Arresten Inleiding strafrecht en criminologie

Deze samenvatting is geschreven in collegejaar 2012-2013.

Muilkorf HR 12/4/1897, W 6954

Art. 1 lid 1 Sv.

Casus:

In Bergen op Zoom bestaat een APV waarin staat dat honden van een bepaalde lengte slechts gemuilkorfd los rond mogen lopen. Eigenaren van honden, waarvan vermoed wordt dat ze de gestelde grootte hebben, kunnen worden gesommeerd hun hond na te laten meten.

Rechtsvraag:

Heeft de gemeentelijke wetgever de bevoegdheid een maatregel uit te vaardigen die dient om bewijs te leveren voor de vervolging van een overtreding?

Hoge Raad:

Uit de plaatsing van art. 1 Sv aan het hoofd van de algemene bepalingen blijkt wel dat er van strafvordering in de ruimste zin gesproken wordt. Dit omvat dus ook de opsporing van strafbare feiten. Een regeling van die opsporing bij plaatselijke verordening is dus in strijd met de wet. Art. 214 lid 2 APV mist verbindende kracht.

Melk en water HR 14/2/1916, NJ 1916, 681

Art. 47 Sr.

Casus:

Een veehouder heeft zijn melk aangelengd. Hij laat een werknemer van hem de aangelengde melk afleveren onder de benaming van volle melk. De veehouder wordt veroordeeld wegens het in strijd met art. 303 APV melk doen (art. 47 lid 1 sub 1 Sr.) afleveren onder de benaming volle melk terwijl daaraan iets is toegevoegd. Hij verweert zich door te stellen dat ten onrechte iets is onderzocht of de feitelijke dader, zijn werknemer die de melk afleverde, niet aansprakelijk is. Zelfs als de feitelijke dader, zijn werknemer die de melk afleverde, niet aansprakelijk is. Zelfs als de feitelijke dader niet geacht kan worden gerechtigd te zijn geweest te onderzoeken of aan de melk iets is toegevoegd kan hij worden strafbaar gesteld; art. 303 APV eist geen schuld.

Rechtsvraag:

Is art. 47 lid 1 sub 1, doen plegen, ten onrechte toegepast?

Hoge Raad:

Niets, zeker niet de geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, dwingt ertoe om aan te nemen, dat bij het niet vermelden van schuld als element in de omschrijving van een strafbaar feit de wetgever het beginsel hanteert dat bij afwezigheid van alle schuld toch strafbaarheid moet worden aangenomen, tenzij er natuurlijk een grond tot uitsluiting is geregeld in de wet. De rechtbank heeft feitelijk uitgemaakt dat de werknemer zonder enige schuld handelde en terecht beslist dat hij een willoos werktuig van de veehouder was. De veehouder heeft het tenlastegelegde dus doen plegen in de zin van art. 47 lid 1 sub1 Sr.

Opticien HR 15/10/1923, NJ 1923, 1329

Art. 40 Sr

Casus:

Een opticien wordt vervolgd wegens het handelen in strijd met de Vordering op de Winkelsluitingswet. Hij heeft namelijk in strijd met die wet na 21.00 uur nog een bril verkocht. De opticien verweert zich door te stellen dat de persoon aan wie hij de bril verkocht praktisch blind was zonder bril en hij zich daarom genoodzaakt voelde hem te helpen. De opticien wordt wegens overmacht ontslagen van alle rechtsvervolging. Het OM stelt in cassatie dat hier geen sprake is van een toepasselijkheid van art. 40 Sr.

 

Rechtsvraag:

Is hier sprake van overmacht in de zin van art. 40 Sr.?

 

Hoge Raad:

De getuige (de persoon aan wie de bril is verkocht) kon zonder bril niet zien. Daardoor verkeerde hij in zo’n gevaarlijke of in ieder geval zeer hulpbehoevende toestand, dat het voor de opticien een maatschappelijke verplichting was, in deze omstandigheden, hulp te verlenen. De opticien was hiertoe zodanig gedrongen, dat het zijn strafbaarheid opheft. Met deze overwegingen heeft de rechtbank het wettelijk begrip overmacht, dat blijkens de geschiedenis der wet ook omvat de toestand van nood, geen geweld aangedaan.

 

De Auditu HR 20/12/1926, NJ 1926, 85

Getuigenis van horen zeggen (een schriftelijke of mondelinge verklaring van een informant, die daarin mededeling doet van hetgeen een ander hem heeft medegedeeld). In casu, art. 342, 344 lid 1 sub 2 en 359 Sv.

