Samenvatting Artikelen Inleiding Sociologie



Week 1

Ultee, Arts en Flap – Spelregels voor sociologen

Sociologie: een probleemgerichte discipline

De filosoof Staal geeft een kenschets van een volwassen sociologie. Het is volgens hem een probleemgerichte discipline die tegelijkertijd nastreeft theoretisch en empirisch te zijn. Met theoretisch doelt hij op gebeurtenissen die door algemene beginselen worden verklaard en voorspeld. Met empirisch doelt hij op de verhouding van deze beginselen tot de werkelijkheid, wat leidt tot het aanvaarden of verwerpen van de theorie. Een sociologische vraag kan worden opgeworpen en daarna wordt een sociologische theorie geformuleerd en sociologisch onderzoek te doen: de sociologie is probleemgericht.

 

De sociologie lijkt op een spel met drie grondregels: een probleem moet worden gesteld (p), de theorieën worden uitgedacht (t) en onderzoek wordt verricht (o). Tijdens het onderzoek komen vaak nieuwe problemen naar boven, en zo lijkt het op het volgende figuur: P1  T1  O1  P2  T2  O2  tot in het oneindige. Er is geen vast begin en geen vast einde.

 

De drie hoofdvragen van de sociologie

De eenheid in de verscheidenheid van problemen kan worden aangegeven door middel van drie hoofdvragen: het ongelijkheids-, cohesie- en rationaliseringsprobleem.

Ongelijkheidsprobleem: deze vraag gaat over de ongelijkheden die zich kunnen voordoen tussen leden van de samenleving. Dit probleem kan ook worden aangemerkt als de stratificatieproblematiek, omdat in sommige samenlevingen meer lagen zitten dan andere en de afstanden tussen de lagen ook meer kunnen verschillen. Ongelijkheid omvat meer dan gelaagdheid, daarom is het een betere term.

Cohesieprobleem: deze vraag betreft de mate van samenhang die samenlevingen vertonen. Leden van een samenleving kunnen een hechte eenheid vormen, maar dit is niet altijd het geval. Uit geweld blijkt dat er niet een hechte eenheid wordt gevormd, en daarom wordt deze vraag ook wel het ordeprobleem genoemd. Cohesie is algemener dan orde, daarom is het een betere term.

Rationaliseringsprobleem: deze vraag ziet op de mate waarin zich binnen samenlevingen rationaliseringsprocessen voltrekken. Ook wordt dit probleem wel omschreven als het vraagstuk van de sociale verandering. Hiermee wordt gedoeld op de ontwikkeling van techniek en wetenschap in een samenleving. Het rationaliseringsprobleem kan ook wel omschreven worden als veranderingsprobleem. Deze zegt echter niet zo veel als het rationaliseringsprobleem, omdat het niet aangeeft in welk opzicht samenlevingen veranderen.

 

Deze drie vragen heten de klassieke vragen, de sociologen van tegenwoordig vinden ze nog zo belangrijk dat ze de onderzoeksagenda nog steeds bepalen.

 

Stellen van problemen

Eerder werd betoogd dat de vragen die sociologen opwerpen, worden beantwoord met behulp van theorieën. Dit betekent hier hetzelfde als het verklaren van sociale verschijnselen. Wanneer het ongelijkheidsprobleem (of de andere problemen) wordt opgeworpen, volgen de volgende vragen: een beschrijvingsvraag, een trendvraag en een vergelijkingsvraag. Als deze zijn beantwoord komt er een verklaringsvraag. Dit antwoord leidt vaak tot een toetsingsvraag. Vragen kunnen vaag zijn. Een vraag kan onaf zijn.

Het rationaliseringsprobleem kan ook wel omschreven worden als veranderingsprobleem. Deze zegt echter niet zo veel als het rationaliseringsprobleem, omdat het niet aangeeft in welk opzicht samenlevingen veranderen.

 

Formuleren van theorieën

Zoals hierboven in het figuur beschreven, leidt een theorie tot een antwoord op een verklaringsvraag. Als theorie wordt gezien een gedachteconstructie waarmee wordt geprobeerd verschijnselen te verklaren. Als verklaring wordt gezien de afleiding van bijzondere uitspraken die een bepaald verschijnsel beschrijven (explanandum) uit enkele andere uitspraken (explanans). De structuur hiervan kan als volgt in een figuur worden weergegeven:

 

W1, W2, W3, … , Wn = explanans

C1, C2, C3, … , Cn

---------------------------

E = explanandum

 

E ziet altijd op een bepaald verschijnsel/empirische regelmaat. Deze wordt waargenomen of vastgesteld. Het explanans kent twee soorten uitspraken (W en C). De wetmatigheden (W) bevat strikt algemene uitspraken. De specifieke omstandigheden of condities (O) bevat bijzondere uitspraken. Een onderzoeker past de wetmatigheid toe op het verschijnsel/regelmaat uit het explanandum en de bijkomende veronderstellingen (C) geven aan dat ze van toepassing zijn. Lees het figuur als volgt: Wanneer omstandigheden C zich voordoen, kan volgens de wetmatigheden W niet uitblijven dat E zich voordoet.

 

Men spreekt van wetten als algemene uitspraken in de loop van jaren bij voortduring door ervaringsgegevens zijn bekrachtigd. Men spreekt van hypothesen als die niet gebeurt. Hypothesen vormen een deductief systeem. De hypothesen van hogere orde (meer abstract) worden soms beginselen genoemd, de ondersten worden stellingen genoemd.

