Arbeids-, Organisatie- en Personeelspsychologie
College 1
Wat is aop-psychologie? (Boek: H1)
Cognitie, affect <-> motivatie, doelen <-> persoonlijkheid <-> interpersoonlijk gedrag <-> groepsgedrag <-> organisatiegedrag <-> cultuur
AOP-psychologie past psychologische principes, theorieën en onderzoek toe op werk- en organisatiecontexten
Arbeidspsychologie: hoe werk-kenmerken het functioneren en de gezondheid van werknemers beïnvloeden. (in het boek human engineering)
Organisatiepsychologie: de relatie tussen mensen en hun werkomgeving?(sociaal psychologisch)
Personeelspsychologie: Het samenstellen van het personeelsbestand. Hoe krijgen we de juiste persoon op de juiste plaats?
Het scientist-practitioner model:
Wetenschap <-> Praktijk
Gebruiken van wetenschappelijke methoden en kennis in de AOP-praktijk (ipv. Gezond verstand, ervaring)
Maar ook de praktijkervaringen en -problemen om onderzoek te genereren.
Toch worden bijvoorbeeld ‘gekke vragen’ in sollicitatieprocedures gebruikt (brain teasers en oddball questions). Echter is dit totaal niet verbonden aan wetenschap en dus onethisch.
Onafhankelijke variabele -> afhankelijke variabele
Implicaties van de AOP-psychologie (Slides bekijken)
‘It depends’
De contingentiebenadering: AOP-psychologen zoeken vaak naar variabelen die ervoor zorgen dat specifieke eigenschappen en gedragingen meer of minder effectief zijn.
Moderatie: wanneer de relatie tussen twee variabelen wordt beïnvloed door een andere variabele
Het belang van contingentie:
Variabelen zoals leiderschap en persoonlijkheid voorspellen gedrag, motivatie enzovoorts
De vraag wat werkt is dus niet alleen te simpel maar mogelijk ook onrechtvaardig.
AOP is dus een zoektocht naar de juiste fit
College 2
Onderzoeksmethoden in de AOP (Boek: H2)
Participatief leiderschap: vorm van leiderschap waarin medewerkers actief worden betrokken bij beleid- en besluitvorming
Onderzoeksmethoden
Kwalitatief-organisatieonderzoek:
Observatie: Kijken wat mensen doen en wat daar de resultaten van zijn.
Interviews: mensen vragen naar hun ervaringen, gedachten…
Document-analyse: bestuderen van archieven, beleidsdocumenten
Case-studies: systematische en uitgebreide beschrijving van een specifiek geval
Voordelen: rijke, veelzijdige, herkenbare data, deelnemers voelen zich gehoord, onverwachte vondsten, mogelijkheid van volgersprekken.
Ook buitengewoon geschikt om nieuwe hypothesen te genereren (exploratief).
Nadelen: gevoelig voor diverse vertekeningen, beperkte steekproef, generaliseerbaarheid is erg beperkt, moeilijk en bewerkelijk uit te voeren.
Kwantitatief onderzoek:
Voordeel: Makkelijk en snel uit te voeren, goed te doen met beperkte middelen, grote steekproeven, onderzoek in natuurlijke setting, goed generaliseerbaar
Nadelen: lage interne validiteit (geen causale conclusies)(omgekeerd of derde variabele), je bent afhankelijk van de natuurlijke varianten (extreme gevallen komen misschien niet voor)
Deze variantie kunnen we ook proberen te verklaren, soms heb je een extra bron van variantie.
Voorbeeld: verkoopcijfers in verschillende filialen winkels.
Quasi-experimenteel:
Wel toewijzing aan experimentele condities, maar niet volkomen willekeurig.
Meestal in combinatie met het gebruik van controlevariabelen om bepaalde verschillen zo veel mogelijk uit te sluiten
Weinig controle over manipulatie
Beste papers in AOP-praktijk, vaak een mix van meerdere onderzoeksmethoden
Variantie binnen personen: persoonlijkheid
Het verschilt van moment tot moment hoe mensen zich gedragen
Alle persoonlijkheidstrekken, zijn een beetje normaal verdeeld
Je kan spreken over verschillen tussen mensen, maar hoe personen zich gedragen is situatieafhankelijk (Trait situation theory)
Cultuur (Boek: H1)
Veel onderzoeken zijn WEIRD: zorgt voor een beperkte generaliseerbaarheid
Cultuur (5 dimensies): Hofstede’s cultuurmodel (IMOLM ;-)
Triandis: horizontaal/verticaal en individualistisch/collectief
College 3
Training en ontwikkeling (Boek: H7)
Personeelspsychologie: Training en ontwikkeling
Training: de systematische verzameling van skills, concepten of attitudes die resulteren in verbeterde prestatie in een andere omgeving
Training: dingen leren die je in je huidige functie moet gebruiken (korte termijn)
Ontwikkeling: dingen leren die je in je toekomstige baan moet gebruiken (lange termijn)
Verschil training- en selectiepsychologie: als je het hebt over selectie, spreek je over stabiele onveranderbare vaardigheden. Als het gaat om training gaan we uit van de kneedbaarheid van mensen.
