Studiematerialen bij het vak Testtheorie en testgebruik - RUG

De pagina op WorldSupporter voor het vak Testtheorie en testgebruik - Bachelor 2 Groningen

Image

Check: summaries and supporting content in teasers
College-aantekeningen bij Testtheorie & Testgebruik aan de Rijksuniversiteit Groningen - 2016/2017

College-aantekeningen bij Testtheorie & Testgebruik aan de Rijksuniversiteit Groningen - 2016/2017

Hoorcollege 1

Vakvoorwaarden en het tentamen

Een voorwaarde voor het vak: zelfstandig een betrouwbaarheidsonderzoek en een factoranalyse uitvoeren bij de NEO-PI-R om ervaring op te doen. Dit dient gedaan te worden in tweetallen. De tweetallen hoeven niet te worden doorgegeven aan de docent. De beoordeling is een voldoende of een onvoldoende. Het moet duidelijk zijn dat serieus aan de opdracht gewerkt is (zinnige en complete antwoorden op alle vragen). De opdracht is een voorwaarde voor deelname aan het tentamen. Elke student moet de opdracht individueel inleveren, maar beide namen moeten op het voorblad worden ingevuld. In Hoorcollege 4 komt meer informatie over factoranalyse.

Het tentamen

.........Read more
Access: 
Public
Samenvatting Testtheorie: inleiding in de theorie van de psychologische test van Drenth et al

Samenvatting Testtheorie: inleiding in de theorie van de psychologische test van Drenth et al

Historische testontwikkeling - Chapter 1

De ontwikkeling van testdiagnostiek kent grofweg vier perioden, namelijk

  1. de periode tot het verschijnen van de Binet-Simon-test,
  2. de periode tussen het verschijnen van de Binet-Simon-test en de Eerste Wereldoorlog (WOI),
  3. de periode tussen het begin van WOI tot de Tweede Wereldoorlog (WOII), en
  4. de periode tussen het begin van WOII tot heden.

1.1 Testontwikkeling.........Read more

Access: 
Public
BulletPointsamenvatting Testtheorie: inleiding in de theorie van de psychologische test van Drenth et al

BulletPointsamenvatting Testtheorie: inleiding in de theorie van de psychologische test van Drenth et al

Hoofdstuk 1. Historische ontwikkelingen

  • Eind 18e eeuw ontstond binnen de psychiatrie in Frankrijk en de experimentele psychologie in Duitsland een sterke belangstelling voor psychische stoornissen. Hierdoor ontstond ook een behoefte aan methoden om verschillen tussen verschillende gradaties van zwakzinnigheid en geesteszieken vast te kunnen stellen. In het begin was de interesse vooral theoretisch van aard, onderzoek vond plaats in laboratoria en met onderzoeksresultaten werd weinig gedaan.
  • .........Read more
Access: 
Public
Bijlage bij de samenvatting Testtheorie: inleiding in de theorie van de psychologische test van Drenth et al
Oefenbundel Testtheorie: inleiding in de theorie van de psychologische test van Drenth et al

Oefenbundel Testtheorie: inleiding in de theorie van de psychologische test van Drenth et al

Oefenbundel Testtheorie: inleiding in de theorie van de psychologische test van Drenth et al

  • Oefenvragen met antwoorden bij het boek Testtheorie van Drenth hoofdstukken 2 t/m 9
  • zie de bijlagen (alleen zichtbaar voor ingelogde JoHo donateurs)
Access: 
Public

Image

Check more: this content refers to
College-aantekeningen bij Testtheorie & Testgebruik aan de Rijksuniversiteit Groningen - 2016/2017

College-aantekeningen bij Testtheorie & Testgebruik aan de Rijksuniversiteit Groningen - 2016/2017

Hoorcollege 1

Vakvoorwaarden en het tentamen

Een voorwaarde voor het vak: zelfstandig een betrouwbaarheidsonderzoek en een factoranalyse uitvoeren bij de NEO-PI-R om ervaring op te doen. Dit dient gedaan te worden in tweetallen. De tweetallen hoeven niet te worden doorgegeven aan de docent. De beoordeling is een voldoende of een onvoldoende. Het moet duidelijk zijn dat serieus aan de opdracht gewerkt is (zinnige en complete antwoorden op alle vragen). De opdracht is een voorwaarde voor deelname aan het tentamen. Elke student moet de opdracht individueel inleveren, maar beide namen moeten op het voorblad worden ingevuld. In Hoorcollege 4 komt meer informatie over factoranalyse.