 

Casus:

Een man wordt ervan verdacht zich door zijn vriendin te laten onderhouden van het geld dat zij als prostituee verdient. Hij wordt vervolgd wegens 'het als souteneur uit de ontucht van een vrouw voordeel trekken' ex art. 432 en 434 Sr. Het feit wordt bewezen verklaard onder meer door het gebruik van een getuigen­verklaring van een vriendin die de verdachte had horen zeggen dat de vrouw als prostituee voor de verdachte geld moest verdienen.

 

Rechtsvraag:

Mag een getuigenis van horen zeggen, een testimonium de audi­tie, als bewijsmiddel gebruikt worden voor de bewezenver­klaring gelet op art. 342 lid 1 Sv.: 'feiten die de getuige zelf waar­genomen of ondervonden heeft?'

 

Hoge Raad:

Volgens de Hoge Raad sluit de tekst van de wet, haar systeem en de geschiedenis van haar totstandkoming niet uit dat een getui­genis van horen zeggen mag worden gebezigd. Een testimonium de auditie is dus een wettig bewijsmiddel.

 

Veearts HR 20/2/1933, NJ 1933, 918

Art. 37-44 Sr.

 

Casus:

Een veearts brengt enkele gezonde koeien in een stal met koeien die aan mond- en klauwzeer lijden. Hem wordt tenlastegelegd de koeien in een verdachte toestand te hebben gebracht in strijd met art. 82 Veewet. De veearts verweert zich met het argument dat het voor de koeien beter was op dit moment, nu ze droog stonden, ziek te worden, daar zij de ziekte dan eerder te boven zouden komen.

 

Rechtsvraag:

Is hier sprake van een strafuitsluitingsgrond?

 

Hoge Raad:

De veearts handelde in strijd met de wet, maar in het belang van het vee. De Veewet zelf wijst niet met zoveel woorden een strafuitsluitingsgrond aan voor dit geval. Dit betekent niet, dat de veearts nu sowieso strafbaar is. Het geval kan zich voordoen, dat de wederrechtelijkheid in de delictsomschrijving zelf geen uitdrukking heeft gevonden. Er zal dan geen veroordeling kunnen volgen op grond, dat de onrechtmatigheid van de gepleegde handeling in het gegeven geval blijkt te ontbreken, het betrokken wetsartikel is niet van toepassing op de onder de delictsomschrijving vallende handeling.

 

Geweerarrest HR 2/12/1935, NJ 1936, 250

Casus:

Twee opsporingsbeambten treden een café binnen met een last krachtens de Drankwet ter controle op naleving van de voorschriften bij deze wet. De verdachte, een kastelein, verklaarde naar aanleiding van het onderhavige binnentreden:

‘Als jullie voor de Drankwet binnenkomen, kunnen jullie het hele huis vrij afzoeken.’ Een van de opsporingsambtenaren vond een geweer in de keuken.

De verdachte verzette zich tegen de inbeslagneming van het vuurwapen (overtreding van de destijds van kracht zijnde Vuurwapenwet 1919).

 

Rechtsvraag:

De vraag die aan de HR ter beantwoording werd voorgelegd luidde: Was de inbeslagneming van het vuurwapen op grond van een geconstateerde heterdaadse overtreding van de Vuurwapenwet 1919 rechtens?

 

Hoge Raad:

Ja. De HR overwoog dat met name uit art. 121 Sv niet het tegendeel volgt daar dit artikel wel de bevoegdheid regelt om tegen de wil van de bewoner diens woning te betreden doch niet inhoudt een beperking van andere opsporingsbevoegdheden. Daaraan kan ook niet afdoen, dat onder de gegeven omstandigheden de caféhouder had te kennen gegeven alleen de controle ingevolge de Drankwet te willen toestaan. De HR stelt de opsporingsbevoegdheden van inbeslagneming naast de bevoegdheid tot binnentreden. Als de voorwaarden tot binnentreden zijn vervuld, mag de binnengetredene in de woning de andere bevoegdheden uitoefenen, voorzover de voor deze andere bevoegdheden algemeen gestelde voorwaarden vervuld zijn. De omstandigheid dat een ambtenaar alleen ter controle van de Drankwet tegen de wil van de bewoner in diens woning aanwezig mag blijven, belet hem niet op diezelfde plaats opsporingsbevoegdheden steunende op een andere wet uit te oefenen. Cruciale overweging: kolom 7 r. 12 v.o. t/m kolom 8 r 14 vb.

