Samenvatting van Als opvoeden niet vanzelf gaat van Van Hoof en De Vries - 3e druk

Samenvatting per hoofdstuk: Als opvoeden niet vanzelf gaat van Van Hoof en De Vries - 3e druk

Image

Check: summaries and supporting content in full
Wat is orthopedagogie? - Chapter 1

Wat is orthopedagogie? - Chapter 1

Waar gaat dit hoofdstuk over?

In dit hoofdstuk worden de onderwerpen opvoeding en (ortho)pedagogie besproken. Opvoeding is een complex en veelzijdig concept dat beïnvloed wordt door vele factoren zoals cultuur, sociale trends en wetenschappelijke bevindingen. Het omvat een breed scala aan acties en praktijken die bijdragen aan de groei en ontwikkeling van een kind tot volwassenheid. Dit proces wordt vergemakkelijkt door een wederzijdse relatie tussen opvoeders en leerlingen die persoonlijkheidsontwikkeling bevordert en kansen biedt voor zelfverwerkelijking.

Pedagogie is een wetenschappelijke discipline die zich richt op de theorie en praktijk van opvoeding. Het omvat een breed scala aan onderwerpen zoals onderwijsmethoden, onderwijsfilosofie en de psychologische en sociale aspecten van leren. Orthopedagogie is een tak van pedagogie die zich bezighoudt met opvoeding in de context van ontwikkelingsproblemen. Het streeft ernaar onderwijs, scholing en ondersteuning te bieden aan kinderen en adolescenten die uitdagingen ondervinden in hun groei en ontwikkeling.

Dit hoofdstuk onderzoekt ook de omstandigheden waarin orthopedagogie relevant is. Specifiek behandelt het situaties waarin ouders of opvoeders te maken hebben met een impasse in de opvoeding, wat kan leiden tot stagnatie in de ontwikkeling van een kind. In dergelijke gevallen kunnen orthopedagogische interventies nodig zijn om de impasse te overwinnen en de groei en ontwikkeling van het kind te bevorderen.

Tot slot onderzoekt het hoofdstuk de relatie tussen orthopedagogie en andere gerelateerde wetenschappen zoals pedagogie en kinderpsychiatrie. Het benadrukt hoe deze disciplines samenwerken om uitgebreide ondersteuning en hulp te bieden aan kinderen en adolescenten die gespecialiseerde onderwijs- en ontwikkelingsinterventies nodig hebben.

Wanneer wordt orthopedagogie relevant?

Orthopedagogie is relevant in situaties waarin kinderen obstakels of uitdagingen ondervinden in hun ontwikkeling of in de opvoeding. Orthopedagogie kan bijvoorbeeld relevant zijn wanneer een kind moeite heeft met taalontwikkeling, problemen heeft met sociale interacties of moeite heeft op school. Bovendien kan orthopedagogie nuttig zijn in gevallen waarin kinderen traumatische gebeurtenissen hebben meegemaakt of speciale behoeften hebben die gespecialiseerde aandacht vereisen.

In dergelijke situaties kunnen orthopedagogen helpen om de oorzaak van het probleem te identificeren en strategieën te ontwikkelen om het te overwinnen. Ze kunnen ook begeleiding en ondersteuning bieden aan ouders, leraren en andere verzorgers om hen te helpen bij het navigeren door uitdagende situaties en het bevorderen van de gezonde ontwikkeling van het kind.

Het is belangrijk om op te merken dat orthopedagogie niet alleen relevant is in gevallen van extreme moeilijkheden. Het kan ook nuttig zijn in alledaagse situaties waarin ouders en opvoeders de best mogelijke resultaten voor hun kinderen willen bevorderen. Orthopedagogen kunnen bijvoorbeeld advies en begeleiding bieden over hoe ze educatieve activiteiten moeten structureren of communiceren met kinderen op manieren die bevorderlijk zijn voor hun leren en ontwikkeling.

Wat is opvoeding?

Opvoeding is een breed begrip dat wordt gevormd door vele verschillende factoren, zoals culturele waarden en wetenschappelijke kennis. Opvoeding verwijst in wezen naar alle acties, activiteiten en praktijken die bedoeld zijn om een kind te helpen opgroeien tot een gezonde en capabele volwassene. Deze acties kunnen ook dingen omvatten die ouders ervoor kiezen om niet te doen. Volgens sommige experts, zoals Diekstra en Van Hintum (2019), kan opvoeding ook onbewuste manieren omvatten waarop ouders invloed uitoefenen op de ontwikkeling van hun kind.

Het is belangrijk om te onthouden dat de relatie tussen opvoeders en kinderen wederzijds beïnvloedend is; beide partijen kunnen elkaars gedrag en beslissingen beïnvloeden. Opvoeding gaat uiteindelijk over het bevorderen van persoonlijkheidsgroei en het bieden van kansen voor zelfrealisatie. Het doel van opvoeding is het ondersteunen van de persoonlijkheidsontwikkeling van een kind, wat inhoudt dat het vormen van een gevoel van identiteit en begrip van hun eigen behoeften en verlangens omvat (Angenent, 2004). Het is echter moeilijk om van tevoren te weten wat het specifieke eindpunt van opvoeding voor elk kind zou moeten zijn. Elk kind heeft unieke ontwikkelingsmogelijkheden die voortkomen uit hun interacties met de omgeving. Wat voor het ene kind werkt, werkt mogelijk niet voor een ander.

Enkele experts hebben een nog bredere definitie van opvoeding die iedereen en alles omvat dat de ontwikkeling van een kind beïnvloedt, zoals maatschappelijke normen, leraren en leeftijdsgenoten. Vanuit dit perspectief wordt opvoeding gezien als een vorm van socialisatie die kinderen voorbereidt op het leven in de samenleving. In die zin gaat opvoeding niet alleen over het leren van academische vaardigheden of specifieke kennis, maar ook over het ontwikkelen van een gevoel van verbondenheid en individualiteit.

Wat is pedagogiek?

Pedagogiek is de wetenschap die zich richt op opvoeding, ook bekend als onderwijs. Het woord komt van het Griekse "pais", wat kind betekent, en "agooge", wat transporteren of onderwijzen betekent. Pedagogiek bestudeert de opvoeding, het onderwijs en de ondersteuning van kinderen en jongeren, met als doel de praktijk te verbeteren (Van Ijzendoorn en Van Rosmalen, 2016). De theorie richt zich daarom op de praktijk en niet op abstracte zaken. In de pedagogiek zijn drie niveaus van deelnemers belangrijk: de opvoeders, de professionals die hen helpen en de wetenschappers die theoretische kaders voor opvoeding en ondersteuning ontwikkelen. In de pedagogiek ontwikkelen nieuwe theorieën zich meestal door de ontwikkeling van kinderen te observeren. Het gedrag van het kind wordt gelezen om te beslissen wat ze nodig zouden kunnen hebben op basis daarvan.

Wat is orthopedagogiek?

Opvoeding kan een complex proces zijn en soms ontstaan er problemen die niet gemakkelijk op te lossen zijn. In dergelijke gevallen biedt orthopedagogiek een helpende hand. Orthopedagogiek is een wetenschappelijke discipline die zich bezighoudt met de opvoeding en ontwikkeling van kinderen die uitdagingen hebben die hun vermogen om te leren, te communiceren of op een zinvolle manier met anderen om te gaan, belemmeren. "Ortho" is Grieks voor recht of rechtop staan.

Denk aan een orthodontist die tanden rechtzet; een orthopedagoog zorgt dat een problematische of scheve opvoedingssituatie weer recht komt te staan. In tegenstelling tot traditionele pedagogiek, die zich richt op het algemene onderwijs van alle kinderen, richt orthopedagogiek zich vooral op de specifieke behoeften van kinderen met ontwikkelingsproblemen. Orthopedagogiek is een interventiewetenschap, wat betekent dat het tot doel heeft problemen te voorkomen of te verminderen en niet alleen een academische discipline is die fenomenen bestudeert.

Een van de belangrijkste aspecten van orthopedagogiek is dat het problemen vanuit een pedagogisch perspectief bekijkt, wat betekent dat het rekening houdt met de onderwijskundige implicaties van de problemen waarmee kinderen te maken hebben. Bijvoorbeeld, als een kind moeite heeft met leren vanwege een ontwikkelingsstoornis, zal een orthopedagoog samenwerken met de verzorgers en leraren van het kind om strategieën en benaderingen te ontwikkelen die het kind helpen slagen in zijn leerproces.

Orthopedagogiek onderscheidt zich ook van kinderpsychiatrie, die zich richt op de medische aspecten van ontwikkelingsproblemen en doorgaans het voorschrijven van medicatie om symptomen te beheersen omvat. Orthopedagogiek daarentegen ziet onderwijs als het primaire middel om ontwikkelingsproblemen aan te pakken en streeft ernaar kinderen te helpen slagen door middel van gespecialiseerde educatieve benaderingen.

Ondanks het duidelijke onderscheid tussen orthopedagogiek en kinderpsychiatrie, kan de lijn tussen de twee soms vaag zijn en is er vaak overlap tussen de twee gebieden. Orthopedagogiek blijft echter een waardevolle en belangrijke discipline in het veld van de kinderontwikkeling vanwege de nadruk op onderwijs en de mogelijkheid om praktische strategieën en interventies te bieden.

Over het algemeen is orthopedagogiek een vakgebied dat blijft evolueren met maatschappelijke veranderingen en wetenschappelijke vooruitgang. Hoewel er discussies zijn over de toenemende afhankelijkheid van deskundige hulp bij ontwikkelingsproblemen van kinderen, blijft orthopedagogiek een waardevolle en belangrijke discipline voor kinderen die obstakels tegenkomen in hun onderwijs en ontwikkeling.

Hoe is orthopedagogiek gerelateerd aan andere wetenschappen?

Orthopedagogiek is een vakgebied dat nauw verbonden is met andere disciplines, zoals psychologie, onderwijs, sociologie en kinderontwikkeling. Deze wetenschappen bieden waardevolle inzichten en kennis die de praktijk van orthopedagogiek informeren en verrijken. Orthopedagogen maken gebruik van deze interdisciplinaire kennis om een holistische aanpak te bieden bij het aanpakken van de complexe problemen waarmee kinderen en hun families worden geconfronteerd. Ze gebruiken verschillende theorieën en technieken om op maat gemaakte oplossingen te ontwerpen die rekening houden met de unieke behoeften, interesses en capaciteiten van het kind.

Een van de belangrijkste kenmerken van orthopedagogiek is de nadruk op het pedagogische perspectief. Orthopedagogen bekijken problemen vanuit het opvoedingsperspectief, wat betekent dat ze kijken naar hoe het probleem van invloed is op het leren en de ontwikkeling van het kind. Ze overwegen ook hoe de onderwijsomgeving, zoals school of thuis, van invloed is op de voortgang van het kind. Op deze manier verschilt orthopedagogiek van andere wetenschappen, omdat het zich richt op de wisselwerking tussen opvoeding en kinderontwikkeling.

Naarmate de samenleving verandert, moet de orthopedagogiek zich aanpassen om gelijke tred te houden met nieuwe ontwikkelingen. Bijvoorbeeld, omdat steeds meer families hulp zoeken voor de problemen van hun kinderen, is er een groeiende vraag naar orthopedagogiek. Sommige deskundigen maken zich echter zorgen dat deze toegenomen vraag te wijten is aan een afnemende acceptatie van afwijkend gedrag. Verzorgers worden steeds bezorgder over de ontwikkeling van hun kind en zoeken sneller hulp, zelfs wanneer het gedrag van het kind binnen het normale bereik valt. Dit kan ertoe leiden dat kinderen veel te snel een diagnose en veel te snel medicatie krijgen. 

Kritiek op de medicalisering van problematische opvoedingssituaties groeit ook. Hoewel een tijdige herkenning van een stoornis belangrijk is, kan de overmatige afhankelijkheid van labels en medicatie schadelijk zijn voor de ontwikkeling van een kind. In plaats daarvan pleiten orthopedagogen voor een meer holistische benadering die rekening houdt met de unieke behoeften en mogelijkheden van het kind. Door zich te richten op het pedagogische perspectief kunnen orthopedagogen interventies ontwerpen die het leren en de ontwikkeling van het kind ondersteunen zonder te vertrouwen op medicatie of labels.

Tot slot is orthopedagogiek een interdisciplinair vakgebied dat inzichten uit andere wetenschappen gebruikt om een uniek perspectief te bieden op kwesties met betrekking tot opvoeding en kinderontwikkeling. Naarmate de samenleving verandert, moet de orthopedagogiek zich aanpassen om gelijke tred te houden met nieuwe ontwikkelingen, en tegelijkertijd oplettend zijn voor de mogelijke valkuilen van over-medicalisering en over-diagnostisering. Door zich te richten op het pedagogische perspectief en interventies op maat te maken voor de unieke behoeften van elk kind, kunnen orthopedagogen holistische oplossingen bieden die het leren en de ontwikkeling van kinderen ondersteunen.

Access: 
Public
Hoe is orthopedagogie ontwikkeld? - Chapter 2

Hoe is orthopedagogie ontwikkeld? - Chapter 2

Waar gaat dit hoofdstuk over?

Dit hoofdstuk gaat over de ontwikkeling van de orthopedagogiek als wetenschap. De orthopedagogiek ontstond in de achttiende eeuw als reactie op vragen over de leerbaarheid van "misleide" of "gehandicapte" individuen. De Verlichting speelde een grote rol in de ontwikkeling van de orthopedagogiek, omdat men begon te geloven dat met de juiste opvoeding kinderen op het goede pad gebracht konden worden. In de negentiende eeuw nam de overheid steeds meer verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding van kinderen, wat leidde tot een grotere nadruk op onderwijs in plaats van alleen zorg. De twintigste eeuw was een eeuw van groeiende pedagogisering, waarbij opvoeden steeds meer gezien werd als een middel om het kind te helpen zich te ontwikkelen, en minder als een middel om "moeilijke kinderen" te vermijden. In de twintigste eeuw werden medische zorg en opvoeding steeds meer verschillend, en vanaf de jaren vijftig nam de professionalisering, specialisatie en differentiatie van de jeugdzorg toe. In de jaren negentig werd het leidende principe van de jeugdzorg de behoeften en verlangens van het gezin en het kind. Er was ook meer differentiatie in de zorg voor kinderen met een handicap of stoornis, criminele kinderen en verwaarloosde kinderen.

Het hoofdstuk beschrijft ook de veranderingen in perceptie over het opvoeden van kinderen met een handicap of stoornis in de loop der tijd. Vanaf de achttiende eeuw kwam het idee dat mensen met een handicap net zo goed konden ontwikkelen met wat aanpassingen als anderen en werd speciaal onderwijs groter en toegankelijker. In de twintigste eeuw ontstond er een beweging om de situatie van mensen in zorginstellingen zo normaal mogelijk te maken, zo veel mogelijk als "echt leven". Het doel veranderde van het weghouden van mensen met problemen of handicaps uit de samenleving naar het leren bewegen en gedijen in de samenleving. In 2007 werd het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap aangenomen.

Het hoofdstuk beschrijft ook de veranderingen in perceptie over het opvoeden van verwaarloosde en delinquente kinderen in de loop der tijd. Vanaf de 19e eeuw werden weeshuizen steeds meer gebruikt voor lastige en delinquente kinderen, evenals voor verwaarloosde kinderen. Heropvoeding werd een belangrijke pijler voor de weeshuizen en was gericht op het beschermen van de samenleving tegen wanorde. Later werd duidelijk dat veel delinquente kinderen ook verwaarloosd waren geweest. Er werden meer instellingen opgericht voor heropvoeding, die voornamelijk op het platteland werden gevestigd. Later kwam pas het idee dat het niet goed is voor kinderen om weggehaald te worden van hun ouders en raakte de jeugdzorg meer gericht op het herstellen van een gezonde gezinssituatie.

Tenslotte bespreekt het hoofdstuk recente veranderingen in de orthopedagogiek. Er is een grotere diversiteit aan vragen en zorgen van ouders ontstaan, waardoor het vakgebied van de orthopedagogie zich nog sneller heeft moeten ontwikkelen om effectieve ondersteuning en begeleiding te bieden. De grootste recente veranderingen zijn: de gegroeide doelgroep, de toegenomen kennis en expertise, de veranderde visie op zorg en de veranderde organisatie van zorg, inclusief de decentralisatie van de jeugdzorg.

Hoe heeft orthopedagogiek zich ontwikkeld als wetenschap?

Vragen over opvoeding worden al eeuwenlang gesteld. Orthopedagogiek, als wetenschap, is gebaseerd op zulke praktische vragen. Orthopedagogiek begon zich te vormen als wetenschap in de achttiende eeuw, de periode van de Verlichting. Er was speciale interesse in de leerbaarheid van "misleide" of "gehandicapte" individuen. Vóór die tijd waren er al weeshuizen en plaatsen waar zorg werd verleend aan gehandicapte, verwaarloosde en criminele kinderen. Echter, de nadruk begon pas in de achttiende eeuw te verschuiven naar onderwijs. Dit kwam grotendeels door groeiend optimisme en het verlichtingsidee dat het leven vormbaar is. John Locke presenteerde mensen als tabula rasa, in plaats van als individuen wiens lot is voorbestemd. In de achttiende eeuw was er groeiend geloof dat kinderen met de juiste opvoeding op het goede pad gebracht konden worden. Bovendien gaf de Verlichting een impuls aan de ontwikkeling van wetenschap zoals wij die vandaag de dag kennen. Mensen begonnen te geloven dat met reden oplossingen konden worden gevonden voor alles, inclusief opvoedingsvraagstukken.

In de negentiende eeuw ontstond de heilpedagogiek, de leer die ervan uitgaat dat je middels het onderwijs en de opvoeding kunt genezen. Gedurende deze tijd kregen leraren, opvoeders en psychologen steeds meer invloed op de perceptie van opvoeding. Dit kwam mede doordat de zorg en opvoeding van kinderen meer een taak van de overheid werd. Voor deze eeuw namen kerken deze verantwoordelijkheid voornamelijk op zich uit christelijke motieven van naastenliefde. In de negentiende eeuw nam de overheid meer zorgtaken op zich, wat leidde tot een grotere nadruk op onderwijs in plaats van alleen zorg.

De twintigste eeuw was een eeuw van groeiende pedagogisering. Experts richtten zich steeds meer op het kind. Opvoeden werd steeds meer gezien als een middel om het kind te helpen zich te ontwikkelen, en minder als een middel voor de samenleving om te vermijden omgaan met "moeilijke kinderen." In 1901 werd leerplicht ingevoerd, waardoor kinderen van 6 tot 12 jaar naar school moesten. Dit leidde ook tot een afname van kinderarbeid. In 1905 werden kinderwetten aangenomen die de overheid toestonden in te grijpen in gevallen van schadelijk ouderlijk gezag.

Tijdens deze periode werden er ook inspanningen geleverd om de hoge kindersterftecijfers te verminderen. Dit betekende dat artsen een belangrijke rol speelden in de pedagogie en dat het doel van opvoeding niet alleen was om ervoor te zorgen dat kinderen moreel rechtschapen leefden, maar ook om hun gezondheid te waarborgen. Aan het begin van de twintigste eeuw werd ook de IQ-test ontwikkeld, waardoor er een betere monitoring mogelijk was van de ontwikkeling van kinderen in vergelijking met hun leeftijdsgenoten. In de twintigste eeuw werden medische zorg en opvoeding steeds meer verschillend, en vanaf de jaren vijftig nam de professionalisering, specialisatie en differentiatie van de jeugdzorg toe. Dit werd versneld door de democratisering en emancipatie van de jaren zestig en zeventig. Klanten werden meer uitgesproken over kwesties in de jeugdzorg, en er was meer maatschappelijke belangstelling voor het onderwerp. In de jaren negentig werd het leidende principe van de jeugdzorg de behoeften en verlangens van het gezin en het kind. Er was ook meer differentiatie in de zorg voor kinderen met een handicap of stoornis, criminele kinderen en verwaarloosde kinderen.

Hoe is de perceptie van het opvoeden van kinderen met een handicap of stoornis in de loop der tijd veranderd?

Mensen met een handicap of stoornis werden niet altijd met zorg en aandacht behandeld. In de oudheid werden ze vaak gedood met de gedachte dat ze gewoon een last waren. Zelfs in de afgelopen eeuw werden ze tijdens de Tweede Wereldoorlog nog steeds gedood als "Untermenschen". En als ze niet actief werden vervolgd, werden ze vaak aan hun lot overgelaten. Vanaf de middeleeuwen begonnen mensen meer zorg te tonen voor de armen, zieken en gehandicapten uit christelijke naastenliefde. Maar zelfs in de zeventiende eeuw was de zorg voor bijvoorbeeld "geestelijk gestoorde" mensen vooral gericht op het buiten de samenleving houden van hen. Mensen werden misschien verzorgd, maar ze werden ook geïsoleerd. In de achttiende eeuw werden scholen voor blinden en doven opgericht. Het besef groeide dat mensen met een handicap net zo goed konden ontwikkelen met wat aanpassingen als anderen. Ook groeide het idee dat verstandelijke handicaps gecompenseerd konden worden met een goede opvoeding en opleiding. Speciaal onderwijs werd groter en toegankelijker toen in 1901 de leerplicht werd ingevoerd. Vanaf die tijd moesten alle jonge kinderen naar school, ook kinderen die extra hulp nodig hadden.

