Nationaal en Internationaal Burgerlijk Procesrecht - UVA B2 - TentamenTests 2010-2014


Tentamen januari 2010 - MC-vragen

Vraag 1

 Twee uitspraken:

I.              De door de grieven van appellant bepaalde rechtsstrijd in hoger beroep kan worden uitgebreid door middel van  incidenteel appel.

II.            De rechtsstrijd in hoger beroep kan, bij het slagen van een grief, uitbreiding ondervinden als gevolg van de devolutieve werking van het appel.

Welke uitspraak is juist?

a.     I en II zijn juist.

b.    I is juist, II is onjuist.

c.     I is onjuist, II is juist.

d.    I en II zijn beide onjuist.

Vraag 2

Twee uitspraken:

I.              Voor de ontvankelijkheid van een cassatieberoep is een positief advies van een cassatieadvocaat vereist.

II.            Voor het slagen van een cassatieberoep is vereist dat de conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad positief adviseert in die zin.

Welke uitspraak is juist?

a.            I en II zijn juist.

b.            I is juist, II is onjuist.

c.            I is onjuist, II is juist.

d.            I en II zijn beide onjuist.

Vraag 3

Welke uitspraak is juist?

a.             In de arbitrale procedure kunnen partijen alleen verschijnen door tussenkomst van een advocaat.

b.            Indien een arbitraal vonnis niet is voorzien van een zgn. exequatur kan van dat vonnis geen vernietiging worden gevorderd.

c.             Arbiters worden voor hun werkzaamheden van overheidswege gehonoreerd.

d.            Tegen een arbitraal vonnis staat alleen hoger beroep open als partijen daarin bij overeenkomst hebben voorzien.

Vraag 4

Piet was werkzaam als verkoper voor het advertentie-verkoopkantoor van Klaas. Toen Piet daar werd ontslagen had hij een tamelijk forse geldvordering wegens niet uitbetaalde bonussen. Voor die geldvordering heeft Piet conservatoor beslag gelegd onder de grootste klant (“de derde”) van Klaas. Welke uitspraak is juist?

a.     Wanneer de derde de verklaring als bedoeld in artikel 720 juncto 476a Rv heeft afgelegd kan de derde daar niet meer op terugkomen.

b.    Betalingen die de derde aan Klaas heeft gedaan in de dagen voorafgaand aan het door Piet gelegde beslag vallen onder het beslag van Piet indien de derde toen wist dat Piet een vordering op Klaas had.

c.     Onder het beslag vallen wel de vorderingen die Klaas op het moment van beslaglegging op de derde had maar niet de vorderingen die Klaas op de derde verkrijgt uit een ten tijde van dat beslag reeds bestaande rechtsverhouding.

d.    Als de derde zelf ook een vordering op Klaas heeft, mag de derde die vordering eerst verrekenen met zijn schuld aan Klaas zodat alleen een eventueel positief saldo behoeft te worden uitgekeerd.

Vraag 5

X vordert bij de kantonrechter ontbinding van een met cateringbedrijf Y gesloten overeenkomst en vervangende schadevergoeding van € 2.500,= omdat Y te laat kwam met de bestelde borrelhapjes. Y betwist die schade. De kantonrechter wijst de ontbinding toe, maar verklaart X niet-ontvankelijk in de vordering tot schade-vergoeding, aangezien ten aanzien van de aard en omvang van de schade te weinig is gesteld. Om alsnog kans op toewijzing van de vordering tot schade-vergoeding te maken

a.             kan X hetzij appel instellen, hetzij een verbeterde vordering opnieuw instellen.

b.            moet X een verbeterde vordering opnieuw instellen.

c.             moet X appel instellen.

d.            Geen van bovenstaande antwoorden is juist.

Vraag 6

Bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, is X in kort geding veroordeeld om zich op straffe van een dwangsom te onthouden van bepaalde in het vonnis nader omschreven handelingen. Het vonnis is aan X betekend. X meent dat het vonnis onjuist is en uiteindelijk geen stand zal kunnen houden; hij is niet bereid zich overeenkomstig het vonnis te gedragen. Twee uitspraken:

I.      Wanneer X tegen het vonnis hoger beroep instelt en het vonnis wordt in appel vernietigd, is X terzake van overtredingen van het in kort geding gegeven verbod geen dwangsommen verschuldigd.

II.    Wanneer X in een bodemprocedure vordert voor recht te verklaren dat hij tot de bij het kort geding vonnis verboden handelingen gerechtigd is en die vordering wordt toegewezen, dan is X ter zake van overtredingen van het in kort geding gegeven verbod geen dwangsommen verschuldigd.

Welke uitspraak is juist?

a.             I en II zijn juist.

b.            I is juist, II is onjuist.

c.             I is onjuist, II is juist.

d.            I en II zijn beide onjuist.

Vraag 7

Heffer B.V. vordert de veroordeling van Lenstra B.V. tot betaling van € 30.000 wegens aan Lenstra geleverde audio-apparatuur. Lenstra voert verweer en vordert in reconventie veroordeling van Heffer tot betaling van een bedrag van € 15.000 aan vergoeding wegens levering van ondeugdelijke apparatuur, die schade heeft veroorzaakt. In conventie beslist de rechter (in het dictum) dat Heffer door middel van getuigen moet bewijzen dat de apparatuur goed verpakt was. In reconventie wijst de rechter (in het dictum) de vordering van Lenstra af. Lenstra is het met deze afwijzing absoluut niet eens. Wanneer moet een eventueel hoger beroep daartegen worden ingesteld?

a.             Binnen drie maanden na uitspraak van het vonnis.

b.            Binnen drie maanden na uitspraak van het vonnis of binnen drie maanden na uitspraak van het eindvonnis op de vordering in conventie.

c.             Binnen drie maanden na uitspraak van het eindvonnis op de vordering in conventie.

d.            Binnen drie maanden na uitspraak van het vonnis, maar alleen als de rechter hoger beroep heeft toegelaten.

Vraag 8

Welke uitspraak is juist?

a.            Arbiters kunnen aan een veroordeling geen dwangsom verbinden.

b.            Sommige schuldeisers hebben het recht om, zonder in het bezit te zijn van een executoriale titel en zonder voorafgaande beslaglegging, hun geldvordering op bepaalde goederen van de schuldenaar te verhalen als deze in verzuim is.

c.            De verplichting tot afgifte van een roerende zaak is niet reëel executabel.

d.            Bij toewijzing van schadevergoeding komen verbeurde en geïncasseerde dwangsommen daarop in mindering.   

Vraag 9

Akersma maakt jegens Janssen aanspraak op betaling van € 10.000,=. Janssen betaalt niet. Ter verzekering van zijn vordering legt Akersma conservatoor beslag op de rekening van Janssen bij de Rambo-bank. Uit de door de bank nadien afgelegde verklaring blijkt dat het saldo van de rekening op het moment van beslaglegging € 20.000,= bedroeg. Voordat de Rambo-bank enige betaling aan de deurwaarder (van Akersma) heeft gedaan, legt Zwart, die € 40.000,= van Janssen te vorderen heeft, eveneens conservatoor beslag op de rekening. Als beide vorderingen worden toegewezen en het saldo bij de tweede beslaglegging nog steeds € 20.000,=  was, zal uiteindelijk worden uitgekeerd:

a.             € 4.000,= aan Akersma en € 16.000,= aan Zwart.

b.            € 10.000,= aan Akersma en niets aan Zwart, nu diens beslag na de verklaring is gelegd.

c.             € 10.000,= aan Akersma en € 10.000,= aan Zwart.

d.            Niets aan Akersma en € 20.000,=  aan Zwart, omdat ook dan het niet betaalde deel van de vordering van Zwart groter is dan de vordering van Akersma.

Vraag 10

Twee uitspraken:

I     In kort geding kan een geldvordering alleen worden toegewezen onder de voorwaarde dat daarna dezelfde vordering ook in een bodemprocedure wordt ingesteld.

II    In kort geding heeft de eisende partij de keuze om het geschil voor te leggen aan de kortgedingrechter van de rechtbank die ook in een bodemprocedure bevoegd zou zijn, dan wel bij de kortgedingrechter van de rechtbank waar de gevraagde voorziening moet worden uitgevoerd.

Welke uitspraak is juist?

a.            I en II zijn beide juist;

b.            I is juist, II is onjuist;

c.            I is onjuist, II is juist;

d.            I en II zijn beide onjuist.

Vraag 11

De eiser heeft de gedaagde gedagvaard voor de rechtbank sector civiel. Op de eerste dienende dag komt de rechter tot het oordeel dat de dagvaarding niet voldoet aan de substantiëringsverplichting van art 111 lid 3 Rv.

Welke uitspraak is juist?

a.             De rechter moet de dagvaarding nietig verklaren;

b.            De rechter kan bevelen de ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken;

c.             De rechter moet bevelen de ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken;

d.            De rechter mag geen consequenties aan het verzuim verbinden..

Vraag 12

A heeft tot verhaal van zijn vorde­ring op B executoriaal beslag gelegd onder C. Na de beslag­leg­ging cedeert B zijn vor­dering op C aan D, die niet van het beslag op de hoogte is.

Welke uitspraak is juist?

a.             De cessie is wegens strijd met het beslag zonder rechtsge­volg.

b.            De cessie is geldig maar kan niet aan A worden tegengewor­pen.

c.             De cessie is geldig en kan ook aan A worden tegengeworpen indien D te goeder trouw was.

d.            Geen van bovenstaande uitspraken is juist.

Vraag 13

Welke uitspraak is juist?

a.             Alleen schriftelijke stukken die door een notaris zijn opgemaakt zijn authentieke akten;

b.            Een authentieke akte is alleen een executoriale titel als zij van een rechterlijke machtiging is voorzien;

c.             Een authentieke akte levert dwingend bewijs op van hetgeen de akte bestemd is te bewijzen, zonder dat daartegen nog tegenbewijs toegelaten is;

d.            Als een geschrift het uiterlijk heeft van een authentieke akte, dan geldt het als authentieke akte behoudens bewijs van het tegendeel.

Vraag 14

De gewone rechtsmiddelen verzet, hoger beroep en beroep in cassatie worden ook wel de schorsende rechtsmiddelen genoemd. Het instellen daarvan schorst een eventuele executie van het met het rechtsmiddel aangevallen vonnis

a.             in alle gevallen.

b.            alleen als de rechter dat vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.

c.             alleen als de rechter dat vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.

d.            alleen als het te executeren vonnis nog niet op de voet van art. 430 Rv was betekend.

Vraag 15

In de zaak Van Rooij/van der Sluis (HR 15 mei 1998, NJ 1998,625) berustte het cassatiemiddel op de opvatting dat, indien de rechter tot de slotsom komt dat de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding een andere is dan door de eiser gesteld, de door de eiser ingestelde vordering niet op grondslag van die andere rechtsverhouding kan worden toegewezen.

Welke uitspraak is juist?

a.             Dit middel bevat een juiste uitleg van art. 25 Rv

b.            Dit middel bevat een onjuiste uitleg van art. 25 Rv

c.             Dit middel bevat een juiste uitleg van art. 24 Rv

d.            Geen van bovenstaande uitspraken is juist.

Vraag 16

Welke uitspraak is niet juist?

a.     Anders dan de eis in reconventie in dagvaardingsprocedures, dient een reconventioneel verzoek in de verzoekschriftprocedure betrekking te hebben op hetzelfde onderwerp als het oorspronkelijke verzoek.

b.    In de dagvaardingsprocedure geldt als uitgangspunt dat de eiser de wederpartij oproept om voor de rechter te verschijnen terwijl bij de verzoekschriftprocedure het in beginsel de griffier van het gerecht is die alle betrokkenen oproept.  

c.     Indien een correct opgeroepen partij in een verzoekschriftprocedure niet verschijnt en de rechter geeft een beschikking, dan staat net als in de dagvaardingsprocedure aan de niet verschenen partij het rechtsmiddel van verzet ten dienste. 

d.    In verzoekschriftprocedures gelden de regels van het bewijsrecht, tenzij de aard van de zaak zich daartegen verzet.

Vraag 17

Hans is bereid een geldbedrag van € 1.000,= aan zijn buurman Sjaak te lenen, mits deze geldlening in een onderhandse akte wordt vastgelegd. Hans en Sjaak hebben de onderhandse akte opgesteld en getekend en Hans heeft Sjaak het geld geleend. Sjaak betaalt de lening echter niet terug.

Welke uitspraak is juist?

a.     De onderhandse akte levert dwingend bewijs op tegen een ieder van het bestaan van de overeenkomst van geldlening.

b.    De onderhandse akte levert een executoriale titel op die Hans, na betekening, door de deurwaarder ten uitvoer kan laten leggen.

c.     De onderhandse akte levert dwingend bewijs op van de overeenkomst van geldlening tussen Hans en Sjaak indien Sjaak de akte heeft voorzien van een goedkeuring die de geldsom voluit in letters vermeldt.

d.    Geen van bovenstaande uitspraken is juist.

Vraag 18

Twee uitspraken:

I.    De eigenaar van een onroerende zaak waarop executoriaal beslag is ligt, kan deze zaak niet aan een derde overdragen.

II.   Indien een roerende zaak waarop executoriaal verhaalsbeslag is gelegd, wordt overgedragen aan een derde, dan kan deze derde zijn eigendomsverkrijging nooit aan de beslaglegger tegenwerpen.

Welke uitspraak is juist?

a.             I en II zijn beide juist;

b.            I is juist, II is onjuist;

c.             I is onjuist, II is juist;

d.            I en II zijn beide onjuist.

Vraag 19

Welke van de onderstaande uitspraken is onjuist?

a.             De rechter kan in kort geding zijn vonnis ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

b.            De rechter kan in kort geding een overeenkomst op grond van dwaling vernietigen.

c.             De voorzieningenrechter van de sector civiel is ook bevoegd te oordelen over voor kort geding geschikte zaken die op de voet van artikel 93 Rv behoren tot de bevoegdheid van de kantonrechter.

d.            De rechter mag in kort geding weigeren een verzochte voorziening te geven indien de zaak naar zijn oordeel niet geschikt is om in kort geding te worden behandeld.  

Vraag 20

In het arrest “De Heel/Korver” (Hoge Raad 13 januari 1995, NJ 1997/ 175) waarin Korver het ziekenhuis De Heel aanspreekt tot schadevergoeding, oordeelt de Hoge Raad dat:

a.             op het ziekenhuis de bewijslast rust dat geen sprake is van een door het ziekenhuis begane onzorgvuldigheid.

b.            op het ziekenhuis een verzwaarde stelplicht (motiveringsplicht) rust teneinde eiser Korver aanknopingspunten voor bewijslevering te verschaffen.

c.             in casu op geen van beide partijen de bewijslast rust.

d.            in de gegeven omstandigheden wordt vermoed dat  het ziekenhuis onzorgvuldig heeft gehandeld, en dat het daartegen tegenbewijs mag leveren.

Vraag 21

Leo heeft een brandverzekering voor zijn huis afgesloten bij de Nationale Verzekeringsmaatschappij (NV). In de polisvoorwaarden is de clausule opgenomen dat wanneer de verzekeringnemer de premie niet (tijdig) voldoet, de NV niet is gehouden om uit te keren. Leo’s huis wordt getroffen door brand en Jaap wendt zich tot de NV voor uitkering op grond van de brandverzekering. De NV weigert uit te keren, stellende dat Leo de verzekeringspremie niet heeft voldaan. Leo betwist dat en dagvaardt de NV teneinde in rechte betaling af te dwingen. De NV verweert zich als voormeld. Welke uitspraak is juist?

a.             Het verweer van de NV is aan te merken als een betwisting van de rechtsgrond van de door Jaap ingestelde vordering. Leo zal zo nodig moeten bewijzen dat de ontheffingsgrond zich niet voordoet.

b.            Het verweer van de NV is aan te merken als een betwisting van de rechtsgrond van de door Leo ingestelde vordering en de NV zal derhalve zo nodig moeten bewijzen dat de ontheffingsgrond zich voordoet.

c.             Het verweer van de NV is aan te merken als een bevrijdend rechtsfeit ten opzichte van de door Leo ingestelde vordering. Jaap zal zo nodig moeten bewijzen dat de ontheffingsgrond zich niet voordoet.

d.            Het verweer van de NV is aan te merken als een bevrijdend rechtsfeit ten opzichte van de door Leo ingestelde vordering en de NV zal derhalve zo nodig moeten bewijzen dat de ontheffingsgrond zich voordoet.

Vraag 22

U bent advocaat. Tot u wendt zich de heer J. van Schepper. De heer Van Schepper vertelt u dat hij vorig jaar een bedrag van EUR 10.000 heeft uitgeleend aan mevrouw Stabel. Hij heeft dit bedrag cash aan haar gegeven. Afgesproken was dat het bedrag binnen twee maanden zou worden terugbetaald, maar mevrouw Stabel heeft dit nagelaten. Toen de heer van Schepper het geld aan haar heeft teruggevraagd, ontkende mevrouw Stabel dat zij ooit geld van hem had geleend! Partijen hebben destijds een schriftelijke leningsovereenkomst opgesteld en deze beide ondertekend. Deze schriftelijke leningsovereenkomst is echter bij een brand verloren gegaan. De heer van Schepper wil een rechtszaak beginnen om terugbetaling te vorderen. Welke uitspraak is juist?

I.      Voor het bewijs dat hij het geld aan mevrouw Stabel heeft uitgeleend, is de eigen verklaring van de heer van Schepper op zichzelf niet voldoende. Naast andere bewijsmogelijkheden kan hij echter, indien nodig, ook mevrouw Stabel als getuige oproepen.

II.    Indien de heer van Schepper nog wel over de schriftelijke leningsovereenkomst had beschikt, dan had hij de zaak hoe dan ook gewonnen. Deze overeenkomst levert immers dwingend bewijs op en tegenbewijs is in dat geval niet mogelijk.

Welke uitspraak is juist?

a.            I en II zijn beide juist;

b.            I is juist, II is onjuist;

c.            I is onjuist, II is juist;

d.            I en II zijn beide onjuist.

Vraag 23

Roel studeert rechten aan de UvA. Hij huurt een kamer van mevrouw Penning. Hoewel het maar een kleine kamer is, bedraagt de huur maar liefst EUR 600 per maand. Roel raakt in betalingsproblemen en er ontstaat een huurachterstand. Hoewel mevrouw Penning eerst nog wel geduld heeft met Roel is, wanneer de achterstand is opgelopen tot EUR 5.400, voor haar de maat vol. Zij dagvaardt Roel voor de rechtbank Amsterdam, sector civiel, teneinde betaling van EUR 5.400 af te dwingen. Roel wil inhoudelijk verweer voeren, namelijk dat de huurprijs al die jaren veel te hoog is geweest. Wat zal de rechter doen?

a.             De zaak inhoudelijk behandelen.

b.            De zaak verwijzen op de voet van art. 71 Rv.

c.             De zaak verwijzen op de voet van art. 69 Rv.

d.            Mevrouw Pecunia niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Vraag 24

Twee uitspraken:

I.    Als gedaagde niet op de in de dagvaarding vermelde eerste zittingsdatum verschijnt, wordt de procedure geschorst zodat gedaagde opnieuw kan worden gedagvaard tegen een latere zittingsdatum.

II.   Nadat gedaagde in een bodemprocedure voor antwoord heeft geconcludeerd, volgt een comparitie van partijen tenzij de zaak daarvoor niet geschikt is.

 

Welke uitspraak is juist?

a.            I en II zijn beide juist;

b.            I is juist, II is onjuist;

c.            I is onjuist, II is juist;

d.            I en II zijn beide onjuist.

Vraag 25

Welke uitspraak is juist?

a.             als het rechtsmiddel van hoger beroep niet tijdig is ingesteld, kan de rechter appellant alléén in het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren als de wederpartij op de termijnoverschrijding een beroep heeft gedaan;

b.            de rechter mag ambtshalve de eiser niet-ontvankelijk verklaren op grond van verjaring;

c.             de rechter mag in geen geval bewijs opdragen van feiten die tussen partijen niet betwist zijn;    

d.            geen van de bovenstaande uitspraken is juist.

Vraag 26

Twee uitspraken.

I.    In hoger beroep kan de rechter geen comparitie van partijen bevelen.

II.    Voor het leggen van executoriaal beslag is in de regel voorafgaand verlof van de voorzieningenrechter vereist.

Welke uitspraak is juist?

a.            I en II zijn beide juist;

b.            I is juist, II is onjuist;

c.            I is onjuist, II is juist;

d.            I en II zijn beide onjuist.

Vraag 27

Het kort geding onderscheidt zich van de bodemprocedure doordat:

a.             de rechter in kort geding niet gehouden is om ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen;

b.            het instellen van een eis in reconventie in kort geding niet mogelijk is;

c.             een aantal formele regels van het bewijsrecht in kort geding niet van toepassing is;

d.            tegen een kort-geding vonnis wel hoger beroep maar geen cassatie open staat.

Vraag 28

Twee uitspraken:

I.       Uit het arrest inzake Goosen/Goosen (HR 4 oktober 1996 NJ 1998,45) volgt dat herroeping van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak mogelijk is wanneer een partij door haar oneerlijke proceshouding belet dat in de procedure feiten aan het licht komen die tot een voor de tegenpartij gunstige afloop van die procedure zouden hebben kunnen leiden.

II.      Als de eiser stelt dat alle raven wit zijn en de gedaagde die stelling niet betwist moet de rechter als vaststaand feit aannemen dat alle raven wit zijn.

