Casus
Op 25 september is de twintigjarige Maanen op een step van Sekrec onderweg naar een afspraak.Op het drukke Leidse Plein in Amsterdam wordt Maanen overvallen door een plotselinge duizeling, waardoor hij de macht over de step verliest en in botsing komt met studente Pietersen. Vaststaat dat Pietersen ten tijde van de botsing de straat overstak zonder goed op te letten, omdat zij een WhatsApp-bericht op haar mobiele telefoon aan het typen was. Hierdoor kon zij Maanen niet ontwijken, is zij door de botsing ten val gekomen en heeft zij haar pols gebroken. Pietersen moest hiervoor naar het ziekenhuis en heeft een doktersrekening van € 5.000 ontvangen. Pietersen stelt Maanen aansprakelijk voor de door haar geleden schade op grond van onrechtmatig handelen. Maanen verzet zich hiertegen en brengt twee verweren naar voren:
- Ten eerste stelt Maanen dat zijn daad hem niet kan worden toegerekend vanwege de plotselinge duizeling.
- Ten tweede stelt Maanen dat, in het geval hij toch aansprakelijk is, hij niet gehouden is om de gehele door Pietersen geleden schade te vergoeden.
Open vraag 1
Zal het eerste verweer slagen?
Open vraag 2
Aan de hand van welk artikel en welke maatstaven moet worden beoordeeld of het tweede verweer zal slagen?
Open vraag 1
Maanen stelt dat zijn daad hem niet kan worden toegerekend omdat hij plotseling duizelig werd tijdens het steppen. De vraag is of de plotselinge duizeling van Maanen inderdaad meebrengt dat de botsing niet aan hem is toe te rekenen. Er moet worden gekeken naar artikel 6:162 BW. Lid 1 van dit artikel vereist dat de onrechtmatige daad kan worden toegerekend aan de dader. In lid 3 van artikel 6:162 BW wordt uitgewerktwanneer een onrechtmatige daad aan de dader kan worden toegerekend. Dit is het geval indien zij te wijten is aan zijn schuld, of aan een oorzaak die krachtens de wet of de verkeersopvattingen voor zijn rekening komt. I.c. is geen sprake van schuld, omdat dader Maanen vanwege de duizeling niet valt te verwijten dat hij een ongeluk veroorzaakte. Op grond van de wet kan echter deze onrechtmatige daad toch aan Maanen worden toegerekend. Dit volgt uit artikel 6:165 lid 1 BW: de omstandigheid dat een als een doen te beschouwen gedraging van een persoon van veertien jaren of ouder verricht is onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming is geen beletsel haar als onrechtmatige daad aan de dader toe te rekenen. Er is i.c. sprake van een als een doen te beschouwen gedraging van een persoon van 14 jaar of ouder, want het met een step botsen tegen een voetganger is immers een als een doen te beschouwen gedraging en Maanen is 20 jaar oud. De als een doen te beschouwing gedraging is verricht onder invloed van een lichamelijke tekortkoming, namelijk onder invloed van de duizeling van Maanen. Maar, op grond van artikel 6:165 lid 1 BW is dit geen beletsel deze gedraging als een onrechtmatige daad aan de dader toe te rekenen. Concluderend: nee, Maanen's eerste verweer zal niet slagen omdat ondanks de duizeling de onrechtmatige daad aan hem is toe te rekenen.
Open vraag 2
Aan de hand van artikel 6:101 BW moet worden beoordeeld of het tweede verweer van Maanen zal slagen. Het is de vraag of Maanen zich succesvol kan beroepen op de aanwezigheid van eigen schuld aan de zijde van Pietersen. Artikel 6:101 lid 1 BW vereist dat de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Dat is het geval aangezien de schade waarschijnlijk niet was ontstaan als Pietersen had opgelet tijdens het oversteken en niet op haar telefoon had gekeken. Zij had dan immers niet de straat overgestoken terwijl zij aan het WhatsAppen was. Zodoende is er sprake van eigen schuld aan de zijde van Pietersen. Artikel 6:101 lid 1 BW kent vervolgens twee maatstaven die de rechter moet toepassen. Allereerst zal de wederzijdse causaliteit moeten worden vastgesteld. De vergoedingsplicht van Maanen wordt namelijk verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen inevenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Gekeken dient dus te worden naar de invloed van bedoelde omstandigheden toe te rekenen aan Maanen enerzijds en aan Pietersen anderzijds. Ten tweede moet worden bekeken of er aanleiding is om een billijkheidscorrectie toe te passen op de verdeling die naar voren is gekomen aan de hand van de wederzijdse causaliteit. Er wordt aldus nagegaan of de verdeling die uit de eerste maatstaf volgt moet worden gecorrigeerd. Een rechter kan tot een andere verdeling van de schade komen indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.