Het tentamen gaat over H2-9 van het boek, plus alle inhoud van de hoorcolleges. Afleidingen van formules zijn geen tentamenstof. Op nestor komt een document met voorbeeldopgaven; de opgaven in het boek hoeven niet te worden gemaakt (kan wel voor oefening, maar bij de opgaven zijn geen antwoorden).

Algemene inleiding

Dit vak gaat over soorten tests, hoe tests tot stand komen en hoe je kunt bepalen of een bepaalde psychologische test een goede test is. McKeen Cattell was erg gericht op het kwantificeren van individuele verschillen. Hij heeft de eerste stappen gezet in het systematisch onderzoeken van en naar individuele verschillen. Hij was ook de eerste hoogleraar psychologie in 1887.

Het doel van testtheorie is het kwantificeren van individuele verschillen. Dit kan worden gedaan door metingen te verrichten. Het doel daarbij is het doen van een uitspraak die een voorspelling, classificatie of beschrijving mogelijk maakt met betrekking tot het onderzochte individu. Psychologische tests meten psychologische eigenschappen die niet direct observeerbaar/meetbaar zijn. Daarom worden indicatoren (items) geconstrueerd die gedrag oproepen dat iets zegt over het te meten construct.

Het is belangrijk om te onthouden dat een test een hulpmiddel is; het is niet de waarheid. Er dient dus opgelet te worden met het verabsoluteren van testscores.

Meten in de sociale wetenschappen

Een bepaald construct wordt als uitgangspunt genomen. Daarbij wordt een meetinstrument ontwikkeld. Vervolgens wordt de testscore berekend. Testscores krijgen pas betekenis als er een criterium aan verbonden wordt (bijvoorbeeld: geslaagd bij minstens vijftien vragen goed), of als ze worden vergeleken met andere scores.

Notatie

  • K: totaal aantal items in een test;

  • Items: kennen indices g en h, die lopen tot k;

  • Xg en Xh zijn scores op de items (toevalsvariabelen):

Dichotome scores (ja/nee) kennen de scores 0 en 1.

Polytoom: meerdere aantwoordcategorieën: Xg = 0, ..., m

  • X = ruwe testscore. Ook wel de totaalscore;

  • i: Personen. Er wordt uitgegaan van scores van n personen;

  • Xig= score van de persoon i op item g;

  • Xi= ruwe testscore van persoon i.

Spreiding

Spreiding een belangrijk concept in de testtheorie omdat individuele verschillen worden verondersteld. Als iedereen alles goed heeft op een tentamen is het geen goed tentamen, omdat er geen individueel te kwantificeren verschillen zijn. Om deze spreiding weer te geven gebruiken we S^2. Je moet het kwadrateren omdat anders een negatieve een positieve spreiding kan opheffen. Vervolgens trekken we de wortel van de variantie om de standaarddeviatie uit te rekenen.

Spreiding van dichotome items (goed of fout) is S^2= pg (1-pg)=PgQg. De standaarddeviatie is de wortel van deze formule.

De uitkomst van de variantie wordt uitgedrukt in gekwadrateerde eenheden. Daarom wordt gewerkt met de standaarddeviatie. Dit is de wortel van de variantie. De variantie wordt vaak gebruikt in samenhang met de covariatie. Dit is een maat voor lineaire samenhang. Het is de mate waarin X en Y samen variëren. Dit geeft de richting van het verband aan, maar niet de sterkte ervan. De covariantie van twee somvariabelen is de som van de covarianties van de variabelen van de twee sommen.

De variantie en covariantie kunnen overzichtelijk worden weergegeven in een variantie-covariantie matrix. De varianties staan op de diagonaal en aan de buitenkant de covarianties, dus:

1,2,3
1,2,3
1,2,3

Bij de covariantie wordt geen rekening gehouden met de spreiding. Dus covariantie van 4,3 is niet per se sterker dan 0,9. Deze scores kunnen heel makkelijk worden opgeblazen omdat je ze keer elkaar doet.

