
Sheetnotes 19/20
Welke onderwerpen worden behandeld in het hoorcollege?
In dit college wordt de diagnostische cyclus besproken. Deze informatie is afkomstig uit H3 van De Bruyn et al., (2003).
Welke onderwerpen worden besproken die niet worden behandeld in de literatuur?
Er wordt extra informatie gegeven over biases en de kenmerken van een psychodiagnosticus.
Welke recente ontwikkelingen in het vakgebied worden besproken?
Er worden geen recente ontwikkelingen besproken.
Welke opmerkingen worden er tijdens het college gedaan door de docent met betrekking tot het tentamen?
Er worden geen opmerkingen gemaakt over het tentamen.
Welke vragen worden behandeld die gesteld kunnen worden op het tentamen?
Van belang zijn het kennen van de fases uit de diagnostische cyclus.
Hoorcollegeaantekeningen 19/20
Diagnostiek komt steeds meer voor in de media (series over stoornissen) of in de taal. Dit leidt tot hele diagnostische vragen, omdat men er veel meer verstand van denkt te hebben.
Biases
Deze valkuilen maken dat we als mens minder goed zijn in het zorgvuldig uitvoeren van diagnostiek. Maar wat als je heel veel ervaring hebt in de diagnostiek? Dit zegt niet zo veel over de betrouwbaarheid van een diagnose. Sommige mensen die pas net begonnen zijn, doen het beter dan de meest ervaren mensen. Overconfidence bias= mensen zijn zekerder van hun oordeel dan wat terecht is, gezien naar de juistheid van het oordeel.
Risico van biases
Onvoldoende informatie verzamelen. Belangrijke factoreen over het hoofd zien. Incorrecte interpretaties gegevens. Atypische gevallen niet opgespoord. Onjuiste diagnose gesteld. Ineffectieve behandeling ingezet.
Een goede psychodiagnosticus...
- Neemt een brede kennisbasis mee vanuit wetenschappelijke theorie en onderzoek (evidence base).
- Gebruikt goede meetinstrumenten (testkwaliteit).
- Gaat hypothese toetsend te werk (hypothese toetsend).
- Hanteert een duidelijke, navolgbare strategie voor besluitvorming (navolgbaar).
De diagnostische cyclus voorziet van deze vier punten.
Verschillende cyclussen
- Empirische cyclus= basis voor empirisch wetenschappelijk onderzoek.
- Regulatieve cyclus= gericht op nemen van beslissingen in de praktijk (gericht op indicatiefase van DC).
- Diagnostische cyclus= hanteert zelfde principe als hypothese toetsend te werk gaan.
De diagnostische cyclus
Er zijn twee misvattingen: een diagnose is alleen een DSM-classificatie (nee, de DSM-classificatie is onderdeel van een diagnose stellen) en een DSM-classificatie veroorzaakt mijn problemen (je bent druk en dat noemen we ADHD, het druk zijn komt niet door ADHD).
De vragen die horen onder het stellen van een diagnose zijn verschillende typen vragen:
- Wat zijn de klachten? Hierin vertelt de cliënt waar hij tegen aan loopt. (Verhelderende diagnose)
- Wat is er aan de hand? (Onderkennende diagnose) Welke problemen.
- Waar komt dat door? (Verklarende diagnose) Waarom vragen.
- Wat is er nodig? (Indicerende diagnose) Wat moet er gebeuren?
De cyclus kent zes fasen: aanmelding, klachtanalyse, probleemanalyse, verklaringsanalyse, indicatieanalyse en advies. Je hoeft niet altijd elke fase te doorlopen als hierin geen vragen liggen.
Iedere fase kent een eigen type onderzoek en een eigen type deeldiagnose:
In de klachtenanalysewordt verhelderend onderzoek gedaan en leidt dit tot een verhelderende diagnose.
In de probleemanalysewordt onderkennend onderzoek gedaan en leidt dit tot een onderkennende diagnose.
In de verklaringsanalysewordt verklarend onderzoek gedaan en leidt dit tot een verklarende diagnose.
In de indicatieanalysewordt indicerend onderzoek gedaan en leidt dit tot een indicerende diagnose.
Een diagnostisch scenariohoudt in hoeveel stappen je zet in de cyclus:
0-scenario = alleen klachtenanalyse.
1-scenario = klachtenanalyse en probleemanalyse.
2-scenario = klachtenanalyse, probleemanalyse en verklaringsanalyse.
3-scenario = alle fases doorlopen.
Klachtanalyse
- In het intakegesprek ga je het klachtgedrag en het probleem van de cliënt inventariseren.
- Je maakt samen een overzicht waar de cliënt in zich kan vinden.
- En je sluit af met het formuleren van een hulpvraag(wat de cliënt wil van jou) en vraagstellingen voor het onderzoek (wat je gaat onderzoeken). Je komt tot een verhelderende diagnose (overzicht + vraagstellingen). De psycholoog heeft hier nog niet aan geïnterpreteerd.
Probleemanalyse
- Je gaat het probleemgedrag uit KA ordenen (clusteren) in categorieën (lichamelijk, emotioneel, somatisch).
- Je bepaalt de ernst van de problemen.
- Je schat in hoe ernstig de problemen zijn, dit kan aan de hand van de criteria van Rutter.
Eventueel ga je onderkennend onderzoek doen, waarbij je gaat kijken of probleemgedrag toereikend is volgens een DSM-classificatie. Je stelt hiervoor een hypothese op. De aard en de ernst van de problemen ga je testen. Vooraf bepaal je de toetsingscriteriaof je iemand binnen een stoornis kan plaatsen. De uitkomst is een onderkennende diagnose.
Verklaringsanalyse
- Je zoekt naar condities/factoren die de problemen veroorzaken of in stand houden. Wanneer je de condities kent, stel je verklarende hypothesen op basis van wetenschappelijk literatuur en observaties.
- Je maakt een diagnostisch denkschema.
- Je kiest geschikt onderzoekinstrumenten om de condities te testen (operationaliserenvan condities).
- Je formuleert toetsingscriteriaen toets de hypothesen. Je toetst alleen de aanwezigheid van de condities, niet of de condities ook de oorzaak zijn. Dit komt uit in verklarende diagnose.
Indicatieanalyse
Hierin ga je bepalen hoe je de cliënt het best kan helpen.
- Hierbij formuleer je behandelings- en begeleidingsvoorstellen op basis van het integratieve beeld (werkmodel).
- Je verdiept je in de werkzame behandelingen,wat past bij de cliënt en je schat de kans van slagen in.
- Je formuleert je advies. Dit resulteert in de indicerende diagnose.
Advies
- In het advies bespreek je de onderkenning, de verklaring en het integratieve beeld met de cliënt.
- Je toets of de cliënt zich erin kan vinden.
- Je bespreekt de indicatie met de cliënt.
- Je vraagt om verdere begeleiding.
Soms gaat er iets mis in de cyclus. Er kan informatie ontbreken. Je hypothesen blijken onjuist. De informatie is tegenstrijdig. Er duikt ineens nieuwe informatie op. Maar er zijn ook fouten in de diagnostiek, zoals onbetrouwbaarheid. Hierdoor moet je soms een stap terugnemen.
De DC komt terug in de volgende punten die nodig zijn voor een goede diagnose:
- Evidence base: keuze voor de verklarende condities en voor effectieve behandelingen.
- Testkwaliteit: operationalisatie van de te meten problemen/condities.
- Hypothese toetsend: hypothesen opstellen, toetsingscriteria bepalen, aannemen of verwerpen.
- Navolgbaar: volgt de stappen in de cyclus.
Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>
Grondslagen van de Psychologische Diagnostiek en Testtheorie - Hoorcollege aantekeningen 19/20
- Hoorcollege Inleiding Diagnostiek
- Hoorcollege Diagnostische Cyclus
- Hoorcollege Betrouwbaarheid
- Hoorcollege Validiteit
- Hoorcollege Factoranalyse
- Hoorcollege Betekenis testscores en Itemanalyse
- Hoorcollege Intelligentiediagnostiek en Neuropsychologie
- Hoorcollege Beslissend Testgebruik (signaal detectie theorie)
- Hoorcollege Arbeids- en Organisatiepsychologie
- Hoorcollege Item responstheorie
- Hoorcollege Forensisch Diagnostiek
- Hoorcollege Bias en Ethiek in de Diagnostiek

Contributions: posts
Spotlight: topics
JoHo can really use your help! Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world
Add new contribution