 

Verrichten van onderzoek

Omdat sociologische theorieën en verklaringen verzinsels zijn, moeten ze met de sociale werkelijkheid worden geconfronteerd: het sociologisch onderzoek. Uit dit onderzoek kan naar voren komen dat voorspellingen met de onderzoeksbevindingen overeenstemmen, dan spreekt men van bekrachtiging. Ze kunnen er ook (gedeeltelijk) mee in tegenspraak zijn, dan spreekt men van weerlegging of falsifiëring. Volgens het ideaal wordt een theorie getoetst door een zo drastisch mogelijke poging tot falsifiëring. Als de theorie dan bestand is tegen weerlegging, dan wordt de theorie voorlopig als bekrachtigd beschouwd. Theorie en onderzoek staan niet los van elkaar. De theorieën geven richting aan het onderzoek, omdat zij toetsingsvragen oproepen. Onderzoeken geven richting aan het ontwikkelen van een theorie, omdat zij door het beantwoorden van vragen nieuwe verklaringsvragen opwerpen.

 

Verzamelen van gegevens

De beschrijving van situaties en toetsing van hypothesen komt van gegevens uit meerdere bronnen. Vaak verzamelt een socioloog de gegevens niet zelf, maar haalt uit het uit de voorraden die door anderen zijn aangelegd. Het staat in boeken, tijdschriften en internetpagina’s en is dus voor iedereen vrij toegankelijk. De gegevens uit dit boek zijn ontleend aan het Centraal Bureau voor de Statistiek. Wanneer er gegevens over andere landen dan Nederland worden genoemd, komen ze vaak uit publicaties van internationale instellingen, zoals bijvoorbeeld de Wereldgezondheidsorganisatie. Door deze gegevens kan Nederland worden vergeleken met andere landen.

 

Sociale en sociologische problemen

Sociale en sociologische problemen zijn niet hetzelfde. Kenmerken van de samenleving zoals ongelijkheid, cohesie en rationalisering zijn hoofdvragen van de sociologie. Sociale problemen kunnen ontstaan als algemeen gedeelde doeleinden niet worden bereikt en mensen dat als problematisch ervaren. Het is dus wat anders, maar er kunnen wel drie bruggen worden geslagen tussen deze problemen. Allereerst kunnen sociale problemen de aanleiding vormen voor sociologische vragen. Ten tweede kunnen antwoorden op sociologische vragen in de beschouwing worden betrokken. Ten derde kunnen politici en beleidsvoerders als theoretici worden beschouwd.

 

Week 2

Jaspers, Lubbers en De Graaf – ‘Horrors of Holland’: explaining attitude change towards euthanasia and homosexuals in The Netherlands, 1970-1998

 

Abstract

De titel komt van de Amerikaanse columnist en filosoof John Mark Reynolds, hij zei: ‘Men cannot live with the horrors of Holland’. Hij verwijst hierbij naar de Nederlandse regelgeving over euthanasie. Hij is niet de enige die dit denkt, en de euthanasie is niet het enige controversiële onderwerp. Nederland was in 2001 het eerste land in de wereld waar het homohuwelijk werd gelegaliseerd. Deze liberalisatie van de wet leidt vaak tot kritiek vanuit het Vaticaan en conservatieve Westerlingen. Dit artikel onderzoekt de verandering in de Nederlandse publieke opinie tegenover deze twee onderwerpen.

 

Achtergrond van de twee onderwerpen

Euthanasie

Na de Tweede Wereldoorlog werd euthanasie al een onderwerp van debat. Rond die tijd keek men nog negatief naar euthanasie. Tussen 1970 en 1984 werd de discussie intensiever. Een staatscommissie moest de voor- en nadelen van euthanasie onderzoeken. In 1985 stelde de staatscommissie voor om de wetgeving te wijzigen: gezondheidsprofessionals mogen niet worden vervolgd als zij assisteren in een vrijwillige euthanasie bij een terminaal ziek persoon die ondraaglijk lijdt. De wetswijziging kwam echter pas in 2002. Sinds de jaren negentig is er ongeveer een stabiele groep van 10% die euthanasie tegenwerken.

 

Homoseksuele levensstijlen

Sinds 1811 zijn kerk en staat gescheiden in Nederland. Homoseksuelen leidden een geheim bestaan, vaak vanuit een heteroseksueel huwelijk. In 1946 werd de WCOSC opgericht (voormalig COC). Eerst leidde de club een verborgen bestaan, maar vanaf de jaren zestig begon de club openbaar de integratie van homoseksuelen in de gemeenschap te promoten. In 1973 ontving de COC een koninklijke onderscheiding. In de dertig jaren na 1971 emancipeerden homoseksuelen geleidelijk. In 1997 konden paren van het gelijke geslacht een geregistreerd partnerschap aangaan en in 2001 konden ze huwen en adopteren. Toch ervaren homoseksuelen nog steeds individuele discriminatie, vooral door strikte protestanten en moslims.

 

Theoretische overwegingen

Cohort en samenstelling

Cohortvervanging is vaak een verklaring tegenover de meer culturele progressiviteit in de Westerse wereld. Het scholingslevel is een belangrijke voorspeller voor liberaal sociaal culturele houdingen. Als relatief meer hoog opgeleide mensen een samenleving maken als gevolg van een cohort vervanging, zal de sociaal culturele houding geassocieerd met een hogere opleiding vaker op macroniveau zijn. Maar cohortvervanging is niet de enige verklaring voor veranderingen in sociaal culturele houdingen. Een gemeenschap verandert niet snel, dit is een lang proces.

 

Historische omstandigheden

In de theorieën over de publieke opinie wordt aangenomen dat de elite (politici etc.) invloed heeft op de houding van individuelen. Het is een geaccepteerd idee dat de elite bepaalt wat en hoe de samenleving denkt.

 

Verwachting: tijd is belangrijk

Tijd is belangrijk: veranderende samenstelling

Er is overvloedig empirisch bewijs dat individuele kenmerken de houding van mensen tegenover bepaalde onderwerpen beïnvloeden, zoals bijvoorbeeld euthanasie en homoseksualiteit. Religie en scholing waren erg belangrijk voor de houding, in negatieve zin werd de houding erdoor beïnvloed.