 

Wat niet mag is een GVO instellen met het oog op aftappen en tegen een feit waar voorlopige hechtenis is toegelaten maar eigenlijk als doel hebben een feit van iemand anders te achterhalen waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten. Dan zou er immers sprake zijn van détournement de pouvoir. De telecommunicatie van degenen die een verschoningsrecht hebben zoals de geestelijke, de geneeskundige, de advocaat en de notaris mogen niet worden getapt. Wel echter als die zelf verdachte zijn (HR 29 juni 1993 NJ 1993:692, niet verplicht).

 

Wat op te maken is uit de woorden van art. 125g ‘indien het onderzoek dit dringend vordert’, is het van toepassing zijnde subsidiariteitsbeginsel, als er een ander –minder bezwarend- middel kan worden toegepast dan moet het aftappen achterwege blijven.

 

Verpleegster HR 19/2/1963, NJ 1963, 512

Art. 307 Sr.

 

Casus:

Een verpleegster houdt een flesje met de verkeerde vloeistof voor aan een andere verpleegster, die daarmee een injectiespuit vult en doorgeeft aan een derde die de patiënt met de vloeistof inspuit als gevolg waarvan de patiënt komt te overlijden. De eerste verpleegster wordt vervolgd en veroordeeld wegens dood door schuld. De verpleegster verweert zich door te stellen dat ze voldoende oplettend is geweest.

 

Rechtsvraag:

Is er sprake van schuld?

 

Hoge Raad:

De rechtbank en het Hof hebben kunnen concluderen, dat de verdachte aanmerkelijk is tekortgeschoten voor wat betreft de op haar rustende plicht om de nodige oplettendheid te betrachten. Haar handelingswijze getuigt mitsdien van een mindere of meerdere mate van grove onoplettendheid, opleverende schuld in de zin van art. 307 Sr.

 

De rechtbank was niet gehouden hiernaast nog verdachten verweer omtrent haar oplettendheid, afzonderlijk gemotiveerd te weerleggen.

 

Hollende Kleurling HOF AMSTERDAM 3/6/1977, NJ 1978, 601

Wetboek van Strafrecht, art. 180

Wetboek van Strafvordering, artt. 27, 52, 56 en 338

 

Casus:

Een persoon wordt in Amsterdam staande gehouden (art. 52 Sv) en gefouil­leerd (art. 56 Sv) door twee opsporingsambtenaren (een poli­tieagent en een marechaussee). Hij wordt door hun verdacht van het bezit van drugs.

 

De reden voor die verdenking was (verkla­ring politieagent) dat hij een kleurling was en tussen drie en vier uur `s nachts hard liep uit de richting van een café (Cari­bean Night­s) dat bij de politie bekend stond als een verzamel­plaats van hande­laren en gebrui­kers van drugs. Men vond geen drugs.

 

Bij het fouil­leren hield 'ver­dachte' zijn linkerhand in zijn jaszak, ondanks verzoeken om zijn hand uit zijn jaszak te halen. Dit laatste was voor de beide opspo­ringsambtena­ren zo verdacht dat men overging tot aanhouding en overbren­ging door middel van vastpakken van 'verdachte' naar het politie­bureau. Daartegen heeft 'verdach­te' zich met geweld verzet. Tijdens de schermut­seling die hierop volgde, haalde hij zijn hand uit de jaszak en liet daaruit een wikkel met heroïne vallen (bewijsmiddel). Verdach­te wordt tenlas­tegelegd: weder­spannig­heid bij arrestatie (art. 180 Sr) en bezit van heroïne/ diace­tylmorfine (Opiumwet).

 

Rechtsvragen:

(1) Wanneer bestaat er een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit (art. 27 Sv)?

(2) Hoe zit het bij afwezigheid van dit redelijk vermoeden met bewijsmiddelen en verzet door 'verdachte' tegen de arrestatie?

 

Hof Amsterdam:

(1) Het op bovengenoemde tijd en plaats een kleurling hard zien lopen, komende uit de richting van een de politie bekende verzamelplaats van handelaren en gebruikers van verdovende middelen levert noch een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit op noch ernstige bezwaren nodig voor fouillering. Dit wordt niet anders doordat 'verdachte' zijn linkerhand in zijn linker jaszak bleef houden en de opspo­ringsambtenaren hierin aanleiding zagen hem vervolgens aan te houden en vast te pakken.