Welke uitspraak is juist?

a.             I en II zijn beide juist;

b.            I is juist, II is onjuist;

c.             I is onjuist, II is juist;

d.            I en II zijn beide onjuist.

Vraag 29

Brouwsma heeft  dure wijnen op rekening gekocht bij Wijnhandel Coolaars.  Coolaars dagvaardt Brouwsma na diverse aanmaningen om te betalen maar Brouwsma verschijnt niet. Er volgt een vonnis dat Coolaars geheel in het gelijk stelt. Het vonnis wordt aan Brouwsma in persoon betekend. Brouwsma wil dat vonnis doen vernietigen omdat hij de wijn ondrinkbaar vond. Welke uitspraak is juist?

a.        hij moet daartoe binnen 4 weken verzet instellen; er kan geen ander gewoon rechtsmiddel worden ingesteld.

b.        hij moet daartoe binnen 4 weken verzet instellen; daarna is alleen hoger beroep mogelijk.

c.        hij moet uiterlijk binnen 4 weken nadat Coolaars de executie van het vonnis heeft voltooid verzet instellen; er kan geen ander gewoon rechtsmiddel worden ingesteld.

d.        geen van bovenstaande uitspraken is juist.

Vraag 30

De processuele vrijwaring strekt er toe dat:

a.            bij veroordeling van de gedaagde in de hoofdzaak wordt beslist dat de in vrijwaring op te roepen partij ten opzichte van de gedaag­de in de hoofdzaak (de gevolgen van) deze veroordeling geheel of ten dele voor zijn reke­ning moet nemen.

b.            de gedaagde in de hoofdzaak, wanneer de eis wordt afgewezen en de eiser in de proceskosten wordt veroor­deeld, een extra waarborg voor de betaling daarvan verkrijgt.

c.            de eiser in de hoofdzaak een extra waarborg verkrijgt dat de gedaagde in de hoofdzaak aan de veroordeling zal voldoen.

d.            bij afwijzing van de eis in de hoofdzaak de op te roepen partij ervan wordt gevrijwaard dat deze nog door de eiser in de hoofdzaak wordt aange­sproken.

Antwoordindicatie MC-vragen

Vraag

Antwoord

Vindplaats

1

a

Zie: Stein/Rueb blz 243 e.v.

2

d

Zie: Stein/Rueb blz 253 e.v.

3

d

Zie: Stein/Rueb blz 319, 325 - 326

4

d

Zie: Stein/Rueb blz  431 e.v.

5

a

Zie: Stein/Rueb blz 319, 325–326

6

b

Zie: Stein/Rueb blz 201, 213

7

 a

Zie: Stein/Rueb blz 235 - 243

8

b

Zie: Stein/Rueb blz 323, 377, 361, 378 e.v 

9

a

Zie: Stein/Rueb blz 435 e.v.

10

c

Zie: Stein/Rueb blz 271 e.v., 277

11

b

Zie: Stein/Rueb blz 105-106, 109-111

12

b

Zie: Stein/Rueb blz 402

13

d

Zie: Stein/Rueb blz 161

14

b

Zie: Stein/Rueb blz 213

15

b

Zie: Stein/Rueb blz 39-44

16

c

Zie: Stein/Rueb blz 285-309

17

d

Zie: Stein/Rueb blz 158-159

18

d

Zie: Stein/Rueb blz 421-423, 394,

19

b

Zie: Stein/Rueb blz 280, 277, 273-275

20

b

Zie: Stein/Rueb blz 135 e.v.

21

d

Zie: Stein/Rueb blz 138-149

22

b

Zie: Stein/Rueb blz 171, 164 e.v., 151-159

23

b

Zie: Stein/Rueb blz 69, 76

24

c

Zie: Stein/Rueb blz 116-117, 123

25

d

Zie: Stein/Rueb blz  39-44

26

d

Zie: Stein/Rueb blz 247, 428

27

c

Zie: Stein/Rueb blz 271-283

28

b

Zie: Stein/Rueb blz 263-265, 137

29

a

Zie: Stein/Rueb blz 230-235

30

a

Zie: Stein/Rueb blz 191-192

 

 

Tentamen maart 2011 – MC vragen

 

Vraag 1

Welke uitspraak is onjuist?

  1. In een dagvaarding moeten de eis en de gronden daarvan worden vermeld.
  2. Een exploot van dagvaarding kan alleen door een deurwaarder worden uitgebracht.
  3. Gelet op de functie van een dagvaarding is het onmogelijk om een onjuiste partij-aanduiding in een exploot van dagvaarding later te rectificeren; er zal een nieuwe dagvaarding moeten worden uitgebracht.
  4. Eerder door de gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren moet eiser zelf in de dagvaarding vermelden.

 

Vraag 2

Welke uitspraak is onjuist?

  1. Een voordeel van het vastleggen van een overeenkomst van geldlening in een notariële akte is onder meer dat (de grosse van) een notariële akte als executoriale titel kan gelden.
  2. Voor wat betreft de daarin opgenomen partijverklaringen heeft de authentieke akte een hogere bewijskracht dan de onderhandse akte.
  3. Een onderhandse akte heeft vrije bewijskracht, wanneer zij door of tegen derden wordt ingeroepen.
  4. Geen van de bovenstaande uitspraken is onjuist.

 

Vraag 3

Welke stellingen zijn juist? Een rechter mag:

a.            geen door partijen niet aangevoerde rechtsgronden aanvullen;

b.            feiten of omstandigheden van algemene bekendheid aan zijn beslissing ten grond­slag leggen als deze niet door partijen zijn aangevoerd;

c.            niet de feitelijke grondslag van een vordering aanvullen;

d.            alleen bij de gelegenheid van een comparitie na antwoord partijen om informatie vragen als hij dat voor de beoordeling van de zaak meent nodig te hebben.

 

1.    a en d.

2.    b en c.

3.    c en d.

4.    b en d.

 

Vraag 4

Welke uitspraak is juist?

  1. In de verzoekschriftprocedure gelden dezelfde regels met betrekking tot de relatieve competentie als in de dagvaardingsprocedure.
  2. In de verzoekschriftprocedure worden de regels van het bewijsrecht onverkort toegepast.
  3. In tegenstelling tot hetgeen geldt bij een eis in reconventie in de dagvaardings­procedure is een tegenverzoek in een verzoekschriftprocedure alleen toegestaan als dit verzoek betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek.
  4. Geen van de voorgaande uitspraken is juist.

 

Vraag 5

Welke uitspraak is juist?

  1. Een dwangsom kan aan alle veroordelingen worden verbonden.
  2. Verbeurde dwangsommen verjaren door verloop van zes maanden na de dag waarop zij verbeurd werden.
  3. Een verbeurde dwangsom blijft verbeurd, ook als de uitspraak waarop deze is gesteld, in hoger beroep wordt vernietigd.
  4. Geen van voorgaande uitspraken is juist.

 

Vraag 6

Twee uitspraken. Welke is / zijn juist?

I.    Alvorens verlof tot het leggen van conservatoir verhaalsbeslag kan worden verleend, zullen eerst alle partijen tot een mondelinge behandeling moeten worden opgeroepen;

II.   Er kan alleen verlof voor conservatoir leveringsbeslag worden verleend als de eis in hoofdzaak ten tijde van het indienen van het verzoekschrift reeds aanhangig is.

  1. I en II zijn beide juist.
  2. I is juist, II is onjuist.
  3. I is onjuist, II is juist.
  4. I en II zijn beide onjuist.

 

Vraag 7

Tussen werknemer A en de vrouw van werkgever B is op de werkplek een buiten­echtelijke relatie ontstaan. B stapt naar de voorzienin­genrechter, vordert in kort geding een verklaring voor recht dat de handel­wijze van A een dringende reden tot onmiddellijk ontslag oplevert en eist een verbod voor B om tijdens de ontslag­procedure de werkplek te betreden. Welke uitspraak is juist?

  1. Zowel de verklaring voor recht als het verbod kan de voor­zieningenrechter toewijzen.
  2. Noch de verklaring voor recht noch het verbod kan de voor­zieningenrechter toewijzen.
  3. De verklaring voor recht kan de voor­zie­ningenrechter niet, het verbod kan de voorzieningen­rechter wel toewijzen.
  4. De verklaring voor recht kan de voor­zie­ningenrechter wel, het verbod kan de voorzieningen­rechter niet toewijzen.

 

Vraag 8

Een partij die zonder in rechte te zijn verschenen in eerste aanleg volledig in het ongelijk is gesteld,

  1. heeft in een dagvaardingszaak de keuze tussen verzet of hoger beroep.
  2. heeft in een verzoekschriftprocedure de keuze tussen verzet of hoger beroep.
  3. kan zowel in een verzoekschriftprocedure als in een dag­vaardingszaak slechts verzet instellen.
  4. kan in een dag­vaardingszaak slechts verzet instellen.

 

Vraag 9

Op 1 juli 2010 krijgt Jansen verlof om conservatoir beslag te leggen ten laste van Barend. De voorzieningenrechter stelt de in het derde lid van artikel 700 Rv bedoelde termijn op 14 dagen. Op basis van dit verlof laat Jansen op 1 september 2010 het beslag leggen. Daarna wordt Barend gedagvaard bij exploot van dagvaarding van 1 oktober 2010.

Welke stelling is juist?

  1. Het beslag van 1 september is nietig omdat het te laat is gelegd.
  2. De dagvaarding is nietig omdat die te laat is uitgebracht.
  3. Het beslag is vervallen omdat de dagvaarding te laat is uitgebracht.
  4. Het beslag is van kracht zolang het in het tweede lid van artikel 704 Rv geregelde geval zich niet voordoet.

 

Vraag 10

De minderjarige Harold heeft geld van Geert te vorderen. Gerard betaalt niet. Daarop begint Erik, de vader van Harold, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger een procedure tegen Geert. Geert heeft op zijn beurt geld van Erik te vorderen en reageert daarom met een conclusie van antwoord waarbij hij niet alleen verweer voert, maar ook een eis in reconventie instelt tegen Erik.

Welk antwoord is juist ?

  1. De rechter zal Geert in zijn eis in reconventie niet ontvankelijk verklaren.
  2. De rechter zal de eis in reconventie van Geert moeten aanmerken als een dag­vaarding waarmee Geert een afzonderlijke procedure tegen Harold begint.
  3. De rechter zal eerst bij incidenteel vonnis dienen te beoordelen of hij Geert in zijn eis in reconventie ontvankelijk verklaart.
  4. De rechter zal de eis in reconventie van Geert in behandeling nemen.

 

Vraag 11

Teun is bij vonnis veroordeeld tot betaling van 80.000 euro aan Marit. Marit laat het vonnis door de deurwaarder betekenen waarbij de deurwaarder aan Teun tevens een bevel tot betaling doet. Welke uitspraak is juist?

  1. Zolang Teun tegen het vonnis een rechtsmiddel kan instellen kan de deurwaarder geen executoriale beslagen leggen.
  2. De deurwaarder kan geen executoriale beslagen leggen wanneer het vonnis uit­voerbaar bij voorraad is verklaard.
  3. De deurwaarder kan executoriale beslagen leggen zelfs nadat Teun een rechtsmiddel heeft ingesteld indien het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
  4. De alternatieven a, b en c zijn allen onjuist.

 

Vraag 12

A vordert van B € 1.500. B vordert in reconventie van A € 500. Beide vorderingen worden door de rechter afgewezen. Heeft A rechtsmiddelen ter beschikking tegen de afwijzing van zijn vordering?

  1. Geen
  2. Hoger beroep
  3. Cassatie
  4. A mag kiezen tussen hoger beroep of cassatie.

 

Vraag 13

Piet woont in Amsterdam en is eigenaar van een pakhuis in Maastricht. Piet verkoopt en levert dat pakhuis aan Henk BV, gevestigd te Roermond. Na de levering ontdekt men bij Henk BV dat het pakhuis allerlei gebreken heeft en Henk BV stelt Piet daarom aansprakelijk voor 4.000 euro schade op grond van toerekenbaar tekortschieten. Welk antwoord is juist?

 

  1. Henk BV moet Piet dagvaarden voor de rechter in Maastricht of Amsterdam.
  2. Henk BV moet Piet dagvaarden voor de rechter in Roermond.
  3. Henk BV moet Piet dagvaarden voor de rechter in Amsterdam.
  4. Henk BV kan Piet met succes dagvaarden voor elke rechter in Nederland.

 

Vraag 14

In een bodemprocedure bij de sector civiel is een datum voor een comparitie na antwoord vastgesteld. Bij de voorbereiding hiervan ziet de rechter dat de vordering van eiser lijkt te zijn verjaard, terwijl gedaagde daar in de conclusie van antwoord met geen woord over rept.

Welk alternatief is juist?

 

  1. De rechter mag bij de comparitie de vraag of de verjaring is gestuit, onbesproken laten.
  2. De rechter mag na de comparitie (waarin de verjaring niet ter sprake kwam) de vor­dering - zonder daartoe strekkend verweer van gedaagde - afwijzen, omdat deze verjaard is.
  3. De rechter moet na de comparitie (ook als de verjaring daarin niet ter sprake kwam) de vordering afwijzen, omdat deze verjaard is.
  4. Geen enkel alternatief is juist.

 

Vraag 15

Doolstra is veroordeeld om aan Yzermans € 5.000 te betalen. Na betekening en sommatie laat Yzermans op 1 mei beslag leggen op de rekening van Doolstra bij de TBC-bank. Volgens de tijdig uitgebrachte verklaring van TBC bedroeg het saldo van Doolstra op 1 mei € 3.000 en is op 15 mei de rente over het creditsaldo gedurende het afgelopen boekjaar (tot 1 mei) ad € 50 bijgeschreven.

Welke uitspraak is juist?

In het kader van de afwikkeling van dit beslag zal TBC aan Yzermans moeten afdragen:

  1. niets
  2. € 3.000
  3. € 3.050
  4. € 5.000

 

Vraag 16

Het burgerlijk procesrecht is inmiddels reeds zover gedeformaliseerd dat

  1. een hoger beroep dat bij dagvaarding zou moeten worden ingesteld, ook ontvankelijk kan zijn als het bij verzoekschrift is ingesteld.
  2. een hoger beroep ook nog kort na het verstrijken van de appeltermijn kan worden ingesteld indien de wederpartij geen specifiek belang heeft bij een beroep op de termijnoverschrijding.
  3. ten aanzien van een vordering in kort geding, wanneer daaraan de spoedeisendheid blijkt te ontbreken, conversie plaatsvindt en deze als vordering in de bodemprocedure wordt berecht.
  4. bij nietigheid van een dagvaarding geen griffierecht verschuldigd is.

 

Vraag 17

X vordert bij de kantonrechter ontbinding van een met Y gesloten overeenkomst en vervangende schadevergoeding van € 1800 omdat Y te laat presteerde. Y betwist die schade. De kantonrechter wijst de ontbinding toe, maar verklaart X niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding, aangezien ten aanzien van de aard en omvang van de schade te weinig is gesteld. Om alsnog kans op toewijzing van de vordering tot schadevergoeding te maken:

  1. kan X hetzij appel instellen, hetzij de verbeterde vordering opnieuw instellen.
  2. moet X de verbeterde vordering opnieuw instellen.
  3. moet X appel instellen.
  4. geen van bovenstaande antwoorden is juist.

 

Vraag 18

Welk van onderstaande uitspraken is juist?

  1. De motiveringseis van artikel 128 lid 2 Rv gaat niet zover, dat er in bepaalde gevallen een mededelingsplicht van gedaagde uit voorvloeit.
  2. Concentratie van verweer houdt onder meer in dat alle principale verweren in de conclusie van antwoord moeten worden aangevoerd.
  3. Wordt in eerste aanleg in het geheel geen principaal verweer gevoerd, dan kan ook in hoger beroep geen principaal verweer worden gevoerd.
  4. Wordt in eerste aanleg in de conclusie van antwoord geen principaal verweer gevoerd, dan kan in hoger beroep alsnog principaal verweer worden gevoerd.

 

Vraag 19

A heeft tot verhaal van zijn vorde­ring op B executoriaal beslag gelegd onder C. Na de beslag­leg­ging cedeert B zijn vor­dering op C aan D, die niet van het beslag op de hoogte is.

  1. De cessie is wegens strijd met het beslag zonder rechtsge­volg.
  2. De cessie is geldig maar kan niet aan A worden tegengewor­pen.
  3. De cessie is geldig en kan ook aan A worden tegengeworpen indien D te goeder trouw was.
  4. De cessie is geldig indien D te goeder trouw was en onder bezwarende titel verkreeg.

 

Vraag 20

Welke stelling is juist?

  1. Arbitrage kan alleen schriftelijk worden overeengekomen.
  2. Arbiters moeten ambtshalve vaststellen of partijen arbitrage zijn overeengekomen.
  3. Arbiters moeten ambtshalve vaststellen of partijen arbitrage schriftelijk zijn overeengekomen.
  4. De overeenkomst tot arbitrage kan bij betwisting alleen door middel van geschrift worden bewezen.

 

 

Antwoorden tentamen maart 2011 – MC vragen

 

Vraag

Antwoord

Vindplaats

1

3

Zie: Stein/Rueb blz 96 e.v.

2

2&4

Zie: Stein/Rueb blz 157-162

3

2

Zie: Stein/Rueb blz 39-44

4

3

Zie: Stein/Rueb blz 285-298

5

2

Zie: Stein/Rueb blz 378-383

6

4

Zie: Stein/Rueb blz 428-430

7

3

Zie: Stein/Rueb blz 205-208

8

4

Zie: Stein/Rueb blz 230 e.v.

9

3

Zie: Stein/Rueb blz 428-430, 109-111

10

1

Zie: Stein/Rueb blz 118 e.v.  

11

3

Zie: Stein/Rueb blz 385, 213

12

2

Zie: Stein/Rueb blz 237

13

1

Zie: Stein/Rueb blz 51 e.v.

14

1

Zie: Stein/Rueb blz 39-44

15

3

Zie: Stein/Rueb blz 369

16

1

Zie: Stein/Rueb blz 77

17

1

Zie: Stein/Rueb blz 69 e.v.

18

4

Zie: Stein/Rueb blz 120-122

19

2

Zie: Stein/Rueb blz 403

20

4

Zie: Stein/Rueb blz 311-332

 

Tentamen maart 2011 – open vragen

 

Casus I

Diederik vordert van Evert een geldsbedrag terug dat hij, zo stelt hij, hem indertijd heeft geleend, maar dat Evert kennelijk niet wenst terug te betalen. Bij de dagvaarding legt hij een door Evert ondertekende schuldbekentenis over. In zijn antwoord wijst Evert er echter gemotiveerd op dat er niet van een lening sprake is geweest. Naar zijn mening werd een schenking beoogd. Voor wat betreft de schuldbekentenis wijst hij er op dat het geleende geldbedrag niet voluit geschreven is, en overigens met de tekstverwerker is opgesteld: dit heeft naar zijn mening consequenties voor de bewijskracht van dit stuk.

 

a.   Welke consequenties bedoelt Evert?

b.   Bespreek hoe de rechter (waarschijnlijk) zal oordelen op het punt van de bewijslast voor de vordering van Diederik.

c.   Zou het voorgaande antwoord anders luiden als Evers het standpunt had ingenomen, dat de vordering van Diederik is verjaard?

d.   Stel dat Evert er in zijn antwoord gemotiveerd op heeft gewezen dat er niet van een lening sprake is geweest. Naar zijn mening werd een schenking beoogd. Hij biedt aan zichzelf als getuige te doen horen voor deze stelling. De rechter passeert het bewijsaanbod op 2 gronden: a. er is geen plaats voor dit getuigenbewijs omdat er geen aanvullend bewijs is, en b. het valt niet te verwachten dat Evert dit bewijs zal kunnen leveren.

 

Mag de rechter ook zonder “gronden” een bewijsaanbod te passeren? Zo nee, zijn de genoemde gronden deugdelijk?

 

e.   De civiele rechter is in de bewijswaardering in beginsel vrij. Noem 3 voorbeelden van uitzonderingen die de wet hierop maakt, en 1 voorbeeld van een uitzondering die in de jurisprudentie wordt gemaakt.

 

Casus II

Sjors is zeer ontevreden over de wijze waarop zijn huis is gerestaureerd. Hij heeft de overeen­komst met de aannemer buitengerechtelijk ontbonden en vordert ontbindingsschade ter grootte van 25.000 euro en aanvullende schade nader op te maken bij staat. De rechtbank wijst in het dictum voor 15.000 euro ontbindingsschade toe, wijst de overige ontbindings­schade af, en laat Sjors toe bewijs bij te brengen voor de omvang van de aanvullende schadevergoeding.

 

a.   Kan Sjors van dit vonnis direct in hoger beroep?

b.   Stel dat het mogelijk is dat Sjors direct van dit vonnis in hoger beroep gaat, wat is dan het gevolg indien Sjors niet direct van dit vonnis in hoger beroep gaat?

c.   Indien Sjors van dit vonnis direct in hoger beroep kan, kan hij dan ook een grief formuleren waarbij hij de bewijsopdracht aanvecht?

d.   Indien Sjors van dit vonnis in hoger beroep gaat en hij formuleert alleen een grief waarbij hij de bewijsopdracht aanvecht. Wat is dan het oordeel van het hof?

e.   Indien Sjors niet direct van dit vonnis in hoger beroep gaat, kan hij dan de bewijsopdracht aanvechten bij een hoger beroep tegen het vonnis waarin in het dictum een beslissing wordt genomen over de aanvullende schadevergoeding?

