Staatsrecht - Heringa - 11e druk - BulletPoints


Hoofdstuk 1: Inleiding

Het boek bestaat uit de volgende delen:

  • deel een gaat over de fundamentele en centrale constitutionele begrippen;

  • deel twee gaat over het Europese en internationale recht in relatie tot het nationale staats- en bestuursrecht;

  • deel drie gaat over het Nederlandse staatkundige bestel;

  • deel vier gaat over wetgeving bestuur en controle op het bestuur;

  • deel vijf gaat over de decentrale overheden zoals provincies, gemeenten, waterschappen, bedrijfschappen en anderen;

  • deel zes gaat over het Koninkrijk der Nederlanden;

  • deel zeven gaat tenslotte over de trias politica: de rechtelijke macht en de rechtspraak komen centraal te staan.

 

Hoofdstuk 2: Staat: object en subject, verschijningsvormen en belangrijkste kenmerken

De subcategorieën van het staatsrecht zijn:

  • het ‘politieke’ staatsrecht: de regels van de bevoegdheden en taken van de politieke organen: regering en Staten-Generaal;

  • het decentralisatierecht: het recht van de lagere overheden;

  • de grondrechten.

 

De volgende kenmerken zijn voor een staat kenmerkend:

  • er is sprake van een territoriale organisatie;

  • die gezag over een op het grondgebied woonachtige bevolking uitoefent;

  • en daartoe over de nodige middelen beschikt, zoals bijvoorbeeld het geweldsmonopolie.

 

Staten zijn soevereine staten, daarmee wordt bedoeld:

  • dat andere staten noch de wereldgemeenschap van staten bevoegd zijn om zich in te laten met interne aangelegenheden van het desbetreffende land;

  • dat een staat bevoegd is om rechtshandelingen te verrichten.

 

De soevereine staten kunnen de volgende rechtshandelingen verrichten:

  • het sluiten van verdragen;

  • bijdragen aan de vorming van gewoonterecht;

  • het oprichten van internationale organisaties.

 

Het begrijp soevereiniteit in relatie tot een staat kan diverse betekenissen hebben. Deze betekenissen zijn:

  • om aan te geven dat andere staten zich niet in interne aangelegenheden mogen mengen;

  • om aan te duiden wie de constituante is van het statelijk gezag;

  • om duidelijk te maken welk orgaan binnen de staat de hoogste bevoegdheid toekomt.

 

Er bestaat in het geval van staten met een geschreven Grondwet een onderscheid tussen een flexibele en een rigide Grondwet. Er is sprake van:

  • een flexibele Grondwet is gemakkelijk door middel van gewone wetgeving te veranderen;

  • een rigide Grondwet is niet gemakkelijk te veranderen, omdat deze is onderworpen aan specifieke waarborgen waardoor het moeilijker is om deze in tegenstelling tot gewone wetgeving te kunnen wijzigen.

Hoofdstuk 3: De rechtsstaat

De rechtsstaat dient te voldoen aan de vier volgende eisen:

  • de grondslag van de uitoefening van het overheidsgezag is te vinden in algemene regels: deze grondslagregel staat beter bekend als het legaliteitsbeginsel;

  • verder dient er sprake te zijn van een vorm van scheiding van machten naar het model van Montesquieu: de drie te onderscheiden categorieën: wetgeving, uitvoering en rechtspraak;

  • er dient een onafhankelijke rechtelijke macht te zijn, die toeziet op de uitoefening door de overheid van haar bevoegdheden;

  • tenslotte dienen de grondrechten te worden beschermd.

 

De Engelse benadering (rule of law) is een aardige benadering, omdat er aandacht wordt gevraagd voor enkele specifieke fundamentele algemene rechtsbeginselen:

  • individuele vrijheid;

  • rechtszekerheid;

  • verbod van willekeur en misbruik;

  • gelijkheidsbeginsel;

  • rechtsbescherming.

 

Het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel staat vermeld in:

  • art. 16 Grondwet;

  • art. 7 EVRM;

  • art. 1 Sr.

 

De vormen van toedeling zijn:

  • attributie-delegatie;

  • deconcentratie;

  • toedeling aan organen van functioneel bestuur: ZBO’s

 

Er wordt aangenomen dat art 6 EVRM de volgende rechten realiseert:

  • toegang tot de rechter (zowel in strafzaken als in privaatrechtelijke geschillen);

  • recht op een eerlijk proces;

  • equality of arms;

  • het recht op kennisname van alle processtukken, getuigenverklaringen en op weerlegging;

  • recht op een berechting binnen een redelijke termijn;

  • recht op een onpartijdige en onafhankelijke rechter;

  • recht op een rechter die het geschil binden kan beslechten en niet is gebonden aan het vastleggen van de feiten;

  • recht op openbaarheid;

  • in strafzaken de waarborgen omschreven in lid 2 en lid 3.

 

Op internationaal niveau kwamen de grondrechten en algemene rechtsbeginselen tot ontwikkeling door:

  • de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens;

  • het IVBPR;

  • het IVESCR;

  • diverse andere verdragen.

Hoofdstuk 4: Democratie

In de wereld zijn er twee regeringsvormen. Deze regeringsvormen zijn:

  • de democratische;

  • de totalitaire of autoritaire.

 

De kenmerken van een indirecte democratie zijn:

  • dat er verkiezingen worden georganiseerd voor de vertegenwoordigde organen en/of de regeringsleider/president;

  • dat de macht is gelegitimeerd door een mandaat van de kiezers en beperkt is in de tijd;

  • dat de bevolking wordt vertegenwoordigd in de diverse organen van de staat.

 

De kenmerken van een directe democratie zijn:

  • het electoraat wordt niet door een ander vertegenwoordigd;

  • dat het electoraat rechtstreeks invloed kan uitoefenen op de besluitvorming van de overheid.

 

De soorten referenda zijn:

  • obligatoire referenda;

  • facultatieve referenda;

  • raadgevende referenda;

  • raadplegende referenda;

  • correctieve referenda;

  • bindende referenda.

 

Indirecte democratieën zijn onder te verdelen in:

  • parlementaire stelsels;

  • presidentiële stelsels.

 

De soorten kiesstelsels zijn op basis van:

  • evenredige vertegenwoordiging;

  • het meerderheidsstelsel.

Hoofdstuk 5: Volkenrecht

De nadruk bij het volkerenrecht lag tot het begin van de 20e eeuw op onderwerpen als:

  • afbakening van de rechtsmacht;

  • de regels van het diplomatiek verkeer;

  • totstandkoming en tenuitvoerlegging van de verdragen.

 

Nu ligt het nadruk bij het volkerenrecht meer op:

  • beschermen van individuen tegen oorlogshandelingen;

  • het toenemen van de betekenis van internationale organisaties;

  • het toenemen van internationale verdragen;

  • het ter verantwoording roepen van individuen vanwege het overtreden van internationale normen.

 

De twee belangrijkste bronnen voor het volkenrecht zijn:

  • verdrag;

  • gewoonte.

 

Een staat is verantwoordelijk voor, kan worden aangesproken op ieder handelen en nalaten door:

  • de nationale wetgever;

  • executieve autoriteiten;

  • gedecentraliseerde autoriteiten;

  • federale autoriteiten;

  • ambtenaren;

  • de rechterlijke macht.

 

Wanneer een staat een regel van internationaal recht schendt of niet nakomt, dan kan/kunnen (een lid/de leden) van de internationale gemeenschap het volgende doen:

  • het terugroepen van de ambassadeur;

  • het verbreken van de diplomatieke betrekkingen;

  • het verbaal uiten van de verontwaardiging;

  • het voorleggen van de kwestie aan een bevoegde internationale organisatie.

Hoofdstuk 6: Verdragenrecht

Totstandkoming van verdragen op internationaal niveau:

  • onderhandelingen;

  • sluiting;

  • bekrachtiging;

  • inwerkingtreding.