 

Tijd is belangrijk: specifieke omstandigheden voor specifieke houdingen

Een punt voor discussie is of de houding niet alleen wordt beïnvloed door religie, maar ook door de overheid. Mensen worden beïnvloed als ze een leider zien, bijvoorbeeld op televisie.

 

De medische kennis wordt steeds meer, mensen leven langer en een kwalitatief beter leven. De vraag naar euthanasie kan toenemen, omdat mensen kunnen worden geconfronteerd met een lange lijdensweg. Mensen prefereren een snelle, pijnloze dood.

 

Specifieke omstandigheden kunnen ook een veranderende houding als gevolg hebben. Zoals gezegd werd de COC in de jaren 60 opgericht. Hoe meer leden de COC kreeg over de jaren, hoe meer hun invloed werd op de publieke opinie tegenover homoseksuelen. In de jaren tachtig beïnvloedde aids specifiek de homoseksuele gemeenschap. Dit kan ook hebben geleid tot een meer negatieve houding tegenover homoseksuelen.

 

Tijd is belangrijk: veranderingen van individueel niveau na verloop van tijd

Met de focus op de twee belangrijkste voorspellers voor de houding tegenover euthanasie en homoseksualiteit, educatie en religie, verwacht men veranderde effecten na verloop van tijd. Alle kinderen hebben tegenwoordig een zekere basisopleiding, tenminste tot ze zestien jaar oud zijn. Daarom verschilt een laagopgeleid persoon tegenwoordig meer van een hoogopgeleid persoon. Hetzelfde kan men zeggen over religie: het is een meer selectieve groep geworden, de groep van religieuze personen is daardoor “meer religieus” dan vroeger.

 

Data

De data die in dit artikel is gebruikt komt van “Culturele verschillen in Nederland”, geschreven door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Het zou representatief voor de Nederlandse populatie moeten zijn en er zijn gemiddeld 2.000 respondenten ondervraagd.

Individuele level data

Educatie is gemeten aan de hoogst afgeronde opleiding in zeven categorieën. Er was een categorie “dagelijkse activiteiten” voor werkende mensen en andere categorieën waren bijvoorbeeld huishouding of studeren. Ook werd aan respondenten gevraagd of ze religieus zijn opgevoed en hoe vaak ze naar de kerk gingen.

Nationale level data

Voor de cijfers en analyses voor de houding tegenover euthanasie en homoseksualiteit hebben ze cijfers van het CBS gebruikt.

 

Resultaten

Om antwoord te geven op de vraag naar de veranderende houding, hebben de onderzoekers drie modellen gemaakt.

De houding tegenover euthanasie

In het eerste model zijn geboortejaar en jaar van onderzoek gevoegd. De onderzoekers hebben gezien dat de negatieve houding tegenover euthanasie steeds meer is afgenomen. Jongere respondenten stonden positiever tegenover euthanasie dan oudere respondenten. In het tweede model worden individuele kenmerken, zoals opleiding, erbij gevoegd. Hoger opgeleide mensen zijn minder vaak tegen euthanasie. In het derde model hebben ze de relevante omstandigheden uit een bepaalde periode erbij gevoegd. De groei van thuisverzorging leidt tot een iets minder negatieve houding tegenover euthanasie.

De houding tegenover homoseksuelen

In het eerste model zijn geboortejaar en jaar van onderzoek gevoegd. De tegenstand tegenover homoseksualiteit is afgenomen in de loop van de jaren en generaties. In het tweede model worden individuele kenmerken erbij gevoegd. Religie heeft minder invloed op een dalende negatieve houding dan bij euthanasie, educatie echter meer. In het derde model hebben ze de relevante omstandigheden uit een bepaalde periode erbij gevoegd. Verschillende overheden hadden geen effect op de houding tegenover homoseksuelen. Wat wel verschilt uit heeft gemaakt, is het aantal leden van de COC. Hoe meer leden er bij de COC waren, hoe minder mensen tegen homoseksualiteit waren.

Effecten van educatie en religie door de jaren heen

Zoals gezegd, werden in model drie de religie en educatie betrokken voor euthanasie en homoseksualiteit. Met betrekking tot het verzet tegen euthanasie lijkt het erop dat de positieve invloed van religie is toegenomen in de loop van de jaren, hetzelfde geldt voor homoseksualiteit.

 

Conclusie

Nederland was gedurende de jaren negentig een place of horror. De tolerante wetgeving kwam in de jaren negentig, maar de publieke opinie accepteerde euthanasie en een homoseksuele levensstijl al in de jaren ervoor.

 

Week 3

Te Grotenhuis, De Hoon & Thijs – De invloed van inkomensongelijkheid en rationalisering op kerkverlating in Nederland tussen 1975 en 1995.

Inleiding

Het aantal kerkleden daalt in ons land sinds het begin van de vorige eeuw. Uit een volkstelling van 1899 kwam naar voren dat 98% van de bevolking lid van de kerk was. In 1920 is dit cijfer al gedaald naar 92% en in 1947 daalde het verder naar 83%. Aan het eind van de vorige eeuw was nog maar 35% lid. Er ontstond een discussie waarom de ontkerkelijking plaatsvindt. Om het effect van rationalisering (proces waarin de rede een grotere invloed krijgt in de samenleving) na te gaan, onderzoeken Ruiter en Van Tubergen de invloed van educatie op kerkgang op individueel- en landniveau. Beide effecten zijn zwak. Ook toetsen ze het op de invloed van inkomensongelijkheid en rationalisering door op één tijdstip individuen uit verschillende landen met elkaar te vergelijken. Dit wordt op provinciaal niveau gedaan, omdat de provincies met betrekking tot de ontkerkelijking verschillen. De onderzoeksvraag van de auteurs van dit artikel luidt: in hoeverre is de kerkverlating die plaatsvond in Nederlandse provincies tussen 1975 en 1995 te verklaren door afnemende inkomensongelijkheid en stijgende rationalisering?

