Samenvatting Juridische vaardigheden (Loonstra)

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.


Hoofdstuk 1: Het hanteren van een wettenbundel.

Algemene elementen van regelingen en wetten

Een wettenbundel is een verzameling van officiële teksten en regels, die interessant en noodzakelijk zijn. Dit heeft tot gevolg dat een wettenbundel slechts een klein gedeelte van het totaal aantal regelingen in Nederland bevat. In een wettenbundel treft men voornamelijk wetten aan die tot stand zijn gebracht door de regering en de Staten - Generaal. Het is belangrijk om te weten dat er daarnaast verschillende weten bestaan die door lagere wetgevers zijn uitgevaardigd, men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan gemeentelijke en provinciale verordeningen.

Een regeling wordt ook wel een opschrift genoemd. Iedere regeling krijgt een unieke naam toebedeelt, hierdoor kan er nooit verwarring bestaan over welke regeling er op een bepaald moment bedoeld wordt. De meeste wetten worden voorzien van een citeertitel. Dit is de officiële naam waarmee een betreffende wet wordt aangeduid. Onder de aanhef van een regeling verstaat men het stuk tekst dat voorafgaat aan de inhoudelijke regeling. Het gaat hierbij vaak om een standaardtekst waarbij het wetgevingsproces duidelijk zichtbaar wordt gemaakt. In de considerans komen de beweegredenen van de wetgever tot uiting.

De daadwerkelijke kern van de regeling bestaat uit de regeling zelf. Dit onderdeel wordt ook wel het corpus van de regeling genoemd. Het corpus bestaat uit verschillende wetsartikelen die samen een bepaalde samenhang vertonen.

Van iedere persoon die in Nederland verblijft wordt er geacht dat men de wet kent, dit is één van de belangrijkste redenen waarom wetten gepubliceerd moeten worden. Wetten treden pas na publicatie in werking, zodat iedereen kennis kan nemen van datgene wat de wet inhoudt. Het slot van een regeling wordt dan ook gevormd door een bevel voor publicatie. In het slot staan ook de handtekeningen van de vorst en verantwoordelijke minsisters, waardoor de wet officieel bekrachtigd wordt.

De opbouw van afdelingen en artikelen

Om boeken zo overzichtelijk mogelijk te maken, kan men ervoor kiezen een boek onder te verdelen in hoofdstukken, paragrafen en sub paragrafen. Dit zorgt ervoor dat de lezer de besproken onderwerpen beter kan begrijpen en in een groter geheel kan plaatsen. Ook wetten worden opgedeeld in verschillende elementen, om op deze manier de leesbaarheid te vergroten

Om een wet overzichtelijk te maken, kan men deze eventueel opdelen in verschillende boeken. Door zo'n soort onderverdeling worden regels die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp bij elkaar geplaatst. Als voorbeeld kan men bijvoorbeeld kijken naar het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Deze wet is opgedeeld in vier boeken. Het eerste boek bestaat hierbij uit alle regels die betrekking hebben op de manier waarop men moet procederen vanuit de rechtbanken, hoven en Hoger raad. In het tweede boek worden regels beschreven die te maken hebben met de wijze waarop beslissingen van rechtbanken kunnen worden geeffectueerd. In het derde boek wordt de wijze van procederen in enkele bijzondere procedures geregeld, het gaat hierbij om bijzondere regels. In het vierde boek staat de buitengerechtelijke procedure van arbitrage centraal.

Een wet kan verder worden onderverdeeld in hoofdstukken en titels. De titels die er worden gebruikt, hebben betrekking op de onderwerpen die er in een bepaald boek aan bod komen. Men kan een titel verder onderverdelen in afdelingen. Op deze manier kan men regels verder categoriseren. Door deze categorisering kan men, binnen een wet, op een logische manier op zoek gaan naar een specifieke regel. De kern van een regeling wordt gevormd door genummerde wetsartikelen.

Het Burgerlijk Wetboek

Het oorspronkelijke Burgerlijk Wetboek stamt uit 1838. In 1947 werd dit wetboek onder leiding van de Leidse hoogleraar E.M. Meijers herzien. Tijdens deze modernisering werd het oorspronkelijke wetboek opgedeeld in verschillende boeken. De vernieuwing van het Burgerlijk Wetboek is echter nog steeds niet afgerond.

Om de regeling overzichtelijk en toegankelijk te houden, is deze onderverdeeld in acht verschillende boeken. Ieder boek behandeld een deelonderwerp van de totale regeling, dit zorgt ervoor dat men ieder deel in samenhang met de andere delen moet zien.

In het eerste deel van het Burgerlijk Wetboek gaat het over het personen- en familierecht. Het eerste deel geeft dan ook antwoord op vragen als, hoe treedt je in het huwelijk, en welke achternaam krijgt een kind wanneer het geboren wordt?

Men maakt onderscheid tussen natuurlijke personen en rechtspersonen. Natuurlijke personen zijn mensen van vlees en bloed, terwijl rechtspersonen bijvoorbeeld ook verenigingen, stichtingen en besloten vennootschappen kunnen zijn. In het tweede deel van het Burgerlijk Wetboek zijn regels opgenomen over deze verschillende rechtspersonen, en de familiebanden tussen deze rechtspersonen. Iedere persoon of rechtspersoon heeft een vermogen, dat continue in beweging is. Het vermogen van een (rechts) persoon, is dus steeds aan verandering onderhevig. De algemene regels die betrekking hebben op de manier waarop men vermogen kan verkrijgen en verliezen kunnen worden gevonden in boek drie. Alle antwoorden op vragen en regels rondom het erfrecht staan in boek vier. De overige boeken bevatten onderwerpen als het goederenrecht (boek vijf), regels met betrekking tot verbintenissen en overeenkomsten (boek zes) en benoemde overeenkomsten (boek zeven). Het Burgerlijk wetboek bestaat uit een gelaagde structuur, hierdoor heeft men weten te voorkomen dat algemene regels bij ieder onderwerp herhaald moeten worden.

Een rechtshandeling is een handeling die een bepaald juridisch gevolg teweeg brengt, een voorbeeld hiervan is een testament. Men moet in acht houden dat er hierbij niet ook altijd sprake hoeft te zijn van een overeenkomst. Er kan daarnaast, binnen een rechtshandeling, ook sprake zijn van een koopovereenkomst. Een koopovereenkomst is een specifiek geregelde overeenkomst, waarbij de één verplicht is een zaak te verschaffen aan de andere en daarvoor een prijs in geld moet betalen.

Wanneer men de wetsartikelen heeft kunnen vinden, dan kan men te maken krijgen met het probleem dat de artikelen tegenstrijdige informatie bevatten. In zo’n geval zal men de volgende regels toe moeten passen:

  • Bij strijdige regels gaan bijzondere wetsartikelen altijd voor algemene wetsartikelen.

  • Wanneer regels uit hetzelfde boek strijdig met elkaar zijn, dan gaar de voorkeur uit naar het meest specifieke wetsartikel.

Wanneer men bij een overeenkomst geen gebruik maakt van een koopovereenkomst en bijvoorbeeld het ene product voor het andere product ruilt, dan is er sprake van een ruilovereenkomst. Om de herhaling van regels over eenzelfde onderwerp te voorkomen, maakt men gebruik van schakelbepalingen. Een wetsartikel dat bepalingen van toepassing verklaard buiten bijvoorbeeld de titel, afdeling en of wet waarin de betreffende bepalingen zijn opgenomen, wordt een schakelbepaling genoemd.

De Algemene wet bestuursrecht

De Algemene wet bestuursrecht, is een in 1994 ingevoerde wet, die de verhoudingen tussen burger en bestuur regelt. Deze wet bestaat uit vier tranches (gedeelten). Het laatste deel moet tot op heden nog in uitvoering worden gebracht. De Algemene wet bestuursrecht is niet opgebouwd uit boeken, maar uit elf hoofdstukken. Deze hoofdstukken zijn verder onderverdeeld ion titels en afdelingen. Net als het Burgerlijk Wetboek is de Algemene wet bestuursrecht op een gelaagde manier opgebouwd. Daarnaast bevat de algemene wet bestuursrecht net als het Burgerlijk Wetboek verschillende schakelbepalingen.