In het midden van de twintigste eeuw schreef socioloog Erving Goffman een belangrijke kritiek op totalitaire instellingen. Dit zijn grote instellingen waar mensen al hun tijd doorbrengen, moeten leven volgens de normen die gelden in de instelling en de instelling niet verlaten. Volgens Goffman leidt een dergelijke instelling tot de afbraak van de persoonlijkheid van de deelnemers vanwege extreme sociale controle. Dit geldt voor veel verschillende soorten instellingen, zoals gevangenissen, ziekenhuizen, psychiatrische instellingen en kazernes. Deze kritiek had ook een significante impact op hoe zorginstellingen voor jongeren van die tijd werden bekeken. Rond deze tijd ontstond er ook een beweging uit Scandinavische landen om de situatie van mensen in zorginstellingen zo normaal mogelijk te maken, zo veel mogelijk als "echt leven". Het doel veranderde van het weghouden van mensen met problemen of handicaps uit de samenleving naar het leren bewegen en gedijen in de samenleving.

In 2007 werd het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap aangenomen. Hierin staat dat mensen met een handicap dezelfde rechten hebben als mensen zonder handicap en dat ze de ondersteuning moeten krijgen die ze nodig hebben om deze rechten volledig uit te oefenen.

Hoe is de perceptie van het opvoeden van verwaarloosde en delinquente kinderen in de loop der tijd veranderd?

In 1491 werd het eerste weeshuis in Nederland opgericht in Utrecht. Daarna werden er veel meer weeshuizen opgericht voor kinderen die hun ouders hadden verloren of waren achtergelaten. Later werden ook zeer arme kinderen in weeshuizen geplaatst. De weeshuizen waren geen prettige plek voor kinderen. Er werden strenge regels gehandhaafd en kinderen werden streng opgevoed.

In de 19e eeuw daalde het aantal wezen. Als gevolg daarvan werden de afnemende weeshuizen steeds meer gebruikt voor lastige en delinquente kinderen, evenals voor verwaarloosde kinderen. Heropvoeding werd een belangrijke pijler voor de weeshuizen. Deze heropvoeding moest worden bereikt door discipline en orde en was gericht op het beschermen van de samenleving tegen wanorde.

Door zowel delinquente als verwaarloosde kinderen te heropvoeden, werd de link tussen de twee duidelijk. Aanvankelijk werd gedacht dat kinderen delinquent werden door defecten in hun eigen karakter. Echter, tegen het einde van de 19e eeuw werd steeds duidelijker dat veel delinquente kinderen ook verwaarloosd waren geweest. Er werden meer instellingen opgericht voor heropvoeding, die voornamelijk op het platteland werden gevestigd in tegenstelling tot de weeshuizen die vaak midden in de steden waren gelegen. Het idee was dat het leven dicht bij de natuur en ver weg van de corrupte buitenwereld een gunstig effect zou hebben op de kinderen. Als gevolg daarvan werden de kinderen weggenomen bij hun ouders, wat destijds als een goede zaak werd beschouwd.

Met de Kinderwetten van 1905 konden kinderen tegen hun wil naar heropvoedingsinstellingen worden gestuurd. Ouders konden ze niet zomaar terughalen. Vanaf 1921 werd een minder ingrijpende interventie in de ouderlijke autoriteit geïntroduceerd, genaamd de ondertoezichtstelling. Het aantal instellingen groeide en er werden meer professionals ingezet. Kinderbescherming werd geprofessionaliseerd in de twintigste eeuw.

Tijdens de jaren dertig begonnen mensen zich steeds meer zorgen te maken en kritiek te uiten over institutionele zorg voor kinderen. De grootte van de groepen werd als te groot beschouwd, de leiders hadden onvoldoende training, de verblijfsduur was te lang en de nazorg werd als te beperkt beschouwd. Als gevolg daarvan riep Koekebakker in 1959 op tot meer coördinatie, differentiatie en expertise in de jeugdzorg. Dit markeerde het begin van een periode van verandering in de jeugdzorg.

Tijdens de jaren zestig en zeventig was er zelfs nog meer maatschappelijke kritiek en werden de waarden van emancipatie, zelfontwikkeling en democratisering zeer belangrijk. Deze waarden hadden invloed op kinderbescherming en jeugdzorg en er begon een nieuwe aanpak te ontstaan. Binnen instellingen werd de totalitaire, onderdrukkende benadering veranderd en werd er een meer humanistische benadering aangenomen, gebaseerd op orthopedagogische behandeling. De rol van ouders in de zorg en opvoeding van hun kinderen werd eindelijk erkend en het kind werd steeds meer gezien als onderdeel van het gezinssysteem.

In deze nieuwe tijdperk verschoof de focus van jeugdzorg van institutionalisering naar zorg in de gemeenschap. Jeugdzorgaanbieders begonnen nauwer samen te werken met gezinnen en hen te betrekken bij de zorg en behandeling van hun kinderen. Hierdoor werd er meer nadruk gelegd op preventie en werd vroegtijdige interventie een prioriteit.

Wat zijn recente veranderingen in orthopedagogie?

Orthopedagogie is een discipline die haar oorsprong heeft in de praktijk. Het is ontstaan uit de behoefte van professionals om de onderliggende mechanismen van hun werk te begrijpen en te verbeteren. Als zodanig heeft orthopedagogie zich in de loop der tijd blijven ontwikkelen en evolueren. De zorg voor jongeren en gezinnen met speciale opvoedingsvragen heeft de afgelopen jaren ingrijpende veranderingen ondergaan en het vakgebied van de orthopedagogie heeft hierbij een cruciale rol gespeeld.

Doordat steeds meer ouders hulp zoeken bij de opvoeding van hun kinderen, is de vraag naar gespecialiseerde ondersteuning drastisch toegenomen. Dit heeft geleid tot een grotere diversiteit aan vragen en zorgen van ouders, variërend van gedragsproblemen tot ontwikkelingsachterstanden en leerproblemen. Als gevolg hiervan heeft het vakgebied van de orthopedagogie zich nog sneller moeten aanpassen en ontwikkelen dan voorheen, om effectieve ondersteuning en begeleiding te bieden aan deze gezinnen. Dit zijn de grootste recente veranderingen in de orthopedagogie:

  • De doelgroep is gegroeid. Aanvankelijk was de zorg vooral gericht op kinderen met een beperking, later ook op verwaarloosde en criminele kinderen. Tegenwoordig wordt ook hulp gevraagd voor mildere opvoedings- en ontwikkelingsproblemen. Er is nu ook speciale aandacht voor opvoedingsproblemen van kinderen en ouders met een migratieachtergrond, omdat culturele verschillen zeer specifieke problemen kunnen veroorzaken.
  • Kennis en expertise zijn toegenomen, wat helpt bij het sneller herkennen van problemen. Het keerzijde hiervan, volgens sommigen, is dat problemen te snel worden gezien als een kind achterloopt op zijn leeftijdsgenoten.
  • De visie op zorg is veranderd. De nadruk ligt nu op het zo normaal mogelijk houden van de gezinssituatie en het versterken van het gezin, in plaats van het uit elkaar halen ervan. Zelfs kinderen met beperkingen moeten nu betrokken worden bij andere kinderen en het normale leven, in plaats van ervan te worden weggehouden.
  • De organisatie van zorg is veranderd. Sinds de Wet op de Jeugdhulpverlening van 1989 mogen zwaardere vormen van zorg alleen worden gebruikt als lichtere vormen van zorg niet voldoende blijken te zijn. De Wet op de Jeugdzorg van 2005 had als voornaamste doel betere zorg voor jongeren en ouders en het versterken van hun positie vanuit hun eigen situatie. Sindsdien is er meer nadruk komen te liggen op de eigen verantwoordelijkheid van ouders. De decentralisatie van de jeugdzorg heeft meer, goedkopere en gespecialiseerde zorg mogelijk gemaakt, maar heeft ook geleid tot een nieuwe vorm van fragmentatie, gebrek aan overzicht en motivatie om te kiezen voor de goedkoopste in plaats van voor de beste zorg.
Access: 
Public
Hoe werkt de orthopedagogiek als wetenschap? - Chapter 3

Hoe werkt de orthopedagogiek als wetenschap? - Chapter 3

Waar gaat dit hoofdstuk over?

Dit hoofdstuk gaat over de orthopedagogische wetenschap en de belangrijkste stromingen binnen dit vakgebied. De orthopedagogiek is een praktische wetenschap die zich richt op het verbeteren van de praktijk door middel van kennis uit wetenschappelijk onderzoek en ervaring. Er worden twee benaderingen gebruikt om wetenschappelijke kennis te verkrijgen: het rationalisme en het empirisme. De belangrijkste stromingen in de orthopedagogiek zijn de humanistische stroming, de empirisch-analytische stroming en de kritisch-sociale stroming. Elke stroming heeft zijn eigen sterke en zwakke punten en biedt verschillende perspectieven op de studie van menselijke ontwikkeling en opvoeding.

Dit hoofdstuk gaat ook over empirisch onderzoek in de orthopedagogische wetenschap en hoe theorieën worden gevormd en getest. Empirisch onderzoek verzamelt ervaringen of gegevens systematisch door middel van observaties, experimenten en interviews. Deze gegevens worden geanalyseerd en geïnterpreteerd om hypotheses over de werkelijkheid te vormen en generalisaties te maken die van toepassing zijn op een breder scala aan situaties. Theorieën in de orthopedagogische wetenschap worden gevormd door de gegevens te interpreteren en conclusies te trekken over de onderliggende mechanismen die de waargenomen fenomenen verklaren, met behulp van theoretische kaders uit gerelateerde disciplines zoals psychologie, sociologie en antropologie. De empirische cyclus is een systematisch proces dat gebruikt wordt in empirisch onderzoek om theorieën te ontwikkelen en te testen, en omvat observatie, inductie, deductie, en evaluatie. Het is belangrijk om te erkennen dat empirisch onderzoek niet onfeilbaar is en dat wetenschappelijke inzichten worden gevormd door de maatschappelijke en culturele context waarin ze worden geproduceerd.

Wat is de orthopedagogische wetenschap?

Het vakgebied van de orthopedagogiek is een praktische wetenschap. Fenomenen binnen het vakgebied worden bestudeerd in de praktijk en interventies zijn gericht op het verbeteren van de praktijk. Professionals in het vakgebied van de orthopedagogiek worden echter geacht hun handelingen en beslissingen te baseren op kennis die is afgeleid van zowel ervaring als wetenschappelijk onderzoek.

Wetenschappelijke kennis ontstaat door een systematische en methodologisch verantwoorde manier van het verkennen, verklaren en voorspellen van de werkelijkheid. Deze wetenschappelijke kennis kan worden afgeleid van het rationalisme, door logisch redeneren, of van het empirisme, door zintuiglijke observatie.

In het vakgebied van de orthopedagogiek zijn beide benaderingen belangrijk om effectieve interventies en praktijken te ontwikkelen. Het rationalisme maakt de ontwikkeling van theoretische kaders en modellen mogelijk die kunnen helpen bij het leiden van de praktijk, terwijl het empirisme de test en verfijning van deze kaders mogelijk maakt door middel van observatie en experimenten.

Het is belangrijk voor professionals in het vakgebied om een solide begrip te hebben van de wetenschappelijke fundamenten van de orthopedagogiek, evenals de mogelijkheid om deze kennis in de praktijk toe te passen. Dit vereist voortdurende educatie en professionele ontwikkeling om op de hoogte te blijven van actueel onderzoek en beste praktijken.

Wat zijn de belangrijkste stromingen in de orthopedagogische wetenschap?

In het vakgebied van de orthopedagogiek waren er oorspronkelijk twee belangrijke stromingen, waaraan later een derde werd toegevoegd. Dit zijn de belangrijkste stromingen van gedachte in het vakgebied van de orthopedagogiek:

  • De humanistische stroming. Deze stroming richt zich op het begrijpen van de mens. Normen en waarden worden in deze stroming in overweging genomen en het wordt erkend dat opvoeding cultureel en historisch bepaald is. Kritiek op deze stroming is dat het te weinig gebaseerd is op empirisch onderzoek.
  • De empirisch-analytische stroming. Deze stroming, als reactie op de humanistische stroming, richt zich op het vormen van kennis door deze te testen tegen de werkelijkheid. Objectiviteit en verifieerbaarheid zijn erg belangrijk voor deze stroming. Kritiek op deze stroming is dat empirisch onderzoek vaak slechts kan focussen op geïsoleerde facetten van de werkelijkheid en dus geen recht kan doen aan de complexe werkelijkheid.
  • De kritisch-sociale stroming. Deze stroming is ontstaan vanuit het idee dat de eerder genoemde stromingen te weinig rekening houden met de maatschappelijke elementen die een rol spelen in de opvoeding. Volgens deze stroming moeten onrechtvaardige en onderdrukkende structuren in de maatschappij voortdurend worden gecontroleerd, omdat ze veel educatieve problemen veroorzaken.

De drie stromingen in de orthopedagogiek hebben elk hun eigen sterke en zwakke punten, en bieden verschillende perspectieven op hoe de studie van menselijke ontwikkeling en opvoeding benaderd kan worden. Het is belangrijk om te erkennen dat elke stroming kan bijdragen aan een meer holistisch begrip van de complexe aard van menselijke ontwikkeling en opvoeding. Bovendien kan de combinatie van deze verschillende stromingen leiden tot een meer omvattende aanpak bij het oplossen van problemen op het gebied van de orthopedagogiek.

Hoe werkt onderzoek in de orthopedagogische wetenschap?

Empirisch wetenschappelijk onderzoek maakt gebruik van ervaringen of empirische gegevens, die systematisch en methodisch worden verzameld door middel van observaties, experimenten en interviews. Deze ervaringen of gegevens worden vervolgens geanalyseerd en geïnterpreteerd om hypotheses over de werkelijkheid te vormen. Hypotheses zijn voorlopige verklaringen die onderworpen zijn aan testen en verdere verificatie.

De wetenschappelijke methode omvat het testen van hypotheses door middel van observatie, experimenten en gegevensanalyse. Empirische gegevens zijn cruciaal in dit proces omdat ze de basis vormen voor wetenschappelijk onderzoek. Door gebruik te maken van empirische gegevens kunnen wetenschappers generalisaties maken over de wereld en theorieën ontwikkelen die getest en verfijnd kunnen worden in de loop van de tijd.

Een van de belangrijkste sterke punten van empirisch onderzoek is de mogelijkheid om generalisaties te genereren over een bepaald fenomeen. Generalisaties stellen onderzoekers in staat conclusies te trekken die van toepassing zijn op een breder scala van situaties of contexten dan alleen de specifieke dataset die wordt geanalyseerd. Het is echter belangrijk op te merken dat generalisaties altijd gebaseerd moeten zijn op een solide basis van empirisch bewijs.

Bovendien is het belangrijk om te erkennen dat empirisch onderzoek niet onfeilbaar is en niet als enige bron van kennis moet worden beschouwd. Empirisch onderzoek kan alleen inzicht bieden in de specifieke aspecten van de werkelijkheid die het meet, en zelfs dan zijn er altijd beperkingen en mogelijke vooroordelen om rekening mee te houden.

Bovendien evolueert de wetenschap voortdurend, met nieuwe ontdekkingen en inzichten die voortdurend worden gedaan. Wat eens als universele waarheid werd beschouwd, kan later worden weerlegd of worden vervangen door een meer verfijnd begrip. Deze voortdurende vooruitgang is wat wetenschappelijk onderzoek stimuleert en getuigt van de dynamische aard van wetenschappelijke kennis. Tot slot is het belangrijk om te erkennen dat wetenschappelijke inzichten niet in een vacuüm worden gevormd, maar eerder worden gevormd door de maatschappelijke en culturele context waarin ze worden geproduceerd. De waarden, overtuigingen en veronderstellingen van de tijdsperiode beïnvloeden welke vragen worden gesteld, welke methoden worden gebruikt en welke resultaten als belangrijk worden beschouwd. Het is dus belangrijk om de bredere sociale en historische context in overweging te nemen bij het beoordelen van wetenschappelijke kennis.

Hoe worden theorieën gevormd in orthopedagogische wetenschap?

Theorieën in orthopedagogische wetenschap worden gevormd door een combinatie van empirisch onderzoek en theoretische kaders. Empirisch onderzoek omvat het verzamelen van gegevens via verschillende methoden, zoals observaties, experimenten en interviews, en het analyseren van die gegevens om patronen, relaties en mogelijke oorzaken van gedrag en fenomenen met betrekking tot onderwijs en kinderontwikkeling te identificeren. Theorieën worden ontwikkeld door de gegevens te interpreteren en conclusies te trekken over de onderliggende mechanismen die de waargenomen fenomenen verklaren.

De theoretische kaders die worden gebruikt in orthopedagogische wetenschap zijn doorgaans gebaseerd op bestaande theorieën uit verwante disciplines zoals psychologie, sociologie en antropologie. Deze theorieën bieden een basis voor het begrijpen van de bredere context waarin onderwijs en kinderontwikkeling plaatsvinden en kunnen informeren over de ontwikkeling van nieuwe theorieën die specifiek zijn voor het vakgebied van orthopedagogische wetenschap.

De empirische cyclus is een systematisch proces dat gebruikt wordt in empirisch onderzoek om theorieën te ontwikkelen en te testen. Het omvat typisch de volgende stappen:

  1. Observatie. In deze eerste stap observeren onderzoekers een verschijnsel en noteren ze de kenmerken ervan. Dit kan het verzamelen van gegevens omvatten door middel van experimenten, enquêtes of andere middelen.
  2. Inductie. Gebaseerd op de observaties in stap één, vormen onderzoekers een hypothese of een voorlopige verklaring voor het verschijnsel dat ze bestuderen. Deze hypothese wordt vaak gevormd met inductief redeneren, wat betekent dat algemene conclusies worden getrokken op basis van specifieke observaties.
  3. Deductie. In de volgende stap gebruiken onderzoekers deductief redeneren om testbare voorspellingen af te leiden uit de hypothese. Deductief redeneren betekent dat specifieke conclusies worden getrokken op basis van algemene principes of theorieën.
  4. Testen. De voorspellingen die afgeleid zijn van de hypothese worden vervolgens getest door middel van experimenten of andere empirische methoden. De gegevens die verzameld worden uit deze tests worden gebruikt om de hypothese en de voorspellingen die gemaakt zijn te evalueren.
  5. Evaluatie. Tot slot worden de resultaten van de tests geëvalueerd om te bepalen of de hypothese ondersteund wordt of niet. Als de hypothese ondersteund wordt, kan deze verder ontwikkeld of verfijnd worden. Als de hypothese niet ondersteund wordt, kan deze afgewezen of gewijzigd worden.

Door dit proces te volgen kunnen onderzoekers bestaande theorieën verfijnen en uitbreiden of nieuwe theorieën ontwikkelen. Dit kan op zijn beurt toekomstig onderzoek en praktijk informeren in de orthopedagogische wetenschap.

Access: 
Public
Hoe werken diagnostiek en classificatie van orthopedagogische problemen? - Chapter 4
Wat zijn de belangrijkste theorieën en modellen in de orthopedagogiek? - Chapter 5

Wat zijn de belangrijkste theorieën en modellen in de orthopedagogiek? - Chapter 5

Waar gaat dit hoofdstuk over?

Dit hoofdstuk bespreekt de theorieën en modellen die worden gebruikt in de orthopedagogie om de ontwikkeling van kinderen en opvoedpraktijken te begrijpen. De vijf theoretische kaders die in dit hoofdstuk aan bod komen zijn het kader van ontwikkelings- en opvoedingstaken, systeemtheorie, het kader van risico- en beschermende factoren, het kader van positieve ontwikkeling en de orthopedagogische theorie van Kok.

Het kader van ontwikkelings- en opvoedingstaken is gebaseerd op het idee dat elk kind tijdens zijn jeugd vier verschillende ontwikkelingsfasen doormaakt en dat elke fase wordt gekenmerkt door specifieke ontwikkelingstaken die moeten worden voltooid om optimaal te kunnen ontwikkelen. De vier jeugdperioden die Goudena veronderstelt, zijn zuigelingen- en peutertijd, vroege kindertijd, middenkindertijd en adolescentie.

De systeemtheorie benadrukt dat individuen niet in isolatie begrepen kunnen worden, maar eerder als onderdeel van onderling verbonden systemen of contexten die invloed hebben op hun ontwikkeling en gedrag. Deze theorie omvat het sociaal-ecologische model van Bronfenbrenner, het transactionele model van Knorth en het model van Pennington.

Het kader van risico- en beschermende factoren verwijst naar het idee dat de ontwikkeling en het welzijn van een kind worden beïnvloed door verschillende risicofactoren en beschermende factoren. De balans tussen deze factoren kan een aanzienlijke invloed hebben op de ontwikkeling en het gedrag van een kind.

Het kader van positieve ontwikkeling benadrukt de bevordering van positieve factoren en resultaten in de ontwikkeling van kinderen, in plaats van zich uitsluitend te richten op risico's en negatieve uitkomsten.

De orthopedagogische theorie van Kok is een theoretisch kader dat zich richt op de ontwikkeling van de vaardigheden van een kind en zijn vermogen om zich aan zijn omgeving aan te passen. Het benadrukt het belang van het bieden van een positieve leeromgeving die de ontwikkeling van vaardigheden en de bevordering van welzijn mogelijk maakt.

Wat zijn orthopedagogische theorieën en modellen?

Een kind ontwikkelt zich op zijn eigen manier binnen een ouder-kindrelatie. De ouder-kindrelatie is wederzijds, dus er is interactie tussen het kind en zijn of haar verzorgers. Hoe een kind zich ontwikkelt, hangt af van veel verschillende factoren. Er zijn verschillende factoren betrokken bij de ontwikkeling en opvoeding die kunnen leiden tot de noodzaak van specifieke opvoedmethoden voor het kind. Dit kan worden onderzocht aan de hand van verschillende theoretische kaders. De volgende vijf theoretische kaders zijn belangrijk in de orthopedagogiek:

  • Het kader van ontwikkelings- en opvoedingstaken.
  • De systeemtheorie.
  • Het kader van risico- en beschermende factoren.
  • Het kader van positieve ontwikkeling.
  • De orthopedagogische theorie van Kok.

