn individuele verschillen en wat is assessment? - Chapter 3

    Wat zijn individuele verschillen en wat is assessment? - Chapter 3

    Wat zijn individuele verschillen?

    Individuele verschillen zijn verschillen tussen twee of meer mensen. Sommige soorten verschillen zijn erg nuttig bij het voorspellen en begrijpen van gedrag.

    Wie was Wilhelm Wundt?

    Men ziet Wilhelm Wundt als de vader van de psychologie. In zijn laboratorium in Duitsland in 1876 probeerde Wundt algemene principes van menselijk gedrag te ontdekken. Hij en zijn medewerkers ontdekten dat individuen verschilden op alles, zoals bijvoorbeeld reactietijden.

    Een student van Wundt, James McKeen Cattell, vond deze uitkomsten interessant. In 1890 ontwikkelde hij het concept van mentale tests. Een mentale test is een instrument ontworpen om een deelnemers vaardigheid om te redeneren, plannen en problemen op te lossen te meten. Hij gebruikte deze tests om individuele verschillen in kaart te brengen. Dit onderzoek naar verschillen tussen twee of meer mensen heet differentiële psychologie.

    Cattell werkte ook met Galton samen. Samen ontwikkelden ze een uitgebreide mentale test. Na deze jaren keerde Cattell terug naar de Verenigde Staten en gebruikte hij deze test om de intelligentie van nieuwe studenten te meten. Intelligentie is het vermogen om te leren en zich aan te passen aan een omgeving. Cattell ontwikkelde ook methodes om mentaal vermogen te meten. Het mentaal vermogen verwijst naar de vaardigheid om te kunnen redeneren, pannen en problemen om te lossen. Men noemt dit ook wel cognitief vermogen. Cattell plaatste wat hij mat op een schaal, waardoor de metingen van vermogen de naam psychometrie kreeg.

    Binnen de differentiële psychologie was men geïnteresseerd in het mentale vermogen van ‘normale’ mensen. Dit in tegenstelling tot vroegere psychologen zoals Freud, die zich richten op pathologische aspecten van mentaal functioneren.

    Waarin verschillen differentiële psychologen van experimentele psychologen?

    Experimentele psychologen ontwerpen over het algemeen een experiment dat zal aantonen hoe mensen gelijk zijn in hun reactie op een stimulus en verklaart menselijk gedrag aan de hand van de stimulus. Differentiële psychologen richten zich daarentegen op de persoon en zoekt naar kenmerken van de persoon die kunnen helpen bij het begrijpen van het gedrag van die persoon. Arbeids- en organisatiepsychologen maken nog steeds veel gebruik van deze benadering, maar ze houden ook rekening met andere factoren, zoals:

    • Organisatorische gebruiken

    • Kenmerken van het team

    • Fysiek werk

    • Ontwerp van de werkomgeving

    • Brede culturele invloeden

    De samenwerking tussen psychometrie en differentiële psychologie was een nuttige. De differentieel psycholoog identificeerde wat gemeten moest worden en de psychometrist meette het. Een psychometrist is een psycholoog die getraind is in het meten van kenmerken zoals het mentaal vermogen.

    Veel onderzoeken werden gedaan om aan te tonen dat iemands algemeen intellectueel vermogen sterk gerelateerd is aan het beroepssucces van diezelfde persoon.

    Algemeen intellectueel vermogen is het niet-specifieke vermogen om op allerlei manieren en omstandigheden te redeneren, te leren en problemen op te lossen. Men duidt dit vermogen vaak aan met g. G verwijst naar de Engelse vertaling (general mental ability).

    Het is belangrijk om te onthouden dat menselijk gedrag complex is en dat mensen meer zijn dan hun gedrag. Geen enkel gebied van individuele verschillen zal in zijn geheel een belangrijk aspect van werkgedrag verklaren. Het is niet mogelijk om iemands intelligentie te scheiden van de persoonlijkheid, kennis en ervaring van diezelfde persoon. Het is zelfs mogelijk dat sommige omgevingen individuele variabelen elimineren. Wanneer je naar het gedrag van een persoon kijkt, is het dus belangrijk om de persoon in zijn geheel te blijven zien.

    Welke verschuiving is er geweest binnen de differentiële psychologie?

    In de afgelopen twintig jaar is er een grote verschuiving geweest in de manier van denken over individuele verschillen. In plaats van alleen het onderzoeken van het algemeen intellectueel vermogen om het gedrag van werknemers te begrijpen en te voorspellen, verbreden onderzoekers nu het veld van onderzoek. Arbeidspsychologen nemen in hun onderzoek nu ook individuele verschillen mee in de volgende gebieden:

    • Fysieke mogelijkheden

    • Persoonlijkheid

    • Interesses

    • Kennis

    • Emotie

    Vandaag de dag bestaan er veel betrouwbare methoden om deze dingen te meten.

    Arbeids- en organisatiepsychologen maken de volgende fundamentele veronderstellingen wanneer ze het individuele verschillen model toepassen:

    • Volwassenen hebben verschillende eigenschappen en de niveaus van deze eigenschappen zijn relatief stabiel gedurende een redelijke tijdsperiode.

    • Mensen verschillen met betrekking tot deze eigenschappen en deze verschillen houden verband met werksucces.

    • De relatieve verschillen tussen mensen op deze kenmerken blijven bestaan, zelfs na training, werkervaring of een andere interventie.

    • Verschillende banen vragen om verschillende eigenschappen.

    • Deze eigenschappen kunnen worden gemeten.

    Wat zijn menselijke eigenschappen?

    Wat onderzocht Edwin Fleishman?

    In de jaren vijftig begon Edwin Fleishman aan een serie van onderzoeken om te bepalen wat de meest voorkomende mentale en fysieke capaciteiten zijn die geassocieerd worden met menselijke prestatie. Het resultaat was een taxonomie van 52 capaciteiten. Een taxonomie is een ordelijk, wetenschappelijk classificatiesysteem. Deze taxonomie kan worden opgedeeld in de volgende brede categorieën:

    • Cognitieve capaciteiten

    • Fysieke capaciteiten

    • Perceptuele-motor capaciteiten

    Perceptuele-motor capaciteiten verwijst naar fysieke eigenschappen die zintuigen en beweging combineren.

    Hoe wordt g gebruikt in dit boek?

    De auteurs van dit boek accepteren de betekenis van g die over het algemeen door Westerse psychologen wordt gebruikt. Intelligentie is nodig wanneer mensen informatie moeten manipuleren. Maten van ‘g’ beoordelen vaardigheden in redeneren, in vergaren van kennis en in het oplossen van problemen.

    G is belangrijk in het werkveld. Bijna elke baan vraagt om enige actieve manipulatie van informatie. Hoe meer informatie gemanipuleerd moet worden, hoe belangrijker g wordt.

    Meta-analyse is een statistische methode voor het combineren en analyseren van de resultaten van veel onderzoeken om een algemene conclusie te trekken over relaties tussen variabelen.

    Meta-analyses gedaan naar de relatie tussen ‘g’ en werkprestatie toonden duidelijk aan dat wanneer de complexiteit van een baan toenam, de voorspellende waarde van testen van ‘g’ ook toenamen. Dit betekent echter niet dat een hoge ‘g’ succes in die baan garandeert.

    Is alleen g van belang?

    De meerderheid van hedendaagse psychologen zijn van mening dat g belangrijk is, maar dat specifiekere cognitieve capaciteiten ook een rol spelen bij presteren. Sommige specifieke capaciteiten zijn belangrijk voor sommige banen, en andere specifieke capaciteiten zijn belangrijk voor andere banen. Het wordt nu algemeen geaccepteerd dat cognitieve capaciteiten het beste kunnen worden geconceptualiseerd als meerdere lagen van bekwaamheden.

    Het is eerlijk om te zeggen dat een persoon met een hoog niveau van g waarschijnlijk zal slagen bij bepaalde taken van bijna elke baan, maar afhankelijk van de baan zullen ook andere vaardigheden een rol spelen bij het slagen in een baan.

    Wat stelde Hogan voor met betrekking tot fysieke capaciteiten?

    Hogan suggereerde dat zeven fysieke capaciteiten voldoende waren voor het analyseren van de meeste banen. Ze combineerde deze zeven basisbeschrijvingen tot drie hogere orde fysieke vaardigheden:

    1. Spierkracht

    2. Cardiovasculaire uithoudingsvermogen

    3. Bewegingskwaliteit

    Voor de meeste banen is deze taxonomie waarschijnlijk voldoende

    Het is belangrijk om te kijken of testen die de fysieke capaciteiten van sollicitanten meten eerlijk zijn ten opzichte van vrouwen en oudere mensen. Met het ouder worden, verliezen mensen aan: spiermassa, uithoudingsvermogen en flexibiliteit.

    Gemiddeld genomen hebben vrouwen minder spiermassa en uithoudingsvermogen dan mannen. Daarentegen scoren vrouwen over het algemeen beter op flexibiliteit dan mannen. Vrouwen en mannen van alle leeftijden kunnen hun individuele fysieke vaardigheden vergroten door middel van lichaamsbeweging en training. Bovendien vereisen veel banen een vast niveau van kracht en uithoudingsvermogen, waar meer niet altijd beter is.

    Wat zijn zintuiglijke capaciteiten?

    Zintuiglijke capaciteiten zijn de fysieke functies van zicht, gehoor, aanraking, smaak, reuk en kinesthetische feedback.

    Wat zijn psychomotorische capaciteiten?

    Psychomotorische capaciteiten zijn fysieke functies van beweging die geassocieerd worden met coördinatie, behendigheid en reactietijd. Dit wordt ook wel sensomotorische capaciteiten genoemd.

    Waarom is persoonlijkheid in relatie tot werk belangrijk?

    Veel psychologen zijn het er over eens dat persoonlijk niet alleen algemeen gedrag en gevoel van geluk voorspelt, maar ook specifiek werkgerelateerd gedrag. Dit soort gedrag omvat:

    • Prestatie

    • Ziekteverzuim

    • Contraproductief werkgedrag

    • Team effectiviteit

    Barrick en Mount geven de volgende zeven redenen waarom persoonlijkheid van belang is op het werk:

    1. Managers vinden persoonlijkheid net zo belangrijk als intelligentie tijdens het beslissen wie ze in dienst zullen nemen.

    2. Veel onderzoeken tonen het belang aan van verschillende persoonlijkheidsmetingen bij het voorspellen van zowel algemene werkprestaties als specifieke prestatieaspecten.

    3. De relatie tussen persoonlijkheid en werkprestatie wordt sterker als men persoonlijkheidskenmerken samen in acht neemt.

    4. De voorspelling van werkprestatie wordt beter als persoonlijkheid ook wordt gemeten in plaats van alleen intelligentie of ervaring.

    5. Er zijn veel kleinere verschillen tussen leeftijd, geslacht en etnische minderheden wat betreft persoonlijkheidsmetingen dan wat betreft intelligentie.

    6. Persoonlijkheidsmetingen voorspellen niet alleen gedrag op korte termijn, maar ook verre resultaten, zoals carrièresucces.

    7. Persoonlijkheidsmetingen voorspellen een breed scala aan uitkomsten die belangrijk zijn voor managers.

    Wat is de Big Five?

    De Big Five is een taxonomie van vijf persoonlijkheidsfactoren. Het wordt ook het vijf factoren model genoemd. Volgens dit model kan een individu worden beschreven op basis van waar de persoon valt op vijf dimensies (OCEAN):

    1. Openheid voor ervaringen

    2. Consciëntieusheid (neiging om verantwoordelijk, georganiseerd, planmatig en prestatiegericht te zijn)

    3. Extraversie

    4. Aangenaamheid (Sympathiek, makkelijk om mee om te gaan, aardig)

    5. Neuroticisme (Emotionele stabiliteit)

    Het model is een goede manier om een breed begrip te krijgen van de structuur van persoonlijkheid, maar het kan iets te algemeen zijn om met specifieke aspecten van werkgedrag om te gaan.

    Het idee van een functionele persoonlijkheid aan het werk ontstond. Daarbij gaat men ervan uit dat succes niet door een enkele factor voorspeld wordt, maar door een combinatie van factoren.

      Er is discussie over of het beter is om gebruik te maken van brede of smalle persoonlijkheidsdimensies bij het voorspellen van werkprestatie. Brede persoonlijkheidsdimensies verwijzen naar de dimensies van de Big Five. Smalle persoonlijkheidsdimensies verwijzen naar subfactoren van de dimensies van dit model. Het blijkt dat smalle persoonlijkheidsdimensies nuttig zijn in het voorspellen van zeer specifiek werkgedrag en dat brede persoonlijkheidsdimensies nuttig zijn in het voorspellen van breder gedrag.

      Barrick en Mount toonden met hun onderzoek aan dat persoonlijkheid een grotere voorspellende waarde heeft in banen waarbij de werknemer veel controle (autonomie) heeft dan in banen waar er weinig controle is.

      Welke aanvullende eigenschappen worden ook als belangrijk gezien?

      Sommige wetenschappers stellen de volgende eigenschappen voor om mee te nemen in onderzoek naar individuele verschillen:

      • Vaardigheden: handelingen die afhankelijk zijn van oefening. Naast oefening zijn ze ook afhankelijk van bepaalde capaciteiten, persoonlijkheidskenmerken en kennis. Belangrijk hier is de term sociale vaardigheden. Dat is een niet-technische term die onderhandelingsvaardigheden, communicatieve vaardigheden en vaardigheden voor conflictoplossing omvat.

      • Kennis: van kennis wordt gedacht dat het toeneemt als gevolg van ervaring. Er bestaan verschillende vormen van kennis, namelijk: stilzwijgende kennis, procedurele kennis en verklarende kennis. Stilzwijgende kennis is actiegerichte, doelgerichte kennis, opgedaan zonder directe hulp van anderen. Procedurele kennis is het bekend zijn met een procedure of proces; weten ‘hoe’. Verklarende kennis is het begrijpen wat nodig is om een taak uit te voeren.

      • Competenties: sets van gedragingen die een rol spelen bij het bereiken van de gewenste organisatorische resultaten. Competenties hebben alleen betekenis in het licht organisatiedoelen.

      • Emotionele intelligentie (EI): een voorgestelde soort intelligentie gericht op het bewustzijn van mensen van hun eigen emoties en die van anderen. Twee belangrijke vragen rondom EI zijn: Is EI een vorm van intelligentie, een ontwikkelde vaardigheid of een persoonlijkheidskenmerk? Hoe kan EI worden gemeten?

      Wat zijn de grondslagen van beoordeling (assessment)?

      Welke kritiek is er over het algemeen over psychologisch testen?

      Voor elke gestandaardiseerde test zullen er critici zijn die beweren dat de standaardisatie ervoor zorgt dat de ‘essentie’ van de persoon niet wordt belicht. Voor elke niet-gestandaardiseerde voorstel zullen er critici zijn die zullen beweren dat het gebrek aan standaardisatie de weg vrij maakt voor vriendjespolitiek. Psychologische toetsing zal naast inhoudelijke en procesgerelateerde zaken altijd een waardecomponent hebben.

      Wat is een test?

      Een test is een objectieve en gestandaardiseerde procedure voor het meten van een psychologisch construct aan de hand van een steekproef van gedrag.

      Betekenis aan een testscore wordt vaak gegeven via een proces genaamd normering. Normering is het vergelijken van een testscore met andere relevante testscores. Testscores worden vaak geïnterpreteerd ten opzichte van een normgroep. Een normgroep is een groep wiens testscores worden gebruikt om een individuele testscore mee te vergelijken of te begrijpen.

      Een testbatterij is een verzameling tests die gewoonlijk verschillende capaciteiten beoordelen. Deze capaciteiten kunnen vallen binnen één gebied, maar de capaciteiten kunnen ook van conceptueel verschillende gebieden zijn. De term ‘batterij’ geeft over het algemeen aan dat de tests in één keer afgenomen zullen worden of in een hele korte periode.

      Er volgen een aantal termen die belangrijk zijn om te kennen en te begrijpen:

      • Snelheidstest: is een test met strakke en veeleisende tijdslimieten.

      • Vermogenstest: is een test zonder strakke tijdslimieten.

      • Groepstest: is een test die kan worden afgenomen bij grote groepen individuen; vaak waardevol bij het verlagen van de kosten van het testen van veel aanvragers.

      • Individuele test: is een test die alleen op individuele basis wordt gegeven.

      • Papier-en-potloodtest: is een van de meest voorkomende vormen van industriële tests waarbij geen manipulatie van andere objecten vereist is dan het instrument dat wordt gebruikt om te reageren.

      • Prestatietest: is een test waarbij het individu moet reageren door een bepaald fysiek object of apparaat te manipuleren.

      Welke drie termen onderscheiden Murphy en Davidshofer wanneer ze tests en testafname bespreken?

      Wanneer Murphy en Davidshofer spreken over tests en testafname maken ze onderscheid tussen de volgende drie termen:

      1. Bias: is een technische en statistische term die uitsluitend betrekking heeft op een situatie waarin een bepaalde test resulteert in een voorspellingsfout voor een subgroep.

      2. Eerlijkheid: is een waardeoordeel over acties of beslissingen op basis van testscores.

      3. Cultuur: is een systeem waarin individuen betekenissen en gemeenschappelijke manieren delen om gebeurtenissen en objecten te bekijken.

      Het is belangrijk om over deze drie termen na te denken bij het bespreken van tests en testafname.

      Wat zijn beoordelingsprocedures?

      Waarom is het belangrijk om onderscheid te maken tussen wat er wordt beoordeeld (inhoud) en hoe het wordt beoordeeld (proces)?

      Werknemers en sollicitanten verwarren vaak de inhoud van het testen met het proces van testen. Het is wel belangrijk om hier goed onderscheid in te maken, omdat er vaak beweringen worden gedaan over de validiteit van het interview. De validiteit is echter niet echt afhankelijk van het proces waarmee informatie wordt verzameld, maar wel van de inhoud van die informatie.

      Wat zijn cognitieve capaciteiten tests?

      Een cognitieve capaciteitentest is een test waarmee individuen kunnen aantonen wat ze weten, waarnemen, onthouden, begrijpen of waarmee ze mentaal kunnen werken.

      In meer dan honderd jaar van cognitieve capaciteitentests zijn er geweest:

      • tests die één getal produceren dat bedoeld is om de cognitiecapaciteit weer te geven;

      • tests van specifieke capaciteiten;

      • testbatterijen die beweren verschillende facetten van cognitieve capaciteit te meten.

      Wat is een kennistest?

      Een kennistest is een test die beoordeelt in hoeverre individuen cursus- of trainingsmateriaal begrijpen.

      Er bestaan ook tests voor psychomotorische capaciteiten. Psychomotorische capaciteiten zijn
      fysieke bewegingsfuncties, geassocieerd met coördinatie, behendigheid en reactietijd.

      Verder bestaan er ook:

      • Screen-out test: is een test die wordt gebruikt om kandidaten te elimineren die duidelijk ongeschikt zijn voor een baan.

      • Screen-in test: een test die wordt gebruikt om informatie toe te voegen over de positieve eigenschappen van een kandidaat die uitstekende prestaties zouden kunnen voorspellen.

      Waarom willen werkgevers dat er op eerlijkheid wordt getest?

      Er is behoorlijk wat enthousiasme ontstaan voor het testen van eerlijkheid en integriteit in de afgelopen 15 tot 20 jaar om verschillende redenen, namelijk:

      • Oneerlijke werknemers kosten veel geld, terwijl hierop testen goedkoop is.

      • Zulke testen hebben een goed voorspellend vermogen.

      • In 1988 is er een wet aangenomen dat het gebruik van een polygraaf voor het screenen van eerlijkheid bij werknemers voor het aanbieden van een baan sterk reduceerde.

      • Daar waar het gebruik van een polygraaf wel is toegestaan, is het nog steeds goedkoper om een eerlijkheids-/integriteitstest te gebruiken.

      Er bestaan twee verschillende soorten van integriteitstesten:

      1. Openlijke integriteitstest: is een test die rechtstreeks vragen stelt over eerlijkheidsgedrag uit het verleden en de houding ten opzichte van verschillende soorten gedrag, zoals diefstal van werknemers.

      2. Op persoonlijkheid gebaseerde integriteitstest: is een test die eerlijkheid en integriteit afleidt uit vragen die te maken hebben met brede constructies zoals consciëntieusheid, betrouwbaarheid en sociale verantwoordelijkheid en bewustzijn.

      Onderzoeksresultaten laten zien dat mensen die slecht scoren op integriteitstests slechtere werknemers zullen zijn om verschillende redenen. Ze zijn sneller geneigd om te stelen, afwezig te zijn of tonen contraproductief gedrag. Toch zijn er nadelen aan integriteitstests volgens Murphy en Davidshofer:

      • Het is moeilijk om te weten wat een integriteitstest exact meet.

      • Sollicitanten worden niet vaak geïnformeerd over hun score.

      • Scores op integriteitstests worden vaak gerapporteerd als ‘aangeraden’ – ‘niet aangeraden’. Dit vergroot de kans op vals negatief.

      Een punt toegevoegd door Cascio is:

      • Veel werkgevers en testmakers zien eerlijkheid als een eigenschap zoals intelligentie. Toch kan iemand wat dit betreft makkelijker veranderen en eerlijker worden dan dat geldt voor intelligentie.

      Wat is een gestructureerd interview?

      Een gestructureerd interview is een beoordelingsprocedure die bestaat uit zeer specifieke vragen die aan elke kandidaat worden gesteld; bevat strak ontworpen scoreschema's met gedetailleerde contouren voor de interviewer met betrekking tot het toekennen van beoordelingen of scores op basis van interviewprestaties.

      Een situationeel interview bestaat ook. Dat is een beoordelingsprocedure waarin de geïnterviewde wordt gevraagd om gedetailleerd te beschrijven hoe hij of zij zou reageren in een hypothetische situatie. Dit is een subcategorie van de gestructureerde interviews.