De wettenbundel

Een wettenbundel is een verzameling van regelingen, samengesteld door een uitgever. Wettenbundels komt men dan ook in verschillende verschijningsvormen tegen. De wetteksten zijn in iedere bundel hetzelfde, maar iedere wettenbundel verschilt qua lay- out, omvang en indeling. Het gebruik van een wettenbundel hangt dan ook veelal samen met persoonlijke voorkeuren.

Alle regelingen die in een wettenbundel zijn opgenomen, worden vooraf door de uitgever gegroepeerd. Deze groepering wordt opgesteld op basis van samenhang. Indien het aantal door de uitgever geselecteerde te groot is om in één bundel te worden opgenomen, dan kiest men er vaak voor de gekozen regelingen te verdelen over twee boeken. Vaak wordt er dan onderscheid gemaakt tussen een bundel privaatrechtelijke regelingen en een bundel publiekrechtelijke regelingen.

De grijze vakken aan de zijkant van de wettenbundel zijn aangebracht om de verschillende regelingen van elkaar te onderscheiden. Men kan ook zelf een duidelijke ordening maken door zelfklevende tabs aan te brengen.

In iedere wetbundel treft men margeteksten aan. Dit zijn teksten die in enkele woorden de inhoud van een wetsartikel weergeven. Op deze manier kan men op een snelle manier de kern van een wetsartikel achterhalen. Men moet hierbij wel in acht nemen dat de margeteksten alleen ter behoeve van de gebruiker zijn geplaatst, deze maken dus niet officieel deel uit van de wettekst.

Achteraan een lid en/of wetsartikel kan men verwijzingsartikelen aantreffen. Deze artikelen verwijzen naar aanverwante wetsartikelen, en kunnen op deze manier een goed hulpmiddel bieden om een bepaalde toepasselijke bepaling te achterhalen. Net als bij de margeteksten gaat het hierbij om een hulpmiddel dat is toegevoegd door de uitgever, maar dat niet officieel deel uit maakt van de wettekst.

Citeren

In het juridische vak is het niet gebruikelijk om wetsartikelen in het geheel over te schrijven. Om te voorkomen dat ieder zijn eigen citeerwijze gebruikt, zijn er binnen het vakgebied een aantal ongeschreven regels ontstaan met de betrekking op het citeren van regelen. Wetsartikelen mogen nooit aangehaald worden met behulp van een paginanummer uit een wettenbundel. De reden hiervoor is dat iedere wettenbundel een andere indeling, en daardoor ook andere paginanummers kent. Wanneer men een bepaling aanhaalt, dient men alleen het wetsartikel en de betreffende regeling te vermelden. Titels, hoofdstukken en afdelingen hoeven dus niet te worden vermeld.

Wanneer een wet bestaat uit meerdere boeken en wanneer ieder boek begint met een nieuwe nummering, dan is het zaak het nummer van het boek wel te vermelden. Ook de Algemene wet bestuursrecht vormt een uitzondering, omdat ieder hoofdstuk hier begint met een nieuwe nummering. Om deze ree dient het wetsartikel voorafgegaan te worden door het nummer van het hoofdstuk waarin het artikel is geplaatst.

De uitspraak van een notitiewijze is anders dan dat deze geschreven wordt. Zo schrift men bijvoorbeeld art. 3:33 BW, terwijl dit wordt uitgesproken als artikel 33 Boek 3 BW. Wanneer bepaalde artikelen in samenhang gelezen moeten worden, dan plaatst men een jo. Of juncto tussen de artikelen. Bijvoorbeeld: art.3.33 jo. 3.35 BW.

Zoeken binnen een wettenbundel

Veel wetten zijn opgebouwd vanuit een bepaalde systematiek. Zo zijn de meeste wetten opgebouwd van algemeen naar bijzonder. Het zoeken naar wetten wordt gemakkelijker gemaakt door het gebruik van de inhoudsopgave die iedere wet is opgenomen. Echter is voor het gebruik van een systematische zoekmethode wel bepaalde voorkennis vereist, men zal namelijk moeten weten welke bepaling in welke wet staat.

Naast een systematische zoekmethode kan men ook zoeken aan de hand van de registermethode. Hierbij gaat men niet zo zeer uit van de systematiek van een wet, maar van het trefwoordenregister dat achterin de wettenbundel te vinden is. De registermethode is voornamelijk handig wanneer men niet weet in welke regeling een bepaald wetsartikel teruggevonden kan worden. Wanneer men gebruik maakt van de registermethode, loopt men wel het gevaar de verkeerde juridische termen te gebruiken, waardoor het zoeken weinig oplevert.

Hoofdstuk 2: Omgaan met wetsartikelen

Hoofdstuk 2: Omgaan met wetsartikelen

De opbouw van wetsartikelen

Rechtsregels zijn meestal geschreven in onspecifieke bewoordingen. De reden hiervoor is dat het in een moderne en complexe samenleving onmogelijk is om voor iedere situatie een aparte rechtsregel te schrijven. Het algemene recht zal dus worden toegepast in specifieke situaties.

Artikelen kunnen opgebouwd zijn uit leden en subs. Een lid is een zelfstandig stuk tekst binnen artikel. Een sub is een niet op zichzelf staande tekst, die meestal deel uitmaakt van een opsomming. Om duidelijk te maken dat subs onderdelen zijn van een artikellid, worden deze aangeduid met letters. Artikelen en artikelleden worden altijd aangeduid met cijfers. Een artikellid kan nog verder worden onderverdeeld, men gebruikt naast de sub dan ook een sublid. Een sublid wordt aangeduid met een cijfer gevolgd door een bolletje.

Cumulatieve- en alternatieve rechtsvoorwaarden

Wetsartikelen zijn opgebouwd uit verschillende rechtsvoorwaarden en rechtsgevolgen. In rechtsregels worden voorwaarden gesteld, wanneer er aan deze voorwaarden wordt voldaan dan wordt er een bepaald gevolg in actie gesteld. Deze voorwaarden noemt men, binnen het juridische jargon, rechtsvoorwaarden. De gevolgen die uit deze rechtsgevolgen voortvloeien noemt men rechtsgevolgen. Rechtsvoorwaarden en rechtsgevolgen kunnen niet zonder elkaar bestaan. Het rechtsgevolg is de conclusie van de rechtsregel. Binnen een rechtsregel kan men meerdere rechtsgevolgen tegenkomen. Er bestaan ook situaties waarbinnen er een keuze gemaakt mag worden tussen verschillende rechtsgevolgen. Daarnaast kunnen straffen of rechtsgevolgen ook naast elkaar opgelegd worden. Er bestaan twee soorten rechtsvoorwaarden, alternatieve rechtsvoorwaarden en cumulatieve rechtsvoorwaarden. Wanneer er bij een rechtsregel een alternatief wordt geboden waarbij men de keuze heeft, om te voldoen aan verschillende voorwaarden, dan spreekt men over een alternatieve rechtsvoorwaarde. Bij een cumulatieve rechtsvoorwaarde, moeten de rechtsvoorwaarden bij elkaar worden opgeteld om op deze manier een rechtsgevolg te laten intreden. Dit betekent dat men aan alle rechtsvoorwaarden moet hebben voldaan om een rechtsgevolg in werking te stellen. Dit is dus in tegenstelling met de alternatieve rechtsvoorwaarden, waarbij men een keuze mag maken uit verschillende voorwaarden.

Wetsartikelen en hun samenhang

Het dient de voorkeur om eerst een rechtsgevolg vast te stellen, men moet zich hierbij afvragen wat de uitkomst is wanneer er aan alle voorwaarden is voldaan. Nadat men de uitkomst heeft bekeken, zal men aandacht moeten schenken aan het benoemen van de voorwaarden. Men moet zich hierbij afvragen onder welke condities het rechtsgevolg tot stand komt. Om al deze voorwaarden en condities te bekijken zal men er verschillende wetboeken op na moeten slaan. 

Er bestaan artikelen waarin zowel cumulatieve als alternatieve rechtsvoorwaarden naar voren komen. Een voorbeeld hierbij is de wet waarbij iemand in juridisch opzicht gekwalificeerd kan worden als de moeder van een kind. In andere gevallen ligt het zoeken naar een bepaald rechtsgevolg nog ingewikkelder. Zo zal er in veel gevallen gezocht moeten worden naar de samenhang tussen verschillende artikelen. Het is belangrijk om alle voorwaarden die in de verschillende artikelen worden opgesteld te gebruiken om te komen tot het rechtsgevolg. Naast cumulatieve en alternatieve rechtsvoorwaarden kan er in deze gevallen ook sprake zijn van alternatieve en cumulatie rechtsgevolgen.

Interpretatiemethoden

Een artikel maakt altijd deel uit van een regeling, het is dus geen opzichzelfstaand stuk tekst. De context van een artikel wordt dan ook pas duidelijk wanneer men deze leest in combinatie met de regeling. In juridische termen spreekt men hierbij van een juncto, dat letterlijk in verband met betekent. Dit houdt in dat men verschillende artikelen, die in verband staan met elkaar, zal moeten bestuderen, om te zien aan welke voorwaarden er moet worden voldaan en wat de rechtsgevolgen zijn.

Voordat men kan bepalen of een bepaald rechtsgevolg in werking wordt gesteld, zal men eerst de feitelijke werkelijkheid moeten vertalen naar een juridische werkelijkheid.

Men kan de feitelijke werkelijkheid letterlijk vertalen naar de juridische werkelijkheid, of men kan hier een interpretatie van geven. Een letterlijke vertaling biedt vaak geen uitkomst. Zo wordt er in wetsartikelen vaak gesproken in de hij vorm, wanneer men dit letterlijk zou nemen, dan zou dit betekenen dat vrouwen dus niet onder dit artikel vallen. Het is daarom belangrijk de tekst binnen een regelement te kunnen interpreteren. Om de juridische betekenis van een rechtsregel duidelijk te maken zal men dus altijd een interpretatie moeten maken van elk woord of iedere zinsnede binnen de rechtsregel. Geen enkel woord is te begrijpen zonder de interpretatie van de lezer. Men kan bij het interpreteren van een tekst gebruik maken van verschillende interpretatiemethoden. Ten eerste kan men gebruik maken van de grammaticale interpretatiemethode. Bij deze methode kijkt men naar de betekenis die een woord in het alledaagse spraakgebruik heeft, de woordenboekbetekenis.

Alles wat er binnen de eerste en tweede kamer over een wet wordt gezegd wordt papier gezet. Al deze documenten bij elkaar noemt men de Handelingen van de Eerste en Tweede kamer.

Binnen de wetshistorische interpretatiemethode vormt de Handelingen van de Eerste en Tweede kamer de rode draad. Men probeert aan de hand van de Handelingen van de Eerste en Tweede kamer te achterhalen wat er met een bepaald woord bedoeld werd toen de wet werd ontwikkeld. Binnen deze methode schenkt men dus veel aandacht aan parlementaire geschiedenis om zo tot een uitleg over een bepaald artikel te komen. Een wettelijke bepaling maakt altijd onderdeel uit van een groter geheel. Bij de systematische interpretatiemethode wordt de betekenis van een woord of artikel afgeleid uit het systeem waar deze onderdeel van uitmaakt. Wanneer me gebruik maakt van de theologische interpretatiemethode dan heeft men oog voor het doel dat men gehad heeft toen de wet werd ontwikkeld. Bij deze methode staat dus niet de letterlijke betekenis van een woord of woord centraal, maar het eigenlijke doel van de wet. Men kan interpretatiemethoden gebruiken om te komen tot rechtsvoorwaarden en tot rechtsgevolgen.

Hoofdstuk 3 Hoe wordt er recht gesproken?

Hoofdstuk 3 Hoe wordt er recht gesproken?

Jurisprudentie

De term jurisprudentie betekent letterlijk; een rechtsopvatting van de rechterlijke macht, zoals die blijkt uit genomen beslissingen. Hierbij is het belangrijk om te onthouden dat alle gebruikte woorden, zinnen en termen, voordat zij gebruikt kunnen worden, zullen moeten worden geïnterpreteerd. Men zal hierbij een specifieke uitleg moeten geven aan een algemeen geformuleerde rechtsregel. Omdat een rechter uitspraak doet naar aanleiding van een algemene rechtsregel die wordt gespecificeerd, zal deze zijn uitspraak altijd moeten motiveren. Dit houdt in dat de rechter argumenten moet geven voor het ingenomen rechtsoordeel. Een rechtelijke uitspraak is niet alleen interessant voor de partijen die een geschil hebben voorgelegd aan de rechter, maar ook voor derden die werken met juridische zaken. Zo kan men door de uitspraken van rechters te bestuderen meer inzicht krijgen in het gebruik en de inhoud van rechtsregels. Rechtelijke uitspraken op basis van het recht worden jurisprudentie genoemd.

De rechtelijke macht

De rechtelijke macht heeft volgens de Grondwet de taak om geschillen over burgerlijke zaken te berechten Daarnaast heeft deze macht de bevoegdheid geschillen te beslechten in de administratiefrechtelijke sfeer. De rechtelijke macht mag dus beslissingen nemen in civiele- bestuurs- en strafrechtelijke zaken. Nederland kent negentien rechtbanken die zijn onderverdeeld in sectoren. Binnen iedere rechtbank kan men kan onderscheid maken tussen vier sectoren: kanton, civiel, straf en bestuur. Vijf rechtbanken kennen daarnaast de toevoegging van een vijfde sector, fiscaal. Binnen het kantongerecht wordt altijd maar rechtsgesproken door een rechter, in alle andere sectoren gebeurd dit door drie rechters. Partijen kunnen ervoor kiezen om in hoger beroep te gaan bij het gerechtshof, wanneer zij het niet eens zijn met een beslissing die genomen is bij de rechtbank. Nederland kent vijf gerechtshoven, die ieder zijn onderverdeeld in drie sectoren. Het gaat hierbij om het strafrecht, civiel recht en belastingrecht, Een rechter bij een gerechtshof wordt een raadsheer genoemd. Het hoogste rechtscollege is de Hoge Raad in Den Haag. Bij dit rechtscollege worden zaken behandeld waartegen beroep in cassatie is gesteld. Cassatierechtspraak is een bijzondere vorm van rechtspraak waarbij niet meer over feiten kan worden getwist. Het zal bij deze vorm van rechtspraak voornamelijk gaan over de procedurele kant van het recht. Binnen de Hoge Raad wordt rechtgesproken door drie vijf rechters. Deze rechters worden raadsheren genoemd.

Civiele rechtspraak
In het civiele recht kan men een procedure starten bij twee soorten rechters.

De rechter binnen het kanton wordt de kantonrechter genoemd. Een kantonrechter is bevoegd om uitspraken te doen in zaken waarbij de eis het bedrag van 5000 euro niet overstijgt. Daarnaast behandelt de kantonrechter zaken die te maken hebben met arbeidsovereenkomsten, collectieve arbeidsovereenkomsten, huurovereenkomsten, huurkoop en pacht. Bij deze onderwerpen speelt de hoogte van de vordering geen rol meer. Alle andere zaken en zaken met een vordering hoger dan 5000 euro worden behandeld door het civielrecht. Om te zorgen dat beide partijen die bij de rechtbank verschijnen goed op de hoogte zijn van de inhoud van een zaak, wordt er een dagvaarding opgesteld. Dit is een officieel stuk waarin staat beschreven wat van de wederpartij wordt geëist en waarop deze eis gegrond is. Later wordt ook de rechter door middel van de dagvaarding op de hoogte gebracht van het geschil. De gedaagde partij krijgt hierna de kans zijn visie op het geheel te geven door middel van een schriftelijk stuk, een conclusie van antwoord.

Een vordering kan ook worden ingesteld door middel van een verzoekschrift. Verzoekschriften worden gebruikt in zaken rondom het personen- en familierecht. In een verzoekschriftprocedure voert de wederpartij een schriftelijk verweer door middel van een verweerschrift.

De uitspraken van een rechter binnen het kanton- of civielrecht, over zaken die gestart zijn met een dagvaarding, worden vonnissen genoemd. Wanneer een zaak is gestart met een verzoekschrift, dan spreekt men bij de uitspraak over een beschikking. Uitspraken komen in verschillende vormen voor. Ieder van de negentien rechtbanken heeft een eigen format aan de hand waarvan vonnissen en beschikkingen worden geschreven. Men kan uit deze verschillende formats wel een basisstructuur herleiden. Iedere uitspraak start met het benoemen van de instantie die de uitspraak heeft gedaan, gecombineerd met de locatie waar het betreffende vonnis van afkomstig is. Iedere uitspraak is daarnaast voorzien van een kenmerk of rolnummer, waarmee men alle gegevens die betrekking hebben op een zaak in het archief van de rechtbank kan terugvinden. Iedere uitspraak wordt voorzien van een datum, dit is onder andere van belang om de termijn van een hoger beroep te kunnen bepalen. Nadat de uitspraak is gedateerd worden de namen en de woonplaatsen van de partijen genoemd. De eisende partij en de gemachtigde van deze partij worden altijd als eerste genoemd. Bij een kantonrechter hoeven partijen zich niet te laten vertegenwoordigen door een procureur. Men mag bij de kantongerechter zowel door middel van een vertegenwoordiger als in persoon procederen.

Hierna wordt de procesgang vanaf het moment van de dagvaarding beschreven. In dit deel worden ook de conclusie van repliek en dupliek opgenomen.

Om een goede uitspraak te kunnen doen, moet een rechter een duidelijk beeld krijgen van het geschil. Binnen de uitspraak in eerste aanleg wordt dan ook aandacht besteed aan de context van de zaak. Hierbinnen worden zowel getuigenverklaringen als vaststaande feiten gebruikt.

De vordering is in veel gevallen een geldbedrag, wanneer dit bedrag minder dan 5000 euro bedraagt wordt de zaak afgehandeld bij het kantongerecht. Naast deze vordering wordt er ook een wettelijk vastgestelde rente van zes procent gevorderd. De verliezende partij zal veelal te maken krijgen met kostenveroordeling, waarbij de kosten voor de procedure in rekening zullen worden gebracht. Uiteraard is het ook hier van belang dat er binnen de uitspraak argumenten worden gegeven voor een bepaalde eis. Er zal binnen dit deel dus altijd een onderbouwing of een samenvatting van een onderbouwing voor een bepaalde vordering worden toegevoegd.

Eisers zullen hun eis moeten onderbouwen en gedaagden zullen hun verweer duidelijk moeten beargumenteren. Er wordt aan een uitspraak dan ook een deel verweer toegevoegd, waarbinnen de gedaagde de conclusie van dupliek geven.

Door de vordering en het verweer met elkaar te vergelijken en deze te bezien in het licht van feiten komt men tot de juridische kern van een geschil. Partijen kunnen strijden over feiten, de toepassing van het recht op feiten en een combinatie van deze twee. Wanneer twee partijen met elkaar strijden over de vraag hoe het recht toegepast of uitgelegd moeten worden, dan spreekt men over een rechtsvraag. Deze rechtsvraag wordt in de uitspraak besproken onder de noemer beoordeling van het geschil.

Uiteindelijk zal men als laatste stap de uiteindelijke beslissing van de rechter formuleren. Hierbij kan een rechter de vordering geheel of gedeeltelijk af- of toewijzen.

Civiele rechtspraak bij gerechtshoven

Wanneer een partij het niet eens is met de beslissing die genomen is door de rechtbank, dan kan deze in hoger beroep gaan bij het gerechtshof. De uitspraak van een hogere raad wordt in een dagvaardingsprocedure arrest genoemd en in verzoekschriftprocedures een beschikking.

De uitspraak van een hoger beroep bestaat op veel punten uit elementen die ook in de uitspraak van een rechtbank worden verwerkt. Hier worden nieuwe kenmerkende elementen aan toegevoegd. Wanneer een partij in hoger beroep gaat, dan doet men een aanval op de uitspraak in eerste aanleg. De partij is hierbij verplicht om redenen te geven waarom men het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank. Deze argumenten worden grieven genoemd. Al deze grieven worden in een officieel processtuk verwoord, het memorie van grieven. De partij die de beslissing van de rechtbank aanvalt, de eiser, wordt een appellant genoemd.

De wederpartij binnen een hoger beroep wordt de geïntimeerde genoemd. Ook deze partij mag argumenten inbrengen tegen de grieven die door de appellant zijn ingebracht, dit wordt gedaan door middel van de memorie van antwoord.

Het gerechtshof zal vervolgens juridische kernvragen opstellen en beantwoorden. Deze antwoorden vormen de kern van het arrest. Na de beantwoording van deze vragen zal men overgaan tot een conclusie.

Civiel recht gesproken door de Hoge Raad

Wanneer een partij het niet eens is met een hoger beroep genomen beslissing, dan kan men naar de Hoge Raad stappen. Beslissingen die door de Hoge Raad worden genomen dienen vaak als oplossing voor soortgelijke geschillen in lagere rechtbanken. Uitspraken van de Hoge Raad bevatten veel tekst, dit komt onder andere doordat hierin de beslissingen van de rechtbank en het gerechtshof wordt beschreven. De partij die in cassatie gaat moet cassatiemiddelen aanvoeren, gronden die worden aangevoerd tegen de beslissing in hoger beroep. Het gaat hierbij om kritiek op de rechterlijke procedure, niet om de feiten.

Voordat de Hoge Raad een uitspraak doet, wordt er eerst advies ingewonnen bij het Openbaar Ministerie. De Hoge Raad krijgt hierbij advies van de advocaat generaal of de procureur generaal. Deze adviezen worden conclusies genoemd. Wanneer een uitspraak van de Hoge Raad erg interessant is voor de rechtspraktijk dan kan er een noot aan het arrest worden toegevoegd. Dit is een wetenschappelijke verhandeling van een juridische deskundige over de betreffende zaak. De schrijver van zo’n noot wordt een annotator genoemd. Binnen de uitspraak van de Hoge Raad worden alle procedurele stappen beschreven die er tot aan de uitspraak van de Hoger Raad zijn genomen. Daarna zal ook de stand van zaken in de cassatieprocedure worden besproken. De inhoudelijke bespreking van de zaak wordt besproken onder de noemer beoordeling van het middel. Hierbinnen beargumenteerd de Hoge Raad of het cassatiemiddel terecht is aangewend. In dit deel worden ook de overwegingen en beslissingen van de rechters binnen de rechtbank en het gerechtshof besproken.

De eiser binnen de cassatie geeft binnen de cassatiemiddelen aan waarom deze van mening is dat het recht verkeerd is toegepast. Het is vervolgens aan de Hoge Raad om te bepalen of dit ook echt zo is. De Hogere Raad kan op deze manier ook verdere inkleuring geven aan onduidelijk wetten of termen.

Bestuursrechtspraak bij de Raad van State

Binnen de bestuursrechtspraak van de Raad van State staat de rechtsverhouding tussen individuele burgers en de overheid centraal.

Het bestuursorgaan neemt gemeentelijke beslissingen, zo kan het bestuursorgaan bijvoorbeeld toestemming verlenen voor de bouw van een dakkapel. Wanneer iemand het niet eens is met de beslissing van het bestuursorgaan, dan kan deze hier bezwaar tegen aantekenen bij het bestuursorgaan, men noemt dit ook wel een bestuurlijke heroverwegingsprocedure. Wanneer men na de heroverwegingsprocedure nog niet tevreden is met het oordeel, kan men naar de rechtbank sector bestuursrecht stappen. Tegen de uitspraak van deze rechter kan men in beroep haan bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dit is voor bestuursrechtelijke zaken het hoogste beroepsorgaan in Nederland. Binnen het bestuursrecht wordt degene die in Hoger Beroep gaat een appellant genoemd. Zowel de belanghebbende als het bestuursorgaan zijn niet verplicht zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat. Om tot een uitspraak te komen zal men eerst een kader scheppen waarbinnen de beroepsgrond moet worden beoordeeld. Daarna zal men de klachten van de appellanten bespreken en over deze klachten een oordeel vellen.

