Onderzoeksvraag: Wat zijn de effecten van moeder-kind geletterdheid en probleemoplossing interacties op de cognitieve ontwikkeling van kinderen tussen de drie en vier jaar?
-> verschilt per groep, deze interacties zijn bepalend voor latere cognitieve competentie en de sociaaleconomische status van de familie.
Veel immigrant kinderen missen al bepaalde cognitieve vaardigheden tegen de tijd dat ze naar de basisschool gaan.
-> wordt dit veroorzaakt door verschillen in socialisatie?
Immigrant ouder-kind interacties verschillen fundamenteel van de interacties van Nederlandse families.
Zijn verschillen in opvoedpraktijken gerelateerd aan verschillen in de cognitieve competentie van kinderen?
In hoeverre zijn de resultaten van onderzoek naar gedragsgenetica toepasbaar op een multiculturele en sociaaleconomisch heterogene samenleving?
Bio-ecologisch model: het genetisch potentieel is gerealiseerd door proximale processen. Het is een wisselwerking van genen en de omgeving.
Additive two-factor model: tegengesteld van het bio-ecologisch model
Proximale processen: de belangrijkste processen achter de ontwikkeling van het kind
Kwantitatief: tijd, hoeveelheid, duur en blootstelling
Kwalitatief: hoe toe-eigening en constructie van kennis en vaardigheden
Bio-ecologisch model: onder ideale omstandigheden kan het genetisch component zich het beste ontwikkelen.
Hoe meer het individu zich het beste kan ontwikkelen, hoe mij hij/zij de beste omgeving kan vinden om zich te ontwikkelen.
De relatie tussen omgeving en ontwikkeling kan mede worden veroorzaakt door erfelijkheid als derde meespelende factor.
Deelvragen:
1. zijn er verschillen tussen de groepen in de cognitieve competentie van kinderen en de moeder-kind interactie bij geletterdheid en probleemoplossing?
2. zijn er effecten van moeder-kind interactie in geletterdheid en probleemoplossing die invloed hebben op de cognitieve competentie van de vier onderzochte groepen?
3. zijn er verschillen tussen de vier groepen in het gemiddelde van de cognitieve competentiescores?
Resultaten
1. zijn er verschillen tussen de groepen in de cognitieve competentie van kinderen en de moeder-kind interactie bij geletterdheid en probleemoplossing?
- cognitieve competentie verschillen tussen de vier groepen werden met de tijd niet minder
- er is een groot verschil in kwaliteit van introductie van moeder aan het kind van de probleemoplossingstaak
-> er zijn al vroeg grote verschillen in cognitieve competentie. Ook zijn er grote verschillen in zowel de kwantiteit als de kwaliteit van de onderzochte proximale processen.
2. zijn er effecten van moeder-kind interactie in geletterdheid en probleemoplossing die invloed hebben op de cognitieve competentie van de vier onderzochte groepen?
-> er zijn verschillende effecten van de proximale processen in elke onderzochte groep. De verschillen zijn gerelateerd aan de cognitieve competentie op driejarige leeftijd en met de SES in elke groep.
3. zijn er verschillen tussen de vier groepen in het gemiddelde van de cognitieve competentiescores?
-> er was een tussengroep effect in het gemiddelde van de cognitieve competentie meting.
Discussie
- het effect van omgevingsfactoren verschilt per sectie, genetische factoren effecten verschillen wellicht ook
- er zijn interactie effecten in de socialisatiepraktijken en in de verschillende groepen
- voorschools beleid kan de proximale processen veranderen
Tekortkomingen
- kleine steekproeven
- grote standaardfouten en daardoor mogelijke Type 2 fouten
- observaties zijn wellicht niet representatief voor het echte leven
- er is gebruik van genetische informatie designs nodig
- weinig reacties dus het is wellicht niet representatief
-> geen generaliseerbaar onderzoek dus