 

 

Antwoorden tentamen maart 2011 – open vragen

 

Casus I

a. Het stuk voldoet niet aan eisen voor een schuldbekentenis in de zin van art. 158 – het heeft daarom geen dwingende, maar vrije bewijskracht.

Zie Stein/Rueb blz 158

 

b. Als er inderdaad voldoende gemotiveerd is betwist, dan is er bewijslast voor de lening bij Diederik, art 150 , hoofdregel (er is geen reden om aan de uitzonderingen in art 150 te denken). Diederik beroept zich immers op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde lening. De kwalificatie schenking (door Evert) is niet een bevrijdend rechtsfeit, maar een betwisting. Ten overvloede. Op basis van het schriftelijk bewijs met vrije bewijskracht ten gunste van Diederik mag de rechter, afhankelijk van de verdere stellingen en omstandigheden, het bewijs geleverd achten, tegenbewijs aan Evert opdragen, of zelfs - niet erg aannemelijk - aanvullend bewijs van Dirkt verlangen.

Zie: Stein/Rueb blz 135-151

 

c. Het antwoord luidt nu anders, want nu is er een bevrijdend rechtsfeit gesteld door Evert, terwijl de lening op zich niet wordt betwist. Evert stelt verjaring en roept daarvan de rechtsgevolgen in; de bewijslast dat verjaring plaatshad, rust dan op Evert (als verjaring voldoende betwist werd), en in elk geval niet op Diederik.

Zie: Stein/Rueb blz 135-151

 

d. Partijen hebben recht om getuigenbewijs te leveren, art. 166, en wel door een deugdelijk bewijsaanbod te doen. De gronden om hier het aanbod te passeren zijn beide ondeugdelijk, 1 omdat Evert de bewijslast niet heeft, maar tegenbewijs wil leveren is er geen beperking in de zin van art. 164-2 aan de bewijskracht van zijn verklaring; 2 omdat er een prognoseverbod geldt: de rechter mag het verhoor niet weigeren omdat hij niet verwacht dat daar iets uit komt – wel, zie art. 166 omdat hetgeen te bewijzen aangeboden wordt niet relevant is voor de beslissing.

Zie: Stein/Rueb blz 164 e.v.

e. De wet gaat uit van vrije bewijswaardering in art. 152. Dwingend bewijs is te vinden in art. 157 voor authentieke en onderhandse akten, het strafvonnis met de inhoud van art. 161, in art. 164-2, in de vele artikelen uit het BW waarin een vermoeden is vastgelegd ( bijv. 3: 46)

Ook in de jurisprudentie is een categorie van dwingend bewijs te vinden: de omkeringsregel, waarmee de HR van de feitenrechters verlangt dat zij in veel gevallen causaal verband tussen onrechtmatige daad  of wanprestatie en de daardoor ontstane schade aannemen.

Zie: Stein/Rueb blz 155-156

 

 

Casus II

a. Er is een deel van het gevorderde definitief, dat wil zeggen in het dictum (‘onder de streep’)  toe- en afgewezen, namelijk € 15.000 is toegewezen en € 10.000 is afgewezen. Het vonnis is dan niet slechts een tussenvonnis waartegen hoger beroep slechts tegelijk met het eindvonnis mogelijk zou zijn (art. 337 tweede lid Rv) maar  een deelvonnis, ook wel genaamd gedeeltelijk eindvonnis. Hoger beroep is daartegen wel mogelijk.

Zie: Stein/Rueb blz 208-209, 237, 239, 241

 

b. Het gevolg is dat het deel van het gevorderde dat in het gedeeltelijk eindvonnis

(deelvonnis) definitief is toe-, resp. afgewezen na drie maanden (art. 339 Rv) in kracht van gewijsde gaat. Die beslissingen zijn dan na die drie maanden niet meer aan te tasten. Zou gewacht worden tot het eindvonnis en aannemende dat het eindvonnis na die drie maanden wordt gewezen dan zijn de eerdere beslissingen is met een hoger beroep tegen het eindvonnis  niet meer aan te vechten.

Zie: Stein/Rueb blz 208-209, 237, 242

 

c. Ja, dat kan. Bij hoger beroep tegen een deelvonnis mogen - om redenen van proceseconomie - ook de interlocutoire beslissingen worden betrokken; zie Compendium par. 10.3.5 en het voorgeschreven arrest Ponteecen/Stratex.

Zie: Stein/Rueb blz 208-209, 242-243

 

d..Het oordeel van het hof moet dan zijn  dat Sjors niet ontvankelijk is (art. 337 lid 2 Rv;). Hij komt dan in hoger beroep van het deel van het vonnis dat geen eindbeslissing betreft en dat is niet mogelijk.

 

Zie: Stein/Rueb blz 208-209, 237, 242-243

 

e.Ja, dat kan, want dit deel van het vonnis is geen eindbeslissing. Daar kan hij van in hoger beroep gelijk met hoger beroep tegen het vonnis waarin in het dictum een beslissing wordt genomen over de aanvullende schadevergoeding (art. 337 lid 2 Rv).

Zie: Stein/Rueb blz 208-209, 237, 242-243

  

Tentamen juni 2011 – MC vragen

 

Vraag 1

Welke uitspraak is onjuist?

  1. Wanneer een gedaagde niet thuis wordt aangetroffen door een deurwaarder, dan zal deze deurwaarder de dagvaarding door ter post bezorging kunnen betekenen.
  2. Een dagvaardingszaak is aanhangig vanaf de dagtekening van de ontvangst­beves­tiging van de dagvaarding.
  3. Verzoekschriften hoeven niet altijd tegen een wederpartij te zijn gericht.
  4. De oproeping voor de mondelinge behandeling in een verzoekschriftprocedure moet door een deurwaarder worden gedaan.

Vraag 2

Welke uitspraak is juist?

  1. De eiser kan gedurende de eerste aanleg niet de in de dagvaarding opgenomen eis en de daarvoor aangevoerde gronden aanvullen.
  2. Aan een aanvulling van de in de dagvaarding opgenomen eis en de daarvoor aangevoerde gronden, waarmee de verschenen gedaagde akkoord is, is de rechter gebonden.
  3. Aanvulling van de in de dagvaarding opgenomen eis en de daarvoor aangevoerde gronden is, nadat de verschenen gedaagde hiertegen bezwaar heeft gemaakt, slechts mogelijk indien de rechter dit toestaat.
  4. Aanvulling van de in de dagvaarding opgenomen eis en de daarvoor aangevoerde gronden kan bij de sector civiel ook mondeling plaatsvinden indien de verschenen gedaagde het hiermee eens is.

 

Vraag 3

Een verhuurder heeft de ontruiming van een woning gevorderd, wegens wanprestatie van de huurder. Ter uitvoering van het op 1 maart 2010 gewezen verstekvonnis dat op 3 maart 2010 via een huisgenoot van de gedaagde werd betekend, werd op 8 maart 2010 een begin gemaakt met de ontruiming van de woning. Op 9 maart 2010 haalde huurder met het oog op die ontruiming nog spullen uit de woning, die op 10 maart definitief werd ontruimd. Binnen welke termijn moet verzet worden ingesteld?

1.    Binnen vier weken na 1 maart 2010.

2.    Binnen vier weken na 3 maart 2010.

3.    Binnen vier weken na 9 maart 2010.

4.    Binnen vier weken na 10 maart 2010.

 

Vraag 4

Joost spreekt schoonmaakbedrijf Toschoon aan tot schadevergoeding wegens wanpresta­tie. De inboedel van Joost is bij de schoonmaak beschadigd. Toschoon heeft op instructie van Joost het schoonmaakmiddel VQ3 gebruikt. De rechter wijst een tussenvonnis waarin als eindbeslissing is opgenomen dat Toschoon niet aansprakelijk is wanneer uit een te gelasten deskundi­genonderzoek zal blijken dat VQ3 voor een geval als dit geen geschikt schoonmaakmiddel is. Het dictum van het tussenvonnis beperkt zich ertoe dat deskundi­genonderzoek wordt gelast, terwijl verdere beslissingen worden aangehouden. Joost is het volstrekt oneens met dit tussenvonnis. Welke uitspraak is juist?

  1. Joost kan in geen geval in hoger beroep komen van dit tussenvonnis voordat de rechter in eerste aanleg eindvonnis heeft gewezen.
  2. Joost  kan zonder meer in hoger beroep komen van dit tussenvonnis, nu er een eindbeslissing in is opgenomen.
  3. Joost kan binnen de appeltermijn, alsnog, na het wijzen van het tussenvonnis, aan de rechter in eerste aanleg verzoeken tussentijds appel open te stellen.
  4. Geen van voorgaande uitspraken is juist.

Vraag 5

Twee uitspraken:

  1. Evenmin als de bodemrechter gebonden is aan beslissingen over de rechtsbetrekking van partijen van de voorzieningenrechter, is de voorzieningenrechter gebonden aan dergelijke beslissingen van de bodemrechter.
  2. De gebondenheid van partijen aan beslissingen over hun rechtsbetrekking in een vonnis wordt kracht van gewijsde genoemd.

 

  1. I is juist, II is ook juist.
  2. I is juist II is onjuist.
  3. I is onjuist, II is ook onjuist.
  4. I is onjuist, II is juist.

 

Vraag 6

A heeft voor een vordering van EUR 80.000,- executoriaal beslag gelegd op de bedrijfsloods van B. Twee weken later legt C voor een vordering van EUR 40.000,- eveneens executoriaal beslag op de bedrijfsloods van B. Welke uitspraak is juist?

  1. Wanneer de netto executieopbrengst van de bedrijfsloods te gering is om A en C beiden ten volle te voldoen, ontvangen A en C elk de helft van de opbrengst..
  2. Wanneer de netto executieopbrengst van de bedrijfsloods te gering is om A en C beiden ten volle te voldoen, wordt eerst de vordering van A voldaan en gaat het restant naar C.
  3. Wanneer de netto executieopbrengst van de bedrijfsloods te gering is om A en C beiden ten volle te voldoen, ontvangen A en C elk evenredig met hun vordering een deel van die opbrengst.
  4. Geen van voorgaande uitspraken is juist.

Vraag 7

Twee uitspraken:

  1. Indien na de conclusie van antwoord een comparitie van partijen heeft plaatsgevonden, hebben partijen niet altijd recht op pleidooi.
  2. Indien de gedaagde een tegenvordering meent te hebben op eiser, dan zal een dagvaarding in reconventie moeten worden uitgebracht.

 

  1. I is juist, II is ook juist.
  2. I is juist II is onjuist.
  3. I is onjuist, II is ook onjuist.
  4. I is onjuist, II is juist.

 

Vraag 8

Twee uitspraken:

  1. Wanneer gedaagde zonder bericht van verhindering niet in persoon op de comparitie na antwoord verschijnt, mag de rechter daaruit concluderen dat het in de conclusie van antwoord aangevoerde verweer niet langer wordt gehandhaafd.
  2. Wanneer de rechter besluit geen comparitie na antwoord te gelasten, dan kan het gelasten daarvan in appel worden afgedwongen.

 

  1. I is juist, II is ook juist.
  2. I is juist II is onjuist.
  3. I is onjuist, II is ook onjuist.
  4. I is onjuist, II is juist.

 

Vraag 9

Twee uitspraken:

I.             Een geschrift dat het uiterlijk heeft van een authentieke akte, wordt daarvoor gehouden behoudens bewijs van het tegendeel.

II.            Een geschrift dat het uiterlijk heeft van een onderhandse akte, wordt daarvoor gehouden behoudens bewijs van het tegendeel.

 

  1. I is juist, II is ook juist.
  2. I is juist II is onjuist.
  3. I is onjuist, II is ook onjuist.
  4. I is onjuist, II is juist.

 

Vraag 10

Floris vordert van Karl betaling van 8.000 euro. Floris stelt dat hij voor dit bedrag aan Karl een auto had verkocht. Karl betwist niet dat hij de auto heeft gekocht. Volgens Karl bedroeg de koopprijs echter niet 8000 euro maar 4000 euro.

Welk antwoord is juist?

1.    Floris heeft de bewijslast dat de koopprijs 8000 euro bedroeg.

2.    Karl heeft de bewijslast dat koopprijs 4000 euro bedroeg.

3.    Floris heeft de bewijslast dat de koopprijs 8000 euro bedroeg, en Karl heeft de bewijslast dat koopprijs 4000 euro bedroeg.

4.    De rechter moet de bewijslast leggen op de partij die zijn betwisting onvoldoende heeft gemotiveerd.

 

Vraag 11

Indirect bewijs - waarbij de rechter voor de vaststelling van betwiste feiten gevolg­trekkingen maakt uit wel vaststaande feiten - kan een belangrijke rol spelen in de civiele procedure. Het speelt een belangrijke rol in het arrest:

1.   De Jong/Carnifour.

2.   De Rooij/Van der Sluijs.

3.   Van Raalte/SHBeheer.

4.   Leebeek/Vrumona.

 

Vraag 12

Bertrand heeft schade toegebracht in een aan Klomp toebehorend huis. Klomp vordert schadevergoeding onder aanvoering onder meer van de stelling dat Bertrand als huurder wanprestatie heeft gepleegd. In de procedure voert Bertrand onder meer aan dat er sprake was van bruikleen en in dit opzicht krijgt Bertrand gelijk. Welke uitspraak is juist?

1.    Nu Klomp niet de juiste rechtsbetrekking aan zijn eis ten grondslag heeft gelegd, wordt hij daarin niet-ontvankelijk verklaard.

2.    Nu Klomp niet de juiste rechtsbetrekking aan zijn eis ten grondslag heeft gelegd, wordt de eis afgewezen.

3.    Slechts door zijn eis te wijzigen kan Klomp bereiken dat de gevorderde schadevergoeding kan worden toegewezen.

4.    Ook zonder dat wijziging van eis plaatsvindt, kan de gevorderde schadevergoeding toegewezen worden.

 

Vraag 13

Verhuurder Pietersen is in kort geding veroordeeld tot het treffen van bepaalde voorzieningen aan de huurwoning van Jakobsen onder verbeurte van dwangsommen bij het uitblijven daarvan. Omdat Pietersen niet tijdig aan deze veroordeling voldoet, heeft hij voor € 10.000,- aan dwangsommen verbeurd. Na betaling hiervan start Pietersen een bodemprocedure over hetzelfde onderwerp. De rechter oordeelt dat er geen grond was Pietersen tot de in kort geding toegewezen voorzieningen te veroordelen.

Welke uitspraak is juist?

1.    De Hoge Raad heeft in het arrest Kempkes/Samson beslist dat Pietersen in bovenstaande situatie de door hem betaalde dwangsommen kan terugvorderen.

2.    De Hoge Raad heeft in het arrest De Heel/Korver beslist dat Pietersen in bovenstaande situatie de door hem betaalde dwangsommen kan terugvorderen.

3.    De Hoge Raad heeft in het arrest Van Raalte/SH Beheer beslist dat Pietersen in bovenstaande situatie de door hem betaalde dwangsommen niet kan terugvorderen.

4.    Geen van bovenstaande uitspraken is juist.

 

Vraag 14

Welk beginsel van procesrecht speelt in artikel 85 lid 4 Rv de belangrijkste rol?

1.   Hoor en wederhoor.

2.   Waarheidsvinding.

3.   Onpartijdige rechtspraak.

4.   Partij-autonomie.

 

Vraag 15

De eiser dagvaardt een vennootschap voor de rechtbank Amsterdam, sector civiel terzake van een vordering van 80.000 euro met betrekking tot geleverde en verder te verhandelen zaken. Welke van onderstaande uitspraken over de bevoegdheid van de rechtbank is niet juist?

Indien de rechtbank, sector civiel

1.    geen (internationale) rechtsmacht heeft, verklaart zij zich zonodig ambtshalve onbevoegd;

2.    voor het geschil niet de absoluut bevoegde rechter is, zal zij zich ambtshalve onbevoegd verklaren;

3.    voor het geschil niet de volgens de wet relatief bevoegde rechter is, zal zij zich ambtshalve onbevoegd verklaren;

4.    voor het geschil niet de sectorcompetente rechter is, zal zij ambtshalve de zaak naar de wel sectorcompetente rechter verwijzen.

Vraag 16

Egberts laat Freriks dagvaarden voor de sector kanton van de rechtbank vanwege een niet betaalde rekening. Op de roldatum verschijnt Freriks echter niet in rechte. Bij onderzoek blijkt dat in de dagvaarding een fout is geslopen: weliswaar is de dag van de week juist vermeld, maar de datum niet. Wat zal het gevolg zijn?

1.    De rechter wijst de vordering toe.

2.    De rechter spreekt de nietigheid van de dagvaarding uit.

3.    De rechter verleent verstek tegen Freriks.

4.    De rechter bepaalt een nieuwe roldatum, waarvoor Freriks bij exploot moet worden opgeroepen.

 

Vraag 17

Welke van onderstaande uitspraken over de partijgetuige is juist?

1.    Een partij kan alleen op eigen verzoek als getuige worden gehoord.

2.    De verklaring van een partijgetuige kan slechts bewijs in haar voordeel opleveren indien zij wordt ondersteund door een verklaring van een andere getuige.

3.    Aan de als getuige opgeroepen partij komt een gelijk beroep op het verschoningsrecht toe als de echtgenoot van die partij heeft.

4.    De verklaring van een partijgetuige is niet beperkt in bewijskracht indien die verklaring betrekking heeft op feiten waarvoor de wederpartij bewijslast heeft.

Vraag 18

De eiser heeft gesteld dat de overeenkomst waarop hij zijn eis grondt, is vastgelegd in een brief aan gedaagde, die door de gedaagde voor akkoord is getekend en geretourneerd. Gedaagde betwist stellig dat het zijn handtekening is die onder de overgelegde brief staat. Welke uitspraak is juist?

1.    De eiser zal moeten bewijzen dat de handtekening op de brief die van gedaagde is.

2.    De gedaagde zal moeten bewijzen dat de handtekening op de brief niet zijn handtekening is.

3.    Slechts wanneer deze brief zou zijn geregistreerd, heeft deze dwingende bewijskracht.

4.    Slechts wanneer deze brief aangetekend, met bericht van ontvangst zou zijn verzonden heeft deze dwingende bewijskracht.

 

Vraag 19

De eiser heeft aangeboden een door hem gestelde overeenkomst door middel van met name genoemde getuigen te bewijzen.

 

Welke uitspraak is juist?

  1. Zonder een zodanig bewijsaanbod mag de rechter de eiser geen getuigenbewijs opdragen.
  2. Een zodanig bewijsaanbod verplicht de rechter om de eiser tot het getuigenbewijs van de betreffende overeenkomst toe te laten.
  3. Als het bewijsaanbod ter zake dienend is en het bestaan van de overeenkomst betwist is, zal de rechter de eiser tot het getuigenbewijs toe moeten laten, zelfs al acht hij het uiterst onwaarschijnlijk dat het bewijs geleverd zal kunnen worden.
  4. Als het bewijsaanbod ter zake dienend is en het bestaan van de overeenkomst betwist is, zal de rechter de eiser tot het getuigenbewijs toe moeten laten, tenzij hij
    het uiterst onwaarschijnlijk acht dat het bewijs geleverd zal kunnen worden.

 

 

Vraag 20

Guetta heeft een vordering tot vergoeding van schade ingesteld tegen Roest. De vordering is primair gegrond op wanprestatie, subsidiair op onrechtmatige daad. Ondanks bestrijding door Roest wordt de vordering op basis van wanprestatie toegewezen; aan de subsidiaire grondslag wordt geen overweging gewijd. Roest gaat in beroep en richt grieven tegen de toewijzing. Guetta voert verweer. In zijn arrest geeft het hof Roest gelijk voor wat betreft de wanprestatie, maar het bekrachtigt het arrest toch, omdat de grondslag onrechtmatige daad toewijzing rechtvaardigt. In hoger beroep hebben partijen die grondslag onbesproken gelaten.

Welke uitspraak is juist?

1.    De beslissing van de appelrechter is in strijd met de lijdelijkheid van de rechter en daarom onjuist.

2.    De beslissing van de appelrechter is in strijd met het voor het hoger beroep geldende grievenstelsel en daarom onjuist.

3.    De beslissing van de appelrechter is in overeenstemming met de devolutieve werking van het hoger beroep en daarom juist.

4.    Geen van voorgaande 3 stellingen is juist.

 

 

 

Antwoorden tentamen juni 2011 – MC vragen

 

Vraag

Antwoord

Vindplaats

1

1,2,4

Zie: Stein/Rueb blz 100, 113, 285, 288, 292

2

3

Zie: Stein/Rueb blz 127-128

3

3

Zie: Stein/Rueb blz 232-233

4

3

Zie: Stein/Rueb blz 237-242

5

3

Zie: Stein/Rueb blz 282-283, 201

6

3

Zie: Stein/Rueb blz 419 e.v.

7

2

Zie: Stein/Rueb blz 124-125, 184

8

3

Zie: Stein/Rueb blz 123, 147

9

2

Zie: Stein/Rueb blz 157-162

10

1

Zie: Stein/Rueb blz 135-151

11

4

 

12

4

Zie: Stein/Rueb blz 39-44, 127-128

13

4

 

14

1

Zie: Stein/Rueb blz 25-27

15

3

Zie: Stein/Rueb blz 68 e.v.

16

4

Zie: Stein/Rueb blz 109-111

17

4

Zie: Stein/Rueb blz 164 e.v.

