Inleiding Staats- en Bestuursrecht - UU - Werkgroepopdrachten 2018/2019 - Week 6


Vragen

Vraag 1

De Evangelische Vereniging Doetinchem (EVD) heeft een busje met een aanhangwagen langs de openbare weg staan. Op de aanhangwagen staat een groot bord met het opschrift: “Jezus Leeft”. Het geheel is op een opzichtige wijze geparkeerd, midden op een rotonde, zodat de boodschap door iedereen die daar passeert, gezien wordt. Met gebruikmaking van artikel 170 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) wordt het busje namens het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) van Doetinchem weggesleept, omdat gevreesd wordt dat het de veiligheid op de openbare weg in het gevaar brengt. De EVD is woest en haar advocaat voert, na tevergeefs bezwaar te hebben gemaakt bij het college, in de procedure voor de bestuursrechter aan dat artikel 170 WVW in strijd is met haar recht op godsdienstvrijheid zoals neergelegd in artikel 6 van de Grondwet. Artikel 170 WVW houdt volgens de advocaat ten onrechte geen rekening met groepen die hun religieuze overtuiging op deze manier te berde willen brengen. De advocaat dringt er derhalve bij de bestuursrechter op aan om artikel 170 WVW om deze reden buiten toepassing te verklaren.

Hoe groot acht je de kans dat de bestuursrechter daartoe overgaat?

Vraag 2

Om de grondrechten die zijn vastgelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) te incorporeren in het nationale recht heeft het parlement van het Verenigd Koninkrijk in 1998 de Human Rights Act (HRA) aangenomen. Dit is een wet die is te vergelijken met een wet in formele zin. De grondrechtenbepalingen in deze wet zijn vrijwel letterlijke kopieën van de bepalingen in het EVRM. Daarnaast bevat de HRA bepalingen over hoe de wet dient te worden geïnterpreteerd en toegepast.

Het Nederlandse parlement heeft geen wet aangenomen om het EVRM onderdeel uit te laten maken van de Nederlandse rechtsorde. Leg uit waarom een vergelijkbare wet in Nederland niet nodig is voor de doorwerking van het EVRM.

Vraag 3

In de Marktverordening Utrecht 2014 zijn de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 6 Standplaatsvergunning

  1. Het is verboden om een standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college.
  2. Het is verboden op het marktterrein te handelen zonder vergunning.

Artikel 7 Vereisten voor het toekennen van een standplaats

Voor toewijzing van een standplaats komt alleen een handelingsbekwaam natuurlijk persoon in aanmerking die:

  1. de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt,
  2. een aanvraag voor een vergunning bij het college heeft ingediend,
  3. een aansprakelijkheidsverzekering voor zijn marktbedrijf heeft en
  4. in Nederland werk mag verrichten.

Dirk Pieters is opgegroeid op een boerderij. Hij is 19 jaar en studeert in Utrecht. Om wat bij te verdienen wil hij graag op zaterdag een standplaats op de markt innemen, waar hij dan producten van de boerderij van zijn ouders wil verkopen: kaas, eieren en andere ambachtelijke producten. Hij dient bij het college van burgemeester en wethouders een aanvraag in voor een standplaatsvergunning, maar krijgt na 6 weken een brief waarin zijn aanvraag wordt afgewezen omdat er geen ruimte meer is op de markt voor een extra kraam. Dit is een besluit in de zin van de Awb.

Vraag 3a

Welke stap dient Dirk Peters eerst te ondernemen voordat hij naar de bestuursrechter kan?

Vraag 3b

Na enige tijd krijgt Dirk Peters te horen dat er ruimte is vrijgekomen op de markt en dat hij een nieuwe aanvraag kan indienen. Dan ziet hij tot zijn schrik dat drie weken daarvoor de Marktverordening is gewijzigd. In de nieuwe verordening staat dat de minimumleeftijd voor een standplaatsvergunning 21 jaar is. Dit is een besluit in de zin van de Awb en wel een algemeen verbindend voorschrift. Nu komt hij dus nog steeds niet in aanmerking voor een vergunning. Dirk vindt de aanpassing van de verordening belachelijk. Volgens hem is het leeftijdsdiscriminatie en is er geen enkele reden om een hogere leeftijdsgrens te hanteren. Hij wil de verordening bij de rechter aanvechten.

Bij welke rechter kan Dirk Pieters in beroep tegen de wijziging in de Marktverordening?

Antwoordindicatie

Vraag 1

Toetsen aan Gw mag niet art 120 Gw (harmonisatiewet)

Vraag 2

Art 93 Gw → na bekendmaking hebben ze verbindende kracht → monistisch systeem in NL. Zodra een verdrag is doorgevoerd, wordt het direct geldend recht in Nederland.

Vraag 3

Vraag 3a

Is er sprake van een besluit:

  • schriftelijk?
    • Verordening doorgaans wel
  • bestuursorgaan?
    • 1:1 lid 1 sub b Awb
  • publiekrechtelijk?
    • Art. 147 Gemeentewet
  • rechtshandeling?
    • Verhoging leeftijd aanvrager

Er is dus sprake van een besluit. Is het ook een beschikking? Nee, want het is geldig voor een open groep (een besluit van algemene strekking, meer precies een algemeen verbindende voorschriften) bezwaar? 8:1 jo. 7:1 lid 1 Awb een besluit, dus mogelijk tenzij uitgesloten.

MAAR, het is een AVV en geen besluit richting hem. → art. 8:3 lid 1 sub a Awb: geen beroep mogelijk, dus ook geen bezwaar.

Geen rechtsbescherming in bestuursrecht Echter kan je stappen naar de burgerlijke rechter op grond van de objectum litis leer HR Guldemond/ Noordwijkerhout → kan altijd op O.D. aansprakelijk stellen → vonnis rechtbank

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Promotions
Image

Op zoek naar een uitdagende job die past bij je studie? Word studentmanager bij JoHo !

Werkzaamheden: o.a.

  • Het werven, aansturen en contact onderhouden met auteurs, studie-assistenten en het lokale studentennetwerk.
  • Het helpen bij samenstellen van de studiematerialen
  • PR & communicatie werkzaamheden

Interesse? Reageer of informeer