      Er bestaan ook ongestructureerde interviews. Dat is een interviewvorm met vragen die per kandidaat kunnen verschillen en waarmee de kandidaat in elke gewenste vorm kan antwoorden.

      Wat is een beoordelingscentrum?

      Een beoordelingscentrum is een verzameling van evaluatieprocedures die worden toegediend aan groepen individuen.

      Meer beoordelingscentra delen de volgende kenmerken:

      • Beoordeling wordt gedaan in een groep.

      • Beoordeling wordt gedaan door groepen.

      • Meerdere methodes van beoordeling worden toegepast.

      • Beoordelingscentra roepen een ‘gevoel’ van relevantie op bij zowel de diegene die afneemt als degene bij wie het wordt afgenomen.

      Wat zijn Work Sample tests?

      Een work sample test is een beoordelingsprocedure die werkvaardigheden meet door gedragssteekproeven te nemen onder realistische werkomstandigheden.

      Verder bestaat er ook de situationele beoordelingstest. Dat is een papier-en-potlood test die de kandidaat een schriftelijk scenario voorlegt en de kandidaat vraagt om uit een reeks mogelijke antwoorden het beste antwoord te kiezen.

      Wat zijn speciale aspecten van beoordeling?

      Wat is incrementele validiteit?

      Incrementele validiteit is de waarde in termen van verhoogde validiteit van het toevoegen van een bepaalde voorspeller aan een bestaand selectiesysteem.

      Bij beoordelingen gaat het vaak niet om welk instrument er wordt gebruikt, maar wel welke combinatie van instrumenten er wordt gebruikt. Het best is om te zoeken naar de combinatie met de grootst voorspellende waarde, terwijl de kosten laag blijven.

      Wat is biodata?

      Biodata is de informatie verzameld op een blanco sollicitatie of in een gestandaardiseerde test die vragen bevat over eerdere banen, onderwijs, gespecialiseerde training en persoonlijke geschiedenis. Dit worden ook wel biografische gegevens genoemd.

      Het ecologiemodel is het onderliggende model voor biodata-instrumenten over levensgeschiedenis. Het stelt voor dat de gebeurtenissen in de geschiedenis van een persoon keuzes vertegenwoordigen die het individu heeft gemaakt om met zijn of haar omgeving om te gaan. Deze keuzes kunnen wijzen op vaardigheden, interesses en persoonlijkheidskenmerken. Gegevens over iemands persoonlijke geschiedenis kan gebruikt worden als toevoeging bij andere beoordelingsinformatie.

      Er zijn wat zorgen of items van biodata gevoelig zijn voor vervalsing, of op zijn minst vatbaar zijn voor sociale wenselijk reageren. Sociaal wenselijk (social desirability) is het verlangen om aantrekkelijk te zijn voor anderen.

      Wat zijn minimumkwalificaties?

      In de publieke sector is er een algemeen toegepast concept dat bekend staat als minimumkwalificaties. Minimumkwalificaties omvatten meestal een combinatie van opleiding en ervaring, en ze worden gebruikt om ervoor te zorgen dat personen die als legitieme sollicitanten willen worden beschouwd, over de vereiste formele opleiding en / of ervaring beschikken om een functie aan te nemen zonder verdere opleiding of ervaring. Dat betekent niet dat de kandidaten niet gevraagd worden om aanvullende beoordelingsoefeningen te doen. Het betekent wel dat sollicitanten die de genoemde minimale kwalificaties niet hebben, niet in aanmerking komen voor latere beoordeling van de functie.

      Bijna elke test op papier is ook voorhanden op de computer en op het internet. Het reduceert de tijd en moeite die een sollicitant er anders in moet steken en een werkgever kan veel informatie snel verwerken om vervolgens te gebruiken bij het kiezen van de werknemer. Verder is de verscheidenheid aan test die via de computer afgenomen kunnen worden bijna grenzeloos.

      Een manier van testen dat mogelijk is geworden door computers is Computer Adaptive Testing. Computer Adaptive Testing (CAT) is een soort test waarbij een testpersoon een aantal items krijgt die het moeilijkheidsniveau van de test dekken, het geschatte vaardigheidsniveau van een testpersoon identificeert en vervolgens alleen vragen stelt om het niveau van de testpersoon verder vast te stellen binnen dat vaardigheidsniveau. Hierbij is de routing test van belang. Dat is een voorlopige test die wordt gebruikt bij Computer Adaptive Testing die het geschatte vaardigheidsniveau van een testpersoon identificeert voordat aanvullende vragen worden gesteld om de positie van de testpersoon binnen dat vaardigheidsniveau te verfijnen.

      Access: 
      Public
      Wat zijn baananalyse en prestatie? - Chapter 4

      Wat zijn baananalyse en prestatie? - Chapter 4

      Wat is een basismodel van prestatie?

      Psychologie gaat over gedrag. Arbeidspsychologie gaat daarom over het gedrag van werkenden of de prestaties van werkenden.

      Wat is prestatie?

      Prestatie verwijst naar de gedragingen die relevant zijn voor de doelen van de organisatie. Dit wordt vaak gemeten in termen van de vaardigheden van een individu.

      Effectiviteit is de evaluatie van de resultaten van prestaties. De variatie in een maatstaf voor effectiviteit wordt vaak beheerst door factoren die verder gaan dan de acties van een individu.

      Daarnaast is productiviteit de ratio van effectiviteit verhouding tussen effectiviteit en de kosten om dat niveau van effectiviteit te bereiken.

      Campbell ontwikkelde na uitgebreid onderzoek een hiërarchisch model van werkprestatie. Hij kwam met drie directe determinanten voor werkprestatie:

      • Verklarende kennis (VK): begrijpen wat nodig is voor het uitvoeren van een taak.

      • Procedurele kennis en vaardigheid (PKV): weten hoe een baan of taak uit te voeren.

      • Motivatie (M): gaat over de omstandigheden die verantwoordelijk zijn voor variaties in intensiteit, doorzetten, kwaliteit, etc.

      Het model van Campbell gaat er vanuit dat veel van de variabelen besproken in het boek een indirecte invloed hebben op prestatie. Deze variabelen kunnen alleen prestatie beïnvloeden door het niveau van VK, PKV of M te veranderen.

      De determinanten van prestatie zijn geen gedragingen. Het model heeft daarom ook de daadwerkelijke prestatiecomponenten. Het onderzoek van Campbell identificeerde acht van zulke componenten. Niet elk component zal in elke baan voorkomen.

      Welke twee concepten worden door het model van Campbell geïntroduceerd?

      Twee concepten die door het model van Campbell zijn geïntroduceerd zijn:

      • Criteriumgebrek: is een situatie die zich voordoet wanneer een feitelijk criterium informatie mist die deel uitmaakt van het gedrag dat men probeert te meten.

      • Criterium besmetting: is een situatie die zich voordoet wanneer een feitelijk criterium informatie bevat die geen verband houdt met het gedrag dat men probeert te meten.

      In een ideale wereld zouden onderzoekers in staat zijn om alle relevante aspecten van werkprestatie perfect te meten. Zo een meting zou het ultieme criterium heten. Om dat het niet mogelijk is om alle aspecten perfect te meten, zullen onderzoekers het moeten doen met het eigenlijke criterium. Een besmet eigenlijk criterium omvat ook informatie die niet gerelateerd is aan het gedrag dat onderzoekers proberen te meten.

      Wat zijn uitbreidingen van het basis prestatiemodel?

      Een aantal jaar geleden bedachten Organ en zijn collega’s de term organisatorische burgerschapsgedrag. Dit verwijst naar gedrag dat verder gaat dan verwacht wordt. Ook ontwikkelden ze vragenlijsten om dit gedrag bij werkenden vast te stellen. De vragenlijsten lijken twee aparte aspecten van organisatorische burgerschapsgedrag vast te stellen, namelijk:

      • Altruïsme. Dat is behulpzaam gedrag gericht op individuen binnen de organisatie.

      • Algemene naleving. Dat is gedrag dat nuttig is voor de bredere organisatie.

      Het lijkt er op dat organisatorisch burgerschap sterk gerelateerd is met het feit dat werk samenwerking vraagt in plaats van dat het een individuele inzet is.

      Wat is contraproductief werkgedrag?

      Contraproductief werkgedrag is vrijwillig gedrag dat organisatorische normen significant schendt en het welzijn van de organisatie, de werkenden in de organisatie of beide bedreigt.

      Drie veel voorkomende contraproductieve gedragingen zijn:

      • Oneerlijkheid. Werknemer die producten steelt en tijd steelt of oneerlijk communiceert met klanten, collega’s of het management.

      • Ziekteverzuim. Het nalaten van een werknemer om zich te melden voor of op het werk te blijven zoals gepland.

      • Sabotage. Handelingen die de activiteiten van de organisatie beschadigen, verstoren of ondermijnen voor persoonlijke doeleinden van de saboteur door het creëren van ongunstige publiciteit, schade aan eigendommen, vernietiging van werkrelaties of schade toebrengen aan werknemers of klanten.

      Persoonlijkheidsfactoren zijn het sterkst gerelateerd aan contraproductief gedrag, maar vergeet andere belangrijke factoren niet, zoals gevoelens van onrechtvaardigheid.

      Wat is adaptieve prestatie?

      Adaptieve prestatie is een prestatiecomponent dat flexibiliteit en de vaardigheid om zich aan te passen aan de omgeving omvat. Pulakos omschreven de situaties van hedendaagse werkplekken waarbij dit goed van pas komt:

      • Veranderen van technologieën veranderen werktaken.

      • Fusies, inkrimping en herstructurering van bedrijven vragen van werknemers om nieuwe vaardigheden aan te leren.

      • Globalisatie vraagt van individuen om te werken in en met verschillende culturen.

      Wat is een deskundige prestatie?

      Een deskundige prestatie is een prestatie getoond door degenen die al minstens 10 jaar oefenen en gemiddeld vier uur per dag aan doelbewuste oefening besteden.

      Welke vormen van prestatiemetingen zijn er?

      Er wordt binnen de arbeids- en organisatiepsychologieliteratuur over het algemeen onderscheid gemaakt tussen drie verschillende categorieën van prestatie-indicatoren:

      • Beoordelingsmetingen: evaluatie van de effectiviteit van iemands werkgedrag.

      • Personeelsmetingen: metingen die over het algemeen in een dossier worden bewaakt, zoals afwezigheid, te laat komen, ongelukken, etc.

      • Objectieve prestatiemetingen: normaal gesproken een kwantitatieve telling van de resultaten van het werk.

      Wat is een baananalyse?

      Baananalyse is een proces waarbij de belangrijke taken van een baan worden bepaald en ook de menselijk eigenschappen die nodig zijn om de taken succesvol af te ronden.

      De resultaten van een baananalyse kunnen bruikbaar zijn voor verschillende doeleinden, zoals bij het omschrijven van de baan, rekruteren, selectie, training, compensatie, promoties, baanontwerp, herstructurering/vermindering van het personeelsbestand, ontwikkelen van een criterium, evalueren van prestatie en bij rechtszaken.

      Welke soorten baananalyses zijn er?

      Er zijn twee soorten van baananalyses:

      1. Taakgerichte baananalyses: benadering die begint met een verklaring van de feitelijke taken en wat wordt bereikt door die taken.

      2. Op de werkende gerichte baananalyse: benadering die zich richt op de eigenschappen van de werkende, waarbij het gaat om de eigenschappen die n

      Welke benadering ook gekozen wordt, de volgende stap in de baananalyse is het identificeren van de KSAOs (uit hoofdstuk 3) die iemand nodig heeft om de taken uit te voeren. KSAOs zijn individuele eigenschappen van kennis, vaardigheden en andere kenmerken die nodig zijn om succesvol zijn in een baan. Na het identificeren van deze KSAOs kunnen tests gekozen worden om de KSAOs te meten.

      Informatie over de baan is de ruggengraat van de analyse en er zijn veel verschillende manieren om deze informatie te vergaren. Sommige van de veelgebruikte methoden voor baananalyse zijn de volgende:

      • Observatie.

      • Interviews.

      • Kritieke incidenten en werkdagboeken. Kritieke incidenten techniek is een benadering
        waarin vakexperts worden gevraagd om kritische aspecten van gedrag of prestaties in een bepaalde functie te identificeren die tot succes of mislukking hebben geleid.

      • Vragenlijsten.

      Welke nieuwe ontwikkelingen zijn er op het gebied van baananalyse?

      Wat is elektronische prestatiebewaking?

      Elektronische prestatiebewaking zijn werkprocessen met elektronische apparaten. Het kan zeer kosteneffectief zijn en kan gedetailleerde en nauwkeurige werklogboeken opleveren.

      Wat is cognitieve taakanalyse?

      Cognitieve taakanalyse is een proces dat bestaat uit methoden voor is een proces dat bestaat uit methoden om taak- en taakprestaties op te splitsen in discrete, meetbare eenheden, met speciale nadruk op het uitlokken van mentale processen en kennisinhoud.

      Een voorloper van cognitieve taakanalyse is een techniek die bekend staat als een hardop-denkprotocol. Dit is een benadering die door cognitieve psychologen wordt gebruikt om de denkprocessen te onderzoeken van experts die hoge prestatieniveaus bereiken. Bij een dergelijke benadering beschrijft een deskundige in woorden het denkproces dat hij of zij gebruikt om een taak te volbrengen.

      Een cognitieve taakanalyse kan een nuttige toevoeging zijn aan de baananalyse. Nadelen zijn er ook. Zo kost een cognitieve taakanalyse veel tijd. DuBois bedacht de volgende indicatoren die werkgevers in overweging kunnen nemen bij het bepalen of een cognitieve taakanalyse iets zal toevoegen:

      • Er zijn continue prestatieproblemen.

      • Er worden kostbare fouten of ongelukken gemaakt.

      • Opleiding is moeilijk over te brengen naar werkgedrag.

      • Het duurt lang voordat hoge niveaus van prestatie worden bereikt.

      Er kunnen een paar algemene conclusies getrokken worden over het proces van een baananalyse:

      • Hoe meer informatie men kan verzamelen uit het grootste aantal bronnen, des te beter zal men de baan waarschijnlijk begrijpen.

      • Taakgebaseerde analyses zijn voor veel doeleinden minder nuttig dan op werknemers of gedrag gebaseerde analyses.

      • De meeste functieanalyses moeten overwegingen van persoonlijkheidseisen en werkcontext omvatten.

      Wat is competentiemodellering?

      Competentiemodellering is een proces is een proces dat de gewenste kenmerken identificeert voor alle individuen en banen binnen een organisatie. Deze kenmerken moeten gedrag voorspellen voor een breed scala aan taken en instellingen en de organisatie voorzien van een reeks kernkenmerken die haar onderscheiden van andere organisaties.

      Bij het bepalen hoeveel salaris individuen binnen de organisatie krijgen, moeten werkgevers twee perspectieven overwegen:

      • Een extern perspectief: hoeveel betaalt de markt voor mensen met bepaalde banen?

      • Een intern perspectief: de organisatie heeft een vaststaand bedrag om te verdelen over de werknemers. Hoe wordt dat bedrag verdeeld?

      Voor het maken van de interne beslissingen kan er gebruik gemaakt worden van een baanevaluatie. Een baanevaluatie is een methode voor het nemen van interne loonbeslissingen door functietitels met elkaar te vergelijken en door middel van deze vergelijkingen hun relatieve verdiensten te bepalen.

      De meeste baanevaluaties identificeren compensabele factoren. Dat zijn factoren in een baanevaluatiesysteem die punten krijgen die later worden gekoppeld aan vergoedingen voor verschillende functies binnen de organisatie. Deze factoren hebben vaak te maken met vaardigheden, verantwoordelijkheid, en werkomstandigheden.

      Vergelijkbare waarde is het idee dat mensen die banen uitvoeren die vergelijkbaar zijn met de waarde van de organisatie, een vergelijkbaar salaris moeten ontvangen.

      Access: 
      Public
      Wat zijn prestatiemetingen? - Chapter 5

      Wat zijn prestatiemetingen? - Chapter 5

      Wat zijn de basisconcepten bij het meten van prestatie?

      Arbeids- en organisatiepsychologen weten dat het meten van prestatie belangrijk is, omdat het managers helpt om evidence-based beslissingen te maken over belangrijke zaken. De volgende zaken worden het meest gemeten: criterium data, ontwikkeling van de werknemer, motivatie/tevredenheid, beloningen, overdracht, promotie en ontslag.

      Wat zijn objectieve prestatiemaatstaven?

      Objectieve prestatiemaatstaven zijn over het algemeen kwantitatieve tellingen van de resultaten van geleverd werk.

      Drie conclusies kunnen getrokken worden uit onderzoeksresultaten:

      • Elke vorm van prestatie meting geeft een ander perspectief van prestatie.

      • Men kan daarom niet zomaar een objectieve maat vervangen door een prestatiebeoordeling (rating) en vice versa.

      • Objectieve maten zijn niet per definitie betrouwbaarder. En deze maten zijn vaak beperkte in hun bereik dan beoordelingsmaten. Volgens Campbell kunnen beoordelingsprestatiematen makkelijker de nuances en complexiteit van werkprestatie oppikken dan objectieve maten.

      Beoordelingsprestatiematen zijn de evaluatie van de effectiviteit van iemands werkgedrag, meestal door leidinggevenden in de context van een jaarlijkse prestatie-evaluatie.

      Wat zijn hands-on prestatiemaatstaven?

      Hands-on prestatiemaatstaven zijn een soort meting waarbij een werknemer werkgerelateerde taken moet uitvoeren. Het bevat meestal zorgvuldig opgebouwde simulaties van belangrijke stukken werk waarbij afzonderlijke werknemers betrokken zijn.

      Een uitbreiding van de hands-on methodologie staat bekend als walk-through testing. Dat is een soort meting waarbij een werknemer aan een interviewer in detail moet beschrijven hoe hij een taak met betrekking tot werkgerelateerd gedrag kan voltooien.

      Wat zijn elektronische prestatiemaatstaven?

      Elektronische prestatiemaatstaven zijn ervoor het bewaken van werkprocessen met behulp van elektronische apparaten. Het kan zeer kostenbesparend zijn en kan gedetailleerde en nauwkeurige werklogboeken opleveren.

      Tegenstanders van deze manier van meten beargumenteren dat het onder andere:

      • een inbreuk van privacy is;

      • het vertrouwen ondermijnt;

      • de autonomie vermindert;

      • stress veroorzaakt;

      • leidt tot een vermindering van productiviteit bij de werknemer.

      Sommige onderzoeksresultaten tonen aan dat werknemers positief tegen elektronische prestatiemaatstaven staan als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

      • Werknemers geloven dat de gemeten activiteiten werkgerelateerd zijn.

      • Werknemers hebben de mogelijkheid om mee te werken aan het ontwerp of implementatie van het systeem.

      • Werknemers hebben de mogelijkheid op het monitoren te vertragen of te voorkomen op bepaalde momenten.

      • Werknemers zijn op tijd gewaarschuwd dat het monitoren zal plaatsvinden.

      Zulke onderzoeken zijn vooral gedaan met studenten en dat maakt het moeilijker te concluderen of deze conclusies ook voor het werkveld gelden.

      Wat is prestatiebeheer?

      Prestatiebeheer verwijst naar een systeem dat het verband tussen individueel gedrag en organisatiestrategieën en doelen benadrukt door prestaties te definiëren in de context van die doelen.

      Wat zijn prestatiebeoordelingen?

      Rotundo en Sackett ontdekten dat algemene beoordelingen van prestatie beïnvloed worden door drie factoren:

      1. Taakprestatie: bekwaamheid waarmee werknemers activiteiten uitvoeren die formeel worden erkend als onderdeel van hun baan.

      2. Organisatorisch burgerschap: gedrag dat verder gaat dan wordt verwacht.

      3. Contraproductief werkgedrag: vrijwillige gedrag dat belangrijke normen van de organisatie schendt en bedreigt het welzijn van de organisatie, haar leden, of beide.

      Het relatieve belang van deze factoren verschillende niet voor banen.

      Kritieke incidenten zijn voorbeelden van gedrag dat cruciaal lijkt om te bepalen of de prestaties op specifieke prestatiegebieden goed, gemiddeld of slecht zijn.

      Ongeacht welke techniek er wordt gebruikt om informatie over prestaties te verzamelen, de kenmerken van de schaal die wordt gebruikt, kunnen ook van invloed zijn op de validiteit van de resulterende beoordelingen. Er zijn drie fundamentele kenmerken van beoordelingsschalen:

      1. De mate waarin de mate waarin de taak (duties) die wordt beoordeeld, gedragsmatig is gedefinieerd. Duties verwijst naar een groep van gelijke taken. Elke taak omvat een werksegment dat gericht is op een van de algemene doelen van een baan.

      2. De mate waarin de betekenis van de reactiecategorieën is gedefinieerd.

      3. De mate waarop een persoon die de beoordelingen interpreteert, kan begrijpen welke reactie de beoordelaar bedoelde.

      Grafische beoordelingsschalen zijn een grafische weergave van prestatiescores die lopen van hoog aan de ene kant tot laag aan de andere kant. Grafische beoordelingsschalen hebben een negatief imago, maar het kan net zo effectief zijn als elk andere weergave als het het volgende heeft: goed gedefinieerde afmetingen; begrijpelijke en correct geplaatste ankers; een ondubbelzinnige methode om beoordelingen aan individuen toe te kennen.

      Een andere manier om informatie te verzamelen is door middel van een checklist. Een checklist is een lijst met gedragingen gepresenteerd aan een beoordelaar, die een vinkje plaatst naast elk van de items die de beoordeling het beste beschrijven. Belangrijke termen hier zijn:

      • Gewogen checklist: is een checklist met items waaraan waarden zijn toegekend die zijn afgeleid van de deskundige oordelen van betrokken partijen en leidinggevenden van de betreffende functie.