Hoofdstuk 2: Kenmerken van een test

Zes kenmerken van een goede test t.o.v. voorwetenschappelijk oordeel:

  • Efficiëntie: een goede test is alleen maar gericht op het meten van het hypothetisch construct, zonder andere storende factoren;

  • Standaardisatie: een goede test is gestandaardiseerd. Om testresultaten te vergelijken is het cruciaal dat de test bij iedereen hetzelfde is afgenomen; zelfde instructie, zelfde tijdslimiet, zelfde condities;

  • Normering: het kunnen vergelijken van de testscores aan de hand van vastgestelde normen;

  • Objectiviteit: bij het afnemen van een test mag het niet uitmaken wie de beoordelaar is of wie de score interpreteert. Dat heeft te maken met de openheid en de reproduceerbaarheid van de testprocedure. Kendalls tau en Spearmans rho meten de correlatie tussen rangscores;

  • Betrouwbaarheid: de mate waarin bij herhaalde meting dezelfde score behaald wordt;

  • Validiteit: of de test meet wat het behoort te meten.

Typen tests

Er zijn verschillende indelingen mogelijk:

  • Indeling naar testgedrag. Hierbinnen is onderscheid tussen:

    • Tests of maximum performance: hierbij behoort sollicitant maximaal te scoren. Dit zijn bijvoorbeeld IQ-tests, tentamens en vaardigheden. Bij deze tests staat vaak veel op het spel (zoals worden aangenomen voor een baan);

    • Tests of typical performance: tests voor gedragswijze. Hierbij hangt er minder van af. Er is geen goed of fout, het gaat vaak om voorkeuren. Voorbeelden zijn tests die persoonlijkheid, motivatie of klinische schalen meten. Een voorbeeld hiervan zijn projectietests. Ook zelfbeoordelingsschalen en observaties vallen in deze categorie.

  • Indeling naar testinstructie/afname. Hierbinnen is onderscheid tussen:

    • Snelheidstests: hierbij gaat het om de snelheid. Deze tests bevatten veel makkelijke items, die zo snel mogelijk voltooid dienen te worden;

    • Niveautests: bij deze tests is spreiding in de moeilijkheidsgraad. Hier krijgen deelnemers ruimschoots de tijd om de test te voltooien.

 Een probleem bij tests voor gedragswijze is dat het vaak minder stabiele constructen meet. Dit kan leiden tot problemen gerelateerd aan betrouwbaarheid. Ook is careless response hier vaak een probleem.

Hoorcollege 2

Hoofdstuk 4 & 5

Kwantificeren van reacties

Er kan onderscheid worden gemaakt tussen twee vormen van items. Bij dichotome items zijn er maar twee mogelijk scores: goed of fout. Polytome items zijn ordinaal; het zijn er meer dan twee. Dit soort vragen komt vaak voor bij bijvoorbeeld klinische vragenlijsten.

Het doel van een item is het meten van een bepaalde eigenschap/vaardigheid/begrip. Bij dichotome items kunnen we als eerste kijken naar relatieve frequentieverdelingen. Hierbij maken we onderscheid tussen p-waarden en a-waarden van het item. De p-waarde houdt in hoeveel mensen het juiste antwoord hebben. De a-waarden zijn de waarden van de ‘verkeerde’ antwoorden. Bij een vierkeuzevraag met één correct antwoord zijn dus drie a-waarden. Als de p-waarde te hoog is, heeft de vraag weinig onderscheidend vermogen. En als de p-waarde erg laag is, kan dat erop wijzen dat iedereen de vraag heeft gegokt. Dit kan betekenen dat er een fout zit in de vraag, of dat de vraag erg lastig was. Een ander probleem is als veel mensen voor hetzelfde foute antwoord kiezen. Het kan zijn dat het een ‘sterke afleider’ is: dat de vragen erg veel op elkaar lijken.

Itemanalyse

De correlatie tussen een item en de somscore/restscore geeft een idee hoe sterk een item samenhangt met de overige items. De restscore voor item g is de totaalscore op de test minus de itemscore op item g. Vooral bij kortere tests geeft dit een te positief beeld van de situatie, omdat een item altijd een positieve correlatie met zichzelf heeft. Daarom trekken we het item af van de totaalscore, omdat de correlatie met zichzelf dan is verwijderd uit de totaalscore. Dit is de item-rest correlatie. Daarentegen is de item-test correlatie de correlatie tussen itemscore Xg en somscore X.

Als de item-test of de item-restcorrelatie laag is, kunnen we concluderen dat er weinig samenhang is met de overige items. Allereerst is dit theoretisch een probleem, want je verwacht samenhang van de items bij een goede test. Maar dit is ook een probleem omdat in deze gevallen geen onderscheid gemaakt kan worden tussen verschillende personen (en dat is nou eenmaal het doel van een test).

Als een lage correlatie wordt gevonden, wordt er eerst gekeken of hiervoor een verklaring gegeven kan worden. Een lage correlatie kan bijvoorbeeld betekenen dat het item niet veel zegt over datgene dat gemeten beoogt te worden. In dat geval kan het item beter worden verwijderd, omdat het er niet aan bijdraagt het doel van de test te bereiken. Een veelgebruikte ondergrens

......more on this page, or read on below >>
Access: 
Public
Samenvatting Testtheorie: inleiding in de theorie van de psychologische test van Drenth et al

Samenvatting Testtheorie: inleiding in de theorie van de psychologische test van Drenth et al

Historische testontwikkeling - Chapter 1

De ontwikkeling van testdiagnostiek kent grofweg vier perioden, namelijk

  1. de periode tot het verschijnen van de Binet-Simon-test,
  2. de periode tussen het verschijnen van de Binet-Simon-test en de Eerste Wereldoorlog (WOI),
  3. de periode tussen het begin van WOI tot de Tweede Wereldoorlog (WOII), en
  4. de periode tussen het begin van WOII tot heden.

1.1 Testontwikkeling tot de BinetSimon-test

1905 is een belangrijke mijlpaal voor de ontwikkeling van de testdiagnostiek; in dit jaar verscheen de eerste versie van de Binet-Simon-test – de eerste waardevolle intelligentietest.  Uiteraard gingen hier een hoop ontwikkelingen aan vooraf, te beginnen met de ontwikkelingen binnen de psychiatrie in Frankrijk en Duitsland. In Frankrijk ontstond eind 18e eeuw een verhoogde interesse in de geestelijke abnormaliteit en zwakzinnigheid. Men begon krankzinnigheid en zwakzinnigheid van elkaar te onderscheiden, waarbij mensen als Esquirol, Séguin, Charcot, Janet en Binet zwakzinnigheid niet beschouwden als ziekte, maar als een gebrek aan intellectuele vaardigheden. Ook in Duitsland veranderde de visie op geestelijke abnormaliteit. In beide landen werd hier steeds meer onderzoek naar gedaan, waardoor er een behoefte ontstond aan methoden om verschillen tussen geesteszieken en verschillende niveaus in zwakzinnigheid te kunnen duiden.

Naast de psychiatrie, ontstond ook binnen de experimentele psychologie – voornamelijk beoefend in Duitsland – een toegenomen interesse in geestelijke abnormaliteit en onderzoek hiernaar. Met de oprichting van zijn experimentele laboratorium in Leipzig, luidde Wundt in 1879 het begin in van systematisch grootschalig experimenteel onderzoek. Aanvankelijk richtte men zich vooral op generaliseerbaarheid en werden afwijkingen en individuele verschillen toegeschreven aan experimenteerfouten en beperkte het onderzoek zich tot primaire sensorische en motorische functies. Later, met de publicatie van een artikel van Cattell in het tijdschrift Mind in 1890, kwam er meer aandacht voor individuele verschillen. In 1893 werd er binnen de American Psychological Association (APA) een commissie ingesteld met als taak tests te registreren en de gebruiksmogelijkheden van deze tests te formuleren.

eEen derde ontwikkelingslijn die van invloed is geweest op testontwikkeling, is de genetica. Eind 19e eeuw verrichtte Galton diverse antropometrische onderzoekingen die gekenmerkt werden door drie elementen die later een pijler van het wetenschappelijk testonderzoek zouden gaan vormen, namelijk: (1) de wenselijkheid van het onderzoek van individuele verschillen, (2) systematisering van onderzoekstechnieken, en (3) normatief denken en weergeven van onderzoeksresultaten in statistische termen.

1.2 Testontwikkeling van verschijnen Binet-Simon-test tot WOI

In 1905 verscheen de eerste intelligentietest – ontwikkeld door Binet en Simon – die ook echt een praktische functie had. Binet’s benadering was vernieuwend in de zin dat hij het accent legde op complexe mentale processen – zoals begrip, geheugen, probleemoplossend vermogen en verbeeldingskracht – in plaats van eenvoudige mentale processen. Daarnaast had hij een empirisch uitgangspunt. Ten slotte kwam hij met het voorstel een totaalscore te gebruiken als weergave van het intelligentieniveau. Binet introduceerde verder het begrip ‘mentale leeftijd’, waardoor een praktische indicatie kon worden verkregen van het intelligentieniveau. De test werd in verschillende landen vertaald/aangepast. Hoewel het werk van Binet in praktisch opzicht veel betekend heeft, was dit in theoretisch opzicht aanzienlijk minder het geval. Zo ontbrak de theorie over samenstellende elementen in de intelligentie. Spearman heeft hier onderzoek naar gedaan en formuleerde aan de hand van dit onderzoek de twee-factorentheorie waarbij hij stelde dat er in alle tests twee intelligentiefactoren een rol speelden; een algemene (g-)factor en een specifieke (s-)factor.

Hoewel de intelligentiemeting grote vooruitgang boekte in deze periode, werd nog niet op grote schaal getest en ook van valideringsonderzoek was nog geen sprake.

1.3 Testontwikkeling van begin WOI tot WOII

De testontwikkeling kwam door het uitbreken van WOI in een stroomversnelling. De psychologie werd voor het eerst regelmatig in de praktijk toegepast en de testpsychologie kreeg een steeds grotere rol bij de beslissingsproblematiek van selectie en plaatsing met betrekking tot functies en opleidingen. In 1917, toen ook de VS bij de oorlog betrokken raakte, kwam de echte doorbraak. Er ontstond een noodzaak om snel en efficiënt te testen. Dit vormde het begin van de ontwikkeling van de groepsgewijs af te nemen schriftelijke test, waarvan de Army Alpha de eerste was.

Na WOI ontstond er een verschil in testontwikkeling in Amerika en Europa. In Europa – destijds gedomineerd door de Gestaltpsychologie, fenomenologie en personalisme – lag het accent vooral op de individuele diagnostiek. Met name de individuele observatietest werd uiterst populair.

In Amerika – destijds gedomineerd door behaviorisme en positivisme – kregen met name de kwantitatief verwerkbare groepstests veel aanhang. Door een toenemend aantal immigranten uit vele landen van herkomst ontstond er een behoefte aan minder taal- en cultuurafhankelijke tests. In 1917 werd een volledig niet-verbale intelligentietest gepubliceerd. In 1918 volgde de Army Bèta. Ondanks de aandacht voor groepstests, werden in de VS ook veel individuele testbatterijen ontwikkeld, waarvan de Terman Merrill en de Wechsler series wellicht de belangrijkste waren.

Engeland bevond zich meer in een tussenpositie tussen Europa en de VS. Hoewel de ontwikkeling van groepstest geen grote bloei doormaakte zoals de VS die doormaakte, was er, net als in de VS en in tegenstelling tot andere Europese landen, wel veel aandacht voor de objectieve evaluatie van schoolprestaties. ‘Vrije-antwoordenexamens’ maakten plaats voor examens met meerkeuzevragen.

Hoewel er tijdens deze periode vaak geen theorieën ten grondslag lagen aan het gebruik van diverse tests, stimuleerde Thurstone (1931) wel kritische evaluatie van de test zelf. Zo moesten testresultaten volgens hem betrouwbare testscores opleveren en diende de relatie tussen test en criterium alvorens het toepassen van de test te zijn aangetoond. Dankzij deze opvattingen kreeg de statistiek een belangrijke rol in de testpsychologie. Ook begon men het begrip intelligentie in deze periode breder op te vatten; naast de algemene en specifieke factoren, werden door diverse onderzoekers – waaronder Thurstone – de groepsfactoren geïntroduceerd.

Verder ontstond er gedurende deze periode aandacht voor de ontwikkeling van persoonlijkheidstests, waaronder observatietests – met name in West-Europa populair –, persoonlijkheidsvragenlijsten en projectietests.

1.4 Testontwikkeling van begin WOII tot nu

1.4.1 Ontwikkelingen in de VS

De testontwikkeling bloeide tijdens en na WOII. Door de grote en belangrijke keurings- en selectiediensten van de krijsmacht, ging zij op het gebied van selectie, testontwikkeling en psychiatrisch-medische keuringen samenwerken met psychologen. Hierdoor nam niet alleen het aantal selectie- en diagnostische tests toe, maar ontstond er ook een sterke professionalisering van het beleid en werden de psychologische principes van testonderzoek meer constructiever en kritischer.

In 1947 werd de Educational Testing Service (ETS) opgericht, met als doel tegemoet te komen aan de behoeften van het Amerikaanse onderwijs- en opleidingsveld op het gebied van de toelating tot en evaluatie van het onderwijs. Zeer belangrijk hierbij was dat het beleid binnen de ETS niet alleen de focus legde op toegepast onderzoek en testconstructie, maar ook gericht is op fundamenteel psychometrisch onderzoek.