Twee dimensie van talent:
War for talent: er vanuit gaan dat er maar een kleine groep toptalenten is, want deze zijn stabiel (exclusief)
Iedereen heeft een talent: maar dingen zijn wel zoals ze zijn (inclusief)
Nature-nurture interactie: sommigen hebben wel potentie om te leren, maar mensen zijn wel kneedbaar. (exclusief)
Iedereen zou wel iets kunnen leren (Inclusief)

Performance: Gedrag dat relevant is voor de doelstellingen van de organisatie, vroeger vaak gedefinieerd als ‘datgene waar je voor aangenomen wordt’ (deze definitie is te nauw)
Training-/ Leeruitkomsten:
Vaardigheden: skill-based uitkomsten
Kennis: cognitieve uitkomsten
Affectieve uitkomsten: heeft betrekking op attitude en gevoelens
Training in stappen:
Trainingsevaluatie: bepalen of doelstellingen behaald zijn, feedback geven, kosten rechtvaardigen
Van training naar transfer:
Horizontale transfer: Het toepassen van wat je geleerd hebt in een andere situatie. Je zet het dus ook elders in. Je moet dus kunnen generaliseren en onderhouden wat je hebt geleerd
Verticale transfer: De mate waarin lagere orde kennis bijdraagt aan het leren van hogere orde taken.
Transferprobleem: veel geleerde taken worden uiteindelijk niet toegepast in prestatie.
Wat helpt wel: mensen ondersteunen
Als trainingen mislukken:
Training in steeds meer vormen
Simulatie: trainingsmethode waarin de echte werksituatie realistisch wordt nagebootst.
College 4
Motivatie (Boek: H8)
Motivatie: autonomie is erg belangrijk
Feedback: informatie over de resultaten van ons (werk)gedrag, dit kan ook weer motiverend werken
Motivatie geeft ons:
Richting: ergens naar streven
Intensiteit: in beweging komen
Kwaliteit: effectief gedrag vertonen
Persistentie: volhouden
Prestatie:
Maslow:
Herzberg's two-factor theory:
Reinforcement theory: gewaardeerd gedrag wordt gevolgd door een beloning, wat er toe leidt dat mensen het vaker zouden doen
Path-goal theory of motivation: “First formal work motivation theory
to suggest that people weighed options before choosing among them. Reasoned that if a worker saw high productivity as a path to the goal of desired rewards or personal goals (e.g., a pay increase or promotion, or increased power, prestige, or respon- sibility), he or she would likely be a high producer.”
VIE theory (Vroom): Valence, instrumentality, expectancy
Valence: sterkte van voorkeuren voor een bepaald resultaat (goede beloning?)
Instrumentality: relatie tussen prestatie en resultaat (Leidt een goede prestatie tot de beloning?)
Expectancy: overtuiging dat bepaald gedrag tot een hoge prestatie leidt (leidt inspanning tot goede prestatie?)
Equity theory: Individuen vergelijken input en resultaten, ze ontwikkelen een input-output ratio
Goal setting theory:

Voorbeeld van de mens-als-intentioneel benadering
Centraal idee: doelen zijn pull-factoren
De doelen zijn aangepast aan de werkmotivatie. Mensen die specifieke, moeilijke, doelen stellen, presteren beter dan mensen met een “doe je best’ doel, of geen doel.
Randvoorwaarden: aard van het gestelde doel, en self efficacy / ability van individu
Feedback loop: connectie die ontstaat tussen kennis van resultaten en tussenliggende toestanden.
Self-efficacy: overtuiging over eigen capaciteiten
Baanverrijking (job enrichment): motivatie-benadering gericht op het verhogen van verantwoordelijkheid en het belang van het werk omvat om zo motivatie en werktevredenheid te verhogen.
College 5
Individual differences and assessment
Persoonlijke verschillen
Persoonlijkheid
Intelligentie
Intresses
Individuele verschillen Model:
Mensen hebben allerlei eigenschappen die relatief stabiel zijn over langere tijd
Mensen verschillen met betrekking tot die eigenschappen
Zelfs na training blijven verschillen aanwezig
Verschillende banen vragen verschillende eigenschappen
Verschillende eigenschappen kunnen gemeten worden.
Individuele verschillen meten
Personeelsselectie: Kijken welke persoon uit de groep beste bij functie pas
Task performance
OCB: dingen die positief voor de organisatie, maar niet in de functie horen
CBW: deviant werkgedrag, vb. Mensen pesten, stelen
Welzijn (neuroticisme, consciëntieusheid)
Leiderschap
Persoonlijke ontwikkeling
Beroepskeuze: welke van heleboel banen past beste bij persoon
Intelligentie en intellectuele capaciteiten
Taxonomie: classificatie in verschillende niveaus van specificiteit
Intelligentie Model: CHC-model, three-stratum theory of cognitive abilities
Algemene intelligentie is de beste voorspeller voor werkprestaties
Wel ruim gemeten voordat personen aan het werk zijn
Als je bijvoorbeeld alleen maar master afgestudeerde sollicitanten, neemt de voorspellende waarde van intelligentie af.
Voor heel veel functies vindt er geen selectie plaats
Erfelijkheid van intelligentie: 40 a 80%, hele relevante voorspeller omdat intelligentie niet sterk fluctueert.