Strafrechtelijke rechtspraak bij de Hoge Raad

In het strafrecht wordt een verdachte altijd vervolgd door het Openbaar Ministerie, de tegenpartij van de verdachte wordt dus gevormd door de overheid. Dit houdt tevens in dat het slachtoffer van een misdaad een verdachte niet zelfstandig kan vervolgen. In eerste instantie wordt de verdachte vervolgd door een officier van justitie, in hoger beroep gaat het hierbij om een advocaat – generaal.

Wanneer men met een strafzaak naar de Hoge Raad stapt, kan er geen discussie plaatsvinden over feiten, het gaat hier alleen over de manier waarop men het recht heeft toegepast.

Een strafrechtelijk arrest wordt gestart met de eindbeslissing van de laatste feitelijke instantie. Als vervolg hierop noemt men de naam van de advocaat die het cassatiemiddel heeft ingediend en de naam van de advocaat - generaal die adviezen gegeven heeft.

Het Openbaar Ministerie kan een verdachte door middel van een dagvaarding oproepen om voor de rechter te verschijnen. In deze dagvaarding wordt de tenlastelegging beschreven, het feit dat aan de verdachte ten laste wordt gelegd. De rechter besluit aan de hand van een aantal inhoudelijke vragen of de verdachte schuldig wordt bevonden. Ten eerste zal de rechter moeten besluiten of het tenlastegelegde feit te bewijzen is. Hierbij zal het Openbaar Ministerie zal dus bewijsmiddelen moeten aandragen. Wanneer de eerste vraag positief wordt beantwoord zal men zich moeten afvragen of de gedragingen van de verdachte strafbaar zijn. Wanneer de Hoge Raad antwoorden op deze vragen heeft gevonden kunnen zij een uitspraak doen waarbij zij de uitspraak van het gerechtshof kunnen bevestigen of verwerpen. Moord en doodslag zijn twee verschillende juridische delicten. Bij beiden wordt iemand van het leven beroofd, maar alleen bij een moord gebeurd dit met voorbedachten rade.

Het zoeken naar jurisprudentie

Niet alle uitspraken die door rechters worden gedaan worden gepubliceerd, niet iedere uitspraak is immers interessant voor derden. Er zijn twee soorten instellingen die bepalen of een uitspraak in aanmerking komt voor publicatie, het gaat hierbij om commerciële instellingen en niet - commerciële instellingen. De redacties van beide instellingen bepalen of een bepaalde uitspraak wel of niet wordt gepubliceerd.

Vaktijdschriften

Er bestaan verschillende juridische tijdschriften waarbinnen publicaties van uitspraken die door rechters zijn gedaan staan. Een voorbeeld hiervan is de Nederlandse Jurisprudentie. Daarnaast kan men ook op verschillende websites met databases terecht.

Hoofdstuk 4 Juridische literatuur

Hoofdstuk 4 Juridische literatuur

Men kan onderscheid maken tussen vier vormen van juridische literatuur: handboeken, monografie, praktijkcommentaren en wetenschappelijke artikelen.

Juridische handboeken

Wanneer men zich wil oriënteren op een bepaald onderwerp of rechtsgebied, dan is het raadzaam om een handboek te raadplegen. In een handboek worden de belangrijkste onderwerpen besproken die zich in een bepaald rechtsgebied voordoen. Een handboek kan bestaan uit één enkel boek of uit een serie van boeken. Voor de meeste rechtsgebieden zijn meerdere handboeken voor handen, het is dan ook aan te raden om meerdere handboeken over een bepaald onderwerp te raadplegen om een volledig beeld te krijgen over een bepaald onderwerp.

In een handboek spelen voetnoten of eindnoten een grote rol. Een schrijver legt verantwoording af aan zijn lezers door bij gedane beweringen in de lopende tekst een cijfer te plaatsen. Dit cijfer keert vervolgens onder aan de pagina terug in combinatie met een verwijzing naar een bepaalde bron of vindplaats. Wanneer dit cijfer terugkeert aan het einde van de pagina spreekt men over een voetnoot, wanneer het cijfer terugkeert aan het einde van het hoofdstuk spreekt men van een eindnoot.

Voet- en eindnoten staan in een kleiner lettertype gedrukt dan de lopende (hoofd)tekst. De noten moeten altijd in combinatie met de hoofdtekst worden gelezen. Op deze manier krijgt de lezer de meest uitgebreide informatie over een bepaald onderwerp, kan de lezer controleren of het juist is wat de auteur heeft geschreven en krijgt de lezer toegang tot nieuwe artikelen en boeken over het onderwerp waar men meer over wil weten.

Men mag ervan uitgaan dat nieuwere handboeken betrouwbaarder zijn dan ouder handboeken, toch wordt in nieuwere handboeken niet altijd de laatste stand van zaken behandeld.

Niet alle boeken maken gebruik van een notensysteem, er zijn ook boeken die gebruik maken van een afwisseling van groot gedrukte en klein gedrukte letters binnen de lopende tekst. De kleine letters geven hier een meer gedetailleerde uitleg van een bepaald onderwerp of term.

Specifieke onderwerpen

De monografie is een boek dat zich richt op een zeer specifiek onderwerp binnen een bepaald rechtsgebied. Zaken die te specifiek zijn om te behandelen in een handboek, komen in een monografie wel aan bod.

Verwijzingen naar bronnen of vindplaatsen kunnen ook in een lopende tekst worden toegevoegd. Deze methode is vaak lastiger omdat de opbouw van zinnen op deze manier moeilijker te achterhalen is. Het heeft echter als voordeel dat men niet steeds naar de onderkant van de bladzijde of naar het einde van het hoofdstuk hoeft te bladeren. Om de hoeveelheid tekst te minimaliseren verwijst men binnen een tekst vaak zo kort mogelijk.

Commentaren uit de praktijk

Praktijkcommentaren zijn handige naslagwerken voor wanneer men snel iets moet uitzoeken. Vaak bestaan praktijkcommentaren uit losbladige commentaren, dit zijn commentaren die bestaan uit lossen bladen die als boekwerk in een band worden gebundeld. Het voordeel hiervan is dat deze bladen makkelijk te vervangen zijn door een nieuwe tekst. Losbladige commentaren verschijnen voor alle rechtsgebieden.

Losbladige commentaren ontstaan vaak op basis van wetten die per wetsartikel worden becommentarieerd. Ook in deze commentaren kan men verwijzingen maken naar andere literatuur. Er bestaan ook vastbladige commentaren, die eens in de twee of drie jaar worden vernieuwd. Ook hierbinnen worden belangrijke wetten artikelsgewijs becommentarieerd.

Artikelen met een wetenschappelijke basis

De doelstellingen van alle uitgaven is om de rechtspraktijk voor te lichten over de inhoud van recht, of over een bepaald rechtsgebied. Men probeert de grote hoeveelheid (nieuwe) informatie waarmee men binnen het vakgebied te maken krijgt overzichtelijk te houden door deze informatie samen te vatten, in categorieën in te delen en te koppelen aan al bestaande informatie. Daarnaast geven veel publicaties een mening over een bepaald onderwerp, hiermee kunnen praktijkjuristen hun voordeel doen binnen het werkveld. Het nadeel van handboeken, monografieën en praktijkcommentaren is dat zij de allerlaatste relevante berichtgeving niet kunnen verwerken. De actualiteitswaarde van deze publicaties is dus maar beperkt. Wetenschappelijke artikelen bieden een grotere actualiteitswaarde, hierin kunnen namelijk de meest recente ontwikkelingen besproken worden. Binnen dit soort artikelen wordt onder andere besproken welke impact en welke consequenties nieuwe wetten en maatregelen hebben op de beroepspraktijk.

Men kan juridische vakbladen onderverdelen in algemene vakbladen en specifieke vakbladen. Algemene vakbladen bieden de lezer informatie over alle ontwikkelingen op het terrein van arbeidsrecht. Een voorbeeld van een algemeen vakblad is het Nederland Juristenblad (NJB). Gespecialiseerde vakbladen spitsen zich toe op één bepaald rechtsgebied. Een voorbeeld van een specifiek vakblad is het Sociaal Maandblad Arbeid (SMA). De verschillende vakbladen spelen een grote rol in de dagelijkse praktijk van een jurist.

De opbouw van een wetenschappelijk artikel

Een wetenschappelijk artikel maakt vrijwel altijd gebruik van de volgende opbouw:

  • Titel en vermelding van de auteur

  • Inleiding met een probleemstelling

  • Juridische uiteenzetting en context van de probleemstelling

  • Belangwekkende vragen en oplossingen

  • Beste oplossing naar mening van de auteur

  • Conclusie, eventueel met een samenvatting van de probleemstelling en de uitwerking daarvan.

Bijhouden van literatuur

Het bijhouden van vakliteratuur is om verschillende redenen van grote waarde. Ten eerste is men goed op de hoogte van de actualiteit rondom zijn vakgebied. Daarnaast krijgt men door het lezen van artikelen een aanzet tot oplossingen voor problemen die men in de praktijk tegen kan komen. Daarnaast kan men door het lezen van vakliteratuur inspelen op situaties, waardoor men eventuele problemen voor kan zijn.

Het gebruik van vakbladen

Wanneer men iets op wil zoeken in vakbladen is het handig om te weten dat een uitgever precies bijhoudt wat er per jaargang in het vakblad is opgenomen. Daarnaast zijn er ook registers met de namen van auteurs en met de titels van bijdragen voor handen.

Ieder tijdschrift heeft een redactie. Deze redactie bestaat uit deskundigen die een duidelijke reputatie hebben opgebouwd binnen een bepaald vakgebied. De redactie ziet toe op datgene wat er daadwerkelijk in het tijdschrift moet worden gepubliceerd. Dit garandeert dat een lezer ervan uit kan gaan dat de feitelijke informatie die wordt verstrekt juist is. Persoonlijke meningen van de auteur worden door de redactie aan een grondige analyse onderworpen.

Hoofdstuk 5 Parlementaire stukken

Hoofdstuk 5 Parlementaire stukken

Het opzetten van een wetsvoorstel

In Nederland worden wetten opgesteld door de eerste en tweede kamer, het parlement en de regering. Wanneer een minister van mening is dat er op een bepaald maatschappelijk probleem met een nieuwe wet of met een wetswijziging kan worden gereageerd, dan kan de minister een wetsvoorstel doen. Dit wetsvoorstel wordt voorbereid door het departement waar het onderwerp dat in het wetsvoorstel centraal staat onder valt. Wanneer het een onderwerp betreft waarin meerdere departementen een rol spelen dan wordt het ontwerp van de wet in onderlinge samenwerking samengesteld. Alle officiële stukken worden voorzien van de naam van de verantwoordelijke ministers. Ieder wetsonderwerp krijgt een publicatienummer, dat op ieder document dat verband houdt met het wetsontwerp wordt geplaatst.

Wetsvoorstellen

Een wetsvoorstel dat aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd, wordt eerst getoond aan de Raad van State. De Raad van State krijgt hier de ruimte om opmerkingen toe te voegen, die later kunnen leiden tot veranderingen in het wetsvoorstel. Na de laatste wijzingen wordt het voorstel aangeboden aan de Tweede Kamer.

Toelichting van het wetsartikel

Een wetsvoorstel gaat altijd gepaard met een memorie van toelichting. Het memorie van toelichting geeft de redenen voor het indienen van het wetsvoorstel weer en legt uit welke veranderingen er zullen worden toegepast en hoe deze veranderingen vorm krijgen.

Vaste commissies

Wanneer een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer wordt ingediend, dan wordt dit voorstel eerst bekeken door de vaste commissies. Dit zijn commissies waarbinnen één of enkele Kamerleden van iedere fractie zitting hebben. Het wetsvoorstel wordt door één van de commissies voorbereid, waarna er verslag wordt uitgebracht. Alle politieke partijen krijgen de kans om op dit verslag te reageren en vragen te stellen aan de verantwoordelijke minister.

Beraadslagingen in de Tweede Kamer

Na het opstellen van het verslag krijgt de verantwoordelijke minister de kans om op de gemaakte opmerkingen te reageren. Dit gebeurd in de vorm van een nota naar aanleiding van het verslag. De vaste commissie kan daarna op deze opmerkingen reageren door middel van een nader verslag. De minister mag op dit nader verslag reageren aan de hand van een nota naar aanleiding van nader verslag. Wanneer de vaste commissie bepaald dat een wetsvoorstel voldoende is voorbereid, wordt er overgegaan tot de openbare behandeling van het voorstel. Bij de openbare behandeling worden algemene, mondelinge beraadslagingen in de Tweede Kamer georganiseerd. Van deze openbare beraadslagingen worden verslagen gemaakt, waardoor iedereen op de hoogte kan worden gesteld van datgene wat er binnen de kamer over een bepaald wetsvoorstel is gezegd.

Amendementen

De leden van de Tweede Kamer kunnen wijzigingen aanbrengen in een wetsvoorstel door amendementen in te dienen. Amendementen kunnen betrekkingen hebben op het wetsvoorstel zelf, maar ook op eventuele toevoegingen die men graag in het wetsvoorstel terug wil zien.

Stemmen over een wetsvoorstel

Na de algemene beraadslagingen wordt er gestemd over het wetsvoorstel. Eerst wordt er over amendementen gestemd, daarna over de wetsartikelen en als laatste stap over het gehele wetsvoorstel. Men kan hierbij kiezen voor een algemene stemming op een stemming waarbij alle namen apart genoemd worden.

Verzending naar de Eerste Kamer

Het door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel wordt door de voorzitter van de Tweede Kamer naar de Eerste Kamer verzonden. Doordat dit voortel vaak gewijzigd is in vergelijking met de eerste opzet van het wetsvoorstel spreekt men hier over een gewijzigd voorstel van de wet. Volgstukken van de eerste kamer worden niet voorzien van een volgnummer van een volgletter.

De Eerste Kamer

In de Eerste Kamer wordt het wetsvoorstel eerst door vaste commissies met leden van de Eerste Kamer fracties besproken. Deze commissies leveren op hun beurt een voorlopig verslag af met vragen en opmerkingen. De reactie van de verantwoordelijke minister op dit verslag wordt opgenomen in een memorie van antwoord. Na een memorie van antwoord kan een nader voorlopig verslag en een nadere memorie van antwoord volgen. Als vaste afronding wordt er een eindverslag opgemaakt door de vaste commissie. Ook in de Eerste Kamer vindt ter afronding een stemmingsronde plaats. Nadat zowel de Eerste Kamer en Tweede Kamer met het wetsvoorstel hebben ingestemd, moet dit wetsvoorstel worden bekrachtigd door de koning. De vorst zet dan een handtekening onder het voorstel dat door het parlement is gedaan. Ook de verantwoordelijke minister zet een handtekening onder het voorstel, hierdoor wordt het voorstel officieel tot wet gemaakt. Hierna volgt de bekendmaking van de wet, door middel van een publicatie in het staatsblad.

Hoofdstuk 6 Het oplossen van een casus

Hoofdstuk 6 Het oplossen van een casus

Het feitelijk geschil formuleren

Een jurist heeft als taak het feitelijke probleem en relevante gegevens uit het verhaal van een cliënt te destilleren. Het is hierbij belangrijk dat men eerst een goede analyse van feiten maakt, voordat men overgaat op het zoeken naar een oplossing voor een probleem. Om een goede oplossing voor een probleem te bewerkstelligen, zal men eerst orde moeten scheppen in de chaos. Dit gebeurd onder andere door een duidelijke structuur aan te brengen in gesprekken met cliënten. De jurist kan deze structuur bieden door het stellen van gerichte vragen. Wanneer men een feitelijk geschil formuleert, dan gaat het om het beschrijven van een geschil in enkele zinnen met niet juridische bewoordingen. Bij een juiste formulering wordt duidelijk de kern van het geschil benoemd. Daarnaast dient de jurist na te gaan of de formulering van het geschil overeenkomt met de adviesvraag van de cliënt. Op deze manier kunnen cliënt en jurist werken aan een gemeenschappelijk doel.

Feiten en rechtsregels

Wanneer men het feitelijk geschil heeft geformuleerd zal men de relevante feiten moeten benoemen en op zoek moeten gaan naar toepasselijke rechtsregels. Beide zaken gaan hand in hand en kunnen in verschillende volgordes worden toegepast. Men kan dus beginnen met het zoeken naar feiten, of met het bekijken van een rechtsregel. Wanneer men eerst zoekt naar relevante feiten dan gebruikt men de verkorte variant, wanneer men kijkt naar een relevante rechtsregel dan gebruikt men de uitgebreide methode. Het uitgangspunt dat men inneemt is afhankelijk van de casus. De verkorte variant wordt voor het merendeel gebruikt door ervaren juristen. De selectie van relevante feiten is dan vaak een onbewust proces. Om te zorgen dat men inzicht krijgt in het proces en geen stappen overslaat, kan een beginnende jurist beter gebruik maken van de uitgebreide variant. Binnen de uitgebreide variant zal de jurist eerst opzoek moeten gaan naar een artikel dat aansluit bij de formulering van het feitelijke geschil. Vervolgens zal het gevonden artikel verder ontleed worden naar rechtsvoorwaarden en rechtsgevolgen.

Hoofdrechtsvraag

Nadat het artikel is ontleed en relevante feiten zijn geselecteerd, moet er een hoofdrechtsvraag worden geformuleerd. Deze vraag geeft richting aan het onderzoek dat verricht moet worden om een casus op te lossen, het is een soort onderzoeksvraag. De basis voor de formulering van deze vraag wordt gevormd door de adviesvraag van de cliënt, de beschrijving van het feitelijke geschil en de rechtsgevolgen uit de toepasselijke artikelen.

Deelrechtsvragen

Wanneer het op basis van de feiten en het toepasbare wetsartikel niet duidelijk is wat de uitkomst van de casus zal zijn, maakt men gebruik van een uitgebreider onderzoek. Om verder onderzoek te doen moet men deelrechtsvragen opstellen. Deze deelrechtsvragen vertonen altijd een nauwe samenhang met de hoofdrechtsvraag. De hoofdrechtsvraag bevat een rechtsgevolg, terwijl de deelrechtsvragen bestaan uit rechtsoorzaken. De deelrechtsvragen moeten net als de hoofdrechtsvraag in vragende vorm worden opgesteld. Wanneer de opgestelde deelrechtsvragen allemaal bevestigend worden beantwoord, dan zal ook de hoofdrechtsvraag bevestigend beantwoord moeten worden. Om de verschillende deelrechtsvragen te beantwoorden kan men gebruiken maken van verschillende bronnen zoals; jurisprudentie, literatuur en parlementaire stukken. Zo zou men bijvoorbeeld handboeken kunnen raadplegen om meer informatie te verkrijgen over een bepaald onderwerp.

Beantwoording van de deelrechtsvragen

Na het formuleren en analyseren van de deelrechtsvragen zijn de klaar om beantwoord te worden. Men zal hierbij de uitkomsten van de gedane analyse moeten toepassen op de feiten uit de gestelde casus. Eventueel kan men tot deze antwoorden komen door het gebruik van verschillende soorten bronnenmateriaal.

Beantwoording van de hoofdrechtsvraag

Door de conclusies van de deelrechtsvragen met elkaar te verbinden en tegen elkaar af te wegen kan men de hoofrechtsvraag beantwoorden. Het is hierbij belangrijk om een gestructureerde motivering op papier te zetten, zodat de lezer ook inzicht krijgt in de gedachtegang van de schrijver. Dit laatste geeft de schrijver ook de kans om te controleren of het betoog voldoende samenhang vertoont. Om een cirkelredenatie te voorkomen is het verstandig om het betoog te beginnen met argumentaties in plaats van met de conclusie.

Hoofdstuk 7 Vakjargon

Hoofdstuk 7 Vakjargon

Het gebruik van taal is voor juridische werkers erg belangrijk, men kan taal namelijk gebruiken om een bepaald doel te bereiken. Het is hierbij belangrijk dat men woorden op een vaste manier formuleert zodat er geen misverstanden kunnen ontstaan. Een jurist heeft verschillende redenen om taal op de juiste manier te gebruiken, hij wil overtuigen, argumenteren, overtuigen en redeneren door middel van taal. Daarnaast kan een jurist taal ook gebruiken om de woorden van een ander vast te leggen, dit wordt ook wel documenteren genoemd.

Leren redeneren

Juristen maken vaak gebruik van redeneren. Hierbij gaat het om gesproken of geschreven zinnen die met elkaar in verband worden gebracht. Daarnaast wordt er een stelling of conclusie verdedigd, waarbij het de bedoeling is anderen te overtuigen van de juistheid van deze stelling. Dit hoeft echter niet te betekenen dat de verdedigde stelling juist is.

Vormen van redeneren

Er bestaan verschillende redeneervormen die men kan onderverdelen in geldige redeneervormen en ongeldige redeneervromen. Een voorbeeld van een geldige redeneervorm is de modus ponens, de uitkomst van deze redeneervorm is een conclusie waaraan men niet kan ontkomen, het gaat hierbij om een vaststaand feit of een waarneming waarover niet valt te twisten. De formule voor deze redeneervorm is zin 1: altijd als p dan q, zin 2: p, conclusie dus q. Deze redeneervorm staat in verband met de modus tollens waarbij de formule luidt; zin 1 altijd als p dan q, zin 2: niet q, conclusie dus niet p.

Naast geldige redeneervormen bestaan er ook ongeldige redeneervormen. Voorbeelden hiervan zijn redeneervormen met de formule: zin 1: als p dan q, zin 2: niet p, conclusie dus niet q. Of om de formule: zin 1: als p dan q, zin 2: q, conclusie dus p. Bij beide formules is het belangrijk niet te snel te redeneren, een snelle redenatie hoeft immers niet de juiste conclusie op te leveren. Deze redeneervormen zijn dus ongeldig omdat er ook anderen redenen kunnen zij voor zin 2, waardoor men tot een andere conclusie zal komen. De bovenstaande redeneervormen waren geldig geweest wanneer p geen betrekking zou hebben gehad op alternatieve voorwaarden, maar op slechts één mogelijke voorwaarde.

Bijzondere redeneervormen

In het recht hebben zich twee bijzondere redeneervormen ontwikkeld, de redenering naar analogie en de a contrario redenering. Wanneer een rechter redeneert naar analogie, is deze van mening dat het niet geregelde geval zoveel lijkt op een wel geregelde situatie, dat hij de niet geregelde situatie onder het wel geregelde laat vallen. Wanneer men een contrario redenering toepast oordeelt de rechter dat de wet in de geregelde situatie enkel en alleen voor dat geval geldt en niet voor andere gevallen, hoe veel deze ook op de wel wettelijke situatie lijkt. Een rechter zal zijn of haar keuze altijd met argumenten moeten onderbouwen.

Het gebruiken van argumenten

Om een standpunt te onderbouwen of verdedigen zal men argumenten moeten aanvoeren. Als iemand een standpunt inneemt en daarvoor argumenten presenteert, noemen we dit een betoog. Een argument wordt hierbij gezien als een bewering die de bedoeling heeft een standpunt te onderbouwen, met als doel een ander te overtuigen van de juistheid van dit standpunt. Argumenten kunnen onwaar zijn. Een ontvanger van het argument zal dus deskundig genoeg moeten zijn om de inhoud van het argument op juistheid te kunnen beoordelen. Daarnaast kunnen argumenten ook niet relevant zijn voor een ingenomen standpunt. Wanneer men naar een betoog luistert zal men dus altijd kritisch moeten kijken naar de gebruikte argumenten, het is belangrijk om ieder argument op waarde te schatten. Een argumentatieschema is een hulpmiddel om een lastig en complex betoog overzichtelijk uit te splitsen in aangevoerde argumenten. Zo kan men bijvoorbeeld een schema opstellen met pro- en contra argumenten. Pro-argumenten zijn argumenten genoemd ter ondersteuning van de stelling. Contra - argumenten zijn argumenten die de stelling ontkrachten. Door de pro- en contra- argumenten tegen elkaar af te wegen kan men een stelling onderschrijven of ontkrachten.

Het belang van het gebruik van duidelijke taal

Een jurist gebruikt taal onder andere om te redeneren, een instrument om anderen van een bepaald standpunt te overtuigen, Een redenering moet correct zijn. Een incorrecte redeneerwijze wordt een drogreden genoemd. Een standpunt zonder bijbehorende argumenten heeft maar weinig waarde. Het is belangrijk dat de argumenten die ter gehore worden gebracht duidelijk zijn. Het schrijven van een heldere uitleg die voor iedereen duidelijk is, is niet gemakkelijk. Onduidelijk taalgebruik kan leiden tot interpretatieproblemen en onduidelijkheden voor de lezer.

Er zijn drie manieren waarop men de uitleg van een woord of zinsnede kan onderzoeken wanneer er onduidelijkheden ontstaan.

  1. Grammaticale uitleg: waarbij men letterlijk neemt wat er staat. De betekenis van het algemene spraakgebruik wordt als uitgangspunt genomen.

  2. Bedoeling van partijen: hierbij vraagt men zich af wat een partij bedoelt heeft met een bepaalde tekst.

  3. Uitleg van de partij die het beding niet heeft opgesteld: men gaat er dan vanuit dat de opsteller van de tekst de sterkste partij van de twee is.

Het is belangrijk er bij het opstellen van een tekst rekening mee te houden dat mensen precies moeten weten wat er met een bepaalde tekst bedoeld wordt. Onduidelijkheden die regelmatig voorkomen doordat men eroverheen kijkt worden ook wel valkuilen genoemd.

Er bestaan verschillende woorden met dubbele betekenissen. Een woord met meer dan één betekenis wordt een homoniem genoemd. De betekenis van het woord zal men dan uit de context van de zin moeten herleiden. Binnen de rechtspraak probeert men het probleem van homoniemen op te lossen door een lijst met expliciete definities van gebruikte woorden op te nemen. Hierdoor kan er geen discussie over de betekenis van bepaalde woorden ontstaan. De betrekkelijke voornaamwoorden die en dat kunnen verwijzen naar één of meerdere personen en categorieën. In juridische teksten moet het voor iedereen duidelijk zijn waarnaar deze voornaamwoorden verwijzen. Binnen een juridische tekst is het belangrijk dat de lezer weet welk standpunt de schrijver precies inneemt. Wanneer dit niet duidelijk is, komt dit vaak doordat de schrijver zijn eigen standpunt niet uitgebreid genoeg beschrijft of verwarrend reageert op meerdere andere standpunten. Wanneer er in een tekst verschillende zelfstandige naamwoorden achter elkaar staan en er staat maar één bijvoeglijk naamwoord in de zin, dan is het de vraag op welk zelfstandig naamwoord dit bijvoeglijk naamwoord betrekking heeft. Wanneer het bijvoeglijk naamwoord betrekking heeft op meerdere zelfstandige naamwoorden, dan is het zinnig deze woorden te herhalen zodat er geen onduidelijkheden kunnen ontstaan.

In juridische contracten worden vaak voorwaarden opgenomen. Het is hierbij van belang dat de schrijver duidelijk maakt of het hierbij om cumulatieve of alternatieve voorwaarden gaat. Op deze manier kunnen er over de toepassing van het contract geen onduidelijkheden ontstaan. Daarnaast moet men erop letten dat men het woord en beter kan vermijden wanneer er of wordt bedoeld. Wanneer het niet uitmaakt of er bij het rechtsgevolg één of meerder voorwaarden intreedt dan kan er een woordcombinatie van en / of worden gebruikt.

Ongetrainde juristen maken vaak fouten in het toepassen van jaartallen. Zo vergeten zij vaak een jaartal te noemen bij een genoemde datum. Het is belangrijk om in juridische teksten gebruik te maken van data met dag, maand en jaar.

Hoofdstuk 8 Omgaan met dossiers

Hoofdstuk 8 Omgaan met dossiers

Dossiers

Een dossier is een bestand in een map of ordner, waarin per onderwerp alle relevante informatie in chronologische volgorde wordt samengevoegd. Bij het opbergen van deze dossiers zit een duidelijke opbouw van nieuw naar oud of van oud naar nieuw. Om een dossier goed bij te kunnen houden is het belangrijk dat alle relevante informatie op papier staat. Dit houdt onder meer in dat digitale informatie zal moeten worden uitgeprint. Men hoeft alleen een dossier aan te maken wanneer men van mening is dat er voldoende belangen zijn om hiertoe over te gaan.

Het is niet altijd nodig een dossier aan de leggen, zo kan men een klant ook een factuur sturen. Een factuur bevat bijvoorbeeld een factuurnummer, het nummer van de laatste factuur die is verzonden en een debiteurennummer, een nummer dat de klant door het bedrijf aangewezen krijgt. Wanneer een relatie met een klant echter van langere duur is, dan is het wel zinvol om een dossier aan te leggen. Op deze manier kunnen problemen en onduidelijkheden met een klant worden voorkomen

Ook binnen arbeidsorganisaties woorden dossiers aangelegd van iedere persoon die binnen de organisatie werkt. In dit dossier kan men onder andere het opgestelde contract en tussentijdse beoordelingen van onder meer functioneringsgesprekken terugvinden.

Het beheren van dossiers

Het beheer van dossiers is een belangrijk onderdeel van een organisatie. Het is belangrijk om een zoeksysteem op te zetten zodat men oude en nieuwe dossiers weer op de juiste plaats terug kan vinden. Het zoeksysteem dat men hierbij kiest hangt af van de arbeidsorganisatie zelf. Bij rechtbanken en advocatenkantoren wordt er meestal gewerkt van een zoeksysteem op basis van de achternaam van de eiser of de klant. Na de codering op achternamen wordt er op alle stukken een interne code geplaatst. Deze code bestaat meestal in het jaar waarin het stuk is geschreven en verwerkt en de voor en achternaam van de advocaat die de zaak in behandeling heeft.

Het is belangrijk dat dossiers in tijd van nood overgenomen kunnen worden door een ander. Wanneer een dossier volgens de eisen is samengesteld en de codering in orde is het dossier eenvoudig door een collega over te nemen.

Een dossier vervult drie functies:

  1. Orde brengen in de chaos van informatiestromen binnen een organisatie

  2. Aanbrengen van een intern zoeksysteem

  3. Zorgt ervoor dat een dossier waar nodig makkelijk kan worden overgenomen.

Bezwarenprocedures
 

Wanneer een besluit genomen wordt door een overheidsorganisatie in het kader van een wet, dan heeft degene aan wie het besluit is gericht de mogelijkheid om bezwaar tegen dit besluit aan te tekenen. Wanneer dat gebeurd dan start de bezwarenprocedure. De instantie die het bezwaar genomen heeft benoemt een bezwarencommissie. Deze onafhankelijke commissie stelt een advies op waarbinnen zij stellen wat zij van het aangetekende bezwaar vinden. De commissie moet worden geïnformeerd over alle aspecten van het ingediende bezwaarschrift. Van alle informatie die de commissie ontvangt wordt een dossier samengesteld. Dit dossier wordt meestal door de secretaris van de commissie samengesteld. Vervolgens stelt de secretaris een concept van advies op, dat ter goedkeuring aan de leden van de commissie wordt voorgelegd.

 

 

 

Contributions

Summaries & Study Note of World Supporter Cycle

Log in or Create your Free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools

Access level of this page

  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private

Join World Supporter

Join World Supporter

to follow other supporters, see more content and use the tools
 
to see all content

Switch Font