18

1

Zie: Stein/Rueb blz 158

19

3

Zie: Stein/Rueb blz 135-177

20

3

Zie: Stein/Rueb blz 39-44, 243, 245

 

 

Tentamen juni 2011 - open vragen

 

Casus I

Jeremy Clarkson woont in Amsterdam West en is liefhebber van mooie auto’s. Op de jaarlijkse autoshow in Geneve hoort hij bij toeval dat een Bugatti Veyron 16.4 (catalogusprijs circa 1 miljoen euro) te koop komt. De huidige eigenaar, een voormalige sjeik uit Bahrein die nu in Utrecht woont, wil van de auto af. Jeremy neemt contact op met de sjeik en ze bereiken overeenstemming over de koop van de Bugatti. Op de afgesproken datum weigert de sjeik echter de auto aan Jeremy te leveren. Jeremy is bang dat de sjeik de auto voor een betere prijs aan een derde wil leveren, en vreest ook schade te hebben, omdat hij zelf auto’s voor een laag bedrag heeft verkocht om op de afgesproken datum de koopprijs voor de Bugatti te kunnen voldoen. Jeremy vraagt uw advies. De Bugatti bevindt zich in de haven van Rotterdam. Bekend is ook dat de sjeik een bankrekening aanhoudt bij de RAMBO bank te Amsterdam.

 

Vraag 1

Welk beslag of welke beslagen komen in aanmerking om Jeremy’s zorgen zoveel mogelijk weg te nemen?

 

Vraag 2

Welke rechter(s) is/zijn relatief bevoegd het verzochte beslag of de verzochte beslagen in behandeling te nemen?

 

Vraag 3

Kan de sjeik een procedure beginnen waarin hij opheffing van het beslag/de beslagen kan vorderen of verzoeken? Zo ja: welke gronden kunnen tot die opheffing leiden?

 

Vraag 4

Stel dat in de door Jeremy aanhangig gemaakte hoofdzaak (nakoming van een koopovereenkomst) de vordering van Jeremy volledig wordt afgewezen.er valt dan het beslag op de datum van de uitspraak?

 

Vraag 5

Kan de sjeik dan zijn door de beslaglegging geleden schade op Jeremy verhalen? Zo ja, wat is daarvan de grondslag?

 

Casus II

Stel: U bent advocaat van Herreweghe. Koopman woont naast Herreweghe. Koopman maakt er een gewoonte om laat op de avond luide muziek te spelen. Herreweghe heeft Koopman meerdere malen tevergeefs gevraagd om in de late uren niet met een dusdanig hard volume muziek te spelen, omdat zijn nachtrust daar in ernstige mate onder heeft te lijden. Herreweghe heeft er genoeg van en wil nu dat Koopman door de rechter wordt veroordeeld om na een bepaald tijdstip geen muziek meer te spelen. Koopman heeft in correspondentie met u niet betwist dat hij ’s avond laat nog harde muziek speelt, maar meent dat het horen van muziek van de buren bij wonen in een grote stad hoort. U overweegt om een kort geding tegen Koopman te beginnen.

 

Vraag 6

Noem drie vereisten voor een kort geding en beargumenteer of aan ieder van deze vereisten is voldaan.

 

Antwoorden tentamen juni 2011 – open vragen

 

Casus I

Vraag 1

Conservatoir beslag (“conservatoir” moet genoemd worden). Executoriaal beslag is fout want er is geen executoriale titel. Zowel executoriaal als conservatoir noemen is eveneens fout want tegenstrijdig. Tot levering/afgifte op /van de auto als bedoeld in 730 Rv. Beslag voor het verhaal van de schade) onder de Rambo bank (1 punt) als bedoeld in 718 Rv. Beslag op de auto voor het verhaal van de schade is niet fout maar levert geen punt op. Het gaat Jeremy er immers om de auto in eigendom te krijgen.

Zie: Stein/Rueb blz 385, 428, 434

 

Vraag 2

Artikel 700 Rv

de rechter waar de zaak dat is de auto zich bevindt, zijnde (de rechter in) Rotterdam. OF de rechter waar de schuldenaar woonachtig is of de derde is gevestigd, zijnde Utrecht of Amsterdam.
Zie: Stein/Rueb blz 428

Vraag 3

Procedure:                   Gewone (bodem)procedure  en/of in kort geding. 

Opheffingsgronden:    Artikel 705 Rv

 

Aan het materiele recht ontleende gronden of (summierlijk) blijken van de ondeugdelijkheid van het ingeroepen recht en de overige in art. 705 Rv genoemde gronden

Belangenafweging tussen de beslagene en de beslaglegger

Zie: Stein/Rueb blz 438-440

 

Vraag 4

1.            704 tweede lid Rv  (lid 2 moet genoemd worden ander geen punt)

2.            Uitspraak moet eerst kracht van gewijsde hebben

3.            Uitspraak heeft kracht van gewijsde als geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden ingesteld (of een soortgelijke beantwoording, bijvoorbeeld zodra appeltermijn onbenut is verstreken)

Wie als antwoord geeft dat het beslag op die datum vervalt als de rechter dat heeft bepaald (wat natuurlijk kan met een uitspraak in reconventie ) krijgt 2 punten.

Zie: Stein/Rueb blz 201, 428 e.v.

 

Vraag 5

Onrechtmatige daad

de vordering is geheel afgewezen

arrest “risicoaansprakelijkheid beslaglegger” = “Kranenburg”

Zie: Stein/Rueb blz 441

 

Casus II

Vraag 6

1.De aanwezigheid van een spoedeisend belang (3 punten) (art. 254 Rv 1 punt). De spoedeisendheid wordt bepaald door een afweging van de belangen van partijen. Deze zaak is spoedeisend nu een beslissing in een gewone procedure niet (door Herreweghe) kan worden afgewacht (3 punten). Een goed gemotiveerd antwoord dat dit juist niet het geval zou zijn, kan ook 3 punten opleveren. 

Zie: Stein/Rueb blz 274

 

2.De zaak moet geschikt zijn voor een kort geding (3 punten) (art. 256 Rv 1 punt). Dat is het geval nu de zaak overzichtelijk/feitelijk niet ingewikkeld is (3 punten). Een goed gemotiveerd antwoord dat dit juist niet het geval zou zijn, kan ook 3 punten opleveren. 

Zie: Stein/Rueb blz 273-274

 

3.De te vragen veroordeling moet een voorziening bij voorraad zijn (2 punten) (art. 254 Rv 1 punt). Daarvan is hier sprake nu het een ordemaatregel betreft waarmee wordt vooruitgelopen op een rechtsbeslissing die in een bodemprocedure zou kunnen worden gegeven (3 punten). Een goed gemotiveerd antwoord dat dit juist niet het geval zou zijn, kan ook 3 punten opleveren. 

Zie: Stein/Rueb blz 274-275

 

Tentamen december 2012 – open vragen

 

CASUS I (25 punten)

Stel: U bent advocaat van de geluidsstudio Weinen B.V. Deze studio heeft gedurende een periode van enkele maanden in opdracht van de tenor Farinelli geluidsopnamen gemaakt voor een door hem nieuw uit te brengen CD. Farinelli is zeer tevreden over de aanpak van de geluidsstudio en de geluidskwaliteit van de uiteindelijke CD. De verkoop van deze nieuwe CD valt echter bijzonder tegen, waardoor Farinelli niet in staat is het totaal door hem aan de geluidsstudio verschuldigde bedrag van € 23.600,-- te voldoen. De geluidsstudio heeft het eerst paar maanden aangezien , maar vraagt u nu Farinelli in rechte te betrekken teneinde betaling van genoemd bedrag af te dwingen. Dit bij voorkeur op korte termijn, omdat Weinen B.V. meerdere openstaande schulden heeft en het geld van Farinelli nodig heeft om ze te betalen.

Motiveer uw antwoord en vermeld daarbij relevante wetsartikelen en/of jurisprudentie.

 

Vraag 1 (5 punten)

Kiest u in dit geval voor een dagvaardings- of een verzoekschriftprocedure?

 

Vraag 2 (5 punten)

Maakt u deze zaak aanhangig bij de sector civiel of bij de kantonrechter?

 

Vraag 3 (5 punten)

Hoe kunt u voorkomen dat een eventueel door Farinelli in te stellen hoger beroep tegen de te verkrijgen rechterlijke beslissing de tenuitvoerlegging daarvan zal schorsen?

 

Vraag 4 (10 punten)

De directeur van Weinen B.V. vraagt zich af of het mogelijk zou zijn om - in de plaats van de hiervoor onder 1 en 2 genoemde procedure – met voldoende kans op succes in kort geding betaling door Farinelli af te dwingen. Acht u het mogelijk om een geldvordering in kort geding in te stellen en zo ja, hoe schat u – gelet op de in de casus genoemde omstandigheden – uw kans op succes daarbij in?

 

CASUS II (25 punten)

 

Nick en Simone zijn begin dit jaar uit Nederland geëmigreerd. Ze wonen nu zo’n 200 kilometer onder Parijs in een echte Franse boerderij. Hun Nederlandse woning in Den Haag hebben zij voor onbepaalde tijd verhuurd aan Karel. Karel betaalt elke maand de huur op de bankrekening van Nick en Simone bij de SNS Bank in Amsterdam. Omdat zij hun Franse boerderij nog ingrijpend verbouwen hebben Nick en Simone hun collectie boeken (waaronder enkele zeer zeldzame exemplaren) opgeslagen in de kelder van hun aan Karel verhuurde Haagse huis. Op een zekere dag is na een flinke storm het dak van de door Karel gehuurde woning, dat kennelijk al in zeer slechte staat verkeerde, ingestort. Als gevolg daarvan zijn de meubels en overige bezittingen van Karel zwaar beschadigd. De schade bedraagt circa 9.000 euro. Karel stelt Nick en Simone daarvoor aansprakelijk maar zij reageren niet op diverse brieven die Karel hen in dit verband zond. Karel schakelt u in als advocaat.

 

Vraag 5 (5 punten)

Uit informatie bij de Gemeentelijke basisadministratie blijkt dat Nick en Simone de Nederlandse nationaliteit hebben en officieel in Frankrijk wonen. Hun adres daar is bekend. U besluit een procedure in Nederland aanhangig te maken. Op grond waarvan heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht?

 

Vraag 6 (4 punten)

U adviseert om voorafgaande aan de hiervoor in vraag 1 bedoelde procedure tot beslaglegging over te gaan op de in de casus bedoelde collectie boeken van Nick en Simone. Bij welke rechter dient u het verlof om dit beslag te leggen te verzoeken?

 

Vraag 7 (5 punten)

Welk beslag of beslagen zou u verder kunnen adviseren?

 

Vraag 8 (7 punten)

Nadat de deurwaarder het beslag op de boeken heeft gelegd meldt zich een zekere Harry die beweert dat hij de eigenaar is van de boeken die zich nog steeds in de kelderruimte in Den Haag bevinden. Het staat vast dat Nick en Simone die boeken aan Harry hadden geschonken, daags na het gelegde beslag. Nick en Simone wisten op het moment van die schenking nog niet dat het beslag was gelegd. U kunt aannemen dat ook Harry ten tijde van de schenking volkomen te goeder trouw was. Moet Harry het beslag op de boeken tegen zich laten gelden of heeft Karel pech en moet hij het eigendomsrecht van Harry respecteren?

 

Vraag 9 (4 punten)

In de procedure tussen Karel enerzijds en Nick en Simone anderzijds wordt Karel bij vonnis van 19 december in het ongelijk gesteld. Zijn door die uitspraak dan tevens van rechtswege de door Karel gelegde beslagen vervallen?

 

Antwoorden tentamen december 2012 – open vragen

 

CASUS I

 

Vraag 1 (5 punten)

Voor een dagvaardingsprocedure omdat het hier gaat om een vordering tot een betalingsveroordeling en niet uit de wet voortvloeit dat deze zaak met een verzoekschrift zou moeten worden ingeleid (art. 261 lid 2 Rv en/of art. 78 Rv).

Boek p. 4,5, 285, 287, 288

 

Vraag 2 (5 punten)

Bij de kantonrechter omdat het een geldvordering onder de grens van art. 93 sub a Rv betreft.

Boek p. 269

 

Vraag 3 (5 punten)

Door in de dagvaarding te vorderen dat de rechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren (art. 233 Rv en art. 350 Rv).

Boek p. 109, 213, 214

 

Vraag 4 (10 punten)

Geldvorderingen kunnen in kort geding worden toegewezen.
Er moet sprake zijn van een spoedeisend belang ex art. 254 Rv; nu het een geldvordering betreft, dient de rechter wel terughoudend te zijn bij de toewijzing daarvan en zal duidelijker dan in andere zaken aannemelijk moeten worden gemaakt dat er sprake is van een spoedeisend belang. De aanwezigheid van een mogelijk restitutierisico aan de zijde van Weinen B.V. staat op zich niet aan toewijzing van de vordering in de weg nu dit enkel een factor is die de kortgedingrechter in de afweging van de belangen moet betrekken.
Het spoedeisende belang moet vervolgens een voorziening bij voorraad vergen en dus zoveel mogelijk op een (eventuele) beslissing in de hoofdzaak vooruitlopen. In casu lijkt hier aan voldaan te zijn omdat hier een condemnatoir vonnis wordt gevraagd.
De zaak moet natuurlijk ook geschikt zijn voor een kort geding doordat deze (feitelijk of juridisch) niet ingewikkeld is (art. 256 Rv). Daaraan lijkt te zijn te voldaan nu Farinelli “tevreden” is en enkel heeft aangegeven niet te kunnen betalen.

Boek p. 273, 274, 276

 

 

CASUS II

 

Vraag 5 (5 punten)

Toetsen aan de Brussel Verordening (EEX‐Vo). Materieel toepassingsbereik: het betreft een burgerlijke zaak en deze zaak is niet uitgesloten in art. 1 lid 2 van de Verordening. Formeel toepassingsbereik: de verweerders wonen in Frankrijk maar bij verhuur van een onroerende zaak waarvan in deze casus sprake is geldt de exclusieve bevoegdheidsregel van artikel 22 lid 1: het gerecht in de lidstaat waar het onroerend goed is gelegen en dat is Den Haag, Nederland.

Boek p. 14, 15, 54 – 58

 

Vraag 6 (4 punten)

Het gaat om een conservatoir beslag op de collectie boeken dus (roerende) zaken. Artikel 700 Rv wijst de voorzieningenrechter aan van de plaats waar die zaken zich bevinden en dat is in deze zaak Den Haag.

Boek p. 428 – 430

 

Vraag 7 (5 punten)

Conservatoir beslag op de woning in Den Haag. Is beslag op een onroerende zaak: art. 725 Rv jo 505 Rv en beslag ten laste van Nick en Simone onder de SNS Bank (het zogeheten derdenbeslag van art.718 Rv jo. 475 Rv. Ook goed is het zogeheten ”eigenbeslag” maar dat behoorde niet tot de verplichte stof.

Boek p. 431, 432

 

Vraag 8 (7 punten)

Het gaat om een conservatoir beslag op roerende zaken (art. 711 Rv). Het beslag was eerder (gelegd) dan de overdracht (ten titel van schenking). Een beslag leidt niet tot beschikkingsonbevoegdheid (arresten Forward/Huber en Ontvanger/de Jong). De beslaglegger kan echter artikel 453a Rv tegen. Harry inroepen. Dit artikel is via art. 712 Rv van overeenkomstige toepassing verklaard op conservatoire beslagen. Harry wordt niet gered door het tweede lid van art. 453a Rv omdat hij – hoewel te goeder trouw‐ niet “anders dan om niet” heeft verkregen. Ook staat aan de bescherming die Harry met het tweede lid van art. 453a Rv zou kunnen inroepen in de weg dat de roerende zaken (de boeken) niet “in zijn handen” zijn gekomen.

Boek p. 371, 372

 

Vraag 9 (4 punten)

Met de uitspraak van 19 december vervalt het beslag niet van rechtswege Een conservatoir beslag vervalt van rechtswege als de in de hoofdzaak afgewezen eis in kracht van gewijsde is gegaan. Zie artikel 704 lid 2. Dat is pas het geval wanneer tegen de uitspraak geen gewoon rechtsmiddel is (of kan worden) aangewend.

Boek p. 367, 427, 441

 

Tentamen januari 2013 – open vragen

 

CASUS I (totaal 25 punten)

Arend viert zijn verjaardag in een chic restaurant waar hij aan zijn vrienden een diner aanbiedt. Eenmaal weer thuis wordt hij ziek. Arend is voor twee weken niet tot werken in staat waardoor hij een lucratieve opdracht moet teruggeven. Arend derft daardoor € 8.000,= aan inkomsten. Arend stelt het restaurant voor dat bedrag aansprakelijk op grond van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichting een maaltijd te serveren waar je niet ziek van wordt. Het restaurant betwist gemotiveerd dat het toerekenbaar tekortgeschoten is. Arend laat het er niet bij zitten en dagvaardt het restaurant tot vergoeding van de door hem geleden schade ad € 8.000,= (artikel 6:74 BW).

 

Vraag 1 (6 punten)

Arend moet in de dagvaarding aan zijn stelplicht voldoen en het restaurant moet aan zijn stelplicht voldoen in de conclusie van antwoord. Wat houdt de stelplicht in en omschrijf die plicht voor Arend en het restaurant in deze situatie.

 

Vraag 2 (6 punten)

Stel dat Arend een medische rapportage van zijn huisarts in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat hij een voedselvergiftiging heeft opgelopen. Arend vindt dat voldoende overtuigend bewijs en biedt geen nader bewijs aan. Het restaurant betwist gemotiveerd dat Arend een voedselvergiftiging heeft opgelopen. Welke gevolgtrekkingen kan de rechter bij die stand van zaken aan die medische rapportage verbinden?

 

Vraag 3 (4 punten)

Neem aan dat Arend wordt toegelaten tot het bijbrengen van bewijs door het (doen) horen van getuigen. Arend laat drie getuigen horen. Zij verklaren alle drie onder ede dat Arend in het restaurant heeft gegeten, daarna direct naar huis is gegaan, daar ziek is geworden en tussendoor niets anders meer heeft gegeten of gedronken. Het restaurant ziet af van het recht om zijnerzijds getuigen te laten horen. Andere bewijsmiddelen zijn over en weer niet ingediend (dus ook niet de in vraag 2 genoemde medische rapportage).

Is bij deze stand van zaken de rechter gehouden het door Arend gestelde bewezen te achten?

 

Vraag 4 (4 punten)

Stel dat de rechtbank voorshands aanneemt dat Arend is geslaagd in het door hem te leveren bewijs. Het restaurant mag tegenbewijs leveren en heeft een aantal getuigen gevonden die allen verklaren dat zij hebben gezien dat Arend na het verlaten van het restaurant nog zeker twintig glazen bier heeft gedronken, waarna hij ladderzat naar huis ging en aldaar ziek is geworden.

Wat is de norm waaraan moet zijn voldaan om het restaurant geslaagd te achten in het leveren van het tegenbewijs?

 

Vraag 5 (5 punten)

Stel dat Arend niet kan bewijzen dat het restaurant de voedselvergiftiging bij Arend heeft veroorzaakt. Evenmin kan het restaurant bewijzen dat het de voedselvergiftiging niet heeft veroorzaakt. Mag de rechter in zo’n geval beslissen dat het restaurant de helft van de schade (dus € 4.000,=) moet vergoeden en Arend de andere helft van zijn schade (ook € 4.000,=) zelf moet dragen?

 

CASUS II (totaal 25 punten)

Andreas vordert van Jacobus (terug) betaling van een bedrag van afgerond € 30.000,- . Andreas stelt daartoe primair dat Jacobus dit bedrag van Andreas had geleend en voor het geval dat niet mocht komen vast te staan (dus subsidiair) vordert Andreas de (terug) betaling van dit bedrag op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Jacobus verweert zich tevergeefs tegen de vordering want de rechtbank wijst de vordering van Andreas op de primaire grondslag toe.

 

Vraag 6 (5 punten)

Jacobus wenst in hoger beroep te gaan. Binnen welke termijn en op welke wijze moet hij dat doen?

 

Vraag 7 (10 punten)

Jacobus gaat in hoger beroep waarbij hij vernietiging van het vonnis vordert. Tegen Andreas, die in hoger beroep niet is verschenen, is verstek verleend. Het hof acht de grief van Jacobus gegrond en komt –anders dan de rechtbank- tot het oordeel dat de primaire grondslag de vordering niet kan dragen. Het hof vernietigt daarom het vonnis en wijst bij arrest van 9 oktober 2012 Andreas’ vordering alsnog af. Tevens veroordeelt het hof Andreas in hetzelfde arrest ambtshalve tot het vergoeden van de schade die Jacobus heeft geleden als gevolg van het feit dat Andreas tegen Jacobus is gaan procederen.

Aan welke processuele misslagen maakt het hof zich schuldig en licht dit toe.

 

Vraag 8 (5 punten)

Andreas neemt kennis van het op 9 oktober 2012 gedateerde arrest van het gerechtshof doordat de deurwaarder dit arrest bij hem op 8 november 2012 in persoon heeft betekend. Andreas wil tegen dit arrest een rechtsmiddel aanwenden. Welk rechtsmiddel dient dat te zijn en wanneer moet dat zijn ingesteld?

