Begrippenlijst en definities voor het thema Cross-culturele psychologie


Begrippenlijst voor het thema Cross-culturele psychologie; gestructureerd volgens het boek Cross-cultural Psychology; Critical thinking and contemporary applications van Shiraev (4e druk)

Hoofdstuk 1

Cross-culturele psychologie

De kritische en vergelijkende studie van culturele effecten op de menselijke psychologie, gericht op het onderzoeken van psychologische diversiteit en de hieraan onderliggende oorzaken en het vaststellen van psychologische universele fenomenen.

Culturele psychologie

 

Benadrukt het idee dat gedrag en mentale processen essentieel het product zijn van interactie tussen cultuur en het individu. Menselijk gedrag wordt bekeken in de sociaal-culturele context waarin het voorkomt.

Cultuur

 

Verzameling van attitudes, gedragingen en symbolen die gedeeld worden door een grote groep mensen en normaliter worden ze van generatie op generatie doorgecommuniceerd.

Attitudes

 

Overtuigingen, waarden, algemene kennis, meningen, bijgeloof en stereotypen.

Gedragingen

 

Normen, rollen, tradities, gewoontes en praktijken.

Symbolen

 

Representaties van ideeën. Mensen koppelen specifieke betekenissen aan specifieke symbolen, die generaties lang worden doorgegeven, waardoor culturele symbolen ontstaan.

Expliciete kenmerken

 

Verzameling observeerbare handelingen die regelmatig in een cultuur teruggevonden worden. Denk hierbij aan openlijke handelingen, observeerbare praktijken en typische gedragsreacties.

Impliciete kenmerken

 

De organisatieprincipes, onderliggend aan de expliciete kenmerken.

Ras

 

Groep mensen die onderscheiden kan worden aan de hand van bepaalde gelijke en genetische fysieke kenmerken. Kan ook als sociale categorie gezien worden.

Etniciteit

 

Culturele erfenis, zoals de taal, tradities en religie die door mensen met dezelfde voorouderlijke afstamming gedeeld wordt.

Natie

 

Groep mensen die dezelfde geografische afstamming, geschiedenis en taal delen. Kan als politieke entiteit gezien worden.

Politieke entiteit

 

Onafhankelijke staat die door andere landen erkend wordt.

Religieuze overtuiging

 

Individu accepteert kennis, overtuigingen en praktijken die aan een bepaald geloof gerelateerd zijn.

Kennis

Informatie die een doel heeft.

Wetenschappelijke kennis

 

Kennis die wordt afgeleid van systematische observaties, metingen en evaluaties uit wetenschappelijk onderzoek.

Alledaagse kennis

 

Alledaagse assumpties variërend van overtuigingen tot individuele meningen over psychologische fenomenen. Denk hierbij aan volksverhalen en alledaagse psychologie.

Ideologische kennis

 

Op waarden gebaseerde kennis. Stabiele verzameling van overtuigingen over de wereld, gebaseerd op een bepaald organisatieprincipe of centraal idee. Deze overtuigingen worden op samenhangende en stabiele percepties gebaseerd.

Juridische kennis

 

Kennis die in detail vaststaat in de wet en in officiële regels en principes, gerelateerd aan het psychisch functioneren van individuen.

Traditionele cultuur

 

Cultuur gebaseerd op tradities, regels, symbolen en principes, die hoofdzakelijk in het verleden gevestigd zijn.

Niet-traditionele cultuur

 

Cultuur gebaseerd op nieuwe principes, ideeën en praktijken. Op wetenschap gebaseerde kennis en technologisch gedreven ontwikkelingen zijn vaak aan deze vorm van cultuur geassocieerd.

Machtsafstand

 

Mate waarin leden van een samenleving accepteren dat de macht in instituten en organisaties ongelijk verdeeld is.

Onzekerheidsoriëntatie

 

Methodes die worden gebruikt om met onzekerheden in het dagelijks leven om te gaan.

Onzekerheidsvermijding

 

In hoeverre leden van een samenleving zich oncomfortabel voelen bij onzekerheid en ambiguïteit.

Individualisme

 

Men is vooral op zichzelf en de directe omgeving gericht. Voor het oplossen van een conflict worden meer competitieve strategieën gebruikt.

