College 4B
Vorig college ging het over eigendom (art. 5:1 lid 1 BW), het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben. Dit college gaat het over de beperkte rechten. Dit zijn rechten die zijn afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met het beperkte recht is bezwaar (art. 3:8 BW). Vaak is een beperkt recht gevestigd op een eigendomsrecht.
Er zijn verschillende voorbeelden van beperkte rechten te noemen. Beperkte rechten kunnen worden onderscheiden in genotsrechten en zekerheidsrechten. De genotsrechten zijn het recht van vruchtgebruik, erfpacht, opstal en erfdienstbaarheid. De zekerheidsrecht zijn het pandrecht en het hypotheek recht. De zakelijke rechten zijn te vinden in boek 5 van het burgerlijk wetboek en betreffen zakelijke rechten. Deze rusten dus alleen op zaken (art. 3:2 BW). De goederenrechtelijke rechten rusten op goederen, zoals uit artikel 3:1 BW blijkt rusten deze rechten ofwel op zaken ofwel op vermogensrechten.
De kernbepaling voor de vestiging van een beperkt recht gaat via de schakelbepaling van artikel 3:98 naar artikel 3:84 BW. Het wordt dus net zo gevestigd als dat iets geleverd wordt. (Geldige titel, levering en beschikkingsbevoegdheid.) Bijvoorbeeld de vestiging van een recht van vruchtgebruik op een auto. Hiervoor is nodig een geldige titel, levering middels artikel 3:90 BW want een roerende zaak en beschikkingsbevoegdheid.
Het recht van vruchtgebruik is gebonden aan het leven van de vruchtgebruiker. Dat betekent dat wanneer een derde het goed verkrijgt, het nog steeds eindigt wanneer de eerste vruchtgebruiker overlijdt. Bij erfpacht eindigt het wanneer er sprake is van tijdsverloop, opzegging of opheffing. Bij het einde van opstal gaat de eigendom over.
Voor een aantal beperkte rechten kan er een vergoeding worden gevraagd. Bij opstal heet dit retributie en bij erfpacht canon.
Na een faillissement is het belangrijk te bepalen wie er als schuldeiser als eerste in de rij staat. stel, A, B, C en D zijn schuldeisers. Allemaal met een schuld van 10.000 euro. In totaal is dat een schuld van 40.000 euro. F is niet voor niks failliet gevraagd. Zijn totale overgebleven vermogen is 20.000 euro. De schuldeisers zullen dus niet allemaal hun geld terugkrijgen. Dit resulteert in beginsel tot teruggave van 5.000 euro per persoon. Eerlijk verdeeld, paritas creditorium. (Art. 3:277 lid 1 BW)
Er bestaan voorrechten. Deze staan in de artikelen 3:280 jo. 3:278 lid 2 BW. Stel dat A een bijzonder voorrecht heeft. Dan mag A eerst zijn 10.000 euro opeisen. Dan blijft er voor de rest nog 10.000 euro over om op te eisen.
Nog wat lastiger. 5 partijen, elk een vordering van 20.000 euro. (A, B, C, D en E)
Partij E heeft een bijzonder voorrecht, B een pandrecht op een goed dat 20.000 euro waard is. De schuldeiser biedt voor 50.000 verhaal. B ontvangt dan 20.000 euro als hoogste rang. Dan komt E, ook hij krijgt 20.000 euro. De rest moet het overgeblevene verdelen.
Het pandrecht is een bijzonder recht. Het is een absoluut, beperkt recht. Het is ook een zekerheidsrecht en daarmee een afhankelijk recht. Het pandrecht laat toe dat er meerdere rechten tegelijkertijd bestaan. Het kan ook worden gevestigd op een vordering op naam. Binnen het pandrecht bestaan bijzondere regels voor vuist-pandrecht en stil pandrecht.
Wanneer er sprake is van dubbele verpanding van zaken kan er sprake zijn van een rangwisseling. Het kan dan voorkomen dat een ouder gerechtigde minder gerechtigd wordt dan een nieuwe waardoor de nieuw gerechtigde bovenaan komt te staan. (art. 3:238 lid 2 BW)
Dat kan niet bij vorderingen. De ouder gerechtigde blijft altijd als belangrijkste bovenaan staan.