 

(2) Rechtsgevolg is dat de opsporingsambtenaren niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren en dat het gewelddadige verzet tegen de arrestatie dus geen schending van art. 180 Sr was; de 'rechtmatige uitoefening ..' is immers een bestanddeel van dit delict. Een ander rechtsgevolg is dat het staande houden en het fouilleren gebeurde in strijd met de wet. De aanhouding en de schermutseling waarbij het bewijsmid­del (de heroïne die uit de hand viel) werd verkregen, was daarvan het resultaat. Daarom is dit bewijsmiddel niet op rechtmati­ge wijze verkregen. Andere bewijsmiddelen ontbreken (art. 338 Sv).

Volgt vrijspraak van beide tenlasteleggingen.

 

Zeeuwse Motorrijder HR 25/6/1996, NJ 1996, 714

Cassatie in het belang der wet.

 

Casus:

Een motorrijder reed binnen de bebouwde kom van Middelburg ver over de 100 km per uur, vloog uit de bocht en veroorzaakte daardoor een ernstig verkeersongeval als gevolg waarvan het dochtertje van klagers is overleden. De OvJ van het arrondissement Middelburg heeft de motorrijder niet vervolgd ter zake van doodslag (art. 287 Sr) maar ter zake van het (lichtere) misdrijf van art. 36 WVW subsidiair verkeersovertredingen.

Klagers gingen in beroep bij het Hof o.g.v. art. 12 lid 1 Sv; te weten dat een strafbaar feit niet wordt vervolgd of de vervolging niet wordt voortgezet (beroep is dan mogelijk bij het Hof).

 

Het Hof achtte het beroep niet-ontvankelijk omdat het OM de vervolging niet gestaakt heeft.

 

Tegen de beschikking staat ingevolge art.445 Sv geen gewoon beroep in cassatie open. Alleen cassatie in het belang der wet is mogelijk.

 

Hoge Raad:

Art.12 Sv strekt derhalve ertoe om aan degene die in zijn belangen rechtstreeks is getroffen, de mogelijkheid te bieden om een bepaalde vervolgingsbeslissing van het OM aan rechterlijke controle te onderwerpen.

 

Daarbij is het niet voldoende dat het Hof zich ertoe beperkt te onderzoeken of het OM voornemens is een vervolging in te stellen of te doen voortduren terzake van de uit het opsporingsonderzoek blijkende feiten, ongeacht ter zake van welke strafbaarstelling dat het geval is.

 

Veeleer moet worden aangenomen dat het mede tot de taak van het hof behoort, te beoordelen ter zake van welke wettelijke strafbaarstelling de vervolging had moeten worden ingesteld.

 

Aangezien de beslissing tot vervolging ”die aanvankelijk door de OvJ genomen had moeten worden ”uiteraard betrekking zou hebben gehad op bepaalde wettelijke strafbaarstellingen, dient de beoogde “volle beleidstoetsing” door het hof zich ook daartoe uit te strekken.

 

Spontane Bekentenis 2, HR 9/11/1999, NJ 2000, 40

Casus:

Op 14 februari zagen twee politieagenten een verdachte auto rijden in de buurt van

Etten-Leur. De bestuurder van de auto droeg geen autogordel waarop de agenten besloten hem daarop attent te maken. De agenten gaven de bestuurder aanwijzingen om hen te volgen.

Ondertussen hoorden de agenten dat de bestuurder ook niet verzekerd was tegen wettelijke aansprakelijkheid. Op een gegeven moment reed de auto met hoge snelheid weg waarop de agenten besloten om hem te achtervolgen. Zij waren van mening dat hij dit deed om controle te voorkomen. Na verloop van tijd kon de bestuurder worden ingerekend. Vervolgens vroeg een van de politieagenten waarom hij wegreed ondanks hun aanwijzingen. Hij bekende dat hij twee kilo speed in zijn achterbak had. Vervolgens is een van de agenten op onderzoek uitgegaan en vond de desbetreffende drugs.

 

Rechtsvraag:

Valt een spontane mededeling aan te merken als wettig bewijsmiddel?

 

Hof:

Het hof veroordeelde de dader tot 30 maanden gevangenisstraf voor het wegrijden en het bezit van de drugs. Zij waren van mening dat de spontane bekentenis onder geen enkele druk is afgelegd en achtten het geweld dat de politieagenten gebruikten als hoogstnodig om de bestuurder onder bedwang te houden nadat hij al had geprobeerd te vluchtten. Zij vonden de gehele gang van zaken omtrent de bestuurder rechtmatig.