Collectivisme

 

Men is voornamelijk gericht op anderen. Waarden en tradities worden hierdoor beter in stand gehouden. Voor het oplossen van een conflict worden meer harmoniebevorderende strategieën gebruikt.

Cultureel syndroom

 

Het patroon of de combinatie van gedeelde attitudes, overtuigingen, categoriseringen, definities, normen en waarden, georganiseerd rondom een bepaald thema.

Evolutionaire benadering

 

Theoretisch model dat onderzoekt op welke manier evolutionaire factoren menselijk gedrag beïnvloeden. Uitgangspunt van deze benadering is dat overleven het voornaamste doel is van een individu.

Sociologische benadering

 

Gericht op brede sociale structuren die een samenleving als geheel beïnvloeden. Uitgangspunt van deze benadering is dat sociale krachten het gedrag van grote sociale groepen tot stand laten komen.

Echoculturele benadering

 

Omgevingsfactoren waardoor een individu beïnvloed wordt, zijn voornamelijk ecologische en sociopolitieke contexten (zie hieronder). Uitgangspunt van deze benadering is dat een individu actief is in zijn omgeving en dat er een constante interactie is tussen het individu en de omgeving.

Ecologische context

 

Natuurlijke context waarin individuen met hun omgeving interacteren.

Sociopolitieke context

 

Mate waarin individuen deelnemen aan globale en lokale beslissingen.

Gecombineerde culturele benadering

 

Gebaseerd op drie denkbeelden over hoe lokale culturen op globalisatie zullen reageren. Zie de samenvatting voor deze denkbeelden.

Activiteit

 

Het proces van de doelgerichte interactie van een individu met de omgeving.

Inheemse psychologie

 

Wetenschappelijke studie van het menselijk gedrag en de geest, ontworpen voor mensen die niet uit andere regio’s komen.

Etnocentrisme

 

Het steunen van het oordeel over andere etnische, nationale en culturele groepen en gebeurtenissen vanuit de etnische, nationale of culturele groep van de observator. Er wordt voornamelijk geoordeeld vanuit de culturele meerderheid.

Multiculturalisme

 

Het aanmoedigen van de erkenning van de gelijkheid van etnische of religieuze groepen in een land en het bevorderen van het idee dat culturele groepen het recht hebben om hun eigen waarden en praktijken te volgen.

Biculturalisme

 

Multiculturalisme, maar dan twee culturen gecombineerd.

 

Hoofdstuk 2

Metagedachten

 

Cognitieve tools die als strategieën voor onderzoek en probleemoplossing ingezet kunnen worden. Dienen als antidota voor het denken.

Antidota

 

Hulpmiddel om een nadelig effect te voorkomen of tegen te werken.

Dichotome variabelen

 

Fenomenen die in twee exclusieve of tegenstrijdige categorieën ingedeeld kunnen worden.

Doorlopende variabelen

 

Fenomenen die bestaan uit een oneindig aantal punten die tussen twee tegenpolen liggen.

Barnum statement

 

Persoonlijkheidsbeschrijving over een bepaald individu of een groep die vrijwel voor alle mensen geldt. Het is een algemeen statement waar iedereen zich in kan terugvinden.

Barnumeffect

 

De bereidwilligheid van mensen om de validiteit van de veelomvattende of algemene beoordelingen te accepteren.

Schema

 

Een cognitieve structuur die onze kennis, overtuigingen en ervaringen organiseert om zo een kader te creëren om nieuwe gebeurtenissen en ervaringen in te plaatsen om ze te kunnen begrijpen. Het zijn algemene verwachtingen over verschillende fenomenen.

Accommodatie

 

Proces waarbij we ons schema aanpassen om de nieuwe data er zo in te verwerken. We passen onze overtuigingen aan.

Assimilatie

 

Proces waarbij de informatie aangepast wordt om zo in ons schema te passen. We verwerken de nieuwe informatie in onze bestaande overtuigingen.

Assimilatiebias

 

Verhindert helder te denken en effectief problemen op te lossen. Door met een schemagekleurde bril naar de wereld te kijken, wordt binnenkomende informatie fout geïnterpreteerd.

Beschikbaarheidsheuristiek

 

Proces waarbij er snelle conclusies getrokken worden op basis van de beschikbaarheid van een herinnering in ons geheugen.