Wat is het kader van ontwikkelings- en opvoedingstaken?

Het kader van ontwikkelings- en opvoedingstaken van Goudena (1994) is een theoretisch kader dat in de orthopedagogiek wordt gebruikt om de ontwikkelings- en opvoedingstaken te begrijpen die relevant zijn voor kinderen op verschillende leeftijden. Dit kader gaat ervan uit dat elk kind tijdens zijn jeugd vier verschillende ontwikkelingsfasen doormaakt en dat elke fase wordt gekenmerkt door specifieke ontwikkelingstaken die moeten worden voltooid om het kind optimaal te laten ontwikkelen. Deze taken zijn niet alleen relevant voor het kind, maar ook voor hun ouders of verzorgers, omdat zij een belangrijke rol spelen in het ondersteunen van het kind bij hun ontwikkeling.

De vier jeugdfasen die Goudena veronderstelt, zijn:

  1. Baby- en peutertijd (0-2 jaar). De ontwikkelingstaken van deze periode zijn fysiologische zelfregulering, veilige hechting en autonomie. De opvoedingstaken die relevant zijn voor deze periode omvatten het faciliteren van een verzorgingsritueel, het bieden van gevoelige en responsieve interactie, beschikbaar zijn en ruimte en steun bieden.
  2. Vroege kindertijd (2-4 jaar). De ontwikkelingstaken van deze periode zijn representatievaardigheden, omgaan met leeftijdgenoten en internalisatie van maatschappelijke eisen. De opvoedingstaken zijn omgaan met de ambiguïteit van het kind op een positieve en bevestigende manier en discipline bieden.
  3. Middenkindertijd (4-12 jaar). De ontwikkelingstaken van deze periode zijn decentratie, acceptatie door leeftijdsgenoten en academische vaardigheden. De opvoedingstaken zijn het bieden van mogelijkheden voor interactie met leeftijdsgenoten, helpen bij school, prestaties waarderen en warmte bieden.
  4. Adolescentie (12-16 jaar). De ontwikkelingstaken van deze periode zijn emotionele onafhankelijkheid, omgaan met het andere geslacht en het ontwikkelen van een waardesysteem. De opvoedingstaken zijn het bieden van emotionele steun, tolerant zijn ten opzichte van experimenteren, leeftijdsgerichte grenzen stellen en dienen als rolmodel.

Critici van het kader van ontwikkelings- en opvoedingstaken stellen dat het gebaseerd is op een westers standpunt en daarom mogelijk niet toepasbaar of relevant is in andere culturele contexten. Het kader legt de nadruk op individualisme, autonomie en onafhankelijkheid, waarden die vaak worden benadrukt in westerse culturen. In andere culturen kunnen echter collectivisme, interdependentie en familieloyaliteit meer gewaardeerd worden.

Bovendien stellen critici dat het kader uitgaat van een universele ontwikkelingstraject voor alle kinderen, wat mogelijk niet accuraat is. Verschillende culturen kunnen verschillende verwachtingen hebben ten aanzien van de ontwikkeling van kinderen en kinderen kunnen verschillende uitdagingen tegenkomen op basis van hun culturele achtergrond en context.

Over het algemeen kan het kader van ontwikkelings- en opvoedingstaken nuttig zijn bij het begrijpen van de ontwikkeling van kinderen en opvoedingspraktijken in sommige contexten, maar het is belangrijk om de beperkingen en mogelijke culturele vooroordelen inherent aan het kader te erkennen.

Wat is de systeemtheorie?

In de orthopedagogiek verwijst de systeemtheorie naar het idee dat individuen niet op zichzelf begrepen kunnen worden, maar eerder als onderdeel van onderling verbonden systemen of contexten die hun ontwikkeling en gedrag beïnvloeden. Dit zijn de drie belangrijkste modellen binnen de systeemtheorie:

  1. Het sociaal-ecologisch model van Bronfenbrenner. Ontwikkeld door de psycholoog Urie Bronfenbrenner, richt dit model zich op de verschillende niveaus van systemen die van invloed zijn op de ontwikkeling van een individu. Deze niveaus omvatten het microsysteem (directe omgeving zoals familie en school), mesosysteem (interacties tussen de microsystemen), exosysteem (indirecte factoren zoals de werkplek van de ouders), macrosysteem (cultuur en maatschappelijke normen), en chronosysteem (de dimensie van tijd). Volgens dit model kunnen veranderingen op één niveau van het systeem effect hebben op de andere niveaus.
  2. Het transactioneel model van Knorth. Dit model benadrukt de dynamische aard van de relatie tussen een kind en hun omgeving. Ontwikkeld door de Nederlandse psycholoog Jaap Knorth, beschouwt het transactionele model ontwikkeling als een voortdurende transactie tussen het individu en hun context, waarbij zowel het individu als hun omgeving elkaar beïnvloeden en beïnvloed worden. Het model benadrukt het belang van de overeenstemming tussen de behoeften van het individu en de eisen en middelen van hun omgeving, en de voortdurende onderhandeling en aanpassing van het individu en de omgeving aan elkaar.
  3. Het model van Pennington. Dit model is een bio-ecologische systeemaanpak om ontwikkelingsstoornissen en -beperkingen te begrijpen. Ontwikkeld door de Amerikaanse psycholoog Bruce Pennington, omvat het model het sociaal-ecologische kader van Bronfenbrenner en benadrukt het belang van het begrijpen van de biologische kwetsbaarheden van het kind, de omgevingsfactoren en de transactionele processen tussen het kind en hun omgeving. Het model heeft tot doel veerkracht en aanpassing te bevorderen bij kinderen met ontwikkelingsstoornissen door de meervoudige factoren aan te pakken die bijdragen aan hun ontwikkeling.

Wat is het kader van risico- en beschermende factoren?

Het kader van risico- en beschermende factoren in de orthopedagogie verwijst naar het idee dat de ontwikkeling en het welzijn van een kind worden beïnvloed door verschillende risicofactoren (zoals armoede, misbruik, verwaarlozing, geestelijke gezondheidsproblemen in het gezin) en beschermende factoren (zoals positieve relaties met verzorgers, sociale steun, toegang tot hulpbronnen). De balans tussen deze risico- en beschermende factoren kan een significante invloed hebben op de ontwikkeling en het gedrag van een kind.

Het balansmodel (Bakker et al., 1998) is een model binnen dit raamwerk dat tot doel heeft een manier te bieden om de balans tussen risico- en beschermende factoren in het leven van een kind te beoordelen. Het model identificeert drie belangrijke domeinen: het kinddomein, het verzorgingsdomein en het sociaal-ecologische domein. Binnen elk domein zijn verschillende risico- en beschermende factoren die kunnen worden beoordeeld.

Het model stelt dat de ontwikkeling en het welzijn van een kind afhangen van de balans tussen de risico- en beschermende factoren binnen elk domein, evenals de balans tussen de domeinen. Bijvoorbeeld, als een kind veel risicofactoren heeft in het kinddomein (zoals ontwikkelingsachterstanden, gedragsproblemen), maar ook veel beschermende factoren heeft in het verzorgingsdomein (zoals ondersteunende en responsieve verzorgers), kan de algehele balans nog steeds positief zijn. Maar als het kind ook veel risicofactoren heeft in het sociaal-ecologische domein (zoals armoede, blootstelling aan geweld), kan de balans negatief zijn, wat een negatieve invloed kan hebben op de ontwikkeling en het gedrag van het kind.

Het balansmodel kan worden gebruikt om interventies te begeleiden die gericht zijn op het verbeteren van de balans tussen risico- en beschermende factoren. Interventies kunnen specifieke domeinen aanpakken (zoals het bieden van hulpbronnen en ondersteuning aan verzorgers) of gericht zijn op het verbeteren van de algehele balans tussen de domeinen (zoals het bieden van een uitgebreid programma dat meerdere risico- en beschermende factoren aanpakt).

Wat is het kader van positieve ontwikkeling?

Het kader van positieve ontwikkeling in de orthopedagogiek richt zich op de positieve aspecten van ontwikkeling, in plaats van op tekortkomingen of problemen. Het benadrukt het belang van het creëren van een ondersteunende omgeving die de positieve ontwikkeling van kinderen en adolescenten bevordert.

Er zijn verschillende belangrijke concepten in het raamwerk van positieve ontwikkeling, waaronder veerkracht, zelfeffectiviteit, positieve relaties en agency (agentschap). Veerkracht verwijst naar het vermogen om zich aan te passen en te gedijen in het gezicht van tegenspoed, terwijl zelfeffectiviteit het geloof is in iemands vermogen om doelen te bereiken. Positieve relaties met familie, leeftijdsgenoten en andere volwassenen zijn belangrijk voor het bevorderen van positieve ontwikkeling, omdat ze ondersteuning en begeleiding bieden. Agency houdt in dat kinderen en adolescenten de vaardigheden en middelen krijgen die ze nodig hebben om controle te nemen over hun eigen leven en positieve keuzes te maken.

Er zijn verschillende programma's en interventies die gebaseerd zijn op het raamwerk van positieve ontwikkeling, waaronder mentorschap, naschoolse programma's en op de gemeenschap gebaseerde programma's. Deze programma's zijn gericht op het bieden van positieve rolmodellen, kansen voor vaardigheidsopbouw en persoonlijke groei, en ondersteuning voor hun doelen en ambities.

Wat is de orthopedagogische theorie van Kok?

De orthopedagogische theorie van Kok richt zich op de relatie tussen het kind en de omgeving, en hoe deze relatie beïnvloed kan worden door verschillende factoren. Volgens Kok hebben kinderen met ontwikkelingsproblemen vaak moeite om zich aan te passen aan hun omgeving, wat kan leiden tot gedrags- en emotionele problemen.

De theorie van Kok benadrukt het belang van het creëren van een positieve en ondersteunende omgeving voor het kind, waarin het kind zich veilig en geborgen voelt. Deze omgeving moet worden afgestemd op de individuele behoeften van het kind, rekening houdend met hun sterke en zwakke punten, evenals hun sociale en culturele achtergrond.

Centraal in Kok's theorie staat het concept van "goodness of fit", wat verwijst naar de mate van overeenstemming tussen het kind en hun omgeving. Een goede match betekent dat de omgeving in harmonie is met de behoeften, capaciteiten en temperament van het kind, en dat het kind zich comfortabel en zelfverzekerd voelt in deze omgeving. Een slechte match kan daarentegen leiden tot stress, angst en gedragsproblemen.

Kok's theorie benadrukt ook het belang van vroegtijdige interventie en preventie. Door problemen vroegtijdig te identificeren en aan te pakken, voordat ze zich verankeren, is het mogelijk om te voorkomen dat er in de toekomst ernstiger problemen ontstaan. Dit vereist een multidisciplinaire aanpak, waarbij ouders, opvoeders, therapeuten en andere professionals samenwerken om het kind te ondersteunen en een positieve omgeving te creëren waarin het kind zich kan ontwikkelen.

Access: 
Public
Hoe wordt planmatig gewerkt in de orthopedagogiek? - Chapter 6

Hoe wordt planmatig gewerkt in de orthopedagogiek? - Chapter 6

Waar gaat dit hoofdstuk over?

Dit hoofdstuk gaat over hoe plannen worden gemaakt in de orthopedagogie, waarbij het belangrijk is om een gepersonaliseerde benadering te gebruiken om de behoeften, capaciteiten en voorkeuren van het individu te begrijpen. Het besluitvormingsproces omvat het verzamelen van informatie, het maken van een plan, het herzien en aanpassen van het plan indien nodig, en het evalueren van de effectiviteit ervan. Het plan moet in samenwerking met het individu, hun familieleden en andere professionals die betrokken zijn bij hun zorg worden ontwikkeld en regelmatig worden herzien en aangepast. Het is essentieel om volgens het plan te werken en samen te werken om ervoor te zorgen dat iedereen naar dezelfde doelen werkt.

Ook wordt de regulatieve cyclus uitgelegd. Dit is een model van actieregulatie dat bestaat uit vier fasen: doelstelling, planning, uitvoering en evaluatie. Het beschrijft hoe individuen hun acties plannen, monitoren en aanpassen om een doel te bereiken. Het hoofdstuk benadrukt ook het nut van de regulatieve cyclus in de orthopedagogie voor het plannen van interventies en ondersteuning voor individuen met ontwikkelings-, emotionele of gedragsproblemen.

Vervolgens wordt het Dordts Strategisch Model uitgelegd, dat een raamwerk biedt voor de planning en uitvoering van interventies voor individuen met complexe behoeften, inclusief degenen die ondersteuning nodig hebben van orthopedagogische professionals. Het model omvat zes stappen: probleemanalyse, doelstelling, interventieplanning, uitvoering, monitoring en evaluatie, en aanpassing.

Tenslotte wordt op evaluatie ingegaan. Evaluatie houdt in het meten van de voortgang naar de doelen die in het plan zijn vastgesteld, het identificeren van gebieden van succes en gebieden die extra ondersteuning nodig hebben, en het maken van aanpassingen aan het plan indien nodig. Evaluatie kan worden gedaan door middel van verschillende methoden, zoals formele beoordelingen, observaties en feedback van de persoon, hun familie en andere professionals die betrokken zijn bij hun zorg.

Hoe worden plannen gemaakt in de orthopedagogie?

Het maken van plannen in orthopedagogie omvat het creëren van een roadmap of strategie om tegemoet te komen aan de unieke behoeften van elk individu. Het proces omvat een reeks stappen, waaronder besluitvorming, werken volgens een plan, gebruik maken van de regulatieve cyclus en het Dordts Strategisch Model en het evalueren van de resultaten.

In de orthopedagogie omvat het besluitvormingsproces een uitgebreide en gepersonaliseerde benadering om de behoeften, capaciteiten en voorkeuren van een individu te begrijpen. Dit proces omvat doorgaans verschillende stappen, zoals het verzamelen van informatie, het creëren van een plan, het herzien en aanpassen van het plan indien nodig en het evalueren van de effectiviteit ervan.

De eerste stap in het besluitvormingsproces is het verzamelen van informatie over de behoeften, capaciteiten en voorkeuren van het individu. Dit kan het uitvoeren van assessments omvatten, zoals psychologische of educatieve assessments, om het cognitieve, emotionele en gedragsfunctioneren van het individu beter te begrijpen. Het kan ook het uitvoeren van interviews omvatten met het individu, hun familieleden en andere professionals die betrokken zijn bij hun zorg, evenals het observeren van het individu in verschillende settings om hun gedrag beter te begrijpen.

Op basis van de verzamelde informatie wordt een plan gemaakt dat de doelen, doelstellingen en interventies beschrijft die zullen worden gebruikt om aan de behoeften van het individu te voldoen. Het plan moet worden aangepast aan de specifieke situatie van het individu en rekening houden met hun unieke sterke punten en uitdagingen. Het plan moet ook in samenwerking met het individu, hun familieleden en andere professionals die betrokken zijn bij hun zorg worden ontwikkeld om ervoor te zorgen dat iedereen op dezelfde pagina zit en samenwerkt naar dezelfde doelen.

Als het plan klaar is, is het belangrijk om het regelmatig te herzien en aan te passen indien nodig om ervoor te zorgen dat het geschikt blijft voor de specifieke situatie van het individu. Dit kan het aanbrengen van wijzigingen in de doelen, doelstellingen of interventies omvatten op basis van nieuwe informatie of veranderingen in de situatie van het individu.

Als er een plan is ontwikkeld, is de volgende stap om volgens dat plan te werken. Dit omvat het implementeren van de interventies die in het plan zijn beschreven, het monitoren van de voortgang en het maken van aanpassingen indien nodig. Het is essentieel om samen te werken met het individu, hun familie en alle andere professionals die betrokken zijn bij hun zorg om ervoor te zorgen dat iedereen naar dezelfde doelen werkt.

Wat is de regulatieve cyclus?

De regulatieve cyclus die werd voorgesteld door Van Strien (1986) is een model van actieregulatie dat beschrijft hoe individuen hun acties plannen, monitoren en aanpassen om een doel te bereiken. Het bestaat uit vier fasen: (1) doelstelling, (2) planning, (3) uitvoering en (4) evaluatie.

In de eerste fase, doelstelling, identificeren individuen het gewenste resultaat of doel dat ze willen bereiken. In de tweede fase, planning, ontwikkelen individuen een plan of strategie om het doel te bereiken. Dit kan het afbreken van het doel in kleinere, meer beheersbare taken omvatten of het identificeren van mogelijke obstakels die moeten worden overwonnen. In de derde fase, uitvoering, voeren individuen het plan uit en ondernemen ze actie om het doel te bereiken. Ten slotte, in de vierde fase, evaluatie, reflecteren individuen op hun prestaties en de uitkomst van hun acties, en vergelijken ze deze met hun oorspronkelijke doel. Dit kan het identificeren van succesvolle gebieden omvatten, evenals gebieden voor verbetering of aanpassing in toekomstige pogingen.

In orthopedagogie kan de regulatieve cyclus een nuttig instrument zijn voor het plannen van interventies en ondersteuning voor individuen met ontwikkelings-, emotionele of gedragsproblemen. Door doelen af te breken in kleinere, haalbare stappen en plannen te ontwikkelen om mogelijke obstakels te overwinnen, kunnen orthopedagogen individuen helpen om gestructureerd en beheersbaar te werken naar hun gewenste uitkomsten. Bovendien kunnen orthopedagogen door regelmatig de voortgang te evalueren en te reflecteren op de uitkomst van genomen acties, hun interventies en ondersteuning aanpassen om te zorgen voor voortdurende vooruitgang richting de gestelde doelen.

Wat is het Dordts Strategisch Model?

Het Dordts Strategisch Model is een raamwerk dat kan worden gebruikt om de planning en uitvoering van interventies te begeleiden voor individuen met complexe behoeften, inclusief degenen die ondersteuning nodig hebben van orthopedagogische professionals. Dit model is vernoemd naar de Nederlandse stad Dordrecht, waar het in de jaren tachtig voor het eerst werd ontwikkeld door een groep professionals werkzaam in het sociaal werk en welzijn.

Het Dordts Strategisch Model bestaat uit zes stappen die meestal achtereenvolgens worden gevolgd om een effectief interventieplan te ontwikkelen en uit te voeren. Deze stappen zijn:

  1. Probleemanalyse: Dit omvat het verzamelen van informatie over de sterke kanten, behoeften en uitdagingen van het individu, evenals eventuele omgevingsfactoren die van invloed kunnen zijn op hun situatie. Deze informatie wordt verzameld door middel van assessments, interviews en observaties.
  2. Doelstelling: Op basis van de informatie die is verzameld in de probleemanalysefase, worden specifieke en meetbare doelen geïdentificeerd voor het individu. Deze doelen moeten betekenisvol en relevant zijn voor het individu en moeten de geïdentificeerde behoeften en uitdagingen aanpakken.
  3. Interventieplanning: In deze stap worden interventies geïdentificeerd en geselecteerd die het individu helpen zijn/haar doelen te bereiken. Deze interventies moeten op bewijs gebaseerd zijn en afgestemd zijn op de specifieke behoeften en voorkeuren van het individu.
  4. Uitvoering: De geselecteerde interventies worden in de praktijk gebracht. Deze stap omvat het werken met het individu en alle relevante belanghebbenden om de interventies op een manier te implementeren die hun effectiviteit maximaliseert en eventuele mogelijke obstakels aanpakt.
  5. Monitoring en evaluatie: In deze stap wordt de effectiviteit van de interventies regelmatig beoordeeld en geëvalueerd. Dit omvat het monitoren van de voortgang richting de geïdentificeerde doelen, het verzamelen van feedback van het individu en alle relevante belanghebbenden, en het maken van eventuele nodige aanpassingen aan het interventieplan.
  6. Aanpassing: Op basis van de resultaten van de monitoring en evaluatiefase worden aanpassingen gemaakt aan het interventieplan indien nodig. Dit kan het aanpassen van de doelen inhouden, het veranderen van de interventies of het aanpassen van de implementatiestrategieën.

Over het algemeen biedt het Dordts Strategisch Model een systematische en gestructureerde benadering van interventieplanning die is ontworpen om flexibel en aanpasbaar te zijn om te voldoen aan de unieke behoeften van elk individu. Door dit model te volgen, kunnen orthopedagogische professionals samenwerken met individuen en hun ondersteunende netwerken om effectieve interventies te ontwikkelen en uit te voeren die positieve resultaten bevorderen en de kwaliteit van leven verbeteren.

Hoe werkt evaluatie?

Ten slotte moet de effectiviteit van het plan regelmatig geëvalueerd worden om te bepalen of het gewenste resultaten oplevert. Dit kan inhouden dat er beoordelingen worden uitgevoerd of feedback wordt verzameld van de persoon, hun familieleden en andere professionals die betrokken zijn bij hun zorg. Als het plan niet de gewenste resultaten oplevert, kan het nodig zijn om het aan te passen of te herzien om beter aan de behoeften van de persoon te voldoen.

Evaluatie is een essentieel onderdeel van het planningsproces in de orthopedagogie. Dit houdt in het meten van de voortgang naar de doelen die in het plan zijn vastgesteld, het identificeren van gebieden van succes en gebieden die extra ondersteuning nodig hebben, en het maken van aanpassingen aan het plan indien nodig. Evaluatie kan worden gedaan door middel van verschillende methoden, zoals formele beoordelingen, observaties en feedback van de persoon, hun familie en andere professionals die betrokken zijn bij hun zorg.

Access: 
Public
Wat is het gezin als opvoedingsomgeving? - Chapter 7

Wat is het gezin als opvoedingsomgeving? - Chapter 7

Waar gaat dit hoofdstuk over?

