Uitwerking hoorcolleges en basiscolleges Inleiding Strafrecht

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.


Hoorcollege 1

In het strafrecht gaat het niet alleen om de techniek maar ook om het bewust zijn van het feit dat het ten alle tijden om mensen gaat. Er zijn verschillende perspectieven om naar het strafrecht te kijken en daarmee een beeld te krijgen hoe er het meest effectief kan worden gewerkt binnen dit rechtsgebied.

Het strafrecht beschermt de maatschappij door misdaden te bestraffen en het beschermt de maatschappij tegen de overheid.

Materieel strafrecht

Materieel strafrecht betreft de voorwaarden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid en voor het opleggen van strafrechtelijke sancties. Het stelt grenzen en eisen aan het kunnen geven van straffen. Wanneer iets of iemand niet strafbaar is kan er niet worden bestraft. De strafbare feiten zijn te vinden in het wetboek van strafrecht (Sr). Dit wordt commuun strafrecht genoemd. Het bijzonder strafrecht zijn andere strafbare delicten in aparte wetten, bijvoorbeeld de Opiumwet of de wegenverkeerswet uit de wet in formele zin. Maar er zijn ook strafbare delicten te vinden in de wet in materiële zin zoals de APV.

Strafprocesrecht

Strafprocesrecht is het formeel strafrecht. Het gaat om de manier waarop de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een individu kan worden vastgesteld. Dit proces bestaat uit de opsporing, vervolging en de berechting. De grenzen en eisen aan het procesrecht zijn te vinden in het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het strafprocesrecht is er niet alleen om het materiële recht te omlijnen maar juist ook voor de waarheidsvinding en het bewerkstelligen van een eerlijk proces.

Doel en grondslag

Met het strafrecht worden problemen bestreden Wanneer er een strafbaar feit wordt gepleegd dient dit te worden aangepakt. Men stelt hoge verwachtingen aan het strafrecht, maar er zijn weinig mogelijkheden.

De grondslag van de straf is vergelding, dat wat misdaan is moet worden rechtgezet.

Om te zorgen dat er niet meer wordt misdaan moet de straf een preventieve werking hebben. Dat kan generale preventie zijn, hierbij wordt er een signaal afgegeven naar de maatschappij waardoor anderen niet dezelfde fout zullen begaan. En ook speciale preventie waarbij de persoon wordt geholpen om niet nog eens de fout in te gaan. Door te straffen wordt het recht weer hersteld. Er is onrecht aangedaan, dat moet worden vereffend om het onrecht weer recht te maken.

Het strafrecht heeft als overheidstaak om eigenrichting te voorkomen en een rechtszekerheid te creëren.

Strafbaar feit

Een strafbaar feit is opgebouwd uit 4 vaste onderdelen waaraan voldaan moet zijn.

  1. Menselijke gedraging. Wanneer de gedraging een handeling betreft noemen we het delict een commissie delict. Wanneer je iets niet doet wat wel van je verwacht wordt, heet het een omissie delict. Gedachtes vallen niet onder een gedraging en kunnen dus ook niet worden bestraft. Van een gedraging mag pas worden gesproken als de plannen en gedachten worden voorbereid met de benodigde handelingen.

  2. Delictsomschrijving. De menselijke gedraging moet binnen een wettelijke delictsomschrijving vallen. De delictsomscrhijving is de wettelijke omschrijving van het strafbare feit. De delictsomschrijving bestaat uit verschillende onderdelen, die bestanddelen genoemd worden. Bestanddelen kunnen objectief en subjectief zijn. Een gedraging is een objectief bestanddeel. De geestesgesteldheid is een voorbeeld van een subjectief bestanddeel. Beperkingen die niets te maken hebben met de gedraging of de geestegesteldheid zijn de overige bestanddelen.

  3. Wederrechtelijkheid. Een gedraging is wederrechtelijk als het in strijd is met het recht. Hierbij kan beroep gedaan worden op rechtvaardigingingsgronden, zoals noodweer.

  4. Verwijtbaar. Het feit moet te wijten zijn aan schuld. Dit kan aangevochten worden door je te beroepen op de afwezigheid van alle schuld, dus een schulduitsluitingsgrond.

De wederrechtelijkheid en de verwijtbaarheid komen in de volgende colleges aan bod. De wederrechtelijkheid en schuld zijn elementen van een strafbepaling. Deze week staat de delictsomschrijving centraal.

Een strafbepaling bestaat uit een delictsomschrijving, soms een kwalificatie-aanduiding en een sanctienorm. De strafbepaling is dat wat er in het Wetboek van Strafrecht staat. De delictsomschrijving is daar een onderdeel van.

3 voorbeelden die een paar van de bovengenoemde onderdelen illustreren:

Art. 287 Sr “hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.

‘Opzettelijk’ is het subjectieve bestanddeel.

‘een ander van het leven beroven’ is het objectieve bestanddeel.

‘schuldig aan doodslag’ is de kwalificatie aanduiding.

‘ten hoogste 50 jaar of een geldboete van de vijfde catergorie’ is de sanctienorm.

Art. 289 Sr “hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

Dit artikel bevat een extra subjectief bestanddeel, namelijk ‘voorbedachte rade’. Dit extra toegevoegde bestanddeel maakt het verschil tussen doodslag en moord.

Art. 310 Sr hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie

In deze delictsomschrijving wordt het element wederrechtelijkheid genoemd.

Door meer bestanddelen en elementen aan een delictsomschrijving toe te voegen zorgt de wetgever dat duidelijker is wat strafbaar is en wat de voorwaarden van strafbaarheid zijn.

Het strafbare feit in het strafprocesrecht

De structuur van een strafbaar feit zoals deze in een delictsomschrijving staat komt terug in het artikel 350 Sv.

  • Is het feit bewezen?

Zo niet, dan volgt vrijspraak van de verdachte.

  • Is het feit strafbaar? Deze moet dan binnen de delictsomschrijving vallen en niet door bijvoorbeeld noodweer worden uitgesloten.

Wanneer sprake is van een rechtvaardigingsgrond, zoals noodweer, volgt ontslag van alle rechtsvervolging.

  • Is de dader strafbaar? De dader is strafbaar, tenzij beroep gedaan wordt op een schulduitsluitingsgrond.

waneeer een schulduitsluitingsgrond goedgekeurd wordt, volgt ontslag van alle rechtsvervolging.

  • Welke straf moet worden opgelegd? Dit wordt bepaald in de delictsomschrijving en hierover doet de rechter uitspraak aan de hand van de afweging van belangen.

Het legaliteitsbeginsel

Bij de vraag of het feit strafbaar is moeten we kijken naar de delictsomschrijving. Om te voorkomen dat er onduidelijkheid bestaat over wat er precies wordt bedoeld moet de wetgever de delictsomschrijving zo precies mogelijk maken. Het legaliteitsbeginsel is terug te vinden in art. 1 lid 1 Sr en ook in art. 16 Gw en art. 7 EVRM. ‘Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wetsbepaling’. Het legaliteitsbeginsel zorgt voor rechtszekerheid en is daarbij belangrijk voor de rechtsbescherming. Ook heeft het te maken met de democratische legitimatie van de strafrechtspleging. De rechter is indirect gelegitimeerd binnen de grenzen van de wet. In het strafrecht wordt onder wet ook de wet in materiële zin verstaan, dit kan dus ook een wet op gemeentelijk niveau zijn.

Deelnormen van legaliteit

Het legaliteitsbeginsel stelt een aan eisen naar de wetgever toe ter bescherming van de burgers. De deelnormen van het legaliteitsbeginsel zijn:

  • Verbod op terugwerkende kracht (nullum crimen sine lege praevia). De strafbepaling moet vooraf bekend zijn.

  • Bepaaldheidsgebod, Lex Certa. Er moet zo precies mogelijk worden omschreven om onduidelijkheid te voorkomen.

  • Verbod op zwaarder straffen dan ten tijden van de gedraging in de bepaling was opgenomen (nulla poena sine lege praevia).

  • Analogieverbod, wat er voor zorgt dat gedragingen die lijken op een strafbare gedraging niet voor dezelfde bepaling worden gestraft. Een gedraging is alleen strafbaar als deze gedraging in de strafbepaling beschreven staat, niet wanneer deze op een andere gedraging lijkt. Dit heeft te maken met de uitleg van de rechter, de rechter mag iets niet uitleggen als iets strafbaars als het niet onder een strafbaar feit valt.

Lex certa en interpretatie

Lex certa is een opdracht naar de wetgever om duidelijke bepalingen te maken, zodat de burgers weten wat strafbaar is. Het legaliteitsbeginsel draait om de verhouding tussen de wetgever en de rechter. Hierbij beinvloeden de normen en de feiten elkaar.

Soms behoeven de wettelijke bepalingen interpretatie. . Wat wordt verstaan onder mishandeling en waar ligt de grens naar zware mishandeling. De wethistorische interpretatie kijkt naar wat de wetgever voor ogen had ten tijde van het opstellen van de bepaling. De teleologische interpretatie kijkt naar het doel van de delictsomschrijving. Gaat het om veiligheid of juist vrijheid. De grammaticale interpretatie gebruikt de woorden om tot een duidelijk uitleg te komen. Heel letterlijk of juist abstract. De systematische interpretatie gebruikt de structuur van de bepaling en vergelijkt deze met andere bepalingen.

In het Elektriciteit arrest stond de vraag of elektriciteit onder ‘enig goed’ moest worden verstaan centraal. Daarbij interpreteerde de HR dat de wetgever in de tijd dat de strafbepaling art. 310 Sr werd opgesteld, men niet had kunnen voorzien dat er zoiets als elektriciteit zou worden uitgevonden en dat er dus naar het doel moest worden gekeken. Dit is de teleologische interpretatie. Elektriciteit is op vermogen waardeerbaar en wanneer die van iemand wordt afgenomen, afgetapt, dan verliest hij een deel vermogen.

In het Tongzoen arrest waarin art. 242 Sr moest worden uitgelegd en of binnen die bepaling ook een afgedwongen tongzoen onder verkrachting kon vallen. Ook deze vraag werd positief beantwoord, waar meerdere interpretatie methoden aan te pas kwamen

De interpretatie en het analogieverbod

Een strafbepaling moet zoveel mogelijk dekken en de wetgever is daardoor genoodzaakt om sommige termen vaag te houden. Daarom staat er in de strafbepaling voor doodslag of moord ‘om het leven brengen’ de wijze waarop doet er niet toe. De delictsomschrijving moet alle uiteenlopende situaties dekken, maar als alle manieren waarop deze doodslag zou kunnen plaatsvinden in de bepaling moeten staan geeft dit nog meer onduidelijkheid. Wanneer er onduidelijkheid bestaat over de dekking van de strafbepaling, moet de rechter interpreteren. Dit mag extensief, maar de rechter mag hierbij niet het analogieverbod overschrijden. De rechter kijkt onder andere naar een gewenste maatschappelijke ontwikkeling die een bepaalde interpretatie met zich mee zal brengen.