Beschikbaarheidsbias

 

Als het gebruik van de beschikbaarheidsheuristiek tot systematische fouten in het maken van beslissingen leidt. De belangrijkste onderliggende factor hierbij is de neiging om relevante informatie te negeren.

Fundamentele attributiefout

 

Het onderschatten van externe factoren en het overschatten van interne factoren. We zien het gedrag van anderen als het resultaat van hun persoonlijkheid en negeren het belang van omgevingsfactoren.

Cognitieve biases

 

Systematische fouten die het gevolg zijn van beperkingen van onze capaciteit om informatie te verwerken.

Motivationele biases

 

Systematische fouten die het gevolg zijn van de moeite die we doen om aan onze persoonlijke behoeften te voldoen.

Selffulfilling prophecy

 

Attitudes en overtuigingen die we over andere mensen hebben, kunnen bewust of onbewust gedrag produceren dat we verwachten. Verwachtingen kunnen er dus voor zorgen dat iemand de van hem verwachte attributies vertoont.

Correlatie

 

Statement over de relatie of samenhang tussen twee variabelen.

Post hoc error/parataxic reasoning

 

Redenering dat gebeurtenis B veroorzaakt is door gebeurtenis A, omdat gebeurtenis B op gebeurtenis A volgt.

Unidirectionele causale relatie

Gebeurtenis A veroorzaakt gebeurtenis B.

Bidirectionele causale relatie

 

Gebeurtenis A veroorzaakt gebeurtenis B en gebeurtenis B veroorzaakt gebeurtenis A.

Naturalistic fallacy

 

Onze beschrijving van wat iets is vergelijken met wat het zou moeten zijn.

Perseverance effect

 

Als onze overtuigingen aangevallen worden, voelen wij ons ook aangevallen. Onze overtuigingen proberen we dan ook te beschermen door er juist in te gaan geloven.

 

Hoofdstuk 3

 

Sensatie

 

Proces waarbij receptorcellen gestimuleerd worden en hun informatie doorgeven wordt aan hogere hersengebieden. Het zorgt dat externe energie in interne neurofysiologische processen wordt omgezet, wat zorgt voor psychologische ervaring.

Absolute drempelwaarde

 

Minimale hoeveelheid fysieke energie die een individu nodig heeft om een stimulus op te merken. Het verschil in drempelwaarde is het laagste niveau van stimulatie dat nodig is om de voorgekomen verandering in stimulatie op te merken.

Sensorische adaptatie

 

De neiging van het sensorische systeem om minder te reageren op niet-veranderende stimuli, gewenning treedt op.

Perceptie

 

Proces waarbij verschillende sensaties in betekenisvolle patronen worden georganiseerd. De associatiegebieden in de cortex worden geactiveerd, zodat bestaande kennis met nieuwe sensaties geïntegreerd kan worden.

Perceptuele set

 

Perceptuele verwachtingen. Zorgen voor een toename in snelheid en efficiëntie van het perceptuele proces. Bepaalde interpretaties komen zo vaker voor.

Diepteperceptie

 

De organisatie van sensaties in drie dimensies, ondanks dat de afbeelding van de retina in het oog tweedimensionaal is.

Müller-Lyer illusie

Lijn links lijkt korter dan lijn rechts.

Ponzo illusie

Bovenste lijn lijkt groter dan onderste lijn.

Horizontale-verticale illusie

Verticale lijn lijkt groter dan horizontale lijn.

Carpentered world hypothese

 

Mensen die in een omgeving met timmerlieden zijn opgegroeid hebben de neiging om niet-rechthoekige figuren te interpreteren als representaties van rechthoekige figuren, maar dan in perspectief gezien.

Kleur

 

Heeft drie universele psychologische dimensies: tint (welke kleur), helderheid (intensiteit van de kleur) en verzadiging (zuiverheid van de kleur).

Esthetische ervaring

Perceptie van mooiheid.

Bewustzijn

 

Het subjectieve bewustzijn van de eigen sensaties, percepties en andere mentale gebeurtenissen.

Gedragsomgeving

 

De mentale representatie van tijd, ruimte en de interpersoonlijke wereld, gevormd door specifieke culturele overtuigingen en praktijken.

Slaap

 

Niet-wakende staat van het bewustzijn die gekenmerkt wordt door afwezigheid van reacties op de omgeving en algemene fysieke immobiliteit. De reactiviteit op externe factoren is verminderd, maar niet afwezig.