Dit hoofdstuk gaat over de definitie van het gezin en hoe het gezin betrokken is bij de orthopedagogische behandeling. Vroeger werd gedacht dat kinderen met problemen beter weggehaald konden worden bij het gezin, maar de systeemtheorie heeft aangetoond dat het gezin een samenhangend systeem is dat invloed heeft op het gedrag van de kinderen. Binnen het gezin hebben gezinsleden verschillende rollen en kunnen coalities gevormd worden, wat problemen kan veroorzaken zoals parentificatie en perverse triades. De patronen in een gezin hebben een functie om tot evenwicht te komen, maar kunnen moeilijk te doorbreken zijn omdat alle gezinsleden een motivatie hebben om door te gaan met het probleem. Het gezin kan ook worden gedefinieerd aan de hand van de taken die het heeft, waarbij opvoeding een belangrijke taak is.

Dit hoofdstuk gaat ook over de rol van de orthopedagogie bij gezinsproblemen, in het bijzonder bij kindermishandeling en bij ouders met een verslaving en/of psychische problemen. Dit hoofdstuk bespreekt eerst kindermishandeling en hoe hiermee moet worden omgegaan. Kinderen hebben het recht op bescherming tegen elke vorm van geweld, misbruik, verwaarlozing of uitbuiting. Het hoofdstuk legt ook de verplichte meldcode uit die professionals moeten gebruiken om kindermishandeling te signaleren en aan te pakken. Daarnaast wordt de Signs of Safety methodiek beschreven, een krachtgerichte en oplossingsgerichte benadering bij kindermishandeling of vermoedens hiervan waarbij gebruik wordt gemaakt van verschillende tools om de veiligheid van het kind te vergroten. 

Vervolgens bespreekt het hoofdstuk KOPP/KOV-kinderen en hoe moet worden omgegaan met gezinnen waarin ouders een verslaving en/of psychisch probleem hebben. Het opgroeien in zo'n gezin kan leiden tot diverse problemen bij het kind, zoals een gevoel van verantwoordelijkheid voor de ouder, emotionele problemen, gedragsproblemen of problemen op school. Er zijn verschillende risicofactoren en beschermende factoren die kunnen bijdragen aan de ontwikkeling en het welzijn van deze kinderen. Het is belangrijk om deze kinderen te identificeren en te ondersteunen door middel van vroegsignalering en het bieden van passende ondersteuning en behandeling aan het kind en het gezin. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door voorlichting, coaching en begeleiding, therapie, maar ook praktische hulp zoals huishoudelijke hulp of financiële ondersteuning. Door vroegtijdig signaleren en het bieden van passende ondersteuning en behandeling kan voorkomen worden dat deze kinderen op latere leeftijd zelf problemen ontwikkelen.

Wat is het gezin?

Pas sinds de jaren zestig van de vorige eeuw wordt het gezin betrokken bij de orthopedagogische behandeling. Voor deze tijd werd een kind vaak juist weggehaald bij het gezin waarbinnen het problemen ontwikkelde, om weg te komen van de verderfelijke invloed van de familieleden. Er werd gedacht dat kinderen zich dan, weg bij de ouders, gezond konden ontwikkelen, om daarna zonder problemen terug te kunnen komen bij het gezin. Het tegendeel bleek waar; problemen kwamen vaak terug zodra het kind weer in het gezin kwam. Men zocht hiervoor een reden en vond die in de systeemtheorie.

De systeemtheorie gaat ervan uit dat het gezin een samenhangend systeem is. Een gezin is een leefverband van volwassenen die verantwoordelijkheid dragen, stabiliteit en continuïteit bieden voor de verzorging en opvoeding van kinderen vanuit een duurzame en affectieve relatie (Nabuurs, 2021). Hiermee wordt het gezin onderscheiden van bijvoorbeeld een leefgroep, waarbinnen de relaties niet duurzaam zijn. Maar ook het gezin kan veranderen van vorm en betekenis. 

Hulpverleners letten op de rollen van bepaalde gezinsleden in het gezin. Een kind kan bijvoorbeeld de bliksemafleider zijn. Dit kind vertoont dan probleemgedrag om de aandacht op zichzelf te vestigen, waardoor de ouders bijvoorbeeld minder gelegenheid hebben om ruzie met elkaar te maken. Een kind kan ook zondebok zijn. Een zondebok is iemand de schuld krijgt van alle problemen, ongeacht wat zijn eigen aandeel hierin is. Een ander voorbeeld van een rol is die van 'go-between' of boodschapper. Dit is een kind als het de bemiddelaar is tussen bijvoorbeeld de gescheiden ouders of tussen een ouder en een broer of zus die probleemgedrag vertoont. 

Binnen het systeem van het gezin kunnen coalities gevormd worden. Een coalitie is een kleiner systeem binnen het systeem. Een voorbeeld van een dergelijk subsysteem is een perverse triade. Een perverse triade heeft twee mensen op hetzelfde niveau en een derde op een lager niveau, terwijl wordt ontkend dat er een coalitie tussen de twee is of dat die op een hoger niveau staan. Een bondje tussen een ouder met een kind tegen de andere ouder is bijvoorbeeld een perverse triade. Dit is bijzonder problematisch omdat het kind hierin in een positie wordt geplaatst dat het zich tegen één van de ouders moet keren. Dit geeft het kind een loyaliteitsconflict. 

Als een kind een volwassen rol op zich neemt en zich als een soort ouder of diens eigen ouder moet ontfermen, heet dit parentificatie. Dit ontstaat als de ouder bijvoorbeeld veel steun zoekt bij het kind of veel zorg nodig heeft van het kind door bijvoorbeeld een verslaving waarvoor de ouder geen hulp van buiten wil zoeken. Ook dit is een onwenselijke situatie omdat het kind hierbij de kans wordt ontnomen kind te zijn en zich in vrijheid te ontwikkelen. Vaak hoor je over deze kinderen dat ze snel volwassen moesten worden. Het kan problemen geven als dit zo snel gaat dat er belangrijke ontwikkelingsstappen overgeslagen zijn. 

De patronen in een gezin zijn niet voor niks ontstaan. Ze hebben een functie, namelijk om tot een evenwicht te komen en rust te kunnen vinden in een anders chaotische situatie. Dit is echter ook de reden dat de patronen zo moeilijk te doorbreken zijn. Ouders die bijvoorbeeld veel op hun kinderen steunen, kunnen bang zijn dat ze dusdanig instorten als ze hiermee steunen dat dan het hele gezin sowieso ook in elkaar stort. Kinderen die een te veeleisende rol op zich hebben genomen, kunnen bang zijn dat als ze die rol loslaten en "gewoon kind zijn", ze door het gezin worden verstoten of dat ze de ouders teleurstellen. Er is voor alle gezinsleden een bepaalde motivatie om door te gaan met het problematische patroon. Dit kan het voor hulpverleners ingewikkeld maken om iets aan de probleemsituatie te kunnen veranderen. 

Een gezin kan ook worden gedefinieerd vanuit haar taken. Opvoeding is bijvoorbeeld één van de taken van het gezin, maar het voeren van de huishouding en het onderhouden van relaties zijn ook gezinstaken. Binnen iedere gezinstaak kunnen problemen ontstaan. In de opvoeding kunnen twee basisdimensies worden onderscheiden: warmte en dominantie. Warmte heeft betrekking op de emotionele afstand in de opvoeding. Dominantie heeft betrekking op het regulerende, structurerende en normatieve opvoedingsaspect. Op basis hiervan kunnen vier opvoedstijlen worden onderscheiden:

  1. Autoritaire opvoeding. Hier is veel dominantie en weinig warmte.
  2. Permissieve opvoeding. Hier is weinig dominantie en veel warmte.
  3. Verwaarlozende opvoeding. Hier is weinig dominantie én weinig warmte. Dit wordt gezien als de minst wenselijke opvoedstijl.
  4. Autoritatieve opvoeding. Hier is veel dominantie én veel warmte. Dit wordt meestal gezien als de meest wenselijke opvoedstijl, maar meningen verschillen wel sterk per cultuur en per persoon hoe veel dominantie en hoeveel warmte dan precies goed is. 

Er zijn ook gezinnen met meervoudige en complexe problemen. Deze multi-probleemgezinnen kampen langdurig met een combinatie van sociaal-economische en psychosociale problemen. Het is hierbij belangrijk om in te zien dat verschillende problemen elkaar kunnen versterken. Als er iets fout gaat in de opvoeding, moet dus niet alleen worden gekeken naar de opvoeding, maar moet ook worden gekeken naar bijvoorbeeld de financiële situatie van het gezin of naar de persoonlijke problemen van de ouders.

Wat is ouderschap?

Je kunt op het gezin als geheel focussen maar je kunt ook specifiek op de ouders focussen. Een ouder is een persoon met een besef van onvoorwaardelijk en tijdloos verantwoordlijk-zijn voor een kind, volgens Van der Pas. Ouders hebben een biologische, een maatschappelijke en een juridische verantwoordelijkheid voor het kind. Ze moeten dus zorgen voor het kind en het kind beschermen, het welzijn van het kind stimuleren en de wettelijke aansprakelijkheid voor het kind dragen. Ouders helpen het kind in diens ontwikkeling, maar ontwikkelen zelf ook door het ouderschap. Het ouderschap is nog moeilijker voor ouders die zelf al problemen hebben.

Vaak komen problemen met het ouderschap door onrealistische verwachtingen of verwachtingen waaraan het kind niet voldoet. De ouders hadden bijvoorbeeld een te rooskleurig beeld van kinderen, of ze hadden niet verwacht kinderen te krijgen voordat ze financieel stabiel zouden zijn, of hebben een kind gekregen dat meer zorg en aandacht nodig heeft dan de meeste andere kinderen (en dus het kind dat ze verwachtten). Hulpverleners zijn vaak geneigd om zo sterk in oplossingen te denken, dat ze aan het verdriet en de frustratie van ouders voorbij gaan. Ze sterken de ouders alleen maar in de maakbaarheidsgedachte door enkel oplossingen aan te dragen voor probleemsituaties. Ouders houden dan hun hoge verwachtingen van het gezinsleven en blijven problemen ervaren als de realiteit er anders uitziet. Het kan dus juist goed zijn voor hulpverleners om stil te staan bij het verdriet en de wanhoop van ouders die onverwacht (en ongewenst) kinderen krijgen of een kind met een beperking of lastige diagnose krijgen. 

Het is dus belangrijk om te weten dat niet alleen ouders illusies over het ouderschap kunnen hebben, maar ook hulpverleners. Hulpverleners hebben een impliciete of expliciete verwachting over hoe ouders hun opvoedingstaak dienen te vervullen. Het kan dat de verwachtingen van de ouders en van de hulpverleners met elkaar botsen. Het is daarom belangrijk dat hulpverleners zich ten eerste bewust zijn van hun eigen verwachtingen en ten tweede flexibel zijn. Hulpverlening start met het serieus nemen van de ouders. Samenwerking tussen de ouders en de hulpverleners is heel belangrijk, dus hulpverleners moeten ook proberen die relatie goed te houden.

Hoe moet met kindermishandeling worden omgegaan?

Kinderen hebben recht op bescherming tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie,  en seksueel misbruik. Dit is opgenomen in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. De staten die partij zijn, waaronder Nederland, dienen alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen te nemen om kinderen te kunnen beschermen. De Jeugdwet van 2015 legt kindermishandeling uit als elke vorm van, voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel. Dit is een hele mond vol en dat is het vooral om álle vormen van kindermishandeling uit te kunnen leggen want er zijn heel veel manieren waarop kinderen mishandeld worden. Kindermishandeling hoeft ook niet doelbewust te gebeuren (kan ook onbedoeld en/of onbewust) en hoeft ook niet door de ouders te gebeuren (kan ook door bijvoorbeeld leraren, hulpverleners of verdere familieleden).

Kindermishandeling ondermijnt het vertrouwen en gevoel van veiligheid van het kind terwijl het nog gevormd wordt. Wie als kind mishandeld is, kan daar als volwassene nog veel problemen van ervaren, kan beperkt zijn in diens ontwikkeling en loopt meer kans om nogmaals bij mishandeling betrokken te raken, als dader of als slachtoffer. De gevolgen van kindermishandeling zijn wisselend en hangen onder meer af van de heftigheid, frequentie en chroniciteit van de mishandeling, de leeftijd, de omgeving en de beschermende factoren in het kind en in de omgeving. 

Wat is de verplichte meldcode?

Kindermishandeling is niet makkelijk te signaleren omdat zowel daders als slachtoffers zich er vaak voor schamen en het dus proberen te verhullen. Er is een verplichte meldcode voor organisaties en professionals die te maken hebben met mogelijke signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling. De verplichte meldcode is een stappenplan dat professionals helpt bij het signaleren en aanpakken van kindermishandeling en huiselijk geweld. De meldcode bestaat uit vijf stappen, namelijk:

  1. In kaart brengen van signalen: bijvoorbeeld bij een vermoeden van kindermishandeling of huiselijk geweld;
  2. Overleggen met een collega en eventueel raadplegen van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) of Veilig Thuis;
  3. Gesprek voeren met betrokkene(n): ouders en kinderen worden hierbij betrokken;
  4. Wegen van het geweld of de kindermishandeling samen met collega's en Veilig Thuis;
  5. Beslissen over zelf hulp organiseren of melden bij Veilig Thuis.

Het doel van de meldcode is om kindermishandeling en huiselijk geweld eerder te signaleren en hierdoor eerder hulp te kunnen bieden aan de betrokkenen.

Wat is de Signs of Safety methodiek?

Signs of Safety is een methodiek die wordt ingezet bij kindermishandeling of vermoedens hiervan. Het is een krachtgerichte en oplossingsgerichte benadering, waarbij wordt gekeken naar de sterke kanten en hulpbronnen van het kind, de ouders en het netwerk.De methodiek is ontwikkeld door Andrew Turnell en Steve Edwards en is gebaseerd op de oplossingsgerichte benadering en systeemtheorie. De methode is gericht op samenwerking tussen hulpverleners, ouders en het netwerk om de veiligheid van het kind te vergroten. Bij de Signs of Safety methodiek wordt er gebruik gemaakt van verschillende tools om een compleet beeld te krijgen van de situatie en de mogelijke risico's voor het kind. Hierbij worden onder andere de volgende vragen gesteld:

  • Wat is er gebeurd?
  • Wat maakt het voor het kind moeilijk om veilig te zijn?
  • Wat maakt het voor het kind mogelijk om veilig te zijn?
  • Wie kan helpen om het kind veilig te houden?

Naast het in kaart brengen van de risico's en hulpbronnen, wordt er ook gewerkt aan het opstellen van concrete doelen en acties om de veiligheid van het kind te vergroten. Hierbij worden ouders en het netwerk actief betrokken om samen te werken aan oplossingen. De Signs of Safety methodiek wordt wereldwijd ingezet bij kindermishandeling en is ook in Nederland steeds meer in opkomst. Het is een veelgebruikte methodiek bij Veilig Thuis en andere instanties die zich bezighouden met kindermishandeling en huiselijk geweld.

Hoe moet met KOPP/KOV kinderen worden omgegaan?

KOPP/KOV kinderen zijn kinderen van ouders met psychische problemen en/of een verslaving. Het opgroeien in een gezin met een ouder met psychische problemen of een verslaving kan leiden tot diverse problemen bij het kind. Dit kan bijvoorbeeld gaan om een gevoel van verantwoordelijkheid voor de ouder, emotionele problemen zoals depressie of angst, gedragsproblemen, of problemen op school. Er zijn verschillende risicofactoren en beschermende factoren die kunnen bijdragen aan de ontwikkeling en het welzijn van KOPP/KOV kinderen.

Risicofactoren bij KOPP/KOV kinderen kunnen bijvoorbeeld de volgende factoren zijn:

  • Langdurige, ernstige en onbehandelde psychische problemen of verslaving van de ouder(s).
  • Onveilige en instabiele thuissituatie.
  • Gebrek aan ouderlijke zorg en aandacht.
  • Gebrek aan kennis en begrip van de omgeving (bijvoorbeeld leerkrachten of hulpverleners) over de situatie van het kind.
  • Gebrek aan steun en sociale contacten.
  • Negatieve ervaringen in de jeugd (bijvoorbeeld mishandeling of verwaarlozing).
  • Financiële problemen.

Beschermende factoren kunnen bijvoorbeeld de volgende zijn:

  • Vroegtijdige erkenning en behandeling van de psychische problemen of verslaving van de ouder(s).
  • Veilige en stabiele thuissituatie.
  • Ouderlijke steun, betrokkenheid en zorg.
  • Kennis en begrip van de omgeving over de situatie van het kind.
  • Steun en sociale contacten (bijvoorbeeld via vrienden, familie, school of hulpverlening).
  • Positieve ervaringen in de jeugd (bijvoorbeeld sport, hobby's, vrienden).
  • Financiële stabiliteit.

Het is voor de signalering van problemen en voor het in kaart brengen van wat de problemen precies zijn, belangrijk om te weten wat de risicofactoren en beschermende factoren zijn. Om KOPP/KOV kinderen te helpen, is het belangrijk om deze kinderen te identificeren en te ondersteunen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door middel van vroegsignalering en door het bieden van passende ondersteuning en behandeling aan het kind en het gezin. Hierbij kan gedacht worden aan voorlichting, coaching en begeleiding, therapie, maar ook aan praktische hulp zoals bijvoorbeeld huishoudelijke hulp of financiële ondersteuning.

Daarnaast kan het helpen om het kind in contact te brengen met lotgenoten en ervaringsdeskundigen, bijvoorbeeld via een KOPP/KOV-groep. Op deze manier kan het kind leren omgaan met de situatie en krijgt het steun van anderen die vergelijkbare ervaringen hebben.

Het is belangrijk dat er meer aandacht komt voor KOPP/KOV kinderen en dat er meer samenwerking plaatsvindt tussen de verschillende instanties die betrokken zijn bij deze kinderen, zoals de GGZ, verslavingszorg en jeugdzorg. Door vroegtijdig signaleren en het bieden van passende ondersteuning en behandeling kan voorkomen worden dat deze kinderen op latere leeftijd zelf problemen ontwikkelen.

Access: 
Public
Welke problemen in de baby-peutertijd zijn belangrijk in de orthopedagogie? - Chapter 8

Welke problemen in de baby-peutertijd zijn belangrijk in de orthopedagogie? - Chapter 8

Waar gaat dit hoofdstuk over?

Dit hoofdstuk gaat over de ontwikkelings- en opvoedingsopgaven in de baby-peutertijd. De babyfase wordt gekenmerkt door de ontwikkelingsopgaven van fysiologische zelfregulatie en veilige gehechtheid, terwijl de peuterfase zich richt op autonomie en de ontwikkeling van functies zoals lopen en praten. De opvoeder speelt een belangrijke rol in het bieden van ondersteuning en stimulering van de ontwikkeling van het kind. Problemen kunnen ontstaan door verschillende factoren, zoals medische aandoeningen, opvoedingsvaardigheden en interacties tussen ouder en kind.

Dit hoofdstuk gaat over problemen die kunnen voorkomen bij baby's en peuters tijdens hun ontwikkeling, zoals problemen met zelfregulatie en stress, voeding en slaap, gehechtheid en autisme. Omgaan met problemen op het gebied van zelfregulatie en stress bij baby's en peuters vereist een gevoelige aanpak die rekening houdt met de individuele behoeften van het kind. Het bieden van een veilige, voorspelbare omgeving, regelmatige routines, emotionele nabijheid en professionele hulp indien nodig zijn enkele strategieën die kunnen helpen. Het aanleren van vaardigheden op het gebied van zelfregulatie is ook belangrijk, omdat dit het kind kan helpen om beter om te gaan met stressvolle situaties en emoties.

Baby's en peuters kunnen ook voedings- en slaapproblemen hebben die hun ontwikkeling en welzijn kunnen beïnvloeden. Het is belangrijk om de oorzaken te onderzoeken en passende actie te ondernemen, zoals het veranderen van de opvoedingsaanpak en reageren op de signalen van het kind. Voedingsstoornissen kunnen ernstiger zijn en moeten zo vroeg mogelijk worden herkend en behandeld om gezondheidsproblemen op lange termijn te voorkomen.

Bowlby's hechtingstheorie stelt dat de relatie tussen het kind en de verzorger van cruciaal belang is voor de ontwikkeling van het kind. De Strange Situation Test van Ainsworth onderzoekt de gehechtheidsstijl van een kind en er worden vier gehechtheidstypes onderscheiden: veilige, angstig-vermijdende, angstig-afwerende en gedesorganiseerde gehechtheid. Onveilige hechting in de vroege kindertijd kan leiden tot veel problemen later in het leven. Orthopedagogische professionals kunnen de gehechtheidsstijl van een kind evalueren en samenwerken met ouders om hun relatie met het kind te verbeteren en te versterken. 

Autisme Spectrum Stoornis (ASS) is een neurologische ontwikkelingsstoornis die invloed heeft op de manier waarop een kind informatie verwerkt en omgaat met de wereld om hem heen. Bij baby's en peuters met autisme zijn er vaak problemen met oogcontact maken, non-verbale communicatie en taalontwikkeling. Diagnose wordt gesteld op basis van gedragskenmerken en ontwikkelingsmijlpalen. Ouders en orthopedagogische professionals kunnen kinderen met autisme helpen door gebruik te maken van verschillende interventies, waaronder taaltherapie, speltherapie, sociale vaardigheidstraining en gedragstherapie. Het is belangrijk om vroeg te interveniëren om belangrijke vaardigheden te ontwikkelen en moeilijkheden te verminderen.

Wat zijn de ontwikkelings- en opvoedingsopgaven in de baby-peutertijd?

De babyfase is de periode van het eerste levensjaar. De wetenschap doet steeds nieuwe ontdekkingen over deze fase. Inmiddels is bekend dat de baby veel meer is dan alleen maar een passief, afhankelijk en verzorgingsbehoeftig wezentje. De baby heeft een veel actievere bijdrage aan de eigen ontwikkeling dan voorheen werd gedacht. Bovendien ontwikkelt een mens zich in deze fase enorm snel. De baby komt ook niet als onbeschreven blad ter wereld, zoals vroeger werd gedacht. Een baby heeft al een eigen temperament en kan al negatief beïnvloed zijn door schadelijke factoren tijdens de zwangerschap. Kinderen met een bepaalde beperking, zoals een zintuiglijke stoornis of verstandelijke beperking, lopen het risico een secundaire beperking te ontwikkelen in de babyfase. De primaire beperking zorgt er bijvoorbeeld voor dat een baby zich afsluit van de omgeving en daardoor ontstaan weer achterstanden die een secundaire beperking met zich mee kunnen brengen. Hierin is te zien hoe belangrijk de originele toerusting van een baby is. 

In de babyfase zijn de belangrijkste ontwikkelingsopgaven gericht op fysiologische zelfregulatie en veilige gehechtheid. Dit betekent dat de baby moet leren om zijn lichaam te reguleren en te reageren op de signalen van zijn omgeving. Fysiologische zelfregulatie omvat zaken als het reguleren van de lichaamstemperatuur, ademhaling, hartslag, voeding en slaap. De baby moet ook leren om een basis van veilige gehechtheid te ontwikkelen. Dit gebeurt door middel van een interactieproces tussen de baby en de opvoeder, waarbij de baby leert om te vertrouwen op de opvoeder als een veilige basis en bron van troost en steun.

In de peuterfase staan autonomie en de ontwikkeling van bijbehorende functies zoals lopen en praten centraal. Peuters hebben een sterke behoefte aan zelfstandigheid en willen dingen zelf kunnen doen. De opvoeder speelt hierbij een belangrijke rol in het bieden van ondersteuning en het stimuleren van de ontwikkeling van deze functies.

In de eerste twee levensjaren is het belangrijk dat de opvoeder goed inspeelt op het ritme en de signalen van het kind. Dit betekent dat de opvoeder moet leren om de signalen van het kind te herkennen en hierop te reageren. Bijvoorbeeld door te zorgen voor voeding wanneer het kind honger heeft, of door te reageren op huilen of andere signalen van ongemak. Een positieve en bevestigende houding van de opvoeder is ook belangrijk voor de ontwikkeling van het kind. Dit betekent dat de opvoeder het kind complimenteert en aanmoedigt wanneer het iets goed doet, en begrip en steun biedt wanneer het kind moeite heeft met iets. Een positieve en bevestigende houding van de opvoeder draagt bij aan het zelfvertrouwen en de ontwikkeling van een positief zelfbeeld bij het kind.

Het proces van opvoeding en ontwikkeling van kinderen is complex en verloopt niet altijd vanzelf. Dit geldt vooral voor de baby-peutertijd waarin ouders zich vaak zorgen maken over voedings- en slaapproblemen, angsten en ontwikkelingsachterstanden bij hun kind. Deze problemen kunnen verschillende oorzaken hebben en het is niet altijd duidelijk waardoor ze zijn ontstaan.

Sommige problemen kunnen te maken hebben met het kind zelf, bijvoorbeeld door medische aandoeningen, neurologische stoornissen of genetische aanleg. Andere problemen kunnen te maken hebben met de opvoeding door de ouders, zoals een gebrek aan kennis of vaardigheden om het kind te kunnen ondersteunen in zijn ontwikkeling, of stressfactoren zoals werk- of financiële problemen. Ten slotte kunnen problemen ook ontstaan door de interactie tussen ouder en kind, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een verstoorde hechting of wanneer de communicatie tussen ouder en kind niet goed verloopt.

Het is niet altijd eenvoudig om vast te stellen wat de precieze oorzaak van de problemen is, omdat er vaak sprake is van een mengvorm van de verschillende factoren. Bovendien blijft in veel gevallen onbekend wat de oorzaak van de problemen is. Het is daarom belangrijk om ouders te ondersteunen in het vinden van de juiste hulp en begeleiding, en om te werken aan het verminderen van stressfactoren en het verbeteren van de ouder-kind interactie. Dit kan bijvoorbeeld door middel van oudertrainingen, opvoedingsondersteuning, kindertherapie of gezinsbegeleiding. Door vroegtijdige signalering en gepaste interventie kunnen problemen in de ontwikkeling van het kind worden voorkomen of verminderd.

Welke problemen kunnen er zijn in de baby-peutertijd?

Omdat de baby-peutertijd zo belangrijk is voor de ontwikkeling, kunnen ogenschijnlijk kleine problemen al een grote impact hebben. De meest voorkomende problemen en stoornissen zijn problemen op het gebied van zelfregulatie en stress, problemen met voeding en slapen, problemen op het gebied van gehechtheid en autisme. 

Hoe moet worden omgegaan met problemen op het gebied van zelfregulatie en stress bij baby's en peuters?

Stress is een reactie van het lichaam op veranderingen in de omgeving, zowel positief als negatief. Stress kan bijvoorbeeld optreden wanneer een baby honger heeft, pijn heeft, of wanneer er nieuwe prikkels worden aangeboden. Een bepaalde mate van stress is nodig voor de ontwikkeling van een kind. Het kan ervoor zorgen dat het kind leert omgaan met stressvolle situaties en zichzelf beter leert reguleren. Maar als stress chronisch wordt, kan dit schadelijk zijn voor de ontwikkeling van het kind.

Baby's en peuters kunnen problemen hebben op het gebied van zelfregulatie en stress. Zo kunnen sommige baby's moeite hebben met het reguleren van hun emoties, wat kan leiden tot huilbuien of overmatig angstig gedrag. Peuters kunnen bijvoorbeeld moeite hebben met het omgaan met frustraties, wat kan leiden tot driftbuien of agressief gedrag. Ook kunnen baby's en peuters last hebben van chronische stress, bijvoorbeeld door een onveilige hechting met de ouders of door traumatische gebeurtenissen.

Om deze problemen op te lossen, kunnen ouders en orthopedagogische professionals verschillende strategieën toepassen. Bijvoorbeeld:

  • Het bieden van een veilige en voorspelbare omgeving, waarin het kind zich geborgen voelt en zich kan ontspannen.
  • Het aanbieden van rust en regelmaat, zoals een vast dagritme en voldoende slaap.
  • Het bieden van voldoende fysieke en emotionele nabijheid, bijvoorbeeld door knuffelen, troosten en het geven van aandacht.
  • Het aanbieden van voldoende stimulatie en uitdaging, passend bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind.
  • Het aanleren van vaardigheden op het gebied van zelfregulatie, bijvoorbeeld door het kind te leren omgaan met emoties en het aanbieden van ontspanningsoefeningen.
  • Het bieden van professionele hulp, bijvoorbeeld door een orthopedagoog of psycholoog, wanneer de problemen te complex zijn om zelf op te lossen.

Het is belangrijk dat ouders en professionals oog hebben voor de individuele behoeften en mogelijkheden van het kind en hierop inspelen. Met de juiste begeleiding kunnen baby's en peuters gezond naar de volgende fase van hun ontwikkeling gaan.

Hoe moet worden omgegaan met problemen met slaap en voeding bij baby's en peuters?

Baby's en peuters kunnen problemen hebben met voeding en slapen, wat van invloed kan zijn op hun ontwikkeling en welzijn. Bij voedingsproblemen kan een baby bijvoorbeeld te weinig voeding binnenkrijgen, te veel of juist verkeerde voeding krijgen. Dit kan leiden tot problemen met de groei en ontwikkeling van het kind. Ook slaapproblemen kunnen negatieve gevolgen hebben voor de ontwikkeling van het kind, aangezien slaap van groot belang is voor het herstel en de ontwikkeling van het lichaam en de hersenen.

Het is belangrijk dat ouders en orthopedagogische professionals deze problemen serieus nemen en op een positieve manier benaderen. Het is belangrijk om te onderzoeken wat de oorzaak is van de voedings- of slaapproblemen en daarop passende actie te ondernemen. Vaak kan een verandering in de opvoedingsaanpak al een groot verschil maken. Zo kan het bijvoorbeeld helpen om de baby op een vaste tijd te voeden en een vast slaapritme aan te houden. Daarnaast is het belangrijk om te kijken naar de signalen die het kind afgeeft en daarop in te spelen.

Een voedingsprobleem bij een baby of peuter kan zich op verschillende manieren uiten, zoals bijvoorbeeld te weinig eten, te veel eten, weigeren te eten of moeite hebben met het verteren van voedsel. Een voedingsstoornis gaat een stap verder en wordt gekenmerkt door een verstoring in de normale eetpatronen en de manier waarop het kind met voedsel omgaat. Het kan zich uiten in een verminderde eetlust, angst voor eten, overmatig braken of kieskeurigheid met betrekking tot bepaalde voedingsmiddelen of texturen. Een voedingsstoornis kan leiden tot ondervoeding, gewichtsverlies, verminderde groei en ontwikkeling, en psychosociale problemen. Het kan ook stress en frustratie veroorzaken bij zowel het kind als de ouders. Het is belangrijk om een voedingsstoornis zo vroeg mogelijk te herkennen en te behandelen, omdat het kan leiden tot langdurige gezondheidsproblemen. Ouders en orthopedagogische professionals kunnen samenwerken om de oorzaak van de voedingsstoornis te achterhalen en een behandeling op te stellen die past bij het kind en zijn of haar specifieke problemen. Dit kan bijvoorbeeld bestaan uit het aanpassen van de voeding, het introduceren van nieuwe voedingsmiddelen, het stimuleren van de eetlust of het bieden van professionele begeleiding en ondersteuning.

Hoe moet worden omgegaan met hechtingsproblemen bij baby's en peuters?

De hechtingstheorie van Bowlby is een psychologische theorie die stelt dat de relatie tussen de baby en de verzorger van cruciaal belang is voor de ontwikkeling van het kind. Bowlby beschouwde gehechtheid als een aangeboren instinct en stelde dat baby's een aangeboren behoefte hebben om in de buurt te zijn van hun verzorger. Als aan deze behoefte niet wordt voldaan, kan dit leiden tot angst en stress bij het kind en kan het gehechtheidsproces worden verstoord.

Een belangrijke methode om gehechtheid te onderzoeken is de Strange Situation Test van Ainsworth. Deze test onderzoekt de manier waarop baby's omgaan met een vreemde situatie en hun verzorger. De baby wordt in een vreemde kamer geplaatst met de verzorger, vervolgens komt er een vreemde binnen en daarna vertrekt de verzorger. Uiteindelijk komt de verzorger weer terug en wordt geobserveerd hoe de baby hierop reageert. Aan de hand van deze reacties kunnen verschillende gehechtheidsstijlen worden onderscheiden. In de gehechtheidstheorie worden vier verschillende gehechtheidstypes onderscheiden op basis van het gedrag van een kind tijdens de Strange Situation test:

  1. Veilige gehechtheid: Kinderen die een veilige gehechtheid hebben, zijn meestal op hun gemak als hun moeder in de buurt is en gebruiken haar als een veilige haven om op terug te vallen tijdens het verkennen van de omgeving. Wanneer de moeder vertrekt, kunnen deze kinderen kort verdrietig of onrustig zijn, maar herstellen ze zich snel zodra de moeder weer terugkeert.
  2. Angstig-vermijdende gehechtheid: Kinderen met een angstig-vermijdende gehechtheid vertonen weinig emotie wanneer de moeder weggaat en negeren haar bij haar terugkeer. Ze lijken geen hechting te hebben met hun moeder en kunnen zelfs afstandelijk zijn.
  3. Angstig-afwerende gehechtheid: Kinderen met een angstig-afwerende gehechtheid zijn vaak bezorgd over de beschikbaarheid van hun moeder en klampen zich stevig vast aan haar wanneer ze in de buurt is. Ze kunnen boos of overstuur worden wanneer ze gescheiden worden van hun moeder, en kunnen bij haar terugkeer ambivalent of afwijzend reageren.
  4. Gedesorganiseerde gehechtheid: Kinderen met een gedesorganiseerde gehechtheid vertonen vaak tegenstrijdig of verwarrend gedrag tijdens de Strange Situation test. Ze kunnen bijvoorbeeld een afwerende houding aannemen tegenover hun moeder wanneer ze terugkeert, of zich tegen haar aan drukken terwijl ze tegelijkertijd trillen of wegkijken. Dit gedrag wordt geassocieerd met angst en verwarring over de gehechtheid en kan wijzen op traumatische ervaringen of andere problemen in de relatie met de ouder.

Er kunnen dus verschillende problemen optreden op het gebied van gehechtheid bij baby's en peuters. Sommige kinderen zijn bijvoorbeeld erg angstig en afhankelijk van hun verzorger en kunnen niet goed alleen zijn. Andere kinderen zijn juist heel zelfstandig en lijken weinig behoefte te hebben aan de nabijheid van hun verzorger. Er zijn ook kinderen die heel wantrouwend zijn ten opzichte van hun verzorger en daardoor moeite hebben met het opbouwen van een hechte relatie. Het is belangrijk om op te merken dat gehechtheid niet statisch is en kan veranderen naarmate het kind ouder wordt en verschillende relaties heeft. Orthopedagogische professionals kunnen de gehechtheidsstijl van een kind evalueren en samenwerken met ouders om hun relatie met het kind te verbeteren en te versterken, waarbij ze zich richten op de specifieke behoeften en ontwikkeling van het kind.

Een onveilige hechting in de vroege kindertijd kan leiden tot verschillende problemen later in het leven. Ten eerste kan het de emotionele ontwikkeling van het kind beïnvloeden. Kinderen die een onveilige hechting hebben gehad, kunnen moeite hebben met het uiten en reguleren van emoties, wat kan leiden tot stemmingsstoornissen zoals depressie en angst. Daarnaast kan een onveilige hechting ook invloed hebben op de sociale vaardigheden van een kind. Kinderen met een onveilige hechting hebben vaak moeite met het opbouwen van relaties en het onderhouden van vriendschappen. Dit kan leiden tot sociaal isolement en eenzaamheid. Ook op cognitief gebied kan een onveilige hechting gevolgen hebben. Kinderen met een onveilige hechting kunnen moeite hebben met het reguleren van hun aandacht en concentratie, wat kan leiden tot leerproblemen en academische achterstand. Ten slotte kan een onveilige hechting ook leiden tot gedragsproblemen, zoals agressie en antisociaal gedrag. Kinderen met een onveilige hechting hebben vaak moeite met het reguleren van hun emoties en kunnen daardoor impulsief en onvoorspelbaar gedrag vertonen. Het is daarom van groot belang om een veilige hechting tussen ouder en kind te bevorderen.

Het is dan ook belangrijk dat orthopedagogische professionals signalen van problemen op het gebied van gehechtheid tijdig herkennen. Mogelijke signalen kunnen zijn: slecht slapen, veel huilen, angstig of teruggetrokken gedrag, geen contact zoeken met de verzorger en moeite hebben met sociale interactie met anderen. Het is belangrijk om te werken aan het opbouwen van een veilige hechting tussen ouder en kind en het bieden van een veilige omgeving waarin het kind zich kan ontwikkelen. Dit kan bijvoorbeeld door middel van ouder-kind interventies, waarbij de ouder wordt geleerd om de signalen van het kind te herkennen en hierop in te spelen. Daarnaast kan er psycho-educatie gegeven worden aan de ouders, waarbij zij meer inzicht krijgen in de ontwikkeling van hun kind en hoe zij hier het beste op kunnen reageren.

Hoe moet worden omgegaan met autismespectrumstoornissen bij baby's en peuters?

Autisme Spectrum Stoornis (ASS) is een neurologische aandoening die wordt gekenmerkt door problemen met sociale interactie, communicatie en gedrag. Het is een ontwikkelingsstoornis die invloed heeft op de manier waarop een kind informatie verwerkt en omgaat met de wereld om hem heen.

De kenmerken van autisme bij baby's en peuters kunnen verschillen, maar vaak zijn er problemen met oogcontact maken, non-verbale communicatie en taalontwikkeling. Baby's en peuters met autisme hebben vaak moeite om te reageren op hun ouders of om te laten zien dat ze willen communiceren. Ze kunnen zich terugtrekken in hun eigen wereld en moeite hebben om sociale interacties aan te gaan of te onderhouden. Ze kunnen ook stereotiep gedrag vertonen, zoals repetitieve bewegingen of gefocust zijn op specifieke objecten of activiteiten.

Om autisme te diagnosticeren, wordt meestal gekeken naar gedragskenmerken en ontwikkelingsmijlpalen. Bij baby's en peuters wordt gekeken naar de ontwikkeling van spraak en taal, motoriek, sociale vaardigheden en zelfredzaamheid. Het is belangrijk om te weten dat autisme zich op verschillende manieren kan uiten bij verschillende kinderen en dat de diagnose vaak pas op latere leeftijd gesteld kan worden.

Ouders en orthopedagogische professionals kunnen kinderen met autisme helpen door gebruik te maken van verschillende therapeutische en ondersteunende interventies. Vroege interventie is belangrijk omdat het kinderen helpt om belangrijke vaardigheden te ontwikkelen en moeilijkheden te verminderen. Interventies kunnen onder meer bestaan uit taaltherapie, speltherapie, sociale vaardigheidstraining en gedragstherapie. Ook kunnen ouders ondersteund worden in het leren omgaan met het gedrag van hun kind en het stimuleren van hun ontwikkeling.

Access: 
Public
Welke problemen in de peuter-kleutertijd zijn belangrijk in de orthopedagogie? - Chapter 9

Welke problemen in de peuter-kleutertijd zijn belangrijk in de orthopedagogie? - Chapter 9

Waar gaat dit hoofdstuk over?

Dit hoofdstuk gaat over de ontwikkelingsopgaven van peuters en kleuters, waaronder het leren omgaan met andere kinderen en sociale interactie, het verinnerlijken van normen en waarden, en de ontwikkeling van genderidentiteit. Opvoeders hebben de taak om kinderen te ondersteunen in deze ontwikkelingsopgaven, door het bieden van een stimulerende omgeving, het leren omgaan met andere kinderen en conflictsituaties, het overbrengen van normen en waarden en het ondersteunen van de ontwikkeling van genderidentiteit.

Verder behandelt dit hoofdstuk een aantal veelvoorkomende problemen in de peuter-kleutertijd en hoe hiermee omgegaan moet worden. Verschillende soorten angststoornissen worden besproken, evenals risico- en beschermende factoren en mogelijke manieren om angst bij peuters en kleuters te behandelen. Het is belangrijk om hulp te zoeken indien nodig en om het kind gerust te stellen en te laten zien hoe het zich op een veilige en effectieve manier kan gedragen in situaties die het kind eng vindt.

Ontwikkelingsbeperkingen bij peuters en kleuters hebben invloed op hun ontwikkeling en resulteren in een vertraagde ontwikkeling in vergelijking met leeftijdsgenoten. Er zijn verschillende soorten ontwikkelingsbeperkingen, zoals verstandelijke beperkingen, motorische beperkingen en taal- en spraakstoornissen. Het is belangrijk om bij deze kinderen vroegtijdig ondersteuning te bieden en een omgeving te creëren die aangepast is aan hun behoeften. De nadruk moet liggen op het stimuleren van hun ontwikkeling op een manier die past bij hun mogelijkheden. Ouders en orthopedagogische professionals kunnen problemen voorkomen of oplossen door te zorgen voor een gestructureerde en voorspelbare omgeving waarin het kind weet wat er van hem of haar wordt verwacht.

Chronische ziekte kan extra uitdagingen met zich meebrengen voor jonge kinderen, zoals medicatie, medische afspraken en concentratieproblemen. Het is belangrijk dat ouders en orthopedagogische professionals een ondersteunend en begripvol netwerk bieden aan het kind, flexibele afspraken maken over activiteiten, extra ondersteuning bieden op school en regelmatig overleggen met medische professionals.

Bij problemen in de taalontwikkeling en communicatie kunnen verschillende oorzaken een rol spelen, zoals taalachterstand, taalstoornis, problemen met communicatie en taalontwikkelingsstoornissen in combinatie met andere ontwikkelingsproblemen. Het is belangrijk om signalen van achterstand of stoornissen tijdig op te merken en hulp in te schakelen, zoals logopedie, speltherapie of andere vormen van therapie en ondersteuning. Daarnaast is het belangrijk om deze kinderen veel taalaanbod en interactie te bieden, zoals praten en spelen, en hen te stimuleren om zelf te communiceren.

Wat zijn de ontwikkelings- en opvoedingsopgaven in de peuter-kleutertijd? 

Peuters en kleuters hebben verschillende ontwikkelingsopgaven waar zij mee te maken krijgen. Allereerst moeten zij leren omgaan met andere kinderen en sociale interactie aangaan. Dit kan gepaard gaan met conflictsituaties en het ontdekken van sociale regels. Daarnaast is het in deze leeftijdsfase belangrijk dat kinderen de eisen van buitenaf, zoals normen en waarden, leren verinnerlijken, ook wel socialisatie genoemd. Dit is een belangrijk onderdeel van de moraliteit en het gevoel van gemeenschapszin dat kinderen ontwikkelen.

Een ander aspect van de peuter-kleutertijd is de ontwikkeling van genderidentiteit. Kinderen beginnen te beseffen dat er een verschil is tussen jongens en meisjes en gaan zichzelf identificeren als mannelijk of vrouwelijk.

Opvoeders hebben de taak om hun kinderen te ondersteunen in deze ontwikkelingsopgaven. Een stimulerende omgeving bieden die de cognitieve ontwikkeling ondersteunt en de ruimte geeft om te exploreren is belangrijk voor de ontwikkeling van kinderen. Het is ook belangrijk om kinderen te steunen in de omgang met andere kinderen en hen te leren hoe ze conflictsituaties kunnen oplossen. Daarnaast kunnen opvoeders helpen bij de socialisatie van hun kinderen door normen en waarden over te brengen en door het goede voorbeeld te geven.

Bij het ondersteunen van de ontwikkeling van genderidentiteit is het belangrijk om open te staan voor de gevoelens en interesses van het kind en hen de vrijheid te geven om te zijn wie ze willen zijn.

Welke problemen kunnen er zijn in de peuter-kleutertijd?

Veelvoorkomende problemen in de peuter-kleutertijd zijn angst, ontwikkelingsbeperkingen, chronische ziekte en taal- en communicatieproblemen.

Hoe moet worden omgegaan met angst in de peuter-kleutertijd?

Angst is een normale en natuurlijke emotie die kan voorkomen bij peuters en kleuters. Veelvoorkomende angsten in deze leeftijdsgroep zijn angst voor vreemden, separatieangst en angst voor hoogte en diepte. Peuters en kleuters kunnen bijvoorbeeld bang zijn voor onbekende mensen, dieren of situaties, of ze kunnen bang zijn om alleen gelaten te worden.

Normale angst is meestal van korte duur en gaat na verloop van tijd vanzelf over. Echter, angst wordt problematisch wanneer het de dagelijkse activiteiten en het functioneren van het kind beïnvloedt, bijvoorbeeld wanneer het kind fobieën ontwikkelt, een paniekstoornis heeft, agorafobie, sociale angststoornis, gegeneraliseerde angststoornis of seperatieangstoornis heeft.

Fobieën zijn intense, irrationele angsten voor specifieke situaties of objecten die het dagelijkse leven van het kind beperken. Een paniekstoornis is een plotselinge en onverwachte golf van intense angst die gepaard gaat met lichamelijke symptomen zoals hartkloppingen, zweten en trillen. Agorafobie is de angst voor het verlaten van het huis of een vertrouwde omgeving.

Sociale angststoornis is de angst voor kritiek of afwijzing door anderen, en wordt vaak geassocieerd met vermijding van sociale situaties. Gegeneraliseerde angststoornis is een langdurige angst voor allerlei situaties en gebeurtenissen die niet altijd aanwijsbaar zijn. Separatieangststoornis is de angst voor gescheiden worden van de ouders of andere belangrijke personen en kan leiden tot vermijdingsgedrag en fysieke symptomen.

Er zijn verschillende risicofactoren voor het ontwikkelen van een angststoornis bij peuters en kleuters, waaronder genetische aanleg, stressvolle omgevingsfactoren en traumatische ervaringen. Beschermende factoren zijn bijvoorbeeld een veilige en ondersteunende opvoedingsomgeving, het aanleren van probleemoplossende vaardigheden en het hebben van sterke sociale relaties.

Als ouders of orthopedagogische professionals vermoeden dat een peuter of kleuter last heeft van angst, is het belangrijk om dit serieus te nemen en hulp te zoeken indien nodig. Het kan helpen om te praten over de angst en het kind te laten zien hoe het zich op een veilige en effectieve manier kan gedragen in situaties die het kind eng vindt. Ook kan het helpen om het kind gerust te stellen en te laten weten dat het veilig is. Indien de angst ernstig is en het dagelijks functioneren van het kind beïnvloedt, kan professionele hulp worden ingeschakeld, zoals bijvoorbeeld cognitieve gedragstherapie.

Hoe moet worden omgegaan met ontwikkelingsbeperkingen in de peuter-kleutertijd?

Ontwikkelingsbeperkingen zijn stoornissen die invloed hebben op de ontwikkeling van het kind en resulteren in een vertraagde ontwikkeling in vergelijking met leeftijdsgenoten. Er zijn verschillende soorten ontwikkelingsbeperkingen, waaronder verstandelijke beperkingen, motorische beperkingen en taal- en spraakstoornissen.

Een verstandelijke beperking is een ontwikkelingsbeperking die wordt gekenmerkt door een beperkte intellectuele capaciteit en adaptief gedrag, waardoor het kind moeite heeft met leren en functioneren in het dagelijks leven. Er zijn verschillende niveaus van verstandelijke beperkingen, waaronder lichte, matige, ernstige en diepe verstandelijke beperkingen.

Bij een lichte verstandelijke beperking heeft het kind een IQ tussen de 50 en 70 en is er vaak sprake van een achterstand in de ontwikkeling van taal en rekenen. Het kind kan moeite hebben met abstract denken en het begrijpen van complexe sociale situaties. Bij een matige verstandelijke beperking heeft het kind een IQ tussen de 35 en 50 en is er vaak sprake van een vertraagde ontwikkeling van taal, motoriek en sociaal gedrag. Bij een ernstige verstandelijke beperking heeft het kind een IQ tussen de 20 en 35 en is er vaak sprake van beperkt taalgebruik en motorische beperkingen. Bij een diepe verstandelijke beperking heeft het kind een IQ onder de 20 en is er vaak sprake van ernstige motorische beperkingen, een beperkt taalgebruik en epilepsie.

Een ernstige meervoudige beperking (EMB) is een combinatie van een verstandelijke beperking en ernstige motorische beperkingen, waardoor het kind zeer beperkt is in zijn of haar mogelijkheden om te communiceren en zichzelf te verzorgen. Vaak is er sprake van bijkomende gezondheidsproblemen en is het kind afhankelijk van intensieve zorg en ondersteuning.

Het is belangrijk om bij een peuter of kleuter met een ontwikkelingsbeperking vroegtijdig ondersteuning te bieden, zodat het kind zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen. Het is belangrijk om een omgeving te creëren die aangepast is aan de behoeften van het kind, waarbij de nadruk ligt op het stimuleren van de ontwikkeling op een manier die past bij de mogelijkheden van het kind. Het is ook belangrijk om het kind te betrekken bij activiteiten die passen bij zijn of haar ontwikkelingsniveau, zodat het kind zich competent en zelfverzekerd voelt. Ouders en orthopedagogische professionals kunnen problemen voorkomen of oplossen door te zorgen voor een gestructureerde en voorspelbare omgeving, waarbij het kind weet wat er van hem of haar wordt verwacht.

Hoe moet worden omgegaan met chronische ziekte in de peuter-kleutertijd?

Chronische ziekte is een langdurige en vaak levenslange ziekte die het dagelijks leven van een persoon beïnvloedt. Het kan zowel fysieke als mentale gezondheidsproblemen omvatten, zoals astma, diabetes, epilepsie, cystische fibrose, sikkelcelziekte, kanker, autisme spectrumstoornissen en depressie.

Voor peuters en kleuters kan een chronische ziekte zorgen voor extra uitdagingen in het dagelijks leven. Ze kunnen bijvoorbeeld vaker dan hun leeftijdsgenoten medicijnen moeten innemen, regelmatig medische afspraken moeten bijwonen, zich moe en zwak voelen of zich niet kunnen concentreren tijdens activiteiten. Dit kan leiden tot gevoelens van angst, frustratie en verdriet bij het kind, en ook bij ouders en verzorgers.

Het is belangrijk dat ouders en orthopedagogische professionals een ondersteunend en begripvol netwerk bieden aan het chronisch zieke kind. Dit kan betekenen dat er flexibele afspraken worden gemaakt over deelname aan activiteiten, extra ondersteuning en aanpassingen op school of in de kinderopvang, en regelmatig overleg met medische professionals. Het kind moet zich gesteund voelen in zijn of haar ziekteproces en begrip krijgen voor de extra uitdagingen die de ziekte met zich meebrengt. Daarnaast is het belangrijk om open en eerlijk te communiceren over de ziekte met het kind en anderen in zijn of haar omgeving. Dit kan helpen bij het verminderen van angst en onzekerheid bij het kind en het vergroten van begrip en empathie van anderen. Tot slot is het belangrijk om als ouder of orthopedagogische professional goed op te letten of het kind niet te veel belast wordt en of er geen signalen zijn van bijvoorbeeld angst, depressie of gedragsproblemen. Bij problemen is het belangrijk om snel professionele hulp in te schakelen.

Hoe moet worden omgegaan met problemen in de taalontwikkeling en communicatie in de peuter-kleutertijd?

Er kunnen verschillende problemen zijn in de taalontwikkeling en communicatie bij peuters en kleuters:

  1. Taalachterstand: Sommige peuters en kleuters hebben moeite met het ontwikkelen van hun taalvaardigheid. Dit kan verschillende oorzaken hebben, zoals een gebrek aan taalaanbod, gehoorproblemen of een verstandelijke beperking. Het is belangrijk dat ouders en orthopedagogische professionals deze kinderen ondersteunen door bijvoorbeeld veel met ze te praten en hen te stimuleren om zelf te praten.
  2. Taalstoornis: Bij sommige peuters en kleuters verloopt de taalontwikkeling niet volgens het normale patroon. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot problemen met het begrijpen van taal, het produceren van taal of het gebruiken van de juiste grammaticale structuren. Een taalstoornis kan behandeld worden door een logopedist.
  3. Problemen met communicatie: Sommige peuters en kleuters hebben moeite met het begrijpen van non-verbale communicatie, zoals gezichtsuitdrukkingen en lichaamstaal. Dit kan leiden tot misverstanden en problemen in de omgang met anderen. Het is belangrijk om deze kinderen te ondersteunen bij het ontwikkelen van hun sociale vaardigheden, bijvoorbeeld door middel van spelletjes en oefeningen.
  4. Taalontwikkelingsstoornissen in combinatie met andere ontwikkelingsproblemen: Sommige peuters en kleuters hebben naast problemen in de taalontwikkeling ook andere ontwikkelingsproblemen, zoals autisme of een verstandelijke beperking. Het is belangrijk om deze kinderen te ondersteunen bij hun ontwikkeling op meerdere gebieden en om de behandeling af te stemmen op hun individuele behoeften.

Om deze problemen in de taalontwikkeling en communicatie bij peuters en kleuters te verhelpen, is het belangrijk dat ouders en orthopedagogische professionals alert zijn op signalen van achterstand of stoornissen en tijdig hulp inschakelen. Dit kan bijvoorbeeld door middel van logopedie, speltherapie of andere vormen van therapie en ondersteuning. Ook is het belangrijk om deze kinderen veel taalaanbod en interactie te bieden, bijvoorbeeld door veel met ze te praten en te spelen en hen te stimuleren om zelf te communiceren.

Access: 
Public
Welke problemen bij basisschoolkinderen zijn belangrijk in de orthopedagogie? - Chapter 10

Welke problemen bij basisschoolkinderen zijn belangrijk in de orthopedagogie? - Chapter 10

Waar gaat dit hoofdstuk over?

Dit hoofdstuk gaat over de ontwikkelings- en opvoedingsopgaven van basisschoolkinderen. Het beschrijft de verschillende ontwikkelingsopgaven waarmee basisschoolkinderen worden geconfronteerd, waaronder het ontwikkelen van schoolse en cognitieve vaardigheden, vriendschappen en sociale en morele ontwikkeling. Het legt uit dat opvoeders een belangrijke rol hebben bij het ondersteunen van deze ontwikkelingsopgaven door een stimulerende omgeving te bieden en een warme en democratische opvoedingsstijl te hanteren. Er worden ook problemen besproken die kunnen optreden bij het ontwikkelen van deze vaardigheden en hoe ouders en opvoeders deze problemen kunnen aanpakken.

Er wordt vervolgens specifiek ingegaan op problemen met schoolse vaardigheden, angst en gedragsproblemen. Dit hoofdstuk behandelt eerst problemen met schoolse vaardigheden bij basisschoolkinderen, zoals dyslexie en dyscalculie. Het benadrukt dat kinderen met deze problemen vaak een neurologische aandoening hebben die hun vermogen om te leren beïnvloedt en dat ze ondersteuning en de juiste behandeling nodig hebben om te kunnen slagen in de klas. Orthopedagogische professionals kunnen gespecialiseerde begeleiding en behandeling bieden, zoals remedial teaching en psycho-educatie, en ouders kunnen hun kinderen ondersteunen door een begripvolle en ondersteunende omgeving te bieden en eventueel op zoek te gaan naar een school die gespecialiseerde ondersteuning biedt.

Daarna worden drie veelvoorkomende soorten angst besproken: angstgerelateerde schoolweigering, faalangst en sociale angst. Daarnaast wordt ook dwangstoornis genoemd als een vorm van angst die de ontwikkeling van een kind negatief kan beïnvloeden. Het aanmoedigen van positieve coping-strategieën, zoals ontspanningstechnieken, kan helpen bij het beheersen van angstgevoelens. Het is ook belangrijk om de achterliggende oorzaken van de angst te begrijpen en te behandelen, waarbij soms professionele hulp noodzakelijk is.

Tenslotte behandelt het hoofdstuk hoe om te gaan met gedragsproblemen bij basisschoolkinderen. Probleemgedrag kan variëren van agressief en oppositioneel gedrag tot impulsiviteit, liegen of stelen. ADHD kan ook een rol spelen bij druk gedrag en kan leiden tot sociale en emotionele problemen. Ernstige gedragsproblemen kunnen ernstige gevolgen hebben voor het kind en anderen. Het is belangrijk om de onderliggende oorzaken van het gedrag te begrijpen en te kijken wat het kind nodig heeft om zich beter te kunnen gedragen. Bij ADHD kan gedragstherapie helpen en bij ernstige gedragsproblemen kan intensievere hulp nodig zijn.

Wat zijn de ontwikkelings- en opvoedingsopgaven van basisschoolkinderen?

Basisschoolkinderen staan voor verschillende ontwikkelingsopgaven, waaronder het ontwikkelen van schoolse vaardigheden, cognitieve vaardigheden, vriendschappen en sociale en morele ontwikkeling.

Een belangrijke ontwikkelingsopgave van basisschoolkinderen is het ontwikkelen van schoolse vaardigheden, zoals lezen, schrijven en rekenen. Dit betekent dat ze moeten leren om te gaan met verschillende taken, opdrachten en verantwoordelijkheden die met school te maken hebben. Daarnaast moeten ze ook leren hoe ze informatie kunnen opnemen, verwerken en toepassen. Cognitieve vaardigheden zijn ook belangrijk voor basisschoolkinderen, zoals het vermogen om te redeneren, problemen op te lossen en kritisch te denken. Deze vaardigheden helpen hen om meer complexe taken en uitdagingen aan te gaan en om beter te kunnen leren.

Het sluiten van vriendschappen en het ontwikkelen van sociale vaardigheden is een andere belangrijke ontwikkelingsopgave voor basisschoolkinderen. Kinderen moeten leren hoe ze met anderen kunnen communiceren, hoe ze conflicten kunnen oplossen en hoe ze vrienden kunnen maken en behouden. Ten slotte is de sociale en morele ontwikkeling ook belangrijk voor basisschoolkinderen. Ze moeten leren om empathie en compassie te tonen voor anderen, om respectvol en tolerant te zijn tegenover anderen en om positieve relaties met anderen op te bouwen.

Opvoeders hebben een belangrijke rol bij het ondersteunen van deze ontwikkelingsopgaven. Ze moeten een stimulerende omgeving bieden waarin kinderen kunnen leren en groeien. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat er voldoende uitdagende en interessante materialen en activiteiten beschikbaar zijn. Daarnaast moeten opvoeders ook een warme en democratische opvoedingsstijl hanteren. Dit betekent dat ze hun kinderen moeten ondersteunen en aanmoedigen, terwijl ze ook duidelijke grenzen stellen en consequenties bieden voor negatief gedrag. Op deze manier kunnen opvoeders kinderen helpen om zich te ontwikkelen tot gelukkige, gezonde en goed aangepaste volwassenen.

Er kunnen verschillende problemen ontstaan bij het ontwikkelen van schoolse en cognitieve vaardigheden, het sluiten van vriendschappen en de sociale en morele ontwikkeling van basisschoolkinderen. Sommige kinderen kunnen bijvoorbeeld problemen ondervinden bij het leren lezen, schrijven en rekenen, terwijl anderen juist moeite hebben met het begrijpen van abstracte concepten en het oplossen van problemen. Dit kan leiden tot frustratie en demotivatie bij het kind. Ook kan het voor sommige kinderen moeilijk zijn om vriendschappen te sluiten en onderhouden. Dit kan te maken hebben met sociale angst of onhandigheid, maar ook met problemen in de communicatie of sociale vaardigheden. Het niet hebben van vrienden kan leiden tot gevoelens van eenzaamheid en isolatie. Bij de sociale en morele ontwikkeling kunnen er ook problemen ontstaan, zoals het niet begrijpen van de gevoelens van anderen, het niet kunnen omgaan met conflicten of het overtreden van regels en normen. Het is belangrijk dat ouders en opvoeders deze problemen erkennen en proberen op te lossen.

Een warme en democratische opvoedingsstijl kan hierbij helpen, waarbij de ouders het kind ondersteunen en stimuleren om zelfstandigheid en verantwoordelijkheid te ontwikkelen. Ook kan het belangrijk zijn om als ouder of opvoeder een rolmodel te zijn voor het kind en te laten zien hoe sociale en morele problemen kunnen worden opgelost. Het is echter ook belangrijk om de unieke eigenschappen en behoeften van elk kind te erkennen en hierop in te spelen, bijvoorbeeld door het bieden van individuele begeleiding en ondersteuning.

Welke problemen komen veel voor bij basisschoolkinderen?

Problemen die veel voorkomen bij basisschoolkinderen zijn problemen met schoolse vaardigheden, angst en probleemgedrag en ernstige gedragsproblemen.

Hoe moet worden omgegaan met problemen met schoolse vaardigheden bij basisschoolkinderen?

Bij kinderen in de basisschoolleeftijd kunnen verschillende problemen met schoolse vaardigheden voorkomen. Sommige kinderen hebben bijvoorbeeld moeite met lezen en spellen, wat kan wijzen op dyslexie. Andere kinderen kunnen problemen hebben met wiskunde en rekenen, wat kan duiden op dyscalculie. Kinderen met deze problemen kunnen zich op school vaak gefrustreerd en onzeker voelen, en hun prestaties kunnen achterblijven bij hun leeftijdsgenoten.

Dyslexie is een leerstoornis die wordt gekenmerkt door problemen met lezen en spellen. Kinderen met dyslexie kunnen moeite hebben met het herkennen van letters en het omzetten van letters naar klanken. Ze kunnen moeite hebben met het onderscheiden van woorden en hebben vaak moeite met het begrijpen van geschreven tekst. Dyslexie kan een grote impact hebben op het academische succes van een kind, omdat lezen en schrijven fundamentele vaardigheden zijn die nodig zijn in bijna elk vakgebied.

Dyscalculie is een leerstoornis die wordt gekenmerkt door problemen met wiskunde en rekenen. Kinderen met dyscalculie kunnen moeite hebben met het begrijpen van getallen, het uitvoeren van berekeningen en het oplossen van wiskundige problemen. Deze kinderen kunnen moeite hebben met het onthouden van rekenkundige regels en het begrijpen van wiskundige concepten, zoals verhoudingen en percentages. Dyscalculie kan ook een grote impact hebben op het academische succes van een kind, omdat wiskunde en rekenen een belangrijk onderdeel vormen van veel vakgebieden.

Het is belangrijk dat ouders en orthopedagogische professionals begrijpen dat kinderen met problemen met schoolse vaardigheden niet lui zijn of niet hun best doen. Deze kinderen hebben vaak een neurologische aandoening die hun vermogen om te leren beïnvloedt. Het is belangrijk om deze kinderen te ondersteunen door hen de juiste behandeling en onderwijsaanpassingen te bieden, zodat ze kunnen slagen in de klas.

Orthopedagogische professionals kunnen kinderen met problemen met schoolse vaardigheden ondersteunen door het bieden van gespecialiseerde begeleiding en behandeling. Dit kan bijvoorbeeld een combinatie zijn van remedial teaching, waarbij kinderen extra begeleiding krijgen bij het leren van specifieke vaardigheden, en psycho-educatie, waarbij kinderen en ouders leren over de aandoening en hoe ze ermee om kunnen gaan. Ook kunnen orthopedagogische professionals advies geven aan de school over aanpassingen in het onderwijsprogramma die de betreffende kinderen kunnen helpen.

Ouders kunnen hun kinderen ook ondersteunen door begripvol te zijn en een ondersteunende omgeving te bieden. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat ze extra tijd besteden aan het oefenen van lezen of wiskunde, of dat ze op zoek gaan naar een school die gespecialiseerde ondersteuning biedt.

Hoe moet worden omgegaan met angst bij basisschoolkinderen?

Angst kan zich op verschillende manieren uiten bij basisschoolkinderen en kan een negatieve invloed hebben op de ontwikkeling van het kind. Drie soorten angst die veelvoorkomend zijn bij basisschoolkinderen zijn angstgerelateerde schoolweigering, faalangst en sociale angst.

Angstgerelateerde schoolweigering is een vorm van angst waarbij het kind weigert naar school te gaan vanwege angst of stress. Dit kan leiden tot een verminderde schoolprestaties, sociale isolatie en problemen in de interactie met leeftijdsgenoten. Angstgerelateerde schoolweigering kan veroorzaakt worden door verschillende factoren, waaronder angst voor scheiding van de ouders, gepest worden op school, slechte schoolprestaties en sociale angst.

Faalangst is een andere vorm van angst die veelvoorkomend is bij basisschoolkinderen. Het is de angst om te falen bij het uitvoeren van een taak of activiteit, en het kan leiden tot een verminderde zelfwaardering, vermijding van uitdagende situaties en een verminderde schoolprestaties. Faalangst kan worden veroorzaakt door verschillende factoren, waaronder prestatiedruk, angst voor afwijzing en een gevoel van onzekerheid over de eigen capaciteiten.

