TentamenTests bij Mastering Modern Psychological Testing van Reynolds en Livingston - 1e druk
- Wat is psychologisch testen? - TentamenTests 1
- Wat zijn basis meettechnieken binnen het psychologisch testen? - TentamenTests 2
- Hoe kun je testscores interpreteren? - TentamenTests 3
- Hoe zorg je dat testscores betrouwbaar zijn? - TentamenTests 4
- Wat betekent validiteit binnen het psychologisch testen? - TentamenTests 5
- Hoe kun je items ontwikkelen binnen het psychologisch testen? - TentamenTests 6
- Meer TentamenTests - Hoofdstuk 7 t/m 17 (Exclusief voor wie volledige online toegang heeft)
Wat is psychologisch testen? - TentamenTests 1
Meerkeuzevragen bij hoofdstuk 1
MC Vraag 1
Welke stelling(en) is/zijn juist of onjuist?
1. Een psychologisch assessment beschrijft het proces van het verzamelen en integreren van psychologische gegevens.
2. Een psychologische test beschrijft een gegeven uit het proces van het verzamelen en integreren van psychologische gegevens.
- Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist
- Stelling 1 is onjuist, stelling 2 is juist
- Beide stellingen zijn juist
- Beide stellingen zijn onjuist
MC Vraag 2
In een vragenlijst wordt iemands persoonlijkheid gemeten door naar attitudes, voorkeuren en interesses te vragen.
Wat is dit voor type test?
- Performance test
- Achievement test
- Aptitude test
- Typical-response test
MC Vraag 3
Psychologische diagnostiek is gebaseerd op een aantal aannames.
Welke van de onderstaande aannames hoort daar NIET bij?
- Hoewel we constructen kunnen meten, zijn onze metingen niet perfect
- De uitkomst van een valide en betrouwbare test stemt overeen met de werkelijkheid
- Elk mogelijk construct kan op verschillende manieren gemeten worden
- Alle diagnostische procedures hebben sterke en zwakke kanten
MC Vraag 4
Een test voor het meten van rekenvaardigheid bestaat uit 4 opeenvolgende taken met een oplopende moeilijkheidsgraad. Bij de test is een tijdslimiet afwezig.
Dit is een voorbeeld van een:
- Speed test
- Power test
- Projective test
- Typical-response test
Open vragen bij hoofdstuk 1
Open Vraag 1
Er zijn twee fundamentele benaderingen tot het begrijpen van scores. Noem deze benaderingen en koppel ze aan de volgende begrippen of zinnen: relatief, absoluut, in vergelijking met andere mensen, in vergelijking met een prestatielevel.
Antwoorden Meerkeuzevragen bij hoofdstuk 1
MC Vraag 1
A. Stelling 1 is juist, stelling 2 is onjuist
Psychologische test: Het meten van een psychologische variabele (vaak een numerieke score) aan de hand van een bepaalde procedure of een apparaat.
MC Vraag 2
D. Typical-response test
Een typische respons test is ontwikkeld om de typische gedragingen en karakteristieken van het individu te meten, zoals persoonlijkheid, gedrag, attitudes of interesses.
MC Vraag 3
B. De uitkomst van een valide en betrouwbare test is altijd een schatting van de werkelijkheid
MC Vraag 4
B. Power test
Bij een power test gaat het om het laten zien van je vaardigheden/vermogens. Hierbij is er geen sprake van een tijdsbeperking.
Antwoordsuggesties Open vragen bij hoofdstuk 1
Open Vraag 1
- ’Norm-referenced scores’ – relatief en in vergelijking met andere mensen.
- ‘Criterion-referenced scores’ - absoluut en in vergelijking met een prestatielevel.
Wat zijn basis meettechnieken binnen het psychologisch testen? - TentamenTests 2
Meerkeuzevragen bij hoofdstuk 2
MC Vraag 1
Stel, een onderzoeker wil 'plezier op de werkvloer' verklaren met behulp van het functieniveau (gemeten op een schaal van 1 = laag tot en met 8 = hoog), de lengte van het dienstverband (vastgesteld in jaren), loon (bedrag per maand) en secundaire arbeidsvoorwaarden (aantal voorwaarden waarvan men actief gebruik maakt).