      • Gedwongen-keuze vorm: is een vorm dat ervoor zorgt dat de beoordelaar twee stellingen van de vier moet kiezen.

      Op gedrag verankerde beoordelingsschalen is een beoordelingsindeling die gedragsankers bevat die beschrijven wat een werknemer heeft gedaan of verwacht kan worden te doen in een bepaald werkgebied. Hieruit vloeide de gedragsobservatieschaal. Dat is een format dat de beoordelaar vraagt na te denken over hoe vaak een medewerker op een bepaalde manier handelt.

      Wat zijn methoden voor werknemersvergelijking?

      Methoden voor werknemersvergelijking zijn een vorm van evaluatie die de directe vergelijking van één persoon met een ander persoon omvat. Twee soorten van deze methoden komen aan bod:

      • Eenvoudige rangschikking: rangorde van werknemers van boven naar beneden op basis van hun beoordeelde vaardigheid op een bepaalde dimensie, taak, gebied of norm.

      • Gepaarde vergelijking: techniek waarbij elke werknemer in een werkgroep of een verzameling individuen met dezelfde functietitel wordt vergeleken met elk ander individu in de groep op de verschillende beschouwde dimensies.

      De gepaarde vergelijking heeft twee grote minpunten:

      • Het kost veel tijd.

      • Het geeft geen duidelijke standaard voor het beoordelen van prestatie.

      Hoe verloopt het proces van beoordeling?

      Wat is 360-graden feedback?

      360-graden feedback is een proces van het verzamelen en voorzien van feedback uit vele bronnen aan een manager. Dat kunnen de volgende bronnen zijn:

      • Supervisors.

      • Collega’s.

      • Eigen beoordeling over zichzelf.

      • Ondergeschikten.

      • Klanten.

      Wat zijn beoordelingsfouten?

      Beoordelingsfouten zijn fouten in beoordeling die echte fouten kunnen zijn, maar ook opzettelijke fouten. De volgende soorten fouten worden benoemd:

      1. Central tendency error: fout waarbij beoordelaars een middelpunt op een schaal kiezen om prestaties te beschrijven, ook al zou een extremer punt de werknemer misschien beter omschrijven.

      2. Clementiefout: een fout waarbij beoordelaars ongewoon aardig of makkelijk zijn in hun beoordeling.

      3. Zwaarte fout: een fout waarbij beoordelaars ongewoon hard zijn hun beoordeling.

      4. Halo-fout: fout die optreedt wanneer een beoordelaar dezelfde beoordeling toekent aan een werknemer voor een reeks dimensies, waardoor een halo ontstaat die alle beoordelingen omringt, waardoor ze vergelijkbaar zijn.

      Fouten kunnen onbedoeld zijn, waarbij beoordelaars onbewust zijn van invloeden op hun beoordeling. Beoordelaars kunnen ook heel goed weten wat ze aan het doen zijn en de fouten bewust maken. Sommige fouten kunnen echter door training worden voorkomen. De volgende trainingen worden genoemd:

      • Administratieve training.

      • Psychometrische training.

      • Frame-of-reference training.

      De frame-of-reference training is een training gebaseerd op de aanname dat een beoordelaar een context nodig heeft om een beoordeling te geven. Dit omvat het verstrekken van informatie over de multidimensionale aard van prestaties, ervoor zorgen dat beoordelaars de betekenis van ankers op de schaal begrijpen, deelnemen aan oefenbeoordelingsoefeningen, en feedback geven op praktijkoefeningen.

      Arbeids- en organisatiepsychologen blijven zich zorgen maken over de betrouwbaarheid en validiteit van prestatiebeoordelingen. De relatief lage interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van prestatiebeoordelingen is waarschijnlijk het gevolg van het verschillende gedrag dat door elke informatiebron wordt beschreven. De uitdaging is om die bronnen goed te combineren om het volledige beeld van prestatie te krijgen. Hierbij geldt dat hoe meer informatie wordt verzameld, hoe uitgebreider en nauwkeuriger de volledige schatting van de prestatie zal zijn.

      Wat is de sociale context van de evaluatie van prestatie?

      Verschillende beoordelaars kunnen verschillende redenen hebben om niet eerlijk te beoordelen. Per mogelijk betrokkene wordt gezegd welke doelen ze kunnen hebben bij het beoordelen.

      Voor de beoordelaar zijn dat:

      • Taak prestatie: door het gebruik van beoordeling eigen prestatiedoelen of –niveaus behouden of verbeteren.

      • Interpersoonlijk: door het gebruik van beoordeling de persoonlijke relatie met de beoordeelde behouden of verbeteren.

      • Strategisch: door het gebruik van beoordeling de plaats van de leidinggevende of werkgroep binnen de organisatie verbeteren.

      • Geïnternaliseerd: door het gebruik van beoordeling het beeld van zichzelf als een persoon met hoge standaarden verbeteren.

      Voor de beoordeelde zijn dat:

      • Het verzamelen van informatie.

      • Verspreiding van informatie.

      Voor de organisatie zijn dat:

      • Gebruik voor beslissen tussen personen, zoals bij ontslag en promotie.

      • Gebruik voor een persoon zelf, zoals voor het geven van feedback op prestatie.

      • Gebruik voor het behoud van het systeem.

      Het probleem bij het hebben van meerdere belanghebbende met verschillende doelen is dat ze vaak tegenstrijdig zijn wanneer één systeem wordt gebruikt voor het evalueren van prestatie. Het probleem kan opgelost worden door meerdere systemen voor evaluatie te gebruiken. Een andere oplossing kan zijn om de belanghebbende goed te betrekken bij het ontwikkelen van het systeem.

      De werknemer is sneller bereid negatieve feedback te accepteren als hij of zij het volgende gelooft:

      • De leidinggevende heeft voldoende gezien van het werkgedrag van de werknemer.

      • De leidinggevende en de werknemer zijn het eens over de taken van de werknemer.

      • De leidinggevende en de werknemer zijn het eens over wat een goede en slechte prestatie inhoudt.

      • De leidinggevende richt zich op manieren om de prestatie te verbeteren in plaats van alleen het vaststellen van een slechte prestatie.

      Wat is destructieve kritiek?

      Destructieve kritiek is negatieve feedback die wreed, sarcastisch en beledigend is. Het is meestal algemeen in plaats van specifiek en vaak gericht op persoonlijke kenmerken van de werknemer in plaats van werkgerelateerd gedrag.

      Welke richtlijnen zijn er voor het effectief toepassen van een 360-graden feedback?

      Harris kwam met de volgende richtlijnen om een 360-graden feedback effectief toe te passen:

      • Zorg dat het afnemen anoniem blijft.

      • Gebruik het exclusief voor ontwikkelingsdoelen en niet voor administratieve beslissingen.

      • Train de informatiebronnen en train degene die de feedback gaat leveren.

      • Volg de feedbacksessie met regelmatige mogelijkheden voor de leidinggevende om de voortgang te beoordelen en positieve feedback te geven.

      Volgens Davis kunnen de vijf dimensies van Hofstede over cultuur de evaluaties van prestaties op de volgende manieren beïnvloeden:

      1. Individualistische culturen zullen vatbaarder zijn voor de traditionele evaluatie van prestatie, terwijl collectivistische culturen vatbaarder zullen zijn voor de evaluaties van groepen of teams.

      2. Culturen met een hoge mate van machtsafstand (power distance) zullen meer weerstand bieden tegen 360-graden systemen dan de culturen met een lage mate van machtsafstand.

      3. Culturen met een lage tolerantie voor onzekerheid zullen meestal worden gekenmerkt door botte en directe feedback over de prestaties.

      4. Masculiene culturen zullen de nadruk leggen op prestaties, terwijl feminiene culturen de nadruk zullen leggen op relaties.

      5. Culturen met een korte termijnoriëntatie zullen de nadruk leggen op relaties in plaats van prestatie; en culturen met een lange termijn oriëntatie zullen de nadruk leggen op gedragsverandering gebaseerd op de feedback over prestatie.

      Blijf het volgende voor ogen houden: er zijn ook verschillen binnen culturen en niet alleen tussen culturen.

      Access: 
      Public
      Hoe worden personeelsbeslissingen gemaakt? - Chapter 6

      Hoe worden personeelsbeslissingen gemaakt? - Chapter 6

      Welke conceptuele vraagstukken zijn er bij personeelsbezetting?

      Wat zijn personeelsbeslissingen?

      Personeelsbeslissingen zijn beslissingen over werving, selecteren, promoten en ontslag. Het is belangrijk om op te merken dat het proces van ontslag vanuit een praktisch, wetenschappelijk en juridisch perspectief veel van dezelfde problemen omvat als in het proces van iemand aannemen.

      Bedrijven die een bepaald proces volgen bij personeelspraktijken hebben een positievere uitkomst dan bedrijven die dit niet doen. Huselid identificeerde sterke-prestatie werkpraktijken. Dat zijn praktijken die het volgende omvatten: het gebruik van formele functieanalyses; selectie van binnenuit voor sleutelposities; op verdiensten gebaseerde promoties toewijzen; het gebruik van formele beoordelingsinstrumenten voor selectie omvatten.

      Combs en collega’s ontdekte dat de relatie tussen sterke-prestatie werkpraktijken en het succes van een bedrijf sterker werd naarmate de definitie van werkpraktijken specifieker werd en het doel van het bedrijf nauwkeuriger werd gedefinieerd.

      De organisatie als geheel is niet de enige belanghebbende bij de personeelsbeslissing en hoe dit proces verloopt. Andere belanghebbende zijn:

      • Lijnmanagers. In veel bedrijven hebben lijnmanagers een actieve rol in het aannemen van een nieuwe werknemer en dragen verantwoordelijkheid voor de nieuwe werknemer. Om deze reden hebben lijnmanagers belang bij een makkelijk toe te passen en makkelijk te verdedigen proces voor het aannemen van mensen.

      • Collega’s. Bij ontslag kan heeft dit zowel praktische als emotionele gevolgen voor de mensen die bij het bedrijf blijven werken. Het is ook van belang wie er een promotie krijgt, omdat dit van grote invloed is op het werk van de werknemers.

      • Sollicitanten. De manier waarop er besloten wordt om een sollicitant af te wijzen of aan te nemen heeft invloed op hoe de sollicitant zich verder voelt over het bedrijf en hoe ze de cultuur en het klimaat van het bedrijf ervaren.

      Multinationale personeelsbezetting verwijst naar procedures waarbij personeel wordt ingezet voor organisaties in meer dan één land.

      Onderzoeksresultaten laten zien dat internationale verschillen in personeelstechnieken en -strategieën correleren met culturele verschillen tussen landen. Collectivistische culturen geven de voorkeur aan objectieve personeelsmethoden en zullen eerder proberen om alle informatie van kandidaten te verifiëren, terwijl individualistische culturen de voorkeur geven aan een meer persoonlijke benadering van personeel door de unieke kenmerken van de sollicitant te onderzoeken.

      Hoe worden personeelsresultaten geëvalueerd?

      Personeelsresultaten kunnen op verschillende manieren worden geëvalueerd. De drie grote aspecten van evaluatie zijn validiteit, utiliteit en eerlijkheid. De eerste twee worden besproken in dit chapter. Eerlijkheid komt in chapter 11 aan bod.

      Wat is validiteit?

      Validiteit is de nauwkeurigheid van gevolgtrekkingen die zijn gemaakt op basis van test- of prestatiegegevens. Het geeft ook aan of een maat nauwkeurig en volledig weergeeft wat bedoeld was om te worden gemeten.

      Personeelsbeslissingen moeten valide zijn, omdat de gevolgen van belang zijn voor het bedrijf. Er zijn verschillende methoden om te beoordelen of een test valide is. Het criterium-gerelateerde validiteit is een benadering van validiteit die gedemonstreerd wordt door een testscore te correleren met een maat voor prestatie. Dit versterkt het vertrouwen van een onderzoeker in de conclusie dat mensen met een hogere testscore een hogere prestatie leveren.

      Wat is een selectieratio?

      Selectieratio is een index van 0 tot 1 die de verhouding tussen posities en sollicitanten weergeeft. Dit wordt berekend door het aantal beschikbare vacatures te delen door het aantal sollicitanten.

      Lage selectieratio's zijn beter voor het bedrijf dat iemand wil aannemen dan hoge selectieratio's, omdat een lage selectieratio betekent dat het bedrijf selectiever kan zijn bij het nemen van wervingsbeslissingen.

      In het maken van een wervingsbeslissing kunnen er twee soorten fouten worden gemaakt:

      • Vals positief: een beslissing waarbij een sollicitant werd geaccepteerd, maar slecht presteerde. De beslissing is ‘vals’ vanwege de onjuiste voorspelling dat de sollicitant succesvol zou presteren en positief, omdat de sollicitant was aangenomen.

      • Vals negatief: een beslissing waarbij een sollicitant is afgewezen, maar succesvol zou hebben gepresteerd. De beslissing is onjuist vanwege de onjuiste voorspelling dat de sollicitant niet succesvol zou presteren en negatief omdat de sollicitant niet was aangenomen.

      Beide fouten kunnen voor het bedrijf kostbaar zijn. Er bestaan ook twee soorten van een goede beslissing:

      • Echt negatief: een beslissing waarbij een sollicitant werd afgewezen en slecht zou hebben gepresteerd als hij of zij was aangenomen. De beslissing is waar, vanwege de juiste voorspelling dat de sollicitant niet goed zou presteren en negatief, omdat de aanvrager niet was aangenomen.

      • Echt positief: een besluit waarbij een sollicitant is aangenomen en succesvol blijkt te zijn. De beslissing is waar, vanwege de juiste voorspelling dat de sollicitant een goede presteerder zou zijn en positief, omdat de sollicitant was aangenomen.

      Voor het accepteren van de gevolgen van een beslissing moet er besluit worden gemaakt over de cut score. De cut score is een gespecificeerd punt in een verdeling van scores waaronder kandidaten worden afgewezen. Al naar gelang waar de cut score wordt geplaatst, zullen de vals positieve en vals negatieve toe- of afnemen. Een cut score kan op twee verschillende manier bepaald worden:

      • Men kan kiezen voor een criterion-referenced cut score. Dat is een score vastgesteld door het gewenste prestatieniveau voor een nieuwe medewerker te bepalen en de testscore te vinden die overeenkomt met het gewenste prestatieniveau.

      • Men kan kiezen voor een norm-referenced cut score. Dat is een score gebaseerd op een index van de scores van de testpersonen in plaats van een notie van werkprestaties.

      De tweede manier is vatbaarder voor oneerlijkheid, omdat het niet verbonden is met een gewenste/verwachte werkprestatie.

      Wat is een utiliteitsanalyse?

      Een utiliteitsanalyse is een techniek die het economische rendement van investeringen van interventies op het gebied van menselijk potentieel beoordeelt. Dit is belangrijk om te doen bij het evalueren van de effectiviteit van een wervingsstrategie.

      Welke praktische problemen komen voor bij personeel?

      Op welke manier verschillen wervingsstrategieën?

      Er zijn twee manieren waarop wervingsstrategieën kunnen verschillen:

      • Uitgebreid wervingsmodel: een model dat voldoende hoogwaardige informatie over kandidaten verzamelt om de kans op succes te voorspellen op basis van de uiteenlopende eisen van de functie. Een wervingsmodel hoort uitgebreid te zijn.

      • Compenserende selectiesystemen. In de meeste gevallen zijn mensen in staat om een relatieve zwakte in de ene eigenschap te compenseren door een sterkte in een ander, ervan uitgaande dat beide eigenschappen vereist zijn voor het werk.

      Hoe kan informatie gecombineerd worden?

      Er is veel informatie over sollicitanten beschikbaar. Er zijn twee basis manieren om deze informatie samen te voegen om vervolgens daarom een beslissing te baseren:

      • Clinical decision making: een methode die oordeelsvorming gebruikt om informatie te combineren en om een beslissing te nemen over de relatieve waarde van verschillende kandidaten.

      • Statistical decision making: een methode die informatie combineert volgens een wiskundige formule.

      De tweede manier geeft de beste uitkomsten.

      Soms scoort iemand zo laag op een eigenschap dat er weinig kans bestaat dat hij of zij dit met een andere eigenschap kan compenseren. Een bedrijf moet besluiten of en vanaf wanneer ervoor een eigenschap gecompenseerd mag worden. Drie soorten systemen zijn belangrijk:

      1. Compenserend systeem: is een model waarbij een goede score op een test kan compenseren voor een lagere score op een andere test.

      2. Hindernissysteem: is een niet-compenserende strategie waarbij een individu geen mogelijkheid heeft om in een latere beoordelingsfase te compenseren voor een lage score in een eerdere fase van het beoordelingsproces.

      3. Meervoudig hindernissysteem: is een strategie opgebouwd uit meerdere hindernissen, zodat kandidaten die niet in ieder geval elke minimale score op een dimensie halen van verdere overweging worden uitgesloten.

      Hindernissystemen worden vaak ingezet wanneer er een groot aantal sollicitanten zijn, maar weinig vacatures.

      Wanneer wordt een werknemer gevraagd te vertrekken?

      Er zijn twee typische situaties waarin een individu gevraagd wordt om te vertrekken bij een bedrijf:

      1. Beëindiging met reden (termination for cause). Dat is een baanverlies dat optreedt wanneer een persoon om een bepaalde reden uit een organisatie wordt ontslagen.

      2. Ontslag (layoff). Dat is verlies van banen als gevolg van inkrimping van de werkgevers.

      Voor grootschalige personeelsprojecten zijn vaak gestandaardiseerde en gevestigde selectiestrategieën nodig. Bij kleine personeelsprojecten worden managers aangemoedigd om een selectie- en besluitvormingsstrategie te kiezen die rationeel, werkgerelateerd en haalbaar is, gezien de beperkingen van de situatie.

      Wat zijn juridische kwesties bij personeelsbeslissingen?

      In de verenigde staten is de kans dat een bedrijf wordt aangeklaagd door een voormalige werknemer dan door een sollicitant. Dit heeft vaak te maken met discriminatie op het werkveld. Deze vorm van discriminatie gaat vaak over geslacht, ras en/of mensen met een beperking. Wie het bedrijf ook aanklaagt, de gevolgen kunnen groot zijn.

      Welke theorieën over discriminatie worden herkend door de wet?

      • Ongunstige behandeling: dit is een soort discriminatie waarbij de eiser probeert aan te tonen dat de werkgever de eiser daadwerkelijk anders heeft behandeld dan meerderheidsaanvragers of werknemers.

      • Ongunstige gevolgen: dit is een soort discriminatie dat erkent dat de werkgever misschien niet de bedoeling heeft gehad om een eiser te discrimineren, maar een werkgeverspraktijk had wel een negatieve invloed op de groep waartoe de eiser behoort. Statistiek speelt in deze gevallen een grote rol. Belangrijk hier is de ongunstige gevolgen ratio. Dat is een ratio die wordt verkregen door de selectieratio van de beschermde groep te delen door de selectieratio van de meerderheidsgroep. Als de verhouding lager is dan 80 procent, zijn er aanwijzingen voor een negatieve impact.

      Access: 
      Public
      Wat is training? - Chapter 7

      Wat is training? - Chapter 7

      Wat zijn de fundamenten van training en leren?

      Training is belangrijk, maar ook duur. Om deze redenen is het belangrijk voor arbeids- en organisatiepsychologen om een systematische benadering tot training te gebruiken en het volgende omvat: een beoordeling van de trainingsbehoeften; gebruik maken van leerprincipes; de overdracht van de training overwegen; de evaluatie van de trainingsprogramma’s.

      Hoewel training niet alle individuele verschilkenmerken kan veranderen of verbeteren, kan het wel worden gebruikt in combinatie met selectie en andere personeelssystemen om een sterk personeelsbestand samen te stellen.

      Wat is training?

      Training is het op een systematische manier verkrijgen van vaardigheden, concepten of houdingen die ervoor zorgen dat prestatie in een andere omgeving verbetert. Het basisfundament van trainingsprogramma’s is leren. Leren verwijst naar een relatief permanente verandering in gedrag en vaardigheden veroorzaakt door ervaring en oefening. Resultaten van leren kunnen opgedeeld worden in drie brede categorieën:

      1. Cognitieve resultaten: omvat declaratieve kennis.

      2. Op vaardigheid gebaseerde resultaten: omvat de ontwikkeling van bewegingsvaardigheden of technische vaardigheden.

      3. Affectieve resultaten: overtuigingen die een persoon vatbaar maken om zich op een bepaalde manier te gedragen.

      Prestatie, in tegenstelling tot training, verwijst naar de handelingen die relevant zijn voor de doelen van de organisatie. Dit wordt vaak gemeten in termen van de vaardigheid van elk individu. Het kan vaak direct geobserveerd worden.

      Wat is een analyse van de trainingsbehoefte?

      De analyse van de trainingsbehoefte is een proces in drie stappen van organisatie-, taak- en persoonsanalyse. Het is vereist om een systematisch begrip te ontwikkelen van waar training nodig is, wat moet worden onderwezen en wie zal worden opgeleid.

      • Organisatieanalyse: deze vorm van analyse onderzoekt de doelen van de organisatie, beschikbare bronnen en de organisatorische omgeving.

      • Taakanalyse: deze vorm van analyse onderzoekt wat werknemers moeten doen om voldoende goed te presteren in een baan. Dit kan een beoordeling van competenties omvatten. Competenties zijn sets van gedragingen die een rol spelen bij het bereiken van de gewenste organisatorische resultaten of uitkomsten.

      • Persoonsanalyse: deze vorm van analyse identificeert welke personen binnen een organisatie training zouden moeten krijgen en wat voor soort instructies ze nodig hebben.

