Vraag 1
A verhuurt zijn huis aan B. Vervolgens verkoopt A dit huis aan C en draagt het aan hem in eigendom over. Kan B zijn recht handhaven tegenover C?
Vraag 2a
Bespreek en vergelijk de rechtspositie van A:
A leent zijn auto voor een maand uit aan B. Nog in diezelfde maand gaat B failliet
Vraag 2b
A leent bedrag van 5.000 euro aan B. Kort nadien gaat B failliet.
Vraag 2c
A heeft een erfpachtrecht op een aan B toebehorend stuk land. B gaat failliet.
Vraag 2d
A vestigt een recht van erfpacht op zijn grond ten behoeve van B. Vervolgens verkoopt A de grond en draagt die in eigendom over aan C. Kan B zijn recht handhaven tegenover C?
Vraag 2e
A geeft zijn huis in bruikleen aan B. Vervolgens verkoopt A dit huis aan C en draag het aan hem in zijn eigendom over. Kan B zijn recht handhaven tegen over C?
Vraag 3
In de meeste boeken staat voorin opgenomen “niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigt of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande toestemming van de uitgever”. Valt dit auteursrecht te kwalificeren als een goed in de zin van artikel 3:1 BW?
Vraag 4
A koopt van B een huis voor €150.000. Het huis wordt aan A geleverd. Omdat A de koopprijs niet kan betalen leent hij een ton bij een bank waarvoor hij aan de bank een hypotheek op het huis verschaft. Vervolgens geeft A het huis in bruikleen X en nog later schenkt en levert hij het huis aan Y. Kunt aangeven wat de rechtspositie van A, de bank, X en Y is?
Vraag 5
Welke kwalificaties geeft u aan de volgende objecten:
een perceel grond
een stoel
een erfpachtrecht
een kat
een boot
een auto
Vraag 1
Art. 7:226 BW; Koop breekt geen huur; verplichtingen gaan over op de nieuwe eigenaar C. Ook een nieuwe verhuurder moet de huur opzeggen als hij de huur wil beëindigen. Het huurcontract eindigt namelijk niet als de woning wordt verkocht. De nieuwe eigenaar zet het bestaande huurcontract voort. Als hij het huurcontract wil beëindigen is hij gebonden aan wettelijke regels voor opzegging. Wil de nieuwe eigenaar de woning zelf gebruiken (dringend eigen gebruik), dan kan hij de huur niet meteen opzeggen. Dit kan pas 3 jaar nadat hij de huurder schriftelijk gemeld heeft dat hij de nieuwe eigenaar is. Dus ja.
Vraag 2a
Bruikleen overeenkomst. A blijft eigenaar van de auto, indien B failliet gaat, kan A de auto uit terugvorderen (revindiceren) aangezien A gewoon eigenaar is gebleven van de auto. Art. 7A:1777/7A:1778 BW & art. 5:2 BW. Na afloop van de maand kan A de auto revindiceren. A is hier seperatist.
Vraag 2b
Omdat het hier gaat om een verbruikleenovereenkomst, geldt art. 7:129 BW, De eigendom van bijvoorbeeld fysieke munten, dan hoeft B niet daadwerkelijk dezelfde munten terug over te dragen maar wel hetzelfde bedrag terug over dragen aan A. Betreft hier slechts een vordering van A op B; B heeft wel de verplichting om eenzelfde soort zaak over te dragen, dit werkt relatief.
Vraag 2c
A heeft hier een beperkt recht op een goed van B, art. 5:85 BW. Bij faillissement heeft de rechthebbende A dus een separatistpositie. Het faillissement van B raakt de erfpachter A niet en A kan zijn erfpachtrecht in faillissement handhaven.
Vraag 2d
Art. 5:85 lid 1 BW. Erfpacht is een zakelijk recht dat de erfpachter de bevoegdheid geeft eens anders onroerende zaak te houden en te gebruiken;
Beperkte rechten op goederen zijn absolute rechten, zij hebben dus zaaksgevolg. Zij houden hun werking tegen verkrijgers onder bijzondere titel van het goed waarop het beperkte recht rust. Indien een stukgrond, zoals in casu, waarop een erfpachtrecht is gevestigd en dat stuk grond verkocht wordt, heeft de nieuwe eigenaar van die grond een stuk grond mét erfpachtrecht erop; zaaksgevolg. Dus B kan gewoon zijn recht handhaven tegenover C.