 

Totstandkoming van verdragen op nationaal niveau:

  • bekendmaking;

  • parlementaire goedkeuring.

 

Ratificatie kan op de volgende manieren plaatsvinden:

  • door middel van het uitwisselen van ratificatie-oorkonden;

  • bij een multilateraal verdrag gebeurt dit door middel van deponering van de ratificatie-oorkonden.

 

Inwerkingtreding van een verdrag kan op twee manieren plaatsvinden:

  • bij een bilateraal verdrag treedt het verdrag in werking nadat beide staten geratificeerd hebben;

  • bij een multilateraal verdrag zal het verdrag een bepaald aantal dagen na nederlegging van een bepaald aantal oorkonden in werking treden.

 

De regelgeving die is neergelegd in verdragen kan onderscheiden worden in drie categorieën van de bestemming van de regels (tot wie de regel is gericht):

  • er zijn regels die gericht zijn tot staten;

  • er zijn regels die gericht zijn tot de wetgevers van de staten om hun rechtsstelsels aan bepaalde normen te laten voldoen;

  • er zijn regels die over de hoofden van de overheden heen, gericht tot de individuele mens zijn gericht.

 

Welke mogelijkheden zijn er voor de benadeelde partij wanneer verdragsregels niet worden nageleefd? Dit zijn de volgende mogelijkheden:

  • bij bilaterale verdragen kan het zo zijn dat het verdrag moet worden opgezegd;

  • staten kunnen afspreken dat het geschil wordt voorgelegd aan een internationale rechter of het geschil kan worden onderworpen aan arbitrage;

  • toezicht op naleving via een onafhankelijke instantie, zoals de Commissie in de Europese Unie dat is;

  • een statenklacht;

  • periodieke rapportage.

Hoofdstuk 7: Internationale organisaties

Het Handvest van de Verenigde Naties kent onder meer de volgende organen:

  • de Algemene Vergadering;

  • de Veiligheidsraad;

  • de Economische en Sociale Raad;

  • het Internationaal Gerechtshof;

  • het Secretariaat, gevestigd in New York, aan het hoofd waarvan de Secretaris-Generaal staat.

 

In de Algemene Vergadering:

  • hebben alle landen een gelijke stem;

  • zijn de meeste besluiten (resoluties) niet juridisch bindend;

  • wordt er minstens een keer per jaar bijeengekomen;

  • bestaat er een ingewikkelde constructie van commissies en hulporganen.

 

Bij het Verdrag van Maastricht van 1992 werden er de volgende dingen afgesproken:

  • de drie afzonderlijke Gemeenschappen (EGKS, EEG en Euratom) werden voortaan een pijler in plaats van drie afzonderlijke pijlers bij de oprichting van de nieuwe Europese Unie;

  • het werkgebied van de EEG werd flink economisch uitgebreid;

  • het EEG-verdrag (voortaan EG-verdrag genoemd) werd daarboven nog aangevuld met bepalingen over de totstandkoming van een Economisch en Monetaire Unie (EMU);

  • in het Verdrag werd er verder voorzien in twee nieuwe vormen van samenwerking op het gebied van een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en die op het gebied van justitie en binnenlandse zaken (JBZ, later omgevormd tot PJSS: politiële en justitiële samenwerking in strafzaken).

 

Het Verdrag van Lissabon trad in 2009 in werking. Dit had de volgende gevolgen:

  • De Europese Unie vindt nu regeling in twee verdragen: het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het VWEU;

  • de pijlerstructuur van het Verdrag van Maastricht is hierdoor opgeheven;

  • een benoeming van een vaste voorzitter van de Europese Raad;

  • versterking van het Europese Parlement in de wetgevingsprocedure.

 

Militaire samenwerking vind onder meer plaats in:

  • de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO);

  • Warschaupact;

  • Partnerschap voor de Vrede (Partnerschap for Peace);

  • de vredesmacht van de Verenigde Naties.

Hoofdstuk 8: Nederland en het internationale recht

Art. 90-96 Grondwet regelen de internationale betrekkingen. Alleen de meest belangrijke artikelen met betrekking tot de internationale betrekkingen zijn deze onderstaande artikelen uit de Grondwet:

  • art. 90 Grondwet zegt dat de regering de ontwikkeling van de internationale rechtsorde dient te bevorderen;

  • art 91 lid 1 Grondwet stelt dat het Koninkrijk, op uitzonderingen na die in de wet zijn geregeld, niet aan verdragen kan worden gebonden zonden parlementaire goedkeuring;

  • art. 91 lid 2 Grondwet zegt dat de wet bepaalt waarop de goedkeuring wordt verleend, zij kan dus voorzien in stilzwijgende goedkeuring;

  • uit art. 92 Grondwet blijkt dat de eigen bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak kunnen worden overgedragen aan supranationale organisaties;

  • art. 93 Grondwet bepaalt dat verdragsbepalingen ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’ door individuele personen kunnen worden ingeroepen voor de rechter en door de rechter kunnen worden toegepast;

  • art. 94 Grondwet geeft een regeling voor gevallen dat een ‘ieder verbindende bepaling’ in strijd komt met hier geldende wetgeving.

 

In de jurisprudentie zijn er een tweetal maatstaven om te bepalen of een verdragsbepaling naar haar inhoud een ieder verbindt:

  • er wordt gekeken naar de formulering van de bepaling: wordt er een recht toegekend aan een individueel rechtsobject:

  • de rechter vraagt zich soms af bij de toetsing of de bepaling zonder nadere uitwerking door de wetgever effect kan sorteren.

Hoofdstuk 9: Europese integratie: EU

Het EU-bestel steunt op twee categorieën hoofdregels:

  • regels omtrent vrij verkeer;

  • regels omtrent non-discriminatie.

 

De belangrijkste instellingen van de EU zijn:

  • het Europees Parlement;

  • de Europese Raad;

  • de Raad;

  • de Commissie;

  • het Hof van Justitie;

  • de Europese Centrale Bank

  • de Rekenkamer.

 

De volgende rechtshandelingen tot uitvoering van het EU-verdrag worden onderscheiden in art. 288 VWEU:

  • verordeningen;

  • richtlijnen;

  • besluiten;

  • aanbevelingen en adviezen.

 

De algemene rechtsbeginselen van de EU zijn:

  • grondrechten en fundamentele vrijheden;

  • gelijke behandeling en non-discriminatie;

  • het evenredigheidsbeginsel;

  • het subsidiariteitsbeginsel;

  • het rechtszekerheidsbeginsel;

  • het transparantiebeginsel.

 

De twee belangrijkste rechtstreekse beroepen in het VWEU zijn:

  • het wettigheidsberoep van art. 263 VWEU;

  • de inbreukprocedure van art. 258 VWEU.

 

Het recht van de EU werkt door in nationale wetgeving via:

  • rechtstreekse werking;

  • voorrang.

 

De bevoegdheden en taken van de rechter met betrekking tot het toepassen van het EU-recht zijn de volgende:

  • richtlijn conforme interpretatie;

  • schorsing van het nationale recht;

  • schorsing van de uitvoering van EU-handelen/het treffen van een voorlopige voorziening;

  • schadevergoeding bij gebrekkige implementatie van EU-recht.

 

De schorsingbevoegdheid is door het Hof aan een aantal eisen verboden. Deze eisen zijn:

  • dat de nationale rechter moet ernstige twijfel koesteren omtrent de geldigheid van de gemeenschapsverordening;

  • de rechter dient de vraag omtrent de geldigheid van de betwiste handeling aan het Hof voor te leggen;

  • dat de zaak spoedeisend dient te zijn en er dient voor de verzoeker ernstige en onherstelbare schade te dreigen;

  • dat de nationale rechter moet naar behoren rekening houden met het belang van de EU.

Hoofdstuk 10: De centrale overheid als lichaam en de organen waaruit zij bestaat

De organen van de centrale overheid zijn:

  • de wetgevende organen;

  • bestuursorganen;

  • rechtelijke organen;

  • organen met een complementaire functie.