Dromen

Verhaalachtige afbeeldingen die tijdens de slaap voorkomen.

Enkelfasige cultuur

 

Hecht meer waarde aan cognitieve ervaringen die tijdens de waakfases plaatsvinden. De rol van dromen wordt niet bij het proces van sociale percepties en cognities betrokken. Dromen worden gezien als indirecte indicaties van zorgen, verlangens en angsten. Wordt geassocieerd met het materialistisch standpunt op psychologische ervaringen.

Meerfasige cultuur

 

Hecht meer waarde aan dromen en behandelt ze ook als een deel van de realiteit. Wordt geassocieerd met het traditionele spirituele standpunt en kan in huidige culturele groepen worden teruggevonden.

Veranderde staten van bewustzijn (ASC)

Fenomenen die verschillend zijn van het normale bewustzijn. Het zijn verborgen perceptuele en sensorische ervaringen, zoals meditatie, hypnose of bezitting. Wordt vaak als een abnormaal fenomeen gezien, gelinkt aan mentale stoornissen.

Trance

 

Slaapachtige staat, gekenmerkt door verminderde sensitiviteit voor stimuli, verlies van kennis en automatische motorische activiteit. Ontstaat als gevolg van muziek, gezang of suggestie van een andere persoon.

Visionaire trance

Als iemand hallucinaties ervaart.

Bezitting trance

 

Als iemand meldt dat zijn lichaam is ingenomen door een geest. Gaat vaak gepaard met angst.

Meditatie

 

Een stille en relaxte staat van rust waarbij een individu gedachten, percepties en attitudes met elkaar integreert.

 

Hoofdstuk 4

 

Intelligentie

 

Heeft verschillende definities:

  1. Verzameling mentale vaardigheden.

  2. Capaciteit om kennis te vergaren en te gebruiken.

  3. Probleemoplossende vaardigheden en kennis over de wereld.

  4. Vaardigheden om te begrijpen, aan te passen, te leren, te beredeneren en obstakels te overwinnen.

Cognitie

 

Proces waarbij een individu kennis vergaart en toepast. Bestaat uit processen als herkennen, categoriseren, denken en onthouden.

Psychometrische benadering van intelligentie

 

Aanname dat onze intelligentie een numerieke waarde kan krijgen, zoals een IQ-score.

Cognitieve stijl

 

Manier waarop individuen hun wereld organiseren en begrijpen.

Veldafhankelijk individu

 

Dit individu heeft bij het leren meer aandacht voor de externe omgeving en instructies.

Veldonafhankelijk individu

 

Dit individu is bij het leren, oplossen van problemen en het nemen van beslissingen meer in zichzelf gekeerd.

Formele beredenering

 

Een cognitief basisproces, gebaseerd op het abstract analyseren van premissen en het afleiden van conclusies. Het is gevoelig voor systematisch onderwijs.

Empirische beredenering

 

Beredenering afgeleid van ervaringen uit het dagelijks leven.

Creativiteit

 

Originaliteit en de vaardigheid om waardevolle uitkomsten te produceren, zoals het creëren van iets nieuws en bruikbaars.

Low-effort syndroom

 

Het lage niveau van motivatie tegenover het intelligentieniveau van een individu, gebaseerd op de overtuiging dat toetsen gebiased zijn en dat de toetsresultaten onbelangrijk zijn voor succes in het leven.

Immigrantenminderheid

 

Individuen die vrijwillig naar een land gekomen zijn, op zoek naar betere condities en omstandigheden.

Kasteminderheid

 

Individuen die vaak onder dwang of door slavernij naar een land gekomen zijn.

 

Hoofdstuk 5

 

Emotie/affect

 

Evaluatieve reactie die bestaat uit een combinatie van fysiologische opwinding, subjectieve ervaring (positief, negatief of tegenstrijdig) en een bepaalde uitdrukking van gedrag.

Emotieherkenning

Proces van het identificeren, beschrijven en verklaren van emotionele uitdrukkingen.

Voorafgaande gebeurtenissen

Omgevingsfactoren en individuele reacties die een sterke invloed hebben op het ervaren van een bepaalde emotie.

Evaluatie van emoties

Beoordeling van emoties volgens bepaalde criteria of principes.

Gevoelsregels

Bepaalde culturele regels over hoe iemand zich in een bepaalde situatie hoort te voelen.

Stress

Perceptie van een uitdaging aan de capaciteit van een individu om zowel aan interne als externe eisen te voldoen.

Display rules

Regels van emotionele expressie die tijdens het socialisatieproces worden bijgebracht.

Boosheid

Een interpersoonlijke emotie van misnoegen, uitgelokt door expliciete of impliciete bedreigingen, overtredingen of beledigingen.

 

Hoofdstuk 6

 

Motivatie

Een (interne) conditie die het doelgerichte gedrag van een individu activeert en in stand houdt.

Drive

Interne staat van opwinding die een organisme stuurt om aan een fysiologische behoefte te voldoen.

Behoefte

Gedreven staat die bereikt wordt door een fysiologische of psychologische deprivatie, zoals gebrek aan voedsel of water.

Biologische behoeften

Sturen het gedrag naar zelfbehoud en zijn universeel.

Sociale behoeften

Sturen mensen richting het vaststellen en behouden van relaties.

Drive staat

Wanneer een organisme gemotiveerd wordt door een behoefte en het doelgericht gedrag vertoont.

Arousaltheorieën van motivatie

Mensen proberen optimale niveaus van opwinding te behouden door blootstelling aan arousal-uitlokkende stimuli actief te veranderen.

Id

Meest primitieve deel van de persoonlijkheid. Bevat aangeboren driften (levens- en doodsinstinct) en is direct op zoek naar het voldoen aan de impulsen volgens het plezierprincipe.

Superego

Niveau van persoonlijkheid dat als moreel ridder optreedt tegen oorspronkelijke impulsen. Het representeert waarden en culturele standaarden van een samenleving, doorgegeven door ouders en andere volwassenen.

Ego

Niveau van persoonlijkheid dat zich aanpast aan de externe realiteit door compromissen te sluiten tussen het id, het superego en de omgeving.

Zelfactualisatie

Het individu gaat op zoek naar B-waarden, zoals waarheid, goedheid, mooiheid en rechtvaardigheid.

Intrinsieke motivatie

Moedigt mensen aan om deel te nemen aan verschillende activiteiten zonder een bepaalde beloning te verwachten. Het gaat meer om het gevoel van plezier en tevredenheid.

Extrinsieke motivatie

Aanmoediging vanuit de externe omgeving. Voorbeelden hiervan zijn een beloning, een hoog cijfer of geld.

Prestatiemotivatie

Sociale behoefte die mensen constant laat streven naar perfectie, succes en invloed.

Confucian work dynamism

Cultureel syndroom dat voorkomt bij de wil om door te zetten om economische doelen en sociale stabiliteit te bereiken en loyaliteit en vertrouwen te bevorderen door schaamte te benadrukken.

Individualistische-succesmotivatie

Motivatie die attitudes en handelingen van mensen beïnvloedt en gericht is op het behalen van persoonlijke doelen.

Collectivistische-succesmotivatie

Stuurt een individu om relaties aan te gaan met andere mensen. De bijdrage van een individu levert voordelen op voor een bepaalde groep of de gehele samenleving.

Maximizers

Individuen die altijd op zoek zijn naar het beste.

Satisficers

Individuen die tevreden zijn met wat ze al bereikt hebben.

Agressieve motivatie

Het verlangen om anderen pijn te doen.

Frustratie-agressiehypothese

Beschrijft agressie als een dominante reactie op frustratie.

Sekscultuur

Een eigen verzameling vereisten, overtuigingen, normen en symbolen met betrekking tot seksualiteit en de expressie daarvan van een cultuur. Het wordt beïnvloed door religieuze, ideologische, politieke en morele waarden, die ontwikkeld zijn door de samenleving.

 

Hoofdstuk 7

 

Ontwikkeling

Veranderingen in fysiek, sociaal en psychologisch gedrag.

Socialisatie

Proces waarbij een individu 'lid' wordt van een bepaalde cultuur en bijbehorende normen, waarden en gedragingen aanneemt.

Theorie van Erikson

Het ontwikkelende kind passeert acht stadia die elk een ander conflict of een andere crisis kennen. Als een stadium positief wordt doorlopen verkrijgt een kind een deugd en is er sprake van een betere aanpassing en gezondere persoonlijkheid. Als het stadium negatieve sporen achterlaat, resulteert dit in een ongezondere persoonlijkheid en slechtere aanpassing.

Brede socialisatie

Samenlevingen die onafhankelijkheid en zelfexpressie benadrukken.

Smalle/beperkende socialisatie

Samenlevingen die een ideologie voorschrijven die bepaalt wat goede en foute gedragingen zijn.

Egocentrisme

Kinderen begrijpen nog niet dat andere mensen dingen op een andere manier kunnen zien dan zij.

Conservatie

Kinderen ontdekken dat volume, hoeveelheid en gewicht hetzelfde (kunnen) blijven, ondanks veranderingen in het uiterlijk van het object.

Prenatale periode

De periode, van ongeveer achtendertig weken, tussen de conceptie en de geboorte.

Jeugd

De periode van de geboorte tot het tweede levensjaar.

Suppressie-facilitatiemodel

Gedragingen die worden bestraft worden minder vaak vertoond en aangemoedigde gedragingen worden vaker vertoond.

Adult distress threshold hypothesis

Gedragingen die in de kindertijd worden ontmoedigd worden later juist vaker getoond.

Adolescentie

Periode met snelle veranderingen in lengte en gewicht. Bij meisjes twee jaar eerder dan bij jongens.

Persistentiemodel

Tijdens de kindertijd worden attitudes en gedragingen aangeleerd die het gehele leven niet onderhevig zijn aan verandering.

Openheidsmodel

Eerdere ervaringen van een individu zijn niet bepalend voor de persoon die hij/zij later is. Gedragingen en attitudes zijn dus wel onderhevig aan verandering.

Vloeibare intelligentie

Capaciteit om logisch te denken en problemen op te lossen in nieuwe situaties, onafhankelijk van opgedane kennis.

Gekristalliseerde intelligentie

Vermogen om vaardigheden, kennis en ervaringen te gebruiken, afhankelijk van kennis uit het langetermijngeheugen.

Late volwassenheid

Periode vanaf dat een individu met pensioen gaat.

 

Hoofdstuk 8

 

Universalistisch perspectief

Psychopathologische fenomenen zijn universeel qua oorsprong en expressie en dus gelijk binnen verschillende landen en culturen. Er kunnen wel culturele verschillen bestaan in de uiting van bepaalde symptomen.

Relativistisch perspectief

Psychopathologie is cultuurspecifiek en het heeft een totaal andere betekenis in verschillende landen en culturen.

Inclusieve benadering van psychopathologie

Centrale symptomen van een stoornis worden als universeel gezien en perifere symptomen als cultuurspecifiek.

Cultuurgebonden syndromen

Bepaalde terugkerende en lokaal specifieke patronen van afwijkend gedrag en verontrustende ervaringen.

Tolerantiedrempel

De tolerantie of intolerantie tegenover bepaalde persoonlijkheidskenmerken binnen een culturele omgeving.

Etnische match

Als therapeut en cliënt tot dezelfde etnische groep behoren.

 

Hoofdstuk 9

 

Sociale perceptie

Manier waarop individuen andere mensen proberen te begrijpen, conclusies trekken en functioneren binnen relaties.

Sociale cognitie

Het onthouden, interpreteren en gebruiken van informatie over de wereld en onszelf.

Waarden

Idealen en motieven die door een cultuur, samenleving en/of individu als belangrijk, geschikt en nastrevenswaardig worden gezien. Het zijn vaak stabiele en langdurige overtuigingen.

Cognitieve dissonantie

Onplezierige staat die ontstaat als eigen opvattingen worden tegengesproken (door feiten) of bij gedrag dat in strijd is met de eigen opvattingen.

Dogmatisme

Neiging om opvattingen en overtuigingen te centreren rondom één idee en extreem selectief, rigide en inflexibel te zijn.

Sociale attributie

Manier waarop mensen oorzaken van acties van anderen en zichzelf uitleggen en identificeren.

Interne locus of control

Individu zoekt oorzaken van gebeurtenissen bij controleerbare interne factoren. Deze mensen zijn moeilijker te overtuigen en hebben een sterkere prestatiedrang.

Externe locus of control

Individu legt gebeurtenissen uit aan de hand van oncontroleerbare externe factoren.

Egocentrische bias

Met de eer strijken bij succes en het niet nemen van verantwoordelijkheid bij mislukking.

Bescheidenheidsbias

Persoonlijk succes wordt verklaard door externe factoren.