Sociale angst is een vorm van angst die gericht is op sociale situaties. Kinderen met sociale angst kunnen zich angstig voelen in sociale situaties, zoals het praten met leeftijdsgenoten of het uitvoeren van taken voor een groep. Sociale angst kan leiden tot isolatie, verminderde schoolprestaties en problemen in de interactie met leeftijdsgenoten. Sociale angst kan veroorzaakt worden door verschillende factoren, zoals een laag zelfbeeld, pesten op school en een gebrek aan sociale vaardigheden.

Naast deze vormen van angst, kan dwangstoornis ook de ontwikkeling van een kind negatief beïnvloeden. Dwangstoornis is een aandoening waarbij een kind terugkerende dwangmatige gedachten en/of handelingen heeft die moeilijk te controleren zijn. Deze gedachten en handelingen kunnen een negatieve invloed hebben op de dagelijkse activiteiten van het kind, waaronder schoolprestaties en sociale interactie. Dwangstoornis kan veroorzaakt worden door verschillende factoren, zoals genetische aanleg, stressvolle gebeurtenissen en problemen in de gezinssituatie.

Om kinderen met angst- en dwangstoornissen te ondersteunen, is het belangrijk dat ouders en orthopedagogische professionals begrip tonen en een veilige omgeving creëren waarin het kind zich kan uiten. Het aanmoedigen van positieve coping-strategieën, zoals ontspanningstechnieken, kan helpen bij het beheersen van angstgevoelens. Het is ook belangrijk om de achterliggende oorzaken van de angst te begrijpen en te behandelen, waarbij zowel individuele als omgevingsfactoren kunnen worden betrokken. Soms is het noodzakelijk om hiervoor professionele hulp in te schakelen.

Hoe moet worden omgegaan met gedragsproblemen bij basisschoolkinderen?

Probleemgedrag bij basisschoolkinderen kan zich op verschillende manieren uiten. Het kan bijvoorbeeld gaan om agressief gedrag, oppositioneel gedrag, driftbuien, impulsiviteit, liegen of stelen. Deze vormen van gedrag kunnen leiden tot problemen op school, in de omgang met leeftijdsgenoten en in de thuissituatie.

Druk gedrag bij kinderen kan ook voorkomen, en kan te maken hebben met ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder). ADHD is een aandoening die wordt gekenmerkt door aandachtsproblemen, hyperactiviteit en impulsiviteit. Kinderen met ADHD kunnen moeite hebben met stilzitten, luisteren naar instructies en het afmaken van taken. Het kan ook leiden tot sociale en emotionele problemen, zoals problemen met het maken van vrienden of het beheersen van emoties.

Ernstige gedragsproblemen zijn gedragingen die ernstige gevolgen kunnen hebben voor het kind zelf en/of anderen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om agressief gedrag, waarbij het kind anderen fysiek of verbaal aanvalt, of om antisociaal gedrag, waarbij het kind zich niet houdt aan regels en wetten. Deze vormen van gedrag kunnen leiden tot problemen op school, in de omgang met leeftijdsgenoten en in de thuissituatie.

Het is belangrijk dat ouders en orthopedagogische professionals op een gepaste manier reageren op probleemgedrag bij basisschoolkinderen. Een belangrijke eerste stap is om te proberen de onderliggende oorzaken van het gedrag te begrijpen en te achterhalen wat het kind nodig heeft om zich beter te kunnen gedragen. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat er extra ondersteuning op school wordt geboden, dat het kind hulp krijgt bij het omgaan met emoties of dat er gezinsbegeleiding wordt ingeschakeld om de interactie tussen het kind en de ouders te verbeteren.

Bij ADHD kan het belangrijk zijn om te werken aan het verbeteren van de aandacht en impulscontrole van het kind. Dit kan bijvoorbeeld door middel van gedragstherapie, waarbij het kind leert omgaan met zijn of haar aandoening en vaardigheden aanleert om het gedrag te verbeteren.

Bij ernstige gedragsproblemen kan intensievere hulp nodig zijn, zoals bijvoorbeeld gespecialiseerde behandelingen of residentiële zorg. Het is belangrijk om als ouder of professional samen te werken met andere betrokken partijen, zoals leerkrachten, hulpverleners en eventueel het sociaal netwerk van het kind, om tot een passende aanpak te komen. Een empathische en begripvolle houding, in combinatie met een duidelijke structuur en grenzen, kan hierbij helpen.

Access: 
Public
Welke problemen in de adolescentie zijn belangrijk in de orthopedagogie? - Chapter 11

Welke problemen in de adolescentie zijn belangrijk in de orthopedagogie? - Chapter 11

Waar gaat dit hoofdstuk over?

Dit hoofdstuk gaat over de ontwikkelings- en opvoedingstaken van adolescenten. Adolescentie is een fase van ingrijpende veranderingen waarin jongeren een aantal ontwikkelingsopgaven moeten doorlopen om zich tot volwassenen te kunnen ontwikkelen, zoals het ontwikkelen van persoonlijke identiteit en een eigen waardesysteem en het ontwikkelen van formeel-operatief denken. Ouders en opvoeders hebben ook een aantal opvoedingsopgaven in de omgang met adolescenten, waarbij ze moeten balanceren tussen het geven van vrijheid en het bieden van structuur. 

Vervolgens worden de veelvoorkomende problemen uit de adolescentie behandeld, namelijk persoonlijkheidsproblematiek, stemmingsproblemen, middelengebruik, eetproblemen en zelfbeschadigend gedrag. 

Adolescenten kunnen verschillende persoonlijkheidsproblemen ervaren, waaronder borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS). Omgaan met adolescenten met persoonlijkheidsproblemen vereist vaak een langdurige en multidisciplinaire aanpak. Psychotherapie kan helpen. Het is ook belangrijk om adolescenten met persoonlijkheidsproblemen te ondersteunen en een empathische en begripvolle houding te hebben.

Ook kunnen adolescenten stemmingsproblemen ervaren. Een voorbeeld van een ernstige stemmingsstoornis is de bipolaire stoornis, die gekenmerkt wordt door afwisselende episodes van manie en depressie en kan leiden tot verminderde schoolprestaties, problemen met relaties en sociale isolatie. Ouders en pedagogische professionals moeten alert zijn op signalen van stemmingsproblemen en de adolescent ondersteunen en zo nodig hulp inschakelen van een professional.

Middelengebruik onder adolescenten kan leiden tot gezondheidsproblemen, verslaving en risicovol gedrag. Het is belangrijk om te begrijpen waarom adolescenten middelen gebruiken en open te staan voor communicatie. Ouders en professionals kunnen helpen door informatie te bieden en alternatieven aan te bieden.

Eetproblemen zijn veelvoorkomend onder adolescenten en kunnen leiden tot gezondheidsproblemen. Anorexia nervosa, boulimia nervosa en eetbuistoornis zijn veel voorkomende eetstoornissen. Oorzaken kunnen biologisch en psychologisch zijn en kunnen worden verergerd door sociale druk, emotionele problemen en stress. Ouders en professionals moeten alert zijn op signalen van eetproblemen en hulp bieden door middel van therapie en/of diëtetiek, met de nadruk op een gezonde relatie met voeding en het lichaam.

Zelfbeschadigend gedrag is het opzettelijk toebrengen van schade aan het eigen lichaam, vaak als een manier om emotionele pijn of stress te verlichten. Dit gedrag komt vooral voor bij adolescenten en kan veroorzaakt worden door factoren zoals identiteitsvorming, sociale druk en problemen in relaties. Als ouders of professionals te maken hebben met een adolescent die zelfbeschadigend gedrag vertoont, is het belangrijk om dit serieus te nemen en professionele hulp te zoeken, om de adolescent te steunen en alternatieve manieren te vinden om met emoties en stress om te gaan.

Wat zijn de ontwikkelings- en opvoedingstaken in de adolescentie?

Adolescentie is een periode van ingrijpende veranderingen, zowel fysiek als mentaal. Tijdens deze fase moeten jongeren een aantal ontwikkelingsopgaven doorlopen om zich tot volwassenen te kunnen ontwikkelen.

De ontwikkeling van persoonlijke identiteit en een eigen waardesysteem is een belangrijke taak van de adolescentie. Adolescenten beginnen zich los te maken van hun ouders en hun eigen identiteit te ontdekken. Ze vragen zich af wie ze zijn, wat ze belangrijk vinden en wat hun plaats is in de wereld. Dit kan leiden tot twijfels, conflicten en onzekerheid, maar ook tot het ontwikkelen van een sterkere persoonlijkheid.

Een andere belangrijke ontwikkelingsopgave van adolescenten is de ontwikkeling van formeel-operatief denken. Dit betekent dat ze in staat zijn om abstract te denken en hypothesen te formuleren. Ze leren om oorzaak en gevolg te begrijpen, verbanden te leggen en te redeneren over complexe vraagstukken.

Naast deze ontwikkelingsopgaven hebben ouders en opvoeders ook een aantal opvoedingsopgaven in de omgang met adolescenten. Ouders moeten de overgang maken van opvoeden naar begeleiden, waarbij ze hun kinderen steunen in hun zelfstandigheid en hen stimuleren om eigen beslissingen te nemen. Tegelijkertijd is het belangrijk om grenzen en normen te stellen en duidelijke verwachtingen te communiceren.

Daarnaast moeten ouders hun kinderen de ruimte geven om te experimenteren en nieuwe dingen uit te proberen, terwijl ze tegelijkertijd sturing en begeleiding bieden om risico's en gevaren te vermijden. Het is belangrijk om open te blijven communiceren met adolescenten en hen te betrekken bij het bespreken van problemen en uitdagingen die ze tegenkomen.

Er kunnen verschillende redenen zijn waarom er problemen kunnen ontstaan bij de ontwikkelings- en opvoedingsopgaven van adolescenten. Een belangrijke reden is dat de overgang naar de adolescentie gepaard gaat met veel veranderingen op lichamelijk, cognitief en sociaal-emotioneel gebied. Dit kan leiden tot onzekerheid, angst en stress bij adolescenten, wat kan resulteren in probleemgedrag of mentale gezondheidsproblemen.

Daarnaast kan het voor ouders en opvoeders moeilijk zijn om de balans te vinden tussen het geven van vrijheid en het bieden van structuur. Adolescenten hebben meer behoefte aan autonomie en zelfstandigheid, maar hebben tegelijkertijd ook nog steun en begeleiding nodig. Het kan voor ouders en opvoeders lastig zijn om hierin de juiste balans te vinden en om te gaan met de soms uitdagende gedragingen van hun adolescenten.

Ten slotte kan de druk vanuit de maatschappij en de sociale omgeving ook bijdragen aan problemen bij de ontwikkelings- en opvoedingsopgaven van adolescenten.

Met welke problemen krijgen adolescenten en hun opvoeders te maken?

In dit hoofdstuk wordt vooral ingegaan op internaliserende problemen. Dit komt omdat externaliserende problemen zoals gedragsproblemen vaak al op jongere leeftijd tot uiting komen en daarom al in het vorige hoofdstuk over basisschoolkinderen is behandeld. 

Internaliserende problemen zijn problemen waarbij het kind vooral in zichzelf gekeerd is en negatieve gevoelens heeft die gericht zijn op het eigen functioneren. Externaliserende problemen zijn problemen waarbij het kind juist meer gericht is op de omgeving en negatief gedrag vertoont dat gericht is op anderen of de omgeving. 

Externaliserende problemen komen vaak al op jonge leeftijd tot uiting omdat het gedrag van het kind zichtbaar is voor anderen en de omgeving. Zo kan het kind bijvoorbeeld snel boos worden, slaan of schoppen. Internaliserende problemen, daarentegen, zijn vaak moeilijker te herkennen omdat het kind zich terugtrekt en zijn of haar gevoelens en gedachten niet snel uit.

Internaliserende problemen kunnen zich in de puberteit meer gaan uiten doordat er dan meer druk is vanuit de omgeving om te voldoen aan bepaalde normen en verwachtingen. Het kind kan zich dan meer gaan vergelijken met anderen en zich onzeker gaan voelen over zijn of haar eigen functioneren. Dit kan leiden tot bijvoorbeeld depressie, angst of eetstoornissen. Daarnaast kan de puberteit gepaard gaan met hormonale veranderingen en sociale uitdagingen, wat het risico op internaliserende problemen kan vergroten.

Wel is het belangrijk om te weten dat ook dit soort externaliserende problemen nog voorkomen in de adolescentie. En ook is het goed om in je achterhoofd te houden dat internaliserende en externaliserende problemen vaak samengaan en er niet altijd een duidelijk onderscheid is. Maar in de puberteit krijgen veel kinderen meer te maken met internaliserende problemen zoals persoonlijkheidsproblematiek, stemmingsproblemen, middelengebruik, eetproblemen en zelfbeschadigend gedrag, dus die worden hier behandeld.

Hoe moet worden omgegaan met persoonlijkheidsproblematiek bij adolescenten?

Adolescenten kunnen verschillende persoonlijkheidsproblemen of problemen in de persoonlijkheidsontwikkeling ervaren, waaronder borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS), narcistische persoonlijkheidsstoornis, vermijdende persoonlijkheidsstoornis, afhankelijke persoonlijkheidsstoornis, obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis, enzovoort.

BPS is een ernstige psychiatrische aandoening die wordt gekenmerkt door instabiele emoties, relaties, zelfbeeld en impulscontrole. Adolescenten met BPS kunnen extreme stemmingswisselingen hebben, van zeer gelukkig naar zeer verdrietig of boos. Ze kunnen impulsief handelen, zichzelf verwonden of suïcidaal gedrag vertonen. Ook kunnen ze vaak in intense relaties verwikkeld raken, die snel wisselen tussen idealiseren en afwijzen van anderen. BPS kan zeer moeilijk te behandelen zijn en vereist vaak langdurige psychotherapie.

Omgaan met adolescenten met persoonlijkheidsproblemen vereist vaak een langdurige en multidisciplinaire aanpak. Ouders en orthopedagogische professionals kunnen bijvoorbeeld samenwerken met psychotherapeuten om psychotherapie te bieden aan adolescenten met persoonlijkheidsproblemen. Psychotherapie kan helpen om de onderliggende emotionele en relationele problemen van adolescenten aan te pakken en om vaardigheden aan te leren om deze problemen beter te kunnen beheersen. Daarnaast kan het belangrijk zijn om te werken aan het verbeteren van de zelfregulatie van adolescenten, bijvoorbeeld door middel van mindfulness-technieken of cognitieve gedragstherapie.

Het is ook belangrijk om adolescenten met persoonlijkheidsproblemen te ondersteunen in hun sociale omgeving. Adolescenten met BPS hebben vaak moeite om stabiele en gezonde relaties op te bouwen, en ouders en orthopedagogische professionals kunnen helpen bij het opbouwen van ondersteunende netwerken en bij het ontwikkelen van vaardigheden voor het aangaan van gezonde relaties. Dit kan bijvoorbeeld door middel van groepstherapie of gezinsbegeleiding.

Ten slotte is het belangrijk om een empathische en begripvolle houding te hebben ten opzichte van adolescenten met persoonlijkheidsproblemen. Adolescenten met BPS kunnen zich vaak onbegrepen voelen en het is belangrijk om te laten zien dat ze serieus worden genomen en dat er hulp beschikbaar is. Een duidelijke structuur en grenzen kunnen helpen bij het bieden van veiligheid en structuur, terwijl het vermijden van oordelen en het bieden van begrip kan bijdragen aan het opbouwen van een vertrouwensrelatie.

Hoe moet worden omgegaan met stemmingsproblemen bij adolescenten?

Stemmingsproblemen bij adolescenten kunnen variëren van tijdelijke stemmingswisselingen en kortdurende episodes van somberheid tot ernstige stemmingsstoornissen. Het kan leiden tot gevoelens van verdriet, hopeloosheid, leegte en verlies van interesse in activiteiten die normaal gesproken plezierig zijn.

Volgens Daamen et al. (2013) onderscheidt een stemmingsprobleem zich van een stemmingsstoornis doordat bij een stemmingsprobleem de problemen minder ernstig zijn en korter duren. Een stemmingsstoornis wordt gekenmerkt door langdurige en ernstige stemmingsproblemen die de dagelijkse activiteiten en relaties van de persoon beïnvloeden.

Een voorbeeld van een ernstige stemmingsstoornis is de bipolaire stoornis, ook wel bekend als een manisch-depressieve stoornis. Dit is een aandoening die wordt gekenmerkt door afwisselende episodes van manie en depressie. Tijdens een manische episode kan een adolescent zich overmatig blij, opgewonden of prikkelbaar voelen, terwijl hij of zij tijdens een depressieve episode zich juist somber en hopeloos kan voelen. Bipolaire stoornis kan leiden tot verminderde schoolprestaties, problemen met relaties en sociale isolatie.

Het is belangrijk dat ouders en pedagogische professionals alert zijn op signalen van stemmingsproblemen bij adolescenten, zoals terugtrekken uit sociale activiteiten, veranderingen in eet- of slaapgewoonten en een verlies van interesse in activiteiten die normaal gesproken plezierig zijn. Bij een vermoeden van een stemmingsprobleem is het belangrijk om de adolescent te ondersteunen en zo nodig hulp in te schakelen van een professional.

Bij een bipolaire stoornis is het belangrijk om een ​​juiste diagnose te stellen en de juiste behandeling te bieden, vaak door middel van medicatie en psychotherapie. Ouders en pedagogische professionals kunnen de adolescent ondersteunen door open te communiceren, een veilige en ondersteunende omgeving te bieden, en hen te helpen bij het vinden van passende hulp en ondersteuning. Het is ook belangrijk om te zorgen voor voldoende slaap, een gezonde voeding en regelmatige lichaamsbeweging.

Hoe moet worden omgegaan met middelengebruik bij adolescenten?

Middelengebruik, zoals alcohol, tabak en drugs, is een veelvoorkomend probleem onder adolescenten. Het kan leiden tot schade aan de gezondheid, problemen op school of werk, problemen met het gezin en sociale problemen. Bovendien kunnen middelenverslaving en misbruik leiden tot een hoger risico op crimineel gedrag, onveilig seksueel gedrag en andere risicovolle gedragingen.

Middelengebruik kan leiden tot verschillende gezondheidsproblemen, waaronder schade aan het brein, hartproblemen, leverschade en een verhoogd risico op kanker. Daarnaast kan middelengebruik leiden tot verslaving en problemen met het geheugen, de concentratie en het leren.

Bij het omgaan met adolescenten die middelen gebruiken, is het belangrijk om te proberen te begrijpen waarom ze middelen gebruiken en om open te staan voor communicatie met hen. Ouders en orthopedagogische professionals kunnen helpen door het bieden van informatie over de risico's van middelengebruik en door het bieden van alternatieven, zoals sport en andere activiteiten.

Als middelengebruik al problematisch is, kan intensievere behandeling nodig zijn, zoals bijvoorbeeld gespecialiseerde behandelingen of residentiële zorg. Het is belangrijk om als ouder of professional samen te werken met andere betrokken partijen, zoals leerkrachten, hulpverleners en eventueel het sociaal netwerk van het kind, om tot een passende aanpak te komen. Een empathische en begripvolle houding, in combinatie met duidelijke grenzen en consequenties, kan hierbij helpen.

Hoe moet worden omgegaan met eetproblemen bij adolescenten?

Eetproblemen komen veel voor onder adolescenten. Er zijn verschillende eetstoornissen, die zich meestal ontwikkelen in de puberteit. 

Anorexia nervosa wordt gekenmerkt door een laag lichaamsgewicht, angst om aan te komen, verstoord lichaamsbeeld en de weigering om normaal te eten. Het vermijden van voedsel en het uithongeren van het lichaam kan leiden tot gezondheidsproblemen, zoals vermoeidheid, duizeligheid en haaruitval. De oorzaken van anorexia kunnen verschillend zijn, zoals erfelijke factoren, psychologische factoren zoals perfectionisme en problemen in het gezin.

Boulimia nervosa wordt gekenmerkt door terugkerende periodes van eetbuien waarbij grote hoeveelheden voedsel in korte tijd worden gegeten, gevolgd door purgerend gedrag zoals braken of overmatige lichaamsbeweging. Mensen met boulimia nervosa hebben vaak een negatief zelfbeeld en ervaren gevoelens van schaamte of schuld na een eetbui. Net als bij anorexia kunnen de oorzaken van boulimia zowel biologisch als psychologisch zijn.

De eetbuistoornis (of binge eating disorder) wordt gekenmerkt door herhaalde episodes van eetbuien, waarbij grote hoeveelheden voedsel worden gegeten in korte tijd. In tegenstelling tot boulimia nervosa zijn er geen purgerende of compenserende gedragingen na de eetbuien. Mensen met een eetbuistoornis hebben vaak gevoelens van schaamte en walging na een eetbui en hebben vaak last van overgewicht of obesitas.

In de adolescentie maken jongeren vaak belangrijke veranderingen door in hun lichaam en in hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Deze veranderingen kunnen leiden tot onzekerheid en een verhoogde nadruk op het uiterlijk, waardoor jongeren gevoeliger kunnen zijn voor eetproblemen. Ook kunnen er in deze periode belangrijke gebeurtenissen plaatsvinden, zoals de overgang naar de middelbare school, de start van een opleiding, of het aangaan van een eerste relatie. Dit alles kan zorgen voor stress en druk, waardoor sommige jongeren zichzelf gaan vergelijken met anderen en onrealistische verwachtingen krijgen over hoe ze eruit zouden moeten zien.

Bovendien hebben adolescenten in deze periode vaker te maken met sociale druk, bijvoorbeeld door vrienden, media en sociale media, om een bepaald uiterlijk na te streven. Ook kunnen emotionele problemen zoals depressie of angst, of een laag zelfbeeld, bijdragen aan het ontstaan van eetproblemen. Eetproblemen kunnen dan dienen als een manier om controle te krijgen over het eigen lichaam en gevoelens van onzekerheid en angst te verminderen.

Het is belangrijk dat ouders en pedagogische professionals alert zijn op signalen van eetproblemen bij adolescenten, zoals een verstoord eetpatroon, overmatige lichaamsbeweging, gewichtsverlies of gewichtstoename en een verstoord lichaamsbeeld. Een empathische en ondersteunende houding, gecombineerd met professionele hulp zoals therapie en/of diëtetiek, kan helpen bij het herstellen van eetproblemen. Het is ook belangrijk om de nadruk te leggen op een gezonde relatie met voeding en het lichaam, in plaats van op uiterlijke kenmerken en gewicht.

Hoe moet worden omgegaan met zelfbeschadigend gedrag bij adolescenten?

Zelfbeschadigend gedrag is het opzettelijk toebrengen van schade aan het eigen lichaam, zonder de intentie om te sterven. Voorbeelden van zelfbeschadigend gedrag zijn snijden, branden, krabben, haren uittrekken, enzovoort. Ook dit komt vooral voor bij adolescenten (of begint in de adolescentie), omdat deze levensfase vaak gepaard gaat met psychologische en emotionele stress en veranderingen, zoals identiteitsvorming, sociale druk, problemen in de relaties met leeftijdsgenoten, de puberteit, enzovoort.

Er zijn verschillende redenen waarom adolescenten zichzelf kunnen beschadigen. Zelfbeschadigend gedrag kan een manier zijn om om te gaan met emotionele pijn of stress. Het kan een manier zijn om controle te krijgen over de eigen gevoelens en ervaringen, of om gevoelens van leegte, eenzaamheid of hopeloosheid te verminderen. Soms kan het ook een manier zijn om aandacht te krijgen of om anderen te laten zien dat er iets mis is.

Als ouders of orthopedagogische professionals te maken hebben met een adolescent die zelfbeschadigend gedrag vertoont, is het belangrijk om dit gedrag serieus te nemen en professionele hulp te zoeken. Het is belangrijk om met de adolescent te praten over zijn of haar emoties en stressfactoren en om te zoeken naar gezonde manieren om deze te beheersen. Het is ook belangrijk om de adolescent te steunen en te begeleiden in het proces van het vinden van alternatieve manieren om met emoties en stress om te gaan, zoals het uiten van gevoelens in plaats van ze te onderdrukken, het leren van ontspanningstechnieken en het vinden van gezonde manieren om om te gaan met negatieve emoties. Het is belangrijk om de adolescent te laten weten dat er steun en hulp beschikbaar is en dat hij of zij niet alleen is in het omgaan met deze moeilijke gevoelens.

Access: 
Public
Wat zijn professionaliteit en professionalisering in de orthopedagogie? - Chapter 12

Wat zijn professionaliteit en professionalisering in de orthopedagogie? - Chapter 12

Waar gaat dit hoofdstuk over?

Dit hoofdstuk gaat over professionaliteit, professionalisering en de rol van professionals in de orthopedagogie. Professionaliteit verwijst naar de eigenschappen en kwaliteiten die professionals zouden moeten hebben, zoals expertise, betrokkenheid en communicatievaardigheden. Van professionals in de orthopedagogie wordt verwacht dat ze de nodige kennis, vaardigheden en attitudes hebben om hoogwaardige ondersteuning en begeleiding te bieden aan kinderen en jongeren met speciale behoeften en hun families.

Dit hoofdstuk bespreekt ook de verschillende opvattingen over professionaliteit in de orthopedagogiek, waaronder het belang van competenties en kwalificaties en het belang van voortdurend leren en reflectieve praktijk. Daarnaast wordt benadrukt hoe professionaliteit verandert in de orthopedagogiek, waarbij professionals moeten omgaan met voortdurende veranderingen en onzekerheid in het vakgebied, zich flexibel moeten opstellen om elke cliënt een op maat gemaakte benadering te bieden, en zich bewust moeten zijn van de emotionele belasting van hun werk en tijd moeten nemen voor zelfzorg en reflectie.

Tenslotte wordt professionalisering behandeld in dit hoofdstuk. Professionalisering in de orthopedagogie verwijst naar het proces van het worden van een professional in het vakgebied, wat inhoudt dat men gespecialiseerde kennis, vaardigheden en competenties verwerft, een professionele identiteit aanneemt en zich houdt aan professionele normen. Het doel van professionalisering is om ervoor te zorgen dat beoefenaars de kennis, vaardigheden en competenties hebben die nodig zijn om personen met een beperking en hun families effectief te ondersteunen en om de hoogste normen van ethische en professionele praktijk te handhaven. Professionalisering is essentieel om het vakgebied van de orthopedagogie levend en evoluerend te houden en om ervoor te zorgen dat beoefenaars de nodige kennis, vaardigheden en competenties hebben om effectieve ondersteuning te bieden. Het Actieplan Professionalisering in de jeugdzorg in Nederland was een belangrijke initiatief om de rol van professionals te versterken, richtlijnen te bieden, ontwikkeling en voortdurend leren te waarborgen en ethische codes voor professionals te installeren om de juiste beslissingen te nemen in moeilijke situaties.

Wat is professionaliteit in de orthopedagogiek?

Ouders hebben verwachtingen over hun kind en hun rol als ouders. Deze verwachtingen komen voort uit hun eigen opvoeding, omgeving en cultuur. Illusies zijn onbewuste verwachtingen. Bijna alle ouders moeten een deel van hun ouderlijke illusies aanpassen wanneer ze ouders worden. Dit is echter niet altijd gemakkelijk. Verwachtingen kunnen ook een extra belemmering vormen om hulp te zoeken als de verwachting is dat ouders in staat moeten zijn om zelf succesvol te kunnen opvoeden. Het kan ook ertoe leiden dat mensen te snel hulp zoeken als de verwachting is dat de ouders zelf niet geschikt zijn. Bovendien kan het voor professionals moeilijk zijn om de verwachtingen van ouders aan te passen. Tot slot hebben professionals zelf bepaalde verwachtingen, die soms kunnen botsen met die van de ouders.

Dit alles maakt dat professionals die werkzaam zijn in de jeugdzorg een uitdagend maar vaak stressvol beroep hebben. Wat is precies het verschil tussen primaire verzorgers en een professional in de jeugdzorg of orthopedagogiek? In de gezondheidszorg en het onderwijs zijn verschillende professionals actief. Er zijn mensen die rechtstreeks betrokken zijn bij kinderen, jongeren en hun verzorgers, maar ook financiële experts en administratief personeel. Van al deze mensen wordt verwacht dat ze een professionele aanpak hebben bij hun taken. Professionaliteit bestaat onder meer uit eigenschappen als vakmanschap, zorgvuldigheid, expertise en oprechte betrokkenheid. Professionals moeten in staat zijn om te communiceren over hun acties, erover na te denken en erover bevraagd te worden.

Een professional zijn in de orthopedagogiek betekent over de nodige kennis, vaardigheden en attitudes beschikken om hoogwaardige ondersteuning en begeleiding te bieden aan kinderen en jongeren met speciale behoeften en hun families. Het houdt in dat er samen wordt gewerkt met andere professionals, zoals psychologen, maatschappelijk werkers en leraren, om interventies te beoordelen, plannen en uit te voeren die de sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling van de individuen in hun zorg bevorderen.

Welke opvattingen over professionaliteit in de orthopedagogiek zijn er?

Er zijn verschillende opvattingen over wat het betekent om een professional te zijn in de orthopedagogiek, en deze opvattingen kunnen verschillende waarden en prioriteiten weerspiegelen. Een opvatting benadrukt het belang van een duidelijke en gestandaardiseerde set competenties en kwalificaties die het vakgebied van de orthopedagogiek definiëren. Deze opvatting benadrukt de noodzaak van rigoureuze trainings- en certificeringsprocessen die ervoor zorgen dat professionals over de nodige kennis, vaardigheden en attitudes beschikken om effectieve en ethische diensten te leveren.

Een andere visie op professionaliteit in orthopedagogie benadrukt het belang van voortdurend leren en professionele ontwikkeling. Deze visie erkent dat het vakgebied van orthopedagogie voortdurend evolueert en dat professionals op de hoogte moeten blijven van de nieuwste onderzoeken, methoden en praktijken om de best mogelijke diensten aan hun cliënten te kunnen bieden. Deze visie benadrukt ook het belang van reflectieve praktijk, waarbij professionals kritisch hun eigen aannames, vooroordelen en praktijken onderzoeken om hun effectiviteit en ethische integriteit te verbeteren.

Hoe verandert professionaliteit in de orthopedagogiek?

Professionals in orthopedagogie moeten om verschillende redenen omgaan met onzekerheid en zich blijven ontwikkelen.

Ten eerste is het vakgebied van orthopedagogie voortdurend in beweging en zijn er voortdurend nieuwe onderzoeksbevindingen en innovatieve praktijken die ontwikkeld worden. Het is daarom belangrijk dat orthopedagogische professionals zich bewust zijn van deze ontwikkelingen en hun kennis en vaardigheden voortdurend up-to-date houden. Bijvoorbeeld, nieuwe bevindingen over hoe mensen met autisme het beste kunnen worden ondersteund of nieuwe ontwikkelingen in technologieën zoals communicatie-apparaten, kunnen grote impact hebben op de manier waarop professionals hun werk doen.

Ten tweede is elke cliënt uniek en heeft elk individu zijn eigen specifieke behoeften en uitdagingen. Daarom is het belangrijk dat orthopedagogische professionals zich flexibel en aanpasbaar opstellen, zodat ze elke cliënt een op maat gemaakte benadering kunnen bieden. Dit vereist een breed scala aan vaardigheden, zoals het vermogen om effectief te communiceren, het vermogen om zich in te leven in de situatie van de cliënt en het vermogen om creatieve oplossingen te bedenken.

Ten derde is het werk van orthopedagogische professionals vaak emotioneel uitdagend en complex. Ze werken vaak met cliënten die traumatische ervaringen hebben gehad of die zich in moeilijke levensomstandigheden bevinden. Dit kan een zware tol eisen van de professionals die betrokken zijn bij het ondersteunen van deze cliënten. Het is daarom essentieel dat professionals zich bewust zijn van de mogelijke impact van hun werk op hun eigen welzijn en zichzelf toestaan om tijd te nemen voor zelfzorg en zelfreflectie. Bijvoorbeeld, het bespreken van cases met collega's, het bijwonen van een begeleidingstraject, of het zoeken van ondersteuning bij een supervisor kan allemaal helpen om de emotionele belasting te verlichten.

Wat is professionalisering in de orthopedagogiek?

Professionalisering in orthopedagogie verwijst naar het proces om een ​​professional te worden in het vakgebied van orthopedagogie, wat het verwerven van gespecialiseerde kennis, vaardigheden en competenties omvat, evenals het aannemen van een professionele identiteit en het naleven van professionele normen. Dit proces omvat een combinatie van formele opleiding en training, voortdurende professionele ontwikkeling en de ontwikkeling van een professioneel netwerk en gemeenschap. Professionalisering is erg belangrijk om orthopedagogie levend en evoluerend te houden. Het doel van professionalisering in orthopedagogie is ervoor te zorgen dat praktijkmensen de kennis, vaardigheden en competenties hebben die nodig zijn om mensen met een handicap en hun families effectief te ondersteunen en de hoogste normen van ethische en professionele praktijk te handhaven.

Belangrijk voor de professionalisering in orthopedagogie in Nederland was het Actieplan Professionalisering in jeugdzorg. De doelstellingen hiervan waren om de rol van professionals te versterken, richtlijnen voor de beroepen te geven en ontwikkeling en continu leren te waarborgen. Er werden ook ethische codes geïnstalleerd om professionals een duidelijk beeld te geven over hoe ze in moeilijke situaties het beste kunnen handelen.

Access: 
Public
Wat kunnen orthopedagogische professionals in hun werk verbeteren? - Chapter 13

Wat kunnen orthopedagogische professionals in hun werk verbeteren? - Chapter 13

Waar gaat dit hoofdstuk over?

Dit hoofdstuk gaat over hoe orthopedagogische professionals hun professionele relaties kunnen verbeteren door middel van het reflecteren op en integreren van de drie dimensies van professionaliteit, namelijk de persoonlijke dimensie, de technisch-instrumentele dimensie en de normatieve dimensie. Professionals moeten zich bewust zijn van hun persoonlijke eigenschappen en hun persoonlijke waarden en overtuigingen, kennis hebben van de methoden en technieken die worden gebruikt in hun vakgebied en ethische principes kunnen toepassen in de praktijk. Door te reflecteren op deze dimensies kunnen professionals op een authentieke, effectieve en ethische manier werken met kinderen en hun families.

Vervolgens gaat dit hoofdstuk over de kritiek op de professionele relatie in de orthopedagogiek vanwege het toenemende gebruik van wetenschappelijke methoden en benaderingen om menselijk gedrag te begrijpen en te beheersen. De kritiek richt zich op de beperkingen van een reductionistische aanpak die geen rekening houdt met de uniciteit van elk individueel kind en gezin, en de standaardisering van zorg die niet altijd geschikt is voor elk individu. Critici suggereren dat orthopedagogische professionals een meer holistische en empathische benadering van zorg moeten ontwikkelen die rekening houdt met de unieke ervaringen, achtergronden en behoeften van elk individu.

Hoe kunnen orthopedagogische professionals hun professionele relaties verbeteren?

Professionals brengen altijd hun persoonlijke bagage met zich mee naar hun werk. Hun persoonlijke eigenschappen zijn echter niet altijd natuurlijk afgestemd op wat het kind en de ouders van hen vragen. Een belangrijke factor in het succes van het ondersteuningsproces is de kwaliteit van de relatie tussen de professionele zorgverlener en het kind. Het is belangrijk dat de professional bewust kiest hoe hij de relatie in elk individueel geval vormgeeft, op basis van de orthopedagogische ondersteuningsvraag. Bovendien is het belangrijk dat de professional zich bewust is van zijn persoonlijke behoeften en zijn eigen referentiekader.

De Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (2016) onderscheidt drie dimensies van professionaliteit, die ook van toepassing zijn op (ortho)pedagogische ondersteuning:

  • De persoonlijke dimensie. In deze dimensie is het belangrijk dat de professional op een manier werkt die bij hem past en dat zijn acties authentiek zijn.
  • De technisch-instrumentele dimensie. Deze dimensie heeft betrekking op het gebruik van methodologieën, technieken en richtlijnen.
  • De normatieve dimensie. In deze dimensie gaat het om de ethische overwegingen van de professional.

Professionals in de pedagogiek moeten kunnen reflecteren op alle drie dimensies. Het is belangrijk op te merken dat dit geen drie aparte gebieden zijn, maar drie geïntegreerde aspecten van professionaliteit die elkaar veronderstellen om tot hun volle potentieel te komen. Professionals kunnen deze dimensies gebruiken om hun professionele relaties op een authentieke, effectieve en ethische manier vorm te geven. Ze kunnen bijvoorbeeld reflecteren op hun persoonlijke stijl en hoe deze van invloed kan zijn op hun werk met kinderen en ouders, passende technieken en richtlijnen gebruiken en ethische beslissingen nemen op basis van professionele normen.

De persoonlijke dimensie verwijst naar het belang van professionals om op een manier te werken die aansluit bij hun persoonlijke stijl en waarden, en om op een authentieke manier te handelen. Professionals in deze dimensie moeten zich bewust zijn van hun eigen persoonlijkheidstrekken, sterke punten en beperkingen, en hier rekening mee houden bij het omgaan met kinderen en hun families. Om professioneler te worden in deze dimensie, moeten professionals reflecteren op hun eigen identiteit, waarden en overtuigingen, en hoe deze hun werk beïnvloeden. Dit kan hen helpen hun eigen sterke punten en beperkingen te begrijpen en op een manier te werken die oprecht is en aansluit bij hun persoonlijke stijl.

De technisch-instrumentele dimensie houdt zich bezig met het gebruik van methoden, technieken en richtlijnen in (ortho)pedagogische zorg. Professionals in deze dimensie moeten kennis hebben en bekwaam zijn in de methoden en technieken die worden gebruikt in hun werkgebied. Ze moeten in staat zijn om de meest geschikte methode of techniek te kiezen en toe te passen om te voldoen aan de specifieke behoeften van elk kind en gezin. Om meer professioneel te worden in deze dimensie, moeten professionals hun kennis en vaardigheden in hun vakgebied voortdurend bijwerken. Ze moeten ook in staat zijn om kritisch te evalueren en te reflecteren op de methoden en technieken die ze gebruiken en openstaan voor nieuwe en innovatieve benaderingen.

De normatieve dimensie heeft betrekking op de ethische overwegingen en waarden die het gedrag van professionals in (ortho)pedagogische zorg begeleiden. Professionals in deze dimensie moeten zich bewust zijn van de ethische principes en gedragscodes die hun werk regelen en deze in de praktijk kunnen toepassen. Ze moeten in staat zijn om ethische beslissingen te nemen die de waardigheid en rechten van het kind en hun familie respecteren. Om meer professioneel te worden in deze dimensie moeten professionals reflecteren op hun ethische waarden en principes en hoe deze hun praktijk beïnvloeden. Ze moeten deze principes kunnen toepassen in de praktijk en ethische dilemma's die zich kunnen voordoen in hun werk kunnen herkennen en beheren.

Over het algemeen moeten professionals in (ortho)pedagogische zorg in staat zijn om alle drie de dimensies van professionaliteit te reflecteren en te integreren om meer professioneel te worden. Ze moeten zich bewust zijn van hun persoonlijke waarden en overtuigingen en hoe deze hun werk beïnvloeden. Ze moeten kennis hebben en bekwaam zijn in de methoden en technieken die worden gebruikt in hun vakgebied en in staat zijn om deze kritisch te evalueren en te reflecteren. Ze moeten ook op de hoogte zijn van de ethische principes en waarden die hun praktijk begeleiden en deze in de praktijk kunnen toepassen. Door dit te doen, kunnen professionals zorg van hoge kwaliteit bieden die is afgestemd op de behoeften van elk kind en hun familie en sterke, positieve relaties met hen opbouwen.

Welke kritiek is er op de professionele relatie in de orthopedagogiek?

Kritiek op de professionele relatie in de orthopedagogiek is de afgelopen jaren naar voren gekomen vanwege het toenemende gebruik van wetenschappelijke methoden en benaderingen om menselijk gedrag te begrijpen en te beheersen. De Verlichting bracht een mechanistische wereldbeeld met zich mee, waarin de menselijke natuur wordt gezien als een rationeel en voorspelbaar systeem dat kan worden georganiseerd en gecontroleerd door middel van wetenschappelijke kennis. Deze reductionistische aanpak is echter bekritiseerd omdat het de complexiteit van menselijk gedrag te simplistisch benadert en geen rekening houdt met de uniciteit van elk individueel kind en gezin.

Bijvoorbeeld, wanneer een kind moeilijkheden heeft op school, kan een orthopedagoog een wetenschappelijke methode gebruiken om de onderliggende oorzaken van het gedrag te begrijpen. De methode kan bijvoorbeeld suggereren dat het kind een leerstoornis heeft en speciale educatieve behoeften heeft. Hoewel deze benadering kan helpen bij het opstellen van een behandelplan, kunnen er andere factoren zijn die belangrijk zijn om te overwegen, zoals de sociale en culturele context van het kind, de thuissituatie, en de behoeften en voorkeuren van het kind zelf.

Het gebruik van wetenschappelijke inzichten en theoretische kaders heeft geleid tot een standaardisering van zorg die niet altijd geschikt is voor elk individu. Kinderen en gezinnen kunnen onverwachte uitdagingen of omstandigheden hebben die niet gemakkelijk kunnen worden aangepakt met een one-size-fits-all-benadering. Bovendien kan een te zware nadruk op wetenschappelijke kennis belangrijke contextuele factoren zoals culturele, sociale en historische invloeden op het kind en het gezin over het hoofd zien.

Critici stellen om deze redenen dat orthopedagogische professionals zich bewust moeten zijn van de beperkingen van wetenschappelijke kennis en methoden en het belang van subjectieve en contextuele factoren moeten erkennen bij het begrijpen en reageren op de behoeften van elk kind en gezin. Ze suggereren dat professionals een meer holistische en empathische benadering van zorg moeten ontwikkelen die rekening houdt met de unieke ervaringen, achtergronden en behoeften van elk individu. Een dergelijke benadering zou een grotere nadruk vereisen op het opbouwen van vertrouwensrelaties en samenwerking met kinderen en gezinnen, evenals voortdurende reflectie en zelfbewustzijn van de professional.

Access: 
Public
Access: 
Public

Image

Check more: click and go to more related summaries or chapters

Opvoedkunde en gezinsopvoedkunde: De beste studieboeken samengevat

Join: WorldSupporter!

Join with a free account for more service, or become a member for full access to exclusives and extra support of WorldSupporter >>

Check: concept of JoHo WorldSupporter

Concept of JoHo WorldSupporter

JoHo WorldSupporter mission and vision:

  • JoHo wants to enable people and organizations to develop and work better together, and thereby contribute to a tolerant and sustainable world. Through physical and online platforms, it supports personal development and promote international cooperation is encouraged.

JoHo concept:

  • As a JoHo donor, member or insured, you provide support to the JoHo objectives. JoHo then supports you with tools, coaching and benefits in the areas of personal development and international activities.
  • JoHo's core services include: study support, competence development, coaching and insurance mediation when departure abroad.

Join JoHo WorldSupporter!

for a modest and sustainable investment in yourself, and a valued contribution to what JoHo stands for

Check: how to help

Image

 

 

Contributions: posts

Help others with additions, improvements and tips, ask a question or check de posts (service for WorldSupporters only)

Image

Check: more related and most recent topics and summaries
Check more: study fields and working areas

Image

Share: this page!
Follow: Social Science Supporter (author)
Add: this page to your favorites and profile
Statistics
4341 1
Submenu & Search

Search only via club, country, goal, study, topic or sector