(Tenzij er bijvoorbeeld sprake is van een termijn die dan ook is afgelopen o.i.d. maar dit is niet gegeven in de casus; Art. 5:86 BW: partijen kunnen in de akte van vestiging de duur van erfpacht regelen)
Vraag 2e
Bruikleen is een persoonlijk recht, geen zaaksgevolg droit de suite. Indien de zaak wordt overgedragen aan een ander, in dit geval van A naar C, hoeft de nieuwe eigenaar de bruikleen van B niet te dulden. Betreft dus een relatief recht van B dat slecht werkt jegens A en niet jegens C!
Vraag 3
Het object is niet een stoffelijk iets; het gaat om de inhoud van het boek, namelijk het geestesproduct van de auteur. Het betreft dus geen zaak; dit betekent niet dat het geen goed is. Het valt onder de definitie van een vermogensrecht (art. 3:6 BW); dus ja!
Vraag 4
A: is geen eigenaar meer van het huis, dat is Y geworden! A heeft de verplichting om tot bruikleen aan X.
A-Bank: Hypotheek; als A niet betaald, is bank gerechtigd het huis te verkopen en zich te voldoen uit de opbrengst. Het hypotheekrecht is een beperkt recht op een groter recht. De bank heeft op A een hypotheek van €100.000.
A-X: Bruikleen;
A-Y: Schenking en levering huis. Y is dus eigenaar geworden van het huis.
Vraag 5
Een perceel grond; betreft hier een goed, namelijk een zaak: art. 3:1 BW. Artikel 3:2 BW: zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten. Het betreft hier een onroerende zaak namelijk de grond, artikel 3:3 BW. Het is tevens een registergoed; voor welker overdracht of vestiging inschrijving in openbare registers noodzakelijk is art. 3:10 BW jo. 3:89 BW.
Een stoel; betreft een goed, namelijk een zaak: art. 3:1 BW. artikel 3:2 BW: zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten; Het betreft hier een roerende zaak, artikel 3:2 lid 2 BW; roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn. Niet-registergoed, want er is geen sprake van grond/grond verenigde beplantingen/gebouwen/werk dat duurzaam met grond is verenigd + levering geschiedt middels bezitsverschaffing: art. 3:10 jo. 3:90 BW.
Een erfpachtrecht: is een absoluut vermogensrecht, art. 3:6 BW: het is een zakelijk recht dus werkt tegenover eenieder. Je kan het vinden in art. 5:85 BW: dus een zakelijk recht. Betreft tevens een registergoed namelijk op grond van artikel 3:10 BW; betreft een vermogensrecht (art. 3:1 jo. 3:6 BW) + voor overdracht of vestiging is inschrijving in de openbare registers noodzakelijk; beperkt recht (art. 3:8 BW) dat wordt gevestigd op een stuk grond (art. 3:98 jo. 3:89 BW)
Een kat: artikel 3:2a BW; lid 1: dieren zijn geen zaken. Artikel 3:2a BW: bepaling met betrekking tot zaken (in dit geval dus roerende zaken) zijn op dieren van toepassing, met inachtneming van de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen, verplichtingen en rechtsbeginselen, alsmede de openbare orde en goede zeden. Geen zaak en geen vermogensrecht; dus geen goed (art. 3:1 BW)
Een boot: betreft een goed, art. 3:1 BW, namelijk een zaak: art. 3:2 BW; roerende zaak art. 3:3 BW. Is niet per definitie een registergoed, bijv. indien je een motorboot koopt, is dit niet een register goed;
Een auto: het is een goed, want het is een zaak want stoffelijk: art. 3:1 jo. artikel 3:2 BW; Het betreft hier een roerende zaak, artikel 3:2 lid 2 BW; roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn. Niet-registergoed; want geen inschrijving nodig in openbare registers: art. 3:10 jo. 3:89/90 BW.