 

Hoge Raad:

De Hoge Raad is van mening dat het Hof ten onrechte de gevonden drugs als wettig bewijsmiddel heeft aanvaard. Dit omdat er op het moment van aanhouding geen enkele sprake was van verhoor zoals beschreven in art. 29 Sv. Dit houdt in dat de politieagenten op dat moment helemaal niet bevoegd waren om naar de drugs te zoeken en zeker niet om ze later als bewijsmiddel te gebruiken in de rechtszaal.

 

 

 

 

HR 19 juni 1911, W 1911, 9203 DE HOORNSE TAART

 

In 1910 wil een man zich wreken op een in Hoorn woonachtige marktmeester. Hij stuurt vanuit Amsterdam een taart naar diens adres die hij vergiftigd heeft met rattenkruit. Hij stelt zich onderweg in de trein voor hoe het met de taart zal aflopen en wie er van zal eten. Het is de vrouw van de marktmeester die van de taart eet en als gevolg daarvan overlijdt.

 

De man wordt vervolgd wegens poging tot moord op de marktmeester en een geslaagde moord op diens vrouw. Hij verdedigt zich door te stellen dat hij de dood van de vrouw niet beoogd heeft maar alleen de dood van de marktmeester. De dood van de vrouw moet volgens hem gezien worden als een tragisch ongeval.

Het Hof vindt dat de man serieus rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat ook mevrouw van de taart zou eten en dat hij niets heeft gedaan om dat te voorkomen.

 

Van schuld is sprake als iemand een verwijt kan worden gemaakt van een bepaalde strafbaar gestelde handeling. Die handeling kan opzettelijk zijn verricht, maar iemand kan ook onvoorzichtig zijn geweest.

Schuld komt in het strafrecht in twee betekenissen voor:

enerzijds als er verwijtbaarheid in het algemeen bedoeld wordt, anderzijds m.b.t. de mate van verwijtbaarheid waarbij opzet de zwaardere vorm is en schuld de lichtere.

Als iemand niet de pertinente bedoeling had een strafbaar feit te plegen maar de kans dat dit zou gebeuren op de koop heeft toegenomen, en het strafbare gevolg treedt inderdaad in, dan spreken we van voorwaardelijk opzet. Een voorbeeld hiervan is de Hoornse taart.

 

Voorwaardelijk opzet is net een stapje ernstiger dan bewuste schuld. Van bewuste schuld is sprake als de dader zich wel realiseert dat het kwalijke gevolg kan intreden, maar in dat intreden niet gelooft. Zou hij zeker hebben geweten dat het gevolg zal intreden dan zou hij de handeling hebben nagelaten.

 

In het Cicero-arrest formuleert de HR voorwaardelijk opzet als: 'het zich willens en wetens blootstellen aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans (...).'

 

Toen een automobilist op een agent inreed die een stopteken gaf en nog net opzij kon springen, nam de HR voor de poging tot doodslag vereiste opzet aan via de weg van het voorwaardelijk opzet.

 

Degene die een dronken jongeman, vrijwel geheel ontkleed achterliet in de vrieskou, na hem eerst een paar klappen te hebben gegeven, werd veroordeeld wegens doodslag toen deze jongeman de volgende dag dood werd aangetroffen. Ook hier werd voorwaardelijk opzet aangenomen.

 

In het geval een fotograaf stiekem van iemand een foto maakte in het huis van een ander, terwijl deze foto voor de gefotografeerde belastend was en door publicatie schade ondervond, achtte de HR dit een bewuste onverschilligheid ten aanzien van een benadeling van de gefotografeerde en stelde dat gelijk aan voorwaardelijk opzet.

Het excuus dat je niet willens en wetens kon handelen omdat je dronken was of te zeer onder invloed van drugs verkeerde, gaat niet op. Er is dan sprake van culpa in causa.

 

De mevrouw die haar dienstbode een steelpan met water over het hoofd wil gieten, doch haar met de pan in het gezicht treft, waardoor zij een wond en een blauw oog oploopt, heeft volgens de HR echter geen opzet tot mishandeling. Alleen de eenvoudige mogelijkheid, zonder dat gevolg op de koop toe te willen nemen is nog geen voorwaardelijk opzet.

 

HR 23 mei 1921, NJ 1921, 564 ELEKTRICITEIT

 

HR 23-5-1921 NJ 1921, 564. Diefstal van electriciteit (elektrische energie): art. 310 Sr.

 

Casus

Beklaagde is in eerste aanleg door de rechtbank schuldig bevonden aan diefstal. Deze uitspraak is in hoger beroep door het Hof bevestigd.