 

In beginsel zijn op het niveau van de centrale overheid twee organen als tot regelgeving bevoegde organen aangewezen middels attributie in de Grondwet. Deze organen zijn:

  • de formele wetgever;

  • de regering.

 

Daarnaast zijn ook de volgende organen bevoegd tot regelgeving op het niveau van de centrale overheid:

  • de minister;

  • enkele zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s).

 

De volgende organen zijn aan te merken als bestuursorganen:

  • de regering;

  • ministers en staatssecretarissen;

  • alle zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s).

 

Het orgaancomplex van de ‘gewone’ burgerlijke en strafrechter bestaat uit:

  • negentien rechtbanken;

  • vijf gerechtshoven;

  • de Hoge Raad.

 

Voorbeelden van tuchtrechtspraak zijn:

  • de vijf regionale tuchtcolleges en het Centraal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;

  • het tuchtcollege voor de scheepvaart op basis van de Zeevaartbemanningswet; en

  • het CBB op grond van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie of de wet tuchtrechtspraak accountantsorganisaties.

 

De organen met een complementaire functie zijn:

  • de Algemene Rekenkamer;

  • de Nationale ombudsman;

  • de Raad van state; en

  • de colleges van advies.

 

Onder Belgische invloed werden de volgende dingen ingevoerd in de Grondwet van 1815:

  • het tweekamerstelsel: de Eerste Kamer wordt benoemd door de Koning, de Tweede Kamer wordt gekozen door de Provinciale Staten;

  • openbaarheid van de vergaderingen van de Tweede Kamer;

  • drukpersvrijheid en petitierecht uitdrukkelijk gewaarborgd.

Hoofdstuk 11: Parlement: samenstelling, organisatie en werkwijze

Het Nederlandse parlement (de Staten-Generaal) bestaat uit:

  • de Tweede Kamer;

  • de Eerste Kamer.

 

De verschillen tussen de Eerste Kamer en de Tweede Kamer zijn:

  • de Eerste Kamer heeft niet het recht van amendement (het wijzigen van wetsvoorstellen), dit heeft de Tweede Kamer namelijk wel;

  • de Eerste Kamer heeft ook geen recht van initiatief (het recht om wetsvoorstellen in te dienen), de Tweede Kamer heeft dit namelijk wel;

  • de Eerste Kamer wordt gekozen door de leden van de Provinciale Staten middels getrapte verkiezingen;

  • de Tweede Kamer wordt rechtstreeks door de burgers gekozen.

 

Art 54 Grondwet noemt drie vereisten voor het stemrecht ofwel actief kiesrecht:

  • het Nederlanderschap;

  • een minimumleeftijd van achttien jaar;

  • niet uitgesloten zijn op grond van art. 54 lid 2 Grondwet van het actief kiesrecht.

 

De vereisten voor het passief kiesrecht (verkiesbaarheid) zijn:

  • het Nederlanderschap;

  • een minimumleeftijd van achttien jaar;

  • niet uitgesloten zijn op grond van art. 54 lid 2 Grondwet van het actief kiesrecht.

 

Er zijn de volgende kiesstelsels:

  • een meerderheidsstelsel;

  • het districtenstelsel;

  • evenredige vertegenwoordiging;

  • een personenstelsel;

  • een lijstenstelsel.

 

In een lijstenstelsel staan op het stembiljet de kandidaten gerangschikt in bepaalde lijsten. Als de kiezer de mogelijkheid heeft binnen de lijst zijn voorkeur kenbaar te maken onderscheidt men stelsels waarbij:

  • de kandidaten in een willekeurige volgorde op de lijst zijn opgesomd en de kiezer kan dus nummeren;

  • nummering is in principe mogelijk, maar de kandidaten op de lijst zijn wel gerangschikt in een aanbevolen volgorde;

  • de kiezer voor overdracht van zijn stem aan de volgorde van de lijst is gebonden, maar hij mag wel aangeven op wie hij in de eerste plaats zijn stem wil zien uitgebracht;

  • de kiezer kan zijn stem alleen uitbrengen op de lijst als geheel en de overdracht van stemmen vindt plaats langs de volgorde van de lijst.

 

Bij de Tweede Kamerverkiezingen, de verkiezingen van de Provinciale Staten en de gemeenteraden dienen voor de berekening van de uitslag verschillende fases te worden doorlopen:

  • het vaststellen van de kiesdeler;

  • het toewijzen van zetels via de kiesdelen;

  • het toewijzen van restzetels;

  • het toepassen van de kiesdrempel.

 

Parlementariërs hebben een tweetal bijzondere rechten, die ieder een aspect vormen van de parlementaire onschendbaarheid. Deze rechten zijn:

  • een waarborg tegen lichtvaardig ingrijpen van justitie op grond van art. 119 Grondwet;

  • vrijheid van spreken in het parlement op grond van art. 71 Grondwet.

Hoofdstuk 12: De regering: samenstelling, organisatie en werkwijze

De samenstellende delen van het orgaan regering zijn op grond van art. 42 lid 1 jo. 46 lid 2 Grondwet:

  • de Koning;

  • ministers (en staatssecretarissen).

 

Met kabinet wordt bedoeld:

  • ministers, en

  • staatssecretarissen.

 

De minister-president is:

  • minister van Algemene Zaken;

  • vertegenwoordiger van het kabinet als geheel;

  • degene die de eenheid van het regeringsbeleid bevordert.

 

De kabinetsformatie verloopt als volgt:

  • de Koning wint advies in van enige politiek vooraanstaande personen (bijvoorbeeld de vice-president van de Raad van State en de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer en die van de Tweede-Kamerfracties ;

  • daarna benoemt de Koning een formateur of een informateur;

  • tijdens de informatie en de formatie wordt er overleg gepleegd met de betrokken fracties;

  • wanneer de formatie tot een succesvol einde is gebracht, dan houdt het aspirant-kabinet zijn constituerende vergadering, waarna benoeming en beëdiging door de koning volgen.

 

Tegen de huidige gang van zaken zijn een aantal bezwaren opgetreden. Deze bezwaren zijn gericht:

  • op het feit dat vele kabinetsformaties zich in het geheim afspelen;

  • op het feit dat de noodzaak tot het komen van compromissen leidt tot moeizame formaties die langduren, omdat de partijen zoveel mogelijk willen realiseren van hun partijprogramma;

  • op het feit dat uit de verkiezingsuitslag op zichzelf geen bepaalde regeringsmeerderheid valt af te leiden, oefent de kiezer weinig invloed uit op de vorming van een regeringscombinatie en moet hij afwachten hoe zijn politieke partij zich opstelt tijdens de informatie en de formatie.

 

Er zijn in der loop der jaren diverse suggesties gedaan. Deze suggesties zijn:

  • sinds de formatie-Cals in 1965 is het een gewoonte geworden dat omtrent de formatie meer bekend wordt gemaakt;

  • als de fracties in mindere mate betrokken zouden worden bij het opstellen van het regeringsprogram, dan zou dit minder tijd kosten: echter zou het gevolg wel zijn dat het democratisch gehalte van het program zal afnemen;

  • een politieke wisseling van de wacht zonder verkiezingen is niet meer zo gewenst in het algemeen.

 

Op het laatste punt zijn een aantal voorstellen gedaan om de invloed van de kiezer op de samenstelling van het kabinet te bevorderen:

  • rechtstreekse verkiezing van de minister-president;

  • rechtstreekse verkiezing van een formateur;

  • voordracht van de formateur door de Tweede Kamer.