 

Vraag 9 (5 punten)

Stel dat tegen het arrest van het gerechtshof geen rechtsmiddel is aangewend. Een jaar na de uitspraak van het gerechtshof ontdekt Andreas dat een van de raadsheren die het arrest heeft gewezen lid was van dezelfde studentenvereniging als Jacobus en dat zij zelfs samen in hetzelfde dispuut hebben gezeten. Andreas is woedend over zoveel onrecht en schrijft Jacobus hierover een brief. Als Jacobus na vier maanden nog niet heeft gereageerd besluit Andreas een advocaat in te schakelen om het arrest om reden van deze, wat Andreas noemt: “vriendjespolitiek” te laten herroepen. Hoe beoordeelt u de kans van slagen?

 

 

Antwoorden tentamen januari 2013 – open vragen

 

CASUS I

Vraag 1 (6 punten)

Arend moet voldoende feiten stellen die leiden tot het door hem gewenste rechtsgevolg. Dat betekent dat Arend alle elementen van de rechtsregel waarop hij zijn vordering tot schadevergoeding baseert (artikel 6:74) in de dagvaarding moet opnemen. Dus: Arend moet stellen dat er een overeenkomst was, dat het restaurant op grond van de overeenkomst een maaltijd moest serveren waar je niet ziek van wordt, dat het restaurant tekortgeschoten is in deze verplichting en dat hij, Arend, daardoor schade heeft geleden. Het restaurant moet vervolgens wat Arend heeft gesteld gemotiveerd betwisten. Wat betreft het vereiste van “toerekenbaarheid” in artikel 6:74 BW geldt dat het restaurant moet stellen dat de door Arend gestelde tekortkoming niet toerekenbaar is. Artikel 6:74 BW spreekt namelijk van ‘tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend’ zodat de stelplicht voor het ontbreken van toerekenbaarheid bij het restaurant ligt.

Boek p. 104 – 108

 

Vraag 2 (6 punten)

Twee mogelijkheden: de rechter zal de vordering van Arend afwijzen omdat zijn stelling gemotiveerd is betwist en de rechter niet overtuigd is van het door de huisarts van Arend zelf opgestelde rapport en Arend geen nader bewijs aanbiedt. Ofwel hij kan voorshands bewezen achten dat sprake is van voedselvergiftiging en het restaurant toelaten tot tegenbewijs.

De rechter kan niet in dit stadium van de procedure de vordering reeds toewijzen op grond van het door Arend overgelegde rapport van zijn huisarts omdat de casus aangeeft dat dit rapport door het restaurant gemotiveerd wordt betwist.

Boek p. 137, 138, 139

 

Vraag 3 (4 punten)

Nee. Getuigenbewijs is geen dwingend bewijs. De rechter is op grond van artikel 152 lid 2 Rv. vrij in de waardering van de afgelegde verklaringen. Ook wordt –indien voldoende duidelijk toegelicht- goed gerekend een antwoord waaruit blijkt dat Arend het nodige heeft gesteld en het restaurant dat niet of onvoldoende heeft betwist en de rechter daarom gehouden is het door Arend gestelde bewezen te achten.

Boek p. 138, 139

 

Vraag 4 (4 punten)

Het is voldoende indien het restaurant voldoende twijfel zaait op grond waarvan het voorshandse oordeel/het vermoeden van de rechtbank wordt ontzenuwd.

Boek p. 149, 150

 

Vraag 5 (5 punten)

Nee dat mag de rechter niet. Wie de bewijslast heeft draagt daarmee ook het bewijsrisico. Dat wil zeggen dat in het geval het bewijs niet kan worden geleverd de rechter de vordering dient af te wijzen.

Boek p. 38, 135

 

Casus II

Vraag 6 (5 punten)

Het gaat om een dagvaardingsprocedure. Artikel 339 Rv bepaalt dat de hoger beroep termijn 3 maanden bedraagt. Voor degene die de procedure als een kort geding aanmerkt geldt een beroepstermijn van 4 weken. Hij moet dat doen met een hoger beroep dagvaarding als nader omschreven in art. 343 Rv.

Boek p. 257

 

Vraag 7 (10 punten)

1. het hof had alsnog de subsidiaire grondslag van Andreas’ vordering moeten beoordelen (devolutieve werking). Eerst wanneer ook het beroep op ongerechtvaardigde verrijking zou worden afgewezen kon vernietiging van het vonnis volgen.

2. De rechter maakt zich schuldig aan overtreding van art. 24 Rv door te beslissen over iets wat niet werd verzocht.

3. Minder juist is een antwoord dat het hof Andreas niet tot schadevergoeding had mogen veroordelen omdat de rechter daarmee buiten de grieven, dus buiten de omvang van de rechtsstrijd in appel, treedt.

1. Boek p. 245

2. Boek p. 24

3. Boek p. 245

 

Vraag 8 (5 punten)

Andreas is in hoger beroep niet verschenen en het arrest van het hof is dan ook bij verstek gewezen. Dan geldt het rechtsmiddel van verzet. De wet bepaalt dit ook in artikel 401b lid 1 Rv: bij verstek staat geen cassatieberoep open tegen dat arrest, maar verzet. Zie voor wat betreft het verzet verder 143 lid 2 Rv.: in verzet gaan bij deurwaardersexploot binnen vier weken na de betekening van het vonnis aan Andreas in persoon. Dus binnen vier weken na 8 november.

 

Boek p. 231, 232, 233

 

Vraag 9 (5 punten)

Gevraagd wordt naar de kans van slagen van het rechtsmiddel herroeping. Zie artikel 382 e.v. Rv. Er is geen kans van slagen want de in artikel 382 Rv. genoemde gronden doen zich in casu niet voor. Minder sterk maar ook goed is het antwoord dat herroeping niet kan slagen omdat de termijn om het rechtsmiddel in te stellen verstreken is (artikel 383 lid 1 Rv).

 

Eerste antwoord - boek p. 205

Tweede antwoord – boek p. 264

 

Tentamen december 2013 – MC vragen

 

Vraag 1

Twee uitspraken.

I.              Indien de Nederlandse rechter zijn bevoegdheid aan artikel 6 Rv wil ontlenen dient hij ook bevoegd te zijn op grond van artikel 2 Rv.

II.            Indien de Nederlandse rechter zijn bevoegdheid aan artikel 5 Brussel-I (EEX-Verordening) wil ontlenen dient hij ook bevoegd te zijn op grond van artikel 2 Brussel-I (EEX-Verordening).

 

Welke uitspraak is juist?

a)            Uitspraak I en II zijn beide juist.

b)            Uitspraak I is juist en uitspraak II is onjuist.

c)            Uitspraak I is onjuist en uitspraak II is juist.

d)            Uitspraak I en II zijn beide onjuist.

 

Vraag 2

Welke van de onderstaande stellingen is onjuist?

a)            Het gebruik van de termen “vordering” en “vorderen” in de wet duidt op de toepasselijkheid van de dagvaardingsprocedure.

b)            In de verzoekschriftprocedure kunnen belanghebbenden een verweerschrift indienen.

c)            In de verzoekschriftprocedure vindt er nadat de gedaagde zijn of haar conclusie van antwoord heeft genomen altijd een comparitie na antwoord plaats.

d)            In verzoekschriftprocedures gelden de regels van het bewijsrecht, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet.

Vraag 3

Welke stelling is juist?

a)            Als iemand meer stelt dan voor het rechtsgevolg nodig is draagt hij ook ten aanzien van dat meerdere de bewijslast.

b)            Degene die de stelplicht heeft, heeft ook de bewijslast.

c)            Degene die een bevrijdend rechtsfeit stelt, heeft hiervan niet de bewijslast.

d)            Een partij die de bewijslast heeft, heeft niet het bewijsrisico.

 

Vraag 4

Twee uitspraken met betrekking tot beslag en de “eis in de hoofdzaak”.

I.              het instellen van de “eis in de hoofdzaak” vindt alleen bij de burgerlijke rechter plaats.

II.            Een bij een buitenlandse rechter te voeren procedure kan als “eis in de hoofdzaak” worden aangemerkt.

Welke uitspraak is juist?

a)            Uitspraak I en II zijn beide juist.

b)            Uitspraak I is juist en uitspraak II is onjuist.

c)            Uitspraak I is onjuist en uitspraak II is juist.

d)            Uitspraak I en II zijn beide onjuist.

Vraag 5

Verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat is vereist:

a)            bij het voeren van verweer door de gedaagde in kort geding.

b)            in een procedure die wordt gevoerd ten overstaan van de kantonrechter.

c)            in een verzoekschriftprocedure.

d)            voor de eiser in een kort geding bij de voorzieningenrechter.

Vraag 6

In een in Nederland gevoerde arbitrageprocedure tussen de in Zwolle wonende Kerseboom enerzijds en het in Milaan, Italië gevestigde bedrijf Latte SpA stellen de arbiters Latte SpA in het gelijk. Kerseboom is het met deze arbitrale uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan niet eens en start in Nederland een procedure tegen Latte SpA voor de burgerlijke rechter tot vernietiging van die arbitrale uitspraak. De Nederlandse rechter zal in deze procedure:

a)            zich bevoegd moeten verklaren op grond van artikel 17 van de Grondwet (dat artikel luidt: “niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent”).

b)            zich bevoegd verklaren en de zaak op de voet van artikel 1064 Rv behandelen.

c)            zich niet bevoegd verklaren op grond van artikel 2 Brussel-I (EEX-Verordening) omdat de verweerder in Italië is gevestigd.

d)            zich onbevoegd moeten verklaren op grond van artikel 1022 Rv wanneer Latte SpA zich op dat artikel beroept.

 

Vraag 7

Geef het goede antwoord. Als de rechter het toestaat om een derde in vrijwaring op te roepen:

a)            dan is daarmee niet gezegd dat de vordering in de vrijwaringszaak te zijner tijd zal worden toegewezen.

b)            dan komt daardoor de (oorspronkelijke) hoofdzaak te vervallen.

c)            dan wordt er verder rechtstreeks geprocedeerd tussen de eiser in de hoofdzaak en de in vrijwaring opgeroepen derde.

d)            dan wijst hij daarmee tevens direct de vordering tegen de nog op te roepen derde in de vrijwaringszaak toe.

 

Vraag 8

Welke van de onderstaande stellingen is onjuist?

a)            De aard van het kort geding verzet zich ertegen dat de eiser na het uitbrengen van de dagvaarding zijn eis kan aanpassen.

b)            De kortgedingrechter kan zijn vonnis ook ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

c)            De rechter mag in kort geding weigeren een verzochte voorziening te geven indien de zaak naar zijn oordeel niet geschikt is om in kort geding te worden beslist.

d)            Uitgangspunt is dat de behandeling van een kort geding in eerste aanleg mondeling is en er geen schriftelijke conclusiewisseling plaatsvindt.

Vraag 9

Een arbitraal vonnis kan ter vernietiging aan de rechter worden voorgelegd. Welk van de volgende uitspraken is juist?

a)            De rechter toetst het vonnis aan de redelijkheid en billijkheid.

b)            De rechter toetst het vonnis alleen met betrekking tot de bevoegdheid van de arbiter(s).

c)            De rechter toetst het vonnis op een aantal limitatief in de wet omschreven gronden.

d)            De rechter toetst of de in het vonnis gegeven motivering volledig deugt.

 

Vraag 10

A heeft tot verhaal van zijn geldvordering op B executoriaal beslag gelegd onder C op wie B een vordering heeft. Na de beslaglegging draagt B zijn vordering op C aan D over. D is niet van het beslag op de hoogte. Wat is juist?

a)            De overdracht is geldig en kan ook aan A worden tegengeworpen indien D te goeder trouw was.

b)            De overdracht is geldig indien D te goeder trouw was en D de vordering anders dan om niet verkreeg.

c)            De overdracht is geldig maar kan niet aan A worden tegengeworpen.

d)            De overdracht is wegens strijd met het beslag zonder rechtsgevolg.

Vraag 11

Welke stelling is juist?

a)            De exequaturprocedure van art. 985 e.v. Rv is van toepassing op tenuitvoerleggingen onder Brussel-I (EEX-Verordening).

b)            De openbare orde vormt geen weigeringsgrond onder Brussel-I (EEX-Verordening).

c)            De voorzieningenrechter toetst bij de verlofverlening onder Brussel-I (EEX-Verordening) of de rechter van de staat van herkomst bevoegd was.

d)            Ook beslissingen die zijn gegeven in puur interne gevallen kunnen in de andere lidstaten onder Brussel-I (EEX-Verordening) worden erkend en ten uitvoer gelegd.

 

Vraag 12

Twee uitspraken

I.              Net als in eerste aanleg wordt ook in hoger beroep door het verzet de instantie heropend; de verzetdagvaarding geldt dan als conclusie van antwoord respectievelijk memorie van antwoord.

II.            Net als in eerste aanleg geldt ook in hoger beroep dat bij verstek van de gedaagde respectievelijk de geïntimeerde de rechter de vorderingen van de eiser respectievelijk de appellant moet toewijzen. Deze zijn immers niet betwist.

Welke uitspraak is juist?

a)    Uitspraak I en II zijn beide juist.

b)    Uitspraak I is juist en uitspraak II is onjuist.

c)    Uitspraak I is onjuist en uitspraak II is juist.

d)    Uitspraak I en II zijn beide onjuist.

 

Vraag 13

Twee uitspraken:

I.              Naar algemeen wordt aangenomen kan de kortgedingrechter in zijn vonnis een overeenkomst ontbinden.

II.            Naar algemeen wordt aangenomen kan de kortgedingrechter in zijn vonnis een verklaring voor recht uitspreken.

Welke uitspraak is juist?

a)    Uitspraak I en II zijn beide juist.

b)    Uitspraak I is juist en uitspraak II is onjuist.

c)    Uitspraak I is onjuist en uitspraak II is juist.

d)    Uitspraak I en II zijn beide onjuist.

Vraag 14

Piet leent € 50.000,-- aan Jan. Zij komen daarbij overeen dat Jan het geleende bedrag uiterlijk op 17 december 2013 terugbetaald moet hebben. In januari 2014 vordert Piet in een gerechtelijke procedure de terugbetaling van € 50.000,-- door Jan. Jan betwist niet dat hij geld had geleend van Piet, maar verweert zich gemotiveerd tegen de vordering met de stelling dat hij het volledige bedrag op 17 december 2013 heeft terugbetaald. De rechter dient te oordelen:

a)            dat de vordering van Piet direct moet worden toegewezen.

b)            dat Jan de bewijslast heeft van zijn stelling dat hij het geleende bedrag op 17 december 2013 heeft terugbetaald.

c)            dat Piet de bewijslast heeft van het bestaan van de overeenkomst en van het feit dat Jan het geleende bedrag niet tijdig heeft terugbetaald.

d)            dat Piet de bewijslast heeft van het feit dat Jan het geleende bedrag niet op 17 december 2013 heeft terugbetaald.

Vraag 15

In welk geval is het uitbrengen van een exploot van dagvaarding noodzakelijk?

a)            Als partijen afspreken vrijwillig in kort geding te verschijnen.

b)            Voor het verkrijgen van toestemming van de voorzieningenrechter voor het leggen van beslag.

c)            Wanneer de eiser tegen de gedaagde een rechtsvordering instelt bij de civiele kamer van de rechtbank.

d)            Wanneer de gedaagde een tegenvordering op de eiser heeft die hij wil instellen in de procedure die de eiser tegen hem aanhangig heeft gemaakt.

 

Vraag 16

Welke stelling is juist? De rechter:

a)            is verplicht ambtshalve de feiten aan te vullen, tenzij het feiten van algemene bekendheid zijn.

b)            is verplicht de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen, tenzij een partij de zaak uitsluitend op een bepaalde rechtsregel beoordeeld wenst te zien.

c)            mag ambtshalve de feiten aanvullen, tenzij het feiten of omstandigheden van algemene bekendheid zijn.

d)            mag de rechtsgronden ambtshalve aanvullen als hij daartoe aanleiding ziet, maar is hiertoe niet verplicht.

Vraag 17

Een alternatieve wijze van geschillenbeslechting is mediation. Het resultaat van een succesvolle mediation is:

a)    een arbitraal vonnis.

b)    een bindend advies.

c)    een mediation vonnis

d)    een overeenkomst.

 

Vraag 18

De kantonrechter heeft A veroordeeld om aan B te betalen € 341,72. A is het met het vonnis oneens. Wat kan A tegen het vonnis ondernemen?

a)    Dat is afhankelijk van de hoogte van de eis waarop de kantonrechter heeft beslist.

b)    Hoger beroep instellen kan niet, gezien de hoogte van het toegewezen bedrag.

c)    Hij kan in hoger beroep gaan bij de rechtbank .

d)    Op grond van artikel 398 lid 1 Rv. moet hij direct in cassatie bij de Hoge Raad.

 

Vraag 19

Tot zekerheid voor het verhaal van zijn geldvordering op Bram, heeft Arend conservatoir derdenbeslag gelegd op het loon dat Bram van zijn werkgever Dirk te vorderen heeft. Dit beslag vervalt:

a)    op het moment dat Bram een dagvaarding in een verklaringsprocedure heeft uitgebracht.

b)    op het moment dat de rechter in de bodemprocedure op vordering van Bram het beslag van Arend opheft.

c)    op het moment dat de vordering waarvoor Arend beslag had gelegd, tegen Bram wordt afgewezen.

d)    in geen van de hiervoor genoemde drie gevallen.

 

Vraag 20

Harry die in Amsterdam woont heeft zijn woonhuis in Friedrichshaven (Duitsland) twee keer verkocht namelijk aan Jan die in Utrecht woont en aan Piet die in Groningen woont. Piet wil Jan dagvaarden in een procedure waarin het gaat om de vraag aan wie van hen het huis moet worden geleverd (zie art. 3:298 BW waarin kort samengevat staat dat het oudste recht op levering voor gaat). De bevoegde rechter voor dit geschil is de rechter in:

a)    Amsterdam.

b)    Friedrichshaven.

c)    Groningen.

d)    Utrecht.

 

Vraag 21

Uit hoofde van daartoe gesloten koopovereenkomsten levert een Franse autofabrikant de door haar gefabriceerde auto’s aan haar Nederlandse autodealer, die vestigingen heeft in Amsterdam, Rotterdam en Arnhem. De in Rotterdam gevestigde autodealer heeft klachten over de geleverde kwaliteit en wil daarom de Franse fabrikant dagvaarden voor de rechtbank in Rotterdam. Contractueel is afgesproken dat de leveringen in Nederland plaatsvinden maar er is niets afgesproken over een bevoegde rechter voor het geval er geschillen rijzen. De Rotterdamse rechter zal:

a)    bevoegd zijn indien op basis van economische criteria is vastgesteld dat Rotterdam de plaats is waar de Franse autofabrikant de hoofdlevering heeft laten plaatsvinden.

b)    bevoegd zijn indien zowel naar Frans als naar Nederlands conflictenrecht vast staat dat Rotterdam de plaats was waar de uitvoering van de onderhavige verbintenis had dienen plaats te vinden.

c)    bevoegd zijn tenzij de Franse autofabrikant verlangt dat de procedure in Frankrijk zal plaatsvinden.

d)    niet bevoegd zijn omdat de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt (het leveren van deugdelijke auto’s) een in Frankrijk te verrichten prestatie betreft.

Vraag 22

Welke uitspraak is juist?

I.              De bewijslast kan worden omgekeerd op grond van de redelijkheid en billijkheid en op grond van geschreven of ongeschreven rechtsregels.

II.            De zogenoemde ‘omkeringsregel’ houdt geen daadwerkelijke omkering van de bewijslast in, maar ziet op een door de rechter aangenomen vermoeden van causaliteit waartegen nog tegenbewijs kan worden geleverd.

a)            Uitspraak I en II zijn beide juist

b)            Uitspraak I is juist en uitspraak II is onjuist.

c)            Uitspraak I is onjuist en uitspraak II is juist.

d)            Uitspraak I en II zijn beide onjuist.

 

Vraag 23

U bent advocaat en u wordt gevraagd om een betwiste geldvordering te incasseren in een feitelijk en juridisch zeer complexe zaak. De financiële situatie van de wederpartij kan als wankel worden gekwalificeerd. Welk advies ligt dan het meest voor de hand?

a)    U adviseert om aan de voorzieningenrechter verlof te vragen om conservatoir beslag te mogen leggen.

b)    U adviseert om direct executoriaal beslag te leggen.

c)    U adviseert om in kort geding een veroordeling te vorderen tot het stellen van zekerheid voor de vordering en de proceskosten.

d)    U adviseert om in kort geding een veroordeling tot betaling van het verschuldigde bedrag te vorderen.

 

Vraag 24

Wat is juist? De procespartij die de bewijslast draagt in een civiele procedure kan in die procedure:

a)    als getuige optreden en de rechter is vrij in de waardering van zijn verklaring als bewijs.

b)    als getuige optreden en zijn verklaring levert in die procedure dwingend bewijs op.

c)    als getuige optreden, maar alleen met toestemming van de wederpartij.

d)    als getuige optreden, maar de bewijskracht van zijn verklaring is beperkt.

Vraag 25

Het Nederlandse bedrijf A heeft op 9 september 2013 het Poolse bedrijf B gedagvaard voor een rechtbank in Polen met een vordering tot schadevergoeding wegens ondeugdelijk geleverde zaken. B op haar beurt heeft A op 11 september 2013 gedagvaard voor de Nederlandse rechter met een vordering tot schadevergoeding wegens misleidende reclame en smaad. De Nederlandse rechter zal:

a)    zich bevoegd moeten verklaren indien in de door A tegen B in Polen aangespannen procedure geen rechtsmiddel kan worden ingesteld.

b)    zich bevoegd verklaren in de zaak tussen B en A en deze verder behandelen.

c)    zich onbevoegd moeten verklaren omdat de door A tegen B aangespannen procedure eerder aanhangig is gemaakt.

d)    zijn uitspraak moeten aanhouden totdat de bevoegdheid van de Poolse rechtbank in de door A tegen B aangespannen procedure vaststaat.