 

Theorieën en hypothesen

Er zijn vier theorieën populair ter verklaring van de kerkverlating: rationalisering, sociale integratie, economische zekerheid en marktwerking.

Rationalisering

De beschrijving van Max Weber is met deze theorie verbonden. Hij stelde dat de toenemende rationalisering heeft geleid tot de onttovering van de wereld. Door rationalisering worden oude ideologieën vervangen door ideologieën waarin goden en mensen een meer activistische rol spelen. Door de ontwikkeling van technologie, onderwijs en wetenschap is er een seculier activistisch wereldbeeld ontstaan. Deze ondermijnt de cognitieve basis van religie erg sterk. De auteurs stellen een hypothese, naar aanleiding van de aanname dat mensen met meer onderwijs een meer seculier wereldbeeld hebben en de kans op kerkverlating neemt dan toe. Hypothese 1: hoe hoger het opleidingsniveau van een individu, des te groter is de kans om de kerk te verlaten.

Sociale integratietheorie

De cohesie- of sociale integratietheorie is een tweede verklaring voor het dalende aantal kerkleden. Wanneer mensen sterk zijn geïntegreerd in een religieuze gemeenschap, zullen zij streng de normen van deze groep naleven. Religie wordt gezien als een sociaal fenomeen, een individu wordt gecontroleerd door zijn omgeving. Er heeft een afname van sociale integratie plaatsgevonden, dus de leden zijn de normen minder streng gaan naleven. Sociale relaties en de sociale controle in kleine gemeentes zijn sterker dan in de grote steden. Hypothese 2: hoe hoger de urbanisatiegraad van de gemeente waarin men woont, des te groter is de kans om de kerk te verlaten.

Economische onzekerheidstheorie

De derde verklaring is de economische (on)zekerheidstheorie, welke is gebaseerd op de bevindingen van Inglehart. De toegenomen welvaart in het Westen heeft tot een minder onzekerheden geleid op financieel, politiek en materieel gebied. Zelfontplooiing en persoonlijke vrijheid staan centraal en daar past een traditionele religieuze geloofsovertuiging niet in. De auteurs veronderstellen dat mensen die een hoger inkomen genieten, minder sociaal-economische onzekerheden kennen dan mensen met een lager inkomen. Hypothese 3: hoe hoger het inkomen van iemand is, des te groter de kans is om de kerk te verlaten.

Socialisering tijdens de jeugd

De vierde verklaring voor kerkverlating kan worden gezocht in de omstandigheden waarin mensen zijn opgegroeid of gesocialiseerd. De welvaart en mate van rationalisering lagen vroeger op een lager peil dan tegenwoordig. Hypothese 4: individuen die zijn opgegroeid in het begin van de vorige eeuw hebben een kleinere kans om op enig moment in hun leven de kerk te verlaten dan individuen uit jongere generaties.

Rationalisering op contextueel niveau

In een verder gerationaliseerde samenleving worden alle inwoners blootgesteld aan een seculier wereldbeeld en dat draagt bij tot ondergraving van de cognitieve basis van religieuze overtuigingen. Hypothese 5: hoe sterker de rationalisering in een provincie tussen 1975 en 1995, des te groter is de kans dat de inwoners de kerk verlaten.

Inkomensongelijkheid op contextueel niveau

Uit de economische onzekerheidstheorie kan men een verwachting afleiden: in landen met grotere inkomensongelijkheid kennen inwoners meer financiële onzekerheden en dat leidt tot meer kerkverlating. Hypothese: hoe kleiner de inkomensongelijkheid in een provincie tussen 1975 en 1995, des te groter is de kans dat de inwoners de kerk verlaten.

 

Data en meetinstrumenten

Dit artikel heeft zijn data ontleend aan het Sociaal en Cultureel planbureau. De totale omvang bedroeg ruim 18.000 individuen.

Afhankelijke variabele

Kerkverlating

Om te bepalen of iemand de kerk heeft verlaten (zichzelf niet langer als kerklid beschouwt), wordt van twee variabelen gebruik gemaakt. De eerste is met welk geloof respondenten zijn grootgebracht. Wanneer ze niet gelovig zijn opgevoed, werden ze niet in het onderzoek meegenomen. Na deze selectie gebruiken de onderzoekers een tweetrapsvraag om te achterhalen wie kerklid is.

Onafhankelijke variabelen: individuele kenmerken

Opleidingsniveau

Om het opleidingsniveau van de respondenten te achterhalen, is gevraagd naar de hoogst voltooide opleiding.

Inkomen

Om het inkomen van de respondenten vast te stellen, is gevraagd naar het bruto-inkomen van het huishouden.

Urbanisatiegraad

De urbanisatiegraad van de gemeente waarin de respondent woonachtig is, is bepaald door het aantal inwoners van die gemeente.

Onafhankelijke variabelen: contextkenmerken

Rationalisering

De mate van rationalisering is gemeten aan de hand van het gemiddelde opleidingsniveau van de nieuwkomers op de arbeidsmarkt.

Inkomensongelijkheid

De Gini-coëfficiënt is een getal wat uitdrukt hoe het totale inkomen is verdeeld over het aantal huishoudens. Dit is een aanvaarde maat voor economische ongelijkheid.