Persoonlijkheid
Big 5 model: Lexicaal onderzoek (uit woordenboek)
Five-factor model: 16PF, drie factoren en later 5 factoren.
4 van de big 5 en daarnaast openness to experience
Wordt het meeste in onderzoek gebruikt omdat hier een universele vragenlijst voor is.
Veel gebruikt in AOP-setting, maar wel een smalle persoonlijkeheistest
Consciëntieusheid is de meest sterke voorspeller voor productiviteit, de kans dat mensen blijven, salaris en doorgroeien. Ook trainingsresultaten, rating van supervisors en personeelsdata (uitval, ongelukken)
Tentamen: persoon met hoog agreeableness en hoog conscientiousness
Circumplex model I en IV:
Circumplex II en III
Agreeableness (2)
Conscientiousness (3)
Duistere kant van persoonlijkheid:
Gebaseerd op schandalen als oplichting, Harvey Weinstein, The voice…
Ofwel het oplichten van mensen of ongewenst gedrag richting collega’s
Dit willen we natuurlijk graag voorspellen binnen de aop-psychologie
3 kenmerken, dark triad eigenschappen: narcisme (Grandioosheid, superioriteit, dominant), psychopathie (lage empathie, impulsief), machiavellianisme (mensen manipuleren, liegen).
Deze eigenschappen kunnen deviant gedrag voorspellen
Opvallend dat mensen dit in vragenlijsten vaak zelf aangeven
Personeel: Mensen werken slechter, Plegen meer fraude, Onethisch gedrag, risico's nemen
Leidinggevenden: weinig sociale verantwoordelijkheid, abusive leadership, Onethisch gedrag,geïnteresseerd in werknemers
Komen vaak toch in hoge posities
Voorbeeld Trump: hoog op dark triads, vooral narcisme komt sterk naar voren.
Persoonlijkheidsstoornissen:
Andere gewone persoonlijkheidskenmerken in AOP:
Locus of control:
Self-monitoring: Mate waarin mensen willen controleren hoe ze zich presenteren naar anderen
Self-esteem: zelfwaardering
Type A en type B persoonlijkheid
Type A: Sterke behoefte aan presteren competitief (helpt in carriere, maar soms lastig voor collega’s)
Type B: makkelijk in omgang, ontspannen relaxed
Psychologische behoeften:
Need for achievement: drang om te exelleren
Need for affiliation: behoefte om goede relaties met anderen te hebben of houden
Need for power: behoefte aan status en invloed
Volgens Mcclelland, heeft niet iedereen dezelfde behoeften
Is heel anders dan self-determination theory: macro-theorie over menselijke motivatie, met basic psychological needs als subcategorie.
Need for competence: Moeilijke taken volbrengen
Need for relatedness: behoefte om goede relaties met anderen te hebben / houden
Need for autonomy: behoefte om zelf te bepalen
Iedereen heeft dit volgens de theorie, er wordt geen rekening gehouden met de verschillende behoeften van verschillende mensen.
Interesses:
Assessment van individuele verschillen:
Biodata: curriculum vitae, voorkeuren, waarden, attitudes
Gestructureerde interviews: meerdere interviews, vooraf vragen opgesteld, iedereen dezelfde vragen, scoringssysteem.
Ongestructureerde interviews hebben weinig zin.
Volgens TNO: Bij 98% van de bedrijven is vooral de klik tijdens het gesprek bepalend voor het feit dat je wordt aangenomen. Dit zorgt voor een homogeen personeelsbestand, daarmee worden mensen die iets anders zijn sneller afgewezen (discriminatie)
Assessment center: verzameling van evaluatieprocedures die worden toegediend aan een groep individuen. Combinatie van technieken die worden gebruikt om te kijken hoe mensen met bepaalde werksituaties omgaan.
Beoordeling in een groep, door een groep
In-basket techniek: allerlei taken waarbij je moet proberen dit zo gestructureerd en gecontroleerd mogelijk te doen.
Leaderless group discussion: wie neemt van nature leiding en bepaalt wat besproken wordt
Fact finding: juiste vragen op juiste moment
Oral presentation
Dialoog
Psychologische tests en vragenlijsten
Work sample test: beoordelingsprocedure die werkvaardigheden meet door gedrags-steekproeven meet onder realistische werkomstandigheden.
Situational judgment test: paper-and-pencil test die de kandidaat schriftelijk een scenario voorlegt, en de kandidaat vraagt om uit een reeks antwoorden de beste optie te kiezen
Biases in interview:
Kandidaat:
Gender bias
First impression effect, te laat komen bijvoorbeeld
Contrast effect, slechte sollicitant voor je.
Non Verbale communicatie, onrustige houding
Fysieke aantrekkelijkheid
Interviewer:
Situatie
Gestructureerd interview:
Job analysis: wat is belangrijk voor deze baan?
Nuttig bij selectie, rekruteren en omschrijven van de baan
Task-oriented job analysis: verklaring van feitelijke taken en wat er wordt bereikt door de taken
Worker-oriented job analysis: benadering op eigenschappen van de werkende, die nodig zijn om de taak te volbrengen.