De communicatie over tests, testonderzoek en de psychometrie verliep via vele wetenschappelijke en vaktijdschriften en (hand)boeken, zowel op inleidend niveau, als op gespecialiseerd niveau. Binnen het terrein van de selectiepsychologie stond, vooral in de jaren na WOII, de testtheorie centraal. Aanvankelijk werd, onder andere door Thorndike, selectie vooral gezien als toegepaste testpsychologie. Later werd dit, onder andere door Cronbach, meer beschouwd als een beslissingssituatie. Verder zijn veel belangrijke invloeden uitgegaan van het boek Technical recommendations for psychological tests and diagnostic technieques, gepubliceerd in 1954 door een Testcommissie van de APA. Ook het onderwijskundig meten en de schaaltheorie hadden een belangrijke invloed op de testtheorie en de acceptatie van testtheoretische principes.

Al met al vond er in de VS dus een sterke groei van het aantal tests plaats – waarbij ook de computer een grote rol heeft gehad –, welke gepaard ging met grondige bezinning op de theoretische basis.

1.4.2 Ontwikkelingen in Europa, met name Nederland

De testontwikkeling in Europa verliep minder snel. Pas vanaf de jaren ‘60/70 begon de ontwikkeling van de testtheorie en –constructie tot bloei te komen. De boeken van o.a. Rasch (1960) en Fischer (1974) en diverse wetenschappelijke en vaktijdschriften hebben hierbij een grote rol gespeeld.

In Nederland werd de testontwikkeling in de jaren ‘40/50 zeer gekenmerkt – en zelfs beperkt – door de oriëntatie van de psychologie op de intuïtie van de psycholoog, wat een objectieve en kwantitatieve benadering in de weg stond. Stimulering van testgebruik en de algemene ontwikkeling van de Nederlandse psychologie naar het Amerikaanse model werd eind jaren ’50 vooral in gang gezet door psychologen als Kouwer, De Groot, Van de Geer en Van der Giessen. In 1959 werd door het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) een Test Research Commissie (tegenwoordig Commissie Testaangelegenheden Nederland, COTAN) ingesteld. Deze commissie had als doel de communicatie tussen psychologen te verbeteren en het testonderzoek te bevorderen.

Verder......more on this page, or read on below >>

Access: 
Public
BulletPointsamenvatting Testtheorie: inleiding in de theorie van de psychologische test van Drenth et al

BulletPointsamenvatting Testtheorie: inleiding in de theorie van de psychologische test van Drenth et al

Hoofdstuk 1. Historische ontwikkelingen

  • Eind 18e eeuw ontstond binnen de psychiatrie in Frankrijk en de experimentele psychologie in Duitsland een sterke belangstelling voor psychische stoornissen. Hierdoor ontstond ook een behoefte aan methoden om verschillen tussen verschillende gradaties van zwakzinnigheid en geesteszieken vast te kunnen stellen. In het begin was de interesse vooral theoretisch van aard, onderzoek vond plaats in laboratoria en met onderzoeksresultaten werd weinig gedaan.
  • Het werk van Binet luidde met zijn Binet-Simon-test een nieuwe periode in. Hij legde vooral nadruk op complexe mentale processen, zoals geheugen en verbeeldingskracht. Ook werkte hij vanuit een empirisch oogpunt en stelde hij voor het intelligentieniveau weer te geven aan de hand van een totaalscore. Van valideringsonderzoek was echter nog geen sprake.
  • De uitbraak van WOI zorgde voor een versnelde testontwikkeling die zich in Europa –waar de individuele diagnostiek aan populariteit won – anders uitte dan in de VS – waar het accent vooral kwam te liggen op groepstests. De praktische toepassing van de test ging vaak vooraf aan de theorie.
  • Vanaf WOII nam vooral in de VS het aantal beschikbare tests snel toe. Ook werden de methodologische grondslagen van het testgebruik kritisch onder de loep genomen. Communicatie over tests, testonderzoek en de psychometrie verliep nu via wetenschappelijke tijdschriften. Belangrijke invloeden op de testtheorie zijn afkomstig vanuit (hand)boeken zoals de Technical recommendations for psychological tests and diagnostic techniques, het onderwijskundig meten, en de schaaltheorie.
  • In Europa kwam de ontwikkeling van de testtheorie en –constructie wat later (jaren ’60 en ‘70) op gang. Ook hier werden wetenschappelijke tijdschriften opgezet. In Nederland werd een belangrijk impuls aan wetenschappelijk verantwoord testgebruik gegeven door psychologen als Kouwer, Van de Geer en Van der Giessen. In 1959 werd een Test Research Commissie (tegenwoordig COTAN) opgericht. Ook in Nederland werden handboeken uitgegeven die veel invloed hebben gehad op de testontwikkeling.