 

Analyses

Bivariate uitkomsten

Uit het onderzoek is gebleken dat van de respondenten 75% kerklid en 25% kerkverlater is. Cijfers van educatie ten opzichte van kerkverlating zijn als volgt: 25% bij de lagere school tot 56% bij hbo/wo. De eerste hypothese is hiermee bevestigd, de kans op kerkverlating is hoger naarmate men een hogere opleiding heeft gevolgd. Ook de tweede hypothese wordt duidelijk bevestigd. Respondenten die in een kleine gemeente wonen (minder dan 5.000 inwoners) hebben het minst vaak de kerk verlaten. In meer urbane gemeenten ligt dit percentage een stuk hoger. Als men kijkt naar het inkomen zijn de resultaten minder eenduidig. Verschillende inkomensklassen leiden niet tot een grotere kans op kerkverlating. Alleen in de hoogste vier inkomenscategorieën zijn er naar verhouding meer kerkverlaters. De derde hypothese vindt dus weinig steun. De vierde hypothese is wel bevestigd. De stijging van het percentage kerkverlaters tussen geboortejaar 1904 van respondenten en geboortejaar 1977 verloopt vrijwel lineair, dus de onderzoekers konden een percentage berekenen; de stijging is 0,6% per jaar. Hypothese 5 en 6 gaan met elkaar samen. Een hoger gemiddeld opleidingsniveau bevordert de kerkverlating, maar het ontkracht de verwachting dat meer inkomensnivellering leidt tot meer kerkverlating.

Multivariate uitkomsten

De analyses hierboven waren op bivariaat niveau, met als bezwaar dat er geen rekening wordt gehouden met de correlaties tussen variabelen onderling. Een multivariate uitkomst is beter, waarbij rekening wordt gehouden met clustering. In een eerste model (nulmodel) staan alleen varianties op individueel en provincie-jaar niveau. Het percentage kerkverlaters verschilt per combinatie van de provincie waarin men woont en het jaar waarin geïnterviewd werd. Opleiding, inkomen, urbanisatiegraad en geboortejaar zijn in dit model toegevoegd. Wederom blijkt dat als de opleiding hoger is, de kans op kerkverlating toeneemt. Ook geldt dat de kans op kerkverlating groter is voor mensen die in een grotere gemeente wonen. Het effect van inkomen is niet te vergelijken met het bivariate effect, het strookt niet met de hypothese. Het verdwijnen van het inkomenseffect werd veroorzaakt door opname van opleiding in het model. Tot slot wordt de socialisatie-hypothese bevestigd: de kans op kerkverlating is groter wanneer de respondenten later geboren zijn. In het tweede model zijn het gemiddelde opleidingsniveau en de Gini-coëfficiënt toegevoegd. De effecten zijn wederom positief en vormen een bevestiging van de vijfde en verwerping van de zesde hypothese. Tot slot is er nog een derde model opgesteld met daarin de provincies als verklaring. Alle variabelen behouden vrijwel hetzelfde effect.

 

Conclusie en discussie

De conclusie van het onderzoek is dat de invloed van rationalisering in Nederland alles behalve marginaal is. Het contextuele effect van het gemiddelde opleidingsniveau blijkt een goede verklaring te bieden voor de kerkverlating tussen 1975 en 1995. Verder vonden de onderzoekers positieve effecten van de opleiding, urbanisatiegraad en geboortejaar op de kerkverlating. De studie biedt steun aan de rationaliseringstheorie en de sociale integratietheorie. Enige ondersteuning in de economische zekerheidstheorie werd gevonden in het positieve effect van inkomen op kerkverlating. Hoe meer ongelijkheid in een provincie in een bepaald jaar, des te groter de kans op kerkverlating. Hiermee werd de economische zekerheidstheorie alsnog verworpen.

 

Week 4

Van de Rakt, Nieuwbeerta en De Graaf – Zo vader, zo zoon? De intergenerationele overdracht van crimineel gedrag

Dit artikel wil bijdragen aan criminologische studies naar intergenerationele overdracht van criminaliteit.

Eerder onderzoek en onderzoeksvragen

Eerder onderzoek naar intergenerationele overdracht van crimineel gedrag is beperkt, maar er zijn enkele studies geweest die de overeenkomsten en verschillen in crimineel gedrag tussen ouders en hun kinderen hebben onderzocht. De meeste studies kennen beperkingen, zoals een te kleine dataset wat is gebruikt. Er zijn wel enkele grote studies die belangrijke inzichten hebben gegeven. Onderzoek van Gorman-Smith e.a. laat zien dat personen die vaak crimineel gedrag plegen een relatief grote kans hebben om uit families te komen waar de ouders ook criminele gedragen vertonen. Resultaten van de studies wijzen op een sterke samenhang tussen het criminele gedrag van ouder en kind. Deze studies, vooral die van de Cambridge Study in Delinquent Development, hebben belangrijke inzichten in de intergenerationele overdracht van veroordelingen over de levensloop opgeleverd. Drie vragen liggen ten grondslag aan de studie van de intergenerationele overdracht van criminaliteit:

  1. In welke mate is er een algemene intergenerationele overdracht van veroordelingen?

  2. In welke mate is de timing van de veroordelingen van ouders van invloed op het aantal veroordelingen van kinderen?

  3. In welke mate is er specifieke intergenerationele overdracht van bepaalde soorten delicten?

 

Theorie en hypothesen

In bijna alle gevallen kan men voorspellen dat naarmate ouders meer criminaliteit plegen, de kans groter wordt dat hun kinderen ook crimineel gedrag zullen vertonen.

In dit artikel wordt de toetsing van hypothesen afgeleid van twee criminologische theorieën: de zelfcontroletheorie en de leeftijdsgebonden informele sociale controletheorie. De belangrijkste veronderstelling van deze eerste theorie (zelfcontrole) is dat deviant gedrag voortkomt uit disposities van personen die stabiel zijn gedurende de levensloop. Mensen met minder zelfcontrole plegen relatief vaker delicten dan mensen met meer zelfcontrole. Een gebrek aan zelfcontrole (bij de ouder) leidt tot een gebrekkige opvoeding en dat leidt wederom tot een gebrek aan zelfcontrole (bij het kind). Samenhang tussen crimineel gedrag van ouders en kinderen wordt volgens deze theorie dus verklaard door het lage niveau van zelfcontrole.

