MC Vraag 1
Nederland besluit systematisch alle houten bouwmaterialen te controleren die worden ingevoerd vanuit Polen omdat er recentelijk opvallend veel klachten van consumenten over houtrot in deze Poolse bouwmaterialen zijn. EU-rechtelijk valt deze Nederlandse controlemaatregel te kwalificeren als:
een heffing van gelijke werking (artikel 30 Wv);
een maatregel van gelijke werking (artikel 34 Wv);
een protectionistische belasting (artikel 110, tweede alinea, Wv);
een consumentenmaatregel (artikel 169 Wv).
MC Vraag 2
In het arrest Keck gaf het Hof van Justitie van de EU (HvJEU):
een ruimere uitleg aan het begrip maatregelen van gelijke werking dan het in zijn eerdere rechtspraak had gedaan;
een engere uitleg aan het begrip maatregelen van gelijke werking dan het in zijn eerdere rechtspraak had gedaan;
een ruimere uitleg aan de uitzonderingen op het verbod van maatregelen van gelijke werking dan het in zijn eerdere rechtspraak had gedaan;
een engere uitleg aan de uitzonderingen op het verbod van maatregelen van gelijke werking dan het in zijn eerdere rechtspraak had gedaan;
MC Vraag 3
In het arrest in de zaak Outokumpu (C-213/96) verklaarde het HvJEU de betrokken Finse regeling over belasting op energie in strijd met artikel 110 Wv omdat:
die regeling differentieerde tussen de belasting op milieuonvriendelijk opgewekte elektriciteit en de belasting op milieuvriendelijk opgewekte elektriciteit;
volgens die regeling voor in Finland ingevoerde milieuonvriendelijk opgewekte elektriciteit hetzelfde tarief moest worden betaald als voor in Finland milieuvriendelijk opgewekte elektriciteit;
volgens die regeling voor in Finland ingevoerde milieuonvriendelijk opgewekte elektriciteit een hoger tarief moest worden betaald dan voor in Finland milieuonvriendelijk opgewekte elektriciteit;
volgens die regeling voor in Finland ingevoerde milieuvriendelijk opgewekte elektriciteit een hoger tarief (een zogenoemd middentarief) moest worden betaald dan voor in Finland milieuvriendelijk opgewekte elektriciteit.
MC Vraag 4
De Nederlander Jan Leep besluit om in Nederland te blijven wonen maar zijn eigen tandartsenpraktijk te beginnen net over de grens in Duitsland, omdat hij denkt aldaar – en anders dan in Nederland - een kapitaal te kunnen vergaren met het kiezen trekken c.s. Onder welke verkeersvrijheid van de interne markt valt Jan?
Vrij verkeer van werknemers.
Vrijheid van vestiging.
Vrijheid van dienstverlening.
Vrij verkeer van kapitaal.
MC Vraag 5
De beperkende maatregel van de gemeente Maastricht in de zaak Josemans, inhoudende dat niet-ingezetenen van Nederland geen toegang hadden tot de coffeeshops in Maastricht, werd door het HvJEU niet in strijd geacht met het EU-recht inzake het vrij verkeer, wat betreft de aldaar verkochte softdrugs, omdat:
de betrokken Maastrichtse maatregel geen direct onderscheid naar nationaliteit maakte;
de betrokken Maastrichtse maatregel weliswaar het vrij verkeer belemmerde, maar kon worden gerechtvaardigd met een jurisprudentiële exceptie;
de betrokken eigenaar, Marc Josemans, zich lang niet altijd netje aan de Nederlandse regels voor coffeeshops had gehouden;
in de betrokken coffeeshops hoofdzakelijk soft drugs wordt verkocht en gebruikt hetwelk een illegaal product is en daarom viel de toegang tot de coffeeshops niet onder enige vrijheid van de interne markt.
MC Vraag 6
Welke van de volgende uitzonderingen op het recht op vrij verkeer in de interne markt geldt als een zogenoemde rule of reason uitzondering?
De handhaving van de openbare orde.
De handhaving van de openbare veiligheid.
De bescherming van het nationale artistiek bezit.
De bescherming van het milieu.
MC Vraag 7
In de context van het Europese mededingingsrecht, wat wordt verstaan onder een horizontale overeenkomst?
Een overeenkomst tussen twee of meer bedrijven die zich bezighouden met een zelfde soort bedrijfsactiviteit, zoals de distributie van televisies.
Een overeenkomst tussen twee of meer bedrijven die zich bezighouden met hetzelfde product, zoals een overeenkomst tussen de producent en de distributeur van hetzelfde merk televisie.
Een overeenkomst tussen twee of meer bedrijven die geschikt is om te worden ingeroepen voor de nationale rechter omdat deze overeenkomst voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk is.
Een overeenkomst tussen twee of meer bedrijven die economisch gezien ongeveer even sterk zijn, zodat geen van die bedrijven in het kartel een duidelijk overwicht heeft.
MC Vraag 1
B
MC Vraag 2
B
MC Vraag 3
D
MC Vraag 4
C
MC Vraag 5
D
MC Vraag 6
D
MC Vraag 7
A