De ontwikkeling van testdiagnostiek kent grofweg vier perioden, namelijk
- de periode tot het verschijnen van de Binet-Simon-test,
- de periode tussen het verschijnen van de Binet-Simon-test en de Eerste Wereldoorlog (WOI),
- de periode tussen het begin van WOI tot de Tweede Wereldoorlog (WOII), en
- de periode tussen het begin van WOII tot heden.
1.1 Testontwikkeling tot de BinetSimon-test
1905 is een belangrijke mijlpaal voor de ontwikkeling van de testdiagnostiek; in dit jaar verscheen de eerste versie van de Binet-Simon-test – de eerste waardevolle intelligentietest. Uiteraard gingen hier een hoop ontwikkelingen aan vooraf, te beginnen met de ontwikkelingen binnen de psychiatrie in Frankrijk en Duitsland. In Frankrijk ontstond eind 18e eeuw een verhoogde interesse in de geestelijke abnormaliteit en zwakzinnigheid. Men begon krankzinnigheid en zwakzinnigheid van elkaar te onderscheiden, waarbij mensen als Esquirol, Séguin, Charcot, Janet en Binet zwakzinnigheid niet beschouwden als ziekte, maar als een gebrek aan intellectuele vaardigheden. Ook in Duitsland veranderde de visie op geestelijke abnormaliteit. In beide landen werd hier steeds meer onderzoek naar gedaan, waardoor er een behoefte ontstond aan methoden om verschillen tussen geesteszieken en verschillende niveaus in zwakzinnigheid te kunnen duiden.
Naast de psychiatrie, ontstond ook binnen de experimentele psychologie – voornamelijk beoefend in Duitsland – een toegenomen interesse in geestelijke abnormaliteit en onderzoek hiernaar. Met de oprichting van zijn experimentele laboratorium in Leipzig, luidde Wundt in 1879 het begin in van systematisch grootschalig experimenteel onderzoek. Aanvankelijk richtte men zich vooral op generaliseerbaarheid en werden afwijkingen en individuele verschillen toegeschreven aan experimenteerfouten en beperkte het onderzoek zich tot primaire sensorische en motorische functies. Later, met de publicatie van een artikel van Cattell in het tijdschrift Mind in 1890, kwam er meer aandacht voor individuele verschillen. In 1893 werd er binnen de American Psychological Association (APA) een commissie ingesteld met als taak tests te registreren en de gebruiksmogelijkheden van deze tests te formuleren.
eEen derde ontwikkelingslijn die van invloed is geweest op testontwikkeling, is de genetica. Eind 19e eeuw verrichtte Galton diverse antropometrische onderzoekingen die gekenmerkt werden door drie elementen die later een pijler van het wetenschappelijk testonderzoek zouden gaan vormen, namelijk: (1) de wenselijkheid van het onderzoek van individuele verschillen, (2) systematisering van onderzoekstechnieken, en (3) normatief denken en weergeven van onderzoeksresultaten in statistische termen.
1.2 Testontwikkeling van verschijnen Binet-Simon-test tot WOI
In 1905 verscheen de eerste intelligentietest – ontwikkeld door Binet en Simon – die ook echt een praktische functie had. Binet’s benadering was vernieuwend in de zin dat hij het accent legde op complexe mentale processen – zoals begrip, geheugen, probleemoplossend vermogen en verbeeldingskracht – in plaats van eenvoudige mentale processen. Daarnaast had hij een empirisch uitgangspunt. Ten slotte kwam hij met het voorstel een totaalscore te gebruiken als weergave van het intelligentieniveau. Binet introduceerde verder het begrip ‘mentale leeftijd’, waardoor een praktische indicatie kon worden verkregen van het intelligentieniveau. De test werd in verschillende landen vertaald/aangepast. Hoewel het werk van Binet in praktisch opzicht veel betekend heeft, was dit in theoretisch opzicht aanzienlijk minder het geval. Zo ontbrak de theorie over samenstellende elementen in de intelligentie. Spearman heeft hier onderzoek naar gedaan en formuleerde aan de hand van dit onderzoek de twee-factorentheorie waarbij hij stelde dat er in alle tests twee intelligentiefactoren een rol speelden; een algemene (g-)factor en een specifieke (s-)factor.
Hoewel de intelligentiemeting grote vooruitgang boekte in deze periode, werd nog niet op grote schaal getest en ook van valideringsonderzoek was nog geen sprake.
1.3 Testontwikkeling van begin WOI tot WOII
De testontwikkeling kwam door het uitbreken van WOI in een stroomversnelling. De psychologie werd voor het eerst regelmatig in de praktijk toegepast en de testpsychologie kreeg een steeds grotere rol bij de beslissingsproblematiek van selectie en plaatsing met betrekking tot functies en opleidingen. In 1917, toen ook de VS bij de oorlog betrokken raakte, kwam de echte doorbraak. Er ontstond een noodzaak om snel en efficiënt te testen. Dit vormde het begin van de ontwikkeling van de groepsgewijs af te nemen schriftelijke test, waarvan de Army Alpha de eerste was.
Na WOI ontstond er een verschil in testontwikkeling in Amerika en Europa. In Europa – destijds gedomineerd door de Gestaltpsychologie, fenomenologie en personalisme – lag het accent vooral op de individuele diagnostiek. Met name de individuele observatietest werd uiterst populair.