 

De tweede theorie (leeftijdsgebonden sociale controletheorie) veronderstelt dat ook andere factoren van invloed zijn op de kans dat iemand delicten pleegt, naast zelfcontrole. De levensloopomstandigheden oefenen daarnaast ook effect uit. Een sterke binding met famlie en partner vermindert de kans op het plegen van crimineel gedrag.

 

Algemene hypothese: naarmate een vader vaker voor delicten veroordeeld is, is de kans des te groter dat zijn kinderen ook een of meer veroordelingen hebben. Timinghypothese 1 (zelfcontroletheorie): de timing van de veroordelingen van vader heeft geen invloed op de kans dat zijn kinderen een of meer veroordelingen hebben. Timinghypothese 2 (sociale controletheorie): naarmate het kind ouder is wanneer diens vader crimineel actief is, is de kans des te groter dat het kind een of meer veroordelingen heeft. Specialisatiehypothese 1 (zelfcontroletheorie): het type delict dat vader pleegt heeft geen invloed op de kans dat zijn kinderen een of meer veroordelingen van dat bepaalde type hebben. Specialisatiehypothese 2 (sociale controletheorie): naarmate een vader meer delicten van een bepaald type pleegt, is de kans des te groter dat zijn kinderen ook een of meer veroordelingen van dat bepaalde type hebben.

 

Data

Voor de beantwoording van de hierboven genoemde onderzoeksvragen wordt gebruik gemaakt van de gegevens van de Criminele Carrière en Levensloop Studie (CCLS) van het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR). Er zijn justitiële en levensloopgegevens verzameld van 5.164 willekeurig gekozen personen die in 1977 zijn veroordeeld.

 

Analytische strategie en resultaten

Er zijn analyses uitgevoerd om antwoord te krijgen op de drie onderzoeksvragen en om de hypothesen te toetsen. Voor de beantwoording van de eerste onderzoeksvraag is het aantal veroordelingen van vaders afgezet tegen het aantal veroordelingen van hun zonen en dochters. Kinderen van vaders zonder veroordelingen blijken in 93,4% van de gevallen geen veroordeling te hebben. Wanneer de vader vaker is veroordeeld voor meer delicten, is de kans groter dat zijn kinderen ook voor een delict zijn veroordeeld. Een kind van een vader met meer dan vijftien veroordelingen heeft elf keer zoveel kans om een veroordeling te hebben als een kind van een vader zonder veroordeling. De algemene hypothese wordt dus bevestigd. Voor beantwoording van de tweede onderzoeksvraag is de timing van de gepleegde delicten van de vader afgezet tegen het aantal veroordelingen dat de kinderen op hun naam hebben staan. Kinderen van wie de vader na hun geboorte geen delicten meer heeft gepleegd, hebben ongeveer evenveel kans op een veroordeling als kinderen van vaders die helemaal geen veroordeling hebben. Kinderen van een vader die na hun 18e blijken in ruim 30% van de gevallen zelf ook (minstens) een veroordeling te hebben. Deze resultaten geven een ondersteuning voor de timinghypothese 2. Met de derde onderzoeksvraag wordt onderzocht welke van de specialisatiehypothesen opgaat. Het aantal kinderen dat een geweldsdelict pleegt, lijkt vooral groot in de groep van wie de vader meer dan eens is veroordeeld wegens eenzelfde delict. Om het verband tussen het type delict wat vader en kind pleegden beter te onderzoeken, is een logistische regressieanalyse verricht. Het effect van het aantal gewelds- of vermogensdelicten ten opzichte van het aantal andere delicten dat een vader pleegde is hiervoor bekeken. Het aantal geweldsdelicten heeft geen effect, maar vermogensdelicten wel. Als een kind een vader heeft die veel vermogensdelicten pleegt, is er een grotere kans dat het kind een vermogensdelict pleegt, maar die kans wordt ook groter als de vader delicten van een ander type pleegt. Er is dus ondersteuning voor specialisatiehypothese 1 en de tweede specialisatiehypothese moet worden verworpen.

 

Discussie: timing delicten bepalend voor overdracht

Er is inzicht gegeven in de mate waarin de veroordelingen van vaders samenhangen met de veroordelingen van hun kinderen. Er is laten zien dat het aantal veroordelingen van vaders een flinke samenhang vertoont met het aantal veroordelingen van hun kinderen. De kans op een veroordeling is erg groot bij kinderen van een vader die meer dan vijftien delicten is begaan. De timing van de delicten blijkt daarnaast erg van belang te zijn. Wanneer de vader van een kind gedurende een langere periode in zijn leven crimineel actief bleef, is de kans op het plegen van een delict door het kind groter. De zelfcontroletheorie en de leeftijdsgebonden sociale controletheorie krijgen enige ondersteuning. Met betrekking tot de oorzaak van de samenhang tussen veroordelingen van vaders en kinderen kunnen de onderzoekers nog weinig uitspraken doen.

 

Week 5

Gijsberts en Vervoort – Beeldvorming onder hoger opgeleide allochtonen. Waarom is er sprake van een integratieparadox?

In het artikel wordt gekeken naar hoe geaccepteerd allochtonen zich voelen in Nederland, wat hun perceptie van het voorkomen van discriminatie is en hoe zij de beeldvorming ten aanzien van de islam ervaren. Er kan gesproken worden van een integratieparadox. Hoger opgeleide allochtonen zijn degenen die aangeven zich minder geaccepteerd voelen in Nederland, met meer discriminatie te maken hebben en de respect voor de Islamitische cultuur ver te zoeken is.