Hoofdstuk 13: De verhouding tussen de regering en het parlement: historie en de actuele gelding van het parlementaire stelsel

Bij de grondwetsherziening van 1848 was er een belangrijke verschuiving in de bevoegdheidsverdeling tussen Koning, ministers en Staten-Generaal aangebracht:

  • rechtstreekse verkiezingen van de leden van de Tweede Kamer (ook die van Provinciale Staten en gemeenteraden);

  • de Koning kreeg het recht elk der Kamers te ontbinden;

  • jaarlijkse vaststelling van de rijksbegroting;

  • de Tweede Kamer krijgt het recht van amendement, het recht van enquête of onderzoek en het recht van interpellatie;

  • van een aantal onderwerpen wordt de regeling uitdrukkelijk aan de wet opgedragen.

 

De hoofdbestanddelen van het huidige Nederlandse parlementaire stelsel zijn:

  • de Koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk (art. 42 lid 2 Grondwet);

  • de verantwoording moet aan het parlement over alle daden van de Koning worden afgelegd, maar ook over de eigen dagen alsmede die van de onder de minister ressorterende ambtenaren;

  • de verantwoording betreft het hele bestuur, ook ingevallen waar een bestuurlijke bevoegdheid een zekere mate van koninklijke beleidsvrijheid lijkt te suggereren;

  • ministers die het vertrouwen van het parlement verliezen moeten aftreden (de vertrouwensregel);

  • in geval van een conflict tussen kabinet en parlement kan bij koninklijk besluit worden overgegaan tot ontbinding van een of beide Kamers op grond van art. 64 Grondwet;

  • benoeming en ontslag van de minister-president en de overige ministers (art. 43 Grondwet) kunnen slechts plaatsvinden op basis van de wensen van de parlementaire meerderheid;

  • waar in het voorgaande gesproken wordt van ‘parlement’ dient veelal gelezen te worden: Tweede Kamer, maar de meningen zijn verdeeld of dit ook van toepassing is op de verhouding tussen de Eerste Kamer en het kabinet.

 

De omvang van de ministeriële verantwoordelijkheid is:

  • dat de minister verantwoordelijk is voor zijn eigen handelingen waaronder privé-handelingen;

  • dat de minister verantwoordelijkheid draagt voor genomen besluiten in de ministerraad;

  • dat de minister op grond van art. 42 lid 2 Grondwet verantwoordelijk is voor het handelen van de Koning;

  • dat de minister verantwoordelijk is voor het handelen van de ambtelijke dienst die onder hem ressorteert.

 

De verplichtingen voor de minister door zijn politieke verantwoordelijkheid zijn:

  • het verschaffen van alle inlichtingen aan het parlement;

  • het afleggen van verantwoording: het uitleggen, motiveren en verdedigen van zijn beleid of door of namens hem genomen beslissingen;

  • dat in de praktijk de minister in debat moet met het parlement over de vraag of hij adequaat heeft gehandeld;

  • dat de minister zal moeten accepteren dat over zijn beleid een oordeel wordt uitgesproken en de consequenties daarvan moet aanvaarden.

 

Een situatie die vaker voorkomt, is die waarin het vertrouwen wordt opgezegd in een individuele minister. Voor het heenzenden van een minister zijn geen bepaalde vormen voorgeschreven. Het kan gebeuren door:

  • aanneming van een motie, die kan worden opgevat als een motie van wantrouwen;

  • aanneming van een door de minister (of kabinet) ‘onaanvaardbaar’ verklaard amendement;

  • verwerping van een begroting van ontvangsten en uitgaven.

Hoofdstuk 14: Overige organen van de centrale overheid

Binnen de centrale overheid zijn er nog tal van andere organen met publiekrechtelijke bevoegdheden. Zij zijn onder te verdelen in:

  • organen van de rechtelijke macht;

  • hoge colleges van staat;

  • vaste colleges van advies;

  • zelfstandige bestuursorganen.

 

Met hoge colleges van staat en het kabinet van de Koning(in) wordt er gedoeld op:

  • de Tweede Kamer;

  • de Eerste Kamer;

  • de Raad van State;

  • de Algemene Rekenkamer;

  • de Nationale ombudsman.

 

De kenmerken van de Raad van State zijn:

  • dat de historie teruggaat die teruggaat tot 1531;

  • dat in de Grondwet van 1814 de Raad van State de functie kreeg van adviescollege van de Koning;

  • dat bij de grondwetsherziening van 1848 werd geopperd om de Raad van State af te schaffen, maar dat dit niet is gebeurd;

  • dat de taken in de loop der jaren zijn uitgebreid, zodat de Raad van State bijvoorbeeld ook in bestuursrechtelijke zaken bindende uitspraken kan doen;

  • dat de leden van de Raad van State volgens art. 74 lid 2 Grondwet bij koninklijk besluit voor het leven benoemd worden.

 

De kenmerken van de Algemene Rekenkamer zijn:

  • dat de Algemene Rekenkamer in de Grondwet van 1814 werd opgenomen;

  • dat de Algemene Rekenkamer op basis van art. 76 Grondwet zij belast is met het jaarlijks onderzoek van de ontvangsten en uitgaven van het Rijk;

  • dat de Algemene Rekenkamer de jaarlijkse rekening goed dient te keuren;

  • dat de Algemene Rekenkamer op grond van art. 82 lid 2 jo. 22 Cw toeziet op de rechtmatigheid, ordelijkheid en controleerbaarheid van het gevoerde financieel beleid;

  • dat de Algemene Rekenkamer bestaat uit drie leden (art. 70 Cw);

  • dat de Algemene Rekenkamer bij koninklijk besluit voor het leven wordt benoemd uit een voordracht van drie personen die is opgemaakt door de Tweede Kamer (art. 77 lid 1 Grondwet).

 

Bekende zelfstandige bestuursorganen zijn onder meer:

  • de Autoriteit Financiële Markten (AFM);

  • het College Bescherming Persoonsgegevens;

  • het Commissariaat voor de Media,

  • de Nationale Mededingingsautoriteit (Nma);

  • Staatsbosbeheer;

  • de Waarderingskamer.

 

De kenmerken van zelfstandige bestuursorganen in de wet zijn:

  • dat ze niet duidelijk omschreven zijn;

  • ze zijn doordat ze niet duidelijk zijn omschreven niet makkelijk te herkennen;

  • dat ze zeer divers zijn: dit betekent dat de samenstelling, de inrichting en de bevoegdheden van zelfstandige bestuursorganen per (oprichtings)regeling verschillen.

Hoofdstuk 15: De verzorgingsstaat

De overheid voert van oudsher een aantal traditionele taken uit:

  • defensie;

  • politie;

  • rechtspraak;

  • waterstaat;

  • onderwijs;

  • sociale zorg.

 

Na 1848 kwamen er drie controversen op de voorgrond. Deze controversen waren:

  • schoolstrijd;

  • sociale kwestie;

  • kiesrecht.

 

De oplossingen voor de problemen met betrekking voor de schoolstrijd en de kiesrechtkwestie bij de grondwetsherziening van 1917 waren:

  • algemeen kiesrecht voor mannen; mogelijkheid om in de Kieswet algemeen kiesrecht aan vrouwen toe te kennen;

  • overgang van meerderheidsstelsel met districten naar kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging;

  • financiële gelijkstelling van bijzonder met openbaar algemeen vormend lager onderwijs.

 

Een aantal factoren heeft geleid tot de toename van overheidsingrijpen in het verdere verloop van de twintigste eeuw:

  • de economische depressie van de jaren dertig zorgde ervoor dat er handelspolitieke maatregelen werden genomen;

  • ordening van economische activiteiten in verschillende branches;

  • het voeren van een bewuste werkgelegenheidspolitiek;

  • het sturen van het economisch proces;

  • de introductie van enkele sociale voorzieningen;

  • er werden maatregelen genomen om achterstanden van groepen weg te werken;

  • subsidiëring door de overheid;

  • het regels treffen om de belangen van groepen te beschermen;

  • aanpassing van het milieubeleid;

  • strikte toelatingswetgeving.

 

De ontwikkeling van het volksvertegenwoordiging heeft het volgende tot gevolg:

  • de controlerende functie van het parlement is in belang toegenomen;

  • de Staten-Generaal wordt ook in de beleidsvoorbereiding worden betrokken.

