MC Vraag 1
De ondernemer geniet winst uit onderneming in box 1; de belegger valt onder de vermogensrendementsheffing van box 3. Welk van de onderstaande alternatieven geeft een juiste weergave van het verschil in fiscale behandeling tussen ondernemers en beleggers?
- Box 1 belast daadwerkelijk genoten winsten en verliezen tegen een progressief tarief; box 3 belast het forfaitaire rendement tegen een proportioneel tarief.
- Box 1 belast daadwerkelijk genoten winsten en verliezen tegen een progressief tarief; box 3 belast het forfaitaire rendement tegen een progressief tarief.
- Box 1 belast fictief genoten winsten en verliezen tegen een proportioneel tarief; box 3 belast het forfaitaire rendement tegen een proportioneel tarief.
- Box 1 belast forfaitair genoten winsten en verliezen tegen een progressief tarief; box 3 belast het forfaitaire rendement tegen een proportioneel tarief.
MC Vraag 2
Jan wil een loodgietersbedrijf beginnen. Jan vraagt zijn vriend Keimpe om het bedrijf samen op te zetten. Keimpe heeft geen kennis van het loodgietersvak, maar hij beschikt wél over het startkapitaal dat nodig is. Jan en Keimpe richten samen een BV op, waarvan ze beide 50% van de aandelen houden. Ze spreken af dat Jan het bedrijf zal leiden en Keimpe slechts vermogen aan de BV zal verschaffen. Kan Keimpe onder de hiervoor geschetste omstandigheden gebruik maken van de zelfstandigenaftrek van art. 3.76 Wet IB 2001?
- Ja, mits Keimpe voldoet aan het urencriterium van art. 3.6 Wet IB 2001.
- Ja. Keimpe voldoet niet aan het arbeidsvereiste in de zin van art. 3.92 Wet IB 2001 en kan om die reden gebruik maken van ondernemersfaciliteiten.
- Nee. Er is ten aanzien van Keimpe sprake van ondernemerschap, maar hij kan geen gebruik maken van ondernemersfaciliteiten aangezien Jan daadwerkelijk het bedrijf leidt.
- Nee. Keimpe kwalificeert niet als ondernemer in de zin van art. 3.4 Wet IB 2001.
MC Vraag 3
Welke van de volgende stellingen met betrekking tot het begrip ‘dienstbetrekking’ in de Wet op de loonbelasting 1964 is onjuist?
- De drie essentiële kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking zijn: een gezagsverhouding, verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid en de verplichting van de werkgever om loon te betalen.
- Een dienstbetrekking kan ook worden aangegaan door een natuurlijk persoon die buitenlands belastingplichtig is.
- Een fictieve dienstbetrekking is een dienstbetrekking waarbij in de regel niet aan alle voorwaarden voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking is voldaan, maar waar bij wetsfictie toch een dienstbetrekking wordt aangenomen.
- Van een dienstbetrekking kan uitsluitend sprake zijn indien een werknemer één dienstbetrekking heeft bij één werkgever.
MC Vraag 4
Joyce Uitermeer is directrice en tevens 50% aandeelhouder van Pollepel BV. Joyce verstaat haar vak en geeft succesvol leiding aan de werknemers van Pollepel BV. In 2016 ontvangt ze als beloning voor deze werkzaamheden een bonus. De bonus bestaat uit twee elementen:
1) een bedrag van € 150.000; en 2) 4% van de aandelen in Pollepel BV.
Welk van de onderstaande alternatieven is juist ten aanzien van de belastingheffing over beide elementen van de toegekende bonus?
- Beide elementen van de bonus zijn in het geheel niet belastbaar voor de Wet op de loonbelasting 1964, omdat een gezagsverhouding tussen Pollepel BV en Joyce ontbreekt. Joyce is immers zelf de directrice van Pollepel BV.
- Beide elementen van de bonus zijn belastbaar in box 1 van de Wet IB 2001 als loon uit dienstbetrekking. De bonus is tevens in het geheel belastbaar voor de loonbelasting.
- Het bedrag van € 150.000 (‘element 1’) is belastbaar in box 1 van de Wet IB 2001 als loon uit dienstbetrekking en tevens belastbaar voor de loonbelasting. De waarde van de verkregen aandelen (‘element 2’) is uitsluitend belastbaar in box 2 van de Wet IB 2001.
- Het bedrag van € 150.000 (‘element 1’) is belastbaar in box 1 van de Wet IB 2001 als loon uit dienstbetrekking. De waarde van de verkregen aandelen (‘element 2’) is belastbaar in box 3 van de Wet IB 2001 als een belegging.
MC Vraag 5
Jeppe, woonachtig in Noorwegen, heeft een mooi vakantiehuis gekocht in Noordwijk. Hier vertoeft hij drie weken per jaar. De rest van het jaar verhuurt hij het huis om de investering deels terug te kunnen verdienen. Hij ontvangt per jaar € 40.000 aan huurinkomsten. Welke stelling is juist ten aanzien van Jeppe ten aanzien van de Wet inkomstenbelasting 2001?