      Welke kenmerken van de trainee zijn belangrijk voor training?

      Kenmerken van een trainee die belangrijk zijn bij training, zijn de gereedheid en motivatie van de trainee.

      De gereedheid van de trainee: verwijst naar of werknemers de persoonlijke kenmerken hebben die nodig zijn om kennis uit een trainingsprogramma te verwerven en toe te passen op de baan. Indicatoren voor de gereedheid van een trainee is de doeloriëntatie van de trainee. Er zijn twee soorten:

      • Prestatie-oriëntatie: oriëntatie waarin individuen zich bezig houden met het goed doen op het gebied van training en positief worden beoordeeld.

      • Beheersingsoriëntatie: oriëntatie waarbij individuen zich bezighouden met het verbeteren van hun competenties die nodig zijn voor de taak. Mensen met deze oriëntatie zien fouten vaak als onderdeel van het leerproces.

      De motivatie van de trainee: verwijst naar de mate waarin trainees geïnteresseerd zijn in het bijwonen van de training, leren van de training en in het gebruiken van de verkregen vaardigheden en kennis in het werkveld.

      Welke leer- en motivatietheorieën worden toegepast op training?

      De volgende leer- en motivatietheorieën worden toegepast op training:

      • Bekrachtigingstheorie. Skinner beweerde dat leren plaatsvindt vanwege een associatie tussen gedragingen en beloningen. Positieve bekrachtiging, bijvoorbeeld, vindt plaats wanneer een bepaald gedrag gevolgd wordt door een beloning. Dit vergroot de kans dat het gedrag herhaald zal worden.

      • Sociale leertheorie: is een cognitieve theorie dat stelt dat er veel verschillende manieren van leren zijn, zoals leren door middel van observatie of door het bevragen van en luisteren naar meer ervaren collega’s.

      • Gedragsmodellering: is een leeraanpak die bestaat uit het observeren van medewerkers die positief modelleringsgedrag vertonen; het oefenen van het gedrag met behulp van een rollenspeltechniek; feedback krijgen op het oefenen; en het gedrag tijdens het werk uitproberen.

      Binnen de sociale leertheorie zijn zelfeffectiviteit, het stellen van doelen en feedback belangrijk. Zelfeffectiviteit is het geloof in iemands eigen vermogen om een taak uit te voeren of een specifiek doel te bereiken. Trainees die een hoge mate van zelfeffectiviteit hebben, zijn gemotiveerder, leren beter en presteren beter in de baan. Onderzoekers hebben ook ontdekt dat zelfeffectiviteit een belangrijke rol speelt in verschillende trainingsprogramma’s. Machin en Noe beweren dat de zelfeffectiviteit van een trainee op de volgende manieren verhoogd kan worden:

      • Geef zoveel mogelijk informatie over het trainingsprogramma en over het doel van de training voordat de training begint.

      • Verminderen van waargenomen bedreigingen door in eerste instantie de nadruk te leggen op leerresultaten en minder nadruk te leggen op prestatieresultaten, die na de training belangrijker worden.

      • Laat werknemers het succes van de training zien van gelijken in een gelijke baan.

      • Help trainees betere leertechnieken te ontwikkelen die ze kunnen gebruiken tijdens de training.

      Het stellen van doelen is een motivatiebenadering waarin specifieke, moeilijke doelen de aandacht trekken en de prestaties in opleiding en op het werk verbeteren. Onderzoeksresultaten tonen dit effect aan. Machin moedigt trainers aan om er voor te zorgen dat trainees het volgende hebben:

      • Duidelijke, korte termijn doelen voor het trainingsprogramma.

      • Korte termijn doelen voor de onmiddellijke toepassing van hun training.

      • Lange termijn doelen die zich richten op behoud en verbeteren van bekwaamheid en voor het gebruik van de inhoud van de training.

      Zoals hierboven is benoemd, is feedback ook belangrijk voor leren en presteren tijdens de training en tijdens het werk. Feedback verwijst naar kennis die men opdoet door middel van de resultaten van iemands handelingen.

      Wat is actieve participatie?

      Actieve participatie is een aanpak waarbij actief wordt deelgenomen aan een training of werktaak in plaats van passief te observeren dat iemand anders de taak uitvoert.

      Sommigen zweren bij ‘overleren’, omdat het zal resulteren in automatisme. Automatisme treedt op wanneer taken met beperkte aandacht kunnen worden uitgevoerd. Het zal zich waarschijnlijk ontwikkelen wanneer mensen extra leermogelijkheden krijgen nadat ze hebben aangetoond dat ze een taak beheersen. Overleren is sterk van belang in banen waarbij de taak niet vaak zal hoeven worden uitgevoerd; waarbij prestatie bij de eerste poging van groot belang is, en waarbij er weinig ruimte voor fouten is.

      Fidelity is de mate waarin de getrainde taak vergelijkbaar is met de taak die op de baan vereist is. Een training moet de volgende vormen van fidelity hebben:

      • Fysieke fidelity: de mate waarin de trainingstaak de fysieke kenmerken van de taak die op de baan wordt uitgevoerd, weerspiegelt.

      • Psychologische fidelity: mate waarin de trainingstaak stagiairs helpt om de kennis, vaardigheden en andere kenmerken te ontwikkelen die nodig zijn om de taak uit te voeren.

      Het is ook van belang om het volgende te overwegen voor een training:

      • Geheel leren: gebeurt wanneer de gehele taak in één keer wordt geoefend.

      • Gedeeltelijk leren: gebeurt wanneer subtaken apart worden geoefend en later worden gecombineerd.

      Trainers en onderzoekers van trainingen hebben ook nagedacht over de opbouw van trainingssessies:

      • Massale oefening: omstandigheden waarin individuen een taak continu en zonder rust oefenen.

      • Verdeelde oefening: omstandigheden die individuen de mogelijkheid bieden om te rusten tussen trainingssessies. De trainingssessies zijn verspreid over een langere tijd.

      Wat zijn leerorganisaties?

      Leerorganisaties zijn bedrijven die de nadruk leggen op doorlopend leren, kennis delen en persoonlijke meesterschap. Ook zijn er nog een aantal extra functies, zoals de volgende:

      • Nadruk leggen op probleem oplossen en innovatie.

      • Systemen ontwikkelen die kennis genereren en delen verbetert.

      • Flexibiliteit en experimenteren aanmoedigen.

      • Waarde hechten aan het welzijn en de ontwikkeling van alle medewerkers.

      • Medewerkers aanmoedigen om mogelijkheden te vinden of te creëren van elke situatie die zich voordoet.

      Bovenstaande organisatie zijn vaak succesvol en het is waarschijnlijker dat zulke organisaties de kennis hebben die nodig is voor innovatie en het ontwikkelen van een nieuw product.

      Welke methodes voor training bestaan er?

      Volgens Salas en Cannon-Bowers zijn de meest effectieve trainingen gemaakt rondom de volgende vier basisprincipes:

      • De training heeft een relevante inhoud die geleerd moet worden.

      • De training demonstreren de KSAO’s zien die geleerd moeten worden.

      • De training biedt mogelijkheden om te benodigde vaardigheden te oefenen.

      • Tijdens de training en na de training wordt er feedback gegeven aan de trainees.

      On-the-job training is een benadering waarbij trainees worden toegewezen aan banen en worden aangemoedigd om meer ervaren medewerkers te observeren en van hen te leren.

      Job rotation, daarentegen, is een benadering waarbij medewerkers steeds worden verplaatst naar verschillende afdelingen van een bedrijf of naar verschillende functies binnen één afdeling. Medewerkers die hieraan meedoen ontwikkelen een bredere set van vaardigheden dan wanneer ze op één plek, in één baan of één afdeling binnen de organisatie blijven.

      De meest voorkomende trainingsmethode zijn klassikale lezingen. Dat is een trainingsmethode waarbij de trainer via gesproken woorden en audiovisueel materiaal communiceert wat cursisten geacht worden te leren. Het wordt ook vaak gebruikt om een grote hoeveelheid informatie efficiënt aan een groot aantal cursisten te presenteren. Deze vorm is relatief goedkoop. Een nadeel van deze methode is dat het vaak zorgt voor een passieve sfeer waardoor vaardigheden niet geleerd (kunnen) worden. Dit kan ondervangen worden door actieve participatie aan te moedigen.

      Geprogrammeerde instructie is een benadering waarbij cursisten instructiemateriaal krijgen in schriftelijke of computergebaseerde formulieren die hen positief bekrachtigen terwijl ze in hun eigen tempo door het materiaal gaan. Dit werkt het beste als er meteen feedback en bekrachtiging komt na een gegeven antwoord. Het kan op twee manieren gegeven worden:

      • Lineair programmeren: alle trainees werken door hetzelfde materiaal.

      • Vertakkend programmeren: aangepast aan de trainee, waardoor de trainee de mogelijkheid heeft om te oefenen met materiaal waar hij of zij moeite mee heeft.

      Verder bestaan er ook simulators. Dat is een leermiddel dat is ontworpen om de kritieke kenmerken van de echte wereld te reproduceren in een trainingsomgeving die leidt tot leren en doorstroming naar het werk. Goldstein en Ford kwamen met vier redenen om simulators te gebruiken:

      1. Gecontroleerde reproduceerbaarheid. Simulators bootsen de echte wereld effectief na.

      2. Veiligheid. Er kan veilig worden geoefend.

      3. Goede leermogelijkheden. Ze zijn zo ontwikkeld dat ze de overdracht van de training stimuleren.

      4. Kosten. Het is een relatief goedkope methode om te oefenen en vaardigheden te verkrijgen.

      Wat is afstandsonderwijs?

      Afstandsonderwijs is een benadering waarmee cursisten kunnen communiceren met een instructeur door audio- en videoverbindingen te gebruiken die het mogelijk maken om van een verre locatie te leren.

      Een redelijke nieuwe trainingsbenadering is blended learning. Dat is een educatieve benadering waarbij afstandsonderwijs wordt gebruikt in combinatie met face-to-face leren.
      Daarnaast bestaat er ook nog de op computer gebaseerde training. Dat is een educatieve benadering die tekst, afbeeldingen en/of animatie omvat die via de computer wordt gepresenteerd met het uitdrukkelijke doel om werkrelevante kennis en vaardigheden aan te leren.

      Bell en Kozlowski onderzochten adaptieve begeleiding bij trainees. Adaptieve begeleiding is een educatieve benadering die cursisten informatie geeft die hen helpt hun prestaties uit het verleden te interpreteren en ook te bepalen wat ze zouden moeten bestuderen en oefenen om hun toekomstige prestaties te verbeteren. De onderzoeksresultaten van Bell en Kozlowski tonen aan dat adaptieve begeleiding een positief effect heeft op de oefengewoontes van de cursist, op de verkregen kennis en op de prestatie.

      Wat zijn kritische denkvaardigheden?

      Kritische denkvaardigheden zijn vaardigheden die een actieve betrokkenheid vereisen bij het toepassen van de besproken principes.

      Trainingsbenaderingen die studenten aanmoedigen om overdraagbare kritische denkvaardigheden te ontwikkelen, zullen studenten beter voorbereiden op de onbekende uitdagingen in hun toekomst.

      De overdracht van training verwijst naar de mate waarin studenten de kennis, vaardigheden en houdingen geleerd tijdens de training toepassen in hun werk. De overdracht van trainingsklimaat verwijst naar de kenmerken van een werkplek die de overdracht van het geleerde of tegenwerken of ondersteunen. Er bestaan twee soorten van overdracht:

      • Horizontale overdracht: overdracht over verschillende contexten op hetzelfde niveau van de organisatie.

      • Verticale overdracht: overdracht over verschillende niveaus van de organisatie. Dit betreft het verband tussen individuele trainingsresultaten en resultaten op hogere niveaus van de organisatie.

      Wat is trainingsevaluatie?

      Trainingsevaluatie is de systematische verzameling van beschrijvende en oordelende informatie die kan worden gebruikt om effectieve trainingsbeslissingen te nemen. De evaluatie heeft impliciet de volgende doelen:

      • Om te bepalen of de trainees de doelstelling van de training hebben behaald.

      • Om feedback te geven dat de training kan verbeteren voor toekomstige trainees.

      • Om de kosten van de training te rechtvaardigen.

      De focus moet liggen op het maken van kleine aanpassingen die een training effectiever maken voor trainees om de doelstellingen te halen.

      Wat zijn de criteria voor training?

      Kirkpatricks kwam met een model bestaande uit vier niveaus die gebruikt kan worden om de criteria voor training te categoriseren:

      • Reactie criteria: het meten van de meningen van de trainee over de training.

      • Leercriteria: beoordelen hoeveel er tijdens de training is geleerd.

      • Gedragscriteria: meten hoe goed de geleerde gedragingen worden gebruikt in het werk.

      • Resultatencriteria: meten van hoe goed training kan worden gerelateerd aan organisatorische resultaten.

      De eerste twee soorten criteria worden ook interne criteria genoemd. Dat zijn criteria die zich richten op wat er binnen de training gebeurt. De laatste twee soorten criteria worden ook externe criteria genoemd. Dat zijn criteria die beoordelen of veranderingen als gevolg van training optreden wanneer trainees weer aan het werk zijn.

      Wat is utiliteitsanalyse?

      Utiliteitsanalyse is een techniek die het economische rendement van investeringen van interventies op het gebied van menselijk potentieel beoordeelt. Zo een analyse kan de beoordelaars van trainingen een algemene geldwaarde van de training geven.

      Wat zijn gespecialiseerde trainingen?

      Wat is ontwikkeling?

      Ontwikkeling in dit boek verwijst naar formeel onderwijs, werkervaringen, mentorrelaties en beoordelingen van persoonlijkheid en capaciteiten die werknemers helpen zich voor te bereiden op de toekomst. Ontwikkeling is een levenslang proces voor werkenden op elk niveau.

      De volgende trainingsmethoden worden steeds vaker gebruikt op het gebied van management en leiderschapsontwikkeling:

      • Assessment centers: verzameling van evaluatieprocedures die aan groepen individuen worden beheerd. De beoordelingen worden doorgaans uitgevoerd door meerdere beoordelaars.

      • 360-graden feedback: proces van het verzamelen en voorzien van feedback uit vele bronnen aan een manager.

      • Coaching: een praktische, doelgerichte vorm van persoonlijk, een-op-een leren voor drukke werknemers die kan worden gebruikt om prestaties te verbeteren, een carrière te verbeteren of door organisatorische problemen of veranderingsinitiatieven te werken.

      • Informele training: trainingservaringen die plaatsvinden buiten de formele trainingsprogramma's. Dit kan specifieke taakopdrachten, ervaringen en activiteiten buiten het werk omvatten.

      Wat is seksuele intimidatie?

      Ongewenste seksuele toenadering, verzoeken om seksuele gunsten en ander gedrag van seksuele aard vormen seksuele intimidatie wanneer onderwerping aan of afwijzing van dit gedrag expliciet of impliciet van invloed is op de aanstelling van een persoon, op onredelijke wijze iemands werkprestaties verstoort of een vijandige werkomgeving creëert.

      Programma's voor het bewustmaken van seksuele intimidatie hebben als doel de incidenten van seksuele intimidatie te verminderen door medewerkers verschillende hypothetische scenario's te laten evalueren om te bepalen of het om seksuele intimidatie gaat en door uit te leggen waar en hoe ze in het bedrijf melding kunnen maken van seksuele intimidatie.

      Wat is een expat?

      Een expat is een manager of professional die is aangesteld om te werken op een locatie buiten zijn of haar thuisland.

      Expats krijgen vaak te maken met een cultuurshock. Een cultuurshock is een de aandoening treedt doorgaans op vier tot zes maanden nadat expats in het buitenland zijn aangekomen. De volgende symptomen kunnen hierbij voorkomen: prikkelbaarheid; vijandigheid; onvermogen om effectief te werken.

      Sommige organisaties bieden hun expats multiculturele trainingen aan hun expats aan. Dat is een training ontworpen om individuen uit de ene cultuur voor te bereiden op een effectievere interactie met individuen uit andere culturen. Het doel van deze trainingen is om inzicht te krijgen in verschillen in waarden en communicatiestijlen.

      Access: 
      Public
      Wat houdt motivatie om te werken in? - Chapter 8

      Wat houdt motivatie om te werken in? - Chapter 8

      Wat is motivatie?

      Motivatie gaat over de condities die verantwoordelijk zijn voor variaties in intensiteit, persistentie, kwaliteit en richting van doorlopend gedrag. Motivatie gaat over keuzes: prioriteiten stellen en kiezen waar je je energie aan besteedt.

      De eerste arbeids- en organisatietheorieën over motivatie waren gebaseerd op het begrip ‘instinct’. Instinct verwijst naar een aangeboren neiging waarvan gedacht wordt dat het gedrag aanstuurt. Later werd de term ‘instinct’ vervangen door onder andere ‘behoefte’. Behoefte verwijst naar een interne motivatie waarover gedacht wordt dat het aangeboren is en universeel aanwezig is in mensen.

      De gedragsbenadering legde daarentegen de nadruk op gedrag aangestuurd door de omgeving in plaats van door interne behoeften en instincten. Deze benadering is ontwikkeld door B. F. Skinner.

      Kurt Lewin ontwikkelde de veldtheorie. Deze theorie stelt dat verschillende krachten in de psychologische omgeving met elkaar in wisselwerking staan en gecombineerd worden om een definitieve manier van handelen op te leveren.

      Waarom wordt motivatie ook wel in metaforen weergegeven?

      Weiner vond dat de beste manier om de vele, verschillende motivatietheorieën te berijpen en ook de ontwikkeling van het denken over motivatie te begrijpen, is door het gebruik van metaforen. Hij beweerde dat alle motivatietheorieën beschreven kan worden door één van de volgende metaforen:

      • Persoon als machine: metafoor dat suggereert dat het gedrag van mensen reflectief en onvrijwillig is en uitgevoerd wordt zonder bewustzijn.

      • Persoon als wetenschapper: metafoor dat suggereert dat mensen actief informatie verzamelen en analisten zijn die kennis en begrip proberen te krijgen om de omgeving te kunnen beheersen.

      Er is één probleem met de persoon als wetenschapper metafoor. Het gaat er namelijk vanuit dat mensen perfect rationeel zijn, maar dat is niet het geval. Het onvermogen om in een perfect rationele manier te denken, werd herkend door twee Nobelprijswinnaars; de psycholoog en econoom Simon en psycholoog Kahneman. Simon noemde dit fenomeen beperkte rationaliteit.

      Door de groeiende erkenning dat mensen niet perfect rationeel denken, ontstonden er nieuwere motivatietheorieën. Deze theorieën houden rekening met de invloed van emoties om het maken van beslissingen. Weiner kwam daarop met een nieuwe sub-metafoor, namelijk: persoon als rechter. Dit is een metafoor waarin een individu informatie zoekt over de mate waarin de persoon en anderen verantwoordelijk zijn voor positieve en negatieve gebeurtenissen. De persoon zoekt naar bewijzen van intentie in de actie van anderen en neemt die intenties in overweging bij het kiezen van een persoonlijke handelwijze.

      Wat is de rol van motivatie bij prestatie?

      Een heel basaal model voor de rol van motivatie bij prestatie is het volgende:

      Prestatie = (Motivatie x Vaardigheid) – Situationele belemmeringen.

      Het is belangrijk om het teken van vermenigvuldigen op te merken. Wanneer motivatie gelijk is aan nul, dan maakt het niet uit wat de vaardigheid is, omdat alles keer nul altijd gelijk is aan nul.

      Wat is de werk – leven balans?

      De werk-leven balans is een onderzoeksgebied dat onderzoekt of de tevredenheid die men op het werk ervaart gedeeltelijk wordt beïnvloed door de tevredenheid die men ervaart in niet-werk en vice versa, met name in de mate dat de ene omgeving eisen stelt die in strijd zijn met de andere.

      Wat zijn de klassieke benaderingen tot werkmotivatie?

      Wat is de behoefte theorie van Maslow?

      De behoefte theorie van Maslow is een theorie die stelde dat alle mensen een basisset van behoeften hebben en dat deze behoeften zich gedurende de hele levensduur van het individu uitdrukken als interne drijfveren. Maslow identificeerde vijf sets basisbehoeften:

      1. Fysiek.

      2. Veiligheid.

      3. Liefde of sociaal.

      4. Eigenwaarde.

      5. Zelfactualisatie.

      Deze basisbehoeften zijn hiërarchisch geordend en mensen proberen eerst de meest basale behoeften te bevredigen (fysiek) alvorens naar de volgende te gaan.

      Dit model past perfect bij het persoon als machine metafoor. Het gedrag van het individu is onbewust en automatisch. Het individu reageert op dat wat de laagste onvervulde behoefte bevredigt. Zijn theorie is universeel.

      Er zijn varianten ontwikkeld op het model van Maslow. De meest blijvende is de twee factoren theorie van Herzberg. Deze theorie suggereert dat er eigenlijk maar twee basisbehoeften in plaats van vijf. De behoeften zijn ook niet hiërarchisch gerangschikt als wel onafhankelijk van elkaar. De twee behoeften in deze theorie zijn:

      • Hygiënebehoeften: (fysieke en veiligheidsbehoeften) het voldoen aan deze behoeften zou ontevredenheid wegnemen, maar zou niet resulteren in gemotiveerd gedrag of een toestand van positieve tevredenheid.

      • Motivatiebehoeften: (sociaal, eigenwaarde en actualisatie) het voldoen aan dergelijke behoeften resulteerde in zowel inspanning als voldoening.

      In de laatste jaren wordt er niet veel meer gedaan met de theorie van Maslow of de theorie van Herzberg. Psychologen hebben weinig enthousiasme voor benaderingen die weinig tot geen ruimte hebben voor de volgende concepten:

      • Verwachtingen.

      • Evaluatie.

      • Oordeel.