De norm moet voldoende concreet zijn voor de burgers om het gedrag er op af te stemmen. Daarbij geldt dat er voor professionals meer mag worden verwacht, zoals in het Krulsla arrest duidelijk werd. De HR bepaalde in dit arrest dat een professional op de hoogte is of moet zijn van de normen en zich er dus naar moet gedragen wil hij niet strafbaar kunnen worden gesteld. Vervolgens is het de plicht van de burger om op de hoogte te zijn van de inhoud van de strafwet of deze in ieder geval te kunnen achterhalen bij twijfel. De plaats van een gedraging moet voldoende concreet zijn, Onbehoorlijk gedrag waarbij schoenen op de stoelen en krachttermen naar het treinpersoneel volgens verweer niet voldoende concreet waren voor onbehoorlijk gedrag in de zin van de bepaling. Dit was echter voldoende beperkt en geconcretiseerd tot het gedrag op stations en treinen naar personeel volgens de HR.

Basiscollege 1

Een arrestanalyse bestaat uit verschillende stappen:

  • De rechtsvraag beantwoorden

  • De feiten weergeven

  • De rechtsgang behandelen

  • De evaluatie schrijven

Alles hangt met elkaar samen. Je moet eerst het hele arrest doorlezen.

Het weergeven van de feiten over een arrest moet zonder het invoegen van juridische termen.

Bij het weergeven van de feiten moet je beginnen bij de conclusie van de Advocaat-Generaal. Dit verhaal mag je overnemen.

De reactie van het A-G gaat altijd in op het cassatiemiddel.

In de evaluatie van het arrest moet je een noot schrijven bij een arrest. Je moet het arrest eerst in een algemeen kader plaatsen, een algemeen verhaal houden dat los staat van het arrest zelf. Daarna ga je kijken naar de uitspraak en bepaal je of de uitspraak past bij de jurisprudentie tot nu toe.

De evaluatie is vorm vrij. Je mag het zelf opzetten.

Het is handig om te beginnen met het leerstuk waarbinnen je het arrest kunt plaatsen, in dit geval het legaliteitsbeginsel.

Hierover vertel je zo veel mogelijk wat relevant is voor het arrest.

Begin in de evaluatie altijd met een wettelijke bepaling.

Het legaliteitsbeginsel staat in artikel 1 van Strafrecht. Dit is een wet in materiele zin. Hierbij kunnen ook lagere wetgevers een strafbepaling opstellen. Lagere wetgevers mogen alleen overtredingen opstellen.

Het strafprocesrecht is landelijk geregeld.

Het legaliteitsbeginsel bestaat uit:

  • het verbod op terugwerkende kracht

  • Lex Certa. De strafbepalingen moeten duidelijk geformuleerd zijn. als dit niet duidelijk is, moet de rechter gaan interpreteren. Voor de interpretatie moet de rechter wetshistorisch, systematisch, teleologisch en grammaticaal handelen.

De rechter kan extensief interpreteren of restrictief interpreteren.

  • Het verbod op analogie.

Sluit de evaluatie af met een conclusie. Herhaal hierbij de rechtsvraag en geef er duidelijk antwoord op.

Hoorcollege 2

In de voorwaarden voor strafbaarheid zijn er 4 eisen waaraan voldaan moet worden. Het moet gaan om een menselijke gedraging. Die gedraging moet omschreven zijn in een delictsomschrijving. Er moet een wettelijke strafbepaling voor zijn. Ook moet het in strijd zijn met het recht, de wederrechtelijkheid. Als laatste moet er sprake zijn van schuld in de zin van verwijtbaarheid. Deze week gaan we verder in op deze verwijtbaarheid en een beetje in de wederrechtelijkheid

Gedraging

In Nederland geldt een daadstrafrecht, het gaat om een gedraging. In Nederland zijn gedachten vrij, iemand kan niet strafbaar gesteld worden voor de gedachten, het is geen Gesinnungsstrafrecht.

De gedraging kan gaan om een handelen of een nalaten. Het kan ook gaan om het in leven roepen van een verboden toestand.

Wederrechtelijkheid

De wederrechtelijkheid is sinds het Veearts arrest uit 1933 erkend als element van de eisen aan een strafbaar feit. Wederrechtelijk betekent in strijdt met het recht. Van de wederrechtelijkheid wordt veronderstelt dat het aanwezig is bij de eisen voor een strafbaar feit. Wanneer een succesvol beroep kan worden gedaan op een rechtvaardigingsgrond valt de wederrechtelijkheid weg.

De wederrechtelijkheid een bestanddeel zijn van een delictsomschrijving bijvoorbeeld in art. 310 Sr. Dit is gedaan om een extra drempel te geven aan het strafbaar stellen van een gedraging. Wanneer de wederrechtelijkheidsvraag in de delictsomschrijving aan bod komt valt toelaatbaar gedrag buiten de delictsomschrijving. In het geval van art. 310 Sr betekent dit dat niet elke persoon die een pen van iemand pakt, met toestemming, voor de rechter moet komen om vervolgens bij de wederrechtelijkheidsvraag te worden ontslagen van alles rechtsvervolging. Wanneer wederrechtelijkheid als bestanddeel afwezig is volgt vrijspraak.

Schuld in de zin van verwijtbaarheid

Schuld is als element erkend sinds het Melk en Water arrest in 1916. Ook schuld wordt verondersteld aanwezig te zijn en kan door een succesvol beroep op een schulduitsluitingsgrond te komen vervallen. Bij afwezigheid van alle schuld (AVAS) volgt ontslag van alle rechtsvervolging. Als er geen sprake is van schuld dan krijgt men ook geen straf. Schuld is een element, omdat we van mensen verwachten dat ze een eigen wil hebben en daarmee zelf bepalen wat ze wel en niet doen. Schuld is van belang voor de hoeveelheid straf die wordt opgelegd. Er zijn dus meerdere gradaties in schuld om de mate van schuld en daarmee de mate van de op te leggen straf te bepalen.

Ook schuld kan een (subjectief) bestanddeel zijn van een delictsomschrijving daarbij kennen we opzet en culpa.

Schuldgradatie opzet

Opzet is niet hetzelfde als schuld in de zin van verwijtbaarheid. Van opzet spreken we als er doelbewust en dus opzettelijk een strafbaar feit wordt gepleegd. Dit gedrag keuren zwaarder af en is zogezegd verwijtbaarder en geeft een hogere strafnorm. Opzet is vereist voor strafrechtelijke aansprakelijkheid bij zwaardere delicten, misdrijven. In beginsel hebben de delictsomschrijvingen van misdrijven opzet als bestanddeel, doleuze misdrijven. De uitzonderingen liggen in de culpoze misdrijven. Bij overtredingen spreken we niet van opzet.

Opzet in de delictsomschrijving

Opzet kan in de vorm van een bestanddeel voorkomen. Soms zit opzet in de gedraging verpakt. In een delictsomschrijving zie je opzet terug als; opzettelijk, wetende dat en oogmerk.

Problemen

Omdat opzet iets zegt over de geest van de verdachte brengt dit bewijsproblemen met zich mee. Je kan namelijk niet zien en niet achterhalen wat de verdachte op het moment van de gedraging dacht. Daarom moet de rechter de opzet normativeren en objectiveren aan de hand van de feitelijke omstandigheden en ervaringsleer. Er is sprake van opzet op het moment dat de rechter geobjectiveerd ervan uit kan gaan dat er sprake is van opzet.

Opzet algemeen

We spreken van opzet als de persoon willens, het besluit zich op die manier te gedragen en zich voornemen het ook te doen, en wetens, beseffen en weten wat de gevolgen kunnen zijn, een verboden gedraging verricht. Dit is niet het motief van de dader. Er is niet een ‘boos opzet’ nodig. Daarmee wordt bedoeld dat er geen opzet voor het overtreden van een wet nodig is om opzettelijk een strafbare gedraging te verrichten. Wanneer je opzettelijk hebt gehandeld en toch wist en besefte wat er kon gebeuren dan heb je niet boos opzettelijk gehandeld maar toch met opzet een strafbaar feit gepleegd.

Naast opzet met bedoeling is er nog een gradatie mogelijk, namelijk de voorwaardelijke opzet. Hierbij heeft de verdachte zich willens en wetens aan de aanmerkelijke kans blootgesteld of heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard. Deze voorwaardelijke opzet is de ondergrens van de gradatie opzet. Om voorwaardelijke opzet vast te stellen moeten 3 vragen worden beantwoord.

  1. Is er een risicocomponent? Ofwel is er een aanmerkelijke kans dat er een iets fout kan gaan? ( zie ook HIV-jurisprudentie)

  2. Is er een kenniscomponent? De persoon is zich bewust van de aanmerkelijke kans.

  3. En tot slot de wilscomponent. De persoon heeft de aanmerkelijke kans aanvaard.

Voorwaardelijke opzet heeft als functie het toerekenen van opzet wanneer de verdachte de opzet ontkent en men dus niet kan achterhalen wat de werkelijke bedoeling was. Ook de ervaringsregel kan worden gebruikt wanneer uit ervaring blijkt dat in sommige gevallen opzet dan wel niet van toepassing is, zie het arrest aanmerkelijke kans van de Hoge Raad.

De werking van opzet

Het bestanddeel opzet in de delictsomschrijving heeft werking op alle volgende bestanddelen. In de delictsomscrijving is de plaats van opzet zorgvuldig gekozen. Alles wat voor de vermelding opzet valt niet onder opzet. In art 321 Sr staat ‘opzettelijk’ vooraan en heeft daarbij werking op alles wat volgt. Bij art 310 Sr staat de opzet term ‘oogmerk’ helemaal aan het einde en heeft dus geen werking op voorgenoemde. De enige uitzondering hierop is het gevolg van gekwalificeerde delicten.

Schuldgradatie culpa

Misdrijven waar schuld in de delictsomschrijving staat zijn de culpoze misdrijven. Schuld kan een apart bestanddeel zijn in de delictsomschrijving ‘aan wiens schuld te wijten..’ of heeft te maken met de kennis van de persoon tot bepaalde omstandigheden. Schuld, culpa, is het niet willen of niet hebben voorzien van de gevolgen van de gedraging waar men wel had moeten voorzien. ‘Verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid’. Het kan gaan om roekeloosheid, onvoorzichtigheid. Waar ligt de grens van het voorzien?

Wanneer culpa een apart bestanddeel is van de delictsomschrijving verandert er wat aan de vragen voor strafbaarheid uit art 350 Sv. In de verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid liggen de wederrechtelijkheid en de verwijtbaarheid al vast. Wanneer beroep kan worden gedaan op een schulduitsluitingsgrond of een rechtvaardigingsgrond volgt vrijspraak bij culpoze delicten.