SMEs (subject matter experts): werknemers die vanuit hun kennis over het werk informatie geven bij de taak- of functieanalyse
Elke kandidaat krijgt dezelfde vragen hetzelfde tijdsbestek
Vooraf vragen indelen in categorieën
Meerdere interviewers die de antwoorden scoren
Geen vragen van de sollicitant
Incrementele validiteit: of een test een toegevoegde voorspellende waarde heeft]
Utiliteit: economische opbrengst van HR-interventie. Afhankelijk van:
Kosten
Selectieratio
Validiteit
College 6
Validiteit:
Instrumenten voor intelligentie, persoonlijkheid en interesses:
Vaak geen hele intelligentie-tests, maar vaak onderdelen hiervan
Vaak crystallized (info woordenschat) en fluid intelligence (matrix-redeneren, puzzel) worden gemeten zoals bij de WAIS-IV
Mix van power en speed tests
Door de lange tests wordt in de VS de Wonderlic personnel test gebruikt
Instrumenten voor persoonlijkheid:
Five-factor model: NEO-RT, NEO-FFI test
Vergelijkbare tests zoals de BFI, HEXACO, FFPI
MBTI nog veel meer gebruikt, in de HRM
Voor beroepskeuze, ontwikkeling en selectie
Niet gebruiken, want achterhaald en onbetrouwbaar
Meet 4 persoonlijkheidskenmerken en verdeeld in 2 groepen
Kleurentests: Ook lage betrouwbaarheid
In AOP praktijk veel niet betrouwbare en niet valide instrumenten
Instrumenten voor interesse:
Integriteitstest: (zie slide)
Overt: zichtbaar voor iedereen, vragen naar geschiedenis, attitude ten aanzien van contraproductief gedrag.
Covert: geheim, persoonlijkheidstest achtig. Betrekking op conscientiousness en honesty-humility (uit hexaco-test)
Mensen neigen ernaar om faking-good gedrag te tonen
Job performance volgens het model van Campbell:
Job performance (7 aspecten):
Productivity or task performance: Hoe goed of slecht medewerkers de taken uitvoeren die bij de baan horen.
Vaak gemeten met objectieve maten (verkoopcijfers)
Beoordeling door leidinggevende
Electronic performance monitoring (wat mensen doen op hun scherm)
Is erg tijdbesparend en geeft nauwkeurige werk logboeken
Maar ondermijnt vertrouwen, is inbreuk op privacy
Ter plekke: Hands on (iets doen) of walk through (beschrijven hoe je iets doet)
Assessment fouten:
Leniency error: te aardig en makkelijk in beoordeling
Severity error: te hard zijn in beoordeling
Central tendency error: beoordeling rondom het middelpunt van de schaal, ook al zou een extremer punt een betere omschrijving geven
Halo error: dezelfde beoordelingen op verschillende dimensies, die een soort halo vormen. Dit zorgt ervoor dat ze allemaal hetzelfde zijn
Primacy effects
OCB (organizational citizenship behavior): werk dat verder gaat dan de gebruikelijker werkzaamheden)
Interpersoonlijk: andere mensen helpen, altruïsme
Organisatiegericht: naleven regels, organisatie prioriteren, promo van de organisatie, algemene naleving
Voorspellers OCB
CWB (counterproductive work behavior), deviant werkgedrag (Tentamenvraag)
Is in strijd met normen organisatie
Onderscheid tussen interpersoonlijk en organisatie, daarnaast kleine dingen en serieus
Organizational deviance: regels, prioriteiten van de organisatie
Production deviance: te laat, middelengebruik, slordig werken (minor organisatiegericht)
Property deviance: sabotage, diefstal (serious organizational)
interpersonal deviance: roddelen, voortrekken, onbeleefd (minor interpersoonlijk)
Personal aggression: mensen gebruiken, pesten, stelen van collega's (serious interpersonal
Vragenlijsten
Model voor CWB:
Zijn ocb en cwb uiteinden van een continuüm? Nee, het zijn 2 aparte dingen

Interpersonal competence: hoe goed of slecht mensen zich interpersoonlijk gedragen
Leadership: anderen inspireren, leiding nemen, anderen motiveren
Effort: doorzetten, initiatief
Job knowledge: procedurele en declaratieve kennis die nodig is om taken uit te voeren
Trait ratings: Mensen beoordelen op hun persoonlijkheid, dit is niet goed. Je moet mensen beoordelen op gedrag en niet op persoonlijkheid
Critical incidents: gedrag dat cruciaal is voor het bepalen of prestaties op specifieke prestatiegebieden goed zijn
360-degree feedback: methode waarbij werknemer van veel bronnen feedback krijgt
Problemen met het meten van job performance:
Criterium Contaminatie: een criterium is gecontamineerd als het iets meet dat niet te maken heeft met datgene dat je wil meten
Criterium deficiëntie: criterium meet iets niet dat het wel zou moeten meten
Ultieme criterium (Ultimate criterion): ideale meting van alle relevante aspecten in job performance

Staffing decisions:
Hurdle: eis waar je in een selectieprocedure aan moet voldoen, die je niet kan compenseren met iets anders. Zo kan je alvast een beetje uitfilteren.