Na elke controlebeurt bracht de beklaagde met een pen de elektrische controlemeter tot stilstand. Hij verbruikte evenwel electriciteit voor elektrische lampen en de elektrische apparatuur, die hij gebruikt in zijn beroep als tandarts.

 

Rechtsvraag

Kan het gebruiken van elektrische energie als het wegnemen van enig goed in de zin van art. 310 Sr beschouwd worden?

 

Hoge Raad

De Hoge Raad houdt het vonnis in stand.

Haar rechtsoverwegingen zijn de volgende:

l Elektrische energie heeft een zeker zelfstandig bestaan.

l Elektrische energie kan door menselijk toedoen op een andere lichamelijke zaak, dan hetgeen waarop zij zit, overgebracht worden en zelfs geaccumuleerd worden.

l Elektrische energie kan door toedoen van de mens opgewekt worden en ter beschikking blijven van degene die haar opwekte.

l Elektrische energie vertegenwoordigt een zekere waarde.

l Art. 310 Sr duidt niet aan wat onder 'enig goed' verstaan moet worden.

 

Het artikel heeft ten doel het vermogen te beschermen. Op grond van bovengenoemde eigenschappen moet art. 310 Sr ook op elektrische energie van toepassing worden geacht. Elektrische energie is immers een vermogensobject. Elektrische energie is dus enig goed in de zin van art. 310 Sr.

 

Noot

Diefstal van elektrische energie is dus mogelijk. Daarmee moet tegelijkertijd gezegd worden, dat elektrische energie een goed is dat weggenomen kan worden, met het oogmerk zich dat goed wederrechtelijk toe te eigenen. Dat dit gezegd moet worden is jammer, maar het kon nu eenmaal niet anders.

Waar het om gaat, is dat de Hoge Raad diefstal die handeling noemt, die ethisch, sociaal en economisch het karakter van diefstal draagt. Een handeling dus, die evengoed als het wegnemen van een goed van een ander met het oogmerk zich dat goed wederrechtelijk toe te eigenen, in strijd is met de norm 'gij zult niet stelen', al beantwoordt die handeling niet geheel aan de omschrijving die in de wet staat van diefstal.

HR 19 maart 1934, NJ 1934, p. 450 - Eindhovense brandstichting

 

Casus:

H. en G. zouden in Eindhoven op 4 juni 1933 brand stichten in een woning. Het echtpaar, dat het huis bewoonde, was die dag naar Den Haag gegaan. H. en 0. troffen alle voorbereidingen, zodat er `s avonds alleen nog maar aan het touwtje moest worden getrokken dat in verbinding stond met de trekker van een gaspistool die het vuur zou ontsteken. Echter de buren en de nachtwaker roken de benzine en waarschuwden de politie.

 

Aan H. werd ten laste gelegd: poging tot brandstichting (art. 45 lid 1 jo art. 157 Sr) en aan O. medeplichtigheid aan poging tot brandstichting (art. 48 jis artt. 45 lid 1 en 157 Sr).

Van belang is het derde cassatiemiddel. Een van de bestanddelen van de strafbare poging is begin van uitvoering. H. en O. stelden dat er in casu slechts sprake was van voorbereidingshandelingen en niet van uitvoeringshandelingen.

 

Hoge Raad

overwoog dat voor de strafbare poging tot brandstichting is vereist dat daarmee een begin van uitvoering is gemaakt. Doorslaggevend voor `begin van uitvoering' is dat het gaat om een gedraging welke naar ervaringsregels zonder enig nader ingrijpen van de dader tot brandstichting leidt. In casu voldoen de bewezenverklaarde handelingen niet aan het vereiste van de strafbare uitvoeringshandeling!

 

De HR huldigde in dit arrest de (extreme) objectieve (pogings)leer. Onder de gegeven omstandigheden vielen alle handelingen tot het trekken aan het touwtje onder voorbereidingshandelingen.

 

De cruciale overweging: kolom 13 r. 15 v.o. t/m kolom 14 r. 11 v.b.

`0. immers... ...aanvang was gemaakt;'

Noot:

Taverne belicht de gevolgen van de subjectieve en de objectieve pogingsleer. Hij legt nadruk op relativering van beide leren. Belangrijk is de opmerking van Taverne, dat het thans gewezen arrest zijns inziens een zuiver juridische beslissing is.

Image

Access: 
Public

Image

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Check: more related and most recent topics and summaries

Image

Share: this page!
Follow: Vintage Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
2215 1
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector