Het tentamen bestaat uit 12 vragen (deel A en deel B). In totaal kunnen 70 punten worden behaald. Bij 39 punten heb je een 6.
Open vraag 1 (5 punten)
In Stein/Rueb, Compendium Burgerlijk Procesrecht (2015), p. 37 wordt opgemerkt: “Men kan constateren dat de rechter in toenemende mate (mede) verantwoordelijk is voor een voortvarend, efficiënt en effectief verlopend proces”. Toch zijn er nog onderdelen waarop de rechter (nog) lijdelijk is en sprake is van processuele partijautonomie. Noem een drietal van deze onderdelen.
Open vraag 2 (6 punten)
Daan woont in Leiden en is in dienst van Field BV, een in Duitsland gevestigd bedrijf dat backpacks produceert. Daan is vertegenwoordiger van Field BV voor de Nederlandse markt. Zijn werk verricht hij vanuit Leiden. Field is niet tevreden over de door Daan behaalde resultaten en ontslaat hem. Daan wil dit ontslag aanvechten en een vordering instellen bij de Nederlandse rechter tot doorbetaling van loon. In zijn arbeidscontract staat dat Nederlands recht van toepassing is, maar dat de rechter van de vestigingsplaats van Field in Duitsland exclusief bevoegd is. Is de Nederlandse rechter, gelet op de forumkeuze voor de Duitse rechter in het arbeidscontract tussen Daan en Field, internationaal bevoegd over een door Daan in te stellen rechtsvordering te oordelen?
Open vraag 3 (6 punten)
De cliënt van mr. Houdé, de Nederlandse vennootschap Kennis BV, heeft de procedure in eerste aanleg bij de Nederlandse rechter verloren en wil tegen dat vonnis in hoger beroep. De wederpartij is de Spanjaard Antonio Martinez, die woont op een bij Kennis BV bekend adres in Granada (Spanje). Antonio heeft in eerste aanleg woonplaats gekozen bij zijn Nederlandse advocaat, mr. Bartlema. Mr. Houdé denkt dat zij kan volstaan met betekening van de appeldagvaarding bij mr. Bartlema op de voet van artikel 63 Rv, maar daar denkt zijn kantoorgenoot, mr. de Wijer, anders over. Mr. de Wijer zegt: “Artikel 63 Rv geldt alleen voor binnenlandse zaken. Omdat de wederpartij een Spanjaard is met een bekend woonadres in Spanje, een EU-lidstaat, en de procedure zich in Nederland, eveneens een EU-lidstaat, afspeelt, ben je verplicht de weg van de Europese Betekeningsverordening II te bewandelen.” Welke opvatting - die van mr. Houdé of die van mr. de Wijer – is juist?
Open vraag 4 (5 punten)
Tussen Koelewijn en van Soest, beiden ondernemer te den Haag, is een geschil ontstaan over de vraag wie er in Zuid Holland gerechtigd is om bepaalde producten op de markt te brengen. Koelewijn vindt dat zij door de starre opstelling van van Soest forse schade lijdt en wil dan ook schadevergoeding van van Soest ontvangen. Aangezien van Soest weigert te betalen maakt Koelewijn een procedure aanhangig bij de rechtbank te den Haag. Tijdens de comparitie zegt Koelewijn, bij monde van zijn advocaat, haar eis te vermeerderen. Van Soest vindt echter dat Koelewijn daartoe niet het recht heeft. Heeft Koelewijn het recht zijn eis te vermeerderen? Zo ja, waar hangt dat vanaf? Zo nee, waarom niet?
Open vraag 1 (5 punten)
BEGINSELEN: PARTIJAUTONOMIE. Stein/Rueb (2015) § 2.8.1, p. 37-38. Partijautonomie is de processuele doorwerking van het zelfbeschikkingsrecht uit het materiele privaatrecht. De harde kern bestaat uit vier pijlers:
- de vrijheid om al dan niet een gerechtelijke procedure te beginnen om een aan het privaatrecht ontleende aanspraak te effectueren.
- De vrijheid om zelf te bepalen welke (door het recht toegestane) beslissing van de rechter verlangd wordt en op grondslag van welk feitencomplex hij die eis, dat verzoek of verweer moet beoordelen (art. 23 en 24 Rv).
- De vrijheid om die feiten al dan niet in het geding naar voren te brengen en om ze, door bewijs of anderszins, te doen vaststaan (art. 149 Rv).
- De vrijheid om voortijdig (d.w.z. voordat de rechter beslist) de lopende procedure af te breken en het erbij te laten zitten of de zaak onderling te regelen (art. 87, 246/249 Rv). Cruciaal daarbij is dat de rechter zich bij de keuze van partijen moet neerleggen. De partij vraagt, de rechter draait (art. 26 Rv).
Dat partijen recht hebben op bewijslevering als aan bepaalde voorwaarden is voldaan (vgl. art. 166 Rv), dat een voor de uitspraak bepaalde dag op gezamenlijk verlangen van partijen wordt uitgesteld (art. 229 Rv), dat een rechterlijke beslissing in een vermogensrechtelijk geschil onverlet laat dat partijen nadien anders overeenkomen en dat het een in het ongelijk gestelde partij vrijstaat al dan niet een rechtsmiddel in te stellen, zijn niet meer dan uitwerkingen van de harde kern. E.e.a. geldt ook voor de deelbevoegdheden als de bevoegdheid om een forumkeuze overeen te komen, het gezag van gewijsde in te roepen, een voorlopige voorziening (bv een uitvoerbaar bij voorraad-verklaring) te vragen, om de eis te wijzigen etc. In combinatie met de harde kern konden er punten mee verdiend worden. NB Hoor- en wederhoor is in artikel 19 Rv vanuit het gezichtspunt van de rechter geformuleerd (als een verplichting). Stein/Rueb wijst erop dat, nu rechters steeds meer bevoegdheden krijgen, die verplichting steeds belangrijker wordt. De vraag ging echter over partijautonomie, dus vanuit partijen bezien.
Open vraag 2 (6 punten)
RECHTER: BEVOEGDHEID INTERNATIONAAL ARBEIDSGESCHIL. Stein/Rueb (2015), § 3.2.1 en 3.2.2. Ja, de Nederlandse rechter is bevoegd. De EEX- of Brussel I bis-Vo (Nr. 1215/2012) is van toepassing nu het gaat om een internationaal arbeidsgeschil en de woon- en werkplek in een EU-lidstaat gelegen zijn. Voor arbeidsgeschillen kent de verordening een (exclusieve) regeling (art. 20-23). Ter keuze van de werknemer is zowel de Duitse rechter bevoegd op grond van vestigingsplaats van Metallindustrie, als de Nederlandse rechter op grond van de plaats waar of van waaruit Daan gewoonlijk werkt (art. 21). De clausule in de arbeidsovereenkomst die Daan verplicht voor de Duitse rechter te procederen kan Daan negeren. Van de regels in afdeling 5 kan bij de arbeidsovereenkomst namelijk alleen worden afgeweken als ofwel het geschil al is ontstaan ofwel als het beding aan Daan de optie zou geven om het geding zowel aanhangig te maken bij de Duitse of Nederlandse rechter (zijn 'wettelijke rechters'), als bij de rechter van een ander land (art. 23).
Aangezien geen van beide situaties zich hier voordoet, komt aan het forumkeuzebeding geen werking toe en zal de Nederlandse rechter de keuze die Daan gaat maken moeten eerbiedigen.
NB Gegeven is dat in de arbeidsovereenkomst voor Nederlands recht is gekozen en bovendien dat in een andere clausule de Duitse rechter als exclusief bevoegd is aangewezen. Daaruit volgt dat die keuze voor 'Nederlands recht' niet gelezen mag worden als een keuze voor Nederlands bevoegdheidsrecht. De EEX-Verordening zou zo'n keuze ook niet toelaten. De artikelen 6 onder b en 8 Rv zijn niet van toepassing. De Nederlandse regeling van de internationale bevoegdheid geldt immers alleen als de EEX-Verordening of een andere internationale regeling het geval niet beheersen (art. 1 Rv).
Open vraag 3 (6 punten)
KANTOORBETEKENING EN BETEKENINGSVERORDENING. Stein/Rueb (2015) § 5.4.2; HR Demarara Destillers/ Karl Heinz Haus (2009); HC2B dia 18. Mr. Houdé heeft gelijk. De Hoge Raad heeft in het arrest Demarara beslist dat betekening op de voet van artikel 63 Rv volstaat en dat de Betekeningsverordening II het aan het nationale recht overlaat of voor verstekverlening kan worden volstaan met betekening of kennisgeving aan de gevolmachtigde procesvertegenwoordiger van de partij in de lidstaat waar de procedure plaatsvindt. De verordening is dus faciliterend, niet uitsluitend van aard. Dat de Nederlandse wetgever e.e.a. in artikel 63 lid 1 Rv ook nog eens met zoveel woorden bepaalt, is niet beslissend, nu het om de uitleg van Europees recht gaat. Het is dus niet nodig de route van artikel 56 Rv juncto Betekeningsverordening II te volgen, ook al woont de gedaagde (geïntimeerde) in een EU-lidstaat. In zoverre is de mening van mr. de Wijer onjuist. Dat laat echter onverlet de mogelijkheid de ‘hoofdweg’ van artikel 56 Rv juncto de EU-Betekeningsverordening II te bewandelen en verordeningsconform te betekenen.
NB Voor het volle aantal punten moest het verplichte arrest Demarara worden genoemd en uitgewerkt. Wie het bij artikel 63 Rv hield, kon ook punten verdienen.
Open vraag 4 (5 punten)
PROCESVERLOOP: EISWIJZIGING. Stein/Rueb § 6.9. Ja, maar niet op deze manier. Mondeling kan een eis niet vermeerderd worden. Art. 130 Rv bepaalt dat dit schriftelijk, bij akte of conclusie, moet gebeuren. Van Soest kan daar vervolgens bezwaar tegen maken omdat de vermeerdering in strijd zou kunnen zijn met de goede procesorde.