 

 

Antwoorden tentamen december 2013 – MC vragen

 

Vraag

Antwoord

Vindplaats

1

D

Zie Stein/Rueb blz 54-59

2

C

Zie Stein/Rueb blz 5, 292, 294

3

B

Zie Stein/Rueb blz 136-150

4

C

 

5

D

Zie Stein/Rueb blz 46-48

6

B

Zie Stein/Rueb blz 55, 311 e.v.

7

A

Zie Stein/Rueb blz 191 ev.

8

A

Zie Stein/Rueb blz 267 e.v.

9

C

Zie Stein/Rueb blz 322, 326-327

10

C

Zie Stein/Rueb blz 403-405

11

D

 

12

B

Zie Stein/Rueb blz 248-249

13

D

Zie Stein/Rueb blz 273 e.v.

14

B

Zie Stein/Rueb blz 139-149

15

C

Zie Stein/Rueb blz 96, 297, 428, 187

16

B

Zie Stein/Rueb blz 39-44

17

D

Zie Stein/Rueb blz 337-339

18

A

Zie Stein/Rueb blz 237, 258

19

B

Zie Stein/Rueb blz 438-441

20

B

Zie Stein/Rueb blz 54 e.v.

21

A

Zie Stein/Rueb blz 54 e.v.

22

A

Zie Stein/Rueb blz 144, 145, 147-149

23

A

Zie Stein/Rueb blz 428

24

D

Zie Stein/Rueb blz 171-172

25

B

Zie Stein/Rueb blz 54 e.v.

 

 

 

Tentamen december 2013 – open vragen

 

Casus ‘Filmpje op Youtube (totaal 50 punten)’

Schrijf duidelijk leesbaar in correct Nederlands. Onleesbare antwoorden worden niet gehonoreerd. Motiveer uw antwoord, dat wil zeggen deugdelijk toegelicht en toegepast

op de casus en vermeld daarbij relevante wetsartikelen en/of jurisprudentie. Anthony en Jim waren goed bevriend. Hun vriendschap is ernstig bekoeld geraakt nadat Jim zich op een groot afscheidsfeest ter gelegenheid van Anthony ’s emigratie naar Frankrijk, bij Anthony thuis, nogal misdragen heeft. Jim was erg dronken en maakte ruzie met een zekere Ramon, hetgeen eindigde in een vechtpartij tussen deze twee waarbij (antiek) meubilair van Anthony beschadigd is geraakt.   Brian was op het afscheidsfeest aanwezig en getuige van de vechtpartij. Hij heeft met zijn mobiele telefoon een filmpje van de vechtpartij gemaakt en op Youtube gezet en wel zodanig dat alleen Brian dat filmpje er weer vanaf kan halen. Jim laat een kort geding tegen Brian beginnen om een veroordeling te verkrijgen dat Brian het filmpje van Youtube moet halen. Verder vordert Jim in datzelfde kort geding een schadevergoeding (smartengeld) van € 10.000,--.  

 

Vraag 1 (3 punten)

Acht u de voorzieningenrechter, de kantonrechter of allebei bevoegd om in kort geding over genoemde vorderingen van Jim te beslissen? 

Vraag 2 (7 punten)

Stel dat de rechter in kort geding het volledig met Jim eens is dat het filmpje onrechtmatig is ten opzichte van hem. Beredeneer vanuit procesrechtelijk perspectief of de kortgedingrechter dan –omdat Jim dat in kort geding vorderde- Brian moet veroordelen tot verwijdering van het filmpje of dat de rechter van een dergelijke veroordeling mag af zien. 

 

Vraag 3 (3 punten)

De kortgedingrechter heeft de plaatsing van het filmpje onrechtmatig bevonden en u kunt hier aannemen dat hij daarbij tevens heeft bepaald dat Brian het filmpje van Youtube moet halen. Verder heeft de kortgedingrechter Brian veroordeeld tot het betalen van een deel van de gevorderde schadevergoeding aan Jim. In het vonnis heeft de kortgedingrechter ten slotte ook een dwangsom opgelegd van € 500,-- per Brian de schadevergoeding en pas op de achtste dag na betekening van het vonnis heeft Brian het filmpje van Youtube gehaald. Jim stelt zich op het standpunt dat Brian daardoor in ieder geval drie dagen x € 500,-- voor de te late betaling en zeven dagen x € 500,-- voor de late verwijdering van het filmpje, derhalve in totaal € 5.000,-- aan dwangsommen verschuldigd is.

Acht u het standpunt van Jim juist?  

 

Vraag 4 (7 punten)

Voor Jim is de uitspraak in kort geding niet genoeg. Hij begint een bodemprocedure tegen Brian. Door het plaatsen van het (inmiddels verwijderde) filmpje lukt het Jim naar zijn zeggen niet om een baan als advocaat te vinden. Jim stelt Brian voor de daardoor geleden en te lijden inkomensschade aansprakelijk. De primaire grondslag van de vordering is de redelijkheid en billijkheid en subsidiair beroept Jim zich op een door Brian gepleegde onrechtmatige daad. Brian voert tegen deze grondslagen en alles wat daarmee samenhangt gemotiveerd verweer.  In deze bodemprocedure is een comparitie van partijen gelast. Ruimschoots voorafgaand aan de zitting heeft de advocaat van Brian schriftelijke verklaringen van getuigen van het afscheidsfeest in het geding gebracht. Het staat vast dat Jim en Brian en hun advocaten op deugdelijke wijze voor de zitting zijn opgeroepen. Jim verschijnt echter niet op de zitting en ook zijn advocaat komt niet.  

mag de rechter zijn oordeel ten nadele van Jim baseren op de schriftelijke getuigenverklaringen in de wetenschap dat Jim zich hierover niet heeft uitgelaten en maakt het hierbij nog verschil dat Jim en zijn advocaat niet op de comparitie zijn verschenen? 

 

Vraag 5 (7 punten)

De rechtbank wijst op 6 november 2013 een eindvonnis waarin het oordeelt dat de gedraging van Brian tegenover Jim niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt zodat de vordering van Jim tegen Brian wordt afgewezen. 

Bespreek de consequentie(s) van deze bodembeslissing voor de inmiddels door Brian aan Jim op grond van het eerdere kortgedingvonnis (bedoeld in de inleiding op vraag 3) betaalde schadevergoeding en voor de door Brian door dat eerdere kort geding verbeurde dwangsommen.  

 

Vraag 6 (7punten) 

Voorafgaand aan het eindvonnis van 6 november 2013 is door de rechtbank op 3 juli 2013 een tussenvonnis gewezen waarin de rechtbank in het dictum een organisatorische beslissing nam die hier verder niet ter zake doet. Het tussenvonnis bevat ook de overweging van de rechtbank dat de vordering van Jim voorzover gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid niet kan worden toegewezen omdat die vordering geen wettelijke grondslag heeft. Jim is het daar niet mee eens en ook niet met het eindvonnis van 6 november 2013 en gaat daarom tegen beide vonnissen op 20 november 2013 in hoger beroep. In dat hoger beroep verklaart het gerechtshof Jim niet-ontvankelijk met zijn grieven tegen het vonnis van 3 juli 2013 omdat Jim niet binnen de appeltermijn van drie maanden na dat tussenvonnis daartegen hoger beroep had ingesteld.  

Is dit oordeel van het gerechtshof juist? 

 

Vraag 7 (7 punten)

Brian had in de procedure in eerste aanleg tegen de vordering van Jim een aantal verweren gevoerd. In de eerste plaats het verweer dat zijn gedrag niet onrechtmatig was. Met zijn tweede verweer bestreed Brian dat tussen de door Jim gestelde schade en de Brian verweten gedraging causaal verband bestond. Het derde verweer zag op de hoogte van de door Jim gevorderde schade. Zoals hiervoor reeds is gesteld heeft de rechtbank op basis van eerste verweer van Brian de vordering van Jim afgewezen. In het hoger beroep gaat het debat vervolgens uitsluitend over de vraag of de gedraging van Brian onrechtmatig was. Deze vraag is ook het onderwerp van de enige aangevoerde grief. Aan alle andere aspecten van de zaak wordt in hoger beroep geen woord gewijd. Het gerechtshof oordeelt in zijn eindarrest dat de grief van Jim in hoger beroep –kort gezegd dat het gedrag van Brian wel onrechtmatig was– gegrond is. Het gerechtshof overweegt verder: “nu Brian in hoger beroep

slechts verweer heeft gevoerd tegen het standpunt van Jim dat hij (Jim) niet onrechtmatig heeft gehandeld en Brian geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, kan het gerechtshof Brian’s (mogelijke verdere) verweren niet in de beoordeling betrekken”. Het gerechtshof vernietigt daarop het vonnis van 6 november 2013 en wijst alsnog de vordering van Jim tegen Brian volledig toe.  

Heeft het gerechtshof hier procesrechtelijk juist gehandeld? 

 

Vraag 8 (7 punten)

Tot zover Jim en Brian. Anthony (zie inleiding op vraag 1) had in verband met zijn emigratie de inboedel waaronder de antieke meubelen van zijn huis reeds verkocht aan Karel. Voor zijn vertrek naar Frankrijk heeft Anthony de als gevolg van de vechtpartij beschadigde inboedel met wat lapmiddelen gerepareerd. Enkele weken nadat Anthony in Amsterdam de inboedel feitelijk aan Karel had geleverd ontdekt Karel allerlei gebreken daaraan. Volgens Karel bestonden deze gebreken al ten tijde van de levering maar waren ze voor hem niet kenbaar zodat Anthony de kosten van herstel moet dragen. Omdat Anthony nergens op reageert wil Karel in Nederland een bodemprocedure aanhangig maken met een vordering tot vergoeding van de door Karel te maken kosten van herstel. Karel heeft het woonadres van Anthony in Frankrijk. Neem aan dat er geen forumkeuze is gemaakt.  

Op welke grond heeft de Nederlandse rechter in die bodemprocedure rechtsmacht?   

 

Vraag 9 (2 punten)

Karel weet dat Anthony een bankrekening heeft in Nederland. Voordat hij tegen Anthony gaat procederen wil Karel voor zijn vordering op die bankrekening conservatoir beslag leggen. Neem aan dat het daartoe vereiste verlof aan Karel wordt verleend.

Kan Anthony tegen die beslissing in hoger beroep? 

 

Antwoorden tentamen december 2013 – open vragen

 

Vraag 1 (3 punten)

Niet goed is een antwoord waarbij Jim in verband met de bevoegdheidsregels twee procedures tegen Brian begint: de eerste bij de kantonrechter en een tweede procedure bij de voorzieningenrechter. Een dergelijk antwoord staat haaks op de vraag. Bovendien zijn twee procedures niet nodig gezien artikel 94 Rv. Uit het antwoord dient te blijken:

  • dat het gaat om twee vorderingen: een geldvordering en een vordering van onbepaalde waarde.
  • dat het een geval betreft van objectieve cumulatie (artikel 94 Rv)
  • dat beslissend is het totale beloop / waarde van deze vorderingen (art. 93a en b Rv).
  • de stelling (hoeft niet gemotiveerd te zijn) dat het daarmee gepaard gaande belang opgeteld bij de gevorderde € 10.000,-- boven of beneden de in artikel 94 Rv genoemde grens van €25.000 ligt.
  • de keuze van de student waarbij vereist is dat het juiste artikel(lid) wordt genoemd omdat de casus al aangeeft tussen wie kan worden gekozen.

 

  1. de kantonrechter (art. 254 lid 5 jo. art. 93 Rv) lid 5 moet erbij of
  2. de voorzieningenrechter (art. 254 lid 1) of
  3. bij beiden art. 254 lid 1 juncto lid 5 juncto 93 Rv.

Zie Stein/Rueb blz 184, 69-71, 269

 

Vraag 2 (7 punten)

Een antwoord dat volstaat met artikel 26 Rv is fout en levert geen punten op. De rechter mag zoals art. 26 Rv. bepaalt, niet weigeren te beslissen maar als hij de voorziening weigert beslist hij wel. In het antwoord moet duidelijk tot uitdrukking komen dat de student de volgende rode draad heeft gehanteerd: als een partij een recht heeft moet de rechter hem dat recht geven. Zie artikel 3:296 BW. In kort geding is dit anders: als iemand een recht heeft mag de kortgedingrechter weigeren hem dat recht te geven (lees: weigeren het gevraagde verbod of gebod op te leggen) omdat hij op dat moment het belang van de andere partij zwaarder vindt wegen. Compendium pag. 276: “Anders dan de bodemrechter (artikel 3:296 BW) kan de kortgedingrechter op grond van een belangenafweging (art. 254 lid 1 Rv.) van een verbod afzien, bijvoorbeeld op grond van zijn oordeel dat aan de belangen van Jim voorlopig voldoende op nadere wijze is of kan worden tegemoetgekomen. Zie ook het verplichte (hier te noemen) arrest HR 15 december 1995, Procter&Gamble/Kimberly Clark.

Zie Stein/Rueb blz 276

 

Vraag 3 (3 punten)

De wet is duidelijk. Artikel 611a lid 1 slot Rv: geen dwangsom op betalingsveroordeling van een geldsom. Standpunt Jim is dus niet juist wat betreft de betaling van de geldsom maar wel wat betreft het niet tijdig verwijderen van het filmpje.

Zie Stein/Rueb blz 380

 

Vraag 4 (7 punten)

Fout is een antwoord dat ingaat op een prognoseverbod ten aanzien van de schriftelijke getuigenverklaringen. De vraag heeft namelijk geen betrekking op de waardering van bewijs.

Goed antwoord. Het gaat om het beginsel van hoor- en wederhoor. In het antwoord moet dit beginsel worden genoemd samen met artikel 19 Rv en/of 6 EVRM en de concrete betekenis van dit beginsel in het licht van de vraag, namelijk de regel dat partijen in de gelegenheid moeten worden gesteld zich uit te laten over elkaar standpunten en over de in de procedure gebrachte stukken. Verder dient de vraag concreet beantwoord te worden. Verdedigbaar is dat de rechter zijn beslissing niet ten nadele van Jim mag baseren op de producties, artikel 19 Rv/ 6 EVRM en dit in combinatie met het feit dat Jim niet ter comparitie is verschenen. Uit het enkele feit van niet verschijnen mag niet worden afgeleid dat hij zijn vordering heeft prijsgegeven.

Ook is verdedigbaar dat de rechter zijn beslissing wel ten nadele van Jim mag baseren omdat Jim de gelegenheid heeft gehad op de schriftelijke getuigenverklaringen te reageren maar die gelegenheid niet heeft benut. Het verplichte arrest HR Janssen/Hobbelen (NJ 2006, 327) dient hierbij te worden genoemd. In dat arrest gaat het om de situatie dat de gedaagde bij een comparitie niet verschijnt maar dat de daarin gegeven regel geldt uiteraard evenzeer in het geval de andere partij niet verschijnt. Het noemen van artikel 88 Rv (de rechter mag uit het niet verschijnen ter comparitie de gevolgtrekking maken die hij geraden acht) wordt met een punt beloond.

Zie Stein/Rueb blz 25-26

 

Vraag 5 (7 punten)

Fout is een antwoord waarin wordt ingegaan op de gevolgen van een (geslaagd) hoger beroep in kort geding (schadevergoeding en dwangsommen moeten terug op grond van onverschuldigde betaling) omdat bij een dergelijk antwoord de vraag niet goed is gelezen.

Goed antwoord. Door de andersluidende uitspraak in de bodemprocedure verliest het kortgedingvonnis zijn werking omdat de grondslag aan het opgelegde verbod is komen te ontvallen. Een uitspraak in de bodemprocedure gaat “boven” een kort geding. Dus het innen van de schadevergoeding geschiedde achteraf bezien zonder rechtsgrond zodat de schadevergoeding door Brian onverschuldigd is betaald. Bij dwangsommen ligt dit in zoverre anders dat de veroordeelde zich aan de uitspraak in kort geding moet houden zolang het daarin gegeven gebod van kracht is. Eenmaal verbeurde dwangsommen blijven verschuldigd ongeacht een andersluidend oordeel van de bodemrechter. Zie compendium par. 12.10 sub 1 en het verplichte (in het antwoord te noemen) arrest Kempkes/Samson.

Zie Stein/Rueb blz 282-283

 

Vraag 6 (7 punten)

De appeltermijn is weliswaar drie maanden na datum vonnis maar het vonnis van 3 juli 2013 is een tussenvonnis en geen (gedeeltelijk) eindvonnis * Zie art. 337 lid 2 Rv.: hoger beroep eerst met het eindvonnis.

* De beslissing om de vordering niet toe te wijzen op grond van de redelijkheid en billijkheid staat niet in het dictum maar in de overwegingen. Oordeel hof is dus niet juist. Grieven tegen het tussenvonnis mogen (en moeten) tegelijk met de grieven tegen het eindvonnis. Geen punten indien –al dan niet gemotiveerd- geantwoord is dat het hof juist heeft gehandeld of indien is volstaan met het antwoord dat het hof onjuist heeft gehandeld. Fout is de verwijzing naar het eerste lid van artikel 337 Rv omdat geen sprake is van een provisionele uitspraak als bedoeld in artikel 223 Rv.

Zie Stein/Rueb blz 242, 239-240, 241-242

 

Vraag 7 (7 punten)

Ook hier heeft het gerechtshof procesrechtelijk niet juist gehandeld. Als het gerechtshof een grief gegrond acht (zoals in casu het geval is) dient het op grond van de devolutieve werking alle in eerste aanleg aangevoerde (in het kader van de grief relevante) verweren opnieuw of alsnog te behandelen. Daarbij doet het er niet toe of de geïntimeerde die verweren in het hoger beroep heeft herhaald of dat er wel of geen debat in hoger beroep over die andere verweren heeft plaatsgevonden en/of dat de geïntimeerde incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.

Zie Stein/Rueb blz 245 e.v.

 

Vraag 8 (7 punten)

In het antwoord moet tot uitdrukking komen dat er een tweedeling is gemaakt. De Nederlandse rechter zal eerst moeten beoordelen of het geschil tussen Anthony en Karel een kwestie is die valt binnen het toepassingsgebied van Brussel-I (EEX-Verordening) en als dat het geval is dient hij uitsluitend aan de hand van Brussel-I (EEX-Verordening) te bepalen of hij bevoegd is. Deze tweedeling (toepasselijkheid en bevoegdheid) moet in het antwoord zijn terug te vinden.

Een antwoord waarbij zowel Brussel-I als het commune bevoegdheidsrecht (artikel 1-14 Rv) wordt toegepast is een tegenstrijdig antwoord en dus fout. Het is namelijk het een of het ander. Het eerste deel: Is Brussel-I van toepassing? Temporeel toepassingsgebied zie art. 66 jo.76 Brussel-I. Materieel toepassingsgebied. Zie artikel 1 Brussel-I: het betreft een burgerlijk geschil (te weten een vermeende wanprestatie [deze norm moet zijn genoemd]) waarbij de uitzonderingen van artikel 1 sub 2 zich niet voordoen. Formeel toepassingsgebied moet ook worden genoemd en geconcretiseerd: Zie artikel 4 jo. 2 Brussel-I: de verweerder heeft woonplaats binnen de EU want Frankrijk.

Enkele foute antwoorden. Het antwoord waarin staat dat Nederland en Frankrijk partij zijn bij Brussel-I dus Brussel-I (EEX-Verordening) van toepassing is. Toepasselijkheid van Brussel-I wordt niet met dit criterium gevonden. Ook fout is het formele toepassingsgebied van art. 22 of art. 23 Brussel-I. De casus zwijgt namelijk over stilzwijgende forumkeuze en het geschil betreft niet een in artikel 22 Brussel-I genoemd geval. Ook fout is het overslaan van het formele toepassingsgebied of dat criterium wel noemen maar ophangen aan artikel 5 Brussel-I. Dat laatste artikel leidt namelijk niet tot toepasselijkheid van Brussel-I maar tot het aanwijzen van een bevoegde rechter.

Tweede onderdeel: Het gaat hier om de bijzondere regel voor koopovereenkomsten. Dan geldt naast artikel 2 Brussel-I (bevoegde rechter is in Frankrijk) ook de alternatieve bevoegdheidsregel van artikel 5 sub 1 onder a Brussel-I. Namelijk een verbintenis uit een koopovereenkomst ten aanzien waarvan geldt dat de verbintenis tot deugdelijke nakoming van de leveringsverplichting (die aan de eis ten grondslag ligt in Nederland is uitgevoerd (art. 5 sub 1 onder a EEX-Vo). Wie in het eerste onderdeel Brussel-I heeft gemist kan wel enige punten krijgen met de correcte toepassing van het commune IPR, in casu artikel 6 onderdeel a juncto art. 6 sub a Rv: bij de koop en verkoop van roerende zaken is de Nederlandse rechter bevoegd nu de levering in Nederland heeft plaatsgevonden. Het volgende is niet verplicht (want niet naar gevraagd) maar is bij de juiste beantwoording wel beloond: welke rechter in Nederland? Daar waar in Nederland Karel de inboedel in ontvangst heeft genomen. Artikel 5 EEX-Vo wijst hier de relatief bevoegde rechter aan. Artikel 99 e.v. Rv is fout omdat 5 Brussel-I de bevoegde rechter rechtstreeks aanwijst. Maar wie het commune IPR heeft toegepast zou hier moeten antwoorden: eiser is Karel, in diens woonplaats (art. 109 Rv) is de bevoegde rechter te vinden.

Zie Stein/Rueb blz 54-59

 

Vraag 9 (2 punten)

Nee, zie artikel 700 lid 2 slotzin Rv. Alleen bij een weigering verlof te verlenen is hoger beroep mogelijk. Ook is goed gerekend een antwoord waarin artikel 700 lid 2 slotzin niet is genoemd maar de beslagene is verwezen naar het opheffings kort geding van art. 705 Rv. of naar een vordering tot opheffing in de bodemprocedure.

Zie Stein/Rueb blz 428-429

 

 

Tentamen juli 2014 – open vragen

 

Koningsdag (totaal 50 punten)

De Stichting Oranjefeesten (hierna te noemen: de Stichting) organiseert de jaarlijkse festivi- teiten rond Koningsdag (voorheen: Koninginnedag) in de gemeente Schaarsbergen. Ter gelegenheid van de feestelijkheden in april 2013 heeft de Stichting een geluidsinstallatie in bruikleen gekregen van het bedrijf Helios B.V. Wanneer de Stichting deze installatie op 30 april 2013 wil gaan gebruiken blijkt dat de geluidskwaliteit zeer te wensen over laat. Een medewerker van de Stichting neemt daarop telefonisch contact op met Helios maar krijgt als boodschap uit een automatisch antwoordapparaat dat Helios BV “thans gesloten is en wij u vanaf 2 mei 2013 weer graag van dienst zijn”.

De Stichting gaat daarop naarstig op zoek naar vervangende apparatuur en dat lukt. Bij een Arnhems bedrijf staat een vrijwel identieke installatie. De Stichting besluit die installatie te huren ook al is de huurprijs nogal fors.

Wanneer Helios op 2 mei 2013 haar geluidsinstallatie in Schaarsbergen komt  erughalen constateert zij dat de apparatuur beschadigd is. Helios stelt de Stichting aansprakelijk. De Stichting antwoordt per brief aan Helios dat zij aansprakelijkheid niet aanvaardt omdat de Stichting geen schade heeft toegebracht aan de installatie die zij niet heeft gebruikt.

 

Vraag 1 (3 punten)

Helios BV dagvaardt de Stichting met een vordering tot schadevergoeding. De Stichting laat verstek gaan. Kan de rechter dan toch op de hoogte zijn van het verweer dat de Stichting tegen de vordering van Helios heeft?

 

Vraag 2 (5 punten)

De rechter wijst de vordering van Helios tegen de Stichting toe. Kan Helios tot ten uitvoer legging van het vonnis overgaan zonder dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard?

 

Vraag 3 (3 punten)

In het vervolg moet u ervan uitgaan dat de Stichting in de door Helios tegen haar aangespannen procedure in eerste aanleg wel is verschenen. In de procedure verweert de Stichting zich tegen de vordering van Helios. Daarnaast wil de Stichting op haar beurt schadevergoeding van Helios vorderen. De Stichting legt aan haar vordering ten grondslag dat Helios tegenover de Stichting toerekenbaar tekort is geschoten door –samengevat- geluidsapparatuur ter beschikking te stellen die niet goed werkte. De schade is de hogere huurprijs die de Stichting aan het Arnhemse bedrijf voor de alternatieve geluidsapparatuur heeft moeten betalen.

Tot welk moment in de procedure kan de Stichting haar vordering tot schadevergoeding instellen?

 

Vraag 4 (6 punten)

Zoals gesteld vordert Helios van de Stichting schadevergoeding. Daaraan legt zij ten grondslag dat de Stichting tegenover Helios toerekenbaar tekort is geschoten doordat de geluids- installatie met beschadigingen is teruggegeven, terwijl de geluidsapparatuur onbeschadigd aan de Stichting ter beschikking was gesteld. De Stichting verweert zich daartegen met de stelling dat de installatie bij teruggave aan Helios, niet in een slechtere staat verkeerde dan waarin die apparatuur verkeerde toen het aan de Stichting enkele dagen daarvoor ter beschikking was gesteld.

Op wie rust de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de staat waarin de  geluidsapparatuur bij teruggave verkeerde?

Vraag 5 (6 punten)

Noem, geheel los van de voorgaande casus, drie manieren –en licht die kort toe – waarmee de rechter af kan wijken van de hoofdregel van de bewijslastverdeling.

Vraag 6 (5 punten)

Stel dat de rechter oordeelt dat ten aanzien van de beschadiging van de geluidsapparatuur geen sprake is van een tekortkoming zoals Helios had aangevoerd maar van een door de Stichting gepleegde onrechtmatige daad. Moet de rechter de vordering van Helios dan om deze reden afwijzen?

 

Vraag 7 (5 punten)

Neem in het vervolg aan dat de rechter de vordering van Helios tegen de Stichting afwijst en de vordering van de Stichting tegen Helios toewijst. Helios is het met dat vonnis niet eens en stelt daartegen hoger beroep in. Helios komt in het hoger beroep met één grief inhoudende dat de rechtbank ten onrechte de vordering van de Stichting heeft toegewezen omdat de Stichting geen huur heeft hoeven te betalen aan het Arnhemse bedrijf, zodat de Stichting, anders dan zij in eerste aanleg had gesteld, helemaal geen schade heeft geleden.

Om dit te bewijzen biedt Helios aan om twee met name genoemde getuigen te horen. Het gerechtshof weigert die getuigen te horen. Het gerechtshof overweegt daartoe dat Helios deze al in eerste aanleg had kunnen laten horen en Helios niet heeft uitgelegd waarom dat niet had gekund. Het gerechtshof bekrachtigt vervolgens het vonnis van de rechtbank. Aannemende dat Helios hiertegen in cassatie gaat. Zal de Hoge Raad een klacht over deze overweging van het gerechtshof gegrond achten?

 

Vraag 8 (7 punten)

Nadat Helios haar conclusie van eis in hoger beroep met de in de vorige vraag genoemde grief heeft genomen en de Stichting haar memorie van antwoord heeft ingediend zonder zelf te grieven, zet het gerechtshof zich aan het schrijven van het arrest. Het gerechtshof heeft bij het lezen van het dossier uit de daarin zich bevindende stukken opgemaakt dat de geluidsapparatuur bij teruggave aan Helios in een beduidend slechtere staat verkeerde dan de staat waarin het verkeerde toen Helios die apparatuur aan de Stichting in bruikleen gaf. Het gerechtshof is ervan overtuigd dat de geluidsapparatuur door toedoen van de Stichting beschadigd is geraakt. Mag het gerechtshof op basis hiervan alsnog de vordering van Helios op de Stichting toewijzen?

 

Vraag 9 (4 punten)

De termijn waarbinnen cassatie moet zijn ingesteld bedraagt drie maanden gerekend vanaf de dag van de uitspraak (art. 402 lid 1 Rv.). Het gerechtshof had aan Helios en de Stichting laten weten dat het op 27 mei 2014 uitspraak zou doen. Het gerechtshof was echter snel klaar met deze zaak en heeft –zonder partijen daarover vooraf te informeren- reeds op 11 februari 2014 arrest gewezen. Als gevolg van een administratieve fout bij het gerechtshof ontvingen de partijen eerst op 15 mei 2014, derhalve na het verstrijken van de cassatietermijn, dat arrest. Kunnen partijen, als zij toch cassatie instellen, in cassatie worden ontvangen en zo ja wanneer moet dan uiterlijk cassatie zijn ingesteld?

Vraag 10 (6 punten)

Neem aan dat Helios ook in hoger beroep in het ongelijk is gesteld, dat cassatie kan worden ingesteld en Helios dat ook doet. In afwachting van de uitkomst in cassatie legt Helios conservatoir beslag ten laste van de Stichting. De Stichting vordert in kort geding opheffing van dat beslag en voert daartoe aan dat, zoals de rechtbank en het gerechtshof reeds hebben uitgemaakt, Helios geen vordering op de Stichting heeft zodat het beslag wegens de gebleken ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht (zie art. 705 Rv.) moet worden opgeheven. Dient de rechter in dit kort geding dit standpunt van Helios te volgen?

 

Antwoorden tentamen juli 2014 – open vragen

 

Koningsdag
Vraag 1 (maximaal 3 punten)

Foute antwoorden:

De Stichting schrijft een brief aan de kantonrechter waarin zij haar standpunt uiteenzet of de Stichting komt mondeling haar verhaal doen. Dit is fout. Als de rechter een brief van de Stichting accepteert of het mondelinge verhaal aanhoort is sprake van een conclusie van antwoord en bij een conclusie van antwoord is er –anders dan de casus aangeeft- geen verstekzaak. Een beroep op het arrest Jansen/Hobbelen is fout omdat dit arrest ziet op het geval wat de rechter mag doen wanneer er wel inhoudelijk verweer is gevoerd (dus geen verstekzaak) maar de gedaagde bij de nadien gehouden comparitie wegblijft.

 

Het goede antwoord:

Artikel 111 lid 3 Rv schrijft voor dat de dagvaarding ook het verweer van de gedaagde dient te bevatten. Conclusie: als Helios dat voorschrift in acht heeft genomen zou het verweer van de Stichting bekend moeten zijn. Ook goed gerekend is het antwoord dat de gedaagde het verstek kan zuiveren in de zin van art. 142 Rv.

 Zie Stein/Rueb blz 97, 231-235

Vraag 2 (maximaal 5 punten)

Foute antwoorden:

Wie opmerkt dat het er van afhangt of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard heeft de vraag niet goed gelezen.

Het goede antwoord:

Het vonnis heeft meteen rechtskracht. Het vonnis dient –wil het ten uitvoer kunnen worden gelegd- wel eerst aan de Stichting te zijn betekend. Zie artikel art. 430 lid 3 Rv. Verder zal de tenuitvoerlegging niet (verder) kunnen plaatsvinden wanneer de Stichting in verzet gaat omdat dit de (verdere) tenuitvoerlegging schorst (art. 145 Rv.). Hoger beroep idem (350 Rv).

Zie Stein/Rueb blz 201, 205

 

Vraag 3 (maximaal 3 punten)

Foute antwoorden:

Geen beloning voor het antwoord dat de Stichting een zelfstandige procedure tegen Helios kan starten want dat is geen antwoord op de vraag. Ook fout is een antwoord dat gelijk met de conclusie van antwoord de excepties moeten worden aangevoerd (art. 128 Rv) omdat de tegenvordering van de Stichting geen exceptie is. Ook fout is een antwoord waaruit volgt dat de eiser zijn eis kan vermeerderen. Het gaat bij deze vraag immers om een tegenvordering van de gedaagde.

Goede antwoord:

Zie artikel 137 Rv. Door middel van (c.q. het betreft) een eis in reconventie en die moet tegelijkertijd met het indienen van de conclusie van antwoord worden ingesteld.

Zie Stein/Rueb blz 184 e.v.

 

Vraag 4 (maximaal 6 punten)

Foute antwoorden

Veel gelezen: “Wie stelt bewijst” en dan zonder nadere toelichting wat daarmee wordt bedoeld. Artikel 150 Rv geeft een andere regel zoals uit lezing van dat artikel blijkt. Dat “wie stelt bewijst” fout is blijkt al uit het feit dat de Stichting het nodige stelt maar daarvan niet de bewijslast draagt. Het gaat om de partij die uit is op het rechtsgevolg. Ook fout is het standpunt dat de Stichting een ‘ja-maar’ verweer voert. Waar zegt de Stichting “ja” tegen? Wel dat zij de apparatuur heeft gehuurd maar dat is niet het onderwerp van het geschil. Het gaat er om dat zij de apparatuur niet heeft beschadigd. Haar verweer is dus gewoonweg “nee”. Ook fout is het antwoord dat de Stichting het verweer voert (en daarvan de bewijslast draagt) dat de beschadiging aan de apparatuur haar niet kan worden toegerekend (al dan niet onder verwijzing naar art. 6:74 BW). De Stichting voert geen toerekeningsverweer maar het verweer dat zij niet tekort is geschoten.

Goede antwoord:

Artikel 150 Rv. Wie zich op het rechtsgevolg beroept draagt de bewijslast van de daaraan ten grondslag gelegde (voor dat rechtsgevolg noodzakelijke) feiten. Helios wil schadevergoeding. Dat is het beoogde rechtsgevolg. Wat is daar voor nodig? Zie artikel 6:74 BW. Dat de Stichting tekort is geschoten tegenover Helios door de apparatuur te beschadigen/beschadigd terug te geven en dat Helios daardoor schade heeft geleden. Helios zal dus de voor dit rechtsgevolg noodzakelijke feiten moeten stellen. Als de Stichting die feiten (gemotiveerd) betwist zal Helios die feiten niet alleen moeten stellen maar ook moeten bewijzen.

Zie Stein/Rueb blz 139

 

Vraag 5 (maximaal 6 punten)

Foute antwoorden:

Dwingende bewijskracht van (bijvoorbeeld) een akte. Het gaat dan om de waardering van een bewijsmiddel en dat vindt plaats na de bewijslastverdeling. Een “ja-maar” verweer in de zin van het arrest Kroymans/Verploegen. Dat is namelijk ook een beroep op een rechtsgevolg en dus in overeenstemming met de hoofdregel. Het leerstuk van de erkenning want bij erkenning is er geen bewijslastverdeling.

 

Goede antwoord:

  1. Wettelijk vermoeden: als de wet een feit als ‘bewezen’ aanneemt indien andere feiten bewezen zijn. Het blijft een vermoeden omdat tegenbewijs mogelijk is. Bijvoorbeeld 43 Fw, 3:109, 118, 119 BW en de grijze lijst van 6:237 BW.
  2. Rechterlijk (feitelijk) vermoeden: de rechter leidt uit de vaststaande feiten een niet vaststaand feit af. Het is een bewijsredenering (op basis van indirect bewijs): omdat de door de ene partij aangedragen feiten a,b,c, vaststaan is er het vermoeden dat "d" zich heeft voorgedaan.
  3. De voorshandse bewezenverklaring: hier hanteert de rechter geen vermoeden maar waardeert de rechter het reeds aanwezige bewijsmateriaal en acht dat zo overtuigend dat hij voorshands aanneemt dat het feit is zoals het is gepresenteerd (Compendium pag. 147).
  4. De “omkeringsregel” (in sommige zaken van) causaal verband (Comp. P.147).
  5. De omkering van artikel 150 Rv op grond van de wet of de strekking van de wet (waartoe behoort de in art. 150 Rv genoemde redelijkheid en billijkheid)(zie Comp. pag. 143)
  6. Minder juist maar ook goed gerekend: als partijen een bewijsovereenkomst in de zin van art. 153 Rv hebben gesloten.
  7. Hoewel strikt beschouwd geen bewijslastverdeling maar ook goed gerekend: de verzwaarde motiveringsplicht van de betwisting. Zie HR 13 januari 1995 NJ 1997, 175 (de Heel/Korver).

 

Zie Stein/Rueb blz 142 e.v.

 

Vraag 6 (maximaal 5 punten)

Goede antwoord:

De rechter mag de vordering niet om deze reden afwijzen want hij moet de rechtsgronden ambtshalve aanvullen zie artikel 25 Rv. Dit betekent dat de rechter uit zichzelf moet nagaan welke rechtsregels op de vaststaande feiten van toepassing zijn en bepalen of die rechtsregels leiden tot toewijzing of afwijzing van de vordering. HR 15 mei 1998 NJ 1998, 625 (Van Rooij/Van der Sluijs).

Zie Stein/Rueb blz 97, 231-235

 

Vraag 7 (maximaal 5 punten)

Foute antwoorden:

De vraag is of de Hoge Raad een klacht over deze overweging zal honoreren. Antwoorden die op andere aspecten van het getuigenverhoor ingaan (zoals: “het moet ter zake dienend zijn”) leveren geen punten op omdat daar niet naar is gevraagd.

 

Goede antwoord:

De devolutieve werking van het hoger beroep betekent onder meer dat de zaak wordt afgewenteld op de hoger beroep rechter. Het hoger beroep dient er mede toe om eigen fouten (en nalatigheden) te herstellen en ook om met een nieuwe eis of nieuwe verweren te komen zodat in hoger beroep de getuigen moeten worden gehoord, althans het horen van hen niet op deze grond kan worden geweigerd. Niet in het antwoord hoeft maar is wel geldend recht: in hoger beroep hoeft niet te worden uitgelegd waarom de getuigen niet eerder zijn gehoord. Hoewel de vraag hier niet over gaat is gedeeltelijk goed gerekend een antwoord in de zin van: “Om in hoger beroep te worden toegelaten tot (nadere) bewijslevering door getuigen, zal het bewijsaanbod in het algemeen specifieker moeten zijn dan in eerste aanleg, d.w.z. nog concreter moeten vermelden welke feiten door middel van welke getuigen zouden kunnen worden bewezen, zodat de getuigen moeten worden gehoord als het aanbod daartoe aanwezig is. Voor de volledigheid: deze eis geldt eerst wanneer in eerste aanleg geen getuigen waren gehoord.

Zie Stein/Rueb blz 245 e.v.

 

Vraag 8 (maximaal 7 punten)

Foute antwoorden:

Het noemen van de devolutieve werking is niet juist omdat dit afwijkt van de vraag. De devolutieve werking komt namelijk pas aan bod als het gerechtshof een grief gegrond acht. In casu is alleen een grief gericht tegen de door de rechtbank toegewezen vordering van de Stichting op Helios maar over de uitkomst daarvan zwijgt de casus. Voor de duidelijkheid over de devolutieve werking: zou het gerechtshof de enige grief gegrond hebben bevonden dan dient het gerechtshof alle in  eerste aanleg aangevoerde (in het kader van de gegrond bevonden grief relevante) verweren van de Stichting opnieuw of alsnog moeten behandelen. Daarbij doet het er niet toe of de Stichting die verweren in het hoger beroep heeft herhaald of dat er wel of geen debat in hoger beroep over die verweren heeft plaatsgevonden en/of dat de Stichting incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.

Goede antwoord:

In hoger beroep geldt het grievenstelsel. Dit betekent dat de hoger beroep rechter alleen mag oordelen over onderdelen uit de eerste uitspraak die door grieven zijn aangevallen. Er is alleen een grief gericht tegen de beslissing van de rechter over de door de Stichting gevorderde schadevergoeding (de hogere huur) OF woorden van gelijke strekking. Het gerechtshof zal daarom buiten de rechtsstrijd treden indien het oordeelt over de vordering tot schadevergoeding wegens beschadiging van de apparatuur. Het gerechtshof mag dus niet (alsnog) de vordering tot schadevergoeding van Helios op de Stichting toewijzen.

Zie Stein/Rueb blz 243

 

Vraag 9 (maximaal 4 punten)

Goede antwoord:

Wel ontvankelijk want HR 28 november 2003 NJ 2005, 465 (De Raad voor de Kinderbescherming): hoewel in het belang van een goede rechtspleging omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie aanvangt (en eindigt) duidelijkheid dient te bestaan en dat derhalve aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden is een uitzondering gerechtvaardigd ingeval degene die cassatie instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) het hof begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de een uitspraak heeft gedaan en die uitspraak hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van cassatie is toegezonden of verstrekt. In een zodanig geval moet de beroepstermijn verlengd worden met een termijn van veertien dagen - of een zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke beroepstermijn -na de dag van verstrekking of verzending van de uitspraak.

Goed antwoord is ook: Niet ontvankelijk want uitgangspunt is dat niet mag worden afgeweken van de strakke termijnen en het gaat hier om een dagvaardingsprocedure waarin, anders dan in een verzoekschriftprocedure als waarvan in het arrest Kinderbescherming sprake was, een roljournaal wordt gehanteerd zodat eenvoudig was te achterhalen dat eerder uitspraak was gedaan.

 

Vraag 10 (maximaal 6 punten)

Inleiding:
Vraag 10 laatste “Helios” in de vraag moet gelezen worden als “de Stichting”.

 

Foute antwoorden:

HR 15 december 1995, Procter&Gamble/Kimberly Clark. Dat betreft een andere situatie namelijk dat de kortgedingrechter mag weigeren iemand een recht dat hij heeft te geven (lees: weigeren het gevraagde verbod of gebod op te leggen). Of Helios of de Stichting een recht heeft staat nu juist ter discussie.

Goed antwoord:

Hoge Raad 30 juni 2006 NJ 2007, 483 JBPr 2006, 62 (Bijl/Van Baalen) Het antwoord is (de rechtsoverwegingen in dit arrest volgend) kort samengevat: nee want normaliter moet de kort geding rechter zijn oordeel afstemmen op een oordeel in een bodemzaak maar bij conservatoir beslag blijft het een belangenafweging waarbij de omstandigheid dat Helios al twee keer heeft verloren een mee te wegen omstandigheid is.

 

Goed antwoord 2:

Helios heeft beslag gelegd voor een vordering die in eerste aanleg is afgewezen en, zoals uit vraag 7 en 8 blijkt, niet in appel door haar was gehandhaafd. Aannemende dat die vordering op inhoudelijke gronden is afgewezen (hier mag bij maar hoeft niet genoemd te worden Hoge Raad 19 november 1993 NJ 1994, 175 (Van Raalte/SH Beheer) geldt dat sprake is van gezag van gewijsde (art. 236 Rv.) en kan die eerder ingestelde en inhoudelijk beoordeelde vordering niet opnieuw worden beoordeeld zodat reeds om deze reden het beslag zal moeten worden opgeheven.