- Jeppe is over € 40.000 belast in box 1 als resultaat uit overige werkzaamheden.
- Jeppe is over € 40.000 belast in box 1 in verband met inkomsten uit eigen woning. Indien Jeppe de woning heeft gefinancierd met een lening zal dit in verband met de renteaftrek ter zake van de lening leiden tot een aftrekpost in plaats van belastbaar inkomen in box 1.
- Jeppe is over € 40.000 belast in box 3, aangezien onroerend goed een bezitting is als bedoeld in art. 7.7 Wet IB 2001.
- Geen van de alternatieven is juist.
MC Vraag 6
De deelnemingsvrijstelling in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is een voorbeeld van een:
- fiscaal instrumentalisme.
- objectieve vrijstelling.
- subjectieve vrijstelling.
- winstuitstelfaciliteit.
MC Vraag 7
Welke van de onderstaande beweringen is juist ten aanzien van de rangorderegeling in de Wet inkomstenbelasting 2001?
- De rangorderegeling beoogt elke inkomenscomponent in één box van de inkomstenbelasting te belasten. Hierdoor wordt een inkomensbestanddeel in de regel één keer in de belastingheffing betrokken.
- Op grond van de rangorderegeling zijn vermogensbestanddelen die inkomen genereren, belast in box 3 wanneer deze vermogensbestanddelen zijn vrijgesteld in box 1 of box 2.
- Voor de toepassing van de rangorderegeling geldt als voorwaarde dat sprake dient te zijn van belastbaar inkomen in uit werk en woning.
- Wanneer inkomsten in box 2 worden vrijgesteld, dan zullen deze inkomsten op grond van de rangorderegeling in box 3 worden belast.
MC Vraag 8
Stelling I: Volgens de Nederlandse Wet IB 2001 zijn illegale activiteiten (zoals bijvoorbeeld het handelen in drugs) niet belastbaar voor de inkomstenbelasting, aangezien met dergelijke activiteiten niet wordt deelgenomen aan het economische verkeer.
Stelling II: Wat als een bron van inkomen geldt voor de Wet IB 2001, kan per box verschillen.
Welke van de volgende alternatieven is juist?
- Alleen stelling I is juist.
- Alleen stelling II is juist.
- Beide stellingen zijn juist.
- Beide stellingen zijn onjuist
MC Vraag 9
X heeft een belang van 100% in BV X.
BV X heeft een belang van 50% in BV Y.
BV Y heeft een belang van 60% in BV Z.
Welk van de onderstaande stellingen ten aanzien van de bovengenoemde feiten is juist?
- X is direct gerechtigd voor 100% in BV X, X is indirect gerechtigd voor 50% in BV Y en niet gerechtigd in BV Z.
- X is direct gerechtigd voor 100% in BV X, X is indirect gerechtigd voor 100% in BV Y en indirect gerechtigd voor 30% in BV Z.
- X is direct gerechtigd voor 100% in BV X, X is indirect gerechtigd voor 50% in BV Y en indirect gerechtigd voor 30% in BV Z.
- X is direct gerechtigd voor 100% in BV X, X is indirect gerechtigd voor 50% in BV Y en indirect gerechtigd voor 50% in BV Z.
MC Vraag 10
Welke stelling is juist?
Een belang van 2% in een BV, gehouden door een natuurlijk persoon, behoort tot:
- Een aanmerkelijk belang indien één van de familieleden van deze natuurlijke persoon een aanmerkelijk belang van minimaal 5% in dezelfde BV houdt.
- Een aanmerkelijk belang, indien hij tevens 5% van de opties in dezelfde BV houdt.
- Een aanmerkelijk belang als hij daarnaast nog 3% opties in dezelfde BV houdt.
- Een aanmerkelijk belang, uitsluitend indien de partner van de natuurlijk persoon een aanmerkelijk belang van minimaal 5% in dezelfde BV houdt.
MC vraag 1
A - Box 1: Artikel 3.8 Wet IB 2001 en artikel 2.10 Wet IB 2001.
- Box 3: Artikel 2.13 Wet IB 2001 en artikel 5.2 Wet IB 2001.
MC vraag 2
D - Artikel 3.76 Wet IB 2001 en artikel 3.4 Wet IB 2001
MC vraag 3
D - Artikel 2, 3 Wet LB 1964
MC vraag 4
B - Artikel 10 Wet LB 1964.
MC vraag 5
D - Artikel 7.7 lid 1 Wet IB 2001
MC vraag 6
B - Artikel 13 Wet Vpb 1969
MC vraag 7
A - Artikel 2.14 Wet IB 2001.
MC vraag 8
B - Artikel 2.7 Wet IB 2001
MC vraag 9
C - Artikel 4.6 Wet IB 2001
MC vraag 10
B - Artikel 4.6 Wet IB 2001 en artikel 4.9 Wet IB 2001