(On)bewuste schuld

Onder de voorwaardelijke opzet ligt de grens naar culpa met als eerste de bewuste schuld. Bij bewuste schuld is de dader zich bewust van de aanmerkelijke kans van een bepaald negatief gevolg. Echter verschilt de bewuste schuld met de voorwaardelijke opzet vanwege het ontbreken van de wilscomponent. De dader vertrouwt erop dat het wel mee zal vallen.

Van onbewuste schuld spreken we als de dader niet wist maar wel had moeten weten of niet denkt waar had moeten worden gedacht. Zowel het weten als de wil ontbreekt maar dat sluit niet uit dat hem niks te verwijten is.

Vaststellen culpa

Eerst moet worden vastgesteld of de verdachte anders moest of behoorde te handelen. Daarbij moet het gedrag worden gemeten aan de norm die wordt overtreden. Er moet sprake zijn van een aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Bij deze vraag moet ook worden gekeken naar de Garantenstellung uit het Verpleegster arrest. Deze stelt dat er meer verantwoordelijkheid en zorgvuldigheid mag worden verwacht wanneer de verdachte een bepaald beroep of een bepaalde functie uitoefent.

Daarna moet worden bepaald of de verdachte een verwijt kan worden gemaakt. Deze kan wegvallen bij een beroep op een schulduitsluitingsgrond.

Wanneer culpa of schuld in de delictsomschrijving staat, liggen daar de definities wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid in besloten. De verwijtbaarheid en de wederrechtelijkheid maken dan deel uit van de delictsomschrijving.

Strafuitsluitingsgronden

Strafuitsluitingsgronden nemen de strafbaarheid weg. Wanneer er sprake is van een rechtvaardigingsgrond neemt dit de strafbaarheid van het feit weg. Wanneer er sprake is van een schulduitsluitingsgrond neemt dit de strafbaarheid van de dader weg.

Basiscollege 2

In het arrest behandelen we het leerstuk van de culpa. Culpa valt uiteen in twee gradaties, namelijk bewuste en onbewuste schuld.

De definitie van culpa is de aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid. Culpa stel je vast door de onvoorzichtigheid en de onoplettendheid vast te stellen. Voor het vaststellen van onvoorzichtigheid moet je op zoek gaan naar een norm of een regel, waardoor de objectieve component bepaald kan worden.

In het arrest van de Klimwand is de zorgvuldigheidsnorm dat je als zekeraar altijd moet opletten. Je zoekt dus naar ee norm, waardoor je vast kunt stellen of die norm is nageleefd.

Als je hebt vastgesteld dat er een regel is overtreden, kan daarmee voldaan worden aan de wederrechtelijkheid. Je moet dus eerst vaststellen of iemand in strijd met het recht heeft gehandeld.

Pas als je hebt vastgesteld dat iemand anders had moeten handelen, en dus de onvoorzichtigheid hebt vastgesteld, kom je toe aan de subjectieve component. Hier gaat het om de vraag of je ook ander had kunnen handelen.

Hierbij kan je als vedediging aanvoeren dat de verwijtbaarheid ontbreekt. De verwijtbaarheid kan weggenomen worden door een schulduitsluitingsgrond, zoals het noodweerexces of de ontoerekenbaarheid.

Er is bijna altijd sprake van strafbaarheid.

Bij de invulling van deze componenten speelt de Garantenstellung een rol. Als voorbeeld kun je hier het arrest van de verpleegster noemen.

De vraag is of je hem kunt verwijten dat hij geautomatiseerd heeft gehandeld. De Hoge Raad oordeelt dat de klimmer niet kon voorzien dat dit zou gebeuren, waardoor de zekeraar er niets aan kon doen.

Voorwaarden voor strafbaarheid

Er is pas sprake van strafbaarheid als voldaan is aan 4 voorwaarden.

  • Het is een gedraging. Het kan hierin gaan om een handelen of een nalaten. De gedraging moet worden bewezen.

  • Het valt binnen een wettelijke delictsomschrijving.

  • Wederrechtelijkheid. Dit betekent dat je in strijd hebt gehandeld met het recht. Het recht is breder dan de wet. Dit kan worden weggenomen dor een rechtvaardigingsgrond. Een voorbeeld is noodweer.

  • Aan schuld te wijten. Dit is de verwijtbaarheid. Bij een schulduitsluitingsgrond valt de verwijtbaarheid weg.

Wederrechtelijjkheid en schuld worden de elementen genoemd.

Rechtvaardigingsgronden en schulduitsluitingsgronden zijn strafuitsluitingsgronden.

Schuld kan meerdere betekenissen hebben:

  • Het gedaan hebben

  • schuld in ruime zin (opzet en culpa)

  • schuld in enge zin (culpa)

  • verwijtbaarheid

Soms heb je ook te maken met schuld als onderdeel van de delictsomschrijving.

Alle delictsomschrijvingen hebben bestanddelen. Hierin kan ook het bestanddeel schuld staan. Dan gaat het om culpa.

Culpa is onnadenkendheid, onvoorzichtigheid of de gevolgen te rooskleurig ingezien hebben. Het is de aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid. Het gaat hierbij om situaties waarin het niet expres ging, maar waarin de onvoorzichtigheid aanmerkelijk is.

In het verpleegster arrest geeft de verpleegster toe dat ze onoplettend was, maar ze zegt dat ze moe was, dus ze ontkent daarmee de verwijtbaarheid. Bij de invulling van de culpa speelt de Garantenstellung een grote rol. Als je een bepaalde functie hebt, moet je garant staan dat je dat ook zorgvuldig uitvoert.

Overtredingen hebben geen schuldvorm, misdrijven wel. Het gaat hierbij om schuld in ruime zin.

In bijzondere wetten staan misdrijven en overtredingen door elkaar. Om dit uit elkaar te kunnen houden, zie je het verschil in de formulering.

Bij een overtreding wordt alleen de feitelijke handeling omschreven. Bij misdrijven is er altijd sprake van opzet of schuld.

Er zijn meerdere schuldgradaties van schuld in ruime zin.

  • De zwaarste schuldgradatie die we kennen is opzet als oogmerk of willens en wetens.

  • Opzet met zekerheidsbewustzijn of met noodzakelijkheidsbewustzijn (de handeling is met een andere bedoeling gepleegd maar je wist wel dat dit gevolg eruit zou voltrekken).

    • Mogelijkheid bewustzijn: dit is op zich geen gradatie. Dit kan naar 2 kanten uitslaan, de opzet kant en de culpa kant.

      • Voorwaardelijke opzet, hierbij neem je het risico op het strafbare gevolg voor lief.

      • Bewuste schuld (‘het zal wel niet gebeuren’). Iemand is ongerechtvaardigd optimistisch.

  • Onbewuste schuld. Hierbij heb je niet nagedacht over de gevolgen, maar je hebt wel aan moeten denken.

Doodslag is moord met opzet.

Van moord met schuld is sprake wanneer het gaat om bewuste schuld. Hier staat minder straf op.

Met voorbedachten rade is geen schuldgradatie, maar een manier waarop de opzet tot stand komt.

Het grote verschil tussen opzet en culpa is de wil. Bij opzet is de wil aanwezig, bij schuld niet. Door de wil wordt men zo veel zwaarder gestraft bij opzet.

Dit schema gaat ervan uit dat we weten wat de dader denkt.

Om te kijken of er sprake is van opzet, moet je kijken naar de bekentenis. Daarbij is het probleem dat de verdachte mag zwijgen.

Eerst moet subjectief gekeken worden naar de dader. Daarna ga je objectiveren en normativeren. Je gaat kijken naar de handeling, naar de daad. Je stelt dan objectief vast of er sprake is van opzet. Dat doe je door je eigen norm erop toe te passen.

Hoorcollege 3

Strafprocesrecht

De chronologie van het strafproces kun je indelen in het vooronderzoek en het eindonderzoek. Dit kan je vinden in 132 strafvordering.

De onderdelen van het voorbereinde onderzoek zijn de opsporing, het onderzoek van de rechter-commissaris, het strafrechtelijk financieel onderzoek en de vervolgingsbeslissing.

De eerste drie elementen kunnen ook gelijktijdig plaatsvinden.

Het onderzoek van de rechter-commissaris is onderzoek dat zich richt op het traceren en het in beslag nemen van het wederrechtelijk oordeel.

De vervolgbeslissing is vaak het scharnier tussen het voor en het eindonderzoek. Dit is een beslissing die de officier van justitie neemt over de vraag op welke wijze de vervolging van het strafbaar feit moet worden afgedaan.

Het eindonderzoek is de zitting. Op de zitting kunnen hoger beroep en de cassatie volgen.

Er zijn twee modellen om de strafvordering int e richten. De overheid kan zo min mogelijk bevoegdheden hebben, waarbij de burger ook zo min mogelijk rechten heeft. De overheid kan ook alle benodigde bevoegdheden hebben, gecontroleerd worden door een onafhankelijke rechter. Hierbij heeft de burger ruime rechten. In Nederland is er sprake van het laatste model, omdat er sprake is van een repressie zonder de rechten aan te tasten. Van beide zijden zijn er mogelijkheden om de rechten te beperken.

In Nederland gaat het er anders aan toe dan in de Verenigde Staten. Dat heeft te maken met de verschillende stelsels. Het strafprocesrecht in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten is gebaseerd op het accusatoir stelsel. Dit gaat uit van het idee van gelijkgerechtigde partijen. De partijen moeten evenveel mogelijkheden hebben om hun versie van de waarheid te presenteren aan de jury en de rechter.

Het is gebruikelijk dat de advocaat zelf getuigen oproept of het plaats delict bezoekt. De rechter in zo’n systeem is passief. Hij hoeft alleen te oordelen over de bezwaren. De rechter stelt zelf geen vragen en laat het aan de partijen om hun versie van de waarheid te presenteren.

In het accusatoir stelsel gaat het om de formele waarheid. De echte waarheid hoeft niet gevonden te worden, het gaat om de waarheid zoals die gepresenteerd wordt.

Bij plea bargaining wordt er een akkoord gemaakt tussen de aanklager en de verdediging over wat de waarheid zou zijn. hierdoor komt in de Verenigde Staten maar 1% van de strafbare feiten bij de rechter. De rest sluit een akkoord buiten de rechter om.

Het inquisitoir stelsel wordt verondersteld dat de staat verantwoordelijk is voor het vinden van de waarheid. De rechter moet zelf actief op zoek gaan naar de waarheid. Daarom stelt de rechter vragen voordat het openbaar ministerie en de verdachte de vragen mogen stellen. De rechter is in dit stelsel actief en wordt geholpen door overheidsorganen.

Bewijs kan uitsluitend gebaseerd worden op het proces verbaal van de opsporingsambtenaar.

In het inquisitoir stelsel wordt meer vertrouwen gegeven aan de opsporingsambtenaar en aan het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie maakt deel uit van de rechterlijke macht. Het openbaar ministerie moet daarom de criminaliteit bestrijden en tegelijk oog hebben voor de belangen van de verdachte.

In het accusatoir stelsel heeft men veel baat bij een goede advocaat. In het Nederlandse strafproces heb je veel meer aan een goede rechter of een goede officier van justitie.