Een deel van de resultaten van de analyse met SPSS, staat hieronder weergegeven:
Gebruik die informatie om te beslissen welke predictor (gegeven de overige drie) in de populatie de invloedrijkste voorspeller van de afhankelijke variabele is.
- Functieniveau
- Dienstverband
- Loon
- Arbeidsvoorwaarden
MC Vraag 2
Hieronder twee uitspraken over de standaardschattingsfout:
- De standaardschattingsfout geeft de gemiddelde fout die je maakt bij het doen van een voorspelling met predictoren.
- Hoe meer predictoren, hoe kleiner de standaardschattingsfout.
Beoordeel de twee stellingen op hun juistheid.
- I is niet juist, II is juist
- I is niet juist, II is niet juist
- I is juist, II is juist
- I is juist, II is niet juist
Open vragen bij hoofdstuk 2
Open Vraag 1
Persoon A heeft een IQ-score van 90, Persoon B heeft een IQ-score van 120 en Persoon C heeft een IQ-score van 140. Van welke meetschaal is hier sprake?
Antwoorden Meerkeuzevragen bij hoofdstuk 2
MC Vraag 1
B. Dienstverband
In de tabel kijk je naar de kolom van Beta = multiple determinatie coëfficiënt = de hoeveelheid variantie die verklaard wordt door de predictoren. Hoe hoger deze is, hoe meer variantie deze predictor verklaard en dus hoe beter die voorspelt
MC Vraag 2
C. I is juist, II is juist
De standaardschattingsfout is de gemiddelde fout bij het schatten van een voorspelling. Hoe meer predictoren, hoe nauwkeuriger de voorspelling en hoe kleiner de standaardschattingsfout.
Antwoordsuggesties Open vragen bij hoofdstuk 2
Open Vraag 1
Er is hier sprake van een intervalschaal. IQ-scores zijn altijd interval-data, aangezien een verschil van bijvoorbeeld 10 punten op elk punt van de schaal hetzelfde betekent.
Hoe kun je testscores interpreteren? - TentamenTests 3
Meerkeuzevragen bij hoofdstuk 3
MC Vraag 1
Van welke meetschaal wordt gebruik gemaakt tijdens een test waarbij de kracht die iemand met zijn hand kan uitoefenen wordt gemeten?
- Interval meetschaal
- Nominale meetschaal
- Ordinale meetschaal
- Ratio meetschaal
MC Vraag 2
In een onderzoek naar persoonlijkheidsprofielen meet men de kenmerken vicieuze gedragscirkels en competent functionerenmet valide tests. Voor het vergelijken van scores op beide tests, willen de onderzoekers de ruwe scores transformeren naar z-scores. Bekend is dat het kenmerk vicieuze gedragscirkels in de populatie linksscheef verdeeld is en het kenmerk competent functioneren normaalverdeeld.
In deze situatie is de transformatie naar z-scores ...
- Geen correcte transformatie; percentielscores maken een betere vergelijking van de testscores mogelijk.
- Een verstandige transformatie; de z-scores maken een vergelijking van de testscores zeer goed mogelijk.
- Geen correcte transformatie; transformatie naar T-scores maken een betere vergelijking van de testscores mogelijk.
- Geen verstandige transformatie; genormaliseerde scores maken een betere vergelijking van de testscores mogelijk.
MC Vraag 3
Bij 150 studenten is voor een diagnostisch onderzoek naar leesvaardigheid een begrijpend lezen test afgenomen. De frequentietabel voor het geobserveerde aantal vragen goed staat hieronder weergegeven.
Ga er vanuit dat leesvaardigheid een continu kenmerk is en dat de testscores moeten worden beschouwd als klassenmiddens.
In welke categorie valt de testscore die hoort bij de mediaan (Q2)?
- 3
- 4
- 5
- 6
MC Vraag 4
Beoordeel, met behulp van onderstaande figuur en uitgaande van een normaalverdeeld kenmerk in de populatie, de volgende twee uitspraken over het antisociaal gedrag van een respondent met een T-score van 25.
