Week I
Internationaal publiekrecht regel de uitoefening van publiek gezag in de internationale gemeenschap. Het kent bevoegdheden toe aan entiteiten die publiek gezag uitoefenen (vooral Staten en internationale organisaties, maar niet per se private personen) en biedt een juridisch kader waarbinnen zij deze bevoegdheden uitoefenen. Ook beschermt het de publieke belangen, zoals veiligheden, welzijn, bescherming van natuur en milieu, etc (dus niet om winst te maken)
De hedendaagse fase van volkenrecht begint in de zestiende en zeventiende eeuw, toen soevereine staten ontstonden uit een bestel waarin pausen en keizers een soort hiërarchische orde hadden verwerkelijkt. Bij de Vrede van Westfalen (1648) werd gebaseerd op het beginsel cuius regio, eius natio, waarbij gepoogd werd de godsdienststrijd te voorkomen door in de internationale verhoudingen een andere waarde te laten prevaleren: ‘één staat, één natie’. Dat jaar wordt ook wel gezien als het geboortejaar van de soevereine nationale staat, die op aarde geen wereldlijke macht boven zich erkent. Zij waren uitsluitend gebonden door de eigen wetten, sub Deo ac lege, die slechts binnen de grenzen gelden (ubi societas ibi ius --> waar een gemeenschap is, is recht). Voorheen dachten juist geleerden dat staten onderworpen waren aan het natuurrecht. In de zestiende en zeventiende eeuw werd de term volkenrecht gebruikt om het recht tussen staten aan te duiden. Dit gaat terug op de Latijnse term ius gentium (recht dat op alle burgers van toepassing was).
In de zeventiende eeuw werden steeds meer verdragen gesloten tussen Europese staten en ontwikkelden zich tussen hen bepaalde gewoontes, hierdoor kreeg het positieve recht (op verdrag en gewoonte berustende recht) voorrang op het natuurrecht. Naast de inhoud was er ook een verandering (beperking) in het geldingsgebied. Dit had verschillende fases:
Fase van de Christelijke Naties (Heilige Alliantie) --> 1648-1856
Fase van de Beschaafde Naties (kolonialisme en beschaving zoals in West-Europa) --> 1856-1945
Fase van de Vredelievende Naties (VN) -->1945-heden
In de hedendaagse mondiale ontstaat er een verandering in hoe de mens kijkt naar de waarden komen de volgende waarden in voor:
Menselijke waardigheid (na Koude Oorlog meer nadruk op menselijke waardigheid en mensenrechten. Er is dus een shift van national security naar human security. Ook wordt de burger meer beschermd tegen genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en etnische oorlogsmisdrijven)
Duurzaamheid (ecologische waarden en ook invloed op recht bijvoorbeeld milieurecht)
Het internationaal recht kent een algemeen deel (beginsel van goede trouw, beginsel van nakoming van verdragen, beginsel schending van een rechtsplicht leidt tot aansprakelijkheid) en een bijzonder deel (internationaal strafrecht, internationaal belastingrecht, internationaal milieurecht)
De EU lijkt soms meer op nationaal dan op internationaal recht, omdat burgers toegang tot de Europese rechter hebben en leden van het Europees Parlement kiezen. De Europese rechtsorde is een supranationale rechtsorde
Uiteindelijk is het meest geaccepteerde idee dat het internationale recht nog geen wereldrecht is.
Kenmerken internationaal recht:
Gefragmenteerd (sommige rechtsgebieden zijn vaag of weinig verdragen over)
Horizontale rechtsgemeenschap
Geen centraal gezag (wetgevende, uitvoerende en rechterlijke machten)
Grote beleidsvrijheid voor staten tot interpretatie (wel soft laws om aan te geven dat deze politieke normen zich kunnen ontwikkelen naar regels van positief recht. Auto-interpretatie van internationaal recht prevaleert.)
Geen verplichte onderwerping aan internationale rechtspraak (staten vertrouwen onvoldoende in third party judgment. Wel mogelijkheid om aan IGH voor te leggen maar dat is niet verplicht want ze mogen recht zelf uitleggen. Dat sluit niet buiten dat het IGH-advies kan geven, advisory opinion, maar eigen interpretatie prevaleert
Onderscheid vredes- en oorlogsrecht (gewapende conflicten en oorlog wordt als een rechtsverhouding erkend en kunnen regels die in vredestijd vanzelfsprekend zijn, zoals de bescherming tegen gebruik van geweld, buiten werking worden gesteld)
Bronnen van internationale rechtsorde:
Het internationale publiekrecht eist van de nationale rechtsorde erkenning van de gelding van het internationale publiekrecht, maar hoe die erkenning wordt verwerkelijkt is aan het nationale staatsrecht overgelaten. Hierin wordt een monistisch en dualistisch stelsel aangehouden.
Monistisch stelsel --> onder meer ontwikkeld door Hans Kelsen. Hier gaat men uit van de eenheid van het rechtssysteem en als gevolg daarvan kunnen internationale bepalingen direct verplichtingen opleggen aan burgers. Internationaal recht wordt niet gezien als extern recht van de staat maar als recht dat de macht van de staat kan beperken. Zo worden de rechten van individuen beschermd.
Dualistisch stelsel --> onder meer ontwikkeld door Triepel en Anzilotti. Hier gaat men uit van een afzonderlijk internationaal en nationaal rechtsstelsel waardoor pas na omzetting (transformatie) van internationale bepalingen in het nationale recht verplichtingen ontstaan voor burgers. Het primaat van soevereiniteit brengt met zich mee dat internationaal recht niet boven de staat kan staan. De burgers worden dan volgens hun staatsrecht alleen gebonden door hun nationale recht maar de wetgever zorgt ervoor dat in dit nationale recht de relevante volkenrechtelijke normen zijn geïncorporeerd. Dit is voornamelijk geïnspireerd door nationalistische opvattingen. Zij beschermen immers de nationale rechtsorde tegen de invloed van internationaal recht.
(VS --> LaGrand zaak: gebroeders LaGrand waren geboren in Duitsland maar waren naar VS geëmigreerd. Zij pleegden een gewapende overval waarbij ze iemand vermoorden. Ze waren ter dood veroordeeld maar ze hadden recht op consulaire bijstand uit Duitsland. Duitsland is toen een zaak begonnen bij het IGH. De broers hadden inderdaad recht op consulaire bijstand. VS zei echter dat dit verdrag alleen geldt voor staten en niet aan individuen. De VS had dit niet omgezet en dus werden zij ter dood veroordeeld)
Bij de formele scheiding tussen de internationale en de nationale rechtsorde moeten echter drie kanttekeningen worden geplaatst:
Modern internationaal recht heeft in belangrijke mate betrekking op de rechtspositie van natuurlijke personen, vooral in de vorm van mensenrechten. Doordat internationaal recht zich niet alleen richt op staten maar ook tot natuurlijke personen verliest het dus het strikte onderscheid
Internationaal recht heeft steeds meer betrekking op onderwerpen die ook door nationaal recht worden gereguleerd. De dualistische opvatting ging ervan uit dat de onderwerpen gescheiden zouden blijven maar dit is niet meer; zoals veiligheid, strafrecht en milieubescherming
Steeds meer staten hebben hun nationale rechtsorde opengesteld voor de toepassing van internationaal recht (NL). Het resultaat is dat internationaal en nationaal recht sterk verweven zijn geraakt
Nederland kent een gematigd monistisch stelsel --> eenieder verbindende bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties werken via art. 93 GW rechtstreeks door in het nationale recht en kunnen door burgers voor onmiddellijke toepassing worden ingeroepen worden, ook in de rechter voorgelegde gevallen. Dus alleen als het een ieder verbindend is en dat maakt het gematigd. In de RGBV is vastgelegd dat de regering bij ieder wetsvoorstel moet aangeven of de nieuwe wet eventueel ook rechtstreeks werkende bepaling bevat, al is dat oordeel uiteindelijk aan de rechter. Alleen wanneer nationale rechtsregels in conflict komen met eenieder verbindende bepaling van internationaal recht, blijven deze buiten toepassing (art. 94 GW). De rechter besluit of er sprake is van eenieder verbindende bepaling.
Spoorwegarrest (art. 93 en 94 GW): Collectieve acties vakbonden waardoor medewerkers, stakingen, van de NS onder de leiding van vakbonden. De vakbonden beroepen zich op art. 6 lid 4 Europees Sociaal Handvest. De NS zei dat het niet een ieder verbindende bepaling was en dus niet te waren in te roepen voor de nationale rechter. Deze acties werden gehouden omdat de minister van Sociale zaken had besloten om bepaalde regels met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van de medewerkers van de NS te wijzigen. De minister heeft deze bevoegdheid, om regels met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden te wijzigen, op grond van artikel 4 Wet betreffende arbeidsvoorwaarden in de collectieve sector. De directie van de NS wilde deze acties verbieden omdat volgens de directie deze acties onrechtmatig zijn jegens de NS. Hoge Raad moest beslissen of de burgers op het Europees Sociaal Handvest kunnen beroepen en dus een ieder verbindende bepaling is.
Rookverbod: Er gold sinds 1 juli 2008 al een rookverbod voor de horeca door het art. 8 paragraaf 2 van het WHO-Kaderverdrag, maar tot nu toe waren er op dit verbod nog enkele uitzonderingen. Zo was roken tot 2014 nog wel toegestaan in kleine cafés, waaronder eenmanszaken zonder personeel besloten door een ministeriële regeling. Antirookvereniging Clear Air Nederland (CAN) vocht deze situatie met succes aan; in een rechtszaak tussen CAN en de Staat bepaalde de Hoge Raad dat deze uitzondering in strijd was met het door Nederland gesloten verdrag binnen de WHO. De staat zei dat de organisatie zich daar niet op mocht berusten omdat het geen ieder verbindende bepaling was.
Stap 1: Blijkt uit de tekst van het verdrag of uit de verdragsgeschiedenis directe werking toe te kennen? Hebben partijen beoogd een directe of indirecte werking te hebben (para. 3.2 Spoorwegstakings-arrest). Indien niet, stap 2:
Stap 2: Dan kijken naar de inhoud:
Kan dit verdrag als objectief recht in de Nederlandse rechtsorde functioneren? --> ieder verbindend
Of vraagt het partijen eigen regels te treffen? --> niet ieder verbindend (para. 3.2 Spoorwegstakings-arrest)
Stap 3: Brengt nuance op stap 2. Het te bewerkstellige resultaat moet voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk zijn omschreven (para. 3.5.3 Rookverbod-arrest)
Statuut van Internationaal Gerechtshof maakt integraal deel uit van het VN-Handvest.
Vroeger was de oorlog een ultimum remedum, het uiterste middel om schending van het recht ongedaan te maken. In artikel 51 van het VN-Handvest is bepaald dat ieder staat die slachtoffer is van een gewapende aanval het inherente recht op zelfverdediging heeft. Dit moet wel aan een viertal vereisten voldoen:
Er moet sprake zijn van een voorafgaande gewapende aanval (Nicaragua-zaak)
Het gebruik van geweld uit zelfverdediging dient noodzakelijk en proportioneel te zijn (Oil Platforms case)
Een zelfverdedigingsactie dient onmiddellijk aan de Veiligheidsraad ter kennis worden gebracht
De zelfverdedigingsactie dient uitgevoerd te worden met inachtneming van het internationale humanitair recht. Een preventieve aanval om een aanval te voorkomen is niet gerechtvaardigd onder internationaal recht door een beroep op het recht van zelfverdediging. Een preëmptieve aanval is een aanval die een land uitvoert als het zelf niet op oorlog uit is, maar zeker weet dat een tegenstander op het punt staat aan te vallen. Dit valt wel onder zelfverdediging
Op basis van art. 39-42 van het VN-Handvest heeft de Veiligheidsraad verschillende mogelijkheden ter beschikking om dwingende maatregelen ter bevordering van de internationale vrede en veiligheid op te leggen:
Art. 39 VN-Handvest --> of er inderdaad een verbreking van internationale vrede en veiligheid is
Art. 40 VN-Handvest --> voorlopige maatregel, zoals staakt-het-vuren
Art. 41 VN-Handvest --> niet militair sancties (economische sancties)
Art. 42 VN-Handvest --> sancties met geweldmandaat (geweld mag worden gebruikt)
VN-Veiligheidsraad oordeelt over de veiligheid (art. 24 jo art. 39 jo art. 35 Handvest VN)
Voornaamste doeleinde van het tegenwoordige internationale publiekrecht is:
Tegengaan van straffeloosheid
Welvaartsvoorziening
Bescherming van het leefmilieu
Duurzame ontwikkeling
Verwerkelijking van gerechtigheid
Kenmerken van wereldrecht:
Wereldwijd werkingsgebied
Veelal neerslag van mondiale normen en waarden
Veelvuldige rol VN en wereldconferenties bij totstandkoming
Niet beperkt tot staten als enige rechtsdeelnemers