MC Vraag 1
Het college van burgemeester en wethouders van Groningen besluit tot het opheffen van een aantal parkeerplaatsen in de binnenstad. Een gemeenteraadslid voelt de burgemeester hierover aan de tand, omdat hij vermoedt dat de burgemeester zich eigenlijk niet kan vinden in het besluit. Kan de burgemeester voor het genomen besluit ter verantwoording worden geroepen?
- Ja, op grond van art. 169 Gemeentewet;
- Ja, op grond van art. 180 Gemeentewet;
- Nee, het college heeft immers het besluit genomen en niet de burgemeester
MC Vraag 2
Stelling: in het Harmonisatiewetarrest heeft de Hoge Raad de mogelijkheid aanvaard wetten in formele zin te toetsen aan het Statuut. Deze stelling is:
- juist;
- onjuist.
MC Vraag 3
Wat is juist met betrekking tot de commissaris van de Koning? De commissaris van de Koning:
- bepaalt of een lid van provinciale staten van deelname aan de stemming wordt uitgesloten indien het lid een eigen belang heeft bij de angelegendheid waarop de stemming betrekking heeft;
- mag deelnemen aan vergaderingen van gedeputeerde staten, maar mag niet meestemmen;
- kan niet door provinciale staten of gedeputeerde staten worden ontslagen.
MC Vraag 4
De BNC-fichesprocedure is:
- een nationale voorziening om vroegtijdige betrokkenheid van de Staten-Generaal bij de Europese besluitvorming te faciliteren;
- een verdragsrechtelijke voorziening om vroegtijdige betrokkenheid van de Staten-Generaal bij de Europese besluitvorming te faciliteren;
- een nationale voorziening om vroegtijdige betrokkenheid van de regering bij de Europese besluitvorming te faciliteren;
- een verdragsrechtelijke voorziening om vroegtijdige betrokkenheid van de regering bij de Europese besluitvorming te faciliteren.
MC Vraag 5
Tijdens de kabinetsformatie treedt gewoonlijk een informateur op. Deze wordt benoemd door:
- de Koning;
- de regering;
- de Tweede Kamer;
- de demissionaire minister-president.
MC Vraag 6
In welk Grondwetsartikel is een klassiek grondrecht vastgelegd?
- Art. 21 Gw;
- Art. 13 lid 1 Gw;
- Art. 2 lid 1 Gw;
- Art. 18 lid 2 Gw.
MC Vraag 7
Stel, partij A heeft bij de Tweede-Kamerverkiezingen 3 zetels veroverd. Is de kandidaat die op plaats nummer 3 op de lijst staat daarmee verzekerd van een zetel?
- Ja;
- Nee.
MC Vraag 8
Kan naar geldend recht een gemeenteraad bij verordening bepalen dat het verboden is op openbare plaatsen in de gemeente te vloeken?
- Ja, omdat het verbod is beperkt tot openbare plaatsen zakt het verbod niet door de 'ondergrens';
- Ja, mits in de verordening ook wordt uitgewerkt wat onder 'vloeken' wordt verstaan: het moet duidelijk en voorzienbaar zijn wat daaronder wordt verstaan;
- Nee, deze beperking van de vrijheid van meningsuiting als beschermd in de Grondwet vergt regeling in een wet om formele zin;
- Ja, tenzij het verbod met een punitieve sanctie wordt gehandhaafd, gelet op het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel
MC Vraag 9
Wat is geen kenmerk van een staat?
- Er is een gemeenschap van mensen;
- Er is een organisatie die effectief gezag uitoefent;
- Er is een mogelijkheid van toepassing van dwang ter handhaving van de gemeenschapsnormen;
- Er is een organisatie die beoogt burgers te beschermen tegen een tirannieke meerderheid.
MC Vraag 10
Stelling: voor een geldig koninklijk besluit is altijd een contraseign vereist. Deze stelling is:
- juist;
- onjuist.
MC Vraag 11
Tussen 1848 en 1917 kende Nederland voor de Tweede Kamer als kiesstelsel:
- het stelsel van evenredige vertegenwoordiging;
- het absolute meerderheidsstelsel;
- het relatieve meerderheidsstelsel.
MC Vraag 12
Voor het houden van interpellatie in de Tweede Kamer:
- is geen verlof nodig;
- moeten ten minste 30 leden het verzoek tot het houden van een interpellatie steunen;
- moet ten minste een meerderheid van de aanwezige leden het verzoek tot het houden van een interpellatie steunen;
- moeten ten minste 76 leden het verzoek tot het houden van een interpellatie steunen.
MC Vraag 13
Stelling: een Europese richtlijn die niet correct is geïmplementeerd en die geen rechtstreekse werking heeft, moet door de nationale rechter bij de uitleg van nationaal recht buiten beschouwing worden gelaten. Deze stelling is:
- juist;
- onjuist.
MC Vraag 14
De grondwettelijke waarborgen voor de onafhankelijkheid van rechters hebben in eerste instantie betrekking op de relatie tussen rechters en:
- de wetgever;
- het bestuur;
- de Raad voor de rechtspraak;
- de bij een geschil betrokken partijen.
MC Vraag 15
Ministers zonder portefeuille maken deel uit van:
- de regering, de ministerraad en de Staten-Generaal;
- de regering en de ministerraad, maar niet van de Staten-Generaal;
- de regering, maar niet van de ministerraad en de Staten-Generaal;
- noch de regering, noch de ministerraad, noch de Staten-Generaal
MC Vraag 1
A
MC Vraag 2
C
MC Vraag 3
C
MC Vraag 4
D
MC Vraag 5
C
MC Vraag 6
B
MC Vraag 7
B
MC Vraag 8
C
MC Vraag 9
D
MC Vraag 10
A
MC Vraag 11
B
MC Vraag 12
B
MC Vraag 13
B
MC Vraag 14
D
MC Vraag 15
B