I. Meer dan 95% van de populatie heeft een hogere score dan deze respondent.
II. De score van de respondent ligt meer dan twee standaardafwijkingen boven het gemiddelde.
- I is juist, II is juist
- I is niet juist, II is juist
- I is juist, II is niet juist
- I is niet juist, II is niet juist
Open vragen bij hoofdstuk 3
Open Vraag 1
Wanneer de wortel wordt getrokken van de variantie, ontstaat de ….(vul in).
Open Vraag 2
Als de distributie van de ruwe score (90) een mean heeft van 70 en een SD van 10, wat is dan de z-score?
Antwoorden Meerkeuzevragen bij hoofdstuk 3
MC Vraag 1
D. Ratio meetschaal
Een ratio meetschaal is een interval meetschaal die wel een absoluut nulpunt heeft. Aangezien het mogelijk is om geen kracht uit te oefenen met de hand, is er een absoluut nulpunt.
MC Vraag 2
A. Geen correcte transformatie; percentielscores maken een betere vergelijking van de testscores mogelijk.
Voorwaarde voor een lineaire transformatie is een verdeling die normaal verdeeld is, dit is dus niet van toepassing. Voorwaarde voor normaliserende transformatie is normaalverdeling in populatie en scheve verdeling in testscores, dit is dus ook niet toe te passen. Percentiel score transformatie heeft geen voorwaarden en is dus wel toe te passen.
MC Vraag 3
D. 6
De mediaan is de middelste score, dit is de helft van 150 scores dus 75. Deze zit in de categorie met klassenmidden 6, want deze bevat de scores 66 tot 76.
MC Vraag 4
C. I is juist, II is niet juist
Kijk naar het figuur naar de T-score 25 (tussen 20 en 35). Gezien naar de percentages in de normaalverdeling (en deze optellen) ligt 95% boven de testscore van de respondent. De testscore ligt twee standaarddeviaties onder het gemiddelde i.p.v. boven het gemiddelde.
Antwoordsuggesties Open vragen bij hoofdstuk 3
Open Vraag 1
Wanneer de wortel wordt getrokken van de variantie, ontstaat de standaardafwijking.
Open Vraag 2
2.0
Hoe zorg je dat testscores betrouwbaar zijn? - TentamenTests 4
Meerkeuzevragen bij hoofdstuk 4
MC Vraag 1
Voor welke soort steekproef wordt gekozen wanneer de onderzoeker besluit een willekeurige steekproef te nemen waarvan gedacht wordt dat die representatief zal zijn?
- Gemakssteekproef
- Aselecte gestratificeerde steekproef
- Gestratificeerde steekproef
- Doelgerichte steekproef
MC Vraag 2
Welke strategieën combineert de multitrait-multimethod matrix?
- Convergente en divergente strategieën
- Divergente en discriminante strategieën
- Norm en criterion strategieën
- Nomothetische strategieën
MC Vraag 3
Voor het theoretische construct ‘sensatiezoeken’ is een instrument ontwikkeld met vijftien stellingen. De betrouwbaarheid van de testscore is geschat met Cronbachs alfa. Het resultaat van de schatting staat hieronder weergegeven.
Welke interpretatie van de schatting van de betrouwbaarheid van een testscore met Cronbachs alfa is correct?
- Hoogstens 47% van de testvariantie kan worden toegeschreven aan toevallige en systematische meetfouten.
- Minstens 47% van de testvariantie kan worden toegeschreven aan toevallige en systematische meetfouten.
- Minstens 47% van de testvariantie kan worden verklaard door de ware scores.
- Hoogstens 47% van de testvariantie kan worden verklaard door de ware scores.
MC Vraag 4
Sommige studenten hebben extra onderwijsvoorzieningen of aanpassingen nodig bij het maken van een test. Welke aanpassing voor deze studenten is de grootste bedreiging voor de betrouwbaarheid van de test?
- De test in twee delen splitsen en deze op verschillende momenten afnemen.
- De test in een andere, afgescheiden, ruimte afnemen.
- De test mondeling afnemen.
- Een verkorte test afnemen.
MC Vraag 5
Voor het meten van cognitieve vermogen bij adolescenten is de CGV test met 50 items ontwikkeld. Bij onderzoek naar de betrouwbaarheid van een testscore op de CGV is gebruik gemaakt van de split-halfmethode. De twee testhelften hebben een correlatie van rHH = .50.
Hoe groot is dan de schatting van de betrouwbaarheid voor een score op de hele test?
- .75
- .60
- .67
- .43
MC Vraag 6
Hieronder twee uitspraken over de schatting van de betrouwbaarheid.
I. Bij de test-hertest methode kan de betrouwbaarheidscoëfficiënt te laag uitvallen omdat mensen zich nog items van de test herinneren.
II. Bij de paralleltest methode kan de betrouwbaarheidscoëfficiënt te laag uitvallen omdat de testen niet geheel parallel zijn.
- I is niet juist, II is juist.
- I is niet juist, II is niet juist.
- I is juist, II is juist.
- I is juist, II is niet juist.
MC Vraag 7
Een test voor impulsiviteit heeft als gemiddelde M = 22.5 (SD = 2.8), testvariantie SX2 = 8.0, geschatte betrouwbaarheid rXX’ = .85 en de samenhang met scores op een vergelijkbare sensation seekers-test is rxy = .78.
Hoe groot is het 99%-betrouwbaarheidsinterval van de ware score voor een willekeurige respondent uit de doelpopulatie?
- Smaller dan 10.
- Tussen de 10 en 25.
- Tussen de 25 en 40.
- Breder dan 40.
MC Vraag 8
Volgens de klassieke testtheorie kun je elke testscore zien als de som van de ware score en de toevallige meetfout. Uit de algemene principes en aannames van de klassieke testtheorie volgt voor de toevallige meetfout E van test 1 dat deze ...
- Een positieve correlatie heeft met de ware score T.
- Correleren met de toevallige meetfout van een andere test B.
- Van een participant zowel positief als negatief kunnen zijn.
- De ongewenste systematische invloeden op de testscore weergeven.
Open vragen bij hoofdstuk 4
Open Vraag 1
Bij welk type betrouwbaarheidsschatting neem je een vorm van een test af in een sessie, die je door twee of meer beoordelaars laat beoordelen? Wat is hierbij de voornaamste bron van errorvariantie?
Open Vraag 2
Een willekeurige test bestaat uit 30 vragen. De testmaker voegt hier 5 items bij toe. Wat is een reden dat hij dit doet? Wat is de vergrotingsfactor?
Antwoorden Meerkeuzevragen bij hoofdstuk 4
MC Vraag 1
D. Doelgerichte steekproef.
- Gestratificeerde steekproef = Subgroepen (strata) in een populatie in gelijke proporties voor laten komen in een steekproef.
- Aselecte (willekeurige) gestratificeerde steekproef = Wanneer ieder lid van de populatie een even grote kans heeft om in de steekproef terecht te komen.
- Incidentele/gemakssteekproef = Steekproef die bestaat uit een groep mensen die het gemakkelijkst beschikbaar was.
MC Vraag 2
A. Convergente en divergente strategieën
MC Vraag 3
C. Minstens 47% van de testvariantie kan worden verklaard door de ware scores.
De Cronbachs alfa is de ondergrens van de betrouwbaarheid.
MC Vraag 4
D. Een verkorte test afnemen.
Een verkorte test kan het construct minder goed representeren, waardoor je belangrijke elementen mist en zo een lagere betrouwbaarheid hebt.
MC Vraag 5
C. .67
De schatting van de betrouwbaarheid voor de hele test kan worden berekend door de betrouwbaarheid van de testhelften in te vullen in de Spearman Brown formule split-halfmethode. De formule is 2 * betrouwbaarheid halve test / 1 + betrouwbaarheid halve test = 2 * .50 / 1 + .50 = 0.67.
MC Vraag 6
A. I is niet juist, II is juist.
Door het herinneren van de vorige test wordt er hetzelfde gescoord op de tweede test, waardoor de betrouwbaarheid overschat wordt. Wanneer twee testen niet gelijkwaardig zijn, zullen ze niet samenhangen en wordt de betrouwbaarheid onderschat.
MC Vraag 7
A. Smaller dan 10.
Bij het berekenen van de intervalschatting van de ware score gebruik je de formule: testscore +/- z-fractiel * standaardmeetfout. Het z-fractiel voor 99% betrouwbaarheid is 2.58. De standaardmeetfout is de SD * de wortel van (1 - betrouwbaarheid). Dit is
2.8 * wortel(1 - .85) = 1.08. De boven en ondergrens is optellen en aftrekken van 2.58 * 1.08 = 2.8 van de testscore. De breedte van het interval is 2 × 2.8 = 5.6 en dat is smaller dan 10.
MC Vraag 8
C. Van een participant zowel positief als negatief kunnen zijn.
De toevallige meetfout hangt niet samen met de ware score of met andere tests. Systematische fouten komen niet toevallig tot stand, maar worden veroorzaakt door onnauwkeurigheden in de test. De toevallige meetfout kan positief of negatief zijn; hij kan boven of onder de ware score liggen.
Antwoordsuggesties Open vragen bij hoofdstuk 4
Open Vraag 1
‘Inter-rater reliability’; de voornaamste bron van errorvariantie ligt bij verschillen tussen de beoordelaars van de testscores.
Open Vraag 2
Het toevoegen van items aan een test vergroot de betrouwbaarheid. De vergrotingsfactor is 35/30 = 1.17
Wat betekent validiteit binnen het psychologisch testen? - TentamenTests 5
Meerkeuzevragen bij hoofdstuk 5
MC Vraag 1
Welke stelling(en) is/zijn juist of onjuist?
- Stelling I is juist, stelling II is onjuist.
- Stelling I is onjuist, stelling II is juist.
- Beide stellingen zijn juist.
- Beide stellingen zijn onjuist.
MC Vraag 2
Welk onderstaand kenmerk van een test is relevant voor de beoordeling van de validiteit van een test?
- De mate waarin consistent gemeten wordt.
- De reproduceerbaarheid van de testresultaten.
- De grootte van de systematische meetfout.
- De grootte van de toevallige meetfout.
MC Vraag 3
Bij het ontwikkelen van een test die discipline voorspelt, heeft het onderzoek een aantal items bedacht. Deze items vergelijkt hij met een wetenschappelijk onderzoek over eigenschappen die personen met veel discipline hebben.
Om wat voor soort validiteit gaat het hier?
- Inhoudsvaliditeit
- Indruksvaliditeit
- Begripsvaliditeit
- Criteriumvaliditeit
MC Vraag 4
Onderstaande fictieve tabel is het resultaat van een multitrek-multimethode analyse voor de persoonskenmerken 1. Intelligentie, 2. Schoolvorderingen, 3. Leergedrag en 4. Pro-sociaal gedrag van studenten. Deze kenmerken zijn bij dezelfde steekproef gemeten op twee manieren, namelijk met een beoordeling door leerkrachten (Methode A) en met een beoordeling door de ouders/ verzorgers (Methode B).
Voor welke kenmerk geeft de monotrek-heteromethode coëfficiënt de minste steun voor de (convergente) validiteit?
- Intelligentie
- Leergedrag
- Pro-sociaal gedrag
- Schoolvordering
MC Vraag 5
Een onderzoeker ontwerpt veertig opdrachten over de kennis van mannen en vrouwen. Aan uitwerking van de opdrachten door leerlingen kent de onderzoeker een score toe tussen de 1 (zeer slecht) en de 7 (zeer goed). Uit een factoranalyse van de scores van 500 studenten op de veertig opdrachten resulteren de volgende eigenwaarden voor de eerste zes factoren: 14.0, 6.0, 1.4, 1.1, 0.7 en 0.5.
Hoeveel factoren kies jij wanneer je inhoudelijke argumenten combineert met de informatie over de eigenwaarden?
- 1
- 2
- 3
- 4
- 5
- 6
MC Vraag 6
Bij welk type validiteit staat het gebruik van tests bij werving en selectie vooral centraal?
- Convergente validiteit
- Discriminante validiteit
- Criteriumvaliditeit
- Verschillen tussen groepen
Vraag 7
Tijdens een SPSS practicum over factoranalyse beweert een student het volgende:
I. Als in een factorladingenmatrix veel variabelen een hoge lading hebben op meerdere factoren (|a| > .4) is de interpretatie van de factoren makkelijker dan wanneer elk van de variabelen slechts op een enkele factor een hoge lading heeft.
II. Als na oblique (scheve) rotatie van factoren blijkt dat zes factoren onderling sterk samenhangen (r > .4) wijst dat op statistisch zinvol onderscheid van deze zes factoren.
Beoordeel de twee beweringen van deze student.
- I is juist, II is juist
- I is niet juist, II is juist
- I is juist, II is niet juist
- I is niet juist, II is niet juist
Antwoorden Meerkeuzevragen bij hoofdstuk 5
MC Vraag 1
D. Beide stelling zijn onjuist.
MC Vraag 2
C. De grootte van de systematische meetfout.
Een test is valide wanneer de hoeveelheid systematische (en toevallige) meetfouten minimaal is.
MC Vraag 3
A. Inhoudsvaliditeit
De onderzoeker vergelijkt zijn items met informatie over de kenmerken van het construct waarin hij een test ontwikkeld. Dit is een voorbeeld van de inhoudsvaliditeit hoe goed de test inhoudelijk het construct representeert.
MC Vraag 4
B. Leergedrag
De monotrek-heterotrekmethode heeft betrekking op de convergente validiteit: hetzelfde construct meten met een andere methode.
MC Vraag 5
B. 2
Inhoudelijk bestaat de test uit twee categorieën, namelijk mannen en vrouwen. Wanneer je de eigenwaarden in een screen-plot weergeeft, selecteer je op basis van het knik-criterium ook twee factoren.
MC Vraag 6
C. Criteriumvaliditeit
Bij selectie en werving is voorspellen van werkprestatie van belang. Criteriumvaliditeit is de mate waarin een test gedrag buiten de testsituatie kan voorspellen.
MC Vraag 7
D. I is niet juist, II is niet juist
Simple structure houdt in dat variabelen op de ene factor een hoge en op de andere factor een lage waarde hebben. Wanneer er een sterke samenhang is tussen factoren moet een factoroplossing met minder factoren overwogen worden
Hoe kun je items ontwikkelen binnen het psychologisch testen? - TentamenTests 6
Open vragen bij hoofdstuk 6
Open Vraag 1
Noem drie soorten validiteit en leg ze uit.
Antwoordsuggesties Open vragen bij hoofdstuk 6
Open Vraag 1
- Oppervlakte validiteit: beschrijft hoe zinvol een test op het eerste gezicht lijkt om te meten wat het meten moet.
- Inhoud validiteit: beschrijft hoe adequaat een test een steekproef neemt uit gedrag dat representatief is voor het gedrag dat door de test gemeten moet worden.
- Criterium (gerelateerde) validiteit: beoordeelt hoe adequaat een score iemands vaardigheid of een ander criterium kan meten.
- Concurrente validiteit: een index van de mate waarin een testscore gerelateerd is aan een andere meting van het criterium die is afgenomen op hetzelfde tijdstip.
- Voorspellende validiteit: geeft de mate waarin een score de score op een andere meting accuraat voorspelt.
- Incrementele validiteit: de aanvullende waarde, de mate waarin een factor iets zegt dat de aanvankelijke factoren buiten beschouwen hadden gelaten.
Meer TentamenTests - Hoofdstuk 7 t/m 17 (Exclusief voor wie volledige online toegang heeft)
- Ben je aangesloten bij JoHo, log dan in en lees hieronder verder voor de TentamenTests bij hoofdstuk 7 t/m 17.
- Nog niet aangesloten, sluit je dan eerst hier aan.
Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>
Concept of JoHo WorldSupporter
JoHo WorldSupporter mission and vision:
- JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it support personal development and promote international cooperation is encouraged.
JoHo concept:
- As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
- JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.
Join JoHo WorldSupporter!
for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for
- 1520 keer gelezen
Work for JoHo WorldSupporter?
Volunteering: WorldSupporter moderators and Summary Supporters
Volunteering: Share your summaries or study notes
Student jobs: Part-time work as study assistant in Leiden
Search only via club, country, goal, study, topic or sector










Add new contribution