Groepdienende bias

Het succes van andere mensen wordt verklaard door interne factoren en hun mislukkingen worden verklaard door externe factoren.

Stereotype

Vaak foutieve en categoriserende uitspraak over (een groep) mensen die niet overeenkomt met de werkelijkheid. Ze kunnen positief of negatief, simpel of complex en met of zonder vertrouwen bestaan.

Karakter van het volk

Overheersende gedragsmatige en psychologische kenmerken en eigenschappen die veel voorkomen bij mensen in een bepaald land.

 

Hoofdstuk 10

 

Groep

Twee of meer personen die een eenheid vormen.

Status

Relatieve sociale positie binnen een groep die formeel of informeel kan zijn.

Normen

De manier waarop leden van een groep zich wel en niet moeten gedragen.

Positieve sancties

Belonen acties die congruent zijn met de norm.

Negatieve sancties

Wijzen individuen terecht die de normen niet hebben gevolgd.

Sociale rollen

Individuen met een bepaalde positie in een groep voeren een bepaalde set van gedragingen uit.

Inbedding

Mate waarin individuen en groepen met elkaar verstrikt zijn.

Sociale facilitatie

Invloed van anderen op onze individuele prestaties.

Conformeren

Aanpassen van attitudes en/of gedrag aan een bepaalde groep of sociale norm, door middel van sociale invloed.

Gehoorzaamheid

Vorm van conformiteit waarbij een individu de bevelen van anderen volgt.

Macht

Het hebben van de capaciteit of vaardigheden om controle over anderen uit te oefenen.

Groepsdenken

Denkwijze waarbij groepsleden het streven naar unanimiteit hoger plaatsen dan het nemen van een kritische beslissing. Terug te vinden in (cohesieve) groepen, de kwaliteit van groepsbesluiten gaat hierdoor achteruit.

Groepspolarisatie

Als groepsleden gedurende een discussie naar een meer risicovolle of extreme kant schuiven.

Risky shift phenomenon

Als individuen risicovollere beslissingen nemen als ze in een groep zitten dan wanneer ze alleen zijn.

Social loafing

Als individuen zich minder inspannen als ze in een groep zitten dan wanneer ze alleen zijn.

Sociaal streven

De groep vergroot de prestatie van de groepsleden.

Autoritaire leiderschapsstijl

Geven van bevelen die moeten worden uitgevoerd en inbreng van volgers is niet gewenst.

Democratische leiderschapsstijl

Wisselwerking van informatie en ideeën tussen de volgers en de leider. De leider maakt een weloverwogen keuze met de ideeën van de volgers in het achterhoofd. Meest effectieve vorm van leiderschap.

Laissez-faire leiderschapsstijl

Groepsleden staan er alleen voor en krijgen enkel wat instructies en adviezen.

 

Hoofdstuk 11

 

Counseling

Vorm van emotionele hulpverlening waarbij de nadruk ligt op het geven van raad.

Spiritualiteit

Gaat om persoonlijke innerlijke ervaring, staat in verband met religie, bovennatuurlijke krachten en alternatieve geneeswijzen. De geest staat verheven boven materie.

Distributieve oplossing

Concessies en wederzijde compromissen.

Opgelegde oplossing

Geen concessies en wederzijdse compromissen, er kan maar één partij de winnaar zijn.

Acculturatie

Het aanpassen aan de cultuur van het land waar immigranten verblijven.

Assimilatie

Immigranten gaan op in de cultuur van het land van vestiging. Landsnormen en -waarden worden aangenomen en bepaalde overtuigingen of waarden van de oorspronkelijke cultuur zullen niet langer gevolgd worden.

Separatie

De oorspronkelijke cultuur wordt meer gewaardeerd dan de cultuur van het land van vestiging.

Integratie

Immigranten accepteren de belangrijkste kenmerken van beide culturen.

Marginalisatie

Beide culturen worden door de immigrant afgewezen.

Acculturatiestress

Verontrustende psychologische reactie op een onbekende culturele omgeving, ook wel cultuurschok.

Censuur

Controle op publiceren van verboden zaken in bijvoorbeeld films en boeken.

 

Contributions

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of sanderP
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Switch Font
Statistics
3
Selected Categories
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Main Category
Learn & Develop
Field of Study
Language of your text
Nederlands