 

Volgens de kwaliteitseisen dienen wetten:

  • doeltreffend te zijn;

  • doelmatig te zijn;

  • uitvoerbaar en handhaafbaar te zijn;

 

De wetgever is in beginsel het bevoegde orgaan op financieel gebied:

  • de begroting van de ontvangsten en de uitgaven van het Rijk wordt bij wet vastgesteld (art. 105 lid 1 Grondwet);

  • de verantwoording van uitgaven en inkomsten wordt naar wettelijke voorschriften aan de wetgevende macht gedaan (art. 105 lid 3 Grondwet);

  • belasting kan alleen worden geheven op grond van een wet (art. 104 Grondwet).

 

De recht- en doelmatigheidscontrole van de Staten-Generaal vindt van oudsher bij de volgende gelegenheden plaats:

  • bij de behandeling van het Financieel jaarverslag van het Rijk (art. 63 lid 1 Cw);

  • indien een indemniteitswet noodzakelijk is (art. 89 lid 1 jo. 63 lid 3 Cw.);

  • bij de bespreking van het Verslag dat de Rekenkamer gebruikelijk is op te maken van haar bevindingen over een afgelopen begrotingsjaar (art. 83 lid 3 Cw);

  • of bij andere (incidentele) rapporten die de Algemene Rekenkamer nodig oordeelt (art. 82 lid 5 Cw).

Hoofdstuk 16: Wetgeving

In het grondwettelijk systeem voor 1848 scholen twee moeilijkheden. Deze moeilijkheden zijn:

  • het was niet op het eerste gezicht duidelijk hoe de bevoegdheidsverdeling was met betrekking tot onderwerpen die niet uitdrukkelijk in de Grondwet waren genoemd, zoals arbeidswetgeving, de invoering van de zomertijd of de vestiging van bedrijven;

  • verder was het niet duidelijk of de Koning op de gebieden waarop hij tot optreden bevoegd was, mocht overgaan tot regelgeving.

 

Uit het Meerenberg-arrest kwamen de volgende punten:

  • aan de ene kant mag de Koning bij amvb-regels stellen op die terrein die volgens de Grondwet tot zijn bevoegdheid behoren;

  • aan de andere kant is op alle andere terreinen de wetgever geroepen tot regelgeving, met dien verstande dat de wetgever dan op zijn beurt het stellen van nadere regelen mag delegeren aan de Kroon (de amvb is volgens de HR in zo’n geval ‘uitvoering’).

 

Het wetgevingsproces wanneer een wetsvoorstel is ingediend door of vanwege de Koning:

  • voorbereiding;

  • advisering Raad van State;

  • indiening van voorstel en memorie van toelichting bij Koninklijke Boodschap bij de Tweede Kamer;

  • voorbereiding onderzoek in de Tweede Kamer;

  • openbare behandeling in de Tweede Kamer;

  • verzending van het aangenomen voorstel van wet door de Voorzitter van de Tweede Kamer naar de Eerste Kamer;

  • voorbereidend onderzoek in de Eerste Kamer;

  • openbare behandeling in de Eerste Kamer;

  • kennisgeving van het aannemen van het voorstel aan de Koning en de Tweede Kamer;

  • bekrachtiging door de Koning;

  • bekendmaking.

 

De gang van een wetsvoorstel ingediend door de Tweede Kamer der Staten-Generaal:

  • voorbereidend stadium;

  • advies Raad van State;

  • parlementaire behandeling;

  • bekrachtiging door de Koning;

  • bekendmaking.

 

De voordelen van delegatie zijn:

  • vergroting van de doelmatigheid;

  • de wetgever kan meer zaken aanpakken.

 

De nadelen van delegatie zijn:

  • geringe zeggenschap van het parlement;

  • geringe bescherming.

Hoofdstuk 17: Bestuur

Er zijn diverse onderwerpen die onderwerp kunnen zijn van bestuurlijk handelen. Deze onderwerpen kunnen onder andere zijn:

  • het opstellen van nota’s met betrekking tot de ruimtelijke ordening;

  • het voeren van een studiebeurzenbeleid;

  • het geven van richtlijnen aan de Procureurs-Generaal inzake de toepassing van de voorlopige hechtenis;

  • het bevorderen van de integratie van minderheden;

  • het ontwikkelen van een integraal veiligheidsbeleid;

  • de bestrijding van de werkeloosheid;

  • verbetering van het zorgstelsel;

  • de stadsvernieuwing;

  • het ouderenbeleid.

 

Er zijn vier hoofdgroepen van bestuurshandelingen. Deze hoofdgroepen zijn:

  • eenzijdige publiekrechtelijke rechtshandelingen;

  • meerzijdige publiekrechtelijke rechtshandelingen;

  • privaatrechtelijke rechtshandelingen;

  • feitelijk handelen.

 

Bij eenzijdige publiekrechtelijke rechtshandelingen zijn er verschillende soorten. Deze soorten zijn:

  • materiële wetgeving (algemeen verbindende voorschriften), zoals een wet in formele zin, amvb en bij ministeriële regeling;

  • beleidsregels;

  • plannen;

  • overige besluiten van algemene strekking.

 

Bij individuele of beschikkingen die voor meerdere personen gelden zijn ook een paar soorten te onderscheiden:

  • statusverleningen;

  • vergunningen;

  • subsidies;

  • schorsing/vernietiging/goedkeuring;

  • bevelen om iets te doen;

  • bestuurssancties.

 

In de Awb zijn er algemene beginselen van behoorlijk bestuur geformuleerd. Er zijn beginselen:

  • die betrekking hebben tot het proces van voorbereiding en besluitvorming zoals het beginsel van zorgvuldige voorbereiding en het fairplaybeginsel;

  • die betrekking hebben tot de motivering en inrichting van besluiten, dit zijn het motiveringsbeginsel en het formeel rechtszekerheidsbeginsel.;

  • die betrekking hebben op de inhoud: dit zijn beginselen zoals:

  • het materiële rechtszekerheidsbeginsel;

  • het vertrouwensbeginsel;

  • het gelijkheidsbeginsel;

  • het verbod van détournement de pouvoir;

  • het verbod van willekeur;

  • het evenredigheidsbeginsel.

Hoofdstuk 18: Historisch overzicht

De samenstelling van de gewesten wisselde per gewest:

  • in Holland en Zeeland overheerste de steden;

  • in de overige gewesten had het platteland een belangrijkere stem in het kapittel.

 

Het stadsbestuur bestond uit:

  • schout;

  • schepenen;

  • twee of vier burgemeesters die het overig bestuur behartigden.

 

De Staatsregeling van 1798 zorgde voor de volgende dingen:

  • verdeling van het grondgebied in departementen;

  • afschaffing van de voorrechten;

  • de verschillen in organisatie tussen stad en platteland werden ook afgeschaft.

 

In de Staatsregeling van 1801 veranderde de volgende dingen:

  • de namen en grenzen van de oude zeven provinciën kwamen weer terug, met Brabant als achtste departement;

  • zowel de departementen als gemeenten kregen een zekere mate van zelfstandigheid.

 

De Grondwet van 1814 zorgde voor andere veranderingen:

  • de breuk met de sterke centralisatie van het overheidsgezag uit de Franse tijd;

  • provincies en lokale gemeenschappen kregen een eigen bestuursverantwoordelijkheid;

  • de Staten mochten hun eigen inrichting regelen, maar wel onder goedkeuring van de Vorst.

 

De Grondwet van 1848 zorgde voor de volgende veranderingen:

  • het plaatselijk bestuur werd geüniformeerd;

  • de steden, districten en dorpen werden vervangen door gemeenten;

  • de samenstelling van de gemeentelijke besturen zou voortaan bij wet worden geregeld;

  • aan de hoofd van de gemeente zou een door de kiesgerechtigden gekozen ‘raad’ staan;

  • de voorzitter van die raad zou door de Koning worden benoemd;

  • de Provinciale Staten werden ook rechtstreeks gekozen.

