Verbintenissenrecht - UL - B2 - Tussentoets 2017


Vragen

Casus

Bij de Rechtbank Midden-Nederland is de zaak van Smit BV tegen Vennootschap Beerman NV aangebracht. Hierna volgen de belangrijkste delen uit het vonnis:

2. Het geschil

2.1. In de onderhavige procedure vordert Smit BV bij inleidende dagvaarding veroordeling van Vennootschap Beerman NV om aan Smit BV € 176.597,73 te betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW vanaf 21 september 2010 en met veroordeling van Vennootschap Beerman NV in de proceskosten.

2.2. Aan de vordering tegen Vennootschap Beerman NV heeft Smit BV kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Vennootschap Beerman NV is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de koopovereenkomst door in 2009 potten te leveren die licht doorlieten en daardoor niet aan de overeenkomst hebben beantwoord. De hortensia’s die Smit BV in die potten heeft gekweekt, hebben een groeiachterstand opgelopen. Vennootschap Beerman NV moet de schade die Smit BV daardoor heeft geleden, vergoeden. Deze schade bedraagt € 176.597,73, welk bedrag is opgebouwd uit de volgende posten:

  1. teeltplanschade € 125.201,38
  2. extra arbeid € 13.640
  3. gebruik extra middelen € 5.906,35
  4. tijdsbesteding ondernemer € 6.500
  5. vaststelling aansprakelijkheid € 25.350

2.3. Vennootschap Beerman NV weerspreekt de vorderingen gemotiveerd.

3. De beoordeling

3.1. De rechtbank stelt de volgende feiten in rechte vast.

3.2 Smit BV exploiteert een onderneming die onder andere hortensia’s kweekt. Smit BV had tussen 2006 en 2012 een gemiddelde jaaromzet van € 120 miljoen. Smit BV koopt sinds 2006 jaarlijks potten voor het kweken van die hortensia’s bij Vennootschap Beerman NV die deze op haar beurt laat produceren bij Spuittechniek BV. De eerste bestelling vond op 5 januari 2006 plaats op basis van een eerste offerte en monsters van de potten die door de vertegenwoordiger van Vennootschap Beerman NV, aan de heer Bavink, directeur van Smit BV, zijn getoond. Bij deze bestelling heeft Bavink namens Smit BV de offerte van Vennootschap Beerman NV ondertekend. De door Bavink ondertekende offerte bevat op de achterzijde de algemene voorwaarden. Bovendien vermeldt de offerte, direct onder de plaats waar Bavink heeft ondertekend:

"Onze Algemene Leveringsvoorwaarden zijn onder dossiernummer 30173391 gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Utrecht.”

In de aanbiedingsbrief van de offerte van 18 december 2006 wordt vermeld:

"Leveringsvoorwaarden Onze Algemene Leveringsvoorwaarden, die bij de Kamer van Koophandel te Utrecht onder dossiernummer 30173391 zijn gedeponeerd, zijn op aanvraag(kosteloos) leverbaar".

In deze Algemene Leveringsvoorwaarden is in artikel 10 bepaald:

“Artikel 10: Aansprakelijkheid van Vennootschap Beerman NV Indien Vennootschap Beerman NV aansprakelijk is voor schade van de wederpartij, op welke grond dan ook, dan geldt dat de aansprakelijkheid van Vennootschap Beerman NV te allen tijde begrensd is tot maximaal de factuurwaarde van de opdracht exclusief omzetbelasting (BTW).”

3.3 Tussen 2006 en voorjaar 2009 zijn meermalen mondelinge bestellingen gedaan door Smit BV bij Vennootschap Beerman NV. Op een aantal van de facturen die na deze bestellingen volgden, staat in de voorgedrukte voet van het briefpapier de tekst:

“Onze Algemene Leveringsvoorwaarden, die bij de Kamer van Koophandel te Utrecht onder dossiernummer 30173391 zijn gedeponeerd, zijn op aanvraag(kosteloos) leverbaar”

3.4 In voorjaar 2009 heeft Smit BV ongeveer 600.000 of, volgens Smit BV, 700.000 potten bij Vennootschap Beerman NV gekocht, welke potten door Smit BV gebruikt zijn voor het kweken van hortensia’s. De betreffende potten waren aangekocht door Vennootschap Beerman NV bij Spuittechniek BV. De koopovereenkomst tussen Vennootschap Beerman NV en Smit BV werd mondeling gesloten. De koopprijs bedroeg € 35.358,75 exclusief btw. Medio 2009 heeft de heer Bavink geconstateerd dat er een achterstand was in de wortelvorming en groei van de hortensia’s die in de potten werden gekweekt en dat de wortels groen waren in plaats van wit.

3.5 In opdracht van Smit BV heeft de heer Tiekema, medewerker van DLV Plant te Delfzijl (hierna: DLV), onderzoek gedaan naar aanleiding van de bevindingen van de heer Bavink. In het naar aanleiding van dit onderzoek gemaakte rapport is onder meer vermeld:

“Uit de steekproef kunnen we concluderen dat de bruine potten van Vennootschap Beerman NV licht doorlaten en dat dit verantwoordelijk is voor de groene wortels. Licht doorlatende potten zijn op twee manieren schadelijk voor planten. Ten eerste zorgt het voor een sterkere opwarming van de binnenkant van de pot en ten tweede beïnvloedt het de groei van de wortels. Wortels groeien niet voor niks naar beneden in het donker. Beide factoren zorgen voor een groeiremming van de bovengrondse delen. De groeiremming vindt niet alleen plaats in de huidige groeifase van de planten, maar ook in de zogenaamde trekfase van de planten later dit jaar. De groeiremming kan zich uiten in kleinere planten en minder scheuten of knoppen op de planten. (…)”

3.6 Op 8 oktober 2009 heeft een bespreking plaatsgehad, waarbij aanwezig waren de heer Bavink, de heer Passchier, financieel expert van de zijde van Smit BV, de heer Janssen, directeur Vennootschap Beerman NV, en de heer Tak, onafhankelijk taxateur boomteelt. Bij de bespreking was ook aanwezig mevr. mr. A.C. Klas, dossierbehandelaar bij Achmea Aansprakelijkheidsverzekering NV, bij welke maatschappij Vennootschap Beerman NV haar aansprakelijkheidsrisico verzekerd heeft. Tijdens die bespreking zijn de hortensia’s van Smit BV en de potten beoordeeld en is gediscussieerd over de lichtdoorlatendheid van de potten en de eventuele gevolgen daarvan.

3.7 Op 10 oktober 2009 hebben Bavink, Janssen en Tak een bezoek gebracht aan een andere kweker om de groei te kunnen vergelijken. Over dat bezoek verklaarde Janssen bij voorlopig getuigenverhoor:

“Terwijl Bavink en ik bij de kweker wachtten op de koffie, heb ik Bavink gezegd dat we wel eerder eens klachten van andere afnemers hadden gekregen over onze potten, maar dat we die klachten nooit zo serieus namen omdat ze vaak afkomstig waren van kwekers die er bekend om stonden het onderste uit de kan te willen schrapen. (…) Dat waren dan klanten die gewoon alsnog reductie op de koopprijs wilden afdwingen.”

3.8 Achmea Aansprakelijkheidsverzekering NV heeft op 11 oktober 2009 Vennootschap Beerman NV erop gewezen dat uit hoofde van de polisvoorwaarden van de aansprakelijkheidsverzekering een maximum aansprakelijkheidsdekking geldt van € 25.000.

3.9 Op 19 oktober 2009 hebben Passchier en Tak elk een rapport uitgebracht met daarin hun bevindingen. Vervolgens heeft DLV opnieuw onderzoek verricht. Het rapport van 28 februari 2011 dat naar aanleiding van dit laatste onderzoek is gemaakt, vermeldt dat in 2010 in dezelfde teeltperiode als in 2009 een proef is opgezet met meerdere potkleuren met verschillende lichtdoorlatendheid teneinde duidelijk te krijgen wat het effect is van licht doorlatende potten op de groei van hortensia’s. Het rapport vermeldt onder ‘samenvatting en conclusies’ onder meer:

“Qua lichtdoorlatendheid worden duidelijke verschillen gemeten tussen de terracotta pot van 2009 en de terracotta pot van 2010. De terracotta pot van 2009 laat beduidend meer stralingsenergie door ten opzichte van de pot van 2010 (16% ten opzichte van 0,5%). Ook de doorlaatbaarheid van PAR-licht is hoger dan de terracotta pot van 2010 (0,84% ten opzichte van 0,06%) of de zwarte pot (0,02%). De lichtdoorlatendheid van de terracotta pot van 2009 heeft invloed op de onder- en bovengrondse ontwikkelingen, wat aangetoond is bij de gewasbeoordelingen. (…) De groeireductie die Smit BV in het teeltjaar 2009 ondervond zijn volgens bovenstaande conclusies terug te herleiden naar de lichtdoorlatendheid van de pot.”