 

Inleiding

Er blijkt vaak uit (inter)nationaal onderzoek dat verschillen tussen mensen in hun vooroordelen over andere etnische groepen voor een belangrijk deel samenvallen met verschillen in opleidingsniveau. Hoger opgeleide autochtonen oordelen minder vaak negatief over andere etnische groepen dan lager opgeleiden. De verklaring hiervoor vindt men in drie delen. Allereerst wordt verondersteld dat beter opgeleiden zekerder van zichzelf zijn en daardoor makkelijker tolerant kunnen zijn tegenover diversiteit. Ten tweede wordt verondersteld dat hoger opgeleiden een breder perspectief hebben. Tot slot wordt geïnterpreteerd dat opleidingsniveau een operationalisering is van sociale status, zodat opleidingseffecten niet meer dan een class interests zijn.

 

Over de opvatting van minderheidsgroepen was niet zo veel bekend. Pas in de laatste jaren is hier in Nederland verandering in gekomen. Bij allochtonen werd geen verzachtend opleidingseffect gevonden, wat verrassend is, omdat het bij autochtonen wel het geval was. In dit artikel wordt het opleidingseffect voor allochtonen in Nederland onderzocht. In hoeverre vinden allochtonen dat discriminatie voorkomt, allochtonen geaccepteerd worden en de islam in Nederland negatief wordt benaderd? De verwachting is dat de integratieparadox optreedt doordat hoger opgeleide allochtonen meer meekrijgen van het politieke debat en de negatieve uitingen in de media over allochtonen en de multiculturele samenleving, zonder dat zij zelf persoonlijk vaker met discriminatie hoeven te worden geconfronteerd. Deze verwachting wordt getoetst.

 

Mogelijke verklaringen

Verschillende auteurs hebben al gewezen op het bestaan van de integratieparadox. Juist de allochtonen die het beste zijn geïntegreerd, voelen zich het minst geaccepteerd in de Nederlandse samenleving. Een eerste verklaring voor een negatief opleidingseffect zou kunnen liggen in de omstandigheid dat hoger opgeleide allochtonen meer in aanraking komen met negatieve berichtgeving in de media over de multiculturele samenleving dan lager opgeleide allochtonen. Hoger opgeleide allochtonen volgen waarschijnlijk meer de media en berichtgeving over het politieke debat over allochtonen dan lager opgeleide allochtonen. Het lijkt plausibel dat dit leidt tot een minder gunstig beeld van hun eigen positie in de samenleving. De eerste hypothese luidt als volgt: hoger opgeleide allochtonen oordelen ongunstiger over discriminatie en de mate van acceptatie dan lager opgeleide allochtonen doordat zij meer in aanraking komen met de Nederlandse media en politiek. De onderzoekers veronderstellen dat het gebruik van Nederlandse media in het algemeen en het volgen van de politiek in het bijzonder een intermediërende rol spelen in de relatie tussen opleidingsniveau en negatieve beeldvorming onder allochtonen. Wat ook een verklaring zou kunnen zijn is dat hoger opgeleide allochtonen meer belemmeringen en weerstanden ondervinden op de arbeidsmarkt dan lager opgeleide allochtonen. Het kan zo zijn dat het voltooien van een goede opleiding leidt voor hoger opgeleide allochtonen minder automatisch leidt tot maatschappelijk succes. Zij kunnen onder hun niveau werken of minder makkelijk een baan vinden. De tweede hypothese luidt daarom als volgt: hoger opgeleide allochtonen oordelen ongunstiger over discriminatie en de mate van acceptatie dan lager opgeleide allochtonen doordat zij in hogere mate relatieve deprivatie ondervinden. De onderzoekers veronderstellen dat het ervaren van relatieve deprivatie een intermediërende rol speelt in de relatie tussen opleidingsniveau en negatieve beeldvorming onder allochtonen en dus het optreden van de integratieparadox kan verklaren.

 

Drie afhankelijke variabelen

De drie afhankelijke variabelen die centraal staan: de perceptie van discriminatie, ervaren acceptatie en de opinie in hoeverre mensen in Nederland te negatief zijn over de islam. De ervaren discriminatie ten opzichte van allochtonen is gemeten door de respondenten de vraag voor te leggen hoe vaak allochtonen worden gediscrimineerd. Vier items zijn gecombineerd om de ervaren acceptatie van allochtonen te achterhalen (kansen, gerespecteerd, gastvrij, open cultuur). De ervaren acceptatie van de islam is gemeten naar de stelling hoe negatief mensen in Nederland tegenover de islam staan.

 

Beschrijvende bevindingen: de relatie tussen opleidingsniveau en beeldvorming onder allochtonen

Een derde van de Marokkanen en Antillianen geven aan dat discriminatie vaak tot zeer vaak gebeurt. Bij de Turken geldt het voor ruim 25% en de Surinamers ervaren relatief de minste discriminatie. Hoger opgeleide allochtonen hebben vaker het gevoel dat er in Nederland wordt gediscrimineerd dan de lager opgeleiden uit dezelfde etnische groep. Dit is met name het geval bij Marokkanen en Surinamers. Bij Turken en Antillianen is het opleidingseffect zo goed als afwezig.

 

Nogal wat allochtonen hebben het gevoel dat zij in beperkte mate worden geaccepteerd. Wederom zijn er verschillen tussen hoger en lager opgeleide allochtonen. De hoger opgeleide allochtonen ervaren minder acceptatie in Nederland. Dit geldt niet voor de Turkse respondenten, maar wel voor Marokkanen, Surinamers en Antillianen. Hetzelfde beeld komt terug als we naar de moslims kijken (alleen Turken en Marokkanen). Hoger opgeleide moslims vinden vaker dat men negatief is over de islam in Nederland.