      Wat is de reinforcement theorie?

      De reinforcement theorie is een theorie ontwikkeld door B. F. Skinner. De theorie stelt dat gedrag afhankelijk is van drie simpele elementen: stimulus, reactie en beloning.

      De theorie gaat ervan uit dat een reactie in het heden op een stimulus zich waarschijnlijk zal herhalen als dezelfde stimulus zich weer voordoet. Drie soorten van beloningen zijn belangrijk:

      1. Voorwaardelijke beloning: een beloning die afhangt van een bepaalde reactie.

      2. Intermitterende beloning: een beloning die alleen wordt gegeven in sommige gevallen van het geven van de juiste reactie.

      3. Voortdurende beloning: een beloning die elke keer gegeven wordt bij een correcte reactie.

      Wat is de path-goal motivatietheorie?

      De path-goal motivatietheorie is een theorie ontwikkeld door Georgopoulos, Mahoney en Jones.
      Het is de eerste formele werkmotivatietheorie die suggereert dat mensen opties afwegen voordat ze een keuze maakten.

      Na deze theorie ontwikkelde Vroom de VIE theorie. VIE staat voor Valence, Instrumentality en Expectancy. Dit is een motivatietheorie die ervan uitgaat dat individuen een rationele inschatting maken van de relatieve aantrekkelijkheid en onaantrekkelijkheid van verschillende beloningen of resultaten (valence), de waarschijnlijkheid dat prestatie tot bepaalde resultaten of beloningen zal leiden (instrumentality), en de waarschijnlijkheid dat inspanning tot prestatie zal leiden (expectancy). Van het individu wordt hier dus verwacht om de waarschijnlijkheid in te schatten van:

      • Valence: de sterkte van de voorkeuren van een individu voor een bepaald resultaat.

      • Instrumentality: de waargenomen relatie tussen prestatie en het verkrijgen van een bepaald resultaat.

      • Verwachting: de overtuiging van een individu dat bepaald gedrag zal leiden tot een hogere prestatie.

      Als een manager de theorie van Vroom zou willen toepassen, moet hij of zij zich op de volgende drie dingen concentreren:

      • Werknemers motiveren door resultaten aan te bieden met een hoge valence.

      • Het verduidelijken van de instrumenten door medewerkers te laten weten dat hoge prestaties worden geassocieerd met positieve resultaten.

      • Het verduidelijken van verwachtingen door duidelijk te maken aan werknemers dat hard werken zal leiden tot betere prestaties.

      Wat is de equity theorie?

      Equity theorie is een motivatietheorie ontwikkeld door Adams. Deze theorie suggereerde dat individuen naar hun wereld kijken in termen van vergelijkende inputs en resultaten. Individuen vergelijken hun input en resultaten met die van anderen door een input / result-ratio te ontwikkelen. De belangrijke termen worden verder uitgelegd:

      • Inputs verwijst hier naar de training, inzet en vaardigheden die werknemers meenemen naar hun werk.

      • Met resultaten worden de compensatie, de bevrediging en andere voordelen voor die de werknemers krijgen van hun werk.

      • Met vergelijkbare andere wordt een collega of een geïdealiseerde andere bedoeld met wie de individu zichzelf vergelijkt om ervaren equity te bepalen.

      • Resultaat / input ratio is een ratio dat is een rantsoen dat ontstaat wanneer werknemers hun input en resultaten vergelijken met die van anderen om te bepalen of ze rechtvaardig worden behandeld.

      Wat zijn moderne benaderingen tot werkmotivatie?

      Wat is de persoon als intentioneel benadering?

      De persoon als intentioneel is een motivatiebenadering die er vanuit gaat dat individuen met opzet dingen doen.

      Het beste voorbeeld van de persoon als intentioneel benadering is de goal-setting theorie van Locke.

      Dat is een theorie waarin het algemene concept van een doel is aangepast aan werkmotivatie. In deze benadering wordt een doel gezien als een motiverende kracht, en individuen die specifieke, moeilijke doelen stellen, presteren beter dan individuen die simpelweg een 'doe je best'-doel of helemaal geen doel aannemen.

      Deze theorie maakt onderscheid tussen doel acceptatie, waarbij een doel is toegewezen, en doel toewijding, waarbij het zowel kan gaan om toegewezen doelen als zelfbedachte doelen.

      Een feedback loop is de connectie tussen kennis van resultaten en de tussenliggende toestanden die ontstaan tussen doel toewijding en prestatie. Zo een feedback loop wordt geassocieerd met de controle theorie. Deze theorie is gebaseerd op het principe van een feedback loop die ervan uitgaat dat een individu een norm vergelijkt met de werkelijke uitkomst en gedrag aanpast om de uitkomst in overeenstemming te brengen met de norm.

      Zelfregulatie is belangrijk hier. Dat is een proces waarbij individuen informatie over gedrag opnemen en op basis van die informatie aanpassingen of wijzigingen aanbrengen. Deze veranderingen hebben op hun beurt invloed op het latere gedrag.

      Wat is zelfeffectiviteit?

      Zelfeffectiviteit verwijst naar iemands overtuiging over zijn of haar eigen capaciteiten om te presteren in een specifieke taak of om een specifiek doel te behalen. Zelfeffectiviteit is benoemd door Bandura en speelt een belangrijke rol in de meeste moderne werkmotivatietheorieën. Om deze reden is het belangrijk om af te vragen hoe zelfeffectiviteit ontwikkeld en kan worden vergroot. Wood en Bandura suggereerde vier verschillende manieren:

      • Meesterschapservaringen: succesvolle prestaties bij uitdagende taken versterkt iemands overtuigingen over zijn eigen capaciteiten. Falen verzwakt iemands overtuigingen.

      • Modellering. Wanneer individuen zien dat iemand die op hen lijkt, slaagt in een moeilijke taak, kunnen de eigen overtuigingen over zichzelf worden versterkt.

      • Sociale verleiding. Personen kunnen worden aangemoedigd door anderen die vertrouwen tonen in hun vermogen om een moeilijke taak uit te voeren.

      • Fysieke toestanden. Methoden die de ervaringen van stress of vermoeidheid verminderen, zullen de gevoelens van zelfeffectiviteit vergroten bij het voltooien van een moeilijke taak.

      Wat zijn praktische problemen bij motivatie?

      Wat is de motivatie eigenschapsvragenlijst (MTQ)?

      De motivatie eigenschapsvragenlijst is een vragenlijst met 48 items die een gestandaardiseerde methode biedt om zes verschillende aspecten van algemene prestatiemotivatie te beoordelen. Het gaat om de volgende zes aspecten:

      • Wens om te leren.

      • Meesterschap.

      • Referentiedoelen.

      • Competitief.

      • Zorgen maken.

      • Emotionaliteit.

      Hoe zit het met motivatie en cultuur?

      De toenemende mate waarin culturen tegenwoordig met elkaar te maken krijgen, zorgen voor nieuwe uitdagingen op het gebied van werk. Voor motivatie geldt dit ook. Erez heeft opgemerkt dat managers in alle culturen de neiging hebben om vier soorten motivatietechnieken toe te passen:

      • Differentiële verdeling van beloningen.

      • Participatie bij het stellen van doelen en het maken van beslissingen.

      • Ontwerpen en herontwerpen van banen en organisaties.

      • Het toepassen van interventies om kwaliteit te verbeteren.

      Hoewel psychologen binnen een bepaalde cultuur het onderzoek en de theorie hebben om een bepaalde motiverende interventie binnen die cultuur te ondersteunen, zal de waarde van die interventie evenredig afnemen met de multiculturele aard van het bedrijf en het personeelsbestand.

      Welke technieken om motivatie te stimuleren worden vaak toegepast?

      Drie technieken om motivatie te verhogen en die vaak worden toegepast zijn voorwaardelijke beloningen, baanverrijking en ProMES.

      Baanverrijking is een motivatiebenadering dat het verhogen van de verantwoordelijkheid en het belang van banen omvat om de motivatie en werktevredenheid van werknemers die die banen uitoefenen te vergroten.

      ProMES staat voor Productivity Measurement and Enhancement System. Het is een motivatiebenadering dat gebruik maakt van het stellen van doelen, beloningen en feedback om motivatie en prestatie te verbeteren. Onderzoeksresultaten tonen aan dat:

      • ProMES zorgt voor grote verbeteringen in productiviteit.

      • Deze effecten houden jaren aan.

      • De effecten worden gevonden in een groot aantal organisaties en landen.

      Access: 
      Public
      Op welke manier beïnvloeden emoties het werk? - Chapter 9

      Op welke manier beïnvloeden emoties het werk? - Chapter 9

      Hoe beïnvloedt werkhouding het werk?

      Emoties die met het werk te maken hebben, beïnvloeden zowel werkgedrag als niet-werkgedrag. Andersom werkt het ook. Emoties ontstaan buiten het werk om beïnvloeden ook zowel werkgedrag als niet-werkgedrag. Het begrijpen van emoties op het werk is geen gemakkelijke taak.

      Wat is werktevredenheid?

      Werktevredenheid is een positieve houding die voortvloeit uit de waardering van iemands functie.

      Hoppock onderzocht werktevredenheid in de jaren dertig van de vorige eeuw. Zijn onderzoeksresultaten suggereren dat variabelen met betrekking tot werk en individuele verschillen werktevredenheid beïnvloeden.

      De Hawthorne onderzoeken lieten zien dat de perceptie van de werknemers een groter effect had op productiviteit dan de daadwerkelijke fysieke werkomstandigheden. Uit deze onderzoeken kwam het Hawthorne effect. Dat verwijst naar een betekenisvolle verandering in gedrag en houding als gevolg van verhoogde aandacht. Houdingen (attitudes) zijn relatief stabiele gevoelens die gericht zijn op specifieke personen, groepen, ideeën, banen of andere objecten.

      Het wordt over het algemeen aangenomen dat werktevredenheid geassocieerd is met werkgedrag. Er onderzoeksresultaten die dit ondersteunen. De gevolgen van werktevredenheid kunnen breed zijn en het is daarom niet verrassend dat werkgevers werktevredenheid bij hun werknemers hoog proberen te houden. Uit de resultaten blijkt ook dat de richting van de tevredenheid-prestatie relatie niet een gegeven is.

      Wat is algemene tevredenheid?

      Algemene tevredenheid is een algemene beoordeling van de werktevredenheid die het resultaat is van het wiskundig combineren van scores op basis van tevredenheid met specifieke belangrijke aspecten van het werk of een enkele algemene evaluatieve beoordeling van de baan.

      Sommige onderzoekers vinden het onzinnig om de specifieke belangrijke aspecten van het werk te combineren, omdat ze apart vaak hoog correleren met maten van tevredenheid. Zij werken liever met facet tevredenheid. Dat is informatie die betrekking heeft op specifieke facetten van werktevredenheid.

      In sommige gevallen is het handiger om de algemene tevredenheid mee te nemen in het onderzoek en in andere gevallen is het handiger om aspecten mee te nemen in het onderzoek.

      Om werktevredenheid te meten is er de Job Descriptive Index (JDI). Dat is één van de meest uitgebreid onderzochte en gedocumenteerde werktevredenheid instrument. Het meet tevredenheid op vijf verschillende gebieden, namelijk: het werk, supervisie, mensen, salaris en promotie.

      De vragenlijst is echter lang. Daarnaast geeft de categorie ‘werk’ niet veel informatie over creativiteit, onafhankelijkheid, variëteit en andere aspecten van het werk zelf.

      Een andere vragenlijst is de Minnesota Satisfaction Questionnaire. Dat is een veelgebruikt instrument voor werktevredenheid dat zowel bepaalde aspecten van het werk beoordeelt als scores voor extrinsieke tevredenheid en intrinsieke tevredenheid. Intrinsieke tevredenheid is tevredenheid die voortkomt uit aspecten die centraal staan in de baan zelf. Extrinsieke tevredenheid daarentegen is tevredenheid die voortkomt uit aspecten die buiten het werk vallen.

      Wat is toewijding?

      Toewijding is een psychologische en emotionele hechting die een individu voelt voor een relatie, een organisatie, een doel of een beroep. Het concept van toewijding wordt vaak geassocieerd met zowel houdingen als emoties. Boulian vond dat toewijding aan een organisatie drie elementen omvat:

      • Acceptatie van en geloof in de waarden van de organisatie.

      • De bereidheid om namens de organisatie inspanningen te leveren om te helpen de doelen te bereiken.

      • Een sterke wens om bij de organisatie te blijven.

      Toewijding aan een organisatie kan volgens Meyer en Allen gebaseerd zijn om één van de volgende drie elementen:

      • Affectieve toewijding: een emotionele hechting aan de organisatie.

      • Voortdurende toewijding: dit is een element dat verwijst naar de ervaren kosten die komen kijken bij het weggaan bij de organisatie.

      • Normatieve toewijding: een element dat de verplichting om bij de organisatie te blijven representeert.

      Deze drie verschillende vormen van toewijding hebben verschillende relaties met verschillende werkgerelateerd gedrag.

      Meyer introduceerde het concept van beroepsmatige toewijding. Dat verwijst naar de toewijding aan een bepaald beroep. De drie elementen van toewijding aan een organisatie zijn ook van toepassing op beroepsmatige toewijding. Meyer ontdekte ook dat zowel toewijding aan de organisatie als toewijding aan een beroep onafhankelijk van elkaar invloed hebben op prestatie.

      Werkinbedding verwijst naar de vele en gevarieerde soorten van toewijding die individuen hebben ten opzichte van collega's, teams, organisaties en carrières.

      Wat is organisatorische identificatie?

      Organisatorische identificatie (OID) is het proces waarbij individuen een gevoel van trots en achting ontlenen aan hun omgang met een organisatie. Individuen kunnen ook moeite doen om afstand te nemen van de organisatie waarvoor ze werken. Dit heet organisatorische desidentificatie. OID is ontstaan vanuit de sociale identiteitstheorie.

      Kreiner en Ashforth kwamen met vier vormen van identificatie:

      • Identificatie. Individuen definiëren zichzelf in termen van de eigenschappen van de organisatie.

      • Desidentificatie. Individuen definiëren zichzelf als het niet hebben van de eigenschappen van de organisatie.

      • Ambivalente identificatie. Individuen identificeren zich met sommige eigenschappen van de organisatie, maar wijzen andere aspecten van de organisatie af.

      • Neutrale identificatie. Individuen blijven sterk neutraal. Ze wijzen eigenschappen niet af, maar identificeren zich er ook niet mee.

      Wat is betrokkenheid van de medewerkers?

      Betrokkenheid van de medewerkers verwijst naar een positieve werkgerelateerde gemoedstoestand die veel energie, enthousiasme en identificatie met het werk omvat.

      Hoe beïnvloeden het gemoed en emoties het gedrag?

      Weiss en zijn collega’s vinden dat veel van het gedane onderzoek naar werktevredenheid tussen 1930 en nu de plank mis hebben geslagen door niet expliciet te herkennen dat er een verschil is tussen gemoedstoestanden, emoties en houdingen. Volgens Weiss hebben de onderzoekers zich te veel gericht op de cognitieve kant van werktevredenheid. Naast dat Weiss en collega’s vinden dat er meer onderzoek gedaan moet worden naar emoties, vinden ze ook dat er onderzoek gedaan moet worden naar:

      • Stressvolle gebeurtenissen.

      • Interacties met leidinggevenden.

      • Interacties met collega’s.

      • Effect van de fysieke omgeving.

      Brief en Weiss definiëren gemoedstoestand als volgt: algemene gevoelstoestand niet geïdentificeerd met een bepaalde stimulus en niet voldoende intens om lopende denkprocessen te onderbreken.

      Vervolgens definiëren ze emoties als: een effect of gevoel, vaak ervaren en vertoond als reactie op een gebeurtenis of gedachte en vergezeld van fysiologische veranderingen in verschillende systemen van het lichaam.

      Weiss bedacht een bruikbaar schema om makkelijk onderscheid te kunnen maken tussen emoties en gerelateerde constructen. Dit schema heet affect circumplex. Het is een cirkel waarbinnen tegengestelde emoties tegenover elkaar weergegeven worden.

      Pekrun en Frese kwamen met verschillende soorten emoties gerelateerd aan werk:

      • Proces emotie: reactie die voortvloeit uit het denken over de taken die men momenteel doet.

      • Toekomstige emotie: reactie die het resultaat is van denken ver de taken die men verwacht te doen.

      • Terugwerkende emotie: reactie de het resultaat is van het denken aan de taken die men al heeft afgerond.

      Brief en Weiss onderzochten te rol van disposities op werktevredenheid. De volgende twee disposities hebben veel aandacht gekregen:

      • Negatieve affectiviteit: is een dispositie waardoor individuen vatbaar zijn voor een breed scala aan negatieve stemmingen.

      • Positieve affectiviteit: is een dispositie waardoor individuen vatbaar zijn voor een breed scala aan positieve stemmingen.

      Positieve mensen hebben de neiging om tevredener te zijn met hun baan en deze tevredenheid helpt ze om een positief algemeen levenstevredenheid te behouden.

      Wat zijn kern zelf-evaluaties?

      Kern zelf-evaluaties zijn beoordelingen die individuen maken van hun omstandigheden. Elementen van zulke evaluaties omvatten:

      • Zelfvertrouwen.

      • Zelfeffectiviteit.

      • Locus of control.

      • Afwezigheid van neuroticisme.

      Een aantal arbeids- en organisatiepsychologen kwamen met kern zelf-evaluaties, omdat ze denken dat individuen kern zelf-evaluaties maken en dat deze evaluaties zowel baan- als levenstevredenheid beïnvloeden.

      Heel lang bestond er de hypothese dat ontevredenheid leidt tot terugtrekking van het werk. Dit werd onderzocht door terugtrekgedrag, zoals afwezigheid en te laat komen, te zien als verschillende variabelen. Tegenwoordig hebben onderzoekers meer de neiging om deze gedragingen te zien als verschillende uitingen van een groter construct, genaamd terugtrekking. Het is belangrijk om dit gedrag te begrijpen, omdat de kosten die ermee gemoeid zijn, hoog zijn.

      Hanisch en Hulin suggereren dat er twee soorten gedragingen van terugtrekking zijn:

      • Terugtrekken van werk: actie die een poging van het individu vertegenwoordigt om zich terug te trekken uit het werk, maar de band met de organisatie en de werkrol in stand houdt.

      • Terugtrekken van baan: actie die de bereidheid van een individu vertegenwoordigt om de banden met een organisatie en de werkrol te verbreken.

      Welke andere onderwerpen met betrekking tot werk zijn gerelateerd aan houdingen en emoties?

      Welke conclusies trok Warr over de effecten van werkloosheid?

      Warr heeft veel onderzoek gedaan naar de effecten van ontslag op het welzijn van individuen. Hij trok de volgende conclusies:

      • De psychologische gezondheid van werklozen is slechter dan dat van werkenden.

      • Deze slechtere gezondheid is het resultaat van de werkloosheid, omdat het terugkeren naar werk vaak leidt tot verbetering in het psychologisch welzijn.

      • Baanverlies resulteert vaak in depressie, slapeloosheid, snel geïrriteerd raken, weinig zelfvertrouwen, moeite hebben met concentreren en algemene spanning.

      Warr concludeerde dat de redenen voor deze effecten complex zijn.

      Verder ontdekte Warr dat niet alle individuen evenveel lijden onder het verliezen van een baan. Dit is voor een belangrijk gedeelte afhankelijk van iemands:

      • Gezondheid.

      • Sociale steun.

      • Al dan niet hebben van financiële druk.

      Wat is telewerken?

      Telewerken is werktaken afmaken vanaf een locatie op afstand door middel van elektronische communicatie media. Deze manier van werken wordt steeds vaker toegepast.

      Holland en Hogan beargumenteren dat de negatieve gevolgen erg kunnen zijn. Ze omvatten de volgende:

      • Vervreemding bij de werknemer zal toenemen vanwege een gebrek aan face-to-face interactie.

      • Het niet werken op de eigenlijke werkplek kan ervoor zorgen dat individuen een gevoel van identiteit kwijtraken. Een gevoel van identiteit die voortkomt uit werkervaringen.

      • Telewerkers zullen niet snel promoveren, omdat ze uit zicht zijn en daarmee ook uit gedachten zijn.

      • Voor telewerken is een bepaald soort mens nodig: individuen die ambitieus en conscientious zijn. Deze eigenschappen maakt ze goed in telewerken, maar zal ook snel leiden tot desillusie

      Het debat over de voor- en nadelen van telewerken is nog in volle gang.

      Wat is werk-familie balans?

      Werk-familie balans is een onderzoeksgebied dat onderzoekt of de tevredenheid die men op het werk ervaart mede wordt beïnvloed door de tevredenheid die men ervaart in niet-werk, en vice versa.

      De meeste onderzoeken in dit gebied richten zich op de effecten van een gebrek aan balans. Deze effecten worden vaak besproken in termen van stress veroorzaakt door tegenstrijdige verplichtingen tussen werk en niet-werkactiviteiten. Sommigen beargumenteren dat de emotionele ervaring van werk pas compleet begrepen kan worden als de context van het leven en niet-werkrollen in het geheel worden meegenomen. De mate van (dis)balans beïnvloedt zowel de fysieke als psychologische welzijn van individuen.

      Wat zijn psychologische contracten?

      Psychologische contracten zijn overtuigingen die mensen hebben met betrekking tot de voorwaarden van een uitwisselingsovereenkomst tussen henzelf en de organisatie.

      Een belangrijk kenmerk van psychologische contracten is dat individuen vrijwillig instemmen met het aanvaarden van bepaalde toezeggingen en vervolgens plannen en doelen maken op basis van hun begrip van die verplichtingen.

      Psychologische contracten krijgen in de 21e eeuw veel meer aandacht dan daarvoor, omdat langdurig dienstverband bij één organisatie steeds zeldzamer wordt.

      Psychologische contractbreuk verwijst naar de perceptie van een werknemer van de mate waarin de werkgever zijn beloften aan de werknemer niet is nagekomen. Dergelijke beloften hadden kunnen gaan over:

      • Promoties.

      • Op prestatie gebaseerd salaris.

      • Baanzekerheid op lange termijn.

      • Genoeg verantwoordelijkheid.

      • Ontwikkelingsmogelijkheden.

      Wat is baaninbedding?

      Baaninbedding wordt gedefinieerd als de gehechtheid van individuen aan hun baan. Dat omvat:

      • banden met mensen en groepen die in de organisatie betrokken zijn;

      • de perceptie van hun fit met de baan of organisatie;

      • wat werknemers zeggen dat ze zouden opofferen als ze hun baan zouden verlaten.

      Wat is job crafting?

      Job crafting is een nieuw concept dat veel interesse wekt bij psychologen. Het verwijst naar zelf-geïnitieerde veranderingen die werknemers actief in hun baan aanbrengen om hen te helpen interessante baankenmerken te vergroten en onaangename baaneisen te verminderen.

      Access: 
      Public
      Wat is de relatie tussen stress en werk? - Chapter 10

      Wat is de relatie tussen stress en werk? - Chapter 10

      Wat is het probleem van stress?

      Arbeids- en organisatiepsychologen spenderen veel tijd om de oorzaken van stress op het werk te identificeren, omdat stress voor een grote verscheidenheid aan gezondheidsproblemen kan zorgen. Ook proberen ze erachter te komen hoe werkstress gerelateerd is aan werk en ontwikkelen ze strategieën om stress te verminderen en te managen.

      Voor het onderzoeken van stress op het werk hebben Kahn en Byosiere een uitgebreid model ontwikkeld. Hun model presenteert een aantal belangrijke factoren in het proces van stress, zoals:

      • Werkstress.

      • Moderatoren van het proces van stress.

      • Gevolgen van stress.

      Cannon merkte in zijn onderzoeken naar dierlijke en menselijke reacties op gevaarlijke situaties op dat dieren en mensen een vecht-of-vlucht reactie hebben. Dit verwijst naar een adaptieve reactie van mensen en dieren op stressvolle situaties waarin ze kiezen om of the vechten of te vluchten.

      Selye was de eerste die een onderscheid maakte tussen goede stress en slechte stress. Goede stress heet eustress en is een soort stress dat ervoor zorgt dat iemand gemotiveerd raakt en hard werkt om doelen te bereiken. Slechte stress heet ook nood (disstress) en is een stress dat het gevolg is van chronische veeleisende situaties en zorgt voor negatieve gezondheidsklachten.

      Selye merkte op dat de reactie sequentie op bijna elke ziekte of trauma bijna identiek is. Hij noemde dit algemene adaptatie syndroom (general adaptation syndrome) en deelde het op in drie fases:

      1. Alarm reactie: lichaam mobiliseert middelen om met extra stress om te gaan.

      2. Weerstand fase: lichaam dealt met de originele bron van stress, maar weerstand tegen andere stressoren is verlaagd.

      3. Uitputting: algehele weerstand daalt en ongunstige gevolgen volgens als de stress niet vermindert.

      Dit gaat over de lichamelijk reactie op stress over een langere tijd.

      Copingsstijlen worden over het algemeen opgedeeld in twee soorten:

      • Probleem-gerichte coping: is coping gericht op het managen of veranderen van het probleem dat de stress veroorzaakt.

      • Emotie-gerichte coping: is coping gericht op het reduceren van de emotionele reactie op een probleem door vermijding, minimaliseren of afstand nemen van het probleem.

      Wat is een stressfactor?

      Een stressfactor is een fysieke of psychologische eis waarop een individu reageert. Reacties op deze stressfactoren worden vaak strains genoemd.

      Stressfactoren gerelateerd aan werk vallen in twee grote categorieën:

      • Fysieke / taak stressfactoren.

      • Psychische factoren.

      Onder psychische stressfactoren vallen vaak de volgende zaken:

      • Gebrek aan controle/voorspelbaarheid.

      • Interpersoonlijke conflicten.

      • Onbeleefdheid op het werk.

      • Stressfactoren met betrekking tot de rol van de werknemer. Rol verwijst hier naar de verwachtingen met betrekking tot de verantwoordelijkheden en vereisten van een bepaalde functie. Voorbeelden van stressfactoren tot de rol van de werknemer zijn: rol ambiguiteit, rol conflict en rol overbelasting. Rol ambiguïteit is een stressfactor die zich voordoet als een werknemer geen duidelijk kennis heeft over wat er qua gedrag verwacht wordt voor de baan. Rol conflict is een stressfactor die zich voordoet wanneer eisen vanuit verschillende bronnen onverenigbaar zijn. Rol overbelasting is een stressfactor die zich voordoet wanneer er van een individu verwacht wordt te veel rollen tegelijkertijd te vervullen.

      • Werk-familie conflicten.

      • Emotioneel werk. Dat is de regulering van iemands emoties om aan de eisen van werk of organisatie te voldoen. Dit kan bereikt worden door middel van:
        * Acteren aan de oppervlakte: het vervalsen van iemands uitdrukkingen of emoties.
        * Acteren in de diepte: het managen van iemands gevoelens.

      • Stressfactoren gerelateerd aan uitdagingen, zijn: uitdagende-gerelateerde stressfactoren en hindernis-gerelateerde stressfactoren. Uitdagende-gerelateerde stressfactoren zijn eisen van het werk die, mogelijk stressvol, ook mogelijke winsten opleveren voor het individu. Hindernis-gerelateerde stressfactoren zijn eisen van het werk die iemands werkprestaties beperken of verstoren.

      Wat zijn mogelijke gevolgen van stress op gedrag?

      De gevolgen van stress op gedrag kan heel divers zijn. De volgende drie lijken voornamelijk van belang:

      1. Verwerking van informatie wordt slechter door chronische stress.

      2. De relatie tussen stress en prestatie heeft een u-vorm. Lage vormen van stimulatie en extreme vormen van stimulatie zorgen voor een verminderde prestatie. Optimale stimulatie zorgt voor optimale prestatie.

      3. Contraproductief werkgedrag.

      Wat zijn mogelijk psychologische gevolgen van stress?

      Mogelijke psychologische gevolgen van stress zijn onder andere de volgende:

      • Spanning.

      • Depressie.

      • Burn-out.

      • Vermoeidheid.

      • Ontevredenheid over het werk en het leven.

      Burn-out is een extreme toestand van psychologische spanning die het gevolg is van een langdurige reactie op chronische stressfactoren op het werk die de middelen van het individu om ermee om te gaan te boven gaan. Dit werd als eerste gezien onder zorgprofessionals. Onderzoekers hebben drie componenten van burn-out geïdentificeerd in de zorg:

      • Emotionele uitputting: burn-out die optreedt wanneer mensen zich emotioneel uitgeput voelen door werk.

      • Depersonalisatie: burn-out die optreedt wanneer individuen verhard raken door hun werk en de neiging hebben om cliënten of patiënten als objecten te behandelen.

      • Lage persoonlijke prestatie: burn-out waarbij individuen het gevoel hebben niet effectief om te kunnen gaan met problemen en niet goed de problemen van anderen te kunnen begrijpen of identificeren.

      Wat zijn de fysieke gevolgen van stress?

      Fysiologische veranderingen in het lichaam treden op wanneer stressvolle situaties overactivering van het sympathische zenuwstelsel veroorzaken, dat verschillende soorten stresshormonen produceert. Deze stresshormonen veroorzaken een verhoging van de hartslag ter voorbereiding op verhoogde fysieke en cognitieve activiteit.

      Stress zorgt er ook voor dat de bloedvaten in de perifere delen van het lichaam krimpen. De combinatie van krimpende bloedvaten en meer bloed dat erdoorheen stroomt, veroorzaakt slijtage aan de kransslagaders en het hart. Dit leidt tot verdikking van plaque in de slagaders. Wat vervolgens de kans op hartaanvallen vergroot.

      Wat zijn ploegendiensten?

      Ploegendienst is het plannen van werk in tijdelijke ploegen. Ploegendiensten kunnen worden opgedeeld in twee verschillende soorten:

      • Vaststaande dienst: een dienst dat blijvend is toegewezen aan een werknemer.

      • Roterende dienst: een dienst verandert om de zoveel tijd.

      Er is veel onderzoek gedaan naar de effecten van dit soort werk op werknemers. Sommige diensten vinden ‘s nachts plaats en gaan dan tegen het circadiane ritme in. Psychologen ontdekten dat over het algemeen het tegen het circadiane ritme ingaan negatieve gevolgen heeft voor de gezondheid, prestaties en algemene tevredenheid. Daarnaast is het waarschijnlijker dat roterende diensten voor problemen zorgen dan vaststaande diensten.

      Er bestaan nog meer vormen van werkindeling:

      • Flextime is een schema waarin individuele werknemers discretie krijgen over de tijd die ze melden om te werken en de tijd dat ze op een bepaalde dag het werk verlaten.

      • Een gecomprimeerde werkweek is een rooster waarbij een werknemer langer dan acht uur per dag en minder dan vijf dagen per week kan werken.

      Welke theorieën over stress zijn er?

      Wat is het eisen-controle model?

      Het eisen-controle model van Karasek suggereert dat er voornamelijk twee factoren voor werkstress zorgen:

      • Baaneisen: verwijst naar de werkdruk.

      • Baancontrole: verwijst naar de combinatie van autonomie binnen de baan en de mogelijkheid om verschillende vaardigheden te gebruiken.

      Volgens Karasek zorgt de combinatie van hoge baaneisen en lage controle voor hoge spanningen op het werk dat verschillende gezondheidsproblemen kan veroorzaken.

      Wat is het person-environment fit model?

      Het person-environment fit model gaat er vanuit dat de mate waarin een persoon past in de omgeving de hoeveelheid stress die de persoon ervaart bepaald.

      Onderzoek begon duidelijk onderscheid te maken in:

      • Person-job fit: de mate waarin de vaardigheden en interesses van een individu passend zijn bij de eisen van de baan.

      • Person-organization fit: de mate waarin de waarden van een werknemer overeenkomen met de waarden van de meeste anderen binnen de organisatie.

      Bestaan er individuele verschillen in het reageren op stress?

      Mensen reageren verschillend op stress en dit heeft aandacht gekregen van psychologen. Individuele verschillen met betrekking tot karakter die het meeste aandacht hebben gekregen, zijn:

      • Locus of control.

      • Taaiheid.

      • Zelfvertrouwen.

      • Het type A gedragspatroon.

      Locus of control refereert aan het geloof van een individu in de mate waarin hij of zij controle heeft over wat hem of haar overkomt. Individuen met een interne locus of control geloven dat uitkomsten het resultaat zijn van hun eigen vaardigheden en inzet, terwijl individuen met een externe locus of control geloven dat uitkomsten voor een groot gedeelte bepaald worden door andere mensen, geluk en het lot. Onderzoeksresultaten tonen aan de mensen met een interne locus of control minder spanning ervaren bij dezelfde stressfactoren dan mensen met een externe locus of control.

      Taaiheid omvat een reeks persoonlijkheidskenmerken die weerstand bieden tegen stress. Individuen van wie men zegt dat ze een taaie persoonlijkheid hebben, bezitten drie kenmerken:

      • Ze voelen dat ze controle hebben over en in hun leven.

      • Ze zijn begaan met hun gezin en hun werkdoelen en waarden.

      • Ze zien onverwachte veranderingen als een uitdaging in plaats van als obstakels.

      Cohen en Edwards observeerde dat taaie mensen actief een probleemgerichte en steun-zoekende strategieën aannemen. Een sleutelcomponent van taaiheid is transformationele coping. Dat verwijst naar het actief veranderen van perceptie ten opzichte van een stressvolle gebeurtenis door het te gaan zien als een uitdaging dat overwonnen kan worden.

      Zelfvertrouwen verwijst naar een gevoel van positieve eigenwaarde dat wordt beschouwd als een belangrijk hulpmiddel voor het omgaan met stress. Bij dezelfde soort omgevingsstressfactoren zullen mensen met een laag zelfvertrouwen meer spanning ervaren dan mensen met een hoog zelfvertrouwen.

      Wat is het type A gedragspatroon?

      Het type A gedragspatroon (TABP) is een reeks kenmerken die worden vertoond door individuen die in een chronische strijd verwikkeld zijn om in de kortst mogelijke tijd een onbeperkt aantal slecht gedefinieerde dingen uit hun omgeving te halen. Subcomponenten of dit persoonlijkheidstype omvat de volgende:

      • Vijandigheid. Dit wordt geassocieerd met een verhoogde uitscheiding van stresshormonen en verhoogde kans op hart- en vaatziekten en andere schadelijke gezondheidsgevolgen op lange termijn.

      • Prestatiegericht. Dit omvat de neiging om actief te zijn en hard te werken aan het behalen van doelen.

      • Ongeduld. Dit reflecteert in intolerantie en frustratie als reactie op vertraagd te worden.

      • Tijd urgentie. Dit refereert aan het gevoel niet genoeg tijd te hebben.

      Hoe kan stress worden verminderd?

      Wat is arbeidsgezondheidspsychologie?

      Arbeidsgezondheidspsychologie is een gebied van de psychologie dat psychologie toepast om de kwaliteit van het beroepsleven te verbeteren en om de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van werknemers te beschermen en te bevorderen.

      Deze psychologen delen hun benaderingen tot het verlagen en managen van stress op in drie categorieën, namelijk: primaire preventiestrategieën, secundaire preventiestrategieën en tertiaire preventiestrategieën. Primaire preventiestrategieën omvatten het aanpassen of elimineren van stressfactoren op het werk. Secundaire preventiestrategieën zijn strategieën waarbij reacties op onvermijdelijke eisen of stressoren worden aangepast. Verschillende methodes hiervoor zijn:

      • Stress management training.

      • Stress inoculation. Primaire en secundaire preventiestrategieën worden hierbij vaak samengevoegd.

      • Mindfulness.

      • Relaxatie technieken.

      • Biofeedback.

      • Sociale steun.

      Volgens House bestaan er vier verschillende vormen van sociale steun:

      1. Instrumentele steun: directe hulp, vaak van praktische aard.

      2. Emotionele steun.

      3. Informatieve steun.

      4. Steun via beoordeling.

      De buffer or moderator hypothesis gaat er vanuit dat sociale steun gezondheidsproblemen vermindert door individuen te beschermen tegen de negatieve effecten van stressfactoren op het werk.

      Tertiaire preventiestrategieën. Dat zijn strategieën die gericht zijn op het genezen van negatieve effecten van stressfactoren.

      Komt geweld op het werk voor?

      Geweld komt steeds vaker voor op het werk. Dit soort geweld valt in twee verschillende categorieën:

      • Geweld toegepast op een werknemer door een niet-werknemer.

      • Geweld toegepast op een werknemer door een andere werknemer.

      Wat veroorzaakt geweld op het werk?

      Kinney toonde aan dat stressvolle factoren correleren met geweld op het werk. Denk hierbij aan financiële problemen of slechte relaties met collega’s. Baumeister toonde met zijn onderzoek aan dat geweld op het werk vaak een gevolg is van een hoge eigenwaarde dat naar beneden wordt gehaald door een persoon of door omstandigheden. Stress is duidelijk één van de oorzaken van geweld op het werk. Om het probleem echter ingewikkelder te maken, toont onderzoek aan dat geweld op de werkvloer een oorzaak is van stress.

      Bestaan er theorieën over geweld op het werk?

      Er bestaan verschillende theorieën over geweld op het werk. Arbeids- en organisatiepsychologen maken vaak gebruik van één van twee theoretische benaderingen wanneer ze geweld op het werk willen onderzoeken:

      • Frustratie-agressie hypothese. Deze hypothese werd voorgesteld door Dollard en collega’s en is heel simpel: frustratie leidt tot agressie.

      • De gerechtigheidshypothese. Gaat er vanuit dat sommige gewelddadige handelingen begrepen kunnen worden als reacties van een werknemer op ervaren onrechtvaardigheid.

      Wat is pesten?

      Pesten is een persoon met een ondergeschikte status herhaaldelijk en gedurende een lange periode lastig vallen, beledigen, sociaal uitsluiten of vernederende taken toewijzen.

      Pesten gebeurt net zo goed op het werk als op scholen. Onderzoeksresultaten tonen aan dat slachtoffer zijn van pesten gerelateerd is meer mentale en fysieke gezondheidsproblemen. Een ander belangrijk onderzoeksresultaat is dat slachtoffers vaak in een positie zitten waarin ze geen controle hebben. Er is weinig dat ze kunnen doen om hun situatie te verbeteren.

      Er moet nog veel onderzoek gedaan worden om pesten op het werk te begrijpen en te voorkomen. Daarnaast bestaan er gerelateerde fenomenen die onderzoek nodig hebben:

      • Cyberpesten: pesten dat plaatsvindt via elektronica.

      • Mobbing: situatie waarin een doelwit wordt geselecteerd en gepest door een groep mensen in plaats van een individu.

      Access: 
      Public
      Wat is de rol van eerlijkheid, gerechtigheid en diversiteit op de werkvloer? - Chapter 11

      Wat is de rol van eerlijkheid, gerechtigheid en diversiteit op de werkvloer? - Chapter 11

      Wat is gerechtigheid en wat is eerlijkheid?

      Iemands kijk op de mate waarin hij of zij eerlijk wordt behandeld, zal de emotionele en gedragsmatige reacties van die persoon op de werkomgeving beïnvloeden. Percepties van rechtvaardigheid blijken invloed te hebben op:

      • Organisatorisch burgerschap.

      • Vertrouwen in de organisatie.

      • Respect voor de leiders.

      • Gedachten aan stoppen.

      • Werkprestatie.

      De termen ‘gerechtigheid’, ‘eerlijkheid’ en ‘vertrouwen’ worden vaak door elkaar gebruikt. In dit hoofdstuk zal er wel onderscheid gemaakt worden.

      Wat is vertrouwen?

      Vertrouwen is een geloof in hoe een persoon of een organisatie zal handelen bij een toekomstige gelegenheid op basis van voor de hand liggende interacties met die persoon of organisatie.

      Vertrouwen dat is geschonden, is moeilijk te herstellen om een aantal redenen:

      • Mensen hebben de neiging om negatieve gebeurtenissen makkelijker te onthouden dan positieve gebeurtenissen.

      • Mensen leggen over het algemeen meer gewicht op negatieve gebeurtenissen in het verleden dan positieve gebeurtenissen.

      • Er zijn aanwijzingen dat negatieve roddels makkelijker verspreid binnen organisaties dan positieve roddels.

      Het concept van organisatorische rechtvaardigheid bestaat al bijna 30 jaar. Organisatorische rechtvaardigheid is een vorm van rechtvaardigheid die is samengesteld uit organisatorische procedures, resultaten en interpersoonlijke interacties. Er bestaat echter nog geen algemeen geaccepteerd raamwerk voor het onderzoeken van rechtvaardigheid op het werk. Over het algemeen worden drie vormen van rechtvaardigheid besproken:

      • Verdelende rechtvaardigheid.

      • Procedurele rechtvaardigheid.

      • Interactionele rechtvaardigheid.

      Wat is verdelende rechtvaardigheid?

      Verdelende rechtvaardigheid is een vorm van rechtvaardigheid waarbij de toewijzing van beloningen aan de medewerkers van een organisatie ervaren wordt als rechtvaardig. De werknemer heeft iets geïnvesteerd in de organisatie en de organisatie beloont de werknemer voor die investering. Werknemers zullen een mening hebben over of de toewijzing of beloning eerlijk is.

      Er zijn veel verschillende definities voor wat ‘eerlijk’ is voor de verdeling van beloningen:

      • Verdienste: een definitie van eerlijkheid gebaseerd op het idee dat degene die het hardst werken of het meest produceren de grootste beloningen zouden moeten krijgen.

      • Behoeftenorm: definitie van eerlijkheid gebaseerd op het idee dat mensen beloningen zouden moeten krijgen in verhouding tot hun behoefte.

      • Gelijkheidsnorm: definitie van eerlijkheid gebaseerd op het idee dat mensen ongeveer gelijke beloningen zouden moeten krijgen.

      Wat is procedurele rechtvaardigheid?

      Procedurele rechtvaardigheid is een vorm van rechtvaardigheid waarin het proces waarmee beloningen worden verdeeld, als eerlijk wordt ervaren. Een belangrijk aspect van eerlijke behandeling is de mogelijkheid om bezwaar te maken. Binnen de arbeids- en organisatiepsychologie wordt dit stem genoemd. Een stem is dus het hebben van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen een bepaald proces of uitkomst.

      Wat is interactionele rechtvaardigheid?

      Interactionele rechtvaardigheid is een vorm van rechtvaardigheid die zich bezighoudt met de gevoeligheid waarmee werknemers worden behandeld en verbonden in de mate waarin een werknemer zich gerespecteerd voelt door de werkgever. Dit concept gaat over de mate waarin een werknemer zich gerespecteerd voelt door de werkgever.

      Welke verschillen bestaan er tussen het ervaren van rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid?

      Gilliland, Benson en Schepers gaven aan dat onrechtvaardigheid een veel grote invloed had dan rechtvaardigheid om houdingen, emoties en gedrag. Als een bepaald niveau van onrechtvaardigheid is overschreven dan is het niet meer mogelijk om de gevoelens van onrechtvaardigheid weg te nemen. Het ervaren van onrechtvaardigheid leidt tot verminderde inzet, terwijl het ervaren van rechtvaardigheid leidt tot extra inzet en gevoelens van erbij horen.

      Wat zijn de praktische gevolgen van de perceptie van rechtvaardigheid?