3.10 In zijn rapport van 2 maart 2011 heeft de heer Passchier de teeltplanschade als gevolg van de lichtdoorlatendheid van de potten berekend op € 125.201,38.

3.11 Bij brief van 11 april 2011 heeft Spuittechniek BV tegenover Vennootschap Beerman NV erkend dat leidinggevend personeel van Spuittechniek BV ernstige fouten heeft gemaakt bij het fabriceren van de aan de Vennootschap Beerman NV verkochte potten. Op 20 april 2011 is Spuittechniek BV failliet verklaard.

Tot zover de belangrijkste delen uit het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

De rechtbank stelt uiteindelijk vast dat Vennootschap Beerman NV is tekortgeschoten in de nakoming van de met Smit BV gesloten koopovereenkomst door in 2009 potten aan Smit BV te leveren die licht doorlieten waardoor bij de in die potten gekweekte hortensia’s een groeiachterstand is opgetreden. Vennootschap Beerman NV beroept zich echter in de procedure op artikel 10 van haar leveringsvoorwaarden. Smit BV heeft tegen dit beroep het volgende aangevoerd. Smit BV (1) betwist dat de leveringsvoorwaarden uitdrukkelijk overeengekomen zijn en (2) stelt in het verlengde daarvan dat Vennootschap Beerman NV begreep of had moeten begrijpen dat Smit BV de inhoud van de voorwaarden helemaal niet kende. Bovendien meent Smit BV (3) dat het beroep op art. 10 van de leveringsvoorwaarden in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Vraag casus

Hoe zal de rechter oordelen over het beroep op artikel 10 van de leveringsvoorwaarden? Betrek in uw antwoord de drie argumenten van Smit BV.

Stellingen (4 punten)

Geef per stelling gemotiveerd aan of deze juist of onjuist is.

Stelling 1

Uit het arrest Offringa/Vinck & Van Rosberg (HR 10 april 1998, NJ 1998, 666) volgt dat indien de dwalende koper niet heeft voldaan aan de op hem rustende onderzoeksplicht de goede trouw een beroep op dwaling ex art. 6:228 lid 1 sub b BW uitsluit.

Stelling 2

De totstandkoming van een overeenkomst zonder wilsovereenstemming is niet mogelijk.

Stelling 3

Een rechtshandeling waarvan de strekking in strijd is met de wet, is altijd nietig op grond van artikel 3:40 lid 2 BW.

Stelling 4

Als een schuldenaar ondeugdelijk presteert en de schuldeiser daardoor schade lijdt in zijn overige vermogen, dient de schuldenaar eerst in verzuim te worden gebracht, voordat een recht op schadevergoeding voor de schuldeiser ontstaat.

Antwoordindicatie

Voor toekenning van punten is het enkel vermelden van begrippen of artikelen niet voldoende. Bij de beoordeling van de tentamenantwoorden is met name gekeken naar de onderbouwing en de formulering van de antwoorden en tevens naar de kwaliteit van de gehanteerde redenering.

Casusvraag (6 punten)

Argument 1

Bij de beantwoording van de vraag of de algemene voorwaarden overeengekomen zijn, gelden geen andere regels dan die welke uit art. 3:33 jo 3:35 jo 6:217 lid 1 BW voortvloeien. Uit het vonnis van de rechtbank blijkt dat Smit BV (hierna: Smit) niet uitdrukkelijk heeft ingestemd met de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden. Echter, men kan hier spreken van stilzwijgende aanvaarding ex art. 6:217 lid 1 jo 3:37 lid 1. Immers, de verklaringen van Beerman NV (hierna: Beerman) omtrent de voorwaarden – zowel bij gelegenheid van de eerste offerte en de aanbiedingsbrief als bij de verschillende facturen – moesten door Smit redelijkerwijs worden begrepen als een aanbod tot het toepasselijk verklaren van haar leveringsvoorwaarden. Smit heeft, door meermalen met Beerman te contracteren zonder te protesteren tegen die toepasselijkheid, bij Beerman het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat het aanbod tot het hanteren van de betreffende algemene voorwaarden is aanvaard ex art. 3:35 jo 6:217 lid 1 BW.

Argument 2

Daarbij is geheel niet van belang dat Smit de voorwaarden ooit heeft ingezien. Smit kan ook gebonden zijn aan de voorwaarden als Beerman weet of behoort te begrijpen dat Smit de inhoud ervan niet kende. Art. 6:232 BW is namelijk van toepassing (ook al is Smit een ‘grote onderneming’: art. 6:235 BW sluit toepassing van 6:232 niet uit).