Door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens groeien deze stelsel naar elkaar toe. De wetgeving is passiever geworden, maar het uitgangspunt blijft dat de rechter geacht wordt zelf de waarheid te vinden.

In de loop van het strafproces moet de verdachte steeds meer bevoegdheden krijgen. In het vooronderzoek is de verdachte vooral het onderwerp van het onderzoek. De rechten van de verdachte kunnen beperkt worden in het belang van het onderzoek.

Bij de zitting is in beginsel sprake van gelijkgerechtigdheid.

Het strafprocesrecht heeft twee doelen.

Het Wetboek van Strafvordering beoogt bij te dragen aan de criminaliteitsbestrijding. Dit is de instrumentele functie. Deze functie veronderstelt de waarheidsvinding. Voor de waarheidsvinding heb je bevoegdheden nodig. Die bevoegdheden worden in dit wetboek neergelegd.

Het Wetboek van Strafvordering is de schakel tussen het strafbaar feit en de sancties die kunnen worden opgelegd.

Het tweede hoofddoel is erop gewezen dat het rechtskarakter vooral ligt in de rechts beschermende kant. Het typische rechtskarakter ligt in de bescherming die het recht biedt tegen de overheid.

Beide doelen zijn erop gericht de rechtsorde te herstellen.

De bronnen van het strafprocesrecht

  • Het Wetboek van Strafvordering.

In artikel 1 van dit wetboek staat beschreven dat strafvordering alleen plaats mag vinden in de wijze waarin de wet voorziet.

  • In de jaren 70 ontstonden de beginselen van de goede procesorde. Daarin staat dat het overheidsoptreden niet alleen getoets moet worden aan de wet, maar ook aan ongeschreven beginselen. Voorbeelden zijn het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur.

De beginselen zijn de versterking van de rechtsbescherming, de overheid kan geen extra bevoegdheden krijgen door deze beginselen.

Aan onrechtmatig overheidsoptreden kunnen consequenties verbonden worden, zoals bewijsuitsluiting. Dit gebeurt alleen bijna niet meer.

Legaliteitsbeginsel

In het legaliteitsbeginsel zie je beide kanten van de strafvordering terug.

Door de wettelijke bepalingen wordt het optreden van de politie en de justitie beperkt doordat er voorwaarden gesteld worden. De politie en justitie mogen niet buiten die bepalingen komen. Hierdoor wordt zekerheid en duidelijkheid verschaft aan de burgers.

In artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering wordt gesproken over een wet. Het gaat hier om een wet in formele zin. Dit brengt gelijkheid met zich mee.

Er worden meer eisen aan de wettelijke basis van een besluit gesteld als er sprake is van een grotere beperking op de vrijheidsrechten.

De conclusie van de Hoge Raad over Bloedproef II was dat strafvorderlijke bepalingen restrictief gehanteerd moeten worden. Het moet precies volgens de regels gehanteerd worden.

Tegenwoordig gaat men uit van een redelijke uitleg van de wet, waardoor je ook bepalingen wat ruimer kan uitleggen.

Een wettelijke basis is nodig als er inbreuk gemaakt wordt op de rechten en de vrijheid van de burgers. Daarom is er bijvoorbeeld geen wettelijke bepaling voor de verhoor van een getuige. Dit maakt geen inbreuk op de rechten en de vrijheid van de getuige.

Vooronderzoek

In het vooronderzoek gaat het om de vraag of er een strafbaar feit is gepleegd en welke dat is. De vraag is wie de verdachte is en of er bewijsmateriaal is. Voor het verkrijgen van bewijsmateriaal zijn bevoegdheden nodig, zoals dwangmiddelen. Dwangmiddelen maken inbreuk op de rechten en de vrijheden van de burgers.

Voorlopige hechtenis is een dwangmiddel, want iemand wordt van zijn vrijheid beroofd en dat kan met dwang geschieden. Hetzelfde geldt voor een huiszoeking.

Het observeren van een verdachte is geen dwangmiddel, als het goed is heeft de verdachte er geen last van.

In het vooronderzoek probeer je voldoende materiaal te verzamelen zodat de officier van justitie een goede beoordeling te maken.

Deelnemers van het vooronderzoek zijn:

  • De verdachte. Dit is het object van het onderzoek. Aan de verdachte komen ook een aantal rechten doe, maar die kunnen worden beperkt in het belang van het onderzoek.

Iemand is verdachte als er een redelijk vermoeden van schuld is. Als er een verdenking is, heeft de verdachte het zwijgrecht en moet hij worden gewezen op zijn zwijgrecht.

De politie mag aan iedereen vragen stellen, hij wordt pas verdachte als iemand verkeerde antwoorden geeft.

Onschuldpresumptie: zolang de rechter niet heeft geoordeeld, moet iemand als onschuldig gehouden worden. Hij mag dan niet aan meer beperkingen onderworpen worden om de waarheid te achterhalen.

  • De verdachte kan worden bijgestaan door een advocaat, een raadsman. Dit is niet verplicht. De raadsman heeft de taak om de rechten van de verdachte zo goed mogelijk te behartigen, de belangen van de verdachte te verdedigen en het verhaal van de client in juridische termen te vertalen.

de raadsman heeft een geheimhoudingsplicht. Het is belangrijk dat er een vertrouwensband ontstaat. Daarom moet er sprake zijn van vrije toegang tot de gevangenis of het huis van bewaring voor de advocaat.

Lange tijd was het gebruikelijk dat de advocaat de verdachte pas bijstond als de politie hem al meerdere malen heeft gehoord. In een uitspraak van het Europees Hof is duidelijk gemaakt dat de verdachte voor verhoor eerst een advocaat moet kunnen raadplegen voor advies.

Dat een advocaat aanwezig mag zijn bij het verhoor is in Nederland nog niet vanzelfsprekend. Er is wel een richtlijn van de EU die dat moet realiseren, maar de gedachte is dat een verdachte in de aanwezigheid van een advocaat minder snel zal bekennen. Het kan dus inbreuk maken op de criminaliteitsbestrijding.

  • Politie en opsporingsambtenaren zijn in het algemeen de ambtenaren die zich richten op de strafbare feiten. Hun taken zijn het handhaven van de rechtsorde en het opsporen van strafbare feiten.

  • De Officier van Justitie is ook een opsporingsambtenaar. Hij is de eindverantwoordleijke van de opsporing en kan anderen opdracht geven voor de opsporing.

aan de Officier van Justitie worden beslissingen toebedeeld over de inzetting van bepaalde middelen. Daarnaast is hij verantwoordelijk voor de vervolgingsbeslissing.

  • De derde partij is de rechter-commissaris. Deze werd eerst gezien in het kader van het gerechtelijk onderzoek, maar dat is afgeschaft.

De rechter-commissaris moet een machtiging geven voor de inzet van de meest ingrijpende bevoegdheden, zoals direct afluisteren. Voor methoden met een zware inbreuk is een machtiging van de rechter nodig.

Hij moet oordelen over de beginfase van de voorlopige hechtenis en hij moet bepaalde onderzoekshandelingen verrichten in het voorbereidend onderzoek. Hij kan bepaalde getuigen of deskundigen horen en hij kan opdracht geven bepaalde onderzoeken te laten doen.

In de vooronderzoeksfase is de rechter-commissaris de rechter.

  • Overige deelnemers zijn de getuigen, de slachtoffers en de deskundigen.

Opsporingsonderzoek

Het opsporingsonderzoek is het belangrijkste en grootste onderzoek in het vooronderzoek.

Het gaat om een onderzoek in verband met strafbare feiten met het oog op het nemen van strafvorderlijke beslissingen.

Een strafvordering begint door kennis over een strafbaar feit dat bij de politie komt. Dit kan door aangifte of bijvoorbeeld controlebevoegdheden.

Bij de uitvoering van controlebevoegdheden kan een strafbaar feit ontdekt worden. Dan gaat de controle over in opsporing.

Het kan ook beginnen door de handhaving van de rechtsorde, waarbij een verdenking ontstaat.

Het kan ook gebeuren dat de politie begint met proactief onderzoek, gericht op bepaalde risico branches of bepaalde risicopersonen.

Het doel van het opsporingsonderzoek is de waarheidsvinding. Hiervoor kunnen opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen aangewend worden.

De Officier van Justitie stuurt de opsporingsambtenaren aan.

De verdachte

Het materiele criterium voor de verdachte heeft drie vereisten voor een verdachte. Het moet gaan om een redelijk vermoeden, het moet gaan om feiten en omstandigheden en het moet gaan om de schuld aan een strafbaar feit.

Er is niet altijd een redelijk vermoeden dat er een strafbaar feit begaan is.

Voordat je iemand aanhoudt moet er sprake zijn van een redelijke verdenking. Als dit niet het geval is, kan de verdachte worden vrijgesproken, wegens gebrek aan rechtmatig verkregen bewijs. Dit komt tegenwoordig bijna niet meer voor.

Een anonieme tip kan voldoende zijn voor een verdenking. De anonieme tip is dan de ingang van strafvordering. Hiermee kunnen dwangmiddelen uitgeoefend worden.

Ervaring van de politie kan een reden voor een redelijk vermoeden zijn, die wel geaccepteerd wordt.

Het formele criterium van de verdachte is degene die wordt vervolgd.

Opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen

Voor het gebruik van opsporingsbevoegdheden moet aan allerlei voorwaarden voldaan zijn.

Hoe zwaarder de bevoegdheid is, hoe hoger de autoriteit is die daarover mag beslissen.

Bij aanhouding op heterdaad mag de politieambtenaar zelf beslissen, bij een observatie moet de Officier van Justitie beslissen.

Er moet sprake zijn van verdenking en ernstige bezwaren. De verdachte moet zich ergens bevinden tussen de verdenking en wettelijk overtuigend bewijs.

Per bevoegdheid wordt gekeken of aan de eisen is voldaan.

De gedachte is dat als politie zich niet aan alle regels houdt, dat dat kan leiden tot het vrijuitgaan van de verdachte. Dit beeld is achterhaald. Onrechtmatig verkregen materiaal kan leiden tot strafvermindering, bewijsuitsluiting of de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Steeds minder vaak wordt aan onrechtmatig optreden een consequentie verbonden.

Er zijn verschillende soorten dwangmiddelen

  • Staande houden. Het vragen naar de identiteit en het op de plaats staande laten houden. De politie mag dat ook op basis van de politiewet.

  • Aanhouding. Bij aanhouding op heterdaad is iedereen bevoegd, dit mag bij de ontdekking van een strafbaar feit. Buiten heterdaad mag dit alleen door bevoegde ambtenaren.

Aanhouden heeft als doel het verplaatsen van de verdachte naar het bureau. Aan aanhouden heb je niet zo veel als je geen steunbevoegdheden hebt. Deze bevoegdheden zijn gekoppeld aan de aanhouding, maar je moet daarbij steeds kijken of voldaan is aan de voorwaarden.