 

Ontwikkeling van het aantal waterschappen in de jaren:

  • op 1 januari 1953 waren er 2544 waterschappen;

  • in 1980 waren er 347;

  • op 1 januari 1992 waren er 200 waterschappen;

  • het huidig aantal waterschappen is 26.

 

De bedrijfslichamen zijn opgezet als samenwerkingsverbanden van ondernemers- en werknemersorganisaties in de diverse branches van economische bedrijvigheid. De besturen van deze lichamen bestaan uit:

  • vertegenwoordigers aan de kant van de ondernemers;

  • vertegenwoordigers aan de kant van de werknemers.

 

De taak van de schappen is:

  • het bevorderen van een algemeen belang door de ondernemingen waarvoor ze zijn ingesteld;

Hoofdstuk 19: Organen van gemeenten en provincies

Op grond van art. 125 Grondwet wordt er aangegeven uit welke organen het bestuur van de gemeenten bestaat. Het bestuur van gemeenten bestaat uit:

  • de gemeenteraad;

  • het college van burgemeester en wethouders;

  • de burgermeester.

 

Op grond van art. 125 Grondwet wordt er aangegeven uit welke organen het bestuur van de provincies bestaat. Het bestuur van provincies bestaat uit:

  • de provinciale staten;

  • gedeputeerde staten;

  • de commissaris van de Koning.

 

Het aantal leden van een gemeenteraad varieert:

  • van negen leden in gemeenten beneden de 3001 inwoners;

  • tot vijfenveertig in gemeenten met meer dan 200.000 inwoners.

 

Op grond van art. 13 Gemeentewet zijn er een aantal met het raadslidmaatschap onverenigbare betrekkingen. Deze betrekkingen zijn:

  • die van minister;

  • die van staatsecretaris;

  • lid van de Raad van State;

  • lid van de Algemene Rekenkamer;

  • (substituut-) Ombudsman;

  • gedeputeerde en commissaris van de Koning.

 

De gemeenteraad heeft de volgende bevoegdheden:

  • het vaststellen van gemeentelijke verordeningen;

  • het vaststellen van een ‘noodverordening’;

  • het vaststellen van de begroting en de jaarrekening.

 

De bevoegdheden van burgemeester en wethouders zijn:

  • het voeren van het dagelijks bestuur van de gemeente;

  • het voorbereiden en uitvoeren van beslissingen van de raad;

  • het aansturen van de ambtelijke organisatie van de raad;

  • het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen;

  • het besluiten tot het voeren van rechtsgedingen;

  • het instellen, afschaffen of veranderen van jaarmarkten en marktdagen.

 

De burgemeester wordt:

  • volgens art. 131 Grondwet bij koninklijk besluit benoemd;

  • voor zes jaar benoemd;

  • ontslagen bij koninklijk besluit, maar kan zelf vragen om zijn ontslag;

  • niet rechtstreeks ontslagen door de gemeenteraad.

 

De bevoegdheden van de burgemeester zijn:

  • dat hij toezicht moet houden op de andere organen;

  • het handhaven van de openbare orde in de gemeente;

  • het maken van noodverordeningen;

  • het geven van eventuele noodbevelen;

  • het eventueel opleggen van beperkingen aan betogingen.

 

De Gemeentewet onderscheidt vijf types commissies:

  • raadscommissies;

  • bestuurscommissies;

  • ‘andere’ commissies;

  • deelgemeentebesturen;

  • onderzoekscommissies.

Hoofdstuk 20: Autonomie en medebewind

In beginsel zou dit vraagstuk niet veel moeilijkheden moeten oproepen, omdat:

  • tegenover de vrijheid om te handelen staat de verplichting om mee te werken;

  • de eigen huishouden tegenover de uitvoering staat van wat het hoger gezag heeft geregeld.

 

Er zijn twee soorten bevoegdheden die tot regeling en bestuur, welke aan de provinciale en gemeentelijke besturen wordt overgelaten en die tot medewerking aan de uitvoering van hogere regelingen wordt ‘gevorderd’. Deze bevoegdheden zijn:

  • autonomie;

  • medebewind.

 

De inhoud van de driekringenleer is:

  • elk lichaam had een natuurlijk werkterrein;

  • de huishouding van elk lichaam had een onveranderlijke inhoud;

  • er waren duidelijke grenzen;

  • een belang kan maar door een kring worden behartigd;

  • de aard van een belang was belangrijk voor de vraag wie van de kring dat belang mocht verdedigen.

 

Het onderscheid tussen de kringen verwaterde door:

  • de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor in medebewind verrichte handelingen;

  • de omvang van de verantwoordingsplicht jegens gemeenteraad en provinciale staten.

 

Het onderscheid tussen autonomie en medebewind is nog altijd relevant, maar in een beperkt aantal gevallen. Deze gevallen zijn:

  • de bevoegdheid tot regelgeving en bestuur met betrekking tot de huishouding;

  • taakverwaarlozing;

  • opdragen van taken aan andere organen dan die genoemd in art. 125 Grondwet.

Hoofdstuk 21: Taken en bevoegdheden provincies en gemeenten

Het takenpakket van de provincie omvat:

  • ruimtelijke ordening;

  • waterstaat;

  • verkeersvoorzieningen;

  • milieuhygiëne;

  • industrialisatie en werkgelegenheid;

  • recreatie en natuur- en landschapsbescherming;

  • cultuur en gezondheidszorg;

  • toezicht op lagere overheden;

  • rampenbestrijding.

 

De taakinvulling omtrent milieubescherming houdt het volgende in:

  • het steunen van stichtingen die werkzaam zijn op het gebied van milieubescherming;

  • het vaststellen van strafverordeningen;

  • de zorg voor milieuhygiëne;

  • het eventueel verlenen van milieuvergunningen.

 

De rol van de commissaris van de Koning is aanzienlijk afgenomen, maar hij kan nog wel de volgende dingen doen:

  • hij bewaakt de procedure van benoeming van de burgemeester;

  • hij stelt een profielschets op van de burgemeester (art. 61 lid 2 Gemeentewet);

  • hij ontvangt de binnenkomende sollicitaties;

  • hij maakt de eerste keuze uit geschikte kandidaten voor de functie (art. 61 lid 3 Gemeentewet);

  • hij fungeert als intermediair voor het inwinnen van informatie over de kandidaten (art. 61 lid 4 Gemeentewet);

  • verder heeft de commissaris van de Koning ook invloed op de benoeming van korpschefs van de politiekorpsen (art. 25 lid 2 Politiewet 1993).

 

De taken van de gemeente zijn op het gebied van:

  • openbare veiligheid;

  • volkshuisvesting;

  • onderwijs, cultuur en recreatie;

  • sociale zorg;

  • welzijn en volksgezondheid;

  • milieubescherming;

  • economische aangelegenheden.

 

De gemeente kan op grond van de Gemeentewet krachtens een verordening belasting onder meer deze belastingen heffen:

  • onroerend zaakbelasting;

  • de gebruikersbelasting voor woon- en bedrijfsruimten;

  • de baatbelasting;

  • de forensenbelasting;

  • de toeristenbelasting;

  • de parkeerbelasting.

Hoofdstuk 22: Verhouding tot het Rijk

De nationale overheid beschikt over de volgende middelen om dwang uit te oefenen op gemeenten en provincies met betrekking tot de taakvervulling:

  • de nationale overheid kan bepalen welke bevoegdheden zij zelf wil uitoefenen en welke bevoegdheden naar de gemeenten en provincies gaan;

  • de nationale overheid oefent toezicht uit op de gemeenten en provincies met betrekking tot het uitoefenen van hun taken;

  • de nationale wetgever zorgt voor invulling van de grondwettelijke inrichting daarvan.

 

Besluiten van de provincies en gemeentes kunnen worden vernietigd op grond van:

  • strijd met het recht;

  • strijd met het algemeen belang.