 

Hierboven is duidelijk geworden dat hoger opgeleide allochtonen vinden dat allochtonen minder geaccepteerd worden. Zij hebben ook vaker het gevoel dat allochtonen met discriminatie te maken hebben. Bovendien bleek dat hoger opgeleide moslims vaker vinden dat mensen in Nederland te negatief zijn over de islam. Er is dus een ondersteuning gevonden in dit onderzoek voor de integratieparadox: juist degenen met een hoge opleiding en dus een goede integratie, ervaren het maatschappelijk klimaat tegenover allochtonen het minst positief. Er zijn verschillen tussen de etnische groepen, met name Marokkanen springen eruit in dit onderzoek. Bij hen is het opleidingseffect het sterkste aanwezig.

 

Nadere analyse

Er zijn analyses gedaan. Er zijn onafhankelijke variabelen in de analyses meegenomen, zoals de vier allochtone groepen apart onderscheiden. Een aantal demografische kenmerken is opgenomen in de analyses. Denk hierbij aan geslacht, leeftijd, generatie. Er wordt ook zo veel mogelijk gecontroleerd voor integratiekenmerken. Hierbij moet je denken aan het hebben van een betaalde baan, contact met autochtone Nederlanders in de vrije tijd en de Nederlandse taalbeheersing. Het mediagebruik is gemeten aan de hand van vragen hoeveel kranten worden gelezen en tv wordt gekeken. Aan de werkende respondenten is gevraagd of het werk wat ze doen past bij hun opleiding, voor de relatieve deprivatie.

 

Om de verwachtingen van de onderzoekers te toetsen, is er gebruik gemaakt van hiërarchische modellen in OLS-regressieanalyses. In het eerste model worden de etniciteits- en opleidingseffecten opgenomen. In het tweede model worden demografische en integratiekenmerken opgenomen om te bepalen of opleidingsverschillen blijven bestaan. In het derde model worden kenmerken van mediagebruik en politieke interesse bijgevoegd. In alle tabellen wordt het percentage verklaarde variantie vermeld.

De rol van mediagebruik en politieke interesses

Hoger opgeleide allochtonen zijn significant vaker van mening dat discriminatie van allochtonen in Nederland voorkomt. De effecten zijn het sterkste voor Marokkaanse hoger opgeleiden. In het tweede model (met demografische kenmerken) spelen de kenmerken geen rol in de verklaring van verschillen. Werkende allochtonen ervaren meer discriminatie dan niet werkende allochtonen. Wanneer zij in hun vrije tijd veel contact hebben met autochtonen leidt dit tot minder negatieve gevoelens. In model drie worden het mediagebruik en de politieke interesse meegenomen. Er is geen onderscheid gemaakt welke kranten men leest en welke programma’s men kijkt. Dit zou kunnen verklaren dat het lezen van de krant en kijken naar de televisie niet zorgt voor meer negatieve gevoelens met betrekking tot discriminatie. Interesse in de politiek leidt wel tot negatievere percepties.

 

Hoger opgeleiden oordelen negatiever dan lager opgeleiden als het gaat om ervaren acceptatie. Als men kijkt naar de integratiekenmerken, dan blijkt het dat contact met autochtonen en een goede Nederlandse taalbeheersing bijdragen aan de ervaring van acceptatie van allochtonen. Het negatieve opleidingseffect lijkt hierdoor zelfs wat toe te nemen. Dit komt omdat hoger opgeleiden meer omgaan met autochtonen en een betere Nederlandse taalbeheersing hebben. Het lezen van de krant en kijken naar televisie zorgt niet voor meer negatieve gevoelens. Uit het kijken naar Nederlandse televisie blijkt zelfs een samenhang met een hogere mate van ervaren acceptatie. Hoger opgeleiden en Marokkanen zijn vaker van mening dat Nederlandse mensen veel te negatief zijn over de islam dan lager opgeleiden en Turken. Het kijken van televisie heeft hierop een verzachtend effect: Moslims die vaker Nederlandse televisie kijken, vinden minder vaak dat Nederlanders veel te negatief zijn over de islam. Turkse en Marokkaanse moslims die interesse hebben in de politiek ervaren vaker dat Nederlanders te negatief zijn over de islam. Het politieke debat is dus van grote invloed.

Relatieve deprivatie

Relatieve deprivatie is geoperationaliseerd met de vraag of het werk dat de respondenten doen bij hun opleiding past. Er is dan sprake van relatieve deprivatie als men vindt dat men te hoog is opgeleid voor zijn werk. Dit heeft een negatief effect op het ervaren van discriminatie. De eerste twee modellen komen over het algemeen overeen met de resultaten voor de totale groep allochtonen. Voor werkende Turkse en Marokkaanse moslims geldt dat hoger opgeleiden vaker van mening zijn dat Nederlanders veel te negatief zijn over de islam. Degenen met een hoog functieniveau komen meer in aanraking met negatieve beeldvorming over de islam.

 

Conclusies

De hoger opgeleide allochtonen voelen zich minder geaccepteerd in Nederland als het gaat om acceptatie en respect. Zij geven bovendien aan dat discriminatie vaker voorkomt. Hoger opgeleide moslims vinden bovendien dat er weinig respect voor de islamitische cultuur is in Nederland. Dit is omschreven als de integratieparadox. De bevindingen van de onderzoekers bevestigen de werking van de integratieparadox. De hoger opgeleiden ervaren het maatschappelijk klimaat ten aanzien van allochtonen het minst positief. Deze paradox treedt onder andere op door de relatieve deprivatie, die er een rol van betekenis in speelt. Bovendien treedt het vaker op bij hoger opgeleiden omdat zij meer in aanraking komen met het politieke debat over de allochtonenproblematiek. De effecten van media waren verzachtend of zelfs helemaal afwezig. Al met al stemmen de uitkomsten van dit onderzoek tot enige somberheid. Hoger opgeleide allochtonen, die juist meer geïntegreerd zijn, ervaren het maatschappelijk klimaat tegenover allochtonen juist het meest ongunstig. De positie van hoger opgeleide allochtonen is objectief gezien misschien wel beter, maar ze voelen zich minder geaccepteerd.

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Follow the author: MarijeT
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.