Steunbevoegdheden zijn bijvoorbeeld het betreden van de plaats ter aanhouding, het doorzoeken van elke plaats ter aanhouding. De bevoegdheid tot het vaststellen van de identiteit, het mogen onderzoeken van de kleding en de bevoegdheid tot het in beslag nemen van de meegevoerde voorwerpen.

  • Vrijheidsbeneming mag in eerste instantie niet langer duren dan 6 uur. Hierbij kan 9 uur opgeteld worden wanneer de vrijheidsbeneming de nacht beslaat. Daarna kan de vrijheidsbeneming nog verlengd worden met 6 uur. Vervolgens moet gekeken worden of iemand in verzekering gesteld kan worden.

  • Zoeken naar voorwerpen. Dit mag alleen in het belang van het onderzoek. Dit kan bestaan uit onderzoek aan het lichaam of de kleding of onderzoek in het lichaam.

  • Inverzekeringstelling kan alleen in het belang van het onderzoek. Het eerste bevel kan worden gegeven door de hulpofficier of een hoge politiefunctionaris. Voor de verlening moet de Officier van Justitie toestemming geven.

Na de verlening kan de verdachte naar huis gestuurd worden of voorgeleid worden aan de rechter-commissaris. Daarna komt voorlopige hechtenis in beeld.

  • Voorlopige hechtenis heeft als doel het tegengaan van het vluchtgevaar en het verzekeren van de maatschappelijke veiligheid.

Voorlopige hechtenis mag maximaal 14 dagen duren. Daarna kan overgegaan worden tot een gevangenhouding van maximaal 90 dagen.

Voor gevangenhouding moet sprake zijn van meer dan een verdenking, er moet sprake zijn van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en er moet sprake zijn van een reden om hem vast te houden.

Normaal gesproken wordt de verdachte binnen 3 dagen en 15 uur aan de rechter voorgeleid zodat deze kan oordelen over de vrijheidsbeneming.

Vervolging

Vervolging is het voor de strafrechter brengen. Ook een strafschikking is vervolgen. In brede zin betekent de vervolging ook het voor de rechter brengen van het onderzoek.

Alleen het Openbaar Ministerie is bevoegd tot de vervolging.

De Officier van Justitie moet beslissen wat hij gaat doen met de zaak.

Vroeger was het afzien van een vervolging een hoge uitzondering. Door de enorme toename van criminaliteit bestaat er een mogelijkheid om een transactie aan te bieden. Dit kan bijvoorbeeld een taakstraf of een boete zijn. de verdachte koopt dan een vervolging af. Het nadeel was altijd dat als de verdachte niks deed, het Openbaar Ministerie weer in actie moest komen om de verdachte voor de rechter te brengen. Daardoor werden veel verdachten vergeten.

Tegenwoordig bestaat er een strafbeschikking. Dit is hetzelfde als een transactie, maar hierbij wordt een straf opgelegd door de Officier van Justie. Als je het als verdachte niet eens bent met de beschikking, moet je binnen twee weken actie ondernemen.

Project ZSM is een experiment om bij de eenvoudige strafbare feiten binnen maximaal 2 dagen te komen tot een opsporing, vervolging, bestraffing en bij voorkeur tot executie. Dit gebeurt onder de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie. Dit is een efficiënt middel.

Door het enorme aanbod aan strafbare feiten wordt de strafbaarheid steeds meer gekleurd door richtlijnen. Voor de meest voorkomende delicten bestaan richtlijnen.

Basiscollege 3

Deze week staat in het thema van strafprocesrecht.

Agenten moeten cautie geven, wanneer er sprake is van een verhoor of van een verdachte. In een verhoor worden vragen gesteld die gaan over een strafbaar feit.

De politie mag gewoon een praatje maken met een verdachte, zolang de vragen niet gaan om een strafbaar feit.

Relevante feiten hoeven alleen benoemd worden in het licht van de rechtsvraag.

Dit arrest is van belang voor artikel 27 Strafvordering. Daar begint de Strafvordering mee het gaat om de vraag wat een verdachte is en wanneer er sprake is van een verdenking.

Bij een verdachte is er een redelijk vermoeden van schuld. Het redelijk vermoeden moet gebaseerd worden op omstandigheden en feiten, het moet objectief zijn, niet alleen subjectief.

Een redelijk vermoeden van schuld kan ontstaan door bijvoorbeeld aangifte of een anonieme tip.

Al naar gelang de betrouwbaarheid van de tip en de gedetailleerdheid van de tip kan bepaald worden of er sprake is van een redelijke vermoeden. Het hangt er dus vanaf hoe betrouwbaar de tip is of er een redelijk vermoeden is.

Een redelijk vermoeden kan ook ontstaan na surveillance van de politie. Dan zijn ze aan het controleren. als ze dan een heterdaad zien, ontstaat een redelijk vermoeden van schuld.

Als de politie in de controlerende fase is, moet je actief meewerken. Vanaf het moment dat je verdachte bent, dan hoef je niet meer actief mee te werken aan de eigen veroordeling. Je moet wel dulden dat er dwangmiddelen tegen je worden gebruikt. Als verdachte heb je het belangrijke recht; het recht om te zwijgen.

De keerzijde is dat het niet verstandig is om niet mee te werken, dan heeft de overheid het recht om dwangmiddelen toe te passen. Die kunnen heel ver gaan.

Je hebt ook het inzagerecht en je krijgt rechtsbijstand. De dwangmiddelen kunnen onder dwang op jou worden toegepast.

Op het moment dat er een redelijk vermoeden van schuld ontstaat, treedt het Wetboek van Strafvordering in werking.

Het zwijgrecht is geregeld in artikel 29 Sv lid 1. In lid 2 staat de cautieplicht. Dit is de plicht mee te delen dat je zwijgrecht hebt. In bepaalde omstandigheden moet de opsporingsambtenaar de cautie meedelen. De cautie moet worden gegeven als iemand verdachte is en er moet sprake zijn van een verhoor. Een verhoor zijn alle vragen die worden gesteld aan de verdachte over de betrokkenheid bij het strafbaar feit.

Toepassen op de casus:

De man is een bekende van de politie. De agenten gaan naar hem toe. Hij was wel verdacht, maar voor het zijn van een verdachte moet er een redelijk vermoeden van schuld zijn aan een strafbaar feit. Dit moet gebaseerd zijn op objectieve feiten en omstandigheden. Het strafbaar feit mag tijdens het verhoor nog wel gespecificeerd worden.

Het vermoeden van de agenten was heel subjectief.

Als iemand wel cautie had moeten krijgen, maar dit niet gekregen heeft, valt het verkregen bewijs onder het onrechtmatig verkregen bewijs.

Als je bij een casus dwangmiddelen moet gaan behandelen, moet je de casus goed analyseren.

Het analyseren kun je het beste doen aan de hand van de 5 W’s (dit is voor jezelf)

  • Wat? Wat doen de agenten? Dit staat vaak al in de vraag.

  • Wie? Wie mag het dwangmiddel uitoefenen? Er zijn meerdere autoriteiten die hierbij een rol kunnen spelen, zoals de rechter-commissaris en de opsporingsambtenaar. Bij heterdaad zijn dit ook burgers.

  • Tegen wie? Bijna altijd tegen de verdachte (artikel 27) hier noem je altijd het arrest van de Hollende Kleurling of Zeedijk.

  • Wanneer? Hierbij gaat het om de voorwaarden van de dwangmiddel.

  • Waartoe? Het doel van het dwangmiddel. Dit geeft aan waarom het dwangmiddel wordt toegepast.

Eerst behandel je theoretisch het dwangmiddel, in zijn algemeenheid, daarna ga je het toepassen op de casus.

Aanhouding is geregeld in artikel 53 en artikel 54 van het Wetboek van Strafvordering.

Sv artikel 53 gaat om aanhouding op heterdaad en vlak daarna (wat onder heterdaad valt, staat in artikel 128 Sv) het gaat om terwijl het wordt begaan of terstond nadat dat begaan is. Dit kan nog uren of dagen nadat het begaan is. Dat heeft te maken met hoe actief de opsporing bezig is.

In deze casus gaat het om artikel 54; aanhouding buiten heterdaad. Lid 1 van artikel 54 gaat door op lid 1 van artikel 53.

Dat artikel moet je analyseren.

  • Wie? Buiten heterdaad mag de officier van justitie aanhouden. De opsporingsambtenaar mag dit onder voorwaarden. De opsporingsambtenaar belt naar de officier van justitie voor toestemming. De hulpofficier mag ook aanhouden. Als beide niet in staat zijn toestemming te geven en het optreden niet kan worden afgewacht, mag de opsporingsambtenaar ook aanhouden.

  • Tegen wie? De verdachte mag worden aangehouden (wie de verdachte is, staat in artikel 27 Sv).

  • Wanneer? Welke voorwaarden zijn er? Bij artikel 53 mag het altijd. Buiten heterdaad mag dat alleen als het een strafbaar feit is, waarvoor voorlopig hechtenis is toegelaten. Dit staat in artikel 67 Sv. Voorlopige hechtenis is een vrijheidsbenemend dwangmiddel. De regeling hiervoor is heel streng, omdat dit erg veel kan worden verlengd. De eerste twee leden bevatten de gevallen van voorlopige hechtenis. In lid 3 en 4 en 67a komen daar extra eisen voor de toepassing bij. Dit is niet van belang voor buiten heterdaad.

  • Waartoe? Het doel is het geleiden naar de plaats van verhoor.

Hierna wordt de casus specifiek besproken.

De verdenking is poging tot doodslag. Daar staat in ieder geval meer dan 4 jaar op, dus valt het onder artikel 67 sub a. Het is dus een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

Bepalingen op basis waarvan een persoon aan de kleding mag worden onderzocht.

Artikel 65 lid 4 is daarvoor de meest centrale bepaling.

  • Wie? Opsporingsambtenaar

  • Tegen wie? Aangehouden verdachte

  • Wanneer? Er moeten ernstige bezwaren zijn. er moet een sterkere graad van verdenking zijn dan een redelijk vermoeden van schuld. In de situatie op heterdaad is altijd voldaan aan de eis van ernstige bezwaren. Het soort delict waarop veroordeeld wordt, heeft niets te maken met of er ernstige bezwaren zijn. het gaat alleen om de hoeveelheid bewijs er is en hoe groot het vermoeden is

  • Waartoe? Voor de waarheidsvinding.

Artikel 55b lid 1: identiteitsfouillering. Het doel van de bepaling is de vaststelling van de identiteit.

Als je de 5W’s is nagelopen kun je zien of de bevoegdheid wetmatig is toegepast. Het kan dan nog zijn dat het niet rechtmatig is toegepast. Dan hangt het af van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Hoorcollege 4

De vervolgingsbeslissing:

Nadat het vooronderzoek is beëindigd, moet de Officier van Justitie een beslissing doen. Het opportuniteitsbeginsel dat beschreven staat in artikel 167 Sv bepaalt dat de Officier van Justitie kan bepalen of een zaak bij de rechter aangedragen wordt.

Toen deze bepaling kwam, dacht de wetgever erg zwart/wit. Dat was de tijd van de eenvoud, waarbij de criminaliteit nog redelijk beheersbaar bleef. Het uitgangspunt was toen dat alle zaken alle onderdelen van het strafrecht doorliepen. Alleen in uitzonderingen kon daarvan worden afgezien.

Het opportuniteitsbeginsel is de bevoegdheid om van vervolging af te zien. Totdat dit werd ingevoerd was het afzien van vervolging een uitzondering.

Door de groei van de criminaliteit is dat enorm veranderd. Slechts de minderheid van de zaken komt nog tot een zitting.

De Officier van Justitie heeft tegenwoordig ook andere instrumenten om een zaak af te doen. Hij kan bijvoorbeeld een transactie aanbieden. Als de verdachte daar niet aan voldoet, kan de verdachte alsnog voor de rechter worden gebracht.

Als de verdachte het niet eens is met een straf, kan hij binnen twee weken verzet indienen en komt de verdachte als nog voor de rechter.

Het positief ingekleurde opportuniteitsbeginsel houdt in dat het tegenwoordig een uitzondering is om tot een zaak te komen.

In Duitsland geldt een verplichting om alles tot een strafzaak te brengen. Dat is het legaliteitsbeginsel. Dit is een ander legaliteitsbeginsel dan die van artikel 1 Sv.

De Officier van Justitie mag niet tot vervolging overgaan of een transactie aanbieden als er onvoldoende bewijs is. Dan moet de Officier van Justitie van vervolging afzien.

Als de verdachte beroep kan doen op strafuitsluitingsgrond, moet de Officier van Justitie ook afzien van vervolging.

Afzien van vervolging kan als het belang van de staatsveiligheid zich verzet tegen vervolging. Dit kan ook als het gaat om een klein strafbaar feit.

Er moeten ook prioriteiten worden gesteld. Niet iedere diefstal kan worden vervolgd.

Pas als er sprake is van een bepaalde ernst, wordt het strafrecht ingeschakeld.

Van belang is ook dat de beslissing uitsluitend ligt bij het Openbaar Ministerie. In andere landen kunnen ook privépersonen een vervolging instellen. In Nederland kan alleen de Officier van Justitie dit.

Het gaat dus om een discretionaire bevoegdheid van de Officier van Justitie.

Degene die meent dat hij of zij erg lichtvaardig wordt veroordeeld, kan een bezwaarschift indienen tegen de dagvaarding.

Daarnaast bestaat de mogelijkheid voor slachtoffers om te klagen over de beslissing van de Officier van Justitie om de verdachte niet te vervolgen.

De overgang van voor naar eindonderzoek krijgt vorm in de dagvaarding

De dagvaarding heeft een aantal functies

  • De oproepingsfunctie: de verdachte wordt opgeroepen om op een bepaald moment voor de rechter te verschijnen.

  • De verdachte wordt geïnformeerd over de rechten die hij heeft, de informatiefunctie.

  • De laatste functie is de beschuldigingsfunctie. In de dagvaarding staat de tenlastelegging. Dit is de omschrijving van de feitelijke gebeurtenis, toegesneden op de delictsomschrijving.

De dagvaarding is buitengewoon juridisch geformuleerd. Daardoor is de tenlastelegging voor een leek vaak niet eenvoudig te begrijpen.

Een tenlastelegging is zo belangrijk omdat in artikel 348 en 350 aan de rechter voorschrijft om na het onderzoek op de grondslag van de tenlastelegging een overweging te maken. Als de tenlastelegging niet klopt, kan dit leiden tot vrijspraak. De rechter is gebonden bij zijn beoordeling, aan de formulering van de tenlastelegging.

Staat daar een fout in kan dat ertoe leiden dat iemand vrijuit gaat.

Die strikte binding aan de tenlastelegging noemen we de grondslagleer.

De grondslagleer heeft enkele voordelen:

  • het is duidelijk waar het strafproces over gaat. Het bakent het onderzoek af.

  • het maakt het voor de verdachte mogelijk de verdediging voor te bereiden.

De tenlastelegging moet bestaan uit een vermelding van tijd plaats en

Als je het niet zeker weet, kun je het beschrijven als Amsterdam, althans in Nederland.

De meest simpele tenlastelegging is die waarin een enkel feit wordt beschreven.

Steeds meer mensen worden van meer delicten beschuldigd.

Als er meerdere feiten in de tenlastelegging staan waar het strafproces over gaat, heet dit een cumulatieve tenlastelegging.

Een feitelijke gebeurtenis kan op verschillende wijzen worden beschreven door gebruik te maken van een subsidiaire tenlastelegging. Als het eerste niet bewezen kan worden, moet de rechter gaan kijken naar het subsidiaire feit.

In het vooronderzoek is de verdachte vooral het voorwerp. Dan is hij de inquisitoir. Naarmate het proces vordert krijgt hij een meer aquisatoire positie.

Het hoogtepunt van het strafproces moet liggen bij de rechter. Deze moet zo direct mogelijk geconfronteerd worden met het bewijs. Dit is het onmiddellijkheidsbeginsel. Het bewijs moet onmiddellijk, direct ten overstaand van de rechter worden gepresenteerd.

Hieruit kan afgeleid worden dat een verklaring alleen geldig is als die in de rechtbank is uitgesproken.

Door het auditu-arrest konden verklaringen van het horen zeggen, die getuigen tegen een politie hadden afgelegd, via het proces-verbaal van de politie konden worden gebruikt.

Voor het vinden van de waarheid, was het daarom niet meer noodzakelijk om een getuigen op een zitting te horen.

Daardoor is de procedure veel efficiënter geworden.

Op een zitting neemt de rechter het dossier in grote lijnen door. Dit bestaat uit het proces-verbaal. Er worden daarna nog wat vragen gesteld aan de verdachte. Getuigen worden nog maar zelden in de zitting verhoord.

De wetgever dacht dat de nadruk zou komen te liggen op het eindonderzoek, maar de nadruk is uiteindelijk komen te liggen op het vooronderzoek. Daar wordt het bewijs verzameld. Het auditu-arrest heeft hiertoe geleid.

Nederlandse zittingen zijn veel saaier dan buitenlandse zittingen, zoals de Verenigde Staten.

Het strafproces in Nederland is vooral een gelegenheid op papier. Dit komt veel minder aan op retorische vaardigheden. daarom is het voor toeschouwers veel minder aantrekkelijk om aanwezig te zijn.

Het beginsel van de externe openbaarheid: het idee dat de deuren open gaan voor belangstellend publiek. Dit zou tot een zekere democratische controle moeten leiden.

Zaken tegen minder jarigen vinden in beginsel achter gesloten deuren plaats.

De openbaarheid zorgt er ook voor dat de media de processen kunnen volgen. Dat werd gezien als een belangrijke waarborg voor de verdachte. De rechter wordt gecontroleerd door de media.

Misschien klopt dit niet meer, omdat de media vooral op zoek is naar een schandaal.

De interne openbaarheid betekent dat de verdediging toegang moet hebben tot het dossier. Als je je aanmeldt als advocaat, vraag je ook de stukken van het dossier. Op basis daarvan kan je de verdediging voorbereiden.

De interne openbaarheid kan in het vooronderzoek beperkt, dan willen ze de verdachte nog enkele tijd onwetend laten. In het eindonderzoek mogen geen stukken meer aan de verdachte worden onthouden.

Je kunt niet worden veroordeeld op basis van informatie die je niet hebt kunnen weten.

De rechtspraak wordt in Nederland uitsluitend door professionals gedaan. In de meeste andere landen is dat wel het geval, met juryrechtspraak.

De professionele rechter wordt geacht ontvankelijk te zijn. die wordt ook geacht onpartijdig te zijn, geen persoonlijke betrokkenheid te hebben. Als de onpartijdigheid in twijfel wordt getrokken kan de rechter worden gevaagd.

De waarheidsvinding kan het beste een overheidstaak zijn. die moet ervoor zorgen dat de belangen afgewogen worden. De rechter moet zelf actief op zoek gaan naar de waarheid.

Ook op de zitting heeft de verdachte enkele rechten. Een van de belangrijkste rechten is de recht op de rechtsbijstand. Dat hangt natuurlijk in hoge mate af van de kwaliteit van de advocaat.

Het belang van rechtsbijstand is benadrukt. Je hebt in beginsel ook het recht om jezelf te verdedigen.

In zaken waar heel veel op het spel staat, moet de rechter goed onderzoeken of een verdachte bewust en vrijwillig afstand doet van het recht op bijstand.

Levenslang is in Nederland daadwerkelijk levenslang.

Het Openbaar Ministerie is degene die de beschuldiging formuleert. Die is verantwoordelijk voor de opsporing. Dat wordt allemaal vastgelegd in een dossier en die formuleert uiteindelijk zijn eis.

Als je het wetboek doorleest zie je dat de rechter allerlei bevoegdheden heeft om ook zelf bij te dragen aan de waarheidsvinding.

De rol van de slachtoffers komt steeds meer nadruk op te liggen.

Zodra de zitting is afgelopen moet de rechter een beslissing nemen.

Op basis van de artikelen 348 en 350 doet de rechter een uitspraak, dat neoemen we dan een einduitspraak. Op dit einduitspraak kan hoger beroep ingesteld worden.

De tussenuitspraken zijn de uitspraken die de rechter op zitting doet, zoals het toestaan van het horen van een getuigen. Hiertegen kan geen rechtsmiddel meteen worden aangediend. Hiervoor moet je wachten tot de einduitspraak.

Als de einduitspraak onherroepelijk is, dan is er geen hoger beroep of cassatiemiddel meer mogelijk.

De vragen van art. 348 zijn:

De rechtbank onderzoekt op den grondslag der tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting:

  • De geldigheid der dagvaarding. Hier kunnen problemen ontstaan. Deze moet worden uitgereikt aan de verdachte. Als de verdachte vastzit, moet de dagvaarding persoonlijk in het huis van bewaring worden overhandigd.

Als de dagvaarding niet goed wordt uitgereikt, is de dagvaarding niet geldig. De einduitspraak is dan: de dagvaarding is nietig.

Hij is ook nietig op het moment dat de tenlastelegging niet voorziet in verplichte onderdelen, zoals een plaatsaanduiding.

Als de dagvaarding onduidelijk is, waardoor de verdachte niet begrijpt wat hem verweten wordt, is de dagvaarding ook nietig.

  • hare bevoegdheid tot kennisneming van het tenlastegelegde feit. Dit gaat om de bevoegdheid van de rechter.

  • de ontvankelijkheid van den officier van justitie. Als de verdachte is overleden, is het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk in de vervolging. het OM is ook niet ontvankelijk als er geen klacht licht van het slachtoffer als dit wel nodig is.

  • Of er redenen zijn voor schorsing der vervolging. een voorbeeld is dat de verdachte zo gek zou zijn dat hij niet begrijpt waarom hij terecht zou staan.

Deze vragen zijn de formele vragen.

Normaal gesproken leiden deze vragen niet tot problemen

De materiele vragen staan in 350.

Als de rechter blijft steken bij de eerste vraag, komt de rechter niet toe aan de vragen 2,3 en 4.

Het structuur van het strafbare feit komt terug in de vragen van 350.

Sommige auteurs plaatsen de strafbaarheid bij de 2e vraag, andere bij de 3e vraag. Dat is dus de vraag naar de wederrechtelijkheid van de gedraging.

Wanneer kan het feit worden bewezen:

  • Er moet sprake zijn van een overtuiging die gebaseerd is op wettelijke bewijsmiddelen. Ook als er voldoende bewijs is, kan een bewezenverklaring pas volgen als de rechter ook ervan overtuigd is dat de verdachte schuldig is. De rechter kan voorbijgaan aan bewijs.

  • De wettige bewijsmiddelen zijn benoemd in 339 -344 Sv.

  • Wat moet worden bewezen? Alles wat in de tenlastelegging staat.

  • Een foute plaats in de tenlastelegging leidt tot vrijspraak.

  • Niet iedere vrijspraak van een deeltje van de tenlastelegging hoeft te leiden tot integrale vrijspraak.

Partiële vrijspraak is vrijspraak van het stukje van de tenlastelegging wat niet bewezen is.

Vrijspraak betekent niet dat iemand onschuldig is. Vooralsnog moeten we ervanuit gaan dat de verdachte het tenlastegelegde feit niet heeft begaan.

Welk strafbaar feit levert het bewezenverklaarde op?

De Officier van Justitie loopt in de tenlastelegging voor op deze vraag. Door de tenlastelegging juridisch te omschrijven, weet de Officier van Justitie zeker dat alle bestanddelen van het strafbare feit voorkomt in de tenlastelegging.

Alle fouten van de Officier van Justitie kunnen in de loop van het onderzoek nog worden hersteld.

Is de gedraging wederrechtelijk?

Wederrechtelijkheid is een element.

Als er beroep gedaan is op een rechtvaardigingsgrond, en de rechtvaardigingsgrond aannemelijk is, is er sprake van ontslag van alle rechtsvervolging.

Een uitzondering hierop is dat het tot vrijspraak leidt als het woord wederrechtelijk onderdeel is van de delictsomschrijving.

Kan het feit de verdachte verweten worden?

Is een schulduitsluitingsgrond aanwezig, leidt dit tot ontslag van rechtsvervolging.

Er zijn hierop 2 uitzonderingen. Als schuld in de tenlastelegging staat, en er is sprake van een rechtvaardigingsgrond of schulduitsluitingsgrond leidt dat tot vrijspraak.

Welke straf en/of maatregel moet worden opgelegd?

Voor de straffen gelden algemene maxima. De rechter heeft hierbij grote vrijheid. Die kan ergens tussen het minimum en het maximum kan zitten. Daarom zijn er wel richtlijnen voor de meest voorkomende delicten vastgesteld.

Basiscollege 4

Artikel 338 van het wetboek van Strafvordering gaat ervan uit dat de rechter kan bepalen of iemand veroordeeld wordt. De rechter moet ervan overtuigd zijn dat iemand schuldig is. Het kan ook zijn dat de rechter wel overtuigd is, maar als er maar 1 getuige is, leidt dit tot vrijspraak. 1 getuige is niet voldoende bewijs. Andersom geldt dit ook, als er voldoende bewijs is, maar de rechter is niet overtuigd van de schuld, leidt dit tot vrijspraak.

In artikel 339 van het wetboek van Strafvordering staan de wettige bewijsmiddelen. Dit zijn 5 soorten en die zijn limitatief, meer zijn er niet.

In de artikelen wordt aangegeven dat getuigenverklaringen en verklaringen van een proces-verbaal alleen geldig zijn als de getuigen de feiten zelf heeft waargenomen. De wetgever bedoelde dat je de oorspronkelijke rechtsbron moet horen.

In het auditu-arrest gebeurt dit niet.

Bij een mondelinge verklaring kan je nog wel vragen stellen, bij een schriftelijke verklaring kan dit niet. In het auditu-arrest is er zelfs sprake van een dubbele auditu. Hierdoor wordt de verdediging het vragenrecht belemmerd.

In het eindonderzoek mag de verdachte de rechten uitoefenen. Door het auditu-arrest hoeft niet veel meer op de zitting uitgevoerd te worden. De meeste verklaringen worden in papieren vorm gedaan en worden op de rechtbank voorgelezen.

Op het eindonderzoek mag er geen geheime informatie meer zijn.

Het onmiddellijkheidsbeginsel bepaalt dat de rechter alleen beslissingen mag nemen op grond van wat er tijdens de zitting gebeurt.

Bij een schouw gaat de rechter op het plaats delict kijken. Dit valt ook onder de zitting, omdat de rechter anders informatie niet mee mag nemen.

Door het auditu-arrest is er alleen nog een puur formele invulling van het onmiddellijkheidsbeginsel. Het Europees Hof wil een materiele invulling. Zij pleiten ervoor dat alle getuigen gehoord worden tijdens de zitting.

Artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering beslaat het rechterlijk beslissingsmodel. Dit zijn de formele voorvragen.

De vragen die de rechter moet nalopen zijn:

  • Is de dagvaarding geldig? Deze is niet geldig als de datum of de plaats ontbreekt of als de dagvaarding niet goed uitgereikt is of er problemen zijn met de betekening. Dit leidt tot een nietige dagvaarding.

  • Is de rechter bevoegd? Hier gaat het om de relatieve competentie (de plaats van de rechtbank) en de absolute competentie (het soort zaak). Zo niet spreek je van een onbevoegde rechter.

  • Is het OM ontvankelijk? Dit is het OM niet als de verdachte overleden is, de zaak verjaard is, als er geen klacht ligt bij de rechtbank of als de verdachte al een keer eerder vervolgd is voor hetzelfde delict. In die gevallen verliest het OM zijn vervolgingsrecht wegens de wettelijke beletselen. Als het OM niet ontvankelijk is, is dat eigenlijk een straf voor het OM.

  • Schorsing van de vervolging. Dit komt nauwelijks voor.

Artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering bevat de materiele hoofdvragen.

Het verschil tussen artikel 348 en artikel 350 is dat artikel 348 over de procedure gaat.

Bij een nietige dagvaarding, mag de zaak opnieuw aangedragen worden. Artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht geldt hier niet, die geldt alleen bij de vragen van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering.

Je mag niet 2x voor hetzelfde feit worden vervolgd. Bij de vragen van artikel 348 is er nog niet vervolgd. Het feit is opgenomen in de tenlastelegging. Die staat centraal op de zitting. Bij 348 heb je daar nog niet over geoordeeld.

Als het OM niet ontvankelijk is, is de reden voor de ontvankelijkheid niet te herstellen.

Artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering

  1. Is het feit bewezen? Het feit is hierin het tenlastegelegde feit. Als het niet bewezen is leidt dit tot vrijspraak (352 Sv)

  2. Is het feit strafbaar?

    1. Kwalificatiebeslissing: de rechter gaat die bewezenverklaring koppelen aaneen delictsomschrijving

    2. Is er sprake van een rechtvaardigingsgrond? Hierdoor kan een feit toch niet strafbaar zijn. het is wel in strijd met de wet maar niet met het recht.

Dit leidt tot ontslag van rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van het feit.

  1. Is de dader strafbaar? Hij is hier niet meer verdachte. Hierbij komen schulduitsluitingsgronden aan bod. Als de dader niet strafbaar is, leidt dit tot ontslag van rechtsvervolging. Geef hierbij aan wegens niet strafbaar zijn van de dader.

  2. Welke straf/maatregel kan worden opgelegd?

Dit correspondeert met de 4 voorwaarden voor strafbaarheid.

De eerste daarvan was dat er een gedraging moet zijn, die valt onder vraag 1. Die gedraging moet vallen binnen een delictsomschrijving. Dit is de kwalificatie stap.

Dan moest er ook sprake zijn van wederrechtelijkheid, rechtvaardigingsgronden nemen dit weg. Het moest ook aan schuld te wijten zijn. schuld betekent hier de verwijtbaarheid. Dit kan gekoppeld worden aan vraag 3.

Alle bestanddelen van een delictsomschrijving worden ook genoemd in de tenlastelegging, om er zeker van te zijn dat de tenlastelegging kwalificeerbaar is.

Als wederrechtelijkheid in de delictsomschrijving staat, en er sprake is van een rechtvaardigingsgrond, kan het feit niet bewezen worden. Het moet dan als bewijsverweer gevoerd worden. Dan leidt dat tot vrijspraak.

Als de rechter het beroep op die rechtvaardigingsgrond verwerpt, is vraag 2b ook ongegrond

Als schuld een bestanddeel is van een delictsomschrijving, hebben we het over culpa. Culpa is een aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid. Dit heeft 2 componenten. Als eerste stap moet je die onvoorzichtigheid bekijken. Dit is de wederrechtelijkheidscomponent. De tweede component is de verwijtbaarheid.

Bij een culpoos delict staat de schuld in de tenlastelegging. Als de dader zich dan beroept op een schulduitsluitingsgrond of een rechtvaardigingsgrond, leidt dit tot vrijspraak. Dit moet dan aangegeven worden bij de vraag of het feit bewezen is.

Hoorcollege 5

Tegenspraak Officieren van Justitie moeten oordelen of er in het onderzoek niet te veel sprake is van een tunnelvisie.

Eind vorig jaar is er een wettelijke basis gekomen om de Raad advies te geven over zaken waarin een onschuldige verdachte veroordeeld is. Alle zaken die hierbij aan de orde zijn, zijn levensdelicten.

Het gaat juist in levensdelicten vaak mis, omdat daar veel emoties een rol spelen.

Alles over het sanctiestelsel is in de wet terug te vinden.

Sanctierecht

Het sanctierecht raakt in de eerste plaats rechtvaardiging van de straf.

In de loop van de 19e eeuw zijn verschillende theorieën ontwikkeld.

De absolute theorie is die waarbij de vergelding zowel grondslag is van de straf als ook het doel. Omdat er iets is misdaan moet er worden gestraft.

Dat is lang de heersende theorie geweest, maar dit is meer naar de achtergrond gedreven.

Vanaf de 20e eeuw werd steeds meer gekeken naar de mogelijkheid om met de straffen ook iets te bereiken.

In de relatieve theorieën werden die doelen centraal gesteld. Het doel was het voorkomen dat iemand opnieuw de fout in gaat. Speciale preventie richt zich op de dader

In de relatieve theorieën wordt minder belang gehecht aan juridische funderingen van de straf. Het gaat om het voorkomen. Dat leidt tot excessen.

Dit zag je onder andere in Duitsland, tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat heeft ertoe geleid dat er na de Tweede Wereldoorlog vereniging theorieën ontstaan zijn.

We straffen omdat iemand iets heeft misdaan. Vergelding is de grondslag van de straf. Dit bepaalt dus ook de bovenmaat van de straf. Je kunt niet meer straffen dan dat er aan schuld aanwezig is.

Met het oog op preventie kan ook juist van strafoplegging afgezien wordt. Door het opportuniteitsbeginsel dat in Nederland geldt, wordt het mogelijk gemaakt om van de strafoplegging af te zien.

De absolute theorieën komen met name in uitdrukking in de klassieke richting. Dit was in het begin van de 19e eeuw.

De moderne richting kwam eind 19e eeuw op en had meer het doel van het bestraffen. In de moderne richting staat de beveiliging van de samenleving tegen mensen die iets fout kunnen doen centraal.

Soorten Sancties

Er zijn twee soorten strafrechtelijke sancties. Straffen en maatregelen.

Straffen zijn het klassieke denken, waarbij vergelding voorop staat. Dit wordt opgelegd op de grondslag, wegens een delict.

Daarnaast zijn een aantal maatregelen in het wetboek opgenomen. Die gaat ervan uit dat de beveiliging van de samenleving en het herstel van de rechtsorde centraal moet staan. Dit is abstracter.

Een voorbeeld van een maatregel is TBS. Degene die tot TBS wordt veroordeeld ziet de maatregel als straf. Het is een vrijheidsbenemende sanctie. Het idee dat eraan ten grondslag ligt is de maatregel, dus het beveiligen van de maatschappij.

De gedachte van proportionaliteit komt sterk terug bij het opleggen van straffen. Vergelding betekent dat je proportioneel vergeldt. Dit speelt veel minder duidelijk een rol bij maatregelen. De beveiliging van de maatschappij staat voorop. Dat weerspiegelt zich bij de nieuwe maatregel, de maatregel van ISD. Dit is een Inrichting voor Stelselmatige Daders. Dat zijn mensen die voortdurend terugvallen in crimineel gedrag. Tegen dat soort overlast gevend gedrag heeft de wetgever besloten een aparte maatregel te creëren. Die brengt mee dat iemand onder bepaalde voorwaarden 2 jaar kan worden opgesloten, ook als het delict niet zo ernstig is. De proportionaliteit is hierbij niet richtinggevend.

Bij de straffen is de proportionaliteit wel richtinggevend.

In Nederland kennen we wel het beginsel van geen straf zonder schuld, maar daaruit volgt volgens de Hoge Raad niet dat ook de geldt straf naar de mate van schuld.

Bij een grote kans tot ontsnappen of herhaling wordt vaak een hogere straf gegeven dan de straf naar mate van schuld.

Vroeger had men een beperkt aantal straffen en maatregelen. De laatste 10 jaar is er een woud ontstaan aan allerlei verschillende sancties.

Vroeger had je gevangenisstraf, hechtenis en de geldboete. Daar is de taakstraf bijgekomen. Taakstraf is de onbetaalde arbeid. Deze is tussen de geldboete en de gevangenisstraf in geplaatst.

Er wordt steeds een maximum aantal gevangenisstraf en een maximum geldboete gegeven bij de delictsomschrijving. Het maximum aantal uren taakstraf staat in artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht.

Van de bijkomende straffen is de belangrijkste de verbeurdverklaring. Dit is de straf die in relatie staat met het strafbaar feit. De rechter acht het dan niet geoorloofd dat een voorwerp dat in relatie staat met het strafbaar feit in het bezit blijft van de verdachte.

Een taakstraf kan worden opgelegd als vervanging, als alternatief voor de gevangenisstraf of hechtenis. Dit was het uitgangspunt van de taakstraf volgens artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht. Redelijk recent heeft de wetgever daar beperkingen in aangebracht. Sinds kort bestaat in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht een beperking in de vrijheid voor het opleggen van taakstraf. In bepaalde delicten mag geen taakstraf meer opgelegd worden, zoals bij kinderpornografie of liquidatie.

Als het gaat om taakstraf zegt artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht dat het een vervanging is, daarom staat het ook niet in de delictsomschrijving. Of deze mag worden opgelegd hangt dus af van artikel 22b.

Tegenwoordig mogen straffen gecombineerd worden.

Geldboetes mogen altijd in combinatie worden opgelegd.

Een taakstraf kan in combinatie met andere straffen worden opgelegd zoals de gevangenisstraf.

De andere straffen kunnen altijd worden gecombineerd met een verbeurdverklaring.

Voorwaardelijke straf

Voorwaardelijke straf is mogelijk voor taakstraffen, hechtenis, een geldboete en bijkomende straffen.

Gevangenisstraffen kunnen voorwaardelijk en onvoorwaardelijk worden opgelegd.

Bij een voorwaardelijke straf kan de tenuitvoerlegging worden opgeschort als je binnen een proeftijd goed gedrag toont. De proeftijd is 3-10 jaar. Als mensen in die proeftijd de fout in gaan, kan als nog de gevangenisstraf ten uitvoer gebracht worden. Dit geldt tot een maximum van 4 jaar, met een onderscheid tussen straffen tot 2 jaar en van 2 tot 4 jaar.

De enige voorwaarde die eerst werd gesteld, was dat men niet opnieuw een strafbaar feit mag plegen binnen de proeftijd. Je mag niet in herhaling vallen. De laatste 5 jaar is daar een enorme rits aan bijzondere voorwaarden aan toegevoegd. Het kan dan gaan om een contactverbod of een gebiedsverbod. Daar is een grens aan, er mag geen sprake zijn van verbanning.

Het toezicht op het naleven van de voorwaarden is in handen gelegd van de reclassering. Die moeten kijken of iemand zich aan de voorwaarden houdt. Die moet het melden bij het OM als iemand zich er niet aan houdt.

De ‘tul’ is als iemand de tenuitvoerlegging niet naleeft. Dan komt er nog een vordering om een eerder opgelegde voorwaardelijke straf ook ten uitvoer te leggen.

Daarnaast bestaat er iets als voorwaardelijke invrijheidstelling. Dat komt erop neer dat als iemand een gevangenisstraf heeft gekregen, hij in beginsel na 2/3 van de opgelegde straf in vrijheid wordt gesteld. Dit is voorwaardelijk. Die invrijheidstelling kan aan allerlei voorwaarden worden gekoppeld.

Vroeger was dat een automatisme, dat heette toen een vervroegde invrijheidstelling. Nu wordt een onderscheid gemaakt tussen langdurige straffen en straffen tot 2 jaar. Boven de 2 jaar komt men na 2/3 van de gevangenisstraf vrij.

De voorwaardelijke invrijheidstelling geldt, tenzij je een poging tot ontsnappen hebt begaan of een nieuw strafbaar feit hebt begaan in detentie of als je je niet goed hebt gedragen in detentie.

Voorwaardelijke invrijheidstelling is voor de buitenwereld vaak lastig te begrijpen, maar de rechters houden rekening met de regeling.

Maatregelen

Aanvankelijk waren de maatregelen beperkt tot 3 soorten, namelijk:

  • Opname in een psychiatrisch ziekenhuis. voor mensen die ontoerekeningsvatbaar zijn. Er is dan geen sprake van schuld maar de maatschappij moet wel beschermd worden. Dit kan opgelegd worden voor maximaal 1 jaar.

  • TBS is voor mensen die ofwel geheel of gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar zijn en die daarnaast een gevaar vormen voor zichzelf of voor de maatschappij.

  • Onttrekking aan het verkeer is het wegnemen van het bezit van bepaalde gevaarlijke voorwerpen, zoals wapens en alles wat in strijd is met de wet.

Dit is uitgebreid met:

  • Het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit is vooral gericht op herstel, om iemand te ontnemen wat hij heeft verkregen met het delict.

  • Schadevergoedingsmaatregel. Maakt het mogelijk dat de staat namens slachtoffers schadevergoeding gaat incasseren.

De Inrichting voor Stelselmatige Daders is voor mensen die veel overlast veroorzaken.

De allernieuwste maatregel is de vrijheid beperkende maatregel. Die maakt het mogelijk dat de rechter oplegt dat je niet in een bepaald gebied mag komen of dat er een contactverbod is. De rechter kan ook voorschrijven dat je je iedere week bijvoorbeeld moet melden op het politiebureau.

De gedachte is tegenwoordig dat met de inzet van strafrecht de criminaliteit zo veel mogelijk onder controle gehouden kan worden. Daarmee moet de samenleving beter gemaakt worden.

Dat betekent wel dat er een enorm geloof is in de maakbaarheid van de samenleving door het strafrecht. Als iets niet goed gaat verzinnen we een nieuwe sanctie om het op te lossen.

Strafoplegging

De moeilijkste taak van de rechter is de juiste straf opleggen. De meeste strafzaken zijn niet zo moeilijk, meestal is wel duidelijk of iemand schuldig is.

Groot vertrouwen van de Nederlandse wetgeving ligt bij de kunde van de rechter om de juiste straf op te leggen. Dat is terug te zien in het feit dat er wel maximum straffen zijn, maar enkel algemene minimumstraffen.

Op de vrijheid is de wetgever de laatste jaren wel aan het beknibbelen. Er worden steeds meer beperkingen in de wet vastgelegd.

Zonder aanknopingspunten is het voor de rechter buitengewoon lastig om te bepalen wat rechtvaardig is.

De straf is gebaseerd op de ernst van het delict, de persoonlijkheid van de dader en de omstandigheden van het geval. Dat is een toereikende strafmotivering.

Om de ongelijkheid te verminderen is een uitgangspunt vast te stellen. Dit is een richtlijn. Aan die richtlijnen kan de rechter zich vasthouden.

Ook het Openbaar Ministerie heeft die richtlijnen bedacht. De richtlijnen zijn grotendeels gepubliceerd. Als een straf wordt geëist die zwaarder is dan de richtlijn behoeft dit uitleg.

Het terrein van penitentiair recht. Dat is het onderdeel van de executie.

Ongeveer 10 % van de opgelegde straffen door de rechter wordt niet ten uitvoer gelegd. Dit kan zijn als er een dossier zoekraakt of er iets fout gegaan is.

De executie wil men in handen leggen van het Ministerie van Justitie.

De staatssecretaris heeft aangekondigd dat er een verdergaande versobering komt in de gevangenissen. Er moeten minder mensen komen te werken. Er moet meer gebruik gemaakt worden van technologische beveiligingsmaatregelen. Als er minder menselijk contact is, wordt de veiligheid exponentieel groter.

This Summary is part of the following bundle(s)
Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of Vintage Supporter
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
61 2
Promotions
Image

Op zoek naar een uitdagende job die past bij je studie? Word studentmanager bij JoHo !

Werkzaamheden: o.a.

  • Het werven, aansturen en contact onderhouden met auteurs, studie-assistenten en het lokale studentennetwerk.
  • Het helpen bij samenstellen van de studiematerialen
  • PR & communicatie werkzaamheden

Interesse? Reageer of informeer