In Amerika – destijds gedomineerd door behaviorisme en positivisme – kregen met name de kwantitatief verwerkbare groepstests veel aanhang. Door een toenemend aantal immigranten uit vele landen van herkomst ontstond er een behoefte aan minder taal- en cultuurafhankelijke tests. In 1917 werd een volledig niet-verbale intelligentietest gepubliceerd. In 1918 volgde de Army Bèta. Ondanks de aandacht voor groepstests, werden in de VS ook veel individuele testbatterijen ontwikkeld, waarvan de Terman Merrill en de Wechsler series wellicht de belangrijkste waren.
Engeland bevond zich meer in een tussenpositie tussen Europa en de VS. Hoewel de ontwikkeling van groepstest geen grote bloei doormaakte zoals de VS die doormaakte, was er, net als in de VS en in tegenstelling tot andere Europese landen, wel veel aandacht voor de objectieve evaluatie van schoolprestaties. ‘Vrije-antwoordenexamens’ maakten plaats voor examens met meerkeuzevragen.
Hoewel er tijdens deze periode vaak geen theorieën ten grondslag lagen aan het gebruik van diverse tests, stimuleerde Thurstone (1931) wel kritische evaluatie van de test zelf. Zo moesten testresultaten volgens hem betrouwbare testscores opleveren en diende de relatie tussen test en criterium alvorens het toepassen van de test te zijn aangetoond. Dankzij deze opvattingen kreeg de statistiek een belangrijke rol in de testpsychologie. Ook begon men het begrip intelligentie in deze periode breder op te vatten; naast de algemene en specifieke factoren, werden door diverse onderzoekers – waaronder Thurstone – de groepsfactoren geïntroduceerd.
Verder ontstond er gedurende deze periode aandacht voor de ontwikkeling van persoonlijkheidstests, waaronder observatietests – met name in West-Europa populair –, persoonlijkheidsvragenlijsten en projectietests.
1.4 Testontwikkeling van begin WOII tot nu
1.4.1 Ontwikkelingen in de VS
De testontwikkeling bloeide tijdens en na WOII. Door de grote en belangrijke keurings- en selectiediensten van de krijsmacht, ging zij op het gebied van selectie, testontwikkeling en psychiatrisch-medische keuringen samenwerken met psychologen. Hierdoor nam niet alleen het aantal selectie- en diagnostische tests toe, maar ontstond er ook een sterke professionalisering van het beleid en werden de psychologische principes van testonderzoek meer constructiever en kritischer.
In 1947 werd de Educational Testing Service (ETS) opgericht, met als doel tegemoet te komen aan de behoeften van het Amerikaanse onderwijs- en opleidingsveld op het gebied van de toelating tot en evaluatie van het onderwijs. Zeer belangrijk hierbij was dat het beleid binnen de ETS niet alleen de focus legde op toegepast onderzoek en testconstructie, maar ook gericht is op fundamenteel psychometrisch onderzoek.
De communicatie over tests, testonderzoek en de psychometrie verliep via vele wetenschappelijke en vaktijdschriften en (hand)boeken, zowel op inleidend niveau, als op gespecialiseerd niveau. Binnen het terrein van de selectiepsychologie stond, vooral in de jaren na WOII, de testtheorie centraal. Aanvankelijk werd, onder andere door Thorndike, selectie vooral gezien als toegepaste testpsychologie. Later werd dit, onder andere door Cronbach, meer beschouwd als een beslissingssituatie. Verder zijn veel belangrijke invloeden uitgegaan van het boek Technical recommendations for psychological tests and diagnostic technieques, gepubliceerd in 1954 door een Testcommissie van de APA. Ook het onderwijskundig meten en de schaaltheorie hadden een belangrijke invloed op de testtheorie en de acceptatie van testtheoretische principes.
Al met al vond er in de VS dus een sterke groei van het aantal tests plaats – waarbij ook de computer een grote rol heeft gehad –, welke gepaard ging met grondige bezinning op de theoretische basis.
1.4.2 Ontwikkelingen in Europa, met name Nederland
De testontwikkeling in Europa verliep minder snel. Pas vanaf de jaren ‘60/70 begon de ontwikkeling van de testtheorie en –constructie tot bloei te komen. De boeken van o.a. Rasch (1960) en Fischer (1974) en diverse wetenschappelijke en vaktijdschriften hebben hierbij een grote rol gespeeld.
In Nederland werd de testontwikkeling in de jaren ‘40/50 zeer gekenmerkt – en zelfs beperkt – door de oriëntatie van de psychologie op de intuïtie van de psycholoog, wat een objectieve en kwantitatieve benadering in de weg stond. Stimulering van testgebruik en de algemene ontwikkeling van de Nederlandse psychologie naar het Amerikaanse model werd eind jaren ’50 vooral in gang gezet door psychologen als Kouwer, De Groot, Van de Geer en Van der Giessen. In 1959 werd door het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) een Test Research Commissie (tegenwoordig Commissie Testaangelegenheden Nederland, COTAN) ingesteld. Deze commissie had als doel de communicatie tussen psychologen te verbeteren en het testonderzoek te bevorderen.
Verder......more on this page, or read on below >>