Discriminatie:
Adverse treatment: eiser probeert aan te tonen dat de werkgever hem/haar anders heeft behandeld dan anderen
Adverse impact: geen bedoelde discriminatie, maar werkgeverspraktijk had invloed op de groep waar de werknemer toe behoort.
Minnesota satisfaction questionnaire: vragenlijst voor werktevredenheid
Intrinsieke tevredenheid: tevredenheid komt voort uit aspecten die centraal staan in de baan zelf.
Extrinsieke tevredenheid: tevredenheid komt voort uit aspecten die buiten het werk vallen (vb. Salaris, beloningen)
College 7
Gastcollege
Sociale klasse is een vaag begrip gebaseerd op beroep of inkomen. Volgens Marx de bezittende klasse en de werknemers.
Opleiding (niet inkomen en klasse), hangt samen met houdingen over migratie, klimaat en diversiteit.
Opleiding wordt gezien als een persoonlijke verantwoordelijkheid. Dit is interessant, want ongelijkheid is dan iets dat je zelf verdient.
Het mediaan percentage hoogopgeleide landen is 95%, in de maatschappij is slechts 40% hoogopgeleid. Dus er is een oververtegenwoordiging van 2.5.
Wat weten we over laagopgeleiden?
Opleiding is de grootste kloof in Nederland.
Voor een goede status, hoger loon, keuze van een levenspartner wordt voorspeld door opleiding.
Diplomademocratie: heeel veel parlementsleden zijn hoogopgeleid
Praktische opleiding: meer racisme, meer anti migratie, meer extreemrechts.
Opleidingskloof in werken:
Voor laagopgeleide mensen vaak onzekere banen, flexcontracten, laag loon, geen werkgever-werknemer-meetings, weinig groei mogelijkheid
Politieke vervreemding: gevoel dat politiek geen verschil maakt, geen deelname politiek,
Gebrek aan vertrouwen kan een reactie zijn om eigen arbeidsomstandigheden
De tirannie van verdienste (Sandel): meritocratie, verschillen zijn verdiend.
Wie het goed heeft heeft dat verdiend
Populisme als gevolg van: minachting door hoogopgeleiden richting laagopgeleiden. Daarnaast weinig waardering voor praktisch werk
Gaat over onderwijssysteem: enorme druk om goed te presteren omdat onze marktwaarde gebaseerd is op onze opleiding
De geschoolde samenleving:
Opleiding is een legitieme vorm van sociale status
Onderwijs is een primaire instituut en kan de cultuur van een land veranderen
Relevant in verschillende domeinen
Mensen in laagopgeleide landen ervaren meer miskenning als hun inkomen toeneemt. En andersom
Sociale ongelijkheid in onderwijs:
Identificatie: band tussen jezelf en groep:
Werktevredenheid en emoties (Boek: H9)
Werktevredenheid:
Werktevredenheid: Positieve attitude of emotionele staat die resulteert van de waardering van iemands werk of werkervaring
Intrinsieke tevredenheid: aspecten van de baan zelf (vb. verantwoordelijkheid)
Extrinsieke tevredenheid: tevredenheid die voortkomt uit aspecten buitenwerk (Vb. salaris)
Attitude: stabiele gevoelens over personen, groepen, ideeën. Niet beïnvloed door duidelijke aanleiding
Stemming
Emotie: affect, gevoel als reactie op een gebeurtenis of gedachte. Wordt vergezeld door fysiologische veranderingen. Affectieve toestand met een duidelijke aanleiding.
Hawthorne effect: effect waarbij mensen zich anders gaan gedragen doordat er aandacht aan ze besteed wordt.
Waar zitten de verschillen:
Duur/ stabiliteit: attitude redelijk stabiel en langdurig. Emoties zijn kortdurend en wisselend van moment tot moment
Reactiviteit: attitude wordt niet direct beïnvloed door specifieke gebeurtenissen. Stemmingen kunnen wel beïnvloed worden door geworden maar niet sterk. Emoties kunnen direct beïnvloed worden door gebeurtenissen
Cognitie / affect: attitude meer cognitief (overtuigingen). Stemmingen en emoties hebben te maken met affect maar ook een cognitieve component
Relatie-denken en voelen sterk bediscussieerd: ze beïnvloeden en vormen elkaar.
Cognitieve component: wat een werknemer gelooft over baan
Affectieve component: hoe een werknemer zich voelt over baan
Gedrags Component:
Appraisal: inschatting / beoordeling van een stimulus
Dat wat we voelen wordt beïnvloed door de inschatting van de situatie
Appraisal Model, Magda Arnold, Richard Lazarus ging er mee vandoor
Emotieregulatie:
Zelfregulatie: je handelingen aanpassen aan je doelen en aan de mate waarin je je doelen wel of niet bereikt
Emotionele zelfregulatie: beïnvloeden van je eigen emotionele reacties op een bepaalde stimulus
Emotion focused coping (model)
Vb. afleiding, onderdrukking, afstand nemen, reappraisal
Reappraisal: proberen de inschatting van de situatie te veranderen.
Oudere mensen kiezen vaker voor emotieregulatie, kiezen andere strategieën, minder cognitieve belasting.
Cognitieve aspecten van emoties staan ook centraal in rationeel-emotieve therapie. (ABC; aanleiding - ‘bril’ - consequentie)
Emoties en stemmingen: affectieve toestanden
Basisemoties: ze zijn er wel, we weten niet welke precies
Affect circumplex model: emoties beschouwen

Valentie: plezierig versus onplezierig
Arousal: hoge of lage activatie
Er ontstaan 4 categorieën
Activerende emoties leiden tot creativiteit.
Positief: makkelijk schakelen en verbinden leiden tot creatief gedrag
Negatief: doorzettingsvermogen, boosaardige creativiteit, energie wordt gebruikt voor focus.
Deactiverende emoties
Creativiteit wordt gestuurd door activerende emoties, zowel pleasant als unpleasant.
Onder de noemer werktevredenheid kan heel veel vallen, het hele complex van gedachten en gevoelens over werk.
Prestatie:
Opmerkelijk: elk werktevredenheidsonderzoek laat best veel werktevredenheid zien. Laat ook weinig verandering zien (omdat het een vaste attitude is). Ook opvallend: werktevredenheid is niet per se gerelateerd aan werkprestaties. De situatie bepaald hoe we ons gedragen en niet onze cognitie van gevoelens
Gaat misschien meer over attitude dan affect
Misschien omgekeerd: prestaties leiden tot werktevredenheid?
Zwakke relatie en anders in verschillende context.
Sterke situatie: je kan je persoonlijkheid niet uiten, sterk geprotocolleerd (begrafenis). Werksituaties zijn vaak sterke situaties;
Zwakke situatie: persoonlijkheid en stemming bepalen wat je doet (met vrienden)
Oorzaken van bevrediging wellicht niet gerelateerd aan de werkinhoud.
Verloop:
Tevreden werknemers zijn minder geneigd de organisatie te verlaten
Proces van ontslag wordt vaak in gang gezet door ontevredenheid

Deze factoren kan je onderscheiden in 3 vormen van commitment:

Dit kan ook beroepsmatig zijn
Job embeddedness: de vele soorten commitment
Absenteïsme: systematisch wegblijven van werk
Tevreden werknemers zijn minder geneigd om absent te zijn

Vermogen en motivatie om op het werk te verschijnen, wordt beïnvloed door stress.
Psychologisch contract: Een overtuiging die mensen hebben over de wederzijdse verwachtingen tussen henzelf en de organisatie.
College 8
Werkstress (Boek: H10)
General Adaptation syndrome (GAS); bijna identieke reactieketen op ziekte of trauma
Bekende stressoren: de 4 A’s
Arbeidsomstandigheden: zware omstandigheden, fysiek
Arbeidsvoorwaarden: zeker versus onzeker, salaris
Arbeidsverhoudingen: sociale relatie met collega’s, leidinggevende
Arbeids Inhoud:
Er kunnen natuurlijk ook stressoren uit de privésfeer kunnen bepalen hoe je je voelt op werk.
Gevolgen van stress:
Gedragsmatige gevolgen
Fysieke gevolgen:
Psychologische gevolgen:
Burnout:
Langdurig blootgesteld aan stressoren waardoor je niet in staat bent hier adequaat mee om te gaan.
3 fenomenen:
Emotionele uitputting: helemaal op zijn
Verminderde persoonlijke bekwaamheid: het gevoel hebben dat je niet meer in staat bent om met je eigen of andermans problemen om te gaan, zelfs als je wel energie had.
Depersonalisatie: cynische houding ten opzichte van collega’s; verminderde sensitiviteit.
Veel onderzoek in Nederland:
Gaat altijd om stressoren en mate waarin mensen daarmee om kunnen gaan
Dat betekent niet dat stress een keuze is
Aan de andere kant ben je ook niet overgeleverd aan het lot, je kan hier wel invloed op hebben
Karasek's Job demand-control model: stress volgt uit een combi van hoge demands (werkeisen) en lage control (autonomie)
Wat kun je hier aan doen? Mindfulness bijvoorbeeld
Veelbelovende onderzoeksresultaten, maar hier is ook veel kritiek op.
Biedt een uitkomst voor jezelf maar niet voor de werksituatie, puur individuele interventie.
Stressmanagement:
Tertiaire interventie: Je probeert de gevolgen van stress te behandelen
Secundaire interventie: Directe respons (stress)
Primaire interventie: Stressor aanpakken
Vooral primaire en secundaire aanpakken zijn effectief; mindfulness, cognitive, behavioral interventions zijn het meest effectief.
Ploegendienst: tenta
Rechtvaardigheid (boek: H11)
Organisationele rechtvaardigheid:

In de praktijk zie je dat rechtvaardigheid heel belangrijk is
De drie dimensies onderscheiden we, maar ze zijn niet onafhankelijk.
Ook bij rechtvaardigheid kan een probleem van een persoon op het werk, de werksituatie van anderen beïnvloeden
College 9
Vervolg rechtvaardigheid (Boek: H11)
Uitleg na een ongunstige beslissing kan op meerdere manieren:
Affirmative action:
Diversiteitstraining: wordt gedaan om team-creativiteit te stimuleren, maar samenwerking in diverse teams is niet ideaal.
Vooraf moet de attitude van werknemers worden gemeten en hier moet op worden aangesloten
Het beleid moet vervolgens aansluiten op de training
Het management moet worden betrokken in de training
Twee ineffectieve modellen voor diversiteit
Leiderschap (Boek: H12 )
Leider vs manager: een leider is op zoek naar verandering een manager naar stabiliteit
Bekende leiders en diens successen:
Power motive: verlangen om controle te krijgen over macht.
Belangrijk zijn:
Machtsmotieven:
Hoe wordt je een leider / goede leider?
Beide hangen samen met extraversie
Peter principle: mensen in een organisatie groeien door in functies van hun eigen incompetenties
Narcisme hangt ook samen met leader emergence. Narcisten kunnen vaak de indruk wekken dat ze heel competent zijn.
Benaderingen van goed leiderschap:
Forceren: vb. Sinaasappel gewoon nemen
Toegeven: vb. Sinaasappel weggeven
Compromis sluiten: vb. Sinaasappel doormidden
Vermijden: vb. Sinaasappel laten verrotten
Probleemoplossen: vb. Waar is de sinaasappel voor nodig (ene heeft het sap nodig, de ander de schil)
Hedendaagse kernthema’s:
Transformationeel en transactioneel leiderschap, laissez-faire etc.
Full-range theory of leadership:
Transformationeel of charismatisch
Charismatische leiders zijn niet alleen inspirerend maar geven een gevoel van emotionele binding. Ze vragen en krijgen veel loyaliteit. Mensen bevragen of bekritiseren hierdoor de leider niet.
Transformationele leiders dragen bij aan de groei van hun medewerkers, charismatische leiders doen dat niet.
Destructief leiderschap:
Is er niet op gericht om het beste te doen voor medewerkers en organisatie
Voorbeelden: pesten, mensen uitsluiten, liegen

Constructief: niet-destructief leiderschap
Supportive disloyal: anti-organisatiegedrag, maar wel heel supportive richting werknemers
Tiranniek: dus heel hard voor de werknemers, pro-organisatie
Derailed: destructief, slecht voor werknemers en voor de organisatie
Conformers: Volgers die zich aanpassen en niet in verzet komen
Colluders: hebben veel ambitie en dezelfde ideeën, slechte waarde
Mannelijk versus vrouwelijk leiderschap:
Vrouwen hebben voorkeur voor participatieve en democratische interacties, ook zijn ze zich meer bewust van interpersoonlijke issues.
Mannen zijn meer taakgericht
College 10
Gastcollege
Kerncompetenties die betrekking hebben op eigen emoties:
Emotieherkenning: herkennen van emoties van anderen (jongeren kunnen dit beter bij anderen, ouderen beter bij jezelf)
Emotiebegrip: waar emoties vandaan komen (ouderen kunnen dit beter
Emotieregulatie: aanpassen van emoties (ouderen beter un kennis van emotieregulatie en emotiecontrole van jezelf)(de effectiviteit van emotieregulatie voor beide groepen is gelijk)
Jongere medewerkers rapporteren meer werktevredenheid in functies met hoge sympathy demands. (door betere emotieherkenning is het makkelijker voor hen) Ouderen rapporteren dan ook meer vermoeidheid in dergelijke werkomstandigheden.
Teams en creativiteit (Boek: H13)
Synergie: het geheel van een team moet meer zijn in de som van delen.
Kruisbestuiving: twee hoofden weten meer dan een
Projectteams: tijdelijke teams voor een specifiek doel, vaak met een deadline
Productieteams: langere duur, om een bepaald product te maken, concrete output
Virtuele teams: vanaf verschillende locaties wordt gewerkt aan een gezamenlijk doel, met ict communicatie
Uitdagingen: effectieve en tijdige communicatie, cultuurverschillen, vertrouwen
Uit meta-analyse blijkt dat het gebrek aan vertrouwen in teams en lagere prestaties samenhangt. Deze relatie was vooral in virtuele teams, en in teams waar slecht gedocumenteerd wordt.
Gedrag en prestaties in teams worden bepaald door:
Individuele teamleden
Processen op teamniveau (conflict, normen)
Contextuele factoren (op organisatieniveau; taak, leiderschap)
Mensen binnen teams beïnvloeden elkaar (teamniveau)
Mensen worden beïnvloed door hun leidinggevende (laissez-faire, destructief)
Mensen worden ook beïnvloed door de organisatie waar ze werken
Voor team-onderzoek wordt gebruik gemaakt voor het ipo-model
Input - proces - output
Input: gegeven info; organisatiecontext, taakeigenschappen, teamdiversiteit, interdependentie
Proces: wat er gebeurt (gedragsmatig); normen, besluitvorming, conflict, cohesie
Output: resultaat of uitkomst; teamprestaties, creativiteit en innovatie, welbevinden

Interdependentie: afhankelijkheid
Steiner’s typologie van interdependente taken:
Additieve interdependentie: som van de individuele bijdragen
Disjunctieve interdependentie: team presteert zo goed als het beste lid (vb. pubquiz)
Conjunctief: team presteert zo goed als het slechtste lid (de zwakste schakel)
College 12
Vervolg Teams en creativiteit
Conflict:
de strijd die ontstaat als het doelgerichte gedrag van de ene persoon die van de andere persoon
Situatie waarin positieve doel-interpretatie verandert in negatieve doel-interpretatie
Waargenomen onverenigbaarheid van je eigen of andermans wensen en belangen
Is conflict altijd slecht?
Enkele mogelijke voordelen van constructieve conflicten
Maar relatie vs taakconflict
Relatieconflict is altijd slecht
Taakconflict: vaak schadelijk voor de samenwerking, het is belangrijk dat dit niet uitmond in een relatieconflict. Dat
Arousal-performance curve: er is een beetje arousal nodig voor goede prestatie, dit valt ook te zeggen voor conflicten
Als mensen het de hele tijd oneens zijn, is er veel chaos, leidt het af, onstaat er polarisatie
Als er totaal geen conflict is, is er weinig focus, motivatie, verandering, weinig nieuwe ideeën.
Advocaat van de duivel spelen helpt, door expres het tegengestelde standpunt in te nemen, kan je minority descent introduceren in een groep. Zo dwing je de groep om meer uitwisseling van informatie te laten doen.
In een ideaal team is er veel sociale cohesie om het conflict op te lossen, er is meer creativiteit.
Groupthink:
Voorbeeld van de challenger space shuttle: door nachtvorst zijn rubberen afdichtingsringen gekrompen waardoor een brandstoflek ontstond. Dit risico was al bekend, en dat het zou vriezen, toch was de lancering doorgezet omdat er veel van afhing voor de NASA. Het team wilde de lancering laten doorgaan en wilde niets weten van de info die dit tegenstond.
Ingroup bias: Leden van de eigen groep hoger beoordelen dan mensen van de out-group
Common knowledge bias: Het hebben over dingen die het hele team weet
Premature consensus seeking: mensen willen het de hele tijd met elkaar eens zijn
Waarom teams: Ze hebben creatief en innovatief potentieel!
Creativiteit en innovatie:
Creativiteit: het bedenken van ideeën die vernieuwend en verrassend zijn
Innovatie: deze creativiteit implementeren in uitvoering.
Vaak worden creatieve ideeën niet geïmplementeerd, en minder creatieve ideeën wel.
Team creativiteit verhogen: Diversiteit (verschillende expertise, opleiding) en creatieve persoonlijkheid (nieuwsgierig, cognitief flexibel) van mensen zorgen voor meer team creativiteit
Dus als je wil proberen om innovatie aan te jagen, is het stimuleren van creativiteit niet het meest effectief.
Social loafing: minder gemotiveerd zijn omdat er sprake is van een groepsbelang
Organisatietheorieën (H14)
Verschil AOP en HRM:
HRM heeft alleen te maken met de juiste persoon op de juiste plek. Ook over training en beloning. Vooral salaris, promotie. AOP is breder.
HRM is gericht op directe toepassing, primair management. AOP is meer psychologie, over mensen.
Wat is de tegenpool van menselijkheid in een organisatie:
Wat goed is aan bureaucratie: Gericht tegen nepotisme (voortrekken van mensen die je kent, vriendjespolitiek) en favoritisme in. Zo staan minder capabele mensen aan de top omdat ze goede connecties hebben.
Dus: dit kan beter door zaken formeel en transparant in te richten. Focus op taakverdeling
Wel eerlijk dus, macht op basis van capaciteit
Maar niet probleemloos: Per se is er één structuur ideaal was
Top-down benadering: hoe de macht van bovenaf gedelegeerd werd, er is geen ruimte voor input van onderaan naar het hogere management.
Organisaties bestaan uit mensen, die extra dingen doen, of dingen niet doen. Overlap van een formele, reële en ideale organisatie. Binnen bureaucratie wordt alleen gekeken naar de formele organisatie
Human relations theory
McGregor: theory X of Theory Y
Argyris: mensen groeien van passief naar actief, afhankelijk van onafhankelijk.
Contingentietheorieën: beste structuur hangt af van de situatie (it depends)
Vb. voor een stabiele omgeving werkt een mechanistische organisatie beter. Voor een meer dynamische omgeving werkt een organische organisatie.
Leiding aan productieteam (Lopende band) versus onderzoeks- en ontwikkelingsteam (R&D)
Systeemtheorie:
Ervan uitgaan dat een organisatie een systeem is met input. Op deze input worden transformaties gedaan, om uiteindelijk tot output te komen.
Aandacht voor de context of het systeem waarbinnen de organisatie bestaat. (open systems theory)

Asa-model: attraction, selection, attrition. organisaties en individuen lopen een proces door om gezamenlijk de waarschijnlijke fit te beoordelen, op basis van persoonlijkheidskenmerken. Door middel van een proces van aantrekken, selectie en verloop is het doel om het personeelsbestand homogeen te maken met betrekking tot persoonlijkheidskenmerken.

Modellen waar organisaties kunnen werken bij het vestigen in een ander land(cultuur):
Etnocentrisme: waarden van het moederbedrijf overheersen
Polycentrisme: waarden van het lokale bedrijf worden geaccepteerd
Regiocentrisme: waarden van moederbedrijf en lokale bedrijf worden samen gemengd
Geocentrisme: er wordt een nieuw bedrijfsbeeld ontwikkeld, om een probleem aan te pakken die een mondiaal perspectief creëert.
Add new contribution