      Veel onderzoeksresultaten laten een link zien tussen de perceptie van rechtvaardigheid en de houding van de werknemer. Twee aspecten hebben vooral veel aandacht gekregen tijdens onderzoeken:

      • De evaluatie van prestatie.

      • De reacties van de sollicitant op selectieprocedures.

      Het proces van het evalueren van prestatie verwijst naar een formele procedure waarin een leidinggevende de prestatie van een ondergeschikte beoordeelt. De reacties van individuen hingen meer af van hoe de evaluatie was uitgevoerd dan of het resultaat positief of negatief was. De ervaring van rechtvaardigheid ontstond wanneer:

      • de leidinggevende bekend was met de verantwoordelijkheden en taken van de ondergeschikte;

      • de leidinggevende de mogelijkheid om de ondergeschikte daadwerkelijk te observeren op het werk;

      • de leidinggevende tips had om de prestatie te verbeteren.

      Greenberg beweerde dat een persoon zich rechtvaardig behandeld zou voelen als het volgende plaats heeft gevonden:

      • De leidinggevende heeft zorgvuldig informatie verzameld.

      • De ondergeschikte had de mogelijkheid om de evaluatie met de leidinggevende te bespreken.

      • De ondergeschikte had de mogelijkheid om het fomreel oneens te zijn met de evaluatie.

      • De leidinggevende was bekend met het werk van de ondergeschikte.

      • De leidinggevende was consistent in zijn of haar beoordelingsnormen voor ondergeschikten en over tijdsperioden voor dezelfde ondergeschikte.

      Anderson, Born en Cunningham-Snell onderzochten de beschikbare onderzoeken over de reacties van sollicitanten. Ze trokken een aantal conclusies:

      • Rekruteren. Sollicitanten zien de recruiter als de personificatie van de organisatie voor wie de recruiter werkt.

      • Biografische informatie. Sollicitanten twijfelen over de eerlijkheid van formulieren die naar biografische informatie vragen als onderdeel van het selectieproces.

      • Cognitieve capaciteitentests. Sollicitanten hebben een voorkeur voor zulke tests als deze items hebben die te maken lijken te hebben met de baan.

      • Testen via de computer. Sollicitanten geven over het algemeen de voorkeur aan testen via de computer.

      • Motivatie voor het make van tests. Sollicitanten met een sterkere motivatie voor het doen van tests scoren vaak beter op de tests.

      • Assessment centers. Sollicitanten geven de voorkeur aan assessment centers, omdat ze in de ogen van de sollicitanten meer gerelateerd zijn aan de baan. Ook bestaat er een voorkeur voor face-to-face interacties.

      • Persoonlijkheidstests. Sollicitanten geven minder de voorkeur aan persoonlijkheidstests dan aan andere tests. Dit kan komen, omdat ze minder duidelijk gerelateerd zijn aan werkgedrag.

      • Interviews. Sollicitanten geven de voorkeur aan interviews die gerelateerd lijken te zijn aan de baan.

      • Drugstests. Sollicitanten die drugs gebruiken, zijn niet zo enthousiast over deze vorm van testen.

      Goede voorspellers van een positieve beoordeling van de selectieprocedure zijn:

      • de mogelijkheid hebben om te laten zien wat iemand kan;

      • de ervaren face validiteit van de selectieprocedure.

      Wat is affirmative action?

      In de Verenigde Staten zijn affirmative action programma’s opgericht. Dat zijn programma’s die
      die erkennen dat bepaalde demografische groepen mogelijk ondervertegenwoordigd zijn in de werkomgeving en die specifieke mechanismen bieden om deze ondervertegenwoordiging te verminderen. Deze programma’s kunnen veel verschillende vormen aannemen, maar hebben niet de vorm van een quota.

      Wat is diversiteit?

      Onder diversiteit verstaat men de verschillen in demografische kenmerken. Onder relationele demografie verstaat men de relatieve samenstelling van verschillende demografische kenmerken in bepaalde werkgroepen.

      Onderzoeksresultaten tonen aan dat een toenemende diversiteit zorgt voor een toename in verschillen in waarden, vaardigheden en motivaties. Herriot en Pemberton verklaarden waarom groepsleden homogeniteit boven diversiteit lijken te prefereren. Ze kwamen met de volgende moeilijkheden die voorkomen in groepen die divers zijn:

      • Anderen zijn het niet eens met jouw visie en doelen.

      • Verschillen in visies en doelen ontstaan door verschillen in waarden. Wanneer waarden worden bedreigd, reageren mensen vaak defensief.

      • Een verschillende kijk op visie en doelen zorgt vaak ook voor onenigheid over welke projecten gedaan moeten worden en hoe tijd en geld gespendeerd moet worden.

      • Verschillende visies worden vaak geassocieerd met verschillende analyses van de situatie en dit leidt tot onproductieve communicatie.

      • Verschillen in expertise en kennis kan leiden tot onenigheid over methoden en procedures.

      De meest effectieve benadering voor het managen van een divers team zal waarschijnlijk afhangen van de organisatie en situatie. Toch heeft Cleveland de kenmerken geïdentificeerd van organisaties die het meest waarschijnlijk een divers team succesvol zullen managen. Een succesvolle organisatie zal het volgende doen:

      • Diversiteit hebben in elke laag.

      • Diversiteit niet alleen op formele niveaus van de organisatie bevorderen, maar ook in minder formele sociale netwerken.

      • Vooroordelen en discriminerende praktijken ontdekken en ze elimineren.

      • Zorgen voor toewijding en gehechtheid aan de organisatie bij alle medewerkers.

      • Stappen ondernemen om interpersoonlijke conflicten te verminderen.

      • Erkennen van culturele verschillen in plaats van net doen alsof ze niet bestaan.

      Pemberton identificeerde twee ineffectieve modellen voor het aanspreken van diversiteit:

      • Assimilatie model. Rekruteer, selecteer, train en motiveer medewerkers op zo een manier dat ze allemaal dezelfde waarden en cultuur hebben.

      • Beschermingsmodel. Achtergestelde en ondervertegenwoordigde groepen worden geïdentificeerd en worden speciale bescherming aangeboden.

      Onderzoekers raden een derde model aan als het ideaal voor het conceptualiseren van diversiteit:

      • Waarde model. Waardeer elke element van diversiteit voor het in zijn unieke waarde toevoegt aan de organisatie.

      Access: 
      Public
      Wat is leiderschap binnen organisaties? - Chapter 12

      Wat is leiderschap binnen organisaties? - Chapter 12

      Wat is leiderschap?

      Wat is leader emergence (opkomst van de leider)?

      Leader emergence is het bestuderen van de kenmerken van individuen die leiders worden, het onderzoeken van de basis waarop ze werden gekozen, benoemd of gewoon geaccepteerd.

      Dit verschilt van effectiviteit van leiderschap. Dat verwijst naar onderzoek naar welk gedrag van een aangewezen leider heeft geleid tot een resultaat dat gewaardeerd wordt door de werkgroep of organisatie.

      In de meta-analyse van Judge kwam naar voren dat leader emergence positief gerelateerd is aan emotionele stabiliteit, extraversie, openheid ten opzichte van ervaring en consciëntieusheid.

      Wat zijn destructieve leiders?

      Destructieve leiders zijn leiders die niet geïnteresseerd zijn in het doen van ‘goed werk’ of in ieder geval het werk niet op een goede manier doen. Zulke leiders krijgen steeds meer aandacht van onderzoekers. Einarsen beschrijft de volgende vier soorten:

      • Tiranniek. Zo’n soort leider accepteert wellicht de doelen van de organisatie wel, maar probeert deze doelen te halen het actief manipuleren en vernederen van werknemers onder hem of haar.

      • Ontspoord. De ontspoorde leider gedraagt zich beledigend, maar hij of zij vertoont ook antiorganisatorisch gedrag.

      • Ondersteunend-ontrouw. Zo’n leider toont begrip voor werknemers onder hem of haar, maar schendt de doelen van de organisatie door het bereiken van doelen te ondermijnen.

      • Mishandelend toezicht. Dit is een niet-fysieke vorm van vijandigheid of agressie van managers tegen werknemers die rechtstreeks aan hen rapporteren.

      Wat is een leider?

      Een leider is iemand die invloed uitoefent op of probeert uit te oefenen op andere mensen. Het gedrag dat hierbij komt kijken kan leiderschap genoemd worden. Pogingen tot leiderschap zijn niet altijd succesvol. Bass maakte het volgende onderscheid:

      • Poging tot leiderschap: persoon A accepteert het doel om van persoon B te veranderen en kan worden geobserveerd terwijl hij dit doet.

      • Succesvol leiderschap: persoon B verandert zijn of haar gedrag als functie van de inspanning van persoon A.

      • Effectief leiderschap: als een functie van de gedragsverandering van persoon B als gevolg van de inspanningen van persoon A, zal persoon B meer tevreden zijn, beter worden beloond en een doel hebben bereikt dat van wederzijds belang is voor persoon A en persoon B.

      Wat is het verschil tussen leider ontwikkeling en de ontwikkeling van leiderschap?

      Arbeids- en organisatiepsycholoog Day maakte een belangrijk onderscheid tussen leider ontwikkeling en de ontwikkeling van leiderschap. Leider ontwikkeling is een proces dat zich concentreert op het ontwikkelen, behouden of verbeteren van individuele eigenschappen van de leider. De ontwikkeling van leiderschap is een proces dat zich concentreert op de relatie van leider-volger en op de ontwikkeling van een omgeving waarin de leider relaties kan opbouwen die de organisatie verbetert.

      Wat is het machtsmotief?

      Het machtsmotief is het verlangen om controle te krijgen over macht die het resultaat is van mensen die leren dat het prettig is om controle uit te oefenen over anderen of de omgeving.

      Belangrijk hier zijn:

      • Inhibitie van activiteit: is een psychologische term die wordt gebruikt om een persoon te beschrijven die niet impulsief is.

      • Behoefte aan aansluiting: behoefte aan goedkeuring of verbindingen met anderen.

      Mensen die graag een leiderschapspositie willen bekleden hebben een hoog machtsmotief gecombineerd met een hoge mate van inhibitie van activiteit en een lage behoefte aan aansluiting.

      Wat zijn de traditionele theorieën over leiderschap?

      Wat zijn de ‘great man’ theorieën?

      De ‘great man’ theorieën zijn leiderschapstheorieën die zijn ontwikkeld door historici die het leven van een gerespecteerde leider hebben onderzocht op aanwijzingen die tot de grootheid van die persoon leidden. Ze zijn vaak gericht op een stimulerende ervaring of een bewonderenswaardige eigenschap die een leider tot op zekere hoogte bezit.

      Wat is de eigenschap benadering?

      De eigenschap benadering is een leiderschapstheorie die probeerde aan te tonen dat leiders bepaalde kenmerken bezaten die niet-leiders niet hadden.

      Wat is de machtsbenadering?

      De machtsbenadering is een leiderschapstheorie die de soorten macht onderzoekt die door leiders worden uitgeoefend.

      Volgens French en Raven bestaan er vijf verschillende vormen van macht:

      • Macht via beloning. De mogelijkheid van een leider om gewaardeerde beloningen uit te keren.

      • Dwingende macht. De mogelijkheid van een leider om straffen uit te delen.

      • Legitieme macht. Het ‘recht’ van de leider om een ondergeschikte te beïnvloeden en de plicht van de ondergeschikte om dit te accepteren.

      • Referentie macht. De identificatie van de ondergeschikte met de leider; de wens van de ondergeschikte om te zijn en te handelen zoals de leider.

      • Macht via expertise. De kennis die een leider heeft op een bepaald gebied.

      Wat is de gedragsbenadering?

      De gedragsbenadering is een leiderschapstheorie die zich richtten op het soort gedrag van mensen in leiderschapsrollen en die twee hoofdtypen identificeerden:

      • Overweging: omvat gedrag zoals wederzijds vertrouwen, respect en een bepaalde warmte en rapport tussen de leider en de groep. Deze dimensie benadrukte een bezorgdheid om de behoeften van de groepsleden.

      • Structuur initiëren: omvat gedrag waarbij de leider groepsactiviteiten en zijn of haar relatie tot de groep organiseert en definieert. Deze dimensie benadrukte Deze dimensie benadrukte openlijke pogingen om organisatiedoelen te bereiken.

      De gedragsbenadering begon bij onderzoekers aan de Ohio State University. De onderzoeken die zij gedaan hebben naar dit onderwerp worden ook wel de Ohio State University Studies genoemd. Hun benadering genereerde honderden onderzoeken, maar deze onderzoeken hadden geen consistente resultaten.

      Rond dezelfde tijd deden onderzoekers aan de University of Michigan ook onderzoek naar leiderschap. Deze onderzoeken worden de University of Michigan studies genoemd. Deze onderzoekers richtten zich meer op de dynamiek van de interactie tussen leiders en groepen. Zij concludeerden dat de volgende activiteiten van de leider belangrijk zijn:

      • Taakgericht gedrag. Gelijk aan structuur initiëren.

      • Relatiegericht gedrag. Gelijk aan overweging.

      • Participatief gedrag. Leider staat ondergeschikte meer participatie toe bij het maken van beslissingen en moedigt een manier van communiceren aan die twee kanten opgaat.

      Wat is de contingentiebenadering?

      De contingentiebenadering is een leiderschapstheorie voorgesteld om rekening te houden met de rol van de situatie bij het uitoefenen van leiderschap.

      Een algemene ontdekking van de machts- en gedragsbenaderingen is dat elk succes of tactiek afhankelijk is van meerdere factoren of situaties. Om deze reden ontstond de contingentiebenadering.

      Hersey en Blanchard beweerden dat het succes van verschillende leiderschapsbenaderingen voor een deel afhankelijk is van de volwassenheid van de ondergeschikten. Volwassenheid heeft twee verschillende facetten:

      • Baan volwassenheid: verwijst naar de baangerelateerde vaardigheden en kennis van de ondergeschikte.

      • Psychologische volwassenheid: verwijst naar het zelfvertrouwen en zelfrespect van de ondergeschikte.

      Een ondergeschikte met een hoge mate van volwassenheid heeft zowel de vaardigheden als het zelfvertrouwen. Een ondergeschikte met een lage mate van volwassenheid heeft beide niet. Hersey en Blanchard beweerden dat structuur aanbrengen het beste zou werken bij ondergeschikten met een lage volwassenheid. Het structurerende gedrag van de leider kan minder worden naarmate de ondergeschikte volwassener wordt.

      Wat zijn de voordelen van een participatief leiderschapsstijl?

      Yukl identificeerde de volgende voordelen van een participatief leiderschapsstijl:

      • Het helpt de ondergeschikten begrijpen welke omstandigheden nodig zijn bij het maken van een beslissing.

      • Individuen identificeren zich beter met het besluit en werken harder om het te laten slagen.

      • Deelname vereist dat de doelstellingen en plannen die nodig zijn om die doelstellingen te bereiken, duidelijk worden gemaakt aan de deelnemers.

      • Het maakt mogelijke beloningen en straffen duidelijker, waardoor de motivatie toeneemt.

      • Deelname is een normale, volwassen en bevredigende ervaring.

      • Deelname leidt tot sociale druk op groepsleden om hun beslissing te accepteren.

      • Het resulteert in verbeterde communicatie en effectievere conflictoplossing tussen leider en ondergeschikte.

      • Het resulteert in betere beslissingen voor zover het talent en de vaardigheden van de groep worden aangeboord.

      Wat zijn nieuwe benaderingen tot leiderschap?

      Wat is de leider-lid uitwisseling?

      De leider-lid uitwisseling is een leiderschapstheorie die suggereert dat leiders verschillende gedragingen aannemen met individuele ondergeschikten. Het specifieke gedragspatroon van de leider ontwikkelt zich in de loop van de tijd en hangt in grote mate af van de kwaliteit van de leider-ondergeschikte relatie.

      Deze theorie was ontwikkeld door Dansereau, Graen en Haga en zij stelden ook voor dat ondergeschikten in twee verschillende groepen vallen:

      • In-group leden: mensen die een relatie hebben met hun leider van een hoge kwaliteit en een hoge speelruimte hebben voor onderhandeling over hun werkrollen.

      • Out-group leden: mensen die een relatie hebben met hun leider van een lage kwaliteit en weinig speelruimte hebben voor onderhandeling over hun werkrollen.

      Wat is transformationeel leiderschap?

      Transformationeel leiderschap is een leiderschapstheorie die het gedrag beschrijft van inspirerende politieke leiders die hun volgers transformeren door een beroep te doen op nobelere motieven zoals gerechtigheid.

      Het tegenovergestelde van transformationeel leiderschap is volgens Burns transactionele leiderschap. Dit is leiderschap waarbij leiders volgers laten zien hoe ze hun persoonlijke doelen kunnen bereiken door een bepaald gedragspatroon aan te nemen. De leider ontwikkelt sociale contracten met volgers waarin bepaald gedrag wordt beloond.

      Bass en Avolio beweren dat transformationele leiders over het algemeen gebruik maken van één van de vier algemene strategieën:

      • Geïdealiseerde invloed: leiders tonen overtuiging, benadrukken vertrouwen, nemen stelling in moeilijke kwesties, benadrukken het belang van toewijding en doel, en zijn zich bewust van de ethische consequenties van hun beslissingen.

      • Inspirerende motivatie: leiders verwoorden een aansprekende visie op de toekomst, dagen volgers met hoge standaarden uit, praten optimistisch met enthousiasme en geven aanmoediging en betekenis voor wat er moet gebeuren.

      • Intellectuele stimulatie: leiders trekken oude aannames, waarden en overtuigingen in twijfel. Ze stimuleren nieuwe manieren om dingen te doen en moedigen het uiten van ideeën en redenen aan.

      • Individuele afweging: leiders gaan als individuen met anderen om. Ze houden rekening met individuele behoeften, mogelijkheden en ambities. Ze luisteren aandachtig en adviseren, coachen en geven les.

      Bass en Avolio komen ook met de full-range theory of leadership. Dat is een hiërarchisch model dat varieert van laissez-faire leiderschap via transactionele leiderschap tot transformationeel leiderschap. Laissez-faire leiderschap verwijst naar leiders die hun volgers weinig begeleiding bieden. Het is het laagste niveau van leiderschap geïdentificeerd door Bass. Hij zette het af tegen transactionele leiderschap en transformationeel leiderschap.

      Wat is authentiek leiderschap?

      Authentiek leiderschap is een vorm van leiderschap dat dat de echtheid en integriteit van de leider benadrukt. Het gaat meestal gepaard met een levensverhaal.

      Wat is een charismatische leider?

      Een charismatische leider heeft volgers die emotioneel aan hem of haar gehecht zijn, die nooit de overtuigingen of acties van de leider in twijfel trekken, en zij zien zichzelf als een integraal onderdeel van het bereiken van de doelen van de leider. Charisma is een persoonlijke eigenschap van een leider die volgers hypnotiseert en dwingt om zich met de leider te identificeren en de leider na te doen.

      Charismatische leiderschapstheorie is een benadering van leiderschapstheorie met veel verschillende versies van het idee dat charisma verband houdt met leiderschap. In één versie nemen volgers charismatische kenmerken in een individu waar en accepteren die persoon als leider. In een andere versie dragen bepaald leidersgedrag bij aan een charismatische uitstraling.

      Wat zijn uitdagingen binnen het onderzoek naar leiderschap?

      Waar moeten theorieën over leiderschap tegenwoordig rekening mee houden?

      In de afgelopen twintig jaar is er veel veranderd op het werk. De volgende veranderingen zijn belangrijk om mee te nemen in onderzoek naar leiderschap:

      • Kennisgerichte organisaties.

      • Teams. Tegenwoordig wordt er veel gewerkt met teams in plaats van één leider met volgers. Van belang hier zijn ook de virtuele teams.

      • Telewerken.

      • Tijdelijke werkers.

      • Onduidelijke grenzen met betrekking tot het werk.

      Wat is wereldwijd leiderschap en effectiviteit van organisatiegedrag?

      Wereldwijd leiderschap en effectiviteit van organisatiegedrag (global leadership and organizational behavior effectiveness. is een grootschalige interculturele studie van leiderschap door 170 sociale wetenschappers en managementonderzoekers in meer dan 60 landen.

      Aan de hand van deze onderzoeken identificeerde Den Hartog een aantal eigenschappen van leiders die universeel geaccepteerd werden en een aantal eigenschappen die universeel afgewezen werden. De geaccepteerde eigenschappen passen perfect bij de concepten van transformationeel en charismatische leiderschap. Daarentegen zouden de universeel afgewezen eigenschappen nooit worden gezien als eigenschappen van een transformationele of charismatische leider.

      Verder ontdekte hij dat sommige eigenschappen acceptabelere waren in sommige culturen dan in andere culturen.

      Access: 
      Public
      Wat is de rol van teams in organisaties? - Chapter 13

      Wat is de rol van teams in organisaties? - Chapter 13

      Welke soorten teams bestaan er?

      Mohrman, Cohen en Mohrman geven een aantal redenen waarom het gebruik van teams binnen organisaties toeneemt:

      • Er wordt tijd bespaard als werk dat gewoonlijk opeenvolgend door individuen wordt uitgevoerd, gelijktijdig kan worden uitgevoerd door mensen die in teams werken.

      • Innovatie en creativiteit worden gestimuleerd door kruisbestuiving van ideeën.

      • Teams kunnen informatie integreren op manieren die een individu niet kan.

      • Teams stellen organisaties in staat om snel en effectief producten en diensten te ontwikkelen en te leveren met behoud van hoge kwaliteit.

      • Teams stellen organisaties in staat om effectiever te leren en opnieuw te leren.

      Wat zijn teams?