 

De Kroon moet de volgende stappen doorlopen voordat een besluit daadwerkelijk kan worden vernietigd:

  • er moet kennis worden genomen van het te vernietigen besluit;

  • de burgemeester dient alle gemeentelijke besluiten die voor vernietiging in aanmerking komen melden aan gedeputeerde staten, die vervolgens de betreffende minister inlichten: voor de commissaris van de Koning geldt op grond van art. 266 Provinciewet hetzelfde;

  • als de Kroon niet binnen vier weken tot schorsing of vernietiging overgaat, dan moeten ze alsnog worden uitgevoerd (art. 274 Gemeentewet).

 

Andere vormen van toezicht zijn:

  • positief toezicht;

  • overleg;

  • meldingsplicht.

 

Bij autonome verordeningen zijn er drie thema’s die steeds terugkomen in de rechtspraak. Deze thema’s zijn:

  • de omvang van de autonome verordenende bevoegdheid;

  • de verenigbaarheid van autonome verordeningen met hoge regelingen;

  • het leerstuk van de onsplitsbare wilsverklaringen in dat verband.

Hoofdstuk 23: Het Koninkrijk der Nederlanden

De hoofdkenmerken van het Statuut zijn:

  • vrijwillige aanvaarding;

  • autonomie van de landen;

  • gelijkwaardigheid van de landen;

  • onderlinge bijstand en samenwerking.

 

De Koninkrijksorganen zijn:

  • de Koninkrijksregering;

  • de Raad van ministers van het Koninkrijk;

  • de Rijkswetgever;

  • de Raad van State;

  • de Hoge Raad.

 

Er zijn twee nieuwe landen ontstaan. Deze landen zijn:

  • Curaçao;

  • Sint-Maarten.

 

De BES-eilanden bestaat uit:

  • Bonaire;

  • Sint Eustatius;

  • Saba.

Hoofdstuk 24: De rechter

De Grondwet bepaalt het volgende over toegang tot de rechter:

  • art. 112 lid 1 Grondwet bepaalt dat de competentie van de rechterlijke macht behoort tot geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen;

  • art. 113 lid 1 en lid 3 Grondwet bepaalt dat de Grondwet aan de rechtelijke macht de berechting van strafbare feiten opdraagt en een straf van vrijheidsontneming kan alleen door de rechtelijke macht worden opgelegd.

 

Uitzonderingen op art. 112 lid 1 Grondwet zijn:

  • op grond van art. 112 lid 2 Grondwet kan de wetgever de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan opdragen aan gerechten die niet tot de rechtelijke macht behoren:

  • ten aanzien van de geschillen die genoemd worden in art. 112 lid 2 Grondwet kan administratief beroep worden opengesteld (art. 115 Grondwet).

 

Het EHRM heeft twee begrippen die centraal staan. Deze begrippen zijn:

  • burgerlijke rechten en verplichtingen;

  • strafvervolging.

 

Het onafhankelijkheidsbeginsel steunt niet alleen op het recht op een eerlijk proces, maar ook op de gedachte van de scheiding tussen wetgeving en uitvoering enerzijds en rechtspraak anderzijds:

  • aan de ene kant treedt de rechter niet in de beoordeling van de opportuniteit van de wetgevende maatregelen;

  • aan de andere kant wordt hij wat de toepassing van wet en recht betreft niet onder druk gezet door regering en parlement.

 

De onafhankelijkheid van de rechter wordt door de Grondwet op de volgende manieren gerealiseerd:

  • benoemingsprocedure voor leden van de Hoge Raad: art. 118 lid 1 Grondwet;

  • benoeming voor het leven: art. 117 lid 1 Grondwet;

  • schorsing of ontslag door een bij de wet aangewezen, tot de rechtelijke macht behorende gerecht: art 117 lid 3 Grondwet;

  • rechtspositie is bij de wet geregeld: art. 117 lid 4 Grondwet.

 

Bij de onafhankelijkheid hecht het EHRM aan institutionele waarborgen tegen inmenging door de uitvoerende macht of door de partijen in de zaak. Het gaat daarbij om vier aspecten:

  • de wijze van benoeming;

  • de benoemingstermijn;

  • de waarborgen tegen druk van buitenaf;

  • de indruk naar buiten.

Hoofdstuk 25: Rechtsbescherming: de rechter

Er zijn een aantal mogelijkheden om op te treden tegen bepaalde beslissingen/besluiten van (bestuurs)organen/overheidshandelingen. Deze mogelijkheden zijn:

  • men wendt zich door middel van een bezwaarschrift tot het orgaan dat de beslissing heeft genomen teneinde aan te dringen op herziening of intrekking daarvan; in het kader van de bezwaarschriftenprocedure kijkt het orgaan niet alleen of er sprake is met strijd van met het recht, maar ze gaat volledig na of de aangevochten beslissing voor herziening in aanmerking komt;

  • men kan zicht tot het vertegenwoordigend orgaan wenden dat het beleid van het desbetreffende orgaan controleert, teneinde dit orgaan tot de orde te doen roepen of de aangevochten beslissing te doen wijzigen of intrekken; de bescherming wordt gezocht in de zeggenschapsmogelijkheden van het controlerende, vertegenwoordigde orgaan;

  • de belanghebbende kan bij wet het recht worden gegeven om zich te wenden tot een ander bestuursorgaan dan die het oorspronkelijk besluit had genomen;

  • wanneer door het onrechtmatige optreden een burgerlijk recht is geschonden, kan de benadeelde zich tot de burgerlijke rechter wenden om schadevergoeding of een andere remedie uit het civiele recht te verkrijgen; de bescherming wordt geboden door een onafhankelijke rechter;

  • er wordt een onafhankelijk rechterlijk college ingesteld dat bevoegd is op klacht van de belanghebbende onrechtmatige beslissingen van overheidsorganen nietig te verklaren (bestuursrechtspraak).

 

De drie vormen van rechtsbescherming die kunnen worden onderscheiden zijn:

  • de gewone rechter;

  • de bestuursrechter;

  • via het administratief bezwaar of beroep.

 

Op grond van art. 8.2 Awb e.v. kan er geen beroep worden ingesteld tegen:

  • besluiten inhoudend een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel (art. 8.2 Awb);

  • besluiten ter voorbereiding van privaatrechtelijke rechtshandelingen (art. 8.3 Awb);

  • categorale uitzonderingen (art. 8.4 Awb);

  • specifieke uitzonderingen (art. 8.5 Awb).

 

Op grond van art. 8.70 Awb e.v. kunnen de volgende uitspraken worden gedaan:

  • onbevoegdverklaring van de Rechtbank;

  • niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;

  • ongegrondverklaring van het beroep;

  • gegrondverklaring van het beroep.

 

Voorbeelden van gebieden waar bijzondere colleges als bestuursrechters optreden:

  • sociale zekerheid en ambtenarenrecht;

  • bedrijfsorganisatie en sociaal-economische wetgeving;

  • de Afdeling bestuursrechtspraak is in art. 47 WRvS aangewezen als rechter waarbij hoger beroep kan worden ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank.

 

Voorbeelden in gevallen waarin de gewone rechter als bestuursrechter optreedt:

  • als het gaat om directe belastingen;

  • bij het vaststellen van het Nederlanderschap.

Hoofdstuk 26: Andere vormen van rechtsbescherming

Bezwaar heeft de volgende kenmerken:

  • onder bezwaar wordt volgens art. 1:5 jo. art. 6:4 Awb het indienen van een bezwaarschrift bedoeld;

  • de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is volgens art. 6:7 Awb;

  • volgens art. 7.1 Awb dient degene eerst bezwaar aan te tekenen, want anders is het ingestelde beroep niet-ontvankelijk.

 

Beroep heeft de volgende kenmerken:

  • in sommige algemeen verbindende voorschriften wordt de belanghebbende een recht van beroep gegeven op een hoger bestuursorgaan;

  • men kan pas gebruik maken van het instellen van beroep bij de bestuursrechter, als er gebruik is gemaakt van dit administratief beroep (art. 7:1 lid 1, onder a. Awb).