 

Zie Stein/Rueb blz 201

 

 

Tentamen december 2014 - open vragen

 

Vraag 1 (10 punten)

De Truck en de Honda

In Amsterdam heeft zich een aanrijding voorgedaan tussen een door Daan bestuurde motorfiets van het merk Honda en een door Henrique bestuurde pick up truck (een auto) van het merk Hyundai. Volgens Henrique ligt alle schuld bij Daan omdat Daan geen rijbewijs heeft voor een motorfiets en jongeman is die voor het eerst op een krachtige motor reed en niet in staat bleek te zijn adequaat te handelen in het verkeer.

Henrique stelt zijn schade op 5000 euro materiële schade en 30.000 euro schade aan de auto. Henrique wil dat Daan hem zijn schade gaat vergoeden en besluit hem te dagvaarden. Het is probleem is echter dat Daan in België woont. Henrique claimt dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is. De aanrijding vond in maart 2015 plaats.

Deelt u de mening van Henrique dat de Nederlandse rechter bevoegd is? Zo ja, op grond waarvan? Zo nee, waarom niet?

Vraag 2 (3 punten)

Neem in het vervolg aan dat de Nederlandse rechter bevoegd is de zaak te behandelen. Henrique heeft gedagvaard, Daan verschijnt en dient zijn conclusie van antwoord in. Daarin verweert Daan zich slechts met het gemotiveerde standpunt dat de gevorderde schade veel te hoog is. De overige beweringen van Henrique betwist hij niet. Vervolgens wijst hij de rechtbank een tussenvonnis waarin een comparitie van partijen wordt gelast. Beschrijf kort wat een comparitie van partijen is en waartoe die dient.

Vraag 3 (7 punten)

Na afloop van de comparitie van partijen wijst de rechter in deze zaak een vonnis. In het dictum van dat vonnis oordeelt de rechter als volgt:

RECHTDOENDE IN DE NAAM DES KONINGS:

  • draagt Henrique op te bewijzen hoe de exacte opdracht van het ongeluk is geweest

  • draagt Henrique op bewijs te leveren omtrent de omvang van de door hem als gevolg van het ongeluk geleden materiële schade.

  • Veroordeelt Daan tot betaling aan Henrique van een bedrag van 500 euro aan immateriële schadevergoeding

  • houdt de beslissing voor het overige aan

Als Henrique het niet eens is met het vonnis, kan hij dan direct van dit vonnis in hoger beroep? En zo ja, moet hij dat dan ook binnen de gangbare beroepstermijn doen of kan hij er ook voor kiezen te wachten tot in een later stadium van de procedure? Motiveer je antwoord.

Vraag 4 (3 punten)

Kan Daan om zijn vordering, waarvoor hem de bewijslast is opgelegd, te staven als getuige worden gehoord? Zo ja, welke bewijskracht heeft zijn getuigenverklaring? Zo nee, waarom zou Daan niet als kunnen worden gehoord?

Vraag 5 (7 punten)

Neem bij deze vraag aan dat hoger beroep in deze zaak mogelijk is. Henrique gaat daadwerkelijk en tijdig in hoger beroep. U bent zijn advocaat. Zoals reeds gesteld bij vraag 2 staat in het dictum van het vonnis:

RECHTDOENDE IN DE NAAM DES KONINGS:

  • draagt Henrique op te bewijzen hoe de exacte toedracht van het ongeluk is geweest (…)

Welke klacht (grief) zou u namens Henrique indienen tegen deze beslissing in het vonnis? Motiveer het antwoord.

Vraag 6 (3 punten)

Tussen de Amsterdamse vastgoedhandelaar Ijsjay en de Limburgse projectontwikkelaar Cooper is een geschil ontstaan uit een aantal overeenkomsten met betrekking tot grond. Ijsjay is een procedure gestart waarbij hij vele miljoenen van Cooper vordert. Voorafgaand aan de procedure heeft Ijsjay beslag gelegd op een aantal onroerende zaken van Cooper.

Op wat voor soort beslag hier gedoeld?

 

Vraag 7 (7 punten)

Cooper had zich voorafgaand aan de beslaglegging door Ijsjay verbonden om de onroerende zaken waar het hier om gaat, vrij van beslagen over te dragen. Wat kan Cooper doen om het door Ijsjay gelegde beslag eraf te krijgen?

Vraag 8 (3 punten)

Wat de vordering van Ijsjay op Cooper betreft voert Cooper aan dat een deel daarvan (hierna te noemen: Vordering A) schadevergoeding betreft en hij betwist de hoogte van de gestelde schade. In de tweede plaats verweert Cooper zich tegen het andere deel van het gevorderde bedrag (hierna te noemen: Vordering B) met het argument dat de Nederlandse belastingregelgeving dit soort vorderingen verbiedt en er dus in zoverre sprake is van nietige overeenkomsten.

In het tussenvonnis overweegt de rechtbank ten aanzien van Vordering A het voorshands aannemelijk te achten dat Ijsjay de door hem gevorderde schade heeft geleden zodat Cooper in de gelegenheid wordt gesteld hiertegen tegenbewijs te leveren.

Wat betekent het begrip “tegenbewijs”?

 

Vraag 9

Wat betreft Vordering B staat in de overwegingen in het tussenvonnis te lezen dat de belastingregelgeving op dit punt volstrekt duidelijk is zodat het verweer van Cooper tegen Vordering B slaagt. Een beslissing in het dictum hierover stelt de rechtbank uit tot het eindvonnis.

Nadat het tussenvonnis is gewezen en voordat de rechtbank met een eindvonnis komt heeft de Hoge Raad in een vergelijkbare zaak uitgemaakt dat de belastingwetgeving op het punt waar het in onze casus om gaat, onverbindend is.

De rechter vraagt zich nu af of hij, gezien de uitspraak van de Hoge Raad, terug mag komen op zijn eerdere eindbeslissing in het tussenvonnis met betrekking tot Vordering B? Mag hij dat en zo ja, op welke grond? Zo niet, waarom niet?

 

 

Antwoorden tentamen december 2014

Vraag 1 (10 punten)

Bij deze vraag dient bij de beantwoording een tweedeling te zijn gemaakt. In het eerste deel moet de bron zijn bepaald waaruit vervolgens (in het tweede deel) de bevoegdheidsvraag zal worden beantwoord. Beide delen worden elk met ten hoogste 5 punten beoordeeld.

Deel 1 (5 punten): de bron is Brussel-I (Herschkking) wanneer voldaan is aan:

  1. het Temporeel toepassingsgebied (art.66). Hieraan is voldaan want uit de casus blijkt dat de aanrijding in maart 2015 heeft plaatsgevonden zodat er een rechtsvordering is ingesteld (gedagvaard) na 10 januari 2015.

  2. Het Materieel toepassingsgebied (art. 1). Hieraan is voldaan want het betreft een zaak tussen twee burgers onderling waarbij de een de ander tot schadevergoeding aanspreekt. Het geval betreft een vordering uit onrechtmatige daad en deze kwalificatie behoort niet tot de uitzonderingen van artikel 1 sub 2. De in dat artikellid genoemde gevallen doen zich in casu niet voor.

  3. Het Formeel toepassingsgebied (art 4-6): de verweerder heeft woonplaats binnen de EU (België)

Omdat Brussel-I (Herschikking) van toepassing is kan de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is alleen op grond van deze Verordering worden vastgesteld.

Deel 2 (5 punten): is de Nederlandse rechter bevoegd? De verweerder woont in België, een EU land (art. 4) en omdat art. 4 van toepassing is kan de Nederlandse rechter zijn bevoegdheid wellicht ontlenen aan artikel 7. In casu is dat op grond van art. 7 lid 2: het gaat om een verbintenis uit onrechtmatige daad waarbij de verweerder ook kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Die plaats is het Handlungsort en het Erfolgsort, de plaats waar de schade is veroorzaakt respectievelijk geleden en dat is Amsterdam. Dus is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 lid 2 juncto 4 Brussel-I (Herschikking) bevoegd.

Enkele fouten:

  1. De toepasselijkheid van Brussel-I baseren op artikel 7. Artikel 7 beantwoordt niet de vraag of Brussel-I van toepassing is.

  2. De “oude” Brussel-I verordering toepassen. De casus vermeldt dat de aanrijding heeft plaatsgevonden in maart 2015, zodat de rechtsvordering in onze casus nadien, en dus onder het regime van de herziene Brussel-I verordering zal zijn ingesteld.

  3. Bij de beantwoording van het temporele toepassingsgebied volstaan met de opmerking dat de aanrijding in maart 2015 heeft plaatsgevonden. Dat bepaalt niet of Brussel-I temporeel van toepassing is. Het gaat om artikel 66 van de verordering: of de rechtsverordering is ingesteld op of na 10 januari 2015.

  4. Bij de formele toepassing van Brussel-I antwoorden dat beide partijen in de EU woonachtig zijn. Dat is onze casus wel zo maar het is geen juiste toepassing voor het formele vereiste want op grond van art. 4 is voldoende dat de verweerder in de EU woonachtig is.

  5. De kwalificatie ontbreekt bij de beantwoording van de vraag of de Brussel-I verordering materieel van toepassing is. De norm is artikel 1 maar dat geeft geen antwoord op de vraag of de verordering in deze zaak van toepassing is. De norm moet zijn geconcretiseerd op de wijze zoals in het model staat.

Vraag 2 (3 punten)

Bij een comparitie van partijen dienen de procespartijen voor de rechter te verschijnen, bijvoorbeeld na de conclusie van het antwoord (art. 131 Rv). De comparitie kan gebruikt worden om de rechter in te lichten (art. 88) zodat voor de rechter en voor partijen meer zicht op de zaak ontstaat. Ook kan de comparitie dienen om partijen tot een schikking te laten komen (art. 87).

 

Vraag 3 (7 punten)

Tegen de tussenvonnissen anders dan die genoemd in het eerste lid van art. 337 Rv kan niet direct maar eerst met het eindvonnis hoger beroep worden ingesteld (337 lid 2 Rv) tenzij de rechter tussentijds beroep in zijn uitspraak toestaat. Hierover zegt de casus niets. Daan kan ook na het tussenvonnis vragen hoger beroep te mogen instellen (arrest Ponteecen/Stratex) maar waarom zou hij? Er staat niets in het vonnis dat hem daartoe zou aanzetten. Wat zijn veroordeling betreft tot betaling aan Henrique van een bedrag van 500 euro aan immateriële schadevergoeding hoeft hij geen toestemming te vragen want het vonnis is voor dat deel geen tussenvonnis maar een eindvonnis. Met die beslissing is immers in het dictum van dit vonnis omtrent enig deel van het gevorderde een einde gemaakt (het vonnis is een deelvonnis Comp 10.3.5) Als Daan het met dat eindvonnisgedeelte niet eens is moet hij (zie art. 339 Rv.) binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van het deelvonnis in hoger beroep gaan want anders krijgt het eindvonnisgedeelte kracht van gewijsde.

Enkele fouten:

  1. Het is een provisionele uitspraak dus kan op grond van art. 337 lid 1 hoger beroep worden ingesteld. Dit is fout want een provisionele uitspraak is een vonnis op een incidentele vordering als bedoeld in art. 223 Rv. De casus wijst er niet op dat een dergelijke vordering was ingesteld. De rechter wees eenvoudigweg alvast een deel van de vordering toe.

  2. Geen hoger beroep want het bedrag van 500 euro ligt beneden de appelgrans van artikel 332. RV. Dit is fout want het gaat er bij art. 332 Rv. Niet om welk bedrag de rechter toewijst maar het bedrag waarover hij moest oordelen. Dat bedrag is het bedrag van de vordering van de eiser en ligt, zoals blijkt uit de casus, ruim boven de appelgrens van 1750 euro.

  3. Hoger beroep mag met het eindvonnis. Dit antwoord is alleen goed gerekend indien daarbij is opgemerkt dat dit alleen geldt indien het eindvonnis binnen drie maanden na het tussenvonnis is gewezen en tegen dat eindvonnis hoger beroep is ingesteld binnen drie maanden gerekend vanaf de dag van het tussenvonnis.

  4. Bindende eindbeslissingen horen bij vraag 9. Daar gaat vraag 3 helemaal niet over.

  5. Geen punten zijn toegekend aan betogen over Ponteecen/Stratex, ook al was dat arrest mooi omschreven. Dat op basis van dit arrest tegen het hele vonnis in hoger beroep kan worden gekomen is een antwoord op een niet gestelde vraag en bovendien voor Henrique niet van belang. Dat Henrique kan vragen om in hoger beroep te mogen is ook niet van belang. Waarom zou hij dat vragen en wat zou hij doen als de rechter op dat verzoek negatief beslist?

 

Vraag 4 (3 punten)

Ook een partij kan als getuige worden gehoord, art. 164 Rv. De casus geeft aan dat deze partij de bewijslast draagt en dat heeft gevolgen voor de bewijskracht van zijn verklaring. Aan de verklaring van een partijgetuige die de bewijslast draagt mag (zie art. 164 lid) alleen bewijskracht worden toegekend als daarnaast aanvullend bewijs aanwezig is om de verklaring voldoende geloofwaardig te maken. Dus ja, Henrique kan als getuige worden gehoord maar zijn verklaring levert nog niet het volledig bewijs op.

Enkele fouten:

  1. De rechter waardeert het bewijs. Dit is juist maar geen antwoord op de vraag.

  2. Zonder uitleg art.164 lid 2 Rv citeren.

Vraag 5 (7 punten)

Henrique krijgt de opdracht bewijs te leveren van een feit dat door Daan niet is betwist. Henrique heeft zich blijkens de casus immers alleen verweert met het gemotiveerde standpunt dat de gevorderde schade veel te hoog is. Artikel 149 Rv verzet zich ertegen dat van een niet betwist (=vaststaand) feit bewijs wordt opgedragen. Dit zou anders zijn wanneer het een feit betreft dat niet ter vrije bepaling van partijen staat maar dat is dit feit niet. Dit laatste hoeft niet in het antwoord. De rechter schendt met zijn bewijsopdracht de partijautonomie en de door hem in acht te nemen lijdelijkheid. Hij doet immers de zaak op de grondslag van hetgeen de eiser aan zijn vordering en de gedaagde aan zijn verweer ten grondslag heeft gelegd onderzoeken en beslissen (art. 24 Rv). Zie ook comp. Pag. 37.

Enkele fouten:

Ter inleiding: bedachtt moet worden dat het dragen van de bewijslast ook het dragen van het bewijsrisico inhoudt. Wie de bewijslast draagt verliest de procedure als hij dat bewijs niet kan leveren of-wanneer het bewijs prima faci aanwezig is – dit door de wederpartij kan worden ontzenuwd (“tegenbewijs” zie vraag 8). Vandaar dat het voor een partij het beste is als helemaal niet aan het bewijs wordt toegekomen want dan is op dat punt ook geen risico op verlies van de procedure. Nu de toedracht niet is betwist dient Daan geen enkel bewijsrisico met betrekking tot de toedracht te lopen. Dat miskent de rechtbank.

  1. Dat de bewijslast bij de ander moet liggen op de grond van de omkering van artikel 150 Rv. In de eerste plaats is dit fout omdat het een niet betwist feit betreft en er dus aan bewijslevering niet moet worden toegekomen. Daarnaast geldt dat een wettelijke omkering van de bewijslast voor gevallen als in onze casus niet bestaat. Omkering op grond van redelijkheid en billijkheid vindt alleen in zeer uitzonderlijke gevallen plaats te weten wanneer handhaving van de hoofdregel tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Daar wijst in de casus niets op.

  2. Dat de bewijslast bij de ander moet liggen op grond van het rechterlijk vermoeden en dergelijke. In de eerste plaats is dit fout omdat het een niet betwist feit betreft en er dus aan bewijslevering niet moet worden toegekomen. Daarnaast geldt dat het rechterlijk vermoeden (en vergelijkbare manieren waarop het bewijs kan worden verlicht) geen verplaatsing van de bewijslast van de ene partij op de andere partij is maar 'slechts' een verlichting van die bewijslast. De casus biedt geen handvatten voor “vermoedens”.

  3. Dat de omkeringsregel uit het arrest Gemeente Heerlen/Smeets had moeten worden toegepast. In de eerste plaats is dit fout omdat het een niet betwist feit betreft en er dus aan bewijslevering niet moet worden toegekomen. Daarnaast geldt dat deze “omkeringsregel” alleen kan worden toegepast bij onzekerheid over het casuaal verband. Het casuaal verband (vrij vertaald: “er kan ook een andere oorzaak van de schade zijn dan de aanrijding”) staat echter niet ter discussie en de casus wijst ook niet op iets dat deze discussie zou rechtvaardigen.

  4. Daan komt met een “ja-maar” verweer. Kennelijk wordt dan bedoeld: “ja ik ben aansprakelijk maar de gevorderde schade is te hoog”. Dit is fout omdat het slachtoffer (de eiser) alle elementen van artikel 6:162 BW moet stellen en (bij voldoende gemotiveerde betwisting) zal moeten bewijzen. Twee te onderscheiden elementen worden met een dergelijk antwoord aan elkaar gekoppeld en ten onrechte. De normschending is een van de elementen en de schade is een ander element. Daan betwist dus één van de voorwaarden van het door Henrique beoogde rechtsgevolg en dat is geen “ja-maar” doch een simpelweg “nee” verweer.

Vraag 6 (3 punten)

Het gaat om een geldvordering die Ijsjay pretendeert op Cooper. Het beslag is dan een verhaalsbeslag. Omdat Ijsjay nog geen executoriale titel heeft legt hij een conservatoir verhaalsbeslag. Relevante artikelen 700 jo. 725 Rv.

 

Vraag 7 (7 punten)

Een aantal mogelijkheden:

  1. de volstrekt niet voor de hand liggende: de vordering van Ijsjay voldoen;

  2. het aanbieden van deugdelijke vervangende zekerheid (bankgarantie) of

  3. opheffing vorderen van het beslag in kort geding op een of andere van de in art. 705 Rv. genoemde gronden waaraan kan worden toegevoegd de grond van de belangenafweging.

  4. In de hoofdzaak die Ijsjay na het door hem gelegde beslag tegen Cooper aanhangig moet maken een eis in reconventie instellen tot opheffing van het beslag en/of in die hoofdzaak een min of meer gelijkduidende incidentele vordering instellen als bedoeld in art. 223 Rv.

Enkele fouten:

  1. Het beslag moet worden opgeheven op grond van de Vormerkung (artikel 7:3 BW). Dit is niet een procesrechtelijke manier om beslag op te heffen maar een materiele grond voor opheffing. Bovendien is het fout omdat de casus er niet op wijst dat het gaat om een koop van de onroerende zaken waarbij die koopovereenkomst voorafgaand aan het beslag is ingeschreven in de openbare registers.

  2. Artikel 505 lid 2 Rv geeft ook een regel van materieel beslagrecht en is daarmee een grond voor opheffing.

  3. Het aanbieden van een bankgarantie is op zich ook een materieel recht maar tegelijk wel een manier om buiten een proces een beslag op te heffen, vandaar dat deze wel goed is gerekend.

 

Vraag 8 (3 punten)

Tegenbewijs rust op de wederpartij van degene die de bewijslast heeft en is het ontzenuwen van het reeds aanwezig bewijs (art. 151 lid 2 Rv.)

Enkele fouten:

  1. Het aantonen van het tegendeel.

  2. Het moeten leveren van bewijs

 

Vraag 9 (7 punten)

Inleidende opmerking. Enkel het arrest noemen de leverde geen punten op. Het gaat er immers niet om dat de student weet dat er een arrest over bestaat maar weet te beschrijven waar het over gaat. Het citeren van rechtsoverwegingen uit het arrest (HR 26 november 2010 ECLI:NL:HR:2010:BN8521 (Kojen/ABB)) is net voldoende. De leer die de hoge raad in dit arrest weergeeft moet concreet op onze casus zijn toegepast.

De rechtbank is op grond van uitspraak van de Hoge Raad tot de conclusie gekomen dat het in het eerdere tussenvonnis verkeerd had beslist ten aanzien van Vordering B. de rechter is bevoegd die beslissing te heroverwegen op grond van de goede procesorde. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Hier is daarvan sprake: een uitspraak op een ondeugdelijke juridische grondslag. De rechter dient wel te motiveren waarom het terugkomen van de eerder gegeven bindende eindbeslissing in dit opzicht geboden is en partijen moeten de gelegenheid hebben gehad zich dienaangaande uit te laten.

Enkele fouten

  1. Onder verwijzing naar het arrest Kojen/ABB volstaan met de opmerking dat de rechter mag terugkomen op een eerdere beslissing als partijen maar vooraf worden gehoord. Dat is geen, althans een erg onvolledig, antwoord op de vraag. Eerst (en dat is ook waar het met deze vraag om gaat) dient vastgesteld te worden of de rechter op een bindende eindbeslissing mag terugkomen en dan pas of hij daarbij partijen nog moet horen.

  2. Verwijzingen naar het begrip “gezag van gewijsde”. Dit begrip komt pas aan de orde als een uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan en daar door een partij een beroep op wordt gedaan. Het gaat in onze casus om overwegingen in een tussenuitspraak en geen beslissingen over geschilpunten die in kracht van gewijsde zijn gegaan.

  3. Stellen dat de rechter terug mag komen bij een onjuiste feitelijke grondslag. Het gaat namelijk om een ondeugdelijke juridische grondslag.

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Promotions
special isis de wereld in

Waag jij binnenkort de sprong naar het buitenland? Verzeker jezelf van een goede ervaring met de JoHo Special ISIS verzekering