Europees Recht - RUG - Oefententamen 2018/2019

Open vragen bij oefententamen

Open vraag 1

Deelvraag 1: Doorwerking

In rechtsoverweging 36 van het arrest Dansk Industri overweegt het Hof van Justitie:

“Uit punt 47 van het arrest Association de médiation sociale (C-176/12, EU:C:2014:2) blijkt overigens dat het verbod van discriminatie op grond van leeftijd particulieren een subjectief recht verleent dat als zodanig kan worden ingeroepen en de nationale rechterlijke instanties ook in gedingen tussen particulieren verplicht nationale bepalingen die niet in overeenstemming zijn met dat verbod, buiten toepassing te laten.”

Schrijf naar aanleiding van deze rechtsoverweging een analyse over de doorwerking van algemene beginselen en bespreek hierin alle van de volgende aspecten:

  • de relevantie van de stelling van het Hof dat het verbod op discriminatie op grond van leeftijd “[aan] particulieren een subjectief recht verleent”;
  • de relatie tussen de hierboven weergegeven rechtsoverweging 36 uit Dansk Industri en de redenering van het Hof in Mangold;
  • in hoeverre de rechtspraak van het Hof in Mangold–Kücükdeveci–Dansk Industri relevant is voor de inroepbaarheid van andere algemene beginselen van Unierecht en/of grondrechten uit het Handvest, aan de hand van ten minste twee specifieke beginselen of grondrechten;
  • de rol van het rechtszekerheidsbeginsel in de doorwerking van algemene beginselen.

Deelvraag 2: Mededingingsrecht

Het Europees mededingingsrecht beoogt mededingingsverstorende gedragingen van ondernemingen te voorkomen en weg te nemen, om daarmee een efficiënte en open marktwerking te waarborgen. Volgens economen en juristen uit de zogenaamde “Chicago School” leidt de toepassing van het mededingingsrecht echter vaak tot bestraffing van efficiënte marktgedragingen zodat de marktwerking eerder wordt belemmerd dan beschermd. Deze inzichten brachten de zeer invloedrijke Amerikaanse jurist Robert H. Bork ertoe het mededingingsrecht te beschrijven als “a policy at war with itself” [een beleid in strijd met zichzelf]. In dezelfde trant omschreef hij de mededingingsverstorende gevolgen van de toepassing van het mededingingsrecht als “the antitrust paradox” [de paradox van het mededingingsrecht].

Ook in het Europees mededingingsrecht hebben deze inzichten hun sporen overduidelijk nagelaten. Bespreek in een kort essay aan de hand van twee van de onderstaande begrippen hoe de handhaving van het Europees mededingingsrecht, gelet op haar belangrijkste doelstellingen, probeert te voorkomen dat zij “een beleid in strijd met zichzelf” wordt. Gebruik voorbeelden en verwijs naar relevante rechtspraak.

  1. Inter-brand- en intra-brandconcurrentie
  2. Mededingingsbeperkende strekking
  3. Bijzondere verantwoordelijkheid
  4. Selectieve distributie

Deelvraag 3: Unieburgerschap

Het burgerschap van de Europese Unie stelt onderdanen van de lidstaten in staat vrij te reizen en te verblijven in andere lidstaten dan die waarvan zij de nationaliteit bezitten. Onder bepaalde voorwaarden kunnen ook niet-Unieburgers (ook wel “derdelanders” genoemd) een zogeheten “afgeleid verblijfsrecht” verkrijgen op grond van hetzij het Verdrag hetzij Richtlijn 2004/38. Schrijf een kort essay waarin u alle van de onderstaande aspecten bespreekt:

  • de betekenis van het begrip “afgeleid verblijfsrecht”;
  • wanneer en onder welke voorwaarden derdelanders aanspraak kunnen maken op zo’n afgeleid verblijfsrecht, met verwijzing naar ten minste drie concrete, onderscheiden situaties;
  • de grondslag(en) van de afgeleid verblijfsrechten in de door u beschreven situaties;
  • in hoeverre de rechtspraak van het Hof van Justitie geschikt is om misbruik van deze afgeleide rechten te voorkomen.

 

Antwoordsuggesties open vragen

Open vraag 1

Deelvraag 1: Doorwerking

Relevantie van de stelling dat het verbod op discriminatie op grond van leeftijd een “subjectief recht” verleent

Een subjectief recht is een individueel recht dat toekomt aan rechtssubjecten. De relevantie van deze stelling heeft te maken met de criteria waaronder bepalingen van Unierecht voor de nationale rechter kunnen worden ingeroepen: wanneer een bepaling een subjectief recht verleent zal deze bepaling voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk zijn (meer precies: een subjectief recht is geen noodzakelijke, maar wel een voldoende voorwaarde voor inroepbaarheid). Door te stellen dat het verbod op discriminatie op grond van leeftijd een subjectief recht verleent, benadrukt het Hof dat dit verbod – in tegenstelling tot enkele andere algemene beginselen die “vager” zijn – daadwerkelijk een recht verleent dat rechtstreeks inroepbaar is.

De relatie tussen rechtsoverweging 36 uit Dansk Industri en de redenering in Mangold

In r.o. 36 van Dansk Industri stelt het Hof dat het verbod op discriminatie op grond van leeftijd als zodanig kan worden ingeroepen voor de nationale rechter. In Mangold werd aan het Hof de prejudiciële vraag gesteld of de betrokken nationale bepaling in strijd is met artikel 6, lid 1 van richtlijn 2000/78. Het Hof antwoordt hierop bevestigend (r.o. 78), ondanks het feit dat de implementatietermijn van richtlijn 2000/78 op dat moment nog niet is verstreken (r.o. 66). De redenering van het Hof in Mangold is derhalve gericht op de inroepbaarheid van richtlijn 2000/78, waarbij het Hof in r.o. 74 t/m 76 aangeeft dat deze richtlijn al inroepbaar is voorafgaand aan het verstrijken van de implementatietermijn, onder andere omdat deze richtlijn zijn oorsprong vindt in het algemene beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd (r.o. 74 en 75). Het Hof baseert zijn redenering dus niet op de inroepbaarheid van het algemene beginsel als zodanig – zoals in Dansk Industri – maar op de inroepbaarheid van de richtlijn die onder andere dit beginsel concretiseert.

Relevantie van Mangold–Kücükdeveci–Dansk Industri voor de inroepbaarheid van andere algemene beginselen van Unierecht

Alle drie zaken betreffen één specifiek beginsel van Unierecht, namelijk het verbod op discriminatie op grond van leeftijd. Uit deze rechtspraak kan niet rechtstreeks worden geconcludeerd dat ook alle andere algemene beginselen van Unierecht rechtstreeks inroepbaar zijn door particulieren (al dan niet in horizontaal geschil). Hierbij moeten in ieder geval de volgende twee voorwaarden besproken worden:

  1. Algemene beginselen van Unierecht binden de lidstaten louter wanneer zij handelen binnen de werkingssfeer van het Unierecht (in het kader van het Handvest, zie artikel 51 lid 1 Hv en het arrest Akerberg Fransson). Dit is in ieder geval zo wanneer wetgeving van lidstaten een invloed heeft op de handel tussen lidstaten (een grensoverschrijdend effect) of wanneer wetgeving van lidstaten onder de reikwijdte van secundaire EU-wetgeving valt (vgl. de rol van richtlijn 2000/78 in de zaken Kücükdeveci en Dansk Industri).

  2. Voor all normen van Unierecht – inclusief algemene beginselen – geldt dat deze alleen rechtstreeks kunnen worden ingeroepen voor zover zij voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk zijn. Niet alle algemene beginselen zijn dit. In het Handvest zijn diverse grondrechten te vinden die (hoogstwaarschijnlijk) niet onvoorwaardelijk zijn. Zo heeft het Hof eerder geoordeeld dat artikel 27 Hv geen onvoorwaardelijk recht aan particulieren verleent, hetgeen zichtbaar is in de tekst van het artikel zelf.

Rol van het rechtszekerheidsbeginsel

Het rechtszekerheidsbeginsel is onderdeel van de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten en als zodanig zelf een algemeen beginsel van Unierecht. Dit betekent dat wanneer er een spanning ontstaat tussen het rechtszekerheidsbeginsel en een ander algemeen beginsel van Unierecht, deze tegen elkaar afgewogen dienen te worden. In Dansk Industi oordeelt het Hof dat de bescherming van gewettigd vertrouwen niet kan worden ingeroepen om een particulier het recht te ontzeggen zich te beroepen op het Unierecht (r.o. 41, zie naar analogie ook de situatie in Wells). Niettemin heeft het Hof de mogelijkheid om de gevolgen van een bepaalde uitlegging van Unierecht te beperken in tijd wanneer particulieren en lidstaten deze uitlegging redelijkerwijze niet hadden kunnen voorzien (zoals werd gedaan in het arrest Defrenne t.a.v. de rechtstreekse werking van artikel 157 VWEU). In Dansk Industri concludeert het Hof echter dat hier in de onderhavige zaak geen reden voor was. Immers had het Hof al in Mangold geconcludeerd dat het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd kon worden ingeroepen voor de nationale rechter, en is het beginsel voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk neergelegd in artikel 21 Hv. Eventueel staat voor de particulier die nadelige gevolgen ondervindt van de rechtstreekse werking van artikel 21 Hv de mogelijkheid open de geleden schade te verhalen op de lidstaat (Francovich-aansprakelijkheid).

N.B.:

  • De laatste 5 punten (oftewel 10%) zijn gegeven voor de vorm en het taalgebruik van het antwoord. Hierbij is vooral gekeken of u daadwerkelijk een essay hebt geschreven (in plaats van bulletpoints of een onsamenhangende tekst), het hebben genoemd van alle relevante aspecten zoals vermeld in de vraag, de afwezigheid van irrelevante aspecten (zoals platitudes, algemeenheden of overige vormen van informatie waarnaar niet werd gevraagd), en het gebruik van volzinnen.
  • Veel studenten hebben (onjuist) geconcludeerd dat er geen verschil is tussen de redenering van het Hof in Mangold en die in Dansk Industri. Ten aanzien van de relevantie van de rechtspraak voor overige algemene beginselen hebben veel studenten enkele voorbeelden genoemd, maar niet aangegeven waarom deze (en niet andere) beginselen op grond van de Mangold-rechtspraak geacht worden ook rechtstreekse werking te hebben. Hierbij was de koppeling met de algemene criteria voor rechtstreekse werking van belang. In het kader van het rechtszekerheidsbeginsel hebben veel studenten het arrest Dansk Industri genoemd, maar dit iets te kort door de bocht uitgelegd.
  • Opvallend was dat deze vraag relatief vaak onvolledig is beantwoord (d.w.z. dat één of meerdere elementen misten), wellicht door tijdgebrek.

Deelvraag 2: Mededingingsrecht

Deze vraag gaat over de gevolgen van mededingingsrechtelijke handhaving voor het functioneren van de markt. Aan de hand van twee begrippen dient u een kort essay te schrijven over de manier waarop het Europees mededingingsrecht probeert te voorkomen dat zij “een beleid in strijd met zichzelf” vormt.

Om de centrale vraagstelling van deze vraag goed te behandelen is allereerst een begrip van de doelstellingen van het mededingingsrecht noodzakelijk. Dit zijn het beschermen van de marktstructuur (het aantal concurrenten) enerzijds en het beschermen van de marktprestatie (efficiëntie) anderzijds. Daarnaast heeft het Europees mededingingsrecht in aanvulling op het vrijverkeersrecht ook marktintegratie als doelstelling. Aanhangers van de Chicago School stellen – versimpeld weergegeven – dat het mededingingsrecht alleen efficiency, c.q. consumentenwelvaart, als doel heeft, en dat handhaving gericht op het beschermen van de marktstructuur vaak efficiënt marktgedrag bestraft.

Deze vraag had vervolgens op verschillende manieren beantwoord kunnen worden, grotendeels afhankelijk van de gekozen begrippen. Voor het maximale score per begrip (20 punten) had u allereerst het begrip moeten uitleggen aan de hand van relevante rechtspraak en zo nodig met voorbeelden. Vervolgens had u dit begrip moeten koppelen aan de vraagstelling door uit te leggen hoe de functie, het gebruik en/of de interpretatie van dit begrip in de rechtspraak van het Hof ertoe kan bijdragen dat het Europees mededingingsrecht geen strijd met zichzelf vormt.

T.a.v. de begrippen intra-brand- en inter-brandconcurrentie had u kunnen opmerken dat dit beide vormen van concurrentie zijn die door coördinatie kunnen worden beperkt. Verticale coördinatie, in het bijzonder distributieafspraken, kunnen een negatief effect hebben op de intra-brandconcurrentie. Immers worden bij distributieafspraken door de producent vaak eisen gesteld aan de distributeurs of detailhandelaren waarmee de concurrentie tussen laatstgenoemden in de verkoop van een bepaald product wordt verminderd of zelfs uitgeschakeld. Anderzijds brengen dergelijke distributieafspraken vaak efficiencyvoordelen met zich mee. In de rechtspraak inzake selectieve distributie (Metro I, Pierre Fabre) is te zien hoe het Hof rekening houdt met de efficiencyvoordelen van intra-brandbeperkende distributieafspraken door bijvoorbeeld selectieve distributiesystemen van artikel 101 lid 1 VWEU uit te zonderen wanneer zij aan de door het Hof gestelde criteria voldoen. Meer algemeen worden beperkingen van de intra-brandconcurrentie doorgaans niet als problematisch gezien voor zover er voldoende inter-brandconcurrentie aanwezig is, hetgeen met name zichtbaar is in de marktaandelengrens van 30% in de groepsvrijstellingsverordening, waarmeee verticale coördinatie tussen ondernemingen met elk minder dan 30% marktaandeel worden uitgezonderd van artikel 101 VWEU.

T.a.v. het begrip “mededingingsbeperkende strekking” is in ieder geval van belang dat coördinatie tussen ondernemingen met een mededingingsbeperkende strekking (voor zover deze ook een negatieve invloed heeft op de tussenstaatse handel) verboden is onder artikel 101 lid 1 VWEU, zonder dat de daadwerkelijke negatieve gevolgen op de mededinging hoeven te worden onderzocht. Enerzijds kunnen hierdoor handhavingskosten worden verlaagd, waardoor de mededinging efficiënter kan worden beschermd. Anderzijds kan een te ruimhartige interpretatie van het begrip “strekking” ertoe leiden dat van te veel coördinatievormen de gevolgen niet worden onderzocht, hetgeen het risico met zich meebrengt dat ook efficiënte coördinatie wordt verboden (dit worden ook wel “vals positieve uitkomsten” genoemd). Om die reden oordeelt het Hof in het arrest Cartes bancaires, in r.o. 58, dat het begrip “mededingingsbeperkende strekking” restrictief moet worden geïnterpreteerd. Dit dient tot doel dergelijke vals positieve uitkomsten te voorkomen, zodat efficiënte marktgedragingen niet worden bestraft.

T.a.v. het begrip “selectieve distributie” had u, zoals hierboven al vermeld, kunnen verwijzen naar het arrest Pierre Fabre. Hierin bevestigt het Hof eerdere rechtspraak (m.n, Metro I en L’Oreal) waarin selectieve distributiesystemen worden uitgezonderd van artikel 101 lid 1 VWEU mits zij aan de gestelde criteria voldoen. In dat geval wordt namelijk verondersteld dat de negatieve gevolgen voor de intra-brandconcurrentie niet opwegen tegen de voordelen in de zin van een versterkte inter-brandconcurrentie, zodat mededingingsrechtelijke handhaving ongewenst is. Wanneer selectieve distributie op grond van de negatieve gevolgen voor de intra-brandconcurrentie zou worden verboden op grond van artikel 101 lid 1 VWEU, zou dit mogelijk een chilling effect kunnen hebben op de concurrentie tussen verschillende merken. Dit geldt met name voor luxeproducten en andere producten die een exclusief imago willen uitstralen. Een geheelverbod op online verkoop wordt door het Hof echter als mededingingsbeperkende naar strekking gezien, hoewel zo’n verbod evenzo positieve gevolgen kan hebben voor de marktprestatie. In het arrest Pierre Fabre zien we dan ook met name de marktintegratiedoelstelling van het Europees mededingingsrecht terug, die door het Hof wordt meegewogen met de doelstellingen van marktstructuur en –prestatie. Hierdoor wordt geprobeerd een juiste afweging te maken tussen de diverse doelstellingen van het mededingingsrecht – zij het dat aanhangers van de Chicago School deze afweging zouden afwijzen omdat de efficiencyvoordelen van selectieve distributie volgens hen doorslaggevend zouden moeten zijn.

T.a.v. het begrip “bijzondere verantwoordelijkheid” is van belang dat dit begrip relevant is voor artikel 102 VWEU. Ondernemingen met een machtspositie hebben een bijzondere verantwoordelijkheid om de mededinging niet (verder) te verzwakken. Doen zij dit wel, dan kunnen deze gedragingen misbruik opleveren. Deze “bijzondere verantwoordelijkheid” duidt op de balans tussen de voordelen en nadelen van dominante ondernemingen. Enerzijds hebben dominante ondernemingen dikwijls schaalvoordelen en hun aanwezigheid kan derhalve positieve gevolgen hebben voor de marktprestatie in de vorm van lagere prijzen en meer innovatie. Anderzijds wijst het bestaan van dominante ondernemingen erop dat de marktstructuur is verzwakt. In het Europees mededingingsrecht wordt rekening gehouden met deze mogelijk conflicterende effecten door machtsposities niet per se te verbieden, maar ondernemingen met een machtspositie wel een bijzondere verantwoordelijkheid te geven, waardoor gedragingen die voor andere ondernemingen zijn toegestaan, voor dominante ondernemingen zijn verboden. Hierdoor blijven – idealiter – dominante ondernemingen in staat hun schaalvoordelen aan te wenden om de markt beter te laten presteren, terwijl hen niet wordt toegestaan de marktstructuur verder te verzwakken door middel van bijvoorbeeld marktafschermende handelingen (zoals roofprijzen (AKZO) of een weigering aan een potentiële concurrent diensten of informatie te leveren die onontbeerlijk is om tot de markt toe te treden (Magill)).

N.B.: Veel studenten hebben de begrippen wel gedefinieerd – al dan niet aan de hand van rechtspraak of voorbeelden – maar niet uitgelegd hoe deze begrippen relevant zijn voor de vraagstelling. Het bespreken van de doelstellingen van het mededingingsrecht was een belangrijk onderdeel van een goed essay omdat hieruit juist blijkt dat het (Europees) mededingingsrecht meerdere doelstellingen heeft en dat het beschermen van de ene doelstelling (een pluriforme marktstructuur en/of marktintegratie) negatieve gevolgen kan hebben voor de andere doelstelling (marktprestatie).

Deelvraag 3: Unieburgerschap

Uitleg van het begrip “afgeleid verblijfsrecht”

Het begrip “afgeleid verblijfsrecht” betekent dat aan derdelanders geen autonoom c.q. zelfstandig verblijfsrecht toekomt. Hun eventuele verblijfsrechten zijn afgeleid uit de uitoefening van het recht van vrij verkeer door een burger van de Unie (o.a. O en B r.o. 36).

Beschrijving van drie concrete situaties met de corresponderende grondslagen van de afgeleide verblijfsrechten in kwestie

Het afgeleid verblijfsrecht kan toekomen aan familieleden van Unieburgers zoals gedefinieerd in artikel 2 lid 2 richtlijn 2004/38.

N.B.: dit artikel geeft enkel definities en is dus geen grondslag voor een verblijfsrecht. Artikel 3 richtlijn 2004/38 verleent evenmin een verblijfsrecht, maar geeft slechts het personele toepassingsbereik van de richtlijn aan.

Keuze uit meerdere situaties:

  • Afgeleid verblijfsrecht op grond van richtlijn 2004/38
    • artikel 6 lid 2 voor kortstondig verblijf
    • artikel 7 lid 2 voor een verblijf van langer dan drie maanden
    • artikel 16 lid 2 voor een duurzaam verblijf
  • Chen-situatie (artikel 21 VWEU jo richtlijn 90/364/EEC (vervangen door richtlijn 2004/38)
  • Ruiz Zambrano-situatie (artikel 20 VWEU)
  • Carpenter-situatie (artikel 56 VWEU) -> S en G (artikel 45 VWEU)
  • Singh-situatie (artikel 45 en 49 VWEU) -> O en B (artikel 21 VWEU)
  • Lounes-situatie (artikel 21 VWEU)

Uitleg over de geschiktheid van de rechtspraak om misbruik te voorkomen

Hier had u in ieder geval moeten noemen dat het verlenen van rechten op grond van het Unieburgerschap niet mag worden uitgebreid tot gevallen van misbruik, met verwijzing naar de toets die het Hof van Justitie hierbij toepast (O en B r.o. 58). Vervolgens dient u beredeneerd aan te geven of deze toets geschikt is misbruik te voorkomen. Hierbij kunt u enerzijds aangeven dat de criteria tamelijk streng zijn, zodat van misbruik niet snel sprake zal zijn. Anderzijds heeft het Hof in diverse arresten duidelijke en strenge eisen gesteld aan met name de Carpenter-situatie en de Singh-route.

N.B.:

  • Ten opzichte van de andere discussievragen vereiste deze discussievraag in verhouding meer kennis dan analyse en inzicht. Wanneer u drie situaties correct beschreef en hierbij de juiste grondslagen noemde, had u hiermee al 30 van de 50 punten verdient. Aan het noemen van de juiste grondslag is bij deze vraag veel belang gehecht in de beoordeling, omdat dit laat zien dat u inzicht heeft in de reden voor het verlenen van een afgeleid verblijfsrecht (bijvoorbeeld: dat het afgeleid verblijfsrecht in Ruiz Zambrano is gegrond in artikel 20 VWEU en niet artikel 21 VWEU).
  • Opvallend was dat veel studenten de “ingewikkelde” situaties hebben beschreven (zoals de zaak Ruiz Zambrano) en “gemakkelijke” situaties hebben laten liggen, zoals afgeleide verblijfsrechten op grond van richtlijn 2004/38.
  • Ook viel op dat veel antwoorden erg lang waren en gedetailleerde beschrijvingen bevatten van de exacte feitenconstellaties in bijvoorbeeld Zhu en Chen of O. en B. Dit is prima, maar was lang niet altijd noodzakelijk en heeft vermoedelijk in sommige gevallen veel tijd gekost. Het beschrijven van concrete situaties waarin een derdelander recht heeft op een afgeleid verblijfsrecht vereist niet dat u in het geheel niet abstraheert van de feiten van specifieke arresten van het Hof.
  • T.a.v. de geschiktheid van de rechtspraak om misbruik te voorkomen viel op dat veel studenten slechts hun persoonlijke mening over de ethische merites van het handelen van mevrouw Chen hebben gegeven, of hebben volstaan met de opmerking dat dit “duidelijk een voorbeeld van misbruik was”. Dit is onvoldoende: u dient uw antwoord te onderbouwen met juridische argumenten en verwijzing naar de relevante rechtspraak (waaronder, in het specifieke geval van Zhu en Chen, de rol van de Michelletti-rechtspraak).

Meer TentamenTests - Vraag 2 t/m 3 (Exclusief voor wie volledige online toegang heeft) 

 

    Exclusive section of this page (for members with extra services and online access)

    Image

    Access: 
    Public

    Image

    Join: WorldSupporter!

    Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

    Check: concept of JoHo WorldSupporter

    Concept of JoHo WorldSupporter

    JoHo WorldSupporter mission and vision:

    • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

    JoHo concept:

    • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
    • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

    Join JoHo WorldSupporter!

    for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

    Check: how to help
    Share: this page!
    Follow: Law Supporter (author)
    Add: this page to your favorites and profile
    Statistics
    3390
    Submenu & Search

    Search only via club, country, goal, study, topic or sector