 

Enkele voorbeelden van administratieve beroepsinstanties zijn:

  • als door bijzondere wetten administratief beroep op het college van gedeputeerde staten wordt geopend, geschiedt de behandeling daarvan overeenkomstig een door provinciale staten op te stellen verordening (art. 168 Provinciewet). Daarnaast bevat ook de Provinciewet zelf enige processuele bepalingen (art. 169-172 Provinciewet), onder andere met betrekking tot het oproepen en horen van getuigen en deskundigen;

  • de Gemeentewet;

  • de Flora- en faunawet.

 

De Awb geeft enkele algemene regels over het administratief beroep:

  • de termijn voor het indienen van een beroepsschrift bij het beroepsorgaan bedraagt zes weken (art. 6:7 Awb);

  • het horen van belanghebbende;

  • inzage van de stukken;

  • het maken van een verslag;

  • de termijn van 16 weken waarin beslist moet worden;

  • een motiveringsplicht voor het genomen besluit.

 

De ombudsman wordt:

  • voor een periode van zes jaar benoemd;

  • benoemd door de Tweede Kamer der Staten-Generaal op voordracht van de vice-president van de Raad van State, de president van de Hoge Raad en de president van de Algemene Rekenkamer;

 

Bij de beoordeling door de ombudsman hanteert hij onder meer de volgende behoorlijkheidsvereisten:

  • overeenstemming met het geschreven recht;

  • redelijkheid;

  • rechtszekerheid;

  • gelijke behandeling;

  • motivering;

  • onpartijdigheid/onvooringenomenheid;

  • hoor en wederhoor;

  • zorgvuldigheid ten aanzien van de procesgang, van de organisatie, en van het gedrag van de ambtenaar, correcte bejegening van de klager.

    Hoofdstuk 27: Rechterlijke toetsing

     

    De rechter mag niet toetsen in gevallen van:

    · als de Grondwet dit aangeeft;

    · als een andere wet dit aangeeft;

    · dat er algemene rechtsbeginselen zijn om aan te toetsen.

     

    De rechter mag de volgende zaken niet:

    · het schenden van het toetsingsverbod van art. 120 Grondwet;

    · het aan de wetgever opdragen

     

    Er zijn een aantal mogelijke uitkomsten wanneer blijkt dat een nationale regel strijdig is met hogere internationale verdragen. Deze uitkomsten zijn:

    · dat de nationale rechter de nationale bepaling verdragsconform gaat uitleggen;

    · dat de nationale rechter op grond van art. 94 Grondwet de nationale bepaling buiten toepassing verklaart;

    · de nationale rechter laat het voor de rekening van de wetgever om de nationale bepaling in strijd te laten met hogere internationale verdragen.

     

    Hoofdstuk 28: Algemene leerstukken

     

    In de Middeleeuwen vonden de volgende ontwikkelingen plaats:

    · opkomst van de steden;

    · de steden raken in grote bloei door handel en nijverheid;

    · opkomst van de burgerij als klasse;

    · de macht der oude standen neemt af;

    · de overheersende positie van de kerk nam af;

    · de opkomst van de centralistisch geregeerde staat.

     

    In 1814 werden maar een paar grondrechten aan de Grondwet toegevoegd. Deze rechten waren:

    · enkele justitiële waarborgen bij arrestatie;

    · overlevering aan de bevoegde rechter;

    · vrijheid van godsdienst.

     

    In 1815 werden er een paar grondrechten aan de Grondwet toegevoegd. Deze rechten waren:

    · de vrijheid van drukpers;

    · het recht op bescherming van eigendom;

    · onschendbaarheid van de woning;

    · het recht van petitie.

     

    Na 1848 werden de volgende grondrechten aan de Grondwet toegevoegd:

    · de vrijheid van onderwijs;

    · de vrijheid van vereniging en vergadering.

     

    Na 1983 zijn in vergelijking met de oude tekst van de Grondwet onder meer de volgende rechten toegevoegd:

    · vrijheid van meningsuiting;

    · recht tot betoging;

    · recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

    · recht op lichamelijk integriteit;

    · het habeas-corpus beginsel;

    · het nulla poena beginsel.

     

    Binnen het Europese Hof zijn er vier mogelijke samenstellingen te onderscheiden, die afhankelijk van de situatie de klacht kunnen behandelen:

    · de enkelvoudige kamer;

    · een comité van drie rechters;

    · een Kamer van zeven rechters;

    · de Grote Kamer.

     

    Er bestaan verschillende soorten grondrechten. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen:

    · klassieke grondrechten ofwel vrijheidsrechten;

    · sociale grondrechten;

    · gelijkheidsrechten.

     

    Een beperking op grond van het EVRM of IVBPR moet aan drie eisen voldoen. Deze eisen zijn:

    · dat de beperking bij wet moet zijn voorzien;

    · dat de beperking nodig dient te zijn in een democratische samenleving;

    · dat de beperking ter bescherming is van enkele specifieke belangen.

     

    Hoofdstuk 29: Specifieke rechten

     

    Het gelijkheidsbeginsel ofwel het verbod van discriminatie is neergelegd in diverse nationale en internationale bepalingen. Dit beginsel staat onder meer in:

    · art. 1 Grondwet;

    · art. 14 EVRM;

    · het Twaalfde Protocol bij het EVRM;

    · art 2 lid 1 IVBPR;

    · art. 3 IVBPR;

    · art. 2 lid 2 IVESCR.

     

    De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging is neergelegd in:

    · art 6 lid 1 Grondwet;

    · art 9 lid 1 EVRM;

    · art. 18 IVBPR.

     

    Bij het lezen van art. 7 Grondwet die betrekking heeft op de vrijheid van drukpers kunnen de nodige vragen worden gesteld. Deze tekst roept vragen op over de reikwijdte van het recht als de daarop mogelijke beperkingen:

    · wat is de reikwijdte van het begrijp drukpers;

    · wat moet er worden verstaan onder openbaren en verspreiden;

    · wat beteken het verbod van voorafgaande verlof en behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet in de zin van art. 7 lid 1 Grondwet?

    · in welke mate mag het verspreidingsrecht worden beperkt?

     

    In de rechtspraak zijn onder andere de volgende manieren van verspreiden als zelfstandig middel erkend:

    · het op straat verspreiden van gedrukte stukken;

    · het lopen, gaan of staan met sandwichborden;

    · het aanbrengen van teksten op onroerende goederen;

    · ook het uitlenen van boeken in een bibliotheek en het verkopen van boeken in het boekverkopersbedrijf valt hier onder.

     

    Het recht tot vereniging wordt beschermd in de volgende artikelen:

    · art. 8 Grondwet;

    · art. 11 EVRM;

    · art. 22 IVBPR.

     

    Het recht tot vergadering en betoging wordt beschermd in de volgende artikelen:

    · art. 9 Grondwet;

    · art. 11 EVRM;

    · art. 21 IVBPR.

     

    Art. 14 lid 1 Grondwet omkleedt de onteigening met twee waarborgen:

    · door middel van schadeloosstelling;

    · door middel van voorschriften, bij of krachtens de wet gesteld, over de wijze waarop de onteigening plaatsvindt.

     

    Art. 6 EVRM geeft de volgende eisen voor een eerlijk proces:

    · een eerlijke en openbare behandeling van het proces;

    · een berechting binnen een redelijke termijn;

    · een uitspraak in het openbaar, maar de toegang tot de rechtszaak kan onder bepaalde gronden aan de pers en het publiek worden ontzegd);

    · berechting door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.

Contributions

Summaries & Study Note of Rechten World Supporter

Log in or Create your Free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools

Access level of this page

  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private

Join World Supporter

Join World Supporter

to follow other supporters, see more content and use the tools
 
to see all content

Switch Font