      Teams zijn een onderling afhankelijke verzameling individuen die samenwerken aan een gemeenschappelijk doel en die de verantwoordelijkheid delen voor specifieke resultaten voor hun organisatie. Teams verschillen van groepen in de zin dat groepen leden zijn die samen werken of bepaalde bronnen delen, terwijl teams altijd leden omvat wiens taken afhankelijk van elkaar zijn. De twee termen worden echter steeds vaker door elkaar gebruikt.

      Er worden van verschillende soorten teams gebruik gemaakt binnen organisaties. De volgende soorten hebben de laatste tijd veel aandacht gekregen:

      • Kwaliteitscirkel: is een werkgroeparrangement waarbij doorgaans 6 tot 12 medewerkers betrokken zijn die regelmatig bijeenkomen om werkgerelateerde problemen te identificeren en ideeën te bedenken om de productiviteit of productkwaliteit te verhogen.

      • Projectteam: is een team dat is gemaakt om een bepaald probleem op te lossen en wordt ontbonden nadat het project is voltooid.

      • Productieteam: is een team dat bestaat uit eerstelijnsmedewerkers die iets tastbaars produceren. Een specifieke soort productieteam is een autonome werkgroep. Zo een team heeft controle over een verscheidenheid aan functies, zoals diensten plannen, werkprioriteiten plannen etc.

      • Virtuele team: is een team dat heeft wijdverspreide leden die samenwerken aan een gemeenschappelijk doel en verbonden zijn via computers en andere technologie.

      Vertrouwen is van groot belang bij virtuele teams. Cascio beweert dat vertrouwen en een gezamenlijk gevoel van erbij horen, bereikt wordt als leden van een virtueel team de volgende dingen laten zien:

      • Virtuele samenwerkingsgedragingen.

      • Virtuele socialisatie vaardigheden.

      • Virtuele communicatievaardigheden.

      Wat is het input-proces-output model van teameffectiviteit?

      Wat is het input-proces-output model?

      Het input-proces-output model van teameffectiviteit is een model dat een model dat koppelingen maakt tussen input, processen en outputs van teams, waardoor inzicht wordt verkregen in hoe teams presteren en hoe ze hun prestaties kunnen maximaliseren.

      Wat is belangrijk voor de input van teams?

      Belangrijk voor de input van teams zijn:

      • De context van de organisatie is belangrijk voor de prestatie van het team en omvat beloningssystemen, trainingssystemen, de fysieke omgeving, steun vanuit de leiding en technologie.

      • De taak van het team. De teamprestatie is afhankelijk van de taak die uitgevoerd moet worden. De soort taak kan mensen motiveren en demotiveren.

      • De samenstelling van het team bestaat uit de eigenschappen van de leden van het team, zoals vaardigheden, ervaring en persoonlijkheidskenmerken. Hier is het gedeelde mentale model van belang. Dat is een georganiseerde manier van denken van leden van het team over hoe het team zal werken. Het helpt de leden het gedrag van hun teamleden te begrijpen en te voorspellen.

      • Teamdiversiteit. Diversiteit refereert hier simpelweg naar verschillen. Zulke verschillen zijn heel divers. Onderzoekers maken vaak onderscheid in demografische diversiteit en psychologische diversiteit. Het eerste verwijst naar verschillen in waarneembare eigenschappen of demografische kenmerken, zoals leeftijd en geslacht. Het tweede verwijst naar verschillen in onderliggende eigenschappen, zoals vaardigheden en persoonlijkheidskenmerken.

      Wat is belang voor de processen van een team?

      De volgende dingen zijn van belang voor goede lopende teamprocessen:

      • Normen. Dit zijn informele en soms onuitgesproken regels die teams aannemen om het gedrag van leden te reguleren. De meestvoorkomende regels hebben te maken met de productiviteit van de leden.

      • Communicatie. De prestatie van een team is sterk afhankelijk van effectieve communicatie. Communicatie omvat het overbrengen van informatie tussen leden in een gemeenschappelijke taal.

      • Coördinatie. Coördinatie is belangrijk in teams vanwege het interactieve werk dat ze uitvoeren. Effectieve groepen kunnen coördinatieverlies minimaliseren. Dat zijn verminderde groepsprestaties die optreden wanneer teamleden hun energie in verschillende richtingen besteden of hun werk niet synchroniseren of coördineren. De term social loafing is hier ook van belang. Dat is verminderde motivatie en prestaties in groepen die optreden als er een verminderd gevoel van individuele verantwoordelijkheid is of een verminderde mogelijkheid voor evaluatie van individuele prestaties.

      • Samenhang. Samenhang verwijst naar de mate waarin leden verlangen om in het team te blijven en toegewijd zijn aan de doelen van het team.

      • Het maken van beslissingen. Dit vindt plaats door het definiëren van het probleem, het verzamelen van informatie, bediscussiëren en evalueren van alternatieven en gezamenlijk besluiten welke actie het beste is om te nemen. Veel onderzoek is gedaan naar wat er gebeurt wanneer teams slechte beslissingen nemen. Veel van de slechte beslissingen zijn terug te voeren naar een fenomeen genaamd groupthink. Dat is een manier van denken waar groepsleden zich mee bezighouden wanneer ze diep betrokken zijn bij een hechte groep en wanneer hun verlangen naar overeenstemming zwaarder weegt dan hun motivatie om alternatieve manieren van handelen realistisch te beoordelen. Twee andere belangrijke termen hier zijn:
        * Groepspolarisatie. Dat verwijst naar de neiging van groepen om extremere besluiten te nemen dan individuen gemaakt zouden hebben.
        * Risky-shift fenomeen. Dit verwijst naar de neiging van groepen om risicovollere besluiten te maken dan individuen.

      Hoe kan tegen de output van teams aangekeken worden?

      De output van teams kan opgedeeld worden in een aantal belangrijke gebieden:

      • Team prestatie. Dat wordt vaak gereflecteerd in objectieve metingen. Onderzoek toont aan dat de output van teams niet altijd beter zijn dan die van individuen.

      • Team innovatie. Een team implementeren kan ervoor zorgen dat de innovatie binnen een organisatie toeneemt.

      • Welzijn van leden van een team en de tevredenheid onder de leden.

      Wat is er verder nog te bespreken rondom teams?

      Wat is ProMES?

      ProMES staat voor Productivity Measurement and Enhancement System. Het is een benadering van motivatie die het stellen van doelen, beloningen en feedback gebruikt om motivatie en prestatie te verbeteren.

      Wat is de team-rol theorie?

      De team-rol theorie van Belbin gaat er vanuit dat effectieve teams een combinatie van individuen bevatten die in staat zijn om te werken in negen teamrollen. De theorie suggereert dat teams die evenwichtig zijn in termen van de rollen die onder hun leden worden vertegenwoordigd, de beste prestaties zullen leveren. Onderzoeken tonen inderdaad een positieve correlatie aan tussen team-rol balans en de prestatie van het team.

      Wat ook belangrijk is voor de effectiviteit van een team training. Team training omvat het coördineren van de prestaties van individuen die samenwerken om een gemeenschappelijk doel te bereiken. Vier benaderingen worden vaak gebruikt in team training:

      • Kruistraining: treedt op wanneer elk teamlid door verschillende posities in het team wordt gerouleerd om inzicht te krijgen in de taken van zijn of haar teamgenoten.

      • Teamleider training: omvat het trainen van de teamleider in conflictoplossing en teamcoördinatie.

      • De begeleide zelfcorrectietraining van het team: is bedoeld om teamleden te helpen de problemen van het team te identificeren en passende oplossingen te ontwikkelen.

      • Team coördinatietraining: omvat het onderwijzen van teamleden over het delen van informatie, het omgaan met conflicten, het oplossen van problemen, het verduidelijken van rollen en het nemen van beslissingen.

      Verder beïnvloeden de culturele en nationale achtergronden van de leden van het team ook de interacties binnen het team. Interculturele training en teamtraining zijn vervolgens nodig om de effectiviteit van cultureel diverse teams te maximaliseren.

      Access: 
      Public
      Welke organisatorische theorieën zijn er? - Chapter 14

      Welke organisatorische theorieën zijn er? - Chapter 14

      Wat is de theoretische basis van organisaties?

      Wat is een organisatie?

      Een organisatie is een groep mensen die hetzelfde doel heeft en die een reeks operationele procedures volgt om producten en diensten te ontwikkelen. Hoe groot de organisatie ook is, dingen moeten altijd georganiseerd worden. Dit omvat mensen, maar ook materiaal, processen, en dergelijke.

      Er zijn veel verschillende manieren om de inspanningen van leden van een organisatie om de doelen van die organisatie te bereiken, te organiseren. Naast elk van de verschillende organisatiemethoden, zijn er verschillende organisatieculturen die elk van deze ondernemingen kenmerken.

      Hosking beargumenteerde dat binnen een organisatie veel verschillende organisatorische krachten aan het werk zijn. Succesvolle bedrijven zijn bedrijven waarbij het lukt om deze verschillende krachten te integreren. Bijna elke theorie over organisatie benadrukt het belang van integratie.

      Wat is de klassieke organisatietheorie?

      De klassieke organisatietheorie is een theorie die er vanuit gaat dat er één beste configuratie is voor een organisatie, ongeacht de omstandigheden.

      Weber ontwikkelde een methode om een organisatie te beschrijven aan de hand van meerdere dimensies:

      • Taakverdeling: de taakverdeling die in een organisatie wordt uitgevoerd in gespecialiseerde functies en afdelingsfuncties.

      • Delegeren van autoriteit: informatie over welke werknemers op een lager niveau rapporteren aan werknemers van een hoger niveau.

      • Structuur: hoe de organisatie is opgebouwd; het aantal niveaus binnen de organisatie.

      • Span van controle: het aantal mensen die rapporteren aan één individu; de breedte van de organisatie.

      Bij de klassieke theorieën ging het om de ‘juiste’ organisatie om effectief gedrag te stimuleren bij de werknemers. Er was weinig aandacht voor concepten zoals participatie en leiderschapsstijlen.

      De klassieke organisatietheorie was op twee manieren beperkt:

      • Het veronderstelde dat er maar één beste manier was van configuratie van de organisatie, ongeacht de omstandigheden.

      • Het ging ervan uit dat organisaties het gedrag van hun leden beïnvloedden, maar negeerde de mogelijkheid dat het gedrag van leden de configuratie van de organisatie beïnvloedde.

      Wat is de menselijke relaties theorie?

      De menselijke relaties theorie is een theorie dat een persoonlijk element toevoegde aan de onderzoeken naar organisaties. Het houdt rekening met de onderlinge relatie tussen de eisen van een organisatie en de kenmerken van haar leden.

      Twee theorieën die ontwikkeld zijn door McGregor en hier thuis horen zijn:

      • Theorie X: theorie om managers te beschrijven die vinden dat ondergeschikten gecontroleerd moeten worden om organisatorische doelen te bereiken.

      • Theorie Y: Theorie om managers te beschrijven die geloven dat ondergeschikten gemotiveerd zijn om doelen te bereiken zonder organisatorische controles.

      Wat zijn contingentietheorieën?

      Contingentietheorieën zijn theorieën zijn theorieën die suggereren dat de beste manier om een organisatie te structureren afhangt van de omstandigheden van de organisatie.

      Woodward zag in dat de technologie toegepast in een bepaald bedrijf de meest effectieve ontwerp van de organisatie kan beïnvloeden. Ze maakte onderscheid tussen drie soorten organisaties:

      • Small-batch organisatie: is een type organisatie die speciale producten een voor een produceert.

      • Organisaties met een massa productie: zijn type organisaties die grote aantallen afzonderlijke eenheden produceren, vaak met behulp van lopende bandbewerkingen.

      • Continu-procesorganisatie: is een type organisatie die voor output afhankelijk is van een continu proces.

      Lawrence en Lorsch beweerden dat de stabiliteit van de omgeving bepaalt wat de meest effectieve vorm van organisatie is. Twee soorten organisaties waren hiermee te onderscheiden:

      • Mechanistische organisatie: is een organisatie die afhankelijk is van formele regels, mensen op een hoger niveau binnen de organisatie maken de beslissingen en hebben een kleine span van controle.

      • Organische organisatie: is een organisatie met een grote span van controle, minder formele procedures heeft en mensen op het middelmatige niveau binnen de organisatie maken de beslissingen.

      In 1979 stelde Mintzberg een contingentietheorie voor. Zijn theorie omvat een aantal componenten. Mintzberg beargumenteerde dat men een organisatie kan beschrijven door te kijken naar een aantal kenmerkcategorieën: het sleutelmechanisme dat gebruikt wordt door de organisatie om de inspanningen te coördineren; de functies en rollen van mensen in de organisatie; de mate van centralisatie bij het maken van beslissingen; de context waarbinnen de organisatie zich beweegt.

      Mintzberg identificeerde zes basisvormen van coördinatie:

      1. Wederzijdse aanpassingen op basis van informele communicatie.

      2. Directe toezicht.

      3. Standaardisatie van werkprocessen.

      4. Standaardisatie van de KSAO’s die nodig zijn voor de productie.

      5. Standaardisatie van de output.

      6. Standaardisatie van de normen.

      Mintzberg’s theorie heeft vijf basisfuncties die mensen in de organisatie vervullen:

      1. Uitvoerende kern. De mensen verantwoordelijk voor het produceren van het product of dienst.

      2. Strategische top.

      3. Middelste lijn. De managers die bemiddelen tussen de strategische top en de uitvoerende kern.

      4. Technostructuur. Analisten die gespecialiseerde technische ondersteuningsfuncties uitvoeren.

      5. Ondersteunende werknemers. Werknemers die administratieve functies bekleden.

      De mate van centralisatie kan variëren van sterk gecentraliseerd tot sterk gedecentraliseerd. Centralisatie of decentralisatie kan zowel verticaal als horizontaal als beide zijn.

      Verder bestaat er nog de systeemtheorieën. De systeemtheorie representeert een meer dynamische vorm van contingentietheorie.

      Wat zijn de sociale dynamieken van een organisatie?

      Wat is een klimaat?

      Klimaat verwijst naar de gedeelde perceptie van werknemers over hun werkentiteit. Werkentiteit verwijst naar een bepaalde organisatie, divisie, afdeling of werkgroep. In 1939 beschreven Lewin, Lippitt en White verschillende vormen van organisaties aan de hand van het klimaat dat ze hadden:

      • Autocratisch klimaat: organisatie die sterk gestructureerd is en weinig mogelijkheden biedt voor individuen om verantwoordelijkheid te nemen en risico’s te nemen.

      • Democratisch klimaat: organisatie de minder gestructureerd is en meer mogelijkheden heeft voor individuen om verantwoordelijkheid te nemen en om risico’s te nemen.

      James en McIntyre stelden vier dimensies voor nadat ze statistische analyses hadden uitgevoerd op bestaand onderzoek naar het klimaat van organisaties:

      • Stress door de functie en gebrek aan harmonie.

      • Uitdaging van de baan en autonomie.

      • Facilitatie en ondersteuning van het leiderschap.

      • Werkgroep samenwerking, vriendelijkheid en warmte.

      Wat is cultuur?

      Cultuur is een systeem waarbinnen individuen betekenis en gedeelde manieren om naar gebeurtenissen en objecten te kijken delen.

      Ashkanasy en Jackson identificeerden vier verschillenden modellen waarmee multinationale bedrijven kunnen werken wanneer ze geconfronteerd worden met verschillende organisatieculturen:

      • Etnocentrisme. De waarden van het moederbedrijf overheersen.

      • Polycentrisme. De waarden van het lokale bedrijf worden geaccepteerd.

      • Regiocentrisme. De waarden van het moederbedrijf en het lokale bedrijf worden samen gemengd.

      • Geocentrisme. Er wordt een nieuw bedrijfsbreed beleid ontwikkeld om een probleem op een manier aan te pakken die een mondiaal perspectief creëert.

      De keus voor een model moet worden gemaakt door de twee organisatieculturen.

      Wat is socialisatie?

      Socialisatie is het proces waarbij een nieuwe medewerker zich bewust wordt van de waarden en procedures van een organisatie.

      De eerste fase van socialisatie kan plaatsvinden tijdens de selectie of bij het rekruteren. Onderzoeksresultaten tonen aan dat lang voordat een individu betrokken is bij een organisatieveranderingsprogramma, er stappen moeten worden ondernomen om een culturele en match tussen die persoon en de organisatie te verzekeren.

      Het rekruteren kan worden gezien als de eerste stap van het socialisatieproces, maar het is zeker niet de laatste stap. Wanneer een individu bij een organisatie komt worden meer formele en informele stappen gezet om de socialisatie te verbeteren.

      Cooper-Thomas en Anderson identificeren een aantal categorieën om te gebruiken als indicators van een succesvolle socialisatie. Er volgen een paar voorbeelden:

      • Rol prestatie.

      • Sociale cohesie.

      • Interne stabiliteit.

      • Externe representatie.

      Arbeids- en organisatiepsychologen steunen het idee van een persoon – baan fit. Dat verwijst naar de mate waarin de vaardigheden en interesses van een individu verenigbaar zijn met de eisen van de baan. Later kwam daar de persoon – organisatie fit bij. Dat verwijst naar de mate waarin de waarden van een werknemer overeenkomt met de waarden van de meeste anderen binnen de organisatie.

      Schneider ontwikkelde het attraction-selection-attrition (ASA) model. Dit model geeft aan dat organisaties en individuen een proces doorlopen om gezamenlijk de waarschijnlijke fit te beoordelen, voornamelijk op basis van persoonlijkheidskenmerken. Door middel van een proces van aantrekking, selectie en verloop is het doel om het personeelsbestand homogeen te maken met betrekking tot persoonlijkheidskenmerken.

      Wat is organisatorische verandering?

      Organisatorische ontwikkeling en veranderingen zijn sterk gerelateerde onderwerpen. Organisatorische verandering is een proces, doel of beide. Organisatorische ontwikkeling zijn de verschillende methodes voor de beïnvloeding van de organisatorische verandering.

      Lewin kwam met het unfreeze-change-refreeze model en omvat drie fases van het veranderingsproces van een organisatie:

      • Unfreezing: Individuen worden zich bewust van hun waarden en overtuigingen.

      • Change: Individuen nemen nieuwe waarden, overtuigingen en houdingen aan.

      • Refreezing: De nieuwe houdingen en waarden stabiliseren.

      Verschillende organisatorische ontwikkelingstechnieken faciliteren vaak één of meer van de bovenstaande fases.

      Weick en Quinn benoemden twee soorten van organisatorische verandering:

      • Episodische verandering: organisatorische verandering die wordt gekenmerkt als zeldzaam, onderbroken en opzettelijk. Het wordt vaak met veel tamtam gelanceerd, waarbij senior leiders duidelijk de wegen naar verandering formuleren en informatie over het proces en de gewenste toestand verspreiden.

      • Doorlopende verandering: voortdurende, evoluerende en cumulatieve organisatieverandering die wordt gekenmerkt door kleine, voortdurende aanpassingen, die gelijktijdig worden aangebracht tussen de eenheden, die samen leiden tot substantiële veranderingen.

      Weerstand tegen organisatorische verandering is vaak groot, zowel bij individuen als bij organisaties. Vanuit het perspectief van het individu kan de weerstand ontstaan door het volgende:

      • Economische angst.

      • Angst voor het onbekende.

      • Angst voor verandering van sociale relaties.

      Weerstand bij de organisatie kan komen door het volgende:

      • Structurele inertie.

      • Werkgroep inertie.

      • Bedreiging voor de machtsbalans.

      • Voorgaande onsuccesvolle pogingen om te veranderen.

      Volgens Nadler is het mogelijk om weerstand te doen verminderen en stelde de volgende stappen voor:

      • Krijg de steun van de machtigste personen in de organisatie.

      • Onderwijs de medewerkers met het doel om hun individuele angsten te verminderen.

      • Betrek werknemers op een betekenisvolle manier bij het veranderingsproces.

      • Geef positieve feedback bij pogingen om te veranderen en beloon succesvolle verandering met regelmatige intervallen.

      • Verander de focus van episodische verandering naar doorlopende verandering na een succesvolle verandering om de toekomstige weerstand te verminderen.

      Voorbeelden van recentere organisatorische interventies zijn:

      • Total quality management: een unieke manier om productieve inspanningen te organiseren door teamgedrag te benadrukken dat gericht is op het verbeteren van kwaliteit en het voldoen aan de eisen van de klant.

      • Six Sigma systemen: benadering van kwaliteitsmanagement die werknemers en managers training biedt in statistische analyse, projectmanagement en probleemoplossende methoden om het defectpercentage van producten te verminderen.

      • Lean production: methode die zich richt op het verminderen van afval in elke vorm (ook wachtlijsten).

      • Just-in-time (JIT) production: systeem dat afhankelijk is van het gedetailleerd volgen van materialen en productie, zodat de materialen en menselijke hulpbronnen die nodig zijn voor de productie precies op tijd arriveren.

      De bovenstaande interventies delen een paar elementen, namelijk: ze zijn strategisch, ze centreren het team, ze zijn statistisch, ze zijn participatief en ze zijn gericht op kwaliteit.

      Access: 
      Public
      Access: 
      Public

      Image

      Check more: this content refers to
      Psychology and behavioral sciences - Theme
      Check more: click and go to more related summaries or chapters

      Arbeids - en Organisatiepsychologie: De beste studieboeken samengevat

      Join: WorldSupporter!

      Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

      Check: concept of JoHo WorldSupporter

      Concept of JoHo WorldSupporter

      JoHo WorldSupporter mission and vision:

      • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

      JoHo concept:

      • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
      • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

      Join JoHo WorldSupporter!

      for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

      Check: how to help

      Image

       

       

      Contributions: posts

      Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

      Image

      Check: more related and most recent topics and summaries

      Image

      Share: this page!
      Follow: Psychology Supporter (author)
      Add: this page to your favorites and profile
      Statistics
      4250 1 1
      Submenu & Search

      Search only via club, country, goal, study, topic or sector