Tussenconclusie: beide argumenten gaan niet op en Smit is in casu gebonden aan de leveringsvoorwaarden van Beerman.

Argument 3

Smit doet hier een beroep op art. 6:248 lid 2 BW. Hoofdregel is dat contractuele limitering van aansprakelijkheid tussen professionele partijen in beginsel is toegestaan (Matatag/De Schelde: HR 31 december 1993, NJ 1995/389). Of een beroep op de in de algemene voorwaarden opgenomen limitering van aansprakelijkheid in het gegeven geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, hangt van de waardering van tal van omstandigheden af (Saladin/HBU: HR 19 mei 1967, NJ 1967/261). In dit geval wegen met name mee:

Partijen zijn beide professionele partijen en doen al enkele jaren zaken met elkaar, waarbij Beerman steeds verwees naar de algemene voorwaarden waar het limiteringsbeding in is opgenomen;

De mate van schuld van Beerman is gering; weliswaar heeft leidinggevend personeel van Spuittechniek BV ernstige fouten gemaakt, maar dit is niet leidinggevend personeel van de debiteur zélf; anderzijds kan Beerman (wellicht) wel worden verweten dat zij de eerdere signalen van andere klanten niet serieus heeft genomen;

Smit had zich, als zij de voorwaarden zou hebben bestudeerd, bewust kunnen zijn van de strekking van het beding;

Het factuurbedrag is € 35.358,75 terwijl de schade € 176.597,73 beloopt; mede vanwege dat grote verschil heeft Beerman belang bij limitering van de aansprakelijkheid;

Temeer omdat de aansprakelijkheid van Beerman is verzekerd tot een bedrag van € 25.000 en Smit dus wel degelijk iets van de veroorzaakte schade vergoed krijgt.

Conclusie

Alles afwegende kan niet worden gezegd dat het beroep van Beerman op de aansprakelijkheidsbeperking in de algemene voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Argument 3 slaagt dus evenmin. Dit betekent dat de rechter het beroep op art. 10 van de leveringsvoorwaarden door Beerman hoogstwaarschijnlijk zal honoreren.

Stellingen (4 punten)

Stelling 1

Onjuist. Uit het arrest volgt dat art 6:228 lid 1 sub b juist ertoe strekt ook aan een onvoorzichtige koper bescherming te bieden. Indien de verkoper een op hem rustende mededelingsplicht schendt, zal de goede trouw in de regel meebrengen dat de wederpartij een dwalingsberoep niet kan afweren door te stellen dat de koper zelf maar onderzoek had moeten plegen.

Stelling 2

Onjuist. Een overeenkomst komt op grond van art. 6:217 lid 1 BW tot stand door ‘aanbod en aanvaarding daarvan’. Aanbod en aanvaarding zijn beide rechtshandelingen. Ex art. 3:35 BW kan een rechtshandeling tot stand komen in gevallen waar de wil ontbreekt, namelijk indien er sprake is van opgewekt vertrouwen (1. Een verklaring of gedraging van de ene partij; 2. de wederpartij vatte deze verklaring op als een tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking; 3. de wederpartij mocht in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze deze verklaring aldus opvatten.). Het is dus denkbaar dat geen wilsovereenstemming bestaat, maar toch een overeenkomst tot stand komt.

Stelling 3

Onjuist. Art. 3:40 lid 2 BW ziet op de - in beginsel - nietigheid van het verrichten van een rechtshandeling die in strijd is met de wet. Dit betekent het sluiten of aangaan van een overeenkomst. Een rechtshandeling waarvan de inhoud of strekking in strijd is met de wet kan wel nietig zijn op grond van art. 3:40 lid 1 BW, maar dat hoeft niet (nrs. 153 en 155 R&O). (Ten overvloede: Of dat zo is, en of daaruit nietigheid van de overeenkomst volgt, moet worden getoetst aan de criteria van het arrest Esmilo/Mediq: HR 1 juni 2012, NJ 2013/172).

Stelling 4

Onjuist. Dit betreft gevolgschade. Gevolgschade is onherstelbaar en dus is nakoming ten aanzien van gevolgschade blijvend onmogelijk. Hiertoe is geen verzuim op grond van art. 6:74 lid 2 BW vereist en is dus ook geen ingebrekestelling vereist (Zie arrest Kinheim/Pelders: HR 4 februari 2000, NJ 2000/258).

Page access
Public
Join World Supporter
Join World Supporter
Follow the author: Law Supporter
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.