Hoofdstuk 2. Verschillende soorten tests

  • Een verantwoorde en gepubliceerde test bestaat doorgaans uit de volgende onderdelen; testmateriaal, testformulieren en een testhandleiding met daarin een duidelijke testinstructie, de verwerkingsprocedure, normtabellen en de wetenschappelijke kwaliteiten van de test.
  • Gebruik van een psychologische test is pas gerechtvaardigd als het een juister beeld oplevert dan het voorwetenschappelijk oordeel, of als het kan dienen als een verbetering/aanvulling hierop en de kosten of ethische bezwaren geen beperking vormen.
  • Een psychologische test heeft 6 voordelen boven een 'willekeurig' niet wetenschappelijk oordeel, namelijk; (1) efficiëntie, (2) standaardisatie, (3) normering, (4) objectiviteit, (5) betrouwbaarheid en (6) validiteit.
  • Testscores kunnen worden gemeten op één van de volgende vier meetschalen; (1) de nominale schaal, (2) de ordinale schaal, (3) de intervalschaal, en (4) de ratioschaal. Binnen de psychologie worden de meeste testscores op intervalschaal gemeten. Eigenschappen kunnen zowel direct (operationale begrippen, zoals gewicht) als indirect (niet direct zichtbare eigenschappen, zoals intelligentie) gemeten worden.
  • Met behulp van psychologische tests kunnen niet alleen individuen, maar ook groepen, situaties en methoden worden getoetst en beoordeeld.

Hoofdstuk 3. Classificatie van tests

  • Er kan onderscheid gemaakt worden tussen tests gericht op prestatieniveau – enkelvoudige en veelvoudige algemene niveautests, speciale niveautests, en vorderingstests – en tests gericht op gedrag – observatietests, somato-fysiologische tests, zelfbeoordelingen, en kwalitatieve prestatietests.
  • Drie potentieel aanwezige factoren die het beoordelen van gedrag lastig maken, zijn sociaal wenselijk gedrag, de beoordelingsprocedure (gebrek aan objectief criterium), en veranderbaarheid van persoonlijkheidstrekken.
  • Bij de afname en interpretatie van een test dient men altijd rekening te houden met bepaalde invloeden, zoals cultuurverschillen, gebrek aan bepaalde vaardigheden (zoals leesvaardigheid of het kunnen horen van instructies), en bekendheid met de test bij de onderzochte.
  • De invloed van verschillen in vaardigheden kunnen op drie manieren worden gereduceerd: (1) het verkleinen van de vaardigheden-verschillen zelf, bijvoorbeeld door uitbreiding van de instructie, (2) enkel tests afnemen en testscores interpreteren bij dat deel van de populatie die beschikken over de vereiste vaardigheden, en (3) het ontwikkelen van skill reduced tests.

Hoofdstuk 4. Items

  • Tests en vragenlijsten zijn opgebouwd uit items die in drie typen kunnen worden onderverdeeld; (1) de handeling die van de respondent wordt gevraagd (theoretische opdrachten, stellingen, vragen, praktijkopdrachten) ; (2) de vorm van het antwoord van de respondent (open versus gesloten vragen); en (3) de uiterlijke verschijning van het item (bijvoorbeeld meerkeuzevraag versus schaalvraag).
  • Bij de constructie van een test wordt met behulp van vooronderzoek met een kleine steekproef eerst de kwaliteit van de items onderzocht. Vervolgens wordt tijdens het hoofdonderzoek een grote en representatieve steekproef gehouden. Dit hoofdonderzoek heeft als doel de kwaliteit (betrouwbaarheid, validiteit en normering) van de gehele test te bepalen.

Hoofdstuk 5. De afname en verwerking

  • Bij afname van tests dient er met veel factoren rekening te worden gehouden, waaronder de objectieve testsituatie (waarbij standaardisatie van zowel de testsituatie als de situatie van de proefpersoon en proefleider belangrijk is), het gedrag van proefpersonen (motivatie, coöperatie, etc.), en het gedrag van de proefleiders (ervaring, training, etc.).
  • Indien een proefpersoon slechts door middel van gokken een meerkeuzevraag goed scoort, kan de toevalscorrectie worden toegepast. Wanneer een proefpersoon bepaalde vragen niet heeft beantwoord, kan eventueel de correctieformule worden toegepast. Over het algemeen wordt geadviseerd geen correctieformules te gebruiken. Bij de keuze-antwoordenvorm is het beter het aantal goede antwoorden te tellen.
  • Veel tests kunnen ook via de computer afgenomen worden. Een potentieel probleem hierbij is dat men door testangst en verschillende mate van ervaring met computers verschillen krijgt in testprestaties. Dit is te ondervangen door te oefenen met computers.
  • Wanneer een concrete testscore wordt beoordeeld, wordt deze score aan de hand van normen vergeleken met de scoreverdeling van de referentiepopulatie (norm-referenced measurement). Soms kan de testscore ook worden vergeleken met een absolute standaard (criterion-referenced measurement). Hierbij wordt beoordeeld hoe goed de prestatie is in vergelijking met een absolute maatstaf of norm.
  • De meest eenvoudige manier om testprestaties tussen individuen te analyseren, is door middel van rangordening. Een bepaalde score voor een bepaalde positie wordt gebaseerd op de groep waar men in zit, er is geen sprake van een norm. Nadeel is dat deze rangscores geen betekenis hebben zonder kennis van de groepsgrootte of buiten de bewuste groep. Bij percentielscores is kennis van groepsgrootte niet nodig. Nadeel van percentielscores is de ordinale schaal.
  • Standaardscores hebben niet te maken met de bezwaren van percentiele normen, ordinale schaal en onvergelijkbaarheid met ruwe normen. Er zijn twee soorten standaardscores: lineaire standaardscores (z-scores) en genormaliseerde (niet-lineaire) standaardscores (T-scores, stanines en deviatie-IQ).

Hoofdstuk 6. Betrouwbaarheid

  • Onder betrouwbaarheid wordt de mate van herhaalbaarheid van metingen verstaan.
  • In de klassieke testtheorie veronderstelt men dat iemands testscore bestaat uit een ware score (T-score) en een aantal toevallige componenten. Ook gaat men er binnen deze theorie vanuit dat de standaardmeetfout voor alle personen die de test afleggen gelijk is, ongeacht hun T-score. Testscores kunnen ook worden opgesplitst in een bedoeld deel (gelijk aan betrouwbare score) en een onbedoeld deel (gelijk aan de meetfout).
  • Betrouwbaarheid kan op twee manieren worden vastgesteld, namelijk via herhaalde meting (parallel methode en test-hertest methode) en via eenmalige meting (splitsingsmethode en interne consistentie-methode).
  • Hoewel Cronbach’s alfa vaak wordt gebruikt als maat voor interne consistentie, kan dit beter niet worden gedaan. Aangezien alfa in de praktijk een systematische onderschatting van betrouwbaarheid levert, is het dan ook beter alfa te gebruiken als ondergrens voor betrouwbaarheid.
  • De correlatie van een testscore met het criterium kan worden beperkt door de betrouwbaarheid van de testscore. De correlatiecoëfficiënt geeft inzicht in de validiteit van een test. De validiteit van de testscore kan dus beïnvloed worden door de betrouwbaarheid.
  • Binnen de psychodiagnostiek is het belangrijk om te weten wat de betrouwbaarheid van een gevonden verschil is (bijv. voor- versus nameting) om een goede voorspelling te kunnen doen. De betrouwbaarheid van het verschil tussen testscores is gering in geval van lage betrouwbaarheid van testscores laag en sterke covariantie van de testscores.

Hoofdstuk 7. Nieuwe ontwikkelingen

  • Na de klassieke testtheorie (KTT) kwam het accent vooral te liggen op de item-responsetheorie (IRT).
  • Item-responsmodellen hebben meeteigenschappen die onderdeel zijn van adaptieve testmodellen, terwijl de KTT uitgaat van meeteigenschappen die vooral eigenschappen al dan niet veronderstellen. Verder zijn de metingen
  • ......more on this page, or read on below >>
Access: 
Public
Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Check: more related and most recent topics and summaries
Check more: WorldSupporter and development goals

Image

Share